Geloof en het gevecht van de christen (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
17 februari 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh laat zien dat de Bijbel vol staat met metafoors over oorlogvoering, erop duidend dat het leven van de christen gekarakteriseerd zal worden door spanning, opoffering en ontberingen, waarvoor onstellende hoeveelheden geloof nodig zijn, waarvan we een voorbeeld hebben in onze voorvaderen uit Hebreeën 11. Hierbij worden we beïnvloed door een verzameling geloofsopvattingen die eenmaal als gave door het horen van het woord van God aan de gelovigen zijn overgegeven. Onze reactie op deze gave behoort het voortbrengen van werken te zijn. Geloof is de ongeziene steunpilaar (hypostasis of hupostasis, Strongs nummer 5287) van datgene wat voor iedereen zichtbaar is, iets dat op subtiele en snelle wijze meegesleurd kan worden als er niet voortdurend met volharding en standvastigheid aandacht aan geschonken wordt. De leerstelling van 'geen werken' is een vijand voor het opbouwen van geloof. De voorbeelden die in Hebreeën 11 gegeven worden, voorzien in patronen van een productief christelijk leven, evenals van hoe geloof boven de grenzen van ons fysieke leven uitstijgt. Levend geloof wordt onderscheiden van dood geloof door een zich op actieve wijze voegen naar God en het houden van Zijn geboden (een demonstratie van liefde). Zoals de zonde van Adam en Eva ons allemaal naakt achterliet, werd het offer van Christus de enige geschikte bedekking voor onze zonden.


Ik ga weer verder met de serie preken waar ik tot drie weken geleden mee bezig was. In dit geval komen de metaforen waarbij oorlog betrokken is in overvloed in de Bijbel voor. In het bijzonder in het Nieuwe Testament maken de schrijvers er op een of andere manier gebruik van om het leven van de christen te illustreren. Deze metaforen nemen alle twijfel weg dat het leiden van een christelijk leven niet op een zondagmiddagwandeling in het park zal lijken.

De dodelijke gevaren van oorlog worden niet erg benadrukt — al zijn er wel enige aanduidingen in die richting — maar de aandacht richt zich veeleer op strijd, ontbering en opoffering. Deze komen in veel gevallen aan de orde, gewoon omdat de christen geen normaal leven kan leiden, geen levensstijl kan hebben overeenkomend met die van ieder ander in de buurt, en dat veroorzaakt stress.

Elke soldaat die in het belang van zijn land en in het bijzonder voor degenen die hij liefheeft, aan oorlog deelneemt, moet een bepaalde mate van vastbeslotenheid in zich hebben door zijn geloof dat zijn zaak in deze oorlog rechtvaardig is. Hoe sterker hij daarvan overtuigd is, des te beter.

Geloof speelt een belangrijke rol binnen het gevecht van de christen met de geestelijke krachten die tegen hem staan opgesteld. Daar we God niet letterlijk kunnen zien, maar in plaats daarvan geestelijk kunnen zien en begrijpen wat Hij liet opschrijven in de instructies betreffende geloof, zien we in feite dat geloof bij ieder aspect van het christelijke leven betrokken is. Geloof is absoluut essentieel voor de oorlogvoering van de christen. Behoud is uit genade door geloof.

Liefhebben zoals God liefheeft is inderdaad het geestelijke doel van het christelijke leven, maar om die ontzagwekkende top te bereiken moet er een fundament zijn dat dat ondersteunt, en dat fundament is voor de discipel van Christus geloof.

Hebreeën 11 is een van de hoofdstukken in de Bijbel die een klassieke status hebben, en al staat het mogelijk niet zo hoog in de publieke populariteit als Psalm 23 of 1 Corinthiërs 13, toch is het belang ervan voor bekering minstens zo belangrijk als die andere twee.

Psalm 23 heeft een warme, geruststellende aantrekkingskracht over zich die iemand de verzekering geeft dat God met ons is, en dat Hij ongeacht de omstandigheden zal voorzien. Dus die psalm is op zijn eigen persoonlijke manier een sterke uitdrukking van geloof dat verweven is met veel aspecten van het gevecht van de christen.

1 Corinthiërs 13 voorziet ons van duidelijke beelden hoe goddelijke liefde handelt en reageert, en door dat te doen zet het heel hoge standaards voor ons om God op praktische manieren na te bootsen.

Laten we Hebreeën 12:1-4 opslaan. Daar gaan we beginnen.

Hebreeën 12:1-4 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. 2 Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. 3 Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt. 4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde,

Deze uitspraken trekken iemands aandacht naar praktische toepassingen van de levendige illustraties uit hoofdstuk 11. Let op het woord "daarom". Alles wat daaraan in hoofdstuk 11 voorafging, komt bijeen bij wat we aan het begin van hoofdstuk 12 zien. Zo kunnen we zien dat wat Hebreeën 11 is voor geloof, 1 Corinthiërs 13 is voor liefde en Psalm 23 is voor ondersteunende bemoediging.

Hebreeën 11 laat zien hoe grote mannen en vrouwen uit het verleden hun geloof in God gebruikten om grote dingen te bereiken in hun getuigenis voor Hem, en al doende hebben zij standaards en voorbeelden achtergelaten als instructie voor ons geestelijk welzijn in de manier waarop zij zich door hun dagelijkse verantwoordelijkheden heen sloegen. Hebreeën 11 is een hoofdstuk dat richting geeft op basis van een schildering in grote lijnen van de omstandigheden waarin zij praktisch gebruik maakten van hun geloof in God en Zijn weg.

In Hebreeën 11:1 staat: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet." Het begrijpen van dit vers is essentieel om het meeste uit dit hoofdstuk te kunnen halen. Dat is een heel goede, praktische definitie van geloof, maar dat is niet de enige, omdat de Bijbel geloof op verschillende manieren gebruikt. In feite is dit niet echt een definitie van wat geloof is, het is meer een definitie van wat geloof doet.

Geloof als woord heeft niet slechts één aspect aan zich verbonden. Als we dus lezen moeten we goed nadenken, want anders kunnen we het verkeerde beeld krijgen in plaats van het beeld dat God binnen een bepaalde context voor ogen heeft.

Laten we Galaten 1:23 opslaan.

Galaten 1:23 Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij tevoren trachtte uit te roeien.

Geloof zoals hier in samenhang met het woord "verkondigen" in religieuze taal gebruikt, betekent of duidt op een belijdenis. In de wereld der religie is een belijdenis een credo [geloofsbelijdenis] — een verzameling van religieuze geloofsopvattingen, een uitspraak over de principes waarop iemands leven is gebaseerd. Het wordt in het Nieuwe Testament vaak op deze manier gebruikt en ik zal u een voorbeeld uit de brief van Judas laten zien dat heel duidelijk is. Het woord "geloof" wordt op dezelfde manier gebruikt als in Galaten 1:23, maar ik denk dat dit vers zelfs duidelijker is.

Judas 3 Geliefden, daar ik mij in alle opzichten beijver u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zie ik mij genoodzaakt het te doen met de vermaning tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.

Dit komt overeen met Galaten 1:23, maar ik denk dat Judas 3 duidelijker is. Judas gebruikt geloof als een verzameling van geloofsopvattingen waaraan we — zoals hij ons aanspoort — standvastig moeten vasthouden en die we moeten toepassen bij al de uitdagingen waarmee het leven ons confronteert. Judas geeft aan dat het christelijke geloof is gebaseerd op duidelijke principes die niet veranderen, ja zelfs onveranderlijk zijn. In essentie zegt Judas hier: "Luister mensen! Er is niets veranderd. Laten we teruggaan naar wat we in het begin gekregen hebben, omdat het geloof bestaat uit de verzameling geloofsopvattingen die ons via en door Jezus Christus gegeven is en die we moeten geloven en in ons leven toepassen."

Nu gaan we een vers lezen waar het woord geloof op een iets andere manier wordt gebruikt. Laten we Johannes 20:31 opslaan.

Johannes 20:31 maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam.

In deze context is Jezus Christus het onderwerp van geloof. Met andere woorden het geloof is op Christus gericht. Hier duidt "geloven" op een persoonlijk vertrouwen in Hem als persoon. We gaan hier nog iets aan toevoegen uit het boek Romeinen.

Romeinen 3:22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

In dit geval zien we "geloof" binnen een context die algemeen juridisch is en het duidt hier op een niveau van persoonlijk vertrouwen in wat Christus deed, en wel als middel tot rechtvaardiging en daarom toegang tot God. Geloof wordt dus gezien als vertrouwen in een specifiek werk of een prestatie van Jezus Christus die ons de mogelijkheid geeft een relatie met God te hebben.

Laten we nu Romeinen 10:17 opslaan en daar een heel belangrijk stukje kennis zien met betrekking tot geloof. Dit is een heel bekend schriftgedeelte.

Romeinen 10:17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.

Dit vers zegt ons hoe geloof in God, hoe geloof in Jezus Christus, hoe geloof in wat Christus deed, deel gaat uitmaken van ons denken. Dat gebeurt door het horen van het woord van God. Dit concept is heel belangrijk, omdat we heel veel dingen kunnen horen. We kunnen horen over auto's, over cake, over soep, over baseballteams, over van alles waar we vertrouwen in hebben, maar dat gaat niet over het horen over Christus, daarom is Hij en wat Hij deed niet het onderwerp van dat vertrouwen, of van dat geloof. Maar met betrekking tot behoud komt het geloof van God — het geloof van Jezus Christus, het geloof dat een middel tot behoud wordt — tot ons door het horen van het woord van God, of het horen van het woord van Jezus Christus en Zijn boodschap. Geloof gaat dus deel uitmaken van iemands denken door het horen van woorden die gaan over het onderwerp van geloof — Jezus Christus en Zijn boodschap, het evangelie van het Koninkrijk van God.

Hier hebben we iets dat superbelangrijk is. Geloof komt tot stand omdat wij het evangelie horen, maar we moeten begrijpen dat dit op andere plaatsen in de Bijbel iets anders onder woorden wordt gebracht, in het bijzonder en zelfs heel duidelijk in Efeziërs 2:8-10, en speciaal in vers 8 waar staat: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof" en "het is een gave van God".

Laten we die informatie meenemen naar Romeinen 10:17. Geloof is een gave van God. Het komt niet in ons tot stand vanwege wat we doen in reactie op het horen van de boodschap. Het komt alleen maar tot stand vanwege wat God in ons denken teweegbrengt. Het is een gave. Wat wij doen met datgene wat Hij ons geeft, is onze reactie, en onze reactie bestaat uit onze werken.

Vergeet nooit dat geloof de gave van God is, en God doet wat nodig is om die gave te kunnen geven, in de tijd dat we in contact komen met de boodschap — het evangelie van het Koninkrijk van God. Vergeet nooit dat geloof niet tot stand komt doordat wij reageren. Geloof komt tot stand door wat God doet (en deed), en daarna gaan wij reageren. Is dat duidelijk? Daarom is behoud een gave. Dat komt door geloof en het geloof is een gave van God. Het gaat om wat Hij doet als wij het evangelie horen. Het gebeurt niet gewoon omdat wij het evangelie hoorden, en ik zal later in de preek hier nog meer bewijs van geven. Behoud is een gave van God.

Het is interessant dat Paulus "horen" benadrukt en niet slechts "lezen". Denk nog eens aan wat Jezus in Johannes 6:63 zei. Dit vond plaats op een moment dat Hij blijkbaar een groot aantal discipelen kwijtraakte, omdat het hun niet aanstond wat ze van Hem hoorden. Hij zei:

Johannes 6:63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven.

Wat God doet, gecombineerd met het horen van het evangelie, plaatst ons op de weg van behoud en het voorzien in leven door God. "Horen" of juister gezegd "luisteren" maakt dit nog een stuk duidelijker. Het is waarschijnlijk de meest consequente en meest voorkomende aansporing die Jezus tijdens de uitvoering van Zijn taak op aarde gaf. Als wij niet aandachtig luisteren, zullen we geen geloof hebben in het juiste onderwerp en zullen we niet de juiste werken voortbrengen. Ongeacht de context waarin "geloof" voorkomt, is er altijd een mengeling van de elementen van geloven, kennen, begrijpen, vertrouwen en soms zelfs een stoutmoedige overtuiging die allemaal met elkaar samenhangen en gericht zijn op een specifiek onderwerp. En binnen de Bijbel is dat onderwerp bijna altijd God, of Jezus Christus, of het woord van God, of een aantal boodschappers gezonden door God, of dat nu engelen, profeten of dienaren zijn.

Herinnert u zich nog wat Jezus Zijn discipelen in Mattheüs 10 zei, toen Hij hen uitzond? Hij zei: "Als iemand niet wil luisteren, ga dan gewoon weg." Ze zullen niet luisteren. Hij zei: "Schud het stof van u en ga verder." Daarna voegde Hij toe: "Het zal voor Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor hen." Het laatste dat in dat hoofdstuk wordt vermeld is: "Hij die u ontvangt, ontvangt Mij, en hij die Mij ontvangt, ontvangt de Vader." Ziet u, er is een ononderbroken keten omhoog en omlaag die rechtstreeks tot de Vader voert — het uiteindelijke onderwerp van het geloof dat behoudt: God de Vader, God de Zoon en Hun woord.

Laten we Hebreeën 10 opslaan. Het onderwerp van geloof dat de weg plaveit voor de uiteenzetting die Paulus in hoofdstuk 11 geeft, wordt in hoofdstuk 10, in de verzen 35 tot 39, geïntroduceerd.

Hebreeën 10:35-39 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. 36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. 37 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, 38 en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. 39 Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.

Dit is niet de eerste keer dat geloof of het tegengestelde daarvan — "ongeloof" — in Hebreeën wordt genoemd. Het doel van het gehele boek is het geloof van hen aan wie het geschreven is, in de superioriteit van Jezus Christus als persoon en Zijn boodschap — het evangelie van het Koninkrijk van God — in herinnering te brengen, te bouwen en in stand te houden.

We slaan nu Hebreeën 3:12-13 op en lezen daarna de verzen 18 en 19, doorgaande in hoofdstuk 4 tot vers 2. In dit geval begint "ongeloof" in het boek in beeld te komen.

Hebreeën 3:12-13 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, 13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde;

Hebreeën 3:18-19 Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? 19 Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof.

Hij heeft het over Israël in de woestijn.

Hebreeën 4:1-2 Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.

Als we deze uitspraken ter harte nemen, dan zijn het echt zwaarwegende uitspraken, omdat Paulus zegt dat de Israëlieten er niet in slaagden hun verantwoordelijkheid om van Egypte naar het Beloofde Land te lopen, uit te voeren, voornamelijk vanwege één zwak element in hun karakter: geloof. Zij geloofden God niet en evenmin geloofden ze Zijn boodschapper Mozes. Ze luisterden niet aandachtig en inschikkelijk, en vergeleken wat ze met hun ogen zagen niet met wat ze van God en Zijn boodschapper hoorden.

Vanwege Hebreeën 10:35-39 plaatst hoofdstuk 11 de deugd van geloof in rechtstreeks contrast met de zonde van ongeloof door te laten zien waar ongeloof de oorzaak van was. Paulus wil dat de mensen behouden worden, maar de mensen gingen verloren vanwege ongeloof.

Wat zeggen die verzen in Hebreeën 10 ons, in het bijzonder de verzen 38 en 39? Ze zeggen ons dat de Israëlieten in vrees terugdeinsden in plaats van in geloof voorwaarts te gaan, en ze stierven. Het hoofdpunt in het gehele boek Hebreeën is dus dat zij die terugdeinzen voor deze oorlog waartoe we geroepen zijn, door hun vertrouwen niet in de levende God te stellen, worden vernietigd, terwijl zij die geloven behouden worden.

Een duidelijk begrip van geloof in deze context van Hebreeën 11 en in het bijzonder binnen de context van het gehele boek Hebreeën hangt grotendeels af van hoe dat eerste vers van Hebreeën 11 wordt vertaald.

Hebreeën 11:1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

Het Griekse woord dat met "zekerheid" is vertaald, is het woord hupostasis. Dat betekent letterlijk "staan onder". Een iets ingewikkelder definitie is dat hupostasis datgene is wat zich bevindt onder datgene wat duidelijk zichtbaar is. Iets uitgebreider is hupostasis datgene dat hoewel het niet wordt gezien, bestaat onder hetgeen wordt gezien. Hupostasis heeft dus de betekenis van fundament en wordt dus evenals het fundament van een gebouw niet gezien. Het gebouw boven de grond wordt gezien of is duidelijk zichtbaar, maar het fundament — de hupostasis — is desondanks aanwezig. Het is de ongeziene ondersteuning van wat er duidelijk zichtbaar is en geestelijk bevindt het geloof dat onzichtbaar is voor het menselijk oog, zich dus onder de zichtbare handeling, ondersteunt en motiveert deze.

Ik wil dat nog wat verder uitwerken. Geestelijk bevindt het geloof dat onzichtbaar is voor het menselijk oog, zich dus onder de zichtbare handeling, ondersteunt en motiveert deze. Deze handeling sluit vertrouwen, zekerheid, geloof en overtuiging in. Als u de betekenis van het woord "geloof" wilt uitrekken, dan hebt u dat hier. Dit kan afhankelijk van de context op veel verschillende manieren worden uitgedrukt.

Ik werk dit nog wat verder uit, omdat hiermee nog geen einde gekomen is aan de discussie hoe hupostasis begrepen moet worden, omdat de vraag opkomt of dat subjectief of objectief begrepen moet worden. Het kan op beide manieren worden gebruikt.

Moeten we geloof nu als een kwaliteit of als een deugd in mij of in u opvatten? Dat gebruik is "subjectief". Of moeten we het opvatten als iets dat geen deel van ons uitmaakt, maar als iets waarop we kunnen vertrouwen. Dat gebruik is "objectief".

Begrijp dit: geen van deze vormen van gebruik is verkeerd, maar ik geloof dat binnen de context van het gehele boek de ene beter is dan de andere. Onthoud dus: "subjectief" — in mij; "objectief" — buiten mij, maar ik kan erop leunen.

Als de vertalers geloven dat het "subjectief" moet worden opgevat, dan zal die zin als volgt worden vertaald: "Geloof is zeker zijn van waarop we hopen; zeker zijn van wat we niet zien." Deze vorm benadrukt overtuiging — een innerlijke zekerheid betreffende datgene wat we geloven. Andere vertalingen kunnen ongeveer als volgt luiden: "Geloof in dingen waarop we hopen wordt een realiteit." Dat is ook een subjectieve manier van benaderen.

Als de vertalers geloven dat het "objectief" moet worden opgevat, dan zal de zin als volgt worden vertaald: "Geloof is de zekerheid van de dingen waarop we hopen." Of: "Geloof is de eigendomsakte van de dingen waarop we hopen." Dat is "objectief". Het is iets waar we op kunnen vertrouwen. Het is niet iets in ons. Het is iets waarop we kunnen vertrouwen. Het benadrukt iets buiten de persoon waarop vertrouwd kan worden.

Dit punt is geen gemakkelijke zaak, maar vergeet niet dat ik u zei dat geen van deze vormen van gebruik verkeerd is, maar persoonlijk geloof ik dat gebaseerd op de strekking van het gehele boek "subjectief" — dat is de overtuiging in ons — beter is. Het is waar dat Paulus enige tijd besteedt om de Hebreeën eraan te herinneren hoe groot hetgeen is waarin zij geloven, beter dan iets anders dat ooit tevoren aan de mensheid werd aangeboden. Dat op zichzelf zou een objectieve interpretatie met zich meebrengen; echter het werkelijke probleem dat het boek aan het licht brengt, lag in de harten van de Hebreeën.

Volgens mij spoorde Paulus die mensen aan, mensen die de dingen van God door persoonlijke nalatigheid van zich weg lieten glijden. Ze waren moe geworden in het goeddoen. De wereld had een vermoeiende invloed op hen. Het was niet dat zij niets hadden om in te geloven — subjectief — omdat Hebreeën duidelijk stelt dat zij het vroeger veel beter hadden gedaan. Hij zei: "Denk aan vroeger tijd toen jullie zoveel hebben bereikt."

Wat waren ze kwijt geraakt? Ze hadden hun overtuiging verloren. De waarheden waren er nog steeds. Daarop kon worden gebouwd, maar datgene wat er in hen was, dat was stapje voor stapje verdwenen. Door hun gebrek aan overtuiging en door hun nalatig zijn in persoonlijke toepassing dreven ze dus steeds verder af. Het "subjectieve" geloof was dus het onderwerp en Paulus spoorde hen diverse malen aan zich die vroegere tijd in herinnering te brengen en het vrijmoedige vertrouwen dat ze toen hadden, weer te doen herleven.

Voor mij is geen van deze benaderingen verkeerd, maar persoonlijk geloof ik dat de "subjectieve" beter is, en daarom denk ik dat het beter als volgt vertaald kan worden: "Geloof is zeker zijn van waarop we hopen, zeker zijn van wat we niet zien." Zij waren niet langer zeker. Ze waren niet langer overtuigd en daarmee bedoelt Paulus dat de gelovige overtuigd is dat de dingen betreffende God die hij niet kan zien, waar zijn en dat hij daarom in volle hoop vanuit dat perspectief handelt.

Velen beweren in God te geloven, maar welke invloed heeft dat geloof op hun handelen? Dat zijn mensen die niet overtuigd zijn — mensen zonder overtuiging die slechts een intellectuele rechtvaardigheid zoeken. Zulk geloof heeft geen zekerheid en daarom trekt het zich langzamerhand lusteloos terug in plaats van dat het doorgaat te groeien. Zo waren de Hebreeën geworden onder de druk van de tijden en hun beproevingen.

Ik zei eerder dat dit hoofdstuk al in hoofdstuk 10 wordt geïntroduceerd, als daar rechtstreeks over geloof wordt gesproken, maar er is ook een bijkomend onderwerp dat aanleiding gaf tot het schrijven van hoofdstuk 11, dat komt ook in hoofdstuk 10 aan de orde en wel in vers 36.

Hebreeën 10:36 Want gij hebt volharding [Statenvertaling: lijdzaamheid] nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.

In de King James is het woord dat in de NBG met "volharding" is vertaald, vertaald met "patience" [geduld, lijdzaamheid]. In het boek is overvloedig materiaal aanwezig om te zien waarom "volharding" diende te worden besproken. Er zijn echter betere woorden dan "patience" [of "lijdzaamheid" zoals in de Statenvertaling], alhoewel die vertaling niet onjuist is. In deze tijd zien we "lijdzaamheid" [geduld] meestal als iets passiefs, dus de vertaling van de NBG met "volharding" is voor onze huidige begrippen een stuk beter.

Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt, is hupomone. Zodhiates zegt dat dit woord betekent: "getrouw zijn in geloof en plicht, ook als dat lijden met zich meebrengt". Zodhiates is een moderne vertaler. Hij gebruikt het woord "getrouw zijn", omdat getrouw zijn duidt op een inspanning die tegen iets wordt geleverd. Misschien is in het licht van deze serie over oorlogvoering het volgende (alweer van Zodhiates) nog beter ... Luister naar wat volgens hem de betekenis van dat woord is. Hij zegt dat dat woord duidt op "een kwaliteit van karakter die iemand niet toestaat zich gewonnen te geven". Dat is geweldig! Dat geeft de essentie heel goed weer. Een christen zal al vechtend ten onder gaan. Als hij ten onder gaat, zal hij vechtend ten onder gaan, maar hij zal zijn positie niet opgeven.

Volharden, verdragen, getrouw zijn en standvastig zijn hebben alle een betekenis van activiteit in zich, of zich actief inspannen tegen een bepaalde druk. Als we dus bij hoofdstuk 11 aankomen worden er twee verwante onderwerpen bij de kop gepakt: één direct — geloof dat een sterke overtuiging is; de andere minder direct — volharding. Dat woord komt pas in hoofdstuk 12, vers 1, opnieuw voor, waar Paulus zegt: "laten we de wedloop met volharding lopen", of met uithoudingsvermogen; beide woorden zijn veel beter dan het woord "lijdzaamheid" [geduld] zoals in de Statenvertaling.

De Hebreeën hadden beide kwaliteiten heel hard nodig om hun problemen het hoofd te bieden. Overtuiging en volharding gaan hand in hand. Ze kunnen echt niet worden gescheiden, omdat wij met een ander tijdsconcept handelen dan God. Maar vergeleken met God schijnt het dat bij ons de tijd altijd vliegt. Bijna alles moet NU gedaan of gekregen worden. Ons geloof begint te vervliegen en we verliezen de moed.

Echt geloof werkt in een tijdssfeer die dichter bij die van God komt, omdat deze wegens overtuiging meer op Hem is afgestemd. Deze gelooft daarom niet alleen dat wat God zegt waar is, maar vertrouwt ook en verdraagt bereidwillig de beproevingen ervan in een houding van realistische hoop, die niet voortdurend bij God klaagt dat Hij de dingen direct binnen ons tijdsplan voor elkaar moet brengen. Overtuiging wordt ontwikkeld door veel aandachtig luisteren, verwerken en overgeven, waarbij men wat men leert van God vergelijkt met het bewijs waarin Hij voorziet. Daardoor worden de juiste werken voortgebracht.

Hebreeën 11:2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven.

Hiermee wordt de inleiding vervolgd door het belang van geloof onder woorden te brengen in de zin van wat anderen die ons voorgingen, in hun leven door geloof hebben bereikt. Door dat te doen gaf God Zijn goedkeuring aan hun leven. Deze woorden impliceren dat als zij het konden doen, waarom zouden wij het dan niet kunnen? Dezelfde God zit nog steeds op Zijn troon om in al onze behoeften te voorzien. We bedenken dat God door Zijn boodschap die Hij door Jezus Christus gaf, het onderwerp is van ons vertrouwen, evenals Hij het onderwerp was van hun vertrouwen. God zit dus op Zijn troon en er bestaat nog steeds waar bewijs — bewijs waarin wij al ons vertrouwen kunnen stellen en waardoor wij overtuigd kunnen worden.

Er is niemand anders in de hele wereld die meer dan wij zouden moeten wensen God te behagen. Dit is een belangrijk punt met betrekking tot geloof, omdat dit geloof tot uiting moet komen gericht op God. Het is heel gemakkelijk voor deze levenshouding om op het behagen van mensen gericht te zijn. Begrijp alstublieft dat dit ons door God niet wordt ontzegd, maar het behagen van God moet ons leven domineren en gekozen worden tot het belangrijkste in ons leven, anders heeft overtuiging bijna geen kans om te groeien. We willen dus op de voorbeelden uit de oudheid lijken en we moeten gebruik maken van het bewijs dat God ons geeft, en daar zorgvuldig over nadenken.

Hebreeën 11:3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.

Dit legt nog meer van het fundament, omdat het concept hier laat zien dat het solide fundament van geloof gericht is op God, daar Hij de Schepper is. Daar begint het. Dat is het bouwblok. God bracht dit Zelf bij Job naar voren. Hij zei tegen Job: "Waar was jij toen ik het fundament van de aarde legde?" Het antwoord op die vraag is de reden dat wij het bestaan der dingen door geloof kunnen begrijpen.

Ik denk dat Bullinger hier anders over dacht en dat is waard genoemd te worden. Het is anders dan u in de meeste commentaren zult vinden. Hij gaat zelfs nog verder terug dan de schepping en hij doet dat omdat het woord dat in vers 3 met wereld is vertaald — "Door het geloof verstaan wij, dat de wereld" — letterlijk het woord aion in het meervoud is en in feite met "tijdperken" vertaald zou moeten worden. Het duidt op tijdsperioden.

Dat vers zegt letterlijk dat de tijdperken door God tot stand werden gebracht, of dat hun volgorde door Hem werd bepaald. Dat is ook een mogelijke betekenis van "tot stand brengen". Het betekent "vormen" of "bepalen van volgorde" door God. Bullinger laat dus zien dat God, ongezien en soeverein, niet alleen de Schepper is, maar Hij geeft actief vorm aan de verschillende tijdsperioden. Hij werkt altijd zoals Jezus in Johannes 5:17 zei: "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook." God geeft richting aan de voortgang der geschiedenis binnen die perioden van tijd. Hij zorgt dat ze uitkomen op het punt waar Hij dat wil. Nogmaals dit is een persoonlijke voorkeur, maar persoonlijk geef ik de voorkeur aan de benadering van Bullinger; deze past beter bij het gehele boek.

Hebreeën 11:4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Hier in dit vers gaan we de tegenstelling zien tussen geloof en ongeloof, en die komt tot uiting in de praktische toepassingen die deze mannen eraan geven. Als hij klaar is met Mozes slaat hij op onverklaarbare manier Jozua, die een man van geloof was, over, maar hij neemt wel Rachab de hoer op. Daarna begint hij diverse namen van richteren te vermelden, maar niet in chronologische volgorde en uiteindelijk noemt hij David (de tweede koning) voor Samuël, die de laatste der richteren was.

Paulus wist waarschijnlijk waarom hij dit deed, maar ik ben er nog niet achter waarom hij het op die manier deed. Er zit waarschijnlijk een verhaal in dat patroon. Dat is duidelijk, maar u zult opmerken dat het bestaat. Er zit een patroon in en het is een goede zaak de patronen waarin God de dingen doet, te begrijpen.

Een belangrijker patroon is, dat elk voorbeeld van geloof dat in iemands leven wordt gebruikt, anders is dan dat van alle anderen. En even belangrijk, ze zijn geordend in een volgorde die van belang is voor het leven van een christen. Er is een logische voortgang. Dit aspect zal duidelijker worden als we door dit hoofdstuk gaan.

Een derde patroon dat we kunnen opmerken is, dat het hele hoofdstuk een algemeen maar krachtig argument is tegen de leerstelling van "geen werken" van hen die zo'n vreemd en vernietigend concept onderwijzen. Dat is één van de meest perverse ideeën met een vernietigende uitwerking op het christen-zijn die ik me kan indenken, omdat pal nadat iemand berouw heeft, in Jezus Christus gelooft, gedoopt wordt, hem wordt verteld: "U bent nu veilig in Jezus en u kunt dit behoud niet meer verliezen." En als die persoon dan zegt: "Wat moet ik doen?", dan wordt hem gezegd: "Helemaal niets. Werken kunnen u niet behouden." En wat doet die persoon dan? Als hij nadenkt, raakt hij verward.

Dit is zo vreemd en pervers omdat Efeziërs 2:10 zo duidelijk als maar mogelijk is zegt, dat "we in Christus Jezus geschapen zijn om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen." Onmiddellijk nadat hij zegt: "door genade bent u behouden, door het geloof", zegt hij: "We zijn in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen."

U kunt er zeker van zijn dat het geloof van deze mensen (die Paulus in hoofdstuk 11 als voorbeeld gebruikt) niet alleen maar intellectueel was, en het was zeer zeker niet dood. Paulus laat overduidelijk zien dat hetgeen waarin je beweert te geloven absoluut nutteloos is, tenzij het God behaagt door het voortbrengen van werken; werken zijn het bewijs van datgene waar iemand in gelooft — dat is het onderwerp van ons geloof. Gemeente, dat is een hoofdthema van het gehele boek Hebreeën. Het diende ertoe om de Hebreeën zover te krijgen dat ze niet langer niets deden, maar iets gingen doen.

De Hebreeën waaraan Paulus schreef, beweerden christenen te zijn, maar toen ze door meer dan zware beproevingen heen moesten, motiveerde hun gebrek aan geloof — hun twijfel dat God voor hen zou voorzien — hen tot terugdeinzen. Hun lusteloze en angstige werken onthulden hun gebrek aan geloof in God en zodoende gleden ze evenals de Israëlieten in de woestijn stapje voor stapje achteruit.

Voor wat betreft het vierde patroon dat er is, is Hebreeën 11 in drie delen verdeeld. Het eerste is de inleiding die de eerste drie verzen beslaat. Daar zijn we al doorheen gegaan. Het tweede deel behelst de voorbeelden van Abel, Henoch en Noach. Abels voorbeeld richt zich op het begin van het leven als een christen. Henochs voorbeeld richt zich op het karakter van een leven uit geloof — datgene waaruit het leven van een christen bestaat. Er wordt heel eenvoudig gezegd: "Henoch wandelde met God." Gegeven in een heel eenvoudige, algemene uitleg draait het daar om in het leven van een christen — wandelen met God.

Noachs voorbeeld bouwt voort op dat van Henoch en laat ook zien waaruit het leven van een christen bestaat, maar boven alles hoe het eindigt. Hij werd behouden. Zo eindigde het. Daarna richt het derde en belangrijkste gedeelte van het gehele hoofdstuk, te beginnen met Abraham en Sara, zich op wat het geloof van de overige voorbeelden bereikte door middel van geloof in God, omdat zij altijd verder keken dan hun eigen leven. Dat wil niet zeggen dat de eerste drie niets bereikten, maar alleen dat het Paulus in die voorbeelden niet ging om iets bereiken. Met Abel, Henoch en Noach legde Paulus een algemeen fundament om te laten zien hoe geloof iemand in zijn leven motiveert.

Hebreeën 11:4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Volgens de geschiedschrijving van de Bijbel is Abel de eerste mens die God een offerande aanbiedt. Er is geen aanwijzing dat hij datgene wat in die tijd populair was onder de kinderen van Adam en Eva navolgde, ook is er geen aanwijzing dat hij gezond verstand of menselijk redeneren volgde, of zelfs zijn gevoelens.

Er is geen twijfel aan dat God Adam en Eva, Kaïn en Abel, en vele anderen in de waarheid instrueerde. Abel springt er alleen uit omdat hij "uit geloof" offerde. Hij geloofde de specifieke instructies die hem gegeven waren. Noch Kaïn, noch iemand anders deed dat. Abels motivatie zette hem apart. Dat heiligde hem. Hij werd geheiligd door zijn geloof. Hij geloofde en dat zette hem apart van ieder ander. Hij geloofde wat God hem onderwees zonder daaraan te tornen.

Laten we Romeinen 10:17 nog eens in herinnering roepen, waar staat: "Geloof komt uit het horen van het woord van God." Geloof in God moet een fundament hebben en luisteren is het middel waardoor het wordt gevormd. Het is heel belangrijk te begrijpen wat Paulus, en natuurlijk God, onder "geloof" verstaat. Er zijn twee algemene soorten geloof: "dood" en "levend" zoals Jacobus ze noemde.

Het is essentieel te begrijpen dat als Jacobus het ene "dood" noemt, hij op geen enkele manier zegt dat zij die dat geloof hebben dom zijn. In feite kunnen ze heel intellectueel zijn — goed bij de tijd, intelligent. We zouden kunnen zeggen dat ze een hoog IQ hebben. Jacobus zegt slechts dat ze in relatie met God geen levend geloof hebben.

Laat me het verschil op deze manier duidelijk maken. Veronderstel dat twee mensen precies dezelfde instructie uit het woord van God ontvangen. Beiden zijn dus geïnformeerd over wat God verlangt. Het verschil tussen degene die een "dood" geloof heeft en degene die een "levend" geloof heeft, ligt erin dat degene met het "levende" geloof er ook toe wordt aangezet zich te onderwerpen aan wat hij hoorde.

Degene met het "dode" geloof is niet meer dan geïnformeerd en de persoon met het "dode" geloof kan van zijn informatie uit het woord van God genieten door erover te discussiëren en zelfs voor of tegen een bepaald concept te argumenteren. Dat beperkt zich echter slechts tot informatie, omdat de invloed om zich te onderwerpen ontbreekt. Er kan dus niet eerlijk worden gezegd dat zo iemand gelooft, zelfs al kan de informatie die hij heeft heel uitgebreid en waar zijn.

In tegenstelling daarmee gaat bij de persoon met het "levende" geloof dit geloof gepaard met een zich onderwerpen en een actief gebruik maken van deze informatie om zijn leven te veranderen naar wat God behaagt. Zo eenvoudig is het. De persoon die gelooft, wordt ertoe aangezet zich te onderwerpen en hij doet dat ook. De andere persoon kan veel intellectueler en slimmer zijn, maar hij onderwerpt zich niet; daarom gelooft hij niet. Hij weet wat er wordt gezegd en hij zal argumenteren en argumenteren dat wat hij in zijn hoofd heeft juist is, en het is waarschijnlijk ook juist, maar hij onderwerpt er zich niet aan.

Er zijn heel wat mensen die bij het lezen van de Bijbel ervan overtuigd worden dat de sabbat behoort te worden gehouden, maar ze houden hem niet. Ze geloven dat het waar is, maar ze doen het niet. Ik heb brieven gekregen van mensen die zeggen: "Ja, ook de Heilige Dagen moeten gehouden worden", maar ze houden ze niet. Zij geloven het argument en dat zijn in geen enkel opzicht domme mensen. Ze onderwerpen zich gewoon niet en daarom hebben ze zoals Jacobus uitlegt, een "dood" geloof. Zij geloven intellectueel, maar ze geloven niet op een praktische manier. Daarom is Hebreeën 11 zo belangrijk. Het geeft u een overzicht van een praktische toepassing van geloof. Geloof werkt namens God.

De persoon met een "dood" geloof hoort uitwendig. De persoon met een "levend" geloof hoort uitwendig en inwendig, en hij voegt zich ernaar, gelooft erin. Deze persoon heeft wat de Bijbel het geloof noemt. Het is ook het geloof waarvan Paulus in Galaten 5:6 zegt: "Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende." Dat is het geloof dat we willen hebben. Dat is het geloof dat we nodig hebben — het geloof dat in en door liefde werkt. En wat is liefde? Dat is het onderhouden van de geboden. Dat zegt 1 Johannes 5:3. Liefde is gehoorzaamheid aan God. We kunnen hier dus een conclusie trekken. De gave van geloof in ons, afkomstig van God, heeft zijn fundament in liefde — Gods liefde voor ons.

Als God ons niet liefhad, dan zouden we geen geloof in Hem hebben. Maar als we eenmaal geloof ontvangen, wat gebeurt er dan? We onderwerpen ons en we geven de liefde weer terug aan Hem — geloof dat door liefde werkt.

Het levende geloof is geloof dat de geboden onderhoudt. Het brengt iets voort. In heel hoofdstuk 11 is dit geloof in beeld. In het geval van Abel is het volgens mij het meest waarschijnlijk dat het woord van God dat hij hoorde, datgene was dat God tot Adam en Eva sprak. Adam en Eva onderwezen daarna Kaïn en Abel. Abel hoorde het van hen en hij geloofde. Kaïn hoorde dezelfde woorden en was slechts geïnformeerd.

Wat hoorden zij dat betrekking heeft op hoofdstuk 11, vers 4? We gaan daartoe naar Genesis 3 en daarmee zullen we deze preek beëindigen. We beginnen te lezen in vers 7.

Genesis 3:7-19 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. 8 Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof. 9 En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten? 12 Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. 13 Daarop zeide de HERE God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten. 14 Daarop zeide de HERE God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. 16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. 17 En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 18 en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Laten we het punt naaktheid bij de kop nemen. Als symbool kent het een breed gebruik. Op zijn best duidt het op onschuld, kinderlijke eenvoud en kwetsbaarheid. Op zijn slechtst symboliseert het vernedering, schuld, schaamte en bestraffing. Adam en Eva probeerden vernedering, schuld en schaamte te verbergen toen ze wat bladeren als bedekking aan elkaar hechtten.

Aan de toepassing van de symboliek hier is een heel interessante geestelijke les verbonden. Adam en Eva pakten wat voor de hand lag en we kunnen direct begrijpen dat wat ze uitkozen om zich fysiek mee te bedekken, zowel geestelijk als fysiek totaal ontoereikend was. Wij richten ons hier meer op het "geestelijke". Hun inspanning werd onmiddellijk verworpen en dat is de belangrijkste instructie van dit beeld.

Een instructie van de tweede orde is dat heel veel vleselijk gerichte mensen denken dat het er niet toe doet wat ze dragen als ze tijdens een dienst voor God verschijnen. Dat doet er wel toe! Op dezelfde manier verschijnen de mensen vandaag de dag in elke vorm van vrijetijdskleding op de eredienst. In feite nodigen de kerken hen uit dat te doen. Ze adverteren zich als "informeel" en soms weerspiegelt dit een zaak van onwetendheid, ze weten gewoon niet beter. Maar op andere momenten laat dit een ernstig tekort aan respect zien voor de voornaamste bedekking, die zoals we hierna zullen zien uit Christus' offer bestaat.

Het is goed om het algemene principe in gedachten te hebben dat we voor God moeten verschijnen met een aanvaardbare bedekking. De symbolische instructie strekt zich uit tot zowel fysieke als geestelijke aspecten, en de persoon die erom geeft wat God denkt, zal zijn best doen zich daarnaar te voegen. God bedekte Adam en Eva met werkelijk voortreffelijke kleding. Dat is ons voorbeeld, dat ons laat zien dat het ertoe doet wat we vóór God dragen. God bekleedde hen met goede kleding.

Het tweede element van de context neemt ons nog een stap verder mee in de geestelijke aspecten, en de persoon die geeft om wat God denkt, zal zijn best doen zich daarnaar te voegen. Wat mensen bedenken betreffende de bedekking van geestelijke naaktheid is in werkelijkheid waardeloos.

Het derde element verduidelijkt verder dat God Zelf in de enige bedekking moest voorzien die geestelijk toereikend is, en dat is Christus' offer.

Het vierde element is dat geestelijk de enige toereikende bedekking door de dood plaats vindt. De dood bedekt zonde.

Evenals bij het eerste punt betreffende kleding zijn er aan dit punt twee elementen van instructie verbonden. "Het loon van de zonde is de dood." Het principe waar het hier om draait is altijd dat we onze Meester het beste moeten geven waarover we beschikken. In geestelijke zin zondigde het gehele menselijke ras in Adam en Eva, en aangezien het loon van de zonde de dood is, moeten wij allemaal dat loon uitbetaald krijgen. Of een ander, een onschuldig Iemand — Iemand op wie de dood geen claim heeft omdat Hij nooit zondigde — moet in onze plaats dat loon incasseren.

Op dit punt gaan we met deze preek stoppen, omdat ik niet aan het volgende punt wil beginnen. Dat punt heeft een vrij uitgebreide uitleg nodig. Maar u weet dat die bedekking Jezus Christus is en dat Abel zijn offerande in geloof in dat offer bracht, zelfs al vond dat pas zo'n vierduizend jaar later plaats.

Onthoud wat ik zei. Al deze mensen keken vooruit en stonden toe dat datgene de motivatie was voor wat zij met hun leven deden, omdat zij geloofden wat God zei. Abel geloofde dat de enige toereikende, vervangende bedekking voor zijn zonde lag in het bloed dat de levende Persoon vertegenwoordigde, waarop de zonde geen claim had — Jezus Christus.

Dat is het voor vandaag en zo God wil zullen we volgende week hiermee verdergaan. Ik hoop dat de rest van de sabbat heel nuttig voor u zal zijn.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)