Zijn eigen wijnstok en vijgenboom

Door Richard T. Ritenbaugh
7 oktober 2007

Samenvatting: (toon)

Zijn aandacht vestigend op Micha 4:1-4, benadrukt Richard Ritenbaugh dat de inwoners tijdens het Millennium hun eigen bezittingen zullen hebben. De mens kreeg bij het begin van de schepping heerschappij over of het eigendomsrecht op de aarde. God gaf de mens de verantwoordelijkheid om de aarde te bewerken en te bewaren (onderhouden). Na de zonde van de mens werd Adams nakomelingen het recht op het bezitten van land ontzegd. Onze voorvaderen (Abrahams nakomelingen) kregen een belofte van een toekomstige, begrensde erfenis. God geeft specifieke wetten die de mensen verbiedt grenspalen te verplaatsen. In de zegeningen en vloeken die op de berg voorgelezen moesten worden, werden verboden afgekondigd op het verplaatsen van grenspalen. God vaardigt wetten uit tegen mensen die een andermans bezit schenden. God stelt het jubeljaar in waarin het eigendomsrecht op het land terug zal gaan naar de oorspronkelijke eigenaars. In de toekomst zal God Israël in het land planten om daar te blijven (Jeremia 32:41). Eigendomsrechten zullen tijdens het Millennium onschendbaar zijn  God brengt Zijn volk terug naar hun eigen land om het terug te brengen in de toestand van de hof van Eden; daar zal vrede en welvaart heersen, en ze zullen permanent geplant worden in het Koninkrijk van God.


Zoals velen van u destijds in de Worldwide Church of God deden, nam ook ik deel aan het Summer Educational Program (S.E.P.). Ik ging in de zomer van 1982 naar de tweede sessie in Orr, Minnesota. Natuurlijk deed ik al de normale dingen die de kampeerders deden — zwemmen, waterpolo, basketbal, volleybal, rotsklimmen, kanoën en al dat soort dingen. Ik ging mee met de kanotocht, die heel interessant was en ook heel plezierig.

Maar een van de dingen die we op het kamp ook deden, was het volgen van bijbelonderwijs. Ik kan me niet meer herinneren hoe vaak we dat hadden, waarschijnlijk slechts één keer per week. Misschien wat vaker en heb ik daar geen aandacht aan geschonken. Ik geloof dat Dennis Van Deventer (die ik later vrij goed leerde kennen) een les gaf over het Millennium, en het onderwerp ging specifiek over hoe ons perspectief van het Millennium was in vergelijking met wat de Bijbel erover zegt.

Ik herinner me duidelijk dat we na die les als opdracht kregen of ons droomhuis in het Millennium te tekenen — ieder kind dat daarvoor koos kwam met een woning die veel op een paleis leek — of we konden ervoor kiezen een dier te tekenen dat we graag als huisdier zouden willen hebben — een dinosaurus, een luipaard, of een of ander schepsel met opvallend grote tanden. Ik was toen zestien jaar oud en vond dit uitermate kinderachtig. Dat was niet iets dat paste bij jongelui van zestien jaar oud — plaatjes tekenen.

Een deel van die les ging over Micha 4:1-4. Dit kunnen we ook in Jesaja 2:2-4 vinden.

Micha 4:1-3 En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen, 2 en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. 3 En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.

Tot zover lopen Jesaja en Micha parallel. Daarna gaan Micha en Jesaja elk een andere kant uit. Jesaja gaat verder met Israël tot bekering op te roepen, hen te vertellen over de verschrikkelijke dingen van de Dag des Heren en hen op te roepen God te vrezen. Maar Micha blijft nog een paar verzen stilstaan bij het Millennium.

Micha 4:4 Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de HERE der heerscharen heeft het gesproken.

Hier hebben we een vers dat het heeft over mensen die onder wijnstokken en vijgenbomen zitten, die zich veilig voelen en onbevreesd zijn. Toen Dennis Van Deventer dit vers las toen ik zestien jaar oud was, had ik het niet zo op wijnstokken en vijgenbomen. Ik zat veel liever onder een appelboom of iets waar ik werkelijk plezier in had. (Ik heb geleerd de opbrengst van de wijnstok te waarderen.) Maar ik begreep het punt van voorspoed en vrede en veiligheid waar het hier over ging.

Sindsdien heb ik vierenwintig jaar de tijd gehad om van alle kanten over dit vers na te denken. Dit jaar werd ik hevig getroffen door een woord van drie letters. En dat woord was het woord "zijn". "Een ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom."

Misschien zegt u dat niets, daar het niet meer is dan een dwaas oud voornaamwoord, maar het is een bezittelijk voornaamwoord. Dat duidt erop dat deze mensen deze specifieke wijnstok en vijgenboom bezitten. Het is niet zo maar een wijnstok, of een vijgenboom, maar het is zijn wijnstok en zijn vijgenboom. Zij bezitten die dingen.

Dit geeft mij een vrij sterke aanwijzing dat in het Millennium persoonlijk bezit de norm zal zijn. God zal de mensen toestaan hun eigen land en onroerend goed te bezitten. Het Koninkrijk van God zal niet lijken op een of andere middeleeuwse toestand van lijfeigenschap (wat we zouden kunnen denken op basis van het feit dat we Christus als koning zullen hebben) — een plaats waar de koning hun alle land zou toewijzen en zij pachters zouden zijn van Zijn land, waar Hij alles zou bezitten en zij niet meer zouden zijn dan beheerders.

Maar dit vers zegt het anders. Er staat "zijn wijnstok en zijn vijgenboom". Het zal geen communistische of socialistische collectiviteit zijn waar ze alles gezamenlijk bezitten en ze in feite totaal niets bezitten. Het zal tegen de trends van onze eigen maatschappij ingaan, die (naar het schijnt) steeds verder wegvoeren van privébezit, en de regering stelt steeds meer en meer bepalingen op wat we wel en niet met onze eigen bezittingen kunnen doen.

God zegt hier dat ze in vrede zullen leven en veilig zullen zijn, iedereen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom. De burgers van Gods Koninkrijk zullen van de voordelen van eigen bezit genieten.

Ik weet niet of u hier ooit aan dacht, maar ik dacht dat dat veelbetekenend was. Hebt u ooit een Feestpreek gehoord over eigendomsrechten en het hebben van eigen bezit? Vandaag zult u zo'n preek gaan horen.

Vandaag gaan we dit concept van privébezit en privé-eigendomsrechten bekijken zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Ik wil dit toepassen op het Millennium en daaraan enige aanwijzingen ontlenen hoe de maatschappij in het Millennium eruit zal zien, omdat ze eigen bezit zullen kunnen hebben.

Eigendomsrechten ontstonden in het begin, reeds bij de grondlegging der wereld.

Genesis 1:26-30 En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 28 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 29 En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas [daaronder vallen waarschijnlijk diverse soorten wijnstokken en vijgenbomen] op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. 30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo.

Hier staat het. Helemaal aan het begin zien we het concept dat God de mens heerschappij geeft over de aarde en alles wat daarop leeft. Hij heeft het specifiek over het voortbrengen van voedsel en het gebruik van deze dingen voor voedsel.

Het woord "heerschappij" suggereert een soort eigendom. Gewoonlijk bezit u datgene waarover u heerst. Zelfs in de wedstrijdsporten zeggen ze: "We zijn heer en meester!", omdat ze het speelveld beheersen. Maar beheersing suggereert een vorm van bezit, een gezaghebbende beheersing.

Slechts enkele verzen verder zien we een aantal kleine aanwijzingen van dingen die al snel gaan plaatsvinden. Dit is in feite een opnieuw onder woorden brengen van de verzen die we zojuist lazen.

Genesis 2:7 toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.

Hier hebben we het feit dat God de mens uit het stof der aarde schiep. We zouden kunnen zeggen dat er een soort organische relatie bestaat tussen de mens en de aarde. In zekere zin zijn we één. We zijn uit de aarde gemaakt en we gaan terug naar de aarde, zoals er wordt gezegd.

De mens werd dus uit de aarde gemaakt en er blijft een inherente schakel bestaan tussen menselijke wezens en grond. Ik ken geen enkel levend mens die niet op een of ander moment ernaar hunkerde een eigen stuk land te bezitten, als hij dat niet reeds bezat.

Ik impliceer geen enkele mystieke band tussen de mens en de aarde. Dat bedoel ik helemaal niet. Ik bedoel gewoon dat er een impliciete erkenning in ons aanwezig is dat de mens aan de aarde gebonden is, en dat we van elkaar afhankelijk zijn. We hebben de aarde nodig en de aarde heeft ons nodig. Al ons voedsel en al onze welvaart komt voort uit de aarde. Er is inderdaad een band. Het land en de mens hebben elkaar nodig.

Een klein dingetje wat we hier vanuit vers 7 naar voren kunnen brengen is het feit dat deze mens die uit het stof der aarde werd gevormd, Adam werd genoemd. Dat woord betekent "rode aarde". In feite was het "klei en Eva".

Genesis 2:15 En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren.

Nu moeten we de dingen wat ruimer gaan bekijken. God gaf Adam, de vertegenwoordiger van de gehele mensheid, een dubbele verantwoordelijkheid in zijn beheer van de aarde. Het specifieke bezit waar hier over wordt gesproken is de hof van Eden. Oorspronkelijk beperkte de opdracht zich tot dit gebied, maar deze ging ook verder en strekte zich uit tot de gehele aarde die God hun gegeven had.

Bewerken en bewaren slaat — zoals we in het verleden hebben geleerd — op twee globale categorieën werk en menselijke verantwoordelijkheid. Het eerstgenoemde punt is bewerken. Dit bestaat niet slechts uit zaaien en oogsten; het omvat ook de principes van verbetering en verfraaiing. Het is niet alleen maar het splijten van de aarde, wat zaad zaaien, dit bedekken, het een beetje water geven en af en toe wat onkruid wieden. Zo eenvoudig is het niet. Het is het globale principe van zorgen voor het land en niet alleen maar zorgen, maar het ook verbeteren, het vruchtbaarder maken, het verfraaien en het allerbeste maken van wat ons gegeven is.

Het tweede punt dat Hij noemde, was "het te bewaren". Dit betekent niet slechts het in bezit houden. Het betekent in feite bewaken en beschermen. Het suggereert zoals we het in deze tijd noemen, milieubeheer. Als u een milieubeschermer bent, bent u iets anders dan een milieubeheerder. U wilt het land niet alleen beschermen, maar u wilt het ook verfraaien, het verbeteren, het zo nuttig mogelijk maken en het voortdurend blijven vernieuwen. Een milieubeheerder wil u er alleen maar vandaan houden en u er niets mee laten doen.

We hebben dus deze twee dingen — bewerken, dat duidt op cultiveren en verbeteren, en we hebben bewaren, dat duidt op beschermen, bewaken en conserveren (het in een toestand houden waarin het aan anderen kan worden doorgegeven). Het betekent wat ons gegeven werd tegen misbruik beschermen en zorgvuldig beheren.

Er gebeurde heel wat in deze eerste paar hoofdstukken. Er werden enkele zeer fundamentele dingen aan de orde gesteld, zodat wij daarvan konden leren.

De volgende passage is na de zonde van Adam en Eva. God had hun gevraagd wat er was gebeurd, en ze begonnen met de vinger te wijzen. God zei dus dat Hij hen alle drie zou straffen. Hij sprak Zich eerst uit over Satan, daarna richtte Hij Zich tot Eva en nu richt Hij Zich tot Adam:

Genesis 3:17-19 En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 18 en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Dat laat me een heel sterke relatie zien tussen de mensheid en de aarde.

Nadat Adam en Eva zondigden, verdween de door God gegeven verantwoordelijkheid om de aarde te bewerken en te bewaren niet, maar het zou een stuk moeilijker worden om dat te doen. De aarde zou weerbarstig zijn en niet meewerken, en de inspanningen van de mens om voedsel en rijkdom uit de aarde voort te brengen zouden hem uitputten. Het zou op zwoegen en zweten aankomen. En als hij eenmaal voedsel uit de grond had verkregen en het gebruikt, dan zou hij weer helemaal opnieuw moeten beginnen. Hij zou zich inspannen, zweten en almaar opnieuw zwoegen totdat hij helemaal versleten zou zijn. Dan zou hij ter aarde neervallen en wachten, omdat hij dan dood zou zijn.

Dat is geen aanlokkelijk iets. Ik schreef hier enkele jaren geleden een artikel over voor de Forerunner. Er is een lichtpuntje aan verbonden, maar dat is maar heel zwak. Er zijn dingen die we van dit zwoegen moeten leren, die ons dichter bij God brengen. Maar daar hebben we het op dit moment niet over.

Het leven van de mens zou volledig opgaan in zijn strijd met de aarde. Dat was de straf die God Adam gaf. Hij zou een leven hebben bestaande uit zwoegen, waarbij hij zijn best zou doen datgene uit de aarde te krijgen dat God hem vrijelijk zou hebben gegeven als hij niet gezondigd had.

Op deze manier zou hij precies uitkomen waar het voor hem ook begon — in de aarde.

Dit is voor mij een aanduiding van God dat de mens door de zonde nog sterker aan de aarde verbonden werd. Voor hun zonde hadden ze vaker de gelegenheid naar de hemel te kijken dan naar de aarde. Maar nu ze gezondigd hadden, zou hun blik vaker op de grond zijn gericht dan op de hemelen, omdat het zwoegen om dingen uit de aarde te verwerven hun denken gericht zou houden op de dingen van de aarde.

Er zou in dit leven van zwoegen weinig tijd over zijn voor hogere gedachten.

De volgende gedeelten uit de Bijbel moeten we parallel aan Genesis 12 zien.

Hebreeën 11:8-10 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

Hebreeën 11:13-16 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Tegen de tijd dat we in Genesis 12 aankomen heeft het verhaal in de Bijbel zich beperkt tot het verslag over één man, Abraham en zijn nakomelingen die de Israëlieten werden.

En toen:

Genesis 13:14-15 En de HERE zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, 15 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven.

Een van de voornaamste dingen die deel uitmaken van de belofte van God was een gave van land, een geweldig groot land, zoals we straks zullen zien. Op dat moment betrof het het land Kanaän dat later Israël werd.

Genesis 15:7 En Hij zeide tot hem: Ik ben de HERE, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land [Statenvertaling: erfelijk] in bezit te geven.

Let op de woorden "erfelijk in bezit geven". Als we het gaan hebben over eigendom en eigendomsrechten, wordt erven heel belangrijk, omdat wij sterfelijke mannen en vrouwen zijn — we sterven. Wie krijgt het land na ons?

Dus al heel vroeg in het boek — zoals we hier zien — gaan we al horen van de thema's van het Loofhuttenfeest en het Millennium. We maken kennis met het concept van het Beloofde Land dat een type is van het Koninkrijk van God, erfelijk bezit, tijdelijk verblijven en als pelgrims in tenten wonen.

Leviticus 23:34-35 [Statenvertaling] Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten [tenten, schuilplaatsen, tijdelijke woonplaatsen] zeven dagen [lang] den HEERE zijn. 35 Op den eersten dag [vandaag] zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij [op deze dag] doen.

Leviticus 23:39-43 Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen [lang] het feest des HEREN vieren; op de eerste dag zal er [een sabbats]rust zijn en op de achtste dag zal er [een sabbats]rust zijn. 40 Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE, uw God, zeven dagen lang. 41 Gij zult het als een feest des HEREN vieren zeven dagen in het jaar, [het zal] een altoosdurende inzetting [zijn] voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. 42 In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, 43 opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik ben de HERE, uw God.

Het is duidelijk dat al deze ideeën in verband staan met het Loofhuttenfeest. We hebben tenten, beloofd land, erfelijk bezit, tijdelijk verblijf en het zijn van pelgrims — al deze dingen duiden allemaal op tegenwoordig of toekomstig bezit van onroerend goed. Vanwege deze types gaan we reeds aanwijzingen krijgen over de vorm van dit bezit van onroerend goed zoals dat in het Millennium gestalte zal krijgen.

Vandaag zullen we een tocht maken langs de historische concepten van het bezit van onroerend goed zoals deze in de Bijbel voorkomen. We kunnen ze niet allemaal aandoen, omdat er heel wat zijn. U zult daarover versteld staan nadat u daarover een studie bent begonnen.

In de volgende verzen zegt God aan de Israëlieten wat Hij zal doen om hen in het land te brengen.

Exodus 23:20 Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb.

Exodus 23:31 En Ik zal u het gebied geven van de Schelfzee tot de Zee der Filistijnen en van de woestijn tot de Rivier, want Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, zodat gij hen voor u uit verdrijft.

Tegen deze tijd waren de nakomelingen van Abraham de stammen van Israël geworden en door het onder Mozes uittrekken uit Egypte waren ze een natie geworden. God belooft hier dat Hij hen naar het Beloofde Land zou leiden, een land dat Hij specifiek voor hen had toebereid. Het was een land dat Hij voor hen apart had gezet.

Een van de manieren waarop Hij het had voorbereid was door het stellen van grenzen. Dat maakt allemaal deel uit van jullie bezit aan onroerend goed. Jullie moeten weten waar de grenspalen staan — waar de grenzen zijn.

Hij had hun gezegd dat de grenzen van dit land lopen van de Schelfzee in het zuiden, de Middellandse Zee in het westen, de rivier de Eufraat in het noorden en de woestijn in het oosten — een heel groot land, een land dat Israël nooit echt onder zijn beheer heeft gehad.

Onder David en Salomo kwamen ze het dichtst bij het beheer van dit totale gebied. Misschien stond het wel onder hun invloedssfeer; ze hadden het dan niet rechtstreeks in bezit, maar ze overheersten het wel in de zin dat de andere volken hun schatting moesten betalen.

Later, onder Jozua, zette Hij interne grenzen binnen het land. Hij verdeelde het erfelijk bezit van de stammen. Alle dertien stammen, waarbij we Efraïm en Manasse als twee tellen, ontvingen erfelijk bezit. En die twee, die eigenlijk elk de helft van Jozefs erfelijk bezit zouden moeten ontvangen, kregen in feite een volledig erfdeel, meer dan de andere, behalve Juda. Het is interessant hoe dat uitwerkte.

Deze toewijzing van land binnen Kanaän was zo belangrijk voor God en de manier waarop Hij denkt, dat Hij er hier in het boek Jozua negen hoofdstukken aan wijdde. Ik wil wedden dat u daar nooit aan hebt gedacht! Er waren negen hoofdstukken waarin Jozua de precieze stamgrenzen voor de gehele natie neerschreef. Dit zijn de hoofdstukken 13 tot en met 21. Die beschrijving is vrij gedetailleerd — de grens loopt van deze stad naar die stad, naar die beek, naar die grenspaal en weer terug naar deze stad, enzovoort. Hij vermeldt elk detail.

Toen ik als student aan het Ambassador College lessen historische geografie volgde, moesten we een atlas kopen die door de Israëli's was samengesteld, en aan de hand daarvan door Jozua 13 tot en met 21 gaan, en zelf in die atlas deze stamgrenzen voor alle dertien stammen aanbrengen.

Dat was een oefening waar we versteld van stonden! U zou dit ook voor uzelf kunnen doen. Hoe lang geleden dat ook was, die plaatsen zijn er nog steeds. De meeste ervan zijn teruggevonden. Dan vallen de stukjes van de puzzel op hun plaats. Teken die grenzen in op zo'n kaart. Dat is een interessant iets als je van aardrijkskunde houdt.

Binnen de toewijzing van het land zoals vermeld in het boek Jozua, verdeelden de stamoudsten daarna het bezit onder de hoofden van de families, waarna de hoofden van de families hun bezit verdeelden onder hun familie totdat ieder gezin in de gehele natie land bezat. En ze hadden het vrijwel eeuwig. (Daar zullen we straks verder op ingaan.) Niemand kon zeggen dat hij geen plekje had dat hij het zijne kon noemen. Ze hadden een lap grond waarop ze een huis konden bouwen, hun kinderen konden opvoeden, gewassen konden verbouwen of veeteelt bedrijven en/of zich toeleggen op hun handel vanaf hun eigen bezit.

Als ze bos hadden met hout geschikt voor timmerhout, dan konden ze daar iets mee doen. Als ze een steengroeve hadden, dan konden ze daar iets mee doen. Misschien hadden ze een laag kolen, of wat dan ook, maar dat hadden ze in bezit en ze konden het gebruiken — bewerken en bewaren — voor hun eigen voordeel, en voor dat van de stam en de gehele natie.

Nu nog iets dat ik ontleen aan mijn studie op Ambassador College. In het eerste jaar bestond het bijbelonderwijs voor een deel uit een "Old Testament Survey" [overzicht van het Oude Testament], gegeven door John Halford die het heel interessant maakte. Hij was altijd grappig. Hij had een eigenaardig gevoel voor humor en hij was heel creatief. Hij kwam met veel heel interessante manieren op de proppen om dingen te onderwijzen. Ik denk dat hij een heel goede leraar was.

We kregen nooit een test. We hadden altijd een opdracht betreffende de informatie die we tot ons moesten nemen zonder dat we een test kregen. Die opdracht gold als test, maar was in feite geen echte test.

Een van deze opdrachten was dat we moesten kiezen uit een lijst van zes tot acht scenario's die betrekking hadden op zoiets als: iemand struikelt en valt ergens op jouw grondbezit en slaat met zijn hoofd tegen de grond. Hoe zou jij die situatie beoordelen op basis van wat de Bijbel over zulke dingen zegt?

Je moest dus echt in de Bijbel lezen, geloof het of niet, om uit te zoeken welke wetten hierop van toepassing waren. Daarna schreef je een verslag waarin je uitlegde hoe jij als rechter in Israël deze situatie zou beoordelen. Wie stond in zijn recht? Wie niet? En moest er compensatie worden betaald? Zo ja, hoeveel?

Op die manier had hij heel wat scenario's en we moesten er een stuk of vijf uit kiezen. Dat was onze test na het eerste semester. Het was een test, maar een heel creatieve. Hierdoor ging ik de wetten van Mozes heel erg waarderen, en de andere wetten die in de Pentateuch staan.

De Pentateuch bevat tientallen, misschien wel vele tientallen wetten die vandoen hebben met bezit — alles van het kopen en verkopen van land en huizen, tot erfrechten, tot het gebruik van grenspalen, tot het beheer van gewassen, de zorg voor bomen, de verantwoordelijkheid betreffende dieren. (Wat doe je met een rund dat als stotig bekend staat ?)

Zelfs bouwvoorschriften! We denken dat wij zo bijdehand zijn dat wij op de proppen kwamen met bouwvoorschriften. Ieders huis nu is gebouwd volgens specificaties en wat dies meer zij. Maar God deed dit al 3500 jaar geleden! In feite zijn er in de basiswet twee geboden die gaan over eigendomsrechten — het achtste gebod dat gaat over stelen, en het tiende gebod dat gaat over het begeren van andermans bezit. Gewoonlijk leidt begeerte tot een of andere vorm van misbruik — stelen, het verplaatsen van grenspalen, of ergens snel munt uitslaan.

Er staat dus heel wat over bezit in het Oude Testament.

Ik koos een schriftgedeelte uit Deuteronomium, omdat ik denk dat die in deze specifieke passage erg veelbetekenend is. Aan het einde van Deuteronomium 27 zullen we de instructies aan Israël horen over de zegeningen en vervloekingen die ze — als ze eenmaal in het land waren aangekomen — uit moesten spreken op de berg Gerizzim en de berg Ebal.

Nu vers 17 in het midden van de vervloekingen. Let erop dat de eerste vervloeking in vers 15 gericht is tegen hen die een afgod maken of dienen. De tweede gaat over hoe je je ouders behandelt. Dat zijn twee heel belangrijke! In het bijzonder de eerste, maar de tweede is soortgelijk op fysiek niveau.

Wat is de derde?

Deuteronomium 27:17 Vervloekt is hij, die de grensscheiding van zijn naaste verlegt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.

Als de plaats waar dit in de lijst van vervloekingen staat een aanwijzing is, dan is eigendom en misbruik van andermans bezit heel belangrijk voor God. Dit staat op de derde plaats in de lijst, pal na de eerste twee geboden en het vijfde gebod. Ik ben er zeker van dat er waarschijnlijk andere redenen waren om dit te doen, maar ik weet niet welke dat zijn. Ik vond het echter veelbetekenend dat nadat Hij die eerste twee had uitgesproken, Hij het had over het verwijderen of verplaatsen van grensscheidingen.

Dit laat mij zien hoe belangrijk bezit voor God is in Zijn schema der dingen.

Dit gebod wordt nog vier keer op andere plaatsen herhaald in het Oude Testament; dat overtuigt mij nog veel meer van het belang ervan. Als u die vier andere plaatsen wilt opschrijven, dat zijn: Deuteronomium 19:14, Spreuken 22:28, Spreuken 23:10 en Hosea 5:10.

God vindt het niet fijn als mensen roepen: "Hé, daar! Ik heb enkele meters extra! Ik heb net deze grensscheiding omvergegooid. Morgennacht doe ik dat met de andere." In die tijd gebruikten ze stapels stenen. Het zou niet veel inspanning kosten die iets te verplaatsen en daardoor een tiende hectare in te pikken. (Ik denk dat God ook in het boek Amos hier iets over zegt.)

Herinnert u zich nog dat ik zei dat God het in de Pentateuch had over bouwvoorschriften? Hier hebben we er één.

Deuteronomium 22:8 Wanneer gij een nieuw huis bouwt, dan zult gij aan uw dak een borstwering maken, opdat gij geen bloedschuld over uw huis brengt, als er iemand af valt.

In de test van de heer Halford was dit het antwoord op die vraag over het struikelen van iemand, omdat dit een principe is dat algemener van toepassing is dan een borstwering op je dak maken. Dit is de bijbelse basis voor de huiseigenarenverzekering, wettelijke aansprakelijkheid, enzovoort. Dit is een bouwvoorschrift dat zegt dat als je een huis bouwt en er is een onveilige plaats in je huis, en je hebt een gast die niet weet hoe uw huis in elkaar zit, die over de rand valt en zich ernstig bezeert, dat dan de eigenaar verantwoordelijkheid is voor die verwonding of dood. Daarna zijn de passende wetten die we elders in de Bijbel kunnen vinden, van toepassing.

Dit laat ons zien dat we niet alleen eigendomsrechten hebben, maar ook eigendomsverantwoordelijkheden. Dat zijn de dingen die we onze kinderen moeten onderwijzen. Hun moet onderwezen worden de dingen netjes en schoon te houden, ze in goede staat te houden en er voor te zorgen dat andere mensen zich daardoor niet bezeren. "Plaats het skateboard niet net binnen de voordeur, zodat als moeder binnenkomt met de boodschappen ..."

Dit zijn de dingen die hen onderwezen zouden moeten worden. Deze verantwoordelijkheden beginnen vroeg. En in dit land geven we onze kinderen heel wat, en ze moeten onderwezen worden er zorg voor te dragen.

We hebben dit in ons eigen gezin gezien — hoe meer ze hebben, hoe minder ze waarderen wat ze hebben en hoe minder zorg ze besteden aan wat ze hebben. Ze willen dit en dat en nog veel meer. Daarna ontdek je dat ze het in brand steken, het aan touwen laten bungelen en het gebruiken om een bepaalde slag te oefenen. De dingen kosten wel tien dollar per stuk en zij zien er de waarde niet van in.

Als ze geen zorg besteden aan deze dingen, zullen ze natuurlijk tien jaar verder met hun auto iets stoms doen, omdat ze niet begrijpen, omdat hun nooit de waarde van bezit werd onderwezen en de verantwoordelijkheden die daarmee samenhangen. Deze dingen moeten onderwezen worden. Dat onderwees God Zijn kinderen met deze wetten.

Kinderen moet worden onderwezen niet alleen respect te hebben voor hun eigen bezit, maar ook voor dat van anderen. Bijvoorbeeld ze moeten andermans terrein niet betreden behalve dan met toestemming. Dit is in onze maatschappij iets heel moeilijks, daar we allemaal met ons eigen terrein op elkaar zijn gepakt, en het is voor een kind heel gemakkelijk om even over de erfscheiding heen te springen en over andermans erf te gaan om een kortere weg te nemen. Maar in de echte wereld is dat in feite een overtreding. Dat is iets wat niet goed is. Ze zouden zonder toestemming niet op andermans terrein moeten komen en dan alleen nog maar via de officiële weg via het trottoir en de oprit naar de voordeur. Daar word je verwacht als je andermans terrein opgaat, bel dan aan en vertel de reden dat je daar bent. Ze mogen niet over het zorgvuldig onderhouden grasveld lopen.

Iets anders is dat we, als een vriend hen toestaat één van zijn bezittingen te gebruiken, onze kinderen moeten leren dat ze het in een even goede toestand moeten terugbrengen als waarin ze het ontvingen. En als dat niet kan, moet het worden vervangen. Dat is respect en verantwoordelijkheid voor bezit.

Dit zijn dingen waar Gods woord achter staat. Ik zou deze verzen kunnen opslaan. Er zijn heel duidelijke verzen die zeggen dat als u iemands dieren leent en ze sterven terwijl ze bij u zijn, dat u ze dan dient te vergoeden. Hetzelfde principe geldt voor materiële dingen. Als u hun tractor leent en u beschadigt deze, bent u verantwoordelijk het beschadigde onderdeel te vervangen, omdat u het hun terug moet geven in de conditie waarin ze het u gaven om het te gebruiken.

Dit soort dingen moeten we onze kinderen leren. Eigendomsrechten behoren tot de dingen die uit ons bewustzijn verdwijnen. Ik geloof dat de reden is: 1) de overheersende invloed die de regering in ons leven heeft, en 2) de uitzonderlijk grote overvloed aan dingen die we hebben. Dingen hebben voor ons geen waarde meer. We denken niet zoveel meer aan deze aspecten als voorheen.

Laten we in Exodus 22 nog zo'n wet opslaan om enkele van de dingen die ik heb gezegd, te onderbouwen.

Exodus 22:5-6 Wanneer iemand een akker of een wijngaard laat afweiden door zijn vee erin los te laten, en dit weidt de akker van een ander af, dan zal hij het beste deel van zijn eigen akker of het beste deel van zijn wijngaard als vergoeding geven. 6 Wanneer brand ontstaat en doornstruiken aantast, doch ook een schoof of het staande koren of het gehele veld verteerd wordt, dan zal hij, die de brand aanstak, volledig vergoeding geven.

Wist u dat deze verzen hier stonden? Zulk soort verzen staan verspreid door deze gehele sectie, in het bijzonder vanaf het eind van hoofdstuk 20 tot aan het begin van hoofdstuk 24. Daar vinden we allerlei kleine wetjes zoals deze die principes vaststellen met betrekking tot bezit, relaties en zulk soort dingen.

Dit leert ons ook dat als we iets doen dat schade aan iemands bezittingen toebrengt, het onze taak en plicht is hem deze schade te vergoeden door hem een soortgelijk iets te geven, of soms geld te betalen. Maar we moeten deze principes begrijpen en we moeten ze ook doorgeven aan onze kinderen.

Het is duidelijk dat God denkt dat bezit van essentiële betekenis is, en Hij geeft wetten gericht tegen hen die zich op verboden terrein begeven of iemands bezit stelen of vernietigen. Misschien gaat Zijn bezorgdheid terug op het feit dat God alles bezit. En al beschouwen we onszelf als eigenaar van ons land en van onze goederen, we zijn er op zijn hoogst toezichthouder en beheerder van. Daarom wordt dit principe van ervoor zorgen en er het beste van maken gegeven.

Laten we Leviticus 25 opslaan om dit te zien. Dit is een heel interessant schriftgedeelte. Dit staat in het hoofdstuk dat gaat over het jubeljaar en het sabbatsjaar, waarna het verder gaat over het lossen van bezit.

Leviticus 25:23 En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

God bezit het land. Hij bezit de gehele aarde. Hij bezit het vee op de heuvelen. Hij bezit al het zilver en het goud. Wij hebben dus in feite niets permanent in bezit. Maar hier zegt God dat we verondersteld worden het land niet permanent te verkopen. Hij heeft daar een goede reden voor. Hij heeft uiteindelijk alle rechten op alles. Hij had het aan onze voorouders gegeven en het is aan ons overgeleverd, en dat was Zijn wil. Hij zegt ons dus het aan niemand anders te verkopen, omdat Ik het bezit in handen stel van wie Ik wil.

Hij verbood de Israëlieten hun bezit permanent te verkopen. Dat is belangrijk. Hij stond hun toe het te verkopen als ze in de schuld geraakten. Als ze daarna weer in betere doen kwamen en in staat waren het land terug te kopen, konden ze naar de persoon gaan die het van hen had gekocht, en zeggen: "Kijk, ik heb hier voldoende geld bij me voor het land van mijn voorouders, bedankt voor de zorg die je eraan hebt besteed, maar geef me nu alstublieft mijn land terug." Dat was toegestaan.

Als hij financieel niet weer op de been kwam, dan moesten hij en zijn gezin wachten op het jubeljaar. Als hij dat deed, dan was hij geen stuiver schuldig om het terug te krijgen. Hij zou zijn land automatisch terug krijgen, omdat in elk jubeljaar de erfgoederen terugkwamen bij hun oorspronkelijke eigenaars. Ongeacht wat er in de laatste 50 jaar mee was gebeurd, het kwam bij hen terug.

Het laatste deel van de zin in dit vers, waar staat: "en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij," zou beter vertaald kunnen worden als: "en wat Mij betreft zijn jullie vreemdelingen en bijwoners." Niet echt veel verschil, maar net iets anders onder woorden gebracht. Hij had het over het concept waar wij het op het Loofhuttenfeest heel veel over hebben. Zij waren bijwoners en vreemdelingen op een reis. Ze waren niet volledig gevestigd. Ze zijn tijdelijke, voorbijgaande pachters van het land.

Het is geen grote sprong om het verband te zien tussen Israëls beërven van het land en toch bijwoners blijven, en het symbolisch gebruik van tenten of tijdelijke woningen tijdens het Loofhuttenfeest en de vervulling daarvan in het Millennium, of we zouden kunnen zeggen het duidelijk worden van deze types. God onderwijst een les door middel van eigendom.

Hij zegt hier dat het land van Hem is, evenals de gehele aarde van Hem is, evenals het gehele universum van Hem is, en dat zal in het Millennium niet veranderen. Christus zal komen. Hij zal koning zijn. Hij zal alles bezitten. Maar vanwege wie we zijn, zullen we mede-eigenaar zijn met Hem. Dit bedoel ik met de vervulling of het duidelijk worden van deze onderwerpen.

Laten we Jeremia 32 opslaan. We komen nu meer in de context van het Millennium voor wat betreft deze dingen.

Jeremia 32:37 zie, Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen Ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid zal verdreven hebben, en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen;

Dit gaat over — wat we in het verleden hebben genoemd — de tweede exodus. Dit slaat op Israël na de dag des Heren, zij keren terug naar het land, wenend en berouwvol.

Jeremia 32:38 zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn;

Zij zullen zich bekeren en God aanvaardt hen.

Jeremia 32:39-40 Ik zal hun één hart en één weg geven, zodat zij Mij vrezen al de dagen, hun en hun kinderen na hen ten goede; 40 ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wèl zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken;

Ze komen dus onder het Nieuwe Verbond te staan. Ze krijgen de Heilige Geest. En deze keer zullen ze Hem niet verlaten.

Jeremia 32:41a Ik zal Mij over hen verblijden en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed [Kijk!] in dit land planten ...

Gewoon een beetje anders dan hun geven, of hen brengen in.

Als je iets plant, verwacht je normaal dat het er blijft om te groeien en te bloeien en vrucht voort te brengen. Het idee van deze woorden is dat ze in het Millennium geen bijwoners en vreemdelingen meer zijn. God heeft besloten dat Hij hen daar zal plaatsen om te blijven.

Jeremia 32:41b ... en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed in dit land planten met heel mijn hart en heel mijn ziel.

"Mijn kinderen, ik ga het jullie geven, alles inbegrepen. Jullie zullen vanaf nu hier blijven!"

Jeremia 32:42 Want zo zegt de HERE: Zoals Ik al deze zware rampspoed over dit volk gebracht heb, zó breng Ik over hen al het heil, dat Ik over hen verkondig.

Hoe laat God door Jeremia zien hoe goed het zal worden?

Jeremia 32:43-44 Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Een wildernis is het, zonder mens en dier, het is in de macht der Chaldeeën gegeven; 44 akkers zal men voor geld kopen en koopbrieven schrijven, deze verzegelen en door getuigen doen bekrachtigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland; want Ik zal in hun lot een keer brengen, luidt het woord des HEREN.

Wat is het in dit gedeelte dat deze tijdsperiode zo goed maakt? Eigendom — in dit specifieke voorbeeld dat Hij ons hier geeft.

Er is niet alleen maar een Beloofd Land, maar er is om zo te zeggen een Beloofd Lapje Grond, een Beloofd Lapje Grond van minstens een hectare per persoon en ze zullen de mogelijkheid hebben meer te kopen, koopbrieven te schrijven en te doen wat nodig is om te doen. Ze zullen bezit hebben en ze zullen daar goed van kunnen leven.

De economie van die tijd schijnt — als we alleen maar naar dit vers kijken — te zijn gebaseerd op land, het kopen en verkopen en de opbrengst van het land. Het lijkt erop dat het een soort kapitalisme is. Ik weet niet hoe ver dat gaat, maar het zal een zuiverder vorm zijn, of een rechtvaardiger vorm dan we in deze tijd hebben, dat kan ik u garanderen. Misschien zal het een economie zijn gebaseerd op ruilhandel. Misschien ook niet. Het zou gemakkelijker zijn een vorm van geld te gebruiken, zou ik denken. Maar dat is waar we in deze tijd aan gewend zijn. Wie weet?

Het zal voor zover we weten voornamelijk een agrarische economie zijn. Wat doe je normaal met land? Je zaait erop. Je laat dieren grazen op het gras dat erop zou kunnen groeien. Je doet iets agrarisch. Misschien plant je er bomen op om vruchten, noten of timmerhout voort te brengen. Deze worden dan later voortgebracht en je verkoopt het voor de dingen die jezelf niet voortbrengt, zoals kleding, schoenen, gereedschap, enzovoort.

En als je in staat bent deze voorwerpen te verwerven, betekent dat, dat iemand anders andere dingen doet met zijn land om deze dingen te produceren. Misschien verbouwen zij vlas of katoen, of produceren zij wol om de kleding te maken.

Er zullen andere mensen zijn die een ander soort land bezitten en die hun land zullen gebruiken op de manier die zij geschikt achten om rijkdom en welvaart in hun gezin te brengen.

Het hoeft niet allemaal agrarisch te zijn. Er zal ook industrie en handel zijn. Er zullen grondstoffen uit de aarde worden gebruikt om eindproducten te maken voor het gebruik door de mens.

Hoe het ook werkt, altijd is bezit er de basis van. Je hebt land nodig en je hebt de rechten op dat land nodig, de rechten om dat land op de juiste manier te gebruiken onder het motto van bewerken en bewaren.

Een van de kenmerken van de tijd die komen gaat is dat ze allemaal hun eigen stukje land zullen bezitten om er het beste van te maken. En dat bezit zal hen echt toebehoren.

Laten we wat vooruitlopen en Ezechiël 46 opslaan. In de laatste hoofdstukken van Ezechiël komt iemand voor die aangeduid wordt met de "vorst". Het is moeilijk precies te weten wie deze vorst is. De meesten denken dat dit een menselijke heerser is in plaats van de Messias. Uitgaande van de dingen die er gezegd worden, lijkt hij niet de Messias te zijn. Ik wil daar drie verzen lezen.

Ezechiël 46:16-18 Zo zegt de Here HERE: Wanneer de vorst een geschenk [Statenvertaling voegt toe: van zijn erfenis] aan één zijner zonen geeft, dan is het diens erfdeel; aan zijn zonen zal het toebehoren, het is hun bezit als erfdeel; 17 maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfdeel aan één van zijn dienaren geeft, zal het hem toebehoren tot het jaar der vrijlating en dan tot de vorst terugkeren; voorwaar, het is zijn eigen erfdeel, aan zijn zonen zal het blijven toebehoren. 18 De vorst mag echter niets nemen uit het erfdeel van het volk door het uit zijn bezit te verdringen; hij zal van zijn eigen bezit zijn zonen doen erven, opdat niemand van mijn volk uit zijn bezitting verdreven worde.

God stelt hier dat in het Millennium ieders bezit vast zal staan. Dat zegt me dat de eigendomsrechten in het Millennium praktisch onschendbaar zullen zijn. En de basis voor deze eigendomsrechten is precies wat we zojuist in de Pentateuch hebben gelezen. Diezelfde wetten zullen weer van kracht worden en worden gehanteerd, zelfs voor wat betreft het punt van het lossen van eigendom in het jubeljaar. De dingen zullen in het jaar der vrijlating aan de oorspronkelijke eigenaars worden teruggegeven.

Wat in het oude Israël niet op de juiste manier werd gehanteerd, zal tijdens Christus' duizendjarige regering gaan werken zoals het door God werd bedoeld. Eigenlijk is dat het onderwerp van deze laatste hoofdstukken van Ezechiël. Keer op keer zegt God ons door Ezechiël dat Israël ertoe gebracht zal worden deze keer de dingen op de juiste manier te doen, zoals God het van het begin bedoelde. En eigendomsrechten en de daarbij behorende verantwoordelijkheden is één van die dingen. Zij zullen ertoe worden gebracht ze in praktijk te gaan brengen.

Ezechiël 36 komt overeen met wat Jeremia in Jeremia 32 zei. Let er alstublieft op dat we weer helemaal terug zijn bij af.

Ezechiël 36:22-36 Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here HERE: niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israëls, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. 23 Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de HERE ben, luidt het woord van de Here HERE, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen. 24 Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; [de tweede exodus] 25 Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; 26 een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. 27 Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. 28 Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. 29 Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen. 30 Ja, Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood te dragen krijgt onder de volken. 31 Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen. 32 Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van de Here HERE; weet dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis Israëls. 33 Zo spreekt de Here HERE: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 34 het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 35 En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 36 Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de HERE, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen.

Viel het u op dat we weer helemaal terug zijn bij af? We begonnen helemaal aan het begin in Genesis 1, waar God de mens heerschappij verleende en hem in de hof van Eden plaatste. In het Millennium brengt Hij het volk terug naar het land en Hij zegt: "Dit is van jullie. Bewerk het en bewaar het, en breng het terug in de toestand van de hof van Eden."

In een bepaald opzicht is Hij eropuit om terug te keren en opnieuw te beginnen. Hij wil dat Zijn volk het op de juiste manier doet, de lessen leert, zich schaamt en in verwarring verkeert vanwege de domme dingen die zij deden om hun eigen erfelijk bezit te ontheiligen en een potje te maken van hun relatie met God. En God zei dat Hij daarop zal reageren en hen met zegeningen die uit de grond voortkomen, zal overladen. Dan zullen zij zoiets als de hof van Eden tot stand kunnen brengen. Iets dat onmogelijk is met het soort denken dat wij als mensen zonder Gods Geest hebben. Dat maakt alle verschil uit.

God geeft Zijn Geest. Er wordt iets duidelijk waardoor het een succes wordt. En het wordt niet alleen een succes met onze relatie met elkaar en die met God, maar ook onze relatie met het land en onze verantwoordelijkheden ervoor als zonen van God.

Wist u dat land zo belangrijk was? Dat bezit centraal staat in het denken van God? Er zit heel wat in in het bezitten van land en het verantwoordelijk zijn voor het bezitten van het land en iets met dat land voort te brengen voor eigen levensonderhoud en ook voor de eigen welvaart.

God gebruikt de condities van het land om waardevolle lessen te onderwijzen over dingen als bezit, verantwoordelijkheid, uitgaande bezorgdheid en rentmeesterschap. Door het op de juiste manier te doen zullen de mensen van die tijd (en ook wij, nu, omdat wij de Heilige Geest hebben) in staat zijn een groot verschil te zien tussen Gods weg en hun eigen wegen die niets goeds voortbrachten. Het juiste gebruik van het land en het juiste begrip van bezit zal, zoals in vers 31 staat, hen belangrijke lessen leren over hun onderlinge relaties en hun relatie met God. Ze zullen vanuit Gods perspectief, niet vanuit het onze, gaan kijken naar bezit, naar land en naar de dingen die daardoor tot stand kunnen worden gebracht, zoals vruchtbaar en overvloedig zijn.

Het schijnt dat alles wat we nodig hebben uit land, grond, verkregen kan worden. Maar er is nog meer verbonden aan die allereerste opdracht om te bewerken en te bewaren.

Toen ik aan deze studie over eigendom begon, dacht ik beslist niet dat ik zoveel zou vinden. Ik dacht dat dit onderwerp een grote uitdaging zou vormen voor een preek en dat ik niet in staat zou zijn de tijd daarmee te vullen.

Ik zou echter nog heel wat meer hebben kunnen aanhalen. Er stonden nog diverse andere dingen in de wet. Maar dat laat ik aan u over, als u daartoe interesse hebt. Dat heeft veel vandoen met waarom we hier zijn, omdat we evenals Abraham uitzien naar dat betere vaderland.

Laten we afsluiten met Amos 9.

Amos 9:13-15 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. 14 Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. 15 Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God.

We spreken vaak over de vrede en de welvaart van het Millennium. Maar ik wil een ander woord toevoegen aan uw met het Loofhuttenfeest en het Millennium gerelateerde woordenschat — permanentie. In het Koninkrijk van God, in het Millennium, zal er vrede zijn, een overvloed aan welvaart, omdat zij permanent in dat land geplant zullen zijn. Gods volk zal niet langer vreemdeling en bijwoner zijn. Aan die situatie zal een eind zijn gekomen. Zij zullen zich in hun vaderland hebben gevestigd.

Dat vaderland is het schitterende Koninkrijk van God.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)