Christen-zijn is een gevecht! (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
25 november 2006

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat het vlees de meest gevreesde tegenstander is in onze geestelijke strijd op veel fronten. Er wordt van ons verlangd het vlees te doden, af te maken en te kruisigen, waarbij we lijden moeten doorstaan waarvan onze oudste Broer ons een voorbeeld heeft gegeven. Hoe verder we vorderen op onze geestelijke reis, hoe zwaarder en moeilijker onze gevechten en beproevingen zullen worden. Ons wordt onderwezen ons voordeel te doen met het voorbeeld van het oude Israël en hun hardnekkige opstandigheid niet te herhalen. Zoals met de beloften aan het oude Israël zijn onze zegeningen afhankelijk van wederkerigheid in het trouw zijn aan het verbond. God maakte dat niet gemakkelijk voor ons. God test ons voortdurend om te zien waar we staan op onze geestelijke reis. We moeten in wederkerigheid leren te groeien door Hem te vertrouwen in onze levenslange oorlogvoering tegen onze vleselijke, menselijke natuur. We moeten ons de nodige opofferingen getroosten, weigeren terug te trekken en altijd beseffen dat God ons nooit in de steek zal laten.


Mijn vorige preek draaide om de plicht voor een christen om God te zoeken. Die preek was gewijd aan het laten zien dat als de christen eenmaal gedoopt is, hij een ernstige en voortdurende strijd tegen de wereld, het vlees en de duivel te leveren heeft. Elk van deze tegenstanders vertegenwoordigt een geducht obstakel voor ware geestelijke groei en overwinnen. Als elk van hen gepersonifieerd zou worden, zouden ze gezien worden als een sterke en listige vijand die vastbesloten is ons ervan te weerhouden het Koninkrijk van God binnen te gaan, of door ons te doen ontsporen, of door ons geheel te weerhouden van een relatie met God.

Het meest geduchte en altijd aanwezige obstakel is het vlees. De menselijke natuur die na onze doop achterblijft, hindert voortgang. Die natuur is een belangrijk onderdeel van het kruis dat we volgens Jezus moeten dragen. Paulus stelt duidelijk dat het vleselijk denken vijandschap is tegen God. Het onderwerpt zich niet aan de wet van God en hij zegt dat het dat niet kan. Desondanks moet de strijd ertegen worden gevoerd om zijn voortdurende rem op de voortgang naar gelijkvormigheid met Jezus Christus te overwinnen.

Paulus beschrijft de houding waarmee we moeten vechten, en hij doet dat in heel levendige bewoordingen. Hij zegt dat het vlees gekruisigd moet worden. Op een andere plaats zegt hij dat van ons verlangd wordt dat we het doden. En weer ergens anders zegt hij dat we het totaal moeten uitroeien.

Onze houding moet vergeleken worden met die van een soldaat die de opdracht krijgt geen gevangenen te maken. Komt dit niet overeen met wat God Israël beval toen ze op het punt stonden het Beloofde Land binnen te trekken? Ze moesten het Beloofde Land volledig van zijn oorspronkelijke bewoners ontdoen. Natuurlijk gehoorzaamden ze Hem niet en dus, zoals God had geprofeteerd, hadden de Israëlieten er geen moeite mee om met de oorspronkelijke bewoners van het land samen te leven. Ze voelden zich aangetrokken tot hun goden en hun praktijken, en deze werden een verleiding die hen tot zonde bracht.

In deze boodschap wil ik Israëls verantwoordelijkheid jegens God onderzoeken vanaf het moment dat ze bij de berg Sinaï weggingen, na het sluiten van het Oude Verbond, en wat er daarna gebeurde toen ze verder door de woestijn trokken. Het patroon en de voorbeelden die we zullen zien, zullen duidelijk onderbouwen dat deze manier van leven onder het Nieuwe Verbond de gevechten met zich meebrengt waar Paulus over schreef.

Israëls voorbeelden onder het Oude Verbond bevatten belangrijke instructies voor ons, maar we gaan in het Nieuwe Testament beginnen. We doen dit door Romeinen 15:3-4 op te slaan. Christus is de spreker en Paulus ontleende dit aan Psalm 69.

Romeinen 15:3-4 want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder. 4 Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

Dit hier is mijn basisvoorbeeld, maar ik wil u herinneren aan iets wat Jezus zei. Hij zei: "Ik doe altijd wat de Vader behaagt." Ik weet niet of u zich daarvan bewust bent, maar Hij zei dat minstens vier andere keren, niet in precies dezelfde bewoordingen, maar in een parafrase, zodat we in één bepaald opzicht zouden begrijpen wat Zijn voornaamste doel in het leven was. Zonder de Vader te behagen zou Hij nooit het offer voor onze zonde zijn geweest. Hij hield Zijn blik op dat doel gericht, als ik het zo mag zeggen, en Hij deed alles wat in Zijn vermogen lag om Zijn Vader te behagen. Deze verzen zeggen dus dat Hij dat niet deed door Zichzelf te behagen. Veeleer diende Hij in het dienen van anderen ook God.

Ik ga dit aan iets anders verbinden. Dit is iets wat een soldaat doet. Dat is de achtergrond van dit tweede deel van "Christen-zijn is een gevecht!" In deel 1 liet ik zien hoe Paulus een christen met een soldaat vergeleek. We hebben het lied "Voorwaarts christenstrijders". Daar komt het concept vandaan dat een christen een strijder is. Hij vecht niet tegen andere mensen. Hij vecht voornamelijk tegen zijn eigen karakter dat hem van tijd tot tijd overreedt daaraan gehoor te geven in plaats van aan God.

We zien in vers 4 dan ook dat we om dat te doen geduldige volharding nodig hebben om God op deze manier te dienen. 2 Timotheüs 2:4 is één van die gebieden waarop Paulus een christen met een soldaat vergeleek. Hij zei dat het de plicht van een soldaat is om hem te behagen die hem in dienst heeft genomen. Wie nam ons in dienst? Onze Vader in de hemelen deed dat en Hij betrok ons bij Zijn grote doel en evenals Christus moeten we doorgaan Hem te blijven gehoorzamen.

We gaan een bevestiging hiervan halen uit 1 Corinthiërs 10:6.

1 Corinthiërs 10:6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden.

De "zij" waar Paulus naar verwijst, waren de Israëlieten in de woestijn. Paulus zei alweer, evenals in Romeinen 15, dat zij een voorbeeld voor ons zijn, dat we niet moeten doen wat zij deden.

1 Corinthiërs 10:11 Dit [de voorbeelden die hij in hoofdstuk 10 gaf] is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons [doelend op de christen], over wie het einde der eeuwen gekomen is.

Al deze dingen in het Oude Testament bevatten instructie voor de christen en we moeten naar die voorbeelden kijken omdat ze ons zeggen hoe de menselijke natuur reageert. Ze laten ons zien hoe God handelt en ook hoe Hij reageert, omdat Hij altijd consequent is in Zijn handelen en reageren.

In het Nieuwe Testament is Christus boven alles ons voorbeeld in het lijden dat — zoals elke soldaat die bij oorlogvoering is betrokken weet — voornamelijk zal plaatsvinden in pogingen om zich de opofferingen te getroosten die in ons deel van deze oorlogvoering worden verlangd. Zich opofferingen getroosten is nooit gemakkelijk. Dat kost veel en ik geloof oprecht dat we meestal gehoorzaamheid vermijden omdat we de pijn vermijden en het ongemak, de kosten die met de opoffering gepaard gaan, of dat nu ten koste gaat van onze ijdelheid of wat dan ook. Dat zet ons ertoe aan niet te gehoorzamen om aanpassingen te maken, omdat we ons op ons gemak willen voelen.

Christus was geheel onschuldig en toch leed Hij in Zijn oorlogvoering meer dan één van ons dat ooit zal doen. Er staat, en ik geloof dat, dat Christus meer leed dan enig ander mens. Dit openbaart iets. In feite is het in bepaalde opzichten vreemd. De geestelijke onschuld blijkt de oorlogvoering intenser te maken. Men zou vanzelfsprekend denken dat hoe beter men is, hoe gemakkelijker het zal zijn. Maar we zien in Christus' voorbeeld dat hoe beter men is, hoe moeilijker het zal worden. Eigenlijk weten we dat wel en in zekere zin werkt ons dat tegen.

Laat me dit op een eenvoudige manier duidelijk maken. Als we de school doorlopen — eerst de basisschool, dan de middelbare school en wat daarna nog meer aan opleiding volgt — hoe verder we komen ... worden de testen gemakkelijker of worden ze moeilijker? Ze worden in ieder geval niet gemakkelijker en de kansen zijn groot dat ze moeilijker worden. Hoe verder u in het schoolsysteem komt, hoe moeilijker de testen worden. Dat is een parallel die we in het christen-zijn kunnen verwachten.

We weten dat de Israëlieten onder het Oude Verbond de Heilige Geest niet hadden. Hun werd dit hulpmiddel dat wij bezitten om te bereiken wat God verlangt, ontzegd. De geschiedenis die God in het Oude Testament heeft laten vastleggen, voorziet ons van duidelijke instructie betreffende de neiging van de menselijke natuur. Hier is de theorie: Als u van tevoren gewaarschuwd bent, zou u de uitdaging beter voorbereid moeten kunnen aangaan. Dat is het voornaamste doel van het Oude Testament, ons te waarschuwen voor de strijd die we zullen moeten voeren, zodat we beter voorbereid zullen zijn voor datgene waar we in het leven mee te maken krijgen.

Vergeet niet dat Paulus Timotheüs in 1 Timotheüs 6:12 opdroeg, en daarmee ook ons, het eeuwige leven te grijpen. Dat woord "grijp" komt als een bevel over en dat is ook geheel de bedoeling van Paulus. Hij zei in feite: "Pak het!" "Grijp het!", alsof je je uitstrekt om de hoorn van het koperen altaar (1 Koningen 1:50; 1 Koningen 2:28) te pakken. Er zit heel veel energie in wat hij daar zegt. "Volg niet het droevige voorbeeld van Israël." De voorbeelden staan daar om van te leren, maar niet om te doen wat zij deden. Pak de hoorn van het koperen altaar vast en houd die vast teneinde je leven te redden.

We gaan naar Exodus 23:20. Maak een aantekening van de context waarin datgene wat we gaan lezen, voorkomt. U weet wat er in Exodus 20 staat — de Tien Geboden. Wat volgt daarop? De andere voorwaarden van het Oude Verbond. Dit is het laatste deel van het Oude Verbond, omdat het verbond in hoofdstuk 24 wordt gesloten. Dit is het laatste deel van de overeenkomst die zij met God aangingen. Luister naar wat God zegt.

Exodus 23:20-21 Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op de weg [dat betekent, u bijstand te verlenen] en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. 21 Neem u voor hem in acht [dat betekent: wees niet bang voor Hem; wees u zich ervan bewust, neem er notitie van dat Hij er is] en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem.

Wie alleen is in staat zonde te vergeven? Raad eens wie er in de wolk aanwezig was? Dat was Jezus Christus Zelf, die in de wolk aanwezig was. Hij heeft de bevoegdheid zonde te vergeven.

Exodus 23:22-23 Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat Ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en benauwen die u benauwen. 23 Want mijn engel [mijn boodschapper] zal voor uw aangezicht gaan en u brengen naar de Amoriet, de Hethiet, de Perizziet, de Kanaäniet, de Chiwwiet en de Jebusiet, en Ik zal hen vernietigen.

Bedenk dat dit het laatste deel is van het Oude Verbond en God belooft: "Ik zal hen vernietigen." In die vier verzen hebben we een belofte van bijstand verpakt in een waarschuwing om te gehoorzamen.

Exodus 23:24-26 Gij zult u niet nederbuigen voor hun goden noch hen dienen en gij zult niet doen naar hun werken, maar gij zult ze volkomen vernielen en hun gewijde stenen zult gij geheel verbrijzelen. 25 Maar gij zult de HERE, uw God, dienen; dan zal Hij uw brood en uw water zegenen en Ik zal ziekte uit uw midden verwijderen. 26 Geen vrouw in uw land zal een misgeboorte hebben of onvruchtbaar zijn. Het getal uwer dagen zal Ik vol maken.

Dit was nog specifiekere instructie betreffende de belangrijkste zonde van allemaal — afgoderij. Daarin zijn nog vier andere beloften begrepen als lokmiddel voor hen om te gehoorzamen.

Exodus 23:27-31 De schrik voor Mij zal Ik voor u uit zenden; Ik zal in verwarring brengen elk volk, waarmee gij in aanraking komt, en Ik zal al uw vijanden voor u doen vluchten. 28 Ook zal Ik hoornaars voor u uit zenden, opdat zij de Chiwwiet, de Kanaäniet en de Hethiet voor u uit verdrijven. 29 Ik zal hen niet in één jaar voor u uit verdrijven, opdat het land geen woestenij worde en het wild gedierte u niet te veel worde. 30 Langzamerhand zal ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zo vruchtbaar wordt, dat gij het land in bezit kunt nemen. 31 En Ik zal u het gebied geven van de Schelfzee tot de Zee der Filistijnen en van de woestijn tot de Rivier, want Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, zodat gij hen voor u uit verdrijft.

Hier hebben we nog meer voortreffelijke beloften die hen de manier duidelijk maken waarop Hij zal werken om hen in staat te stellen het land in bezit te nemen. Hij liet hier zien dat hun voortgang om praktische redenen stapje voor stapje zou zijn; dat is, opdat ze niet hals over kop in een omstandigheid zouden terecht komen die ze niet zouden aankunnen. Hij zegt hun daarna in het algemeen hoe groot hun erfdeel zal zijn, en eindigt dan met een tweede waarschuwing tegen afgoderij.

Eén van de punten hier is het volgende. Sommigen hebben — na deze verzen te hebben gelezen — onzorgvuldig verondersteld dat als Israël God gewoon had gehoorzaamd, ze het Beloofde Land zonder confrontatie met de bevolking die er was, hadden kunnen overnemen. Dit is beslist niet waar.

Laten we Leviticus 26:1-3 opslaan. Deze verzen zijn zonder meer duidelijk voor ons.

Leviticus 26:1-3 Gij zult u geen afgoden maken; een gesneden beeld noch een gewijde steen zult gij u oprichten; ook een steen met beeldhouwwerk zult gij in uw land niet zetten, om u daarvoor neder te buigen, want Ik ben de HERE, uw God. 2 Mijn sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien, Ik ben de HERE. 3 Indien gij in mijn inzettingen wandelt en mijn geboden nauwgezet in acht neemt,

Actie en reactie. U weet dat de eerste dertien verzen van dit hoofdstuk allemaal beloften zijn, dat indien ze zouden gehoorzamen, ze dan zegeningen zouden ontvangen. Vers 14 is het begin van een ander gedeelte.

Leviticus 26:14-16a Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet, 15 indien gij mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat gij geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt, 16 dan zal Ik ook aldus met u doen ...

Hier hebben we de andere kant van de medaille. De reden dat ik naar dit hoofdstuk wilde gaan is om de gedachte te bevestigen die ik over Exodus 23 heb — dat evenals de beloften die hier in Leviticus 26 worden gegeven, ook de beloften in Exodus 23 onder voorwaarden worden gegeven. Ze zijn afhankelijk van gehoorzaamheid aan het verbond. Begrijp dit principe: met God moeten we wederkerigheid verwachten.

Laat me u een eenvoudige vraag stellen. Zal God opstandigheid rechtstreeks zegenen? Hij zou God niet zijn als Hij dat deed. Wat zouden we van Hem kunnen verwachten als we Hem ongehoorzaam konden zijn en Hij zou ons nog steeds zegenen? Hoe zou u Hem kunnen vertrouwen? Er is bij Hem altijd sprake van wederkerigheid, omdat Hij geen opstandigheid van Zijn volk, van hen die weten en begrijpen, zal zegenen.

Hier is nog een vraag. Deze is persoonlijker op u en mij gericht. Maakt God groei en overwinnen gemakkelijk voor u zelfs al belooft Hij ons behoud? Er is een belofte, maar wat verwacht Hij van ons? Door wat Hij van ons verwacht, verdienen we geen behoud. Dat staat gewoon op één lijn met onze gedragslijn. Dat is wat er van ons verwacht wordt te doen. Hij kan geen mensen zegenen die geen respect voor Hem hebben door ongehoorzaam te zijn terwijl ze beter weten.

Nog een vraag. Als God onze verantwoordelijkheid zo gemakkelijk zou maken door alles voor ons te verwijderen dat een uitdaging voor ons zou zijn, wat zou er dan nog overwonnen moeten worden? Hoe zou Hij ons dan zelfs kunnen vragen te overwinnen, of te verlangen dat we overwinnen? Nee. Hij stelt ons doelen en de uitdagingen om die doelen te bereiken liggen voor ons.

Het antwoord op de eerste vraag is, dat Hij het voor ons niet gemakkelijk maakt. Het antwoord op de tweede is, dat er dan niets zou zijn om te overwinnen. Als Hij beide dingen voor ons deed, zou dat het scenario van "de zondagswandeling in een park" creëren dat de wereld heeft, waarbij zij zeggen dat behoud ongeacht alles absoluut gegarandeerd is. Dat zou ook iets anders met zich meebrengen. Dat zou het schrijven van Gods wet in ons hart terzijde stellen, omdat dat niet bereikt wordt door ons alleen maar op de manier van een schoolboek te instrueren. Dat wordt bereikt door de combinatie van instructie op de manier van een schoolboek plus de feitelijke praktijk.

We kunnen de volgende conclusie over Exodus 23 trekken. Deze ligt veel dichter bij de waarheid dan enig andere opvatting. Als we hier andere bijbelse informatie aan toevoegen, zien we dat wat God in Exodus 23 belooft, is dat Hij de bevolking van het land zal uitdrijven, waardoor het heel wat gemakkelijker wordt dan als Hij in het geheel niet in beeld zou zijn. Wat zegt Hij hier? Hij zegt: "Mensen, als Ik niet in beeld ben, zult u ze in het geheel niet kunnen uitdrijven." God schildert een vergelijkende situatie en ik zal u dat bewijzen.

In deze omstandigheid staat de bevolking van het land symbolisch voor de menselijke natuur. Ze zijn een type. Denk nog eens aan Romeinen 8:7 betreffende de menselijke natuur, dat "de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet." Als we dat principiële begrip toepassen op het geheel dat we hier hebben, beseffen we dat ook Israël niet in staat zou zijn de bevolking waarmee ze geconfronteerd zouden worden, uit te drijven, tenzij God met hen was. Het zou even onmogelijk zijn als ons overwinnen van de menselijke natuur.

Ik denk dat we zouden moeten kunnen concluderen dat Israël geheel niet in staat zou zijn te bereiken wat zij bereikten, als God niet met hen was geweest. Hoe weet ik dat zo zeker? Dat baseer ik op het feit dat Exodus 23 geen onvoorwaardelijke belofte is dat Israël op een bepaald moment niet ten oorlog zou hoeven trekken in de verovering van het land.

We gaan nog wat schriftgedeelten aan elkaar knopen. Let op wat Deuteronomium 8:1-3 zegt. Dit zijn heel bekende schriftgedeelten voor ons, maar ik wil een fundament leggen, in het bijzonder met dit schriftgedeelte voor wat betreft de manier waarop God jegens Zijn volk handelt.

Deuteronomium 8:1-2 Heel het gebod, dat ik u heden opleg, zult gij naarstig onderhouden, opdat gij moogt leven en talrijk worden en het land binnengaan en in bezit nemen, dat de HERE uw vaderen onder ede beloofd heeft. 2 Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden.

Bedenk dat Deuteronomium geschreven werd in de laatste maand voordat ze onder Jozua het Beloofde Land binnentrokken. Hij zegt hun terug te kijken op de vorige veertig jaar, wat daarin gebeurde. "Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, (1) om u te verootmoedigen en (2) u op de proef te stellen (3) ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden."

Deuteronomium 8:3 Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden [liet toe dat u honger leed] en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet [Ze hadden daar geen voorafgaande ervaring mee.] en dat ook uw vaderen niet gekend hadden [Ook zij hadden daar geen voorafgaande ervaring mee.], om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat.

Het is duidelijk dat God ons test om te weten waar we staan en tegelijkertijd openbaart Hij ons — degenen die getest worden — waar wij staan. Waar wij staan moet zowel aan God als aan onszelf geopenbaard worden, omdat datgene waar Hij ons doorheen laat gaan, een inspanning is waarbij wordt samengewerkt, en tests zijn normaal niet gemakkelijk. Tests zijn verhelderende omstandigheden. Ze openbaren sterke en zwakke kanten, en God wil dat we onszelf evalueren. Hoe doen we het?

We slaan nu 1 Corinthiërs 10 op en wel vers 11, omdat dat vers echt heel geruststellend is, als we het geloven.

1 Corinthiërs 10:11-12 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons [om van te leren, als instructie], over wie het einde der eeuwen gekomen is. 12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

Iemand kan pas gaan denken dat hij staat, als hij zich evalueert. Is dat niet zo? Zeer zeker. Tests worden verondersteld ons te leren waar we staan, wat onze sterke en zwakke punten zijn. Daarom geeft de leraar op school u testen. Vers 13 is het vers dat echt geruststellend is.

1 Corinthiërs 10:13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking [test] te doorstaan. [God heeft ons door niets bijzonders laten gaan. Die tests zijn gewoon.] En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, [Hij zal ons er niet tot over onze oren in brengen. Je geeft een leerling uit groep 7 geen test voor iemand uit de eindexamenklas van de middelbare school.] want Hij zal met de verzoeking [met de test] ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

God testte Israël dus niet boven hun vermogen. Ze hadden in staat moeten zijn deze te doorstaan. Volgens Zijn evaluatie zei de Leraar: "Israël, je zou in staat moeten zijn dit te doen. Ik gaf je niet Mijn Geest, maar desondanks zou je in staat moeten zijn dit te doen." God oordeelt iedereen rechtvaardig en dus liet Hij hen er niet tot over de oren in ondergaan.

Vers 13 laat ons zien dat God zorgvuldig toeziet op datgene waardoor we worden getest, zodat we er niet tot over onze oren in onder zullen gaan. Hij heeft het over het heiligingsproces en dit proces verlangt onze medewerking met God. Al worden onze testoperaties beheerd door God, onze betrokkenheid wordt beslist niet uitgeschakeld.

Weten dat God zorgvuldig toezicht houdt op elk van deze tests, helpt ons te begrijpen dat we gewaarschuwd worden erg voorzichtig te zijn in onze evaluatie van anderen. Waarom? Omdat wij niet weten wat God weet — waar iedere persoon zich bevindt op de weg die God hem laat gaan. We weten niet waar ze begonnen. We weten niet hoe begaafd ze zijn. We weten niet hoe ver ze reeds zijn gevorderd. Dit elimineert niet de evaluatie, maar sta uzelf nooit toe anderen zo hardvochtig te evalueren dat u hen veroordeelt. Het kan zijn dat wijzelf in het geheel niet zover zijn gekomen als God van ons in de verstreken tijd had verwacht.

Laten we weer naar Exodus 23 gaan. Let erop dat we hier diverse dingen met elkaar in verband gaan brengen. We zullen de volgende zin uit vers 22 bekijken.

Exodus 23:22 Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat Ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en benauwen die u benauwen.

Dat is een belofte. Nu naar het einde van vers 23.

Exodus 23:23b ..., en Ik zal hen vernietigen.

Exodus 23:27 De schrik voor Mij zal Ik voor u uit zenden; Ik zal in verwarring brengen elk volk, waarmee gij in aanraking komt, en Ik zal al uw vijanden voor u doen vluchten.

Exodus 23:28a Ook zal Ik hoornaars voor u uit zenden, ...

Exodus 23:30a Langzamerhand zal ik hen voor u uit verdrijven, ...

Exodus 23:31b ... Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, ...

Hier hebben we zeven beloften van God. Daarnaast is er een gebod dat ik nog niet las; dit staat in vers 31 en dat is een heel interessant gebod.

Exodus 23:31c [Nieuwe Bijbelvertaling] Jullie zullen hen verdrijven. [Noot van de vertaler: Deze vertaling komt voor dit vers het dichtst overeen met het oorspronkelijke Hebreeuws.]

Onverwacht draait het op iets geheel anders uit! Eerst zag het ernaar uit dat Hij alles zou doen en dan zegt Hij tot slot: "Jullie zullen hen verdrijven."

Wat speelt zich hier af? Zegt Hij niet in beknopte vorm dat er confrontaties zullen zijn waarbij wij betrokken zullen worden? We zien hier het patroon waar God de Israëlieten door liet gaan, zodat wij kunnen begrijpen wat er geestelijk van ons verlangd wordt te doen. De gehele context duidt op een confrontatie tussen God en de bewoners van het land, behalve die laatste woorden — "Jullie zullen hen verdrijven." Dat zou ons even moeten doen stilstaan en ons doen beseffen dat er meer bij betrokken is dan een eerste, oppervlakkige waarneming zou doen vermoeden.

Die eerste, gemakkelijke veronderstelling was niet hoe het in de feitelijke praktijk bleek uit te werken. Ik ga u laten zien, beetje bij beetje, dat de Israëlieten wisten, en wisten dat zij dat wisten, dat zij de bevolking van het land in oorlogvoering het hoofd zouden moeten bieden. Dat moest in zekere zin geen verrassing voor die mensen zijn. Als u zich de draad van het verhaal herinnert in de chronologie van het boek Exodus, dan zult u zich herinneren dat God in Exodus 17 de Amalekieten reeds had toegestaan de achterhoede van Israël tijdens hun tocht naar het Beloofde Land aan te vallen, en de Amalekieten richtten voor een bepaalde tijd vernielingen aan waarbij mensen omkwamen.

Exodus 23:32 Gij zult noch met hen noch met hun goden een verbond sluiten.

Als God deze mensen geheel en al voor Israël zou uitdrijven, waarom moest dan deze waarschuwing gegeven worden? Zegt dat niet: "Hé, jullie zullen in contact komen met die mensen"? anders zou het zelfs niet nodig zijn geweest een waarschuwing te geven tegen het sluiten van een verbond — doe dat niet. We zullen zien dat dit niet de laatste keer is dat Hij dat deed. In Exodus 34:11-12 is er al weer wat meer tijd verstreken.

Exodus 34:11-12 Onderhoud wat Ik u heden gebied. Zie, voor u uit verdrijf Ik de Amoriet, de Kanaäniet, de Hethiet, de Perizziet, de Chiwwiet en de Jebusiet. 12 Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land, waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een valstrik in uw midden worden.

Exodus 34:15 Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren, dan zouden zij u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten.

Denk nu eens na over het volgende mogelijke scenario. Dit overkomt u en mij. Laten we dit enkele duizenden jaren verder in de tijd plaatsen en ons in een enigszins soortgelijke situatie plaatsen. Toen Israël het land binnentrok en begon om altaren omver te halen en te vernietigen (wat God hun had gezegd te doen), denkt u dat de bewoners van het land alleen maar toekeken en ermee instemden dat wat zij als belangrijk beschouwden, werd vernield zonder dat ze weerstand boden om datgene wat zij vereerden te verdedigen? Beslist niet!

Boden onze familie en vrienden en werkgevers op soortgelijke manier ook geen weerstand om hun — tot op zekere hoogte — levenslange gewoonten te verdedigen, toen wij God gingen geloven en we niet langer Kerstmis, Pasen, Halloween en zondag hielden? Werden die relaties daardoor in veel gevallen niet ernstig verstoord?

Evelyn en ik werden zo goed als uit de familie gestoten. Niet haar familie. Mijn familie. We wilden geen schade berokkenen. We wilden niet meer doen dan God gehoorzamen, maar in het bijzonder mijn moeder nam ons dat zeer kwalijk, omdat zij dat opvatte als het verbreken van het familieverband. Ik kan dat begrijpen. Het was niet onze bedoeling de familieverband te verbreken. Het was eenvoudig onze bedoeling God te gehoorzamen. Kunnen we dus begrijpen dat als Israël God werkelijk geloofde, en ze het land binnengingen en begonnen de altaren omver te halen, de situatie heel wat spannender zou worden, omdat die mensen zouden gaan vechten?

Israël kon niet simpel het land binnentrekken om het op een gemakkelijke manier in bezit te krijgen. Er zouden dingen zijn die overwonnen moesten worden. Israël moest veel keuzes maken, omdat ze rechtstreeks contact met de bewoners zouden hebben, en de keus was een compromis te sluiten met de Kanaänieten betreffende hun cultuur of Gods bevelen op te volgen door die altaren neer te gaan halen, waardoor die intense confrontaties zouden ontstaan. Dat laatste is een andere manier van zeggen voor oorlog voeren. Dat zou zo zeker als wat gaan plaatsvinden.

Laten we Numeri 13 opslaan. Ik ga daar een vrij groot stuk lezen.

Numeri 13:26 zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering der Israëlieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het land.

Dit is het plaatje. Ze stonden op het punt het land binnen te gaan en ze vroegen Mozes dus of het goed was dat ze iemand van elke stam zouden sturen om het land te verkennen om te zien hoe de dingen er daar bij lagen. Ze waren voorzichtig omdat ze wisten dat ze zich in een gevaarlijk gebied bevonden. Dus na veertig dagen in het land te hebben doorgebracht, kwamen ze terug en ze lieten hun deze grote trossen druiven zien die ze droegen. We krijgen hier de indruk dat die druiven wel zo groot als sinaasappelen moeten zijn geweest. Hier volgt hun verslag.

Numeri 13:27-30 Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, [Een beeldspraak die tot uitdrukking brengt dat het werkelijk vruchtbaar was.] en dit is zijn vrucht. 28 Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; 29 Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan. [Daarna worden de dingen een beetje onsamenhangend.] 30 Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen [omdat het volk bang begon te worden] tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren.

Dat zijn hier interessante woorden. Als God voor hen uit zou gaan, waarom zou Kaleb dan zeggen: "Hé, wij kunnen hen overwinnen!"? Hij wist dat er oorlog zou worden gevoerd.

Numeri 13:31-33 Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 32 Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. 33 Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.

In Numeri 14 in de eerste drie verzen reageren de Israëlieten die deze toepraken hoorden:

Numeri 14:4 En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren.

Hoe snel vergaten ze dat ze in Egypte slaven waren. Ze moesten een keuze maken. Ze wilden liever slaaf zijn dan hun eigen land hebben. Een eigen land hebben betekende dat er voor gevochten moest worden. Hoe sterk verlangt de mens echt naar vrijheid, naar een eigen maatschappij, naar het recht op eigen land en dat te gebruiken om een inkomen voort te brengen? Dat bood God hun aan en dat zou niet zonder strijd gebeuren.

Ik wil dat u hieraan denkt, omdat dit ons precies in deze tijd in de Verenigde Staten van Amerika overkomt. Ons wordt een keuze gegeven. Willen we een vrij volk zijn, of willen we slaven zijn, zelfs al is dat van onze eigen regering, omdat onze vrijheden weggenomen worden. Er wordt dan hier, dan daar iets weggenomen? President George Bush ondertekende onlangs een afschuwelijk iets. Ik zal u later zeggen wat dat is. Hij deed dat op 17 oktober 2006.

Numeri 14:5-9 Toen wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten. 6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen 7 en zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed. 8 Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig. 9 Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet.

Hier hebben we de andere kant van het verhaal. Kaleb en Jozua boden geen gemakkelijke oplossing. Zoals we kunnen zien was dat voor hen een strijd tegen de stroom in, omdat de overgrote meerderheid bang was. Waren ze bang om gewoon binnen te trekken en het land in bezit te nemen? Ze waren bang voor de oorlogvoering. Ze waren bang voor de gevechten die naar ze wisten, zouden plaatsvinden.

Laten we nu even naar het volgende kijken. Let op het tijdselement waarbinnen dit plaatsvond. Dit was twee jaar nadat ze Egypte hadden verlaten en minder dan een jaar nadat ze feitelijk hun pelgrimstocht vanaf de berg Sinaï begonnen en voordat ze werkelijk in het land kwamen.

Als u dit de volgende keer leest, schenk dan aandacht aan de betekenis van de woordkeus. "Het is een goed land, maar ..." "Jawel, maar ..." Hoe verder dit zich ontwikkelde, hoe banger de mensen werden, en de spionnen — zelfs Jozua en Kaleb — verwachtten dat er een confrontatie zou plaatsvinden. De hele groep — alle twaalf, zelfs de twee die een "goed verslag" uitbrachten, Jozua en Kaleb — vatten beslist Gods beloften in Exodus 23 niet letterlijk op zoals sommigen achteloos doen. Zij wisten dat zelfs al gaf God die beloften, zij ten strijde zouden moeten trekken tegen de bevolking van het land.

Het onderliggende probleem was dat ze er niet op vertrouwden dat deze oorlogvoering een gezamenlijke inspanning zou zijn. Ze zeiden in principe: "God is er niet toe in staat." Dat was rebellie. Daarom zei Jozua: "Wees niet opstandig." Zij noemden God een leugenaar. Zij vertrouwden God niet — dat Hij met hen zou zijn, met hen zou samenwerken, aan hun kant tegen de gemeenschappelijke vijand — de bevolking van het land — zou vechten, waardoor Hij het gemakkelijker zou maken dan het anders zou zijn geweest. Maar desondanks zou er oorlog zijn en God zou met hen zijn geweest.

Ziet u, deze oorlogvoering was een test van hun geloof. Zij zakten. Dit heeft geen enkele betekenis voor ons, tenzij wij onszelf evalueren en gaan denken: "Hoe vaak deinsde ik terug om God te gehoorzamen, omdat ik bang was voor de gevolgen van de gehoorzaamheid?" Dat doen we allemaal. We willen het ongemak ervan niet hebben. We willen niet dat mensen die wij respecteren, slecht over ons denken. We willen ons de zelfopoffering niet getroosten. Daarom zei ik in een eerdere preek: "We vrezen voor de zelfopoffering die gehoorzaamheid vereist."

Let op wat er in Deuteronomium 7:2 staat. Dit was 38 jaar later.

Deuteronomium 7:1-2 Wanneer de HERE, uw God, u in het land gebracht zal hebben, dat gij in bezit gaat nemen, en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten, en de Jebusieten, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij, 2 en de HERE, uw God, hen aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen verslaat, dan zult gij hen volkomen met de ban slaan; gij zult met hen geen verbond sluiten en hun geen genade verlenen.

Hoe kun je iemand verslaan die er niet is? Dat kan niet. Als God vóór hen uit zou gaan, moeten we begrijpen dat Hij met hen zou zijn als zij in gevecht zouden zijn.

Als we dit type uitspraken (zoals Deuteronomium 7:2) vergelijken met Exodus 23 en Jozua's en Kalebs uitspraken in Numeri 13 en 14, wordt het duidelijk dat het verdrijven van de bevolking vanaf het begin bedoeld was als een gezamenlijke inspanning tussen God en de Israëlieten. Israël zou oorlog moeten voeren.

Vlak voor hij stierf, deed Jozua een interessante uitspraak.

Jozua 21:43 Zo heeft de HERE aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen.

Iedereen die de Bijbel heeft doorgelezen te beginnen in Exodus en verdergaand door Numeri en Deuteronomium, weet dat Israël oorlog moest voeren. Zoals ik u nu laat zien, was het vanaf het begin Gods bedoeling dat er oorlog zou moeten worden gevoerd, en Israël wist dat. Kwam God Zijn belofte na? Zeer zeker. Hoe zwak Israël ook was als het de vijand tegemoettrok, Hij was altijd bij hen.

Jozua 21:44-45 En de HERE gaf hun aan alle zijden rust [vrede], geheel zoals Hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de HERE in hun macht. 45 Niet één van alle goede beloften, die de HERE aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen.

God was trouw, zelfs al waren zij dat niet.

Voor u en mij is er binnen onze relatie met God altijd een mate van wederkerigheid. Het komt ongeveer op het volgende neer. God is daar boven en wij zijn hier beneden. Wij doen een beetje en Hij doet heel veel, maar wij moeten leren met Hem samen te werken door op Zijn woord te vertrouwen. Hij zal doen wat Hij zegt. Het móet zo zijn, omdat liefde geen éénzijdige relatie kan zijn, of anders zal die niet lang bestaan. Daarom zei Jezus: "Als u Mij liefhebt, onderhoudt Mijn geboden." Gehoorzamen is de manier waarop we Gods liefde beantwoorden.

Tijdens ons leerproces zal het onderhouden van Zijn geboden gepaard gaan met geestelijke oorlogvoering, omdat we onderweg allerlei beletselen het hoofd zullen moeten bieden. Zoals we in deze voorbeelden zien vertegenwoordigen de inwoners van het land die beletselen die op onze weg komen. Zullen we dan werkelijk geloven dat God met ons is en zullen we daar ook in voorwaarts gaan en Hem in gebed vragen Zijn beloften waar te maken? Hij zal beslist achter u staan.

Laten we opnieuw Numeri 1 opslaan. We blijven hier meer en meer aan toevoegen, totdat we hopelijk overtuigd zijn dat Israël en God vanaf het allereerste begin wisten dat er oorlog gevoerd zou moeten worden.

Numeri 1:1-3 De HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte: 2 Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, 3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en Aäron.

Laten we nu naar vers 20 gaan. Ik lees van dat vers en van enkele volgende verzen het laatste deel van de zin.

Numeri 1:20b ..., van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten,

Numeri 1:24b ..., allen die in het leger uitrukten,

Numeri 1:26b ..., allen die in het leger uitrukten,

Weet u hoe vaak die woorden in dat hoofdstuk voorkomen? Veertien keer werd hun gezegd een volkstelling te houden. Waarom was dat? Zodat ze een leger konden vormen. Ik wil dat u inziet dat ze, zelfs voordat ze naar het Beloofde Land gingen, wisten dat ze oorlog moesten voeren.

Het was de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar nadat ze uit het land Egypte waren getrokken. Laten we Exodus 19 opslaan en we zullen vandaar het tijdselement aan elkaar knopen.

Exodus 19:1 In de derde maand na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn Sinaï.

Drie maanden nadat ze Egypte verlieten kwamen ze aan bij de berg Sinaï — jaar één, derde maand. Ze trokken uit op de vijftiende dag van de eerste mand. Ze kwamen in de derde maand bij de berg Sinaï.

Exodus 40:17 Het geschiedde in de eerste maand in het tweede jaar op de eerste der maand dat de tabernakel werd opgericht.

Het volgende vond plaats. Ze kwamen in de derde maand van het eerste jaar aan bij de berg Sinaï. Nadat ze het verbond hadden gesloten — Exodus 20 tot Exodus 24 — (daarbinnen kwam Exodus 23 voor met al die dingen over "Ik zal dit doen en dat en ook de volgende dingen") deed Hij het volgende: Nadat ze op de stippellijn hadden getekend met hun leven en het verbond met God hadden gesloten, zei Hij: "Nu moeten jullie het volgende doen. Jullie moeten een huis voor Mij bouwen waarin Ik kan wonen." Vanaf Exodus 25 kregen ze dus middels Mozes de instructies, het patroon, voor de tabernakel. Mozes stelde toen de mensen aan die naar Gods wil zouden zorgdragen voor het toezicht op de bouw ervan. Daarna begonnen ze met de bouw.

Waar bevinden ze zich tegen de tijd dat we in Exodus 40 aankomen? Ze zijn nog steeds bij de berg Sinaï. Ze zijn nog steeds op dezelfde plaats als waar ze het verbond met God sloten, en nu is het de eerste dag van het tweede jaar. Ze zijn nog steeds bij de berg Sinaï. Exodus 23 ligt 9 maanden achter hen en ze zijn nog steeds bij de berg Sinaï. Ze hebben geen stap verder gedaan in de richting van het Beloofde Land. Ze zijn reeds in het tweede jaar. In Exodus 40 zijn ze, op iets minder dan een maand na, één jaar in de woestijn.

Wat is er gebeurd tegen de tijd dat we in vers 1 van Numeri 1 aankomen? Het hele boek Leviticus heeft plaatsgevonden. Op de eerste dag van de eerste maand van het tweede jaar werd de tabernakel opgericht. Het volgende dat God deed was het geven van al de instructies voor de priesters en ze begonnen met het uitvoeren van het vereren van God in dat huis dat ze zojuist voor Hem hadden gebouwd. Als we dus in vers 1 van Numeri 1 aankomen, zien we dat het de eerste dag is van de tweede maand in het tweede jaar nadat ze uit Egypte waren getrokken.

Hier zijn ze aan het begin van het tweede jaar en al die dingen van Exodus 12 tot op dit moment hebben zich in de periode van één jaar afgespeeld, en ze zijn nog niet weggetrokken van de berg Sinaï. We zien dus dat Exodus 23 al een jaar achter hen lag, en toen ze bij het Beloofde Land aankwamen, ongeveer negen maanden later (in feite een ietsje minder), was het tweede jaar bijna voorbij. Hoe lang moesten ze nog in de woestijn blijven? Veertig jaar. Dat was hun straf voor het niet vertrouwen van God. Ze wisten dat ze oorlog zouden moeten voeren en ze weigerden te vechten.

Hebreeën 10:37-38 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, 38 en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.

Eén van de verantwoordelijkheden van het christelijk leven lijkt op de verantwoordelijkheid die God aan Israël gaf, omdat het christen-zijn gepaard gaat met oorlogvoering. Dat is geen oorlog tegen mensen. Het is een geestelijke oorlog tegen onze eigen natuur, die voortdurend in actie komt om ons bezig te houden, ons te intimideren en ons met oorlog te dreigen.

Israël liet het afweten. Het ontbrak hun aan vertrouwen in God en ze deinsden terug voor oorlog. Dat deden ze in Numeri 13 en 14. Iedereen die terugdeinsde werd veroordeeld in de woestijn te sterven. Iedereen ouder dan twintig jaar stierf. Zij werden verantwoordelijk gehouden voor hun gebrek aan geloof, en ze stierven zonder ooit het Beloofde Land te bereiken, ook al konden ze — zelfs toen ze het lieten afweten — waarschijnlijk het land in de verte zien liggen. Dat is voor ons een ontnuchterende waarschuwing.

God verlangt van ons dat we bereid zijn de menselijke natuur te bevechten, in het besef dat Hij met ons zal zijn en daarbij Hem te vertrouwen. Dat betekent niet dat we altijd zullen slagen. Er zullen tests zijn waarvoor we in het begin niet zullen slagen. Maar we kunnen er zeker van zijn, dat zelfs al slagen we er dan niet voor, dat we — als we op dat moment de benodigde inspanning leverden — minstens het respect van God hebben verdiend en Hij zal ervoor zorgen dat die test weer terugkomt en we zullen die voortdurend opnieuw ondergaan totdat we ervoor slagen. Hij is geduldig in Zijn manier van omgaan met ons en Hij wil dat we zover naar het beeld van Christus gevormd als ons maar mogelijk is, Zijn koninkrijk zullen binnengaan. Gaan we dus het voorbeeld van de Israëlieten navolgen en deinzen we terug, of zullen we bereid zijn ons de opofferingen te getroosten die nodig zullen zijn, zullen we het onder ogen zien, onze moed bij elkaar rapen (of hoe we dat ook willen noemen) — het doen en ons elke opoffering getroosten die verlangd wordt?

Dit terugdeinzen is een heel ernstige zonde. In Numeri 14:9 noemde Jozua het opstandigheid. Hij zei: "Weest dan niet opstandig." In angst terugdeinzen, nalaten het gevecht aan te gaan, staat op één lijn met rebellie omdat het een verwerping, een verachten is van Gods woord en Zijn belofte. U kunt Numeri 14:27-35 neerschrijven en om dit te bevestigen kunt u Deuteronomium 20:1-4 opslaan.

Numeri 14:9 Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet.

Numeri 14:27-35 Hoelang zal het duren dat deze boze vergadering tegen Mij blijft morren? Het gemor, dat de Israëlieten tegen Mij uiten, heb Ik gehoord. 28 Zeg tot hen: Zowaar Ik leef, luidt het woord des HEREN, Ik zal zeker met u doen gelijk gij te mijnen aanhoren gesproken hebt! 29 In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt. 30 Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun! 31 En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een buit zijn — hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij veracht hebt. 32 Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn, 33 en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de woestijn liggen. 34 Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer. 35 Ik, de HERE, heb het gesproken. Ik zal dit zeker doen aan heel deze boze vergadering, die tegen Mij samenspant. In deze woestijn zullen zij hun einde vinden en daar zullen zij sterven.

Deuteronomium 20:1-4 Wanneer gij ten strijde trekt tegen uw vijanden, en gij ziet paarden en wagens: een volk, talrijker dan gij — dan zult gij daarvoor niet vrezen, want de HERE, uw God, is met u, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 2 Wanneer gij dan vlak voor de strijd staat, moet een priester naar voren treden, het volk toespreken 3 en zeggen: Hoor, Israël! Gij staat thans vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, wordt niet angstig en siddert niet voor hen, 4 want de HERE, uw God, is het, die met u gaat om voor u te strijden tegen uw vijanden, ten einde u de overwinning te geven.

Hebreeën 10:38 zegt ons niet nalatig te worden. Hebreeën 13:5 zegt ons:

Hebreeën 13:5-6 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?

Waar denkt u dat Paulus dat idee vandaan haalde? Hij haalde het van dezelfde plaats als ik het vandaan haalde. Die Israëlieten waren bang voor mensen. Ze zeiden: "Er zijn daar reuzen. De Enakieten leven daar. Ze hebben ommuurde steden." Daar waren ze bang voor. Ze waren bang voor mensen, en mensen kunnen heel wat angst aanjagen. Ik bedoel niet te zeggen dat ze geen angst aanjagen. We zijn bang voor hen omdat we denken dat God niet groot genoeg is.

Onze oorlogvoering is anders dan die van de Israëlieten, maar de principes die ermee samengaan, zijn vergelijkbaar. Gehoorzaamheid aan God lokt oorlogvoering uit, zelfs al is dat van onze kant niet de bedoeling. Hoe belangrijk de verantwoordelijkheden van de Israëlieten ook waren, de onze zijn vele malen belangrijker omdat de eeuwigheid ermee samenhangt en het een deel is van de weg die we niet kunnen vermijden. Als we nalaten de strijd aan te gaan vanwege angst en de ermee gepaard gaande opofferingen, zullen we niet voorbereid worden op het koninkrijk. En evenals Zijn beloften aan Israël, zijn de beloften van Zijn medewerking nog steeds van kracht. Ze zijn er nog steeds. Daarom lezen we in Hebreeën 13:5: "Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Ik zal er zijn."

Ik geloof dat ik u eerder heb gezegd dat dit een verbazingwekkende belofte is. Vanwege de manier waarop Paulus Hebreeën 13:5 schreef, kan het met vijf negatieven in het Nederlands vertaald worden: "Ik zal u nooit, nooit, nooit, nooit, nooit verlaten." Ik denk dat hij het punt waar het om draait, overbrengt, omdat de Israëlieten bang waren dat God niet met hen zou zijn. Daarom liet God Paulus dit op zo'n manier opschrijven dat hij nadruk aan nadruk aan nadruk toevoegde, zodat wij zouden begrijpen dat Hij ons nooit in de steek zou laten, en dat Hij ons altijd rugdekking zou geven en ook vóór ons uit zou gaan, zodat we die gevechten kunnen winnen.

We zullen niet elk gevecht winnen, maar er is genoeg geduld en barmhartigheid bij Hem dat Hij ons, nadat Hij ons een beetje heeft hersteld, er weer in terug zal brengen om dan wèl te overwinnen, zodat we naar het volgende niveau kunnen doorgaan en een moeilijker test krijgen te verwerken. Is dat niet bemoedigend? Dat is bemoedigend omdat het deel uitmaakt van dat ontwikkelingsproces.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)