Christen-zijn is een gevecht! (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
4 november 2006

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh richt zich op een moeilijk onderwerp: God zoeken met aanhoudend en volhardend geloof en visie. Hoe meer we leren over God, hoe minderwaardiger we ons ten opzichte van Hem voelen, waardoor we uiteindelijk echte nederigheid leren en gevoel voor verhouding krijgen. Onze pelgrimstocht naar Gods Koninkrijk zal niet gemakkelijk zijn; we zullen vermoeid raken door moeilijke gevechten waarin de consequenties riskant zijn. De tenten waarin Abraham woonde, duidden op het opgeven van een gemakkelijk leven, waardoor zijn gezin gedwongen werd van plaats tot plaats te trekken. Wij vechten op drie fronten tegelijkertijd: de wereld, Satan en ons eigen vlees, het gevaarlijkste slagveld. We moeten in deze voortdurende strijd met onze vleselijke natuur bereid zijn ons kruis te dragen (namelijk ons vleselijk denken) en dagelijks de begeerten van het vlees te kruisigen, te doden of uit te roeien. Als christensoldaat behoren opoffering en lijden tot ons deel in het leven. Evenals een soldaat kunnen we niet opgaan in burgerlijke aangelegenheden. Een christensoldaat moet zijn liefde voor zijn meester tot uitdrukking brengen door zijn geboden te houden. Een christensoldaat zal ruimschoots worden beloond voor zijn opoffering of zijn dagelijkse kruisiging van de oude mens. Wij hebben de verplichting jegens de Vader en de Zoon om ons op het Koninkrijk van God voor te bereiden.


Hebreeën 10:35-36 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. 36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.

Ik ga verder met het onderwerp van de preek die ik op de Laatste Grote Dag gaf, maar tevens zal ik een specifiek aspect van het zoeken van God behandelen, waarmee we allemaal heel veel moeite hebben. Ik richt me op dat punt omdat we allemaal visie nodig hebben en heel wat doorzettingsvermogen, volharding, om het te overwinnen.

Laten we Hebreeën 11:8 opslaan en daarbij in gedachten houden wat we zojuist in Hebreeën 10 hebben gelezen: "Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs" en dat we "geduld nodig hebben" om te volharden.

Hebreeën 11:8-10, 13-16 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. ... 13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Het zoeken van God zou een van de meest plezierige ervaringen van ons leven moeten zijn. Ik heb het niet over plezier in de zin van opwindende, energie verschaffende vreugde waarnaar we verlangen, maar een voortdurend in stand gehouden gevoel van toenemende voldoening en tevredenheid ontleend aan de kennis van iets van grote persoonlijke waarde dat wordt bewerkstelligd.

Er is iets dat we over het voorbeeld van Abraham moeten begrijpen. Dat bewerkstelligen van het gevoel van voldoening was voor hem niet gemakkelijk. Daarvoor was visie nodig. Dat wordt in Hebreeën 11 gezegd. Zij "zagen" — dat is geestelijk. Ze zagen niet letterlijk, maar ze zagen een groot doel waar ze voor gingen, en hij had een visie die aanzette tot voortdurende inspanningen. De nadruk ligt op het woord "voortdurend". Daarmee gingen veel opofferingen gepaard, terwijl er belangrijke elementen werden bereikt die men niet gemakkelijk kan zien.

Er staat dat Abraham en Sara na hun roeping in tenten leefden. Archeologen hebben ons laten zien dat ze vertrokken uit een heel geavanceerde cultuur die prat ging op zaken als sanitair binnenshuis. Gelooft u dat? Ze hadden een soort toilet in huis. Ze hadden water, onder druk, tot op de eerste verdieping van de gebouwen die ze bouwden. Het water werd rechtstreeks in hun huis afgeleverd.

Het wonen in tenten dient ons erop te wijzen dat ze, toen ze Gods roeping aanvaarden, heel wat luxe en echt een gemakkelijk leven opgaven in vergelijking met wat ze daarna zouden krijgen. Nog belangrijker echter is dat de tent aanduidde dat ze nooit meer, voor de rest van hun leven, een gevestigd bestaan zouden hebben. Ze leidden een leven waarin ze schijnbaar continu onderweg waren. Er gebeurde altijd wel wat, en niet alleen dat, maar er scheen geen einde te komen aan dat voortdurende gevoel van onderweg zijn.

God werkte vanaf het moment van zijn roeping honderd jaar met Abraham. Dit proces waar Abraham doorheenging, delen wij nu met hem. Het lijkt niet op het bereiken van zichtbare grenzen of kilometerpalen. Het is moeilijk om iets te bereiken in dit almaar doorgaande proces, omdat het overwinnen van bepaalde karakteruitdagingen op zeker moment bereikt scheen, maar toch kwamen die op de een of andere manier weer terug in beeld. Dat schept een situatie die, tenzij we weten wat er gaande is, heel ontmoedigend kan zijn.

Vaak lijkt het op twee stappen vooruit en drie stappen achteruit. "Wat? Ik heb dit al eerder overwonnen, en nu moet ik het nogmaals doen!" Als dat vaak genoeg voorkomt, kan dat iemand in verwarring brengen, tenzij er iets is dat hem, ondanks een schijnbaar gebrek aan voortgang, door laat gaan.

Dit proces heeft de eigenaardigheid dat hoe meer we leren over de kwaliteit van God die we zo erg bewonderen en ook graag in ons leven willen terugzien, hoe meer we ons bewust worden van onze eigen onvolkomenheden. Zo lijkt het er op diverse manieren op dat zelfs al groeien we, de kloof tussen wat Hij is en wat wij zijn almaar groter wordt.

Het effect hiervan lijkt enigszins op de illustratie die God aan Ezechiël gaf, toen Hij hem opdracht gaf die brede rivier in te lopen, die van onder het altaar stroomde en Gods Heilige Geest voorstelde. Hoe verder Ezechiël van de oever kwam, hoe dieper het water werd, tot hij niet langer kon lopen. Ik denk dat dit duidelijk één van de redenen is dat Paulus in Romeinen 7:24 zei: "Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?"

Dit was zo'n twintig jaar nadat hij zich had bekeerd. We zouden denken dat hij tegen die tijd heel wat zou hebben bereikt, en hier zien we dat hij zichzelf een ellendig mens noemt. Dit deed hij omdat hoe meer hij over God leerde en over Gods volmaaktheid en Gods heiligheid, hoe smeriger en ellendiger hij besefte te zijn. Hij ging daarna verder met de woorden: "Ik dank God, door Jezus Christus zal ik verlost worden." Al was er veel dat hem een gevoel van ontmoediging kon geven, hij was er over 't algemeen zeker van dat het bereikt zou worden. Denk nog eens aan Abraham. Bij hem ging het honderd jaar door.

Ondanks wat onze gevoelens hierover zouden kunnen zijn, is dit goed, omdat het in algemene zin essentieel is om nederigheid te ontwikkelen. Nederig zijn is een keus. Het is een keus die God behaagt, en één die Hij wil belonen, en Hij zal dat ook doen.

Als een pas bekeerd persoon wordt onderwezen in wat de juiste weg is en leert zoals van hem wordt verwacht, duurt het niet lang voordat hij zich realiseert dat hij een echte strijd zal moeten leveren. We moeten niet verwachten dat onze pelgrimstocht naar het Koninkrijk van God in enig opzicht minder subtiel zal zijn dan die van Abraham, noch gemakkelijker dan Israëls tocht van veertig jaar op weg naar het Beloofde Land. We zijn echter van nature heel ongeduldig en dat wordt nog versterkt doordat moderne theologen hun leerstelling van "vrije genade en geen werken" zo sterk hebben benadrukt, dat het erop is gaan lijken dat het christen-zijn niet meer is dan een zondagmiddagwandeling in een mooi park met verrukkelijke ervaringen. Ongetwijfeld zijn er verrukkelijke ervaringen. De Bijbel waarschuwt ons echter dat het christen-zijn een strijd is.

Te oordelen naar het grote aantal films en televisieprogramma's die oorlog gebruiken als achtergrond voor het verhaal dat ze vertellen, is de mens heel erg geïnteresseerd in oorlog. Om u slechts één voorbeeld te geven uit de Amerikaanse geschiedenis, de Amerikaanse Burgeroorlog met zijn hoofdfiguren is de historische gebeurtenis uit de Amerikaanse geschiedenis waarover verreweg het meest geschreven is.

Die oorlog spreekt tot de verbeelding van de mens. Wie wordt niet aangegrepen door de moedige, epische gebeurtenissen vol zelfopoffering, die zich op het scherm ontvouwen, al was het alleen maar vanwege de grote belangen die ermee gepaard gingen. We houden van dingen die heldenmoed onder heel grote moeilijkheden uitbeelden en daarom zijn we bereid wanhopige en angstaanjagende gevechten te doorstaan die gevoerd worden tegen soms een overweldigende overmacht die overwonnen moet worden, zelfs al is het alleen maar omwille van niets anders dan overleven.

Hoe indrukwekkend sommige van die dingen ook mogen zijn, de strijd van een christen is van veel groter belang dan welke oorlog tussen naties, al was het alleen maar omdat de belangen ervan eeuwige consequenties kunnen hebben. Dat niet alleen, maar de strijd van een christen heeft ook een geweldige omvang, omdat uiteindelijk iedere persoon die ooit geboren is, erbij betrokken zal worden. Sommigen voor lange perioden, zoals Abraham en Mozes, en anderen voor kortere perioden. Sommigen zullen gevechten van een grotere intensiteit het hoofd moeten bieden, en sommigen met minder intensiteit, maar ze zullen allen moeten vechten.

Deze oorlog kent zijn man tegen man gevechten. Er zijn wonden en oorlogsmoeheid en ontmoediging; soms zijn de vermoeidheid en de ontmoediging groot. Deze oorlog kent zijn kenmerkende belegeringen en aanvallen. Er zijn overwinningen en nederlagen. Het meest ernstige van dit alles is echter dat de consequenties ontzagwekkend zijn.

Als naties tegen elkaar oorlog voeren, zijn de resultaten tijdelijk en in veel gevallen kan er herstel plaatsvinden en de geschillen worden bijgelegd. In de geestelijke oorlog waar ik het over heb, komt er een tijd, zoals ik in mijn preek op het Feest over Hebreeën liet zien, dat als de strijd achter de rug is, de resultaten niet meer te veranderen zijn, eeuwig zijn. Als dat punt eenmaal is bereikt, kan er niets meer veranderd of hersteld worden.

1 Timotheüs 6:12-14 Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus,

In deze context doet Paulus een beroep op Timotheüs om te volharden, zowel in zijn persoonlijk leven als in zijn verantwoordelijkheden als dienaar. Dit volharden is niet passief. Het is niet slechts een niet opgeven, maar het is een strijden. Met andere woorden terwijl we volharden is er een strijd gaande, en Paulus zegt Timotheüs dat hij juist in die strijd zijn kans op eeuwig leven moet grijpen.

De metafoor lijkt ontleend aan een worstelwedstrijd, omdat er op de christen een beroep wordt gedaan te winnen. Dit duidt erop dat de christen in een strijd van man tot man verwikkeld is. Daarnaast impliceert Paulus' oproep dat aan de strijd ook de eisen van loyaliteit aan Jezus Christus ten grondslag liggen, dit vanwege Timotheüs' roeping. Daarom moet Timotheüs, evenals wij, het voorbeeld van de loyaliteit aan de Vader van Jezus Christus voor Pontius Pilatus volgen en Zijn woorden in herinnering brengen: "Maar niet Mijn wil maar de Uwe geschiede."

Christus' loyaliteit kostte Hem Zijn leven, en Zijn loyaliteit gaf Satan en de wereld een kortstondige overwinning, die door Christus' opstanding snel ten einde kwam. Al deze dingen in deze context verwijzen naar het begin van Timotheüs' worstelwedstrijd — zijn strijd — die begon toen hij werd gedoopt en een verbond aanging en letterlijk het eigendom van Jezus Christus werd, om gebruikt en voorbereid te worden op datgene wat Christus geschikt achtte.

Jezus Christus, als onze bevelvoerende Generaal, wijst in de richting die Hij wil dat elk van ons gaat, en dat is niet altijd dezelfde richting. Iedereen vecht zijn eigen strijd. Iedereen is betrokken bij zijn eigen kleine oorlog waarvan de consequenties zo groot zijn. Iedereen die de aard van heiligheid begrijpt, weet dat de christen een man van oorlog moet zijn, wil hij in een waarneembare mate slagen. De vijand bestaat uit dat kwade driemanschap: de wereld, het vlees en de Duivel.

De wereld is een duidelijke, nabije bron van afleiding van onze plichten jegens Christus. De Duivel moedigt ons bij tijden zeker aan om ons meer dan nodig is tevreden te stellen, maar de meest uitdagende tegenstander van alles is onze altijd aanwezige, vleselijke natuur. Jezus waarschuwde ons daarvoor tijdens Zijn leven op aarde.

Lucas 14:26 Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.

Hoeveel problemen zijn er binnen het gezin in de relaties van de geroepen persoon? Bijna niemand ontkomt aan zulke geschillen. Soms ontkomt iemand er wel aan. Hun situatie is enigszins verschillend, maar bijna iedereen die geroepen wordt, heeft ergens rekenschap over af te leggen ten opzichte van de mensen die hem fysiek het naaste staan.

Even terzijde: Toen Evelyn en ik geroepen werden, was mijn moeder echt van streek. Evelyns familie aanvaardde het vrij gemakkelijk en ze gaven ons nooit enig probleem, maar mijn moeder was een heel ander verhaal. Zij vond, en in zekere zin terecht, dat ik de familie in de steek had gelaten, dat ik haar opvoeding had verworpen, dat ik haar als moeder had verworpen. Ik zou niet meer bij alle familiebijeenkomsten zijn, zoals Thanksgiving, Kerstmis, Halloween of Nieuwjaarsdag, of wat voor andere reden er ook mocht zijn. Zij excommuniceerde feitelijk mij, mijn vrouw en mijn kinderen van de familie, omdat zij gekwetst was. Ik kan dat begrijpen. Maar sindsdien hadden mijn kinderen in zekere zin geen relatie meer met hun grootmoeder van mijn kant. Zij behandelde hen vrij onaangenaam, omdat ze boos op mij was, maar zij kregen het 't hardst te verduren.

Iedereen krijgt in bepaalde mate met soortgelijke situaties te maken en daar is dus de strijd. Het maakt deel uit van de oorlog. Hoe herstel je van zo iets waarin je degenen die je het leven gaven, de rug toekeert? Dat lijkt op een verwerping van hen en alles waar zij voor staan, terwijl je in het diepste van je hart hen nog steeds liefhebt. Dat kan ontmoedigend zijn en iets dat je voor de rest van je roeping altijd bij je zult dragen.

In vers 27 staat iets dat veel ernstiger is en potentieel vernietigend.

Lucas 14:27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.

De belangrijkste waarschuwing hier is vervat in de woorden "zijn kruis dragen". Iedereen van ons weet dat het kruis, of de paal, het instrument was van Christus' dood. En behalve dat Hij eraan werd opgehangen zodat Hij Zijn levensbloed kon uitgieten, dwongen ze Hem ook het naar de plaats van Zijn terechtstelling te dragen. Maar in dit vers staat, dat wij, Zijn volgelingen, bereid moeten zijn ons kruis te dragen.

De meeste commentatoren interpreteren dit "kruis" als elke moeilijkheid die zich ook maar mag voordoen omdat men een christen is. Dit is niet verkeerd, maar het is ook heel algemeen. Ik denk dat ik het "kruis" in Jezus' illustratie specifieker en persoonlijker kan maken, en tezelfdertijd kan laten zien waarom het christen-zijn een strijd is. Het is een oorlog.

Mattheüs 15:16-20 Hij zeide [tegen Zijn discipelen]: Zijt ook gij nog onbevattelijk? 17 Begrijpt gij niet, dat al wat de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt [verwijderd wordt]? 18 Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en (dat) maakt de mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. 20 Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein.

Het loon der zonde is de dood en zonde ontstaat in ons eigen denken. Daarom is ons vleselijk hart het instrument van onze dood. Dit is het kruis dat we dragen. Ons hart is het instrument van onze dood en we dragen dat hart, dat denken, met ons mee waar we ook heen gaan. We kunnen er in ons leven geen seconde aan ontsnappen. Als we eenmaal geroepen zijn, worden we door ons hart bedreigd: het hart waaruit boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen komen, en al het andere dat zonde is en dat Hij gewoon niet in Zijn opsomming vermeldde.

Het lijkt erop dat ons hart een doos van Pandora is, die minstens in potentie, zijn vuiligheid in de handelingen van ons leven uitstort. Waar we dus ook gaan, ongeacht de omstandigheden, we moeten ons bewust zijn wat dat instrument van onze dood in staat is voort te brengen. De slechte motivatie ervan moet worden bestreden om te voorkomen dat zijn vijandschap tegen God uitbreekt. Het kan onze loyaliteit aan Christus in korte tijd in het geding brengen, dus moet er in ons leven altijd een mate van behoedzaamheid aanwezig zijn.

Echt christen-zijn is een gevecht. Ik zeg "echt", omdat veel van wat in deze tijd voor christen-zijn doorgaat zo passief is dat het uit weinig meer bestaat dan het éénmaal per week naar de kerk gaan.

Kunt u zich een soldaat voorstellen die op zo'n manier oorlog voert? Hij is twee uur in oorlog en dan gaat hij weg; hij is dus de overige zes dagen en tweeëntwintig uur met verlof. Hij neemt niet deel aan de strijd. O nee, gemeente, zo zit het helemaal niet in elkaar. Daarom zegt Jezus dat we de kosten moeten berekenen. Als Jezus ons eenmaal in dienst neemt, zijn we om zo te zeggen 24 uur per dag, 7 dagen per week, 365 dagen van het jaar onder de wapenen, omdat waar we ook heen gaan, we dat kruis met ons zullen moeten meedragen. We zullen de voortbrenger van die oorlogvoering met ons meenemen, waar we ook maar heen gaan.

We kunnen op de snelweg rijden en iemand snijdt u. Welke gedachten komen in ons op? Boosheid, en alles wat daarmee samenhangt, kan in minder dan een seconde opkomen. Hebben we ons hart altijd onder controle? Nee, dat is niet het geval, omdat dat hart nog steeds zijn eigen gang gaat en daarom is het vlees het grote probleem. De wereld? We kunnen daar, in de beschutting van ons eigen huis, misschien een beetje van loskomen. Satan? We kunnen hem zeggen: "Donder op, makker!" en hij krijgt de opdracht weg te gaan. Het kan zijn dat hij niet direct weggaat, maar hij zal weggaan. Maar ons hart is altijd aanwezig, dag in, dag uit.

Al te vaak, in feite denk ik dat het gewoon in ieder geval is, neemt niemand dit, als hij wordt gedoopt, echt in overweging. Niemand van ons. We hebben op dat moment gewoon niet voldoende begrip van wat er gaande is. We zijn oprecht. We menen het echt. Maar God is barmhartig, omdat Hij in de meeste gevallen ons heel voorzichtig aan de strijd blootstelt. Daarom zei Paulus twintig jaar later: "Ik, ellendig mens!" Toen hij de brief aan de Romeinen schreef had hij het echt door. Hij begreep de barmhartigheid van God die tot uiting komt in hetgeen God had gedaan door ons Jezus Christus te geven, ons Zijn Geest te geven, en ons deze kans te geven, en net zo voorzichtig met ons te zijn als nodig is om ons in het Koninkrijk van God te krijgen.

Echt christen-zijn is een gevecht. We zingen het lied: "Voorwaarts Christenstrijders, drukt uws Konings spoor; Met Zijn heil'ge kruisvaan gaat ons Jezus voor." Evenals een soldaat niet is geroepen tot een leven van comfort en gemak en luiheid en veiligheid, evenmin als Abraham en Sara, zijn ook wij dat niet. Er is altijd iets aan de hand binnen de kerk. Er is altijd iets aan de hand binnen deze oorlogvoering. Ergens anders waarschuwt Jezus ons dat we geroepen zijn de waarheid te behoeden, en waakzaam te zijn als een soldaat die in oorlogstijd op wacht staat, zodat we weten dat alles wat er met ons gebeurt in orde is, en ook wat er om ons heen gebeurt.

2 Timotheüs 2:1-5 Gij dan, mijn kind, wees krachtig in de genade van Christus Jezus, 2 en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten. 3 Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus. 4 Tijdens de veldtocht wordt geen soldaat gemoeid in de zorg voor zijn onderhoud; hij heeft (slechts) hem te voldoen, door wie hij aangeworven is. 5 En is iemand een kampvechter, dan ontvangt hij de krans alleen, als hij volgens de regels van de kamp heeft gestreden.

Dit voegt nog een en ander toe aan de oorlogsmetafoor. Het helpt ons als we begrijpen dat de beelden die in 1 en 2 Timotheüs onder woorden worden gebracht — de dingen die Paulus aan Timotheüs schreef — in de eerste plaats rechtstreeks op Timotheüs zijn gericht, en daarna ten tweede op al de dienaren. Maar tegelijkertijd zijn ze op alle christenen gericht, echter met een minder specifieke toepassing omdat zij niet tot de dienaren behoren. Maar iedereen voert oorlog, niet alleen de dienaren, maar gewoonlijk lijkt het erop dat de oorlogvoering van de dienaren intenser is. "Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden."

Vers 3 zegt: "Lijd met de anderen als een goed soldaat." "Goed" is een goede vertaling van het Griekse woord, maar dat woord heeft eigenlijk een veel waardiger betekenis. Het zou beter vertaald kunnen worden met "indrukwekkend". Paulus zei dat de oorlogvoering waartoe we als soldaat geroepen zijn, indrukwekkend is. Dat plaatst die oorlogvoering in een vrij hoge categorie.

Er worden door Paulus in deze context drie opdrachten naar voren gebracht.

(1) Een christen moet evenals een soldaat sterk zijn en begrijpen dat lijden deel van zijn lot uitmaakt.

Op basis van mijn ervaring moet ik zeggen dat dit in golven komt. Nogmaals op basis van mijn ervaring, lijkt het erop dat de golven sneller komen dan tot nu toe het geval was. Ik denk dat het door de tijden komt, dat God de intensiteit van wat we het hoofd moeten bieden, doet toenemen. Maar lijden maakt deel uit van ons lot in het leven, en een christensoldaat moet zijn denken erop richten om geduldig te volharden. Het zal plaatsvinden. Lijden zal zich voordoen. Maar laten we de gedachte met ons in de strijd meenemen dat God getrouw is, dat Hij geduldig is, dat Hij voorzichtig is met de intensiteit die Hij toestaat over ons te komen of Zelf over ons brengt, dat Hij altijd zal voorzien in wat we nodig hebben. (We zullen hier later nog op terugkomen.)

(2) Een christen wordt evenals een soldaat ertoe geroepen van harte loyaal toegewijd te zijn.

Het woord "toegewijd" heeft ook een emotionele lading. Een soldaat kan natuurlijk ook andere interesses hebben. God ontzegt ons niet onze andere interesses, maar de christen kan zichzelf niet toestaan zo in de zaken van het burgerlijke leven op te gaan dat hij wordt afgeleid van zijn dienst aan zijn Meester die hem in dienst nam. Ons werd zonet nog gezegd dat Christus ons in dienst nam.

De implicatie van deze opdracht is: Hoe kan een christensoldaat trouw zijn als de prioriteiten in zijn leven niet op de juiste manier geordend zijn? Dat is het punt waar het om draait. Het tweede gebod is dat een soldaat niet alleen moet volhouden, hij moet de activiteiten van zijn leven prioriteiten toekennen. Zijn voornaamste doel moet altijd zijn Degene die hem in dienst nam. Jezus zei: "Ik doe altijd wat Mijn Vader behaagt." (Johannes 8:29) Dit wordt allemaal gedaan in een sfeer waarin het hart de loyaliteit aan God tegenwerkt.

(3) Dit staat in vers 5. In dit gebod verschuift de metafoor iets in de richting van een atletische gebeurtenis. De christensoldaat moet zijn dienst aan zijn Meester verrichten in overeenstemming met de regels die voor hem gelden. Dit betekent specifieker dat hij zijn liefde in elke handeling voor zijn Meester tot uiting moet laten komen. Bedenk dat Jezus, onze Meester, zei: "Indien gij Mij liefhebt, onderhoudt Mijn geboden." Daarin komt onze loyaliteit tot uiting. Deze komt tot uiting in gehoorzaamheid.

Laten we de verzen 6 en 7 bekijken, omdat de metafoor alweer verschuift. Hij verschoof van oorlogvoering naar een atletische confrontatie en hij verschuift nu naar een boer.

2 Timotheüs 2:6 De landman, die de zware arbeid verricht, moet het eerst van de vruchten genieten.

Dit vers brengt in herinnering dat de christensoldaat door Christus overvloedig zal worden beloond voor zijn gedisciplineerd dienen. In feite hebben we hier een opgelegd gebod dat de soldaat aanspoort deze dingen in zijn denken te overpeinzen en deze in zich op te nemen.

2 Timotheüs 2:7 Let wel op [overpeins, overdenk, mediteer over] wat ik zeg, want de Here zal u in alles inzicht geven.

Hij wil dat wij wat hij hier zegt, opnemen. Volg de regels, omdat een zich nauwgezet houden aan deze drie opdrachten niet zonder vrucht zal blijven. We zullen zogezegd royaal betaald worden voor de opofferingen die we ten behoeve van Jezus Christus ondergaan.

De verzen 8, 9 en 10 vervolgen deze vermaning. Hij zei: "Let wel op ..." en nu zegt hij:

2 Timotheüs 2:8 Gedenk, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het geslacht van David, naar mijn evangelie,

Dit moet ons hoop geven. Dit moet ons doen begrijpen dat zelfs al zouden we ons leven als soldaat van Jezus Christus verliezen — ons leven verliezen door gehoorzaamheid aan Hem — we opgewekt zullen worden evenals Christus werd opgewekt nadat Zijn trouw in Zijn loyaliteit tot uiting was gekomen, een loyaliteit die zelfs tot in Zijn dood bleef bestaan.

Dan in het eerste deel van vers 9 verschuift Paulus zijn aandacht van Christus naar zichzelf.

2 Timotheüs 2:9a waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. ...

Met andere woorden door Christus na te volgen was Paulus' weg niet gemakkelijk.

2 Timotheüs 2:9b ... Maar het woord van God is niet geboeid.

God hield Zijn woord door Paulus uit al zijn beproevingen te verlossen.

2 Timotheüs 2:10 Om deze reden wil ik alles verdragen, om de uitverkorenen, opdat ook zij het heil in Christus Jezus verkrijgen met eeuwige heerlijkheid.

Dit vers keert in feite terug tot: "Indien gij Mij liefhebt, onderhoudt Mijn geboden." Paulus zei dat de soldaat van Jezus Christus de kwaliteit van de omgang die hij met anderen binnen het lichaam heeft heel zorgvuldig in beschouwing moet nemen. Dat moet een omgang zijn gebaseerd op liefde.

Ik noemde eerder dat het belangrijkste conflictgebied van een christen bij zichzelf ligt. Dat is zo vanwege de natuur die diep in ons is geworteld, een natuur met sinds onze geboorte corrupte gewoonten in ons karakter. Romeinen 8:7 herinnert ons eraan dat "de gezindheid van het vlees vijandschap [in dit geval strijd binnen een oorlogvoering] is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet."

Ons worden levendige woordschilderingen gegeven van wat we moeten doen in onze oorlogvoering, maar laten we een beetje afstand nemen en kijken naar wat God ons als gave heeft gegeven, toen we ons bekeerden.

Marcus 14:38 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

Dit vers zal straks nog belangrijker worden. De Geest waar hij het over heeft is de Heilige Geest. De Heilige Geest is gereed en bereid de strijd aan te gaan, maar de menselijke natuur is ook gereed en bereid de strijd aan te gaan. De ene strijd is tegen God, de andere voor God. Waar ik hier op uit ben, is wat God verlangt, waartoe God in staat stelt. Zoals iedere natie zou moeten doen, heeft Hij degenen die Hij voor deze oorlog in dienst heeft opgeroepen, voorzien van wat zij nodig hebben. Hij heeft ons de uitrusting gegeven die we moeten gebruiken om de strijd aan te gaan, zodat we kunnen winnen. De geest is gewillig. Het vlees is de zwakste van beide.

Wat God heeft gedaan is een vitale stap die wij nodig hebben om deze oorlogvoering te kunnen winnen. Zoals ik in verscheidene eerdere preken zei, moeten we tijdens het heiligingsproces in deze oorlog met God samenwerken. In deze oorlogvoering komen onze christelijke werken — de werken waartoe we werden geschapen — duidelijk tot uiting.

Galaten 5:16-17 Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. 17 Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees — want deze staan tegenover elkander — zodat gij niet doet wat gij maar wenst.

In de geest willen we de Geest gehoorzamen, maar als het vlees de overhand krijgt doen we wat we niet willen.

Galaten 5:24 Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.

Uit zowel vers 16 als 17 is het duidelijk dat de geest en het vlees tegenover elkaar staan. Waar zo'n tegenstelling bestaat, ontstaat een strijd, omdat er een fel conflict heerst in het hart van de christen, in het bijzonder als de christen zichzelf toestaat af te glijden naar het toegeven aan het vlees. Hierdoor ontstaat een schuldig geweten.

Het is duidelijk dat Paulus de christelijke verantwoordelijkheid jegens Christus opvatte als een voortdurende en aanhoudende strijd. In één opzicht heeft de christen de overwinning reeds behaald, als hij volhoudt en niet toegeeft aan de opwellingen van het vlees, maar in plaats daarvan volhardt en zich onderwerpt aan de Geest, omdat Christus in hem is. Christus zal de overwinning geven, maar de christen moet ervoor kiezen zich de "in vergelijking kleine" opofferingen te getroosten, die verlangd worden. Elders laat Paulus de moeilijkheden zien die het zich getroosten van deze "in vergelijking kleine" opofferingen met zich meebrengen.

In vers 24 gebruikt Paulus het woord "gekruisigd". Dat is niet de eerste keer dat Paulus het woord "gekruisigd" gebruikt. Ik lees dat vers nog een keer voordat we naar een ander vers gaan. "Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd."

Romeinen 6:6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is [met Christus], opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;

Galaten 2:20 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

Er is een interessant verschil tussen Romeinen 6:6 en Galaten 2:20 waar het woord "gekruisigd" voorkomt en Galaten 5:24 waar het weer voorkomt. Mijn bron voor wat ik nu ga vertellen is The Expositor's Bible Commentary, Volume 11, pagina's 501 en 502. Ik vind wat ze zeggen heel interessant.

In Romeinen 6:6 en Galaten 2:20 gebruikte Paulus het Griekse woord dat met "gekruisigd" is vertaald in passieve vorm. Het werd daar vertaald met "is (mede)gekruisigd", respectievelijk "ben gekruisigd". Deze vertalingen duiden erop dat er door iemand anders iets werd gedaan ten behoeve van hem. We weten wie dat was. Dat was Christus. Dat was iets dat in het verleden plaatsvond, maar het werd ten behoeve van hem gedaan door iemand anders. In Galaten 5:24 schreef hij echter in de actieve vorm en daarom is het vertaald met "hebben gekruisigd". Dit verschil wijst op wat de christen voor zichzelf heeft gedaan en moet blijven beschouwen als wat hij blijft doen.

Bedenk dat ook Paulus door een heiligingsproces heenging. Wat zei Paulus hier? Hij zei dat het onszelf kruisigen op de manier waar hij het over had, een dagelijks iets is. Er waren enkele dingen betreffende deze kruisiging die niemand behalve Christus kon doen, en Hij deed deze dingen voor ons. Hij stierf, maar omdat Hij gekruisigd werd, blijven wij in leven, maar we ondergaan het symbool van de doop om symbolisch te laten zien dat we geestelijk stierven en daarna geestelijk werden opgewekt. Maar — zoals hij in Galaten 5:24 laat zien — moeten we als we eenmaal zijn opgewekt onszelf dagelijks kruisigen.

De "oude mens" werd gekruisigd, maar toen hij weer boven water kwam, was hij een nieuw mens, maar de oude natuur was nog steeds aanwezig. Dat is heel interessant. In de dagelijkse praktijk moet de nieuwe mens zich dus volgens zijn nieuwe natuur gedragen, waarmaken wat hij beweert te zijn.

Colossenzen 3:5-8 Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, 6 om welke dingen de toorn Gods komt. 7 Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet. 8 Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond.

"Kruisigen" en "doden" zijn heel krachtige woorden. Ik heb u al enige informatie gegeven betreffende "kruisigen". Nu ga ik in op "doden". Dit is heel levendig. Het Griekse woord hier dat met "doden" is vertaald is nekrosate. Dat is een heel krachtig woord dat "dood maken" betekent. In het seculiere Grieks wordt het gebruikt in de betekenis van "totaal doden". Plaats die betekenis in dit vers: "Doodt daarom uw leden totaal."

In de context van Colossenzen 3:5 doet Paulus een beroep op ons om niet alleen maar ons verkeerde handelen en onze verkeerde houding onder controle te houden, maar ze volledig te vernietigen. Dit suggereert uitroeiing, een benadering van "geen gevangenen maken". Eén commentator, McClaren genaamd, illustreerde nekrosate als volgt; dit is heel levendig. Hij zei: "Het is alsof u een machine bedient en uw vinger raakt tussen twee raderen bekneld, en als u niet snel handelt, zult u uw leven verliezen. Dus grijpt u haastig een bijl die vlakbij ligt en u hakt uw hand bij de pols af om niet verder de machine te worden binnengetrokken." Dat is heel levendig.

Dit komt overeen met wat Jezus zei: "Als uw oog u tot zonde verleidt, pluk het uit." "Als uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af." Hij bedoelde niet dat we dat letterlijk moesten opvatten, maar zowel in Paulus' geval hier als in het geval van Jezus, was het een doelbewuste overdrijving om de ernst van zonde duidelijk te maken en de soort oorlogvoering waarbij we als christensoldaten betrokken zijn.

De "oude mens" werd in de doop symbolisch gekruisigd en begraven, maar wat Paulus hier zegt, is dat we zeker moeten stellen dat deze symbolische dood praktisch doorwerkt in het leven van alle dag. Dit vers geeft ons ook meer inzicht in waarom overwinnen en groeien zo moeilijk is dat het met "oorlog" wordt aangeduid.

Let op het woord "leden". "Doodt daarom uw leden." Let erop dat Paulus die "leden" in hetzelfde vers beschrijft als immoraliteit, onreinheid, passie, verkeerde verlangens en begeerte. "Leden" is dus duidelijk een letterlijke referentie naar lichaamsdelen zoals handen, ogen, voeten, maag en seksuele organen, maar in plaats van dat hij die delen noemt, noemt hij de gebreken, de zonden. Hoe worden lichaamsdelen zonde? Paulus doet dit door een beeldspraak die metonymia wordt genoemd. Metonymia komt in de grammatica voor als een oorzaak of een bron die gesubstitueerd wordt voor het gevolg dat eruit voortkomt. Met andere woorden de consequenties of het product dat de bron voortbrengt.

Ik geef u nog een vers dat zou kunnen helpen dit te begrijpen. Metonymia's komen in de Bijbel vaak voor en als u ze niet begrijpt, kan dat echt een probleem zijn als u ze leest.

Numeri 3:16 Toen telde Mozes hen naar het bevel des HEREN, zoals geboden was.

In het Nederlands lijkt dat eenvoudig te begrijpen. Er is slechts één moeilijkheid. Mozes gebruikte hier niet het woord "bevel" toen hij dat schreef. Dat woord "bevel" in het Hebreeuws is letterlijk "mond". Wat brengt een "mond" voort? Deze brengt woorden voort, soms in de vorm van bevelen. Toen de vertalers dit dus tegen kwamen, vertaalden ze het op een manier waarop wij, het lezend in het Nederlands, het een stuk beter zouden begrijpen. Maar in het Hebreeuws wordt het lichaamsdeel de mond gesubstitueerd voor de bevelen die uit de mond voortkwamen.

Ik zal u een Amerikaanse uitdrukking geven die een metonymia is: "Mij zal niets van uw lippen overkómen!" [Noot van de vertaler: Letterlijk vertaald, zegt het in het Nederlands niet zo veel.] Zal iemand een ander met zijn lippen doodslaan? Nee. Het betekent: "Mij zal niets van je brutale opmerkingen die zo beledigend zijn, overkomen." De opmerkingen zijn de woorden die over de lippen — het lichaamsdeel, de bron — komen. We moeten Paulus' woorden in Colossenzen 3:5 dus opvatten als: "Breng de effecten die door de leden van uw lichaam worden voortgebracht of die daar nauw mee samenhangen, zoals immoraliteit, onreinheid, enzovoort, enzovoort ter dood."

Evenals het woord "gekruisigd" is dit niet de eerste keer dat Paulus het woord "leden" in een context als deze gebruikt.

Romeinen 7:17, 20, 23 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. ... 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. ... 23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.

Merkte u het feit op dat er zonde in onze leden woont en dat die in oorlog is tegen de wet van ons denken? De wet van ons denken is Gods Geest. In Colossenzen 3:5-8 gaat Paulus dus een stap verder dan in Romeinen 7 door specifiek een aantal zonden waaraan lichaamsdelen zich geleid door het hart schuldig maken, te specificeren. In onze oorlogvoering brengen we de effecten ter dood en niet de leden waaruit ze voortkomen. Ik vind dat er aan deze oorlogvoering heel interessante aspecten zitten.

Colossenzen 3:1-3 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven [gekruisigd] en uw leven is verborgen met Christus in God.

Als we gevolg geven aan wat Paulus in de verzen 1 tot 3 beveelt, zou dat feitelijk heel bemoedigend zijn. Vers 3 zou heel bemoedigend moeten zijn, omdat dit vers het legale feit bevestigt van de toestand waarin we voor God verkeren. Wat staat daar? "Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God." Dat is geweldig bemoedigend als we begrijpen waar hij op uit is. Dit is de manier waarop de apostel Paulus heel dicht erbij komt te zeggen dat ons behoud absoluut vaststaat, omdat ons leven in Christus verborgen is.

Omdat we onder Christus' bloed staan en daardoor gerechtvaardigd zijn en met Christus verenigd, bevestigt Paulus onze geestelijke veiligheid ondanks de oorlog die gaande is. Gemeente, het lijkt er bijna op dat we een onzichtbaar schild om ons heen hebben. Er is hier echter een "maar" aan verbonden, om dit te begrijpen. Dat "maar" is dat ons behoud een legale handeling is. Dat is rechtvaardiging. Rechtvaardiging die ons toestaat in Gods nabijheid te verschijnen, is een legale handeling.

Omdat Christus de straf voor ons heeft betaald, zijn de zonden verdwenen. Het is alsof ze niet langer bestaan. De menselijke natuur bestaat nog steeds, maar de aantekeningen over onze zonden zijn verdwenen. We staan onder Christus' bloed en we weten op basis van schriftgedeelten als 1 Johannes 1, dat als we zondigen en we berouwvol naar God gaan, dat dan het bloed van Jezus Christus ons opnieuw reinigt van al onze zonden.

Door deze rechtvaardiging hebben wij een verplichting jegens de Vader en de Zoon, en die verplichting is dat we de heiligingsperiode moeten gebruiken om de legale werkelijkheid van in Christus vergeven en behouden te zijn, te laten overeenkomen met de praktische behoefte om te groeien, te overwinnen en rechtvaardig en heilig te worden zoals Christus rechtvaardig en heilig was.

Het zijn Gods genadige gaven (en ik zeg "gaven" omdat Hij bij Zijn roeping meer geeft dan alleen maar Zijn Geest) en Zijn Geest, in combinatie met de strijd om deze verkeerde verlangens te overwinnen, wat ons voorbereidt om in het Koninkrijk van God te leven. Hoort u wat ik zeg? We hebben een verplichting aan de Vader en de Zoon. Vergeving legt ons die verplichting op. Zij bezitten ons nu en daarom zijn we verplicht deze oorlog te voeren niet omwille van behoud, maar ter voorbereiding op het Koninkrijk van God.

Als we niet met Hen meewerken in het voorbereidingsproces, dan verliezen we de strijd. Kunnen we dat begrijpen? Dat zou moeten. Daarom worden die woorden zoals "doden" en "kruisigen" gebruikt, vanwege het ontzagwekkende wat voor ons ligt, gecombineerd met het ontzagwekkende van wat ons reeds is gegeven. Onze verplichting is niet om onszelf door werken te behouden. Onze verplichting is ons voor te bereiden op wat komen gaat. We zijn in training. We bereiden ons voor op wat voor ons ligt. God heeft ons de middelen gegeven om de strijd te voeren.

Het soort gerechtigheid dat Jezus Christus bezat en dat God wil dat wij zullen hebben, wordt in situaties van alle dag meer en meer toegepast doordat de wet van God in onze harten en in ons denken geschreven wordt door ervaring. Dat zou — hoop ik — duidelijk moeten zijn.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)