Trompettenfeest en hoop

Door Richard T. Ritenbaugh
23 september 2006

Samenvatting: (toon)

Op basis van een analogie met de film The Poseidon Adventure suggereert Richard Ritenbaugh dat evenals er één zwemmer nodig was om met een touw door het gezonken schip heen te gaan en zijn leven voor zijn medepassagiers te geven, ook Christus Zijn leven gaf om te functioneren als onze Voorloper door de beproevingen van het leven. Paulus bemoedigdt de Thessalonicenzen door hun de details te geven over Christus' wederkomst, inclusief een geroep en trompetgeschal. De heiligen van voorheen en uit deze tijd zullen dan voor altijd bij Christus zijn. Onze hoop is gebaseerd op het feit dat Jezus Christus uit de doden werd opgewekt. In 1 Corinthiërs 15 openbaart Paulus dat Christus' opstanding onze hoop is, hiervan waren meer dan 500 mensen, inclusief Paulus, getuige. Als er geen opstanding is, is ons geloof zonder inhoud. Als Christus niet uit de doden opstond, zijn we nog steeds veroordeeld. Paulus geloofde dat zijn leven in de waagschaal stellen voor de zaak van het evangelie dom en nutteloos was als er geen opstanding was. De dood zal worden overwonnen als Christus op deze Trompettendag verschijnt.


Laten we het volgende scenario eens bekijken. Velen van u hebben een of meer versies gezien van de film The Poseidon Adventure, dus u zult zich deze scène herinneren (en als u een fan van Shelley Winter bent, dan weet u precies wat er komen gaat).

Het probleem is dat men vanuit een zinkend schip, waarvan delen onder water zijn, gered dient te worden, en in het geval van de Poseidon was deze volledig gekanteld. Teneinde te kunnen ontsnappen, moest iemand met een touw van een bepaalde niet onder water gelopen plaats door een lange doolhof van obstakels die onder water lagen, zwemmen naar een andere relatief droge plaats van waaruit het schip verlaten kon worden. Slechts één persoon in de groep is in staat die zwemtocht te volbrengen. En hij doet dat ook, maar door dat te doen, komt hij om — hij heeft alles gegeven. Desondanks maakt zijn heldhaftige daad om door die ondergelopen gebieden te zwemmen en het touw aan de andere kant te brengen het voor de rest van de mensen mogelijk te overleven en uit het schip te komen. Iedereen heeft nu de hoop dat hij of zij gered zal worden.

Dit komt overeen met onze christelijke hoop. Denk daar eens over na. Slechts Eén van de gehele mensheid was in staat "tegen de stroom van de wereld in te zwemmen", en de obstakels die Satan op Zijn weg had geplaatst te vermijden en de loop zonder te zondigen ten einde te brengen.

Maar dat doen — worstelen en lijden en die heldhaftige daad tot stand brengen — kostte Hem Zijn leven.

Desondanks liet Hij ons de weg zien, Hij bond dat touw aan de andere kant vast en voorzag ons van instructies hoe we Hem naar veiligheid konden volgen. We kunnen er nu induiken, die reddingslijn volgen en aan de andere kant weer boven komen om in het Koninkrijk van God eeuwig leven te beërven.

Hebreeën 6:17-20 Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, 18 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing [bemoediging] zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. 19 Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, 20 waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.

De Voorloper, Jezus Christus, heeft ons hoop gegeven — een veilig anker, dat voor Gods aangezicht is verankerd. Als we gewoon het touw volgen dat aan dat anker achter het voorhangsel is bevestigd, kunnen we de hand leggen op datgene wat God in Zijn woord heeft beloofd.

Dat is niet gemakkelijk, maar we hebben de hoop dat het gedaan kan worden, omdat de Voorloper het heeft gedaan! Hij heeft de weg gebaand en toegankelijk gemaakt, en voor ons een touw achtergelaten dat we helemaal tot voor het aangezicht van God de Vader in Zijn troonzaal in de hemel kunnen volgen.

En deze hoop is niet alleen maar het feit dat het is gedaan, maar zoals Hij zegt, dat het veilig is en vaststaat. Die bewoordingen geven een dubbele garantie in de zekerheid en de onveranderlijkheid ervan, als we gewoon het pad zullen volgen. Als we ons gewoon hand na hand langs dat touw trekken met de kracht die God ons geeft, dan kunnen we hetzelfde tot stand brengen als Christus deed en de beloning en de belofte ontvangen die God ons zo genadig heeft gegeven.

Deze hoop die we hebben is dus solide, definitief, absoluut en eeuwig. We hoeven geen enkele twijfel te hebben. En wat meer is, ik heb er reeds op gezinspeeld, maar onze Voorloper is ook onze Hogepriester geworden, dat is onze Middelaar. En Hij komt ten behoeve van ons bij de Vader tussenbeide.

Hij is er ook mee belast ons door Gods Geest de kracht te geven zodat we het kunnen doen. We zijn van alles voorzien en we hoeven niet meer te doen dan er gebruik van te maken.

Misschien hebt u al denkend over deze dag en ons begrip ervan opgemerkt, dat ik tot nu toe een geweldig grote component van dit gehele proces heb weggelaten. Deze geweldig grote component van onze hoop is de opstanding uit de doden — zowel die van Christus als die van ons. Het is dit element van het Trompettenfeest die deze dag tot een dag van fantastische hoop voor ons maakt. Ik moet niet zeggen dat dit het enige element is, maar het is een belangrijk element dat het Trompettenfeest tot een dag van hoop maakt.

Op welke manier kunnen we dus de Trompettendag koppelen aan de opstanding uit de doden? Het Oude Testament geeft hiertoe slechts weinig aanwijzingen. Toch zijn er enkele. Al zijn ze dan niet op het eerste gezicht kenbaar, we kunnen ze toch vinden.

Leviticus 23:24-25 Spreek tot de Israëlieten: In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal [Statenvertaling: een gedachtenis des geklanks], een heilige samenkomst. 25 Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten en gij zult de HERE een vuuroffer brengen.

Deze dag wordt "een gedachtenis des geklanks [trompetgeklank]" genoemd. Anders gezegd: "een herdenking van het blazen der trompetten", daar er verondersteld wordt dat het Hebreeuwse woord dat met "geklank" is vertaald duidt op het blazen van de sjofar. Dat geluid klinkt enigszins als een gejuich.

Als de Israëlieten dus het geluid van de sjofar hoorden of trompetgeschal, verwachtte God dat zij bij iets stil zouden staan, iets zouden herdenken. Het geluid diende ertoe hen aan bepaalde dingen te doen denken, hen zich van iets bewust te maken, iets in hun geheugen terug te brengen, zodat zij het grondig konden overdenken en in overweging nemen. Wat werden ze dan wel verondersteld te herdenken?

Als we Numeri 10 zouden opslaan, zouden we daar negen verschillende redenen zien opgesomd waarom de Israëlieten op de trompet moesten blazen. (Er kunnen er meer zijn.) Dat zijn heel wat redenen.

Er is waarschijnlijk één allesomvattende reden waarvan God wilde dat ze zich die zouden herinneren, en we kunnen slechts enkele aanwijzingen in het Oude Testament vinden welke dit feitelijk was. En misschien was het iets waarvan ze zich zonder een flinke dosis instructie niet werkelijk bewust konden zijn, omdat het hun in die tijd nog niet volledig was geopenbaard.

Maar voor ons in deze tijd is dat wel het geval, en we kunnen heel wat bemoediging alsmede instructie ontlenen aan de dingen die in de Bijbel staan over het blazen van de trompetten en de betekenis daarvan voor ons.

Laten we Psalm 47 opslaan. Dit is één van die hoofdstukken die ons een stevige aanwijzing geven. Het is niet volledig duidelijk, maar in zijn algemeenheid is dat wel het geval. Deze psalm werd misschien laat tijdens de periode der koningen van Juda geschreven, of nadat de Joden teruggekeerd waren uit de ballingschap in Babel. Dit is niet een van Davids psalmen. Het begin van zulke psalmen luidt vaak "Van de Korachieten."

Deze psalm is dus geschreven nadat David het Levitische systeem opnieuw instelde en de Korachieten aanstelde met als taak God te loven en prijzen, of het was een tijd later, nadat de Joden uit ballingschap terugkeerden.

Psalm 47:2-5 Alle gij volken, klapt in de handen, juicht [Het woord juichen (Strongs nummer 7321) is hetzelfde woord dat in Numeri 10:7 wordt vertaald met (op de trompet) blazen.] Gode toe met jubelgeroep. 3 Want de HERE, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde. 4 Hij brengt volken onder ons, natiën onder onze voeten; 5 Hij kiest ons erfdeel voor ons uit, de trots van Jakob, die Hij liefheeft. sela

Het is wel interessant dat de psalmist in de psalm die begint met "in de handen klappen" en "juichen" [blazen] ons zegt dat Hij een groot Koning is en de volken aan ons zal onderwerpen en ons erfdeel zal uitkiezen, waarna Hij ons zegt daar eens over na te denken, ons dat te herinneren, dat grondig te overpeinzen en in beschouwing te nemen.

Hij gaat dan verder met:

Psalm 47:6-10 God is opgevaren onder gejuich, de HERE onder bazuingeschal. 7 Psalmzingt Gode, psalmzingt, psalmzingt onze Koning, psalmzingt! 8 Want God is de Koning der ganse aarde, psalmzingt met een kunstig lied. 9 God regeert over de volken, God is gezeten op zijn heilige troon. 10 De edelen der volken zijn bijeenvergaderd, als volk van Abrahams God. Want Godes zijn de schilden [Petrus Canisiusvertaling: heersers; Prof. Obbinkvertaling: machtigen] der aarde; Hij is hoog verheven.

Ik denk dat wij met ons nieuwtestamentisch begrip, onmiddellijk kunnen inzien waar deze psalm over gaat. Met al die aanwijzingen die erin staan, hoeven we niet geweldig intelligent te zijn om te begrijpen waar hij het daar over heeft.

Commentatoren die dit begrip niet hebben, zeggen hier bijna altijd over dat het of God is die het oude Juda de overwinning geeft, of dat het de Joden zijn die uit de Babylonische ballingschap terugkeren. Zij plaatsen deze psalm dus in een fysieke context. Het kan oorspronkelijk best zoiets als de geweldige overwinning van Josafat zijn geweest, waarbij hij en zijn leger geen vinger hoefden uit te steken. Ze gingen eropuit en troffen alle vijanden dood in hun legerkamp aan. Ze hoefden niet meer te doen dan alle schatten die er lagen te verzamelen en met hen mee terug naar Jeruzalem te nemen.

Of het zou ook het loven van God kunnen zijn geweest, omdat Hij hen uit ballingschap had doen terugkeren. Dat past er echter niet zo goed bij, omdat deze verzen veel vandoen hebben met andere onderwerpen en militaire inspanningen, maar het is een mogelijkheid.

Maar voor ons is het zo duidelijk als klaarlichte dag dat deze psalm het begin van Gods Koninkrijk — het Millennium — voorspelt. De klank en het geluid van de trompet kondigen de installatieplechtigheid aan van de regering van Jezus Christus op aarde. En in het bijzonder daar, in de allerlaatste zin van de psalm, schijnt het erop te duiden dat de gehele aarde aan Hem onderworpen is. Niet slechts enkele naties rondom Palestina, maar de schilden [heersers, machtigen] der aarde behoren God toe. Wij zouden zeggen, de strijdvanen van alle naties behoren God toe — daarin zit hetzelfde idee als in het symbool van de schilden. Hij heeft iedereen op aarde volledig onder de voet gelopen. Hij is geïnstalleerd als koning over de gehele aarde. Hij heeft de kerk (Israël) hun erfdeel gegeven (vers 5) — het erfdeel dat Hij heeft verkozen en gegeven.

Voor ons is dit dus een psalm voor deze dag. Hij past heel goed bij al de dingen die we in Zacharia 14 lezen over de wederkomst van Christus; en ook in Mattheüs 24, Openbaring 19 en het eind van Openbaring 11. Al die profetieën die gaan over de wederkomst van Jezus Christus als Koning der koningen, en Heer der Heren, als een groot Overwinnaar die allen die tegen Hem vechten onderwerpt en die Israël weer in hun eigen land doet wonen.

Natuurlijk is er op de achtergrond ook het idee van de heiligen aanwezig. Dit komt hier niet zo duidelijk tot uiting, maar wij zijn het volk van de God van Abraham, nietwaar?

Zoals ik reeds zei, er zijn dus aanwijzingen in het Oude Testament — vrij sterke aanwijzingen — die de Trompettendag koppelen aan de wederkomst van Christus en de opstanding der doden. Maar let op! Hier wordt geen opstanding genoemd. Hier gaat het alleen maar over de wederkomst van Christus en Zijn inspanningen om de naties te onderwerpen en Zijn volk hun erfdeel te geven.

Maar het stopt niet met het Oude Testament. Laten we Mattheüs 24 opslaan. We zullen zien dat er daar iets aan wordt toegevoegd.

Mattheüs 24:30-31 [Jezus Zelf zegt:] En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan [Psalm 47] en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. 31 En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.

Nu komen de heiligen dus in beeld. Er staat hier dat er luid trompetgeschal zal klinken als Hij wederkomt, en daarna zal Zijn volk — de uitverkorenen van over geheel de aarde — verzameld worden. De dingen beginnen hier dus wat duidelijker te worden. Hij koppelt Zijn tweede komst aan luid trompetgeschal.

Laten we Openbaring 11 opslaan. Dit is de zevende trompet.

Openbaring 11:15-18 En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden. [Alweer Psalm 47.] 16 En de vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden God, 17 zeggende: Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was [Statenvertaling voegt toe: en die komen zal] [de woorden "die is en die was en die komen zal" leggen uit tegen welke Persoon gesproken wordt — YHWH — de God van het Oude Testament], dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard; 18 en de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden [de naties] om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven.

Door Johannes openbaart Hij dat het luide trompetgeschal de zevende trompet zal zijn die zal gaan meeklinken met de anderen die door al deze profetische tijden heen hebben geklonken. En zoals we zullen zien, is het blijkbaar de laatste trompet. Deze kondigt de installatieplechtigheid aan, het begin van Christus' regering op aarde — eeuwig — voor altijd en immermeer! Hij zal nooit van Zijn troon gestoten worden.

Deze passage voegde nog wat elementen toe. Er is geen enkele passage die alleen maar herhaalt wat een andere reeds heeft gezegd. Er komen bijna altijd wat meer details aan het licht.

Blijkbaar vecht Hij tegen de naties. En deze passage voegt toe dat Hij niet alleen als Koning komt, maar ook als Rechter [Degene die oordeelt]. Het wordt hier heel duidelijk gemaakt dat Hij beloningen en straffen met Zich mee brengt. Hij beloont Zijn profeten en heiligen — zij die Zijn naam vrezen, klein en groot — maar Hij straft hen die de aarde verderven — zij die Zijn naam niet vrezen, en zij die nog steeds bij hun zonde blijven en zich niet bekeren.

Nogmaals, ook hier staat geen openlijke vermelding van de opstanding. Er staat nergens dat de heiligen vanuit hun graf zullen opstaan. Er staat slechts dat Zijn dienaren worden beloond. Voor de opstanding moeten we naar een andere plaats gaan.

Laten we 1 Thessalonicenzen opslaan, een brief van de apostel Paulus. Hij maakt de dingen hier heel duidelijk. Hij plaatst alles bij elkaar. Het is gericht op een gemeente. Het is gericht op datgene waarin zij geïnteresseerd waren. Het was gericht op enige van hun angsten en twijfels die ze hadden.

1 Thessalonicenzen 4:13 Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben.

Blijkbaar waren er in Thessalonica mensen die niet zo zeker waren van een leven na de dood en wat er daarvoor moest plaatsvinden.

Een van de dingen die ik op het College leerde, is dat elk hoofdstuk van de brief aan de Thessalonicenzen eindigt met een bemoedigend vers of de vermelding van de wederkomst van Jezus Christus. Dit was nog heel vroeg in Paulus' tijd als apostel (omstreeks 50 A.D.) en de eerste brief aan de Thessalonicenzen wordt beschouwd als een van de eerste (zo niet de eerste) van Paulus' overgeleverde brieven.

Hij was dus nog aan het leren hoe hij aan zijn gemeenten moest schrijven, en in dit geval schreef hij om een jonge gemeente te bemoedigen. Na elk hoofdstuk gaf hij hun een kleine stimulans door de wederkomst van Jezus Christus te vermelden.

En met die gedachte in zijn hoofd dacht hij dat hij wat extra informatie moest geven om hen te helpen begrijpen wat er zou gaan gebeuren nadat zij gestorven waren, omdat Christus misschien niet zou terugkomen terwijl zij nog in leven waren. Misschien zouden ze sterven en waar lag dan hun hoop? En wat zou er gebeuren met al degenen in de gemeente die gestorven waren? Waar is hun hoop? Liggen ze slechts in hun graven tot stof te vergaan om nooit weer te leven? Waar is alles dan goed voor?

Zij hadden dus vragen en hij dacht dat hij enkele van die angsten moest wegnemen.

1 Thessalonicenzen 4:14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.

Zij die sterven — een bekeerde man of vrouw — zal door Jezus Christus met Hem worden wedergebracht.

1 Thessalonicenzen 4:15 Want dit zeggen wij u met een woord des Heren [uit het Oude Testament, misschien hem onder de aandacht gebracht in de periode dat hij persoonlijk door Jezus Christus werd onderwezen]: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,

We hebben hier een volgorde. Hij zegt hun dat degenen die gestorven zijn en hun fysieke leven hebben geleefd en trouw zijn gebleven aan God, voorrang zullen hebben op hen die nog in leven zijn. Zij zullen als eersten opstaan.

1 Thessalonicenzen 4:16-18 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; 17 daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen. 18 Vermaant elkander dus met deze woorden.

Daar ligt een geweldige bemoediging in besloten. De manier waarop Paulus het stelt is heel positief. Hij zegt: "Ik zeg met de autoriteit van Gods woord dat het op deze manier zal plaatsvinden." Daarna geeft hij ons enkele aanwijzingen. Hij koppelt het geklank van de trompet aan het roepen van de aartsengel. Dat gebeurt allemaal tegelijkertijd.

We waren dat geklank van de trompet al in Leviticus 23 tegengekomen. We zagen dat opnieuw in Psalm 47. We zagen de trompet in Mattheüs 24. We zagen de trompet alweer in Openbaring 11, welke trompet door een engel werd geblazen. En dan wordt dit alles in 1 Thessalonicenzen 4:16 samengebracht — het geklank, de trompet en het geroep van de aartsengel.

Al deze dingen vinden plaats als de Heer van de hemel nederdaalt. Dat is de allergrootste aankondiging ooit. Het zal een geweldige stoot op de trompet zijn die ieders aandacht zal trekken. Ieders oog zal ernaartoe worden getrokken, omdat ergens anders staat dat elk oog Hem zal zien.

Het zal een kolossale gebeurtenis zijn. En God zal die aan iedereen die in die tijd leeft aankondigen. En ik verwacht dat Zijn entree misschien wel met een omweg zal plaatsvinden, dat Hij de aarde zal omcirkelen om Zich aan iedereen te laten zien. Elk oog zal tot Hem worden getrokken. Elk oor zal de trompet horen weerklinken.

Maar wat doet Paulus hier, als hij zegt dat de Heer uit de hemel nederdaalt? Hij zegt ons dat op dat moment de doden zullen opstaan. En ze zullen Hem in de lucht ontmoeten. Dit gebeurt terwijl Hij op weg naar beneden is. En de heiligen die op dat moment nog in leven zijn, zullen dan, als de doden eenmaal zijn opgestaan en zich bij Hem hebben gevoegd, veranderen en zich bij hen in de lucht voegen — in de wolken, zoals in vers 17 staat.

In Handelingen 1 vroegen de discipelen de engel hoe Hij zou terugkeren, en de engel zegt hun dat Hij op dezelfde manier als Hij ging, zou terugkeren — in de wolken. Er zijn nog andere plaatsen die vermelden dat Hij op een wolk terugkeert, wat ons ook doet denken aan de vuurkolom en de wolkkolom in de woestijn. Hij gebruikt dezelfde symbolen om het plaatje compleet te maken.

En dan, zoals andere schriftgedeelten laten zien (die we vandaag niet zullen opslaan), zal Hij zijn afdaling voortzetten en Hij zal voet op aarde zetten op de Olijfberg, die in tweeën zal splijten. Hij zal vechten tegen hen die hun wapens tegen Hem hebben gekeerd. Als dat eenmaal allemaal achter de rug is, zal Hij beginnen te regeren.

Terwijl dit allemaal gebeurt, zullen — zoals vers 17 zegt — de heiligen altijd aan Zijn zijde zijn om Hem nooit meer te verlaten. Zij zijn Zijn broers en zussen. Zij hebben dezelfde strijd gestreden. Zij hebben dat "touw" gevolgd dat Hij hun had toegeworpen. Ze zitten — om zo te zeggen — allemaal in het zelfde schuitje. Ze hebben allemaal hetzelfde erfdeel. Ze blijven bij elkaar — voor altijd.

Daarom houden we deze dag, jaar na jaar na jaar. God wil dat wij, als een soort herdenking vooraf, denken aan wat er op deze dag zal gaan plaatsvinden. En als we denken aan het blazen op een trompet, of het trompetgeschal horen, in het bijzonder op deze dag, of de stoot op de sjofar, wil Hij dat we nadenken over wat dit voor ons betekent, en bemoedigd worden en vervuld met een voortdurende verwachting in vol vertrouwen — vervuld met hoop. En Hij zal het allemaal teweegbrengen op de manier die Hij heeft beloofd.

Het tij der geschiedenis staat op het punt te keren. We weten niet hoe lang dat nog zal duren, maar we weten dat het zal gebeuren, omdat Hij het heeft gezegd. Hij heeft ons de details ervan gegeven.

Let er echter op hoe Paulus deze passage begint, in het bijzonder vers 14. Hij begint met een voorwaardelijke uitspraak: "Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, ..." Onze hoop hangt af van, is gebaseerd op, of rust op ons geloof dat God de Vader Jezus uit de doden opwekte. Daar draait het allemaal om.

Onze hoop is gebaseerd op het feit dat Jezus opstond. Zonder de opstanding van Jezus Christus kan er voor niemand anders een opstanding zijn tot heerlijkheid.

Als iemand dus beweert een christen te zijn en toch de opstanding uit de doden ontkent, is dat absoluut een oxymoron. Dat kan niet voorkomen. Dat is zelfvernietigend. We kunnen zelfs zover gaan, en Paulus doet dat ook (op een plaats die we straks zullen opslaan), te beweren dat het christen-zijn staat of valt met het feit of Jezus Christus wel of niet uit de doden werd opgewekt.

Stond Jezus bijna 2.000 jaar geleden op uit de dood? Of niet? Zag u het gebeuren? Blijkbaar niet, tenzij u uw leeftijd heel goed weet te verbergen! Er is momenteel niemand in leven die met zekerheid kan zeggen dat hij Jezus Christus in opgestane vorm heeft gezien. Of zelfs in Zijn verheerlijkte vorm. Ik ken niemand die Jezus Christus in een visioen heeft gezien. Of die Hem in zijn slaapkamer zag verschijnen terwijl hij aan het bidden was, en toen tegen hem zei: "Ik ben Jezus. Uw gebeden zijn verhoord. Volg Mij."

Wat is de basis van uw geloof in de opstanding uit de doden? De opstanding van Jezus Christus is heel fundamenteel en cruciaal voor al het andere dat we geloven. En die opstanding moet echt hebben plaatsgevonden willen we enige hoop hebben om in Zijn voetstappen te kunnen treden, dezelfde verandering te ondergaan van fysiek naar geestelijk, van sterfelijk naar onsterfelijk, evenals Hij.

Laten we 1 Corinthiërs 15 opslaan. Dit is Paulus' heel lange, leerstellige hoofdstuk over de opstanding uit de doden. Dit is het opstandingshoofdstuk. En Paulus getroost zich heel wat moeite om ons te laten zien dat we niet aan de opstanding van Jezus Christus hoeven te twijfelen, en daarom hoeven we niet te twijfelen aan onze eigen opstanding uit de doden die in de toekomst zal plaatsvinden.

1 Corinthiërs 15:1-4 Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, 2 waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn. 3 Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, 4 en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften,

Let er hier op dat hij zich altijd weer baseert op het Oude Testament, dat was de gehele Schrift die hij in die tijd had. Hij zei dat deze dingen voorzegd waren, en dat alles was gebeurd in overeenstemming met de Schriften en de profetieën. En het is niet alleen het feit dat deze dingen werden voorzegd, en dat Jezus ze uitvoerde zoals voorzegd, maar er is nog meer aan verbonden.

1 Corinthiërs 15:5-8, 11 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. 6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. 7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jacobus, daarna aan al de apostelen; 8 maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. ... 11 Daarom dan, ik of zij, zó prediken wij, en zó zijt gij tot het geloof gekomen.

Paulus gaat nu verder met dezelfde gedachte als waarmee hij in 1 Thessalonicenzen 4:14 begon. Hij zegt ons rechtstreeks dat de opstanding uit de doden een hoofdelement is van het evangelie. Daaruit bestond hun prediking.

Zij verkondigden dat Christus voor onze zonden stierf, werd begraven en ten derde dage opstond. Dit was niet een onbelangrijk onderdeeltje vanuit hun verkondiging, maar het was er de kern van. Het hielp hen te identificeren wie Jezus Christus was, wat Zijn relatie was met de Vader, en daarom Zijn relatie met ons en wat die voor ons betekent, enzovoort, enzovoort.

Als we dat eenmaal als feit aanvaarden, dan zijn er heel wat andere dingen die daaruit gaan voortvloeien. Hij zegt daarna: "We verkondigden dit niet alleen aan u als feit van Gods woord met de nodige bewijzen daarvan, we kennen ook ooggetuigen van dat feit."

Denk hier over na: Als Jezus niet is opgestaan, dan is ons geloof tevergeefs. Het is doelloos. Dan is er geen basis voor ons geloof. De apostelen hadden kunnen prediken wat ze wilden over Christus' dood voor onze zonden, en dat Christus een volmaakt leven leidde, en dat Christus allerlei wonderen deed en demonen uitwierp, en een goede Leraar was, enzovoort. Maar als Hij niet vanuit het graf opstond, wat heeft dat dan allemaal voor zin?

We zouden kunnen zeggen, en ik ben er zeker van dat zulke dingen kunnen opkomen: "Hij was een goed mens. Hij deed goede dingen. Hij hielp mensen. Het was jammer dat Hij zo jong moest sterven." En dat is het dan. Dat betekent heel weinig, tenzij Hij uit de doden opstond. Het punt waar het in hun prediking allemaal om draaide was hun verhaal als ooggetuige.

Ze zouden kunnen zeggen: "Ik zag Hem drie dagen na Zijn dood. Hij liep gewoon door een muur heen. Ik raakte Zijn handen aan op de plaats waar de spijker er doorheen was gegaan. Ik zag de plekken op Zijn lichaam waar het vlees was weggescheurd, waar de speer was binnengedrongen. Ik heb met Hem gegeten. Hij sprak urenlang met ons om allerlei dingen uit te leggen. Hij wandelde meer dan 15 kilometer met ons mee en legde ons van alles over Zichzelf uit gebaseerd op de Schriften."

Let erop hoe velen er volgens hem zulke ooggetuigenverslagen konden uitbrengen. Afhankelijk van hoe u dit alles bij elkaar optelt, zijn het er ongeveer 515. Dat zijn heel wat mensen — Petrus; de overige twaalf, dan 500 tegelijkertijd, daarna Jacobus en ook nog de andere apostelen (waarvan we niet weten wie dat zijn — misschien Judas, misschien Barnabas, later worden er in het Nieuwe Testament diverse apostelen genoemd). En dan als allerlaatste, werd Hij gezien door Paulus, de man die deze leerstellige verhandeling over de opstanding voor ons schreef.

Hij voegt dus zijn eigen ooggetuigenverslag toe aan dat van die andere 514 personen die Hem ook hadden gezien.

Het was echt niet moeilijk voor iemand om aan Jacobus in Jeruzalem te schrijven: "Paulus zegt ons dat Hij Jezus Christus zag nadat deze gestorven was. Dit was tijdens de regering van keizer zus en zo, en hij zei ook dat hij Hem drie jaar lang had gezien terwijl hij in Arabië verbleef. Is dit waar? Is er iemand geweest die Jezus Christus heeft gezien, nadat Hij gestorven was?"

En Jacobus zou hebben kunnen terugschrijven: "O ja! Ik heb Hem ook gezien. Mijn broers zagen Hem. Petrus en Andreas en Johannes en Jacobus ... en als u daar prijs op stelt, dan heb ik nog een lijst van 500 anderen die Hem zagen."

Wat zegt de Bijbel over bewezen echt getuigenis? Uit de mond van twee of drie getuigen ...

God ging daar ver boven uit om in een getuigenis te voorzien dat Zijn Zoon in leven was na Zijn dood. Vijfhonderdenveertien en misschien nog wel meer ooggetuigen van het feit dat Jezus Christus niet in het graf bleef. Hij stond werkelijk op. De engel was op die zondagmorgen heel specifiek, toen Maria Magdalena daar ter plaatse arriveerde. Hij zei: "Hij is niet hier! Hij is opgestaan! Ga heen en vertel het aan de anderen."

Jezus stierf dus en werd begraven, maar Hij werd uit de doden opgewekt met een nieuw verheerlijkt geestelijk lichaam, en nog meer dan dat, daar bleef het niet bij. Hij steeg op naar Zijn Vader om aan Zijn rechterhand plaats te nemen, waar Hij nu zit. Hij staat daar niet gewoon, Hij zit aan Zijn rechterhand als onze Hogepriester en spoedig komende Koning.

We kunnen dit lezen in Hebreeën 1. Dit is echt een opmerkelijke uitspraak over Zijn huidige positie.

Hebreeën 1:1b-4 ..., heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. 3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, 4 zóveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.

Hier hebben we met schitterend proza vandoen!

Dit zegt ons alles wat we moeten weten. Hij stierf nadat Hij had gedaan waartoe Hij gekomen was om ons van onze zonden te reinigen, en Hij stond op vanuit het graf en Hij voer op om naast Zijn Vader op diens troon plaats te nemen, vanwaar Hij praktisch aan alles leiding geeft. Hij heeft de macht en Hij houdt alles door die macht in stand. En dat is Degene die wij volgen. Dat is Degene op wie wij rekenen om te slagen.

Nu het ons duidelijk is dat Jezus na drie dagen in macht en heerlijkheid — onsterfelijk — uit het graf opstond, kunnen we verder gaan in 1 Corinthiërs 15 om daar logisch doorheen te lopen. Dat doet Paulus hier.

1 Corinthiërs 15:12 Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is?

Blijkbaar waren er mensen in Corinthe die zeiden dat er geen opstanding was. Misschien kwam dit bij enkele vroegere Sadduceeën vandaan, die niet in de opstanding uit de doden geloofden. Misschien waren het Grieken die ook niet in de opstanding geloofden. Dat kon praktisch overal vandaan zijn gekomen. Hoe dan ook, er waren daar enkele mensen die blijkbaar niet in de opstanding uit de doden geloofden en die deze opvatting misschien wel uitdroegen en daardoor verwarring en strijd binnen de kerk van God veroorzaakten.

Paulus begint hier dus met hen te debatteren en geeft hun redenen waarom er een opstanding uit de doden moet zijn.

1 Corinthiërs 15:13 Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.

Hij zegt dat als er geen opstanding is voor gewone mensen, dat er dan ook geen opstanding voor Jezus kon zijn geweest. Wat voor de een geldt, geldt ook voor de ander.

Als ons mensen de opstanding wordt ontzegd, dan moest ook Jezus, die ook mens was, de opstanding zijn ontzegd. Hij werd één van ons om de Hem opgedragen taak te kunnen uitvoeren. Daarmee werd Hij op ons niveau geplaatst.

1 Corinthiërs 15:14-19 En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. 15 Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. 16 Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; 17 en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. [Hij zegt dat we de last daarvan dan nog steeds dragen.] 18 Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.

Als er dus iemand is die om wat voor reden dan ook leert dat er geen opstanding is, dan haalt hij de basis van onder zijn voeten. Het christen-zijn zonder opstanding is als het spelen van voetbal zonder doellijn. Wat is het nut daarvan? Waarom spelen? Niemand kan doelpunten maken om het spel te winnen, wat heeft het dan voor zin te spelen? Of misschien lijkt het wel op een school zonder eindexamen. Je woont de lessen bij zonder iets op te steken. Of misschien lijkt het wel op een zaak die geen winst wil maken. Dan kun je net zo goed voor de regering werken. Wat is dus het nut van het christen-zijn als er geen opstanding uit de doden is? Als er geen hoop is op een eeuwig leven? Als er na het graf geen beloning is te verwachten?

Paulus zegt ons drie dingen betreffende wat ons leven en ons geloof zou zijn als er geen opstanding was.

Ten eerste, zonder opstanding heeft ons geloof [vertrouwen] geen inhoud, is het zinloos, heeft het geen waarde. Dit omvat ook onze geloofsovertuiging, inclusief de gehele verzameling van christelijke leerstellingen. Het woord "geloof" kan hier op beide manieren [vertrouwen, overtuiging] worden opgevat.

Als dus dit hoofdpunt van onderwijs over de opstanding uit de doden onjuist is, dan is ons geloof [vertrouwen] en onze geloofsovertuiging een leugen, een onwaarheid. Dan is ons geloof dus nutteloos, waardeloos, vergeefs en leeg, dan is er niets.

Ik denk dat heel wat mensen (ik kan hierdoor in moeilijkheden komen door politiek te gaan denken) geloven dat we Irak binnenvielen wegens massavernietigingswapens. Denk er eens als volgt over: Als er in Irak geen massavernietigingswapens waren, dan is ons geloof in dat idee en de hele missie zonder inhoud, zinloos, waardeloos en niet gefundeerd. Daarom waren alle acties voortvloeiend uit dat grondidee gebaseerd op een leugen.

U ziet dus wat ik bedoel. Als we met een leugen beginnen, dan is alles wat we daarna doen ook een leugen. Het is zonder inhoud, zinloos en het heeft geen betekenis.

Als — zoals eerder gezegd — dit belangrijke onderwijs onjuist is, dan is niet alleen ons persoonlijk geloof, maar zijn ook alle belangrijke leerstellingen die daarop zijn gebouwd, onjuist, leeg, inhoudsloos en waardeloos. Zodoende valt het gehele kaartenhuis in elkaar als dat ene geloofspunt niet waar is. Maar dat is niet het geval. We hebben reeds gezien dat het waar is.

Laten we 1 Johannes 2 opslaan. Johannes schrijft deze brief laat in de eerste eeuw. De kerk van God wordt steeds kleiner. De valse kerk groeit en wordt sterker en hij moet deze dingen aan de mensen verkondigen om hen weer op het juiste spoor terug te krijgen. Hij schrijft:

1 Johannes 2:21-25 Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij haar weet en omdat geen leugen uit de waarheid is [die zijn onverenigbaar]. 22 Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? [Dat duidt op alles van Jezus, niet alleen wie Hij was, maar ook alles wat Hij deed.] Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. 23 Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader. 24 Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. [Ga terug naar het fundament en zie hoe alles in elkaar past.] Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven. 25 En dit is de belofte, die Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven.

Dit is een opsomming van alles wat met Jezus de Christus samenhangt. Er zou geen eeuwig leven zijn zonder de opstanding uit de doden.

Johannes wijst hen terug naar al die fundamentele waarheden. En hij zegt ook dat al de andere leerstellingen, al de andere delen van de waarheid, daarop zijn gebouwd, en zij zijn waar. Zij komen niet voort uit een leugen. Leugens hebben niets vandoen met de waarheid. Er komt geen enkele leugen uit de waarheid voort. We kunnen er zeker van zijn dat deze leerstelling over de opstanding waar is. Laat niemand proberen u van iets anders te overtuigen.

Ten tweede, zonder de opstanding is Christus nog steeds dood. Als er niet zoiets als de opstanding uit de doden bestaat, dan ligt Hij nog steeds ergens in de buurt van Jeruzalem in Zijn graf. Als Hij nog steeds dood is, dan betekent dat, dat de Vader Hem als een bedrieger beschouwt. Dan was Zijn poging tot verzoening zonder succes. Dan stierf Hij (om zo te zeggen) slechts voor Zijn eigen zonden. Dan zijn onze zonden niet vergeven.

Dit betekent dat als er geen opstanding uit de doden is, wij nog steeds als verdorven, schuldige zondaars van God zijn afgesneden. We zijn dan nog steeds verworpen zonder enige hoop op vergeving. We kunnen dan zeer zeker geen hoop op eeuwig leven hebben, omdat wij ook alleen maar voor onze eigen zonden kunnen sterven. We kunnen niemand anders redden, laat staan onszelf. Willen we dat?

Als iemand verkondigt dat er geen opstanding uit de doden is, dan ontneemt hij zichzelf elke vaste grond onder de voeten. Dat is zelfvernietigend. Zoveel hangt er af van de opstanding uit de doden.

Wij weten dat — zoals er geschreven is — door Zijn dood vergeving der zonden mogelijk is, door het vergoten bloed van Jezus Christus. Maar Zijn opstanding bezegelde de overwinning over zonde en dood, en bevestigde Hem in Zijn huidige functie als onze Middelaar. En het is door Hem en Zijn bloed dat we een relatie met de Vader kunnen hebben.

Zelfs al zou Hij zonder zonde zijn geweest en voor al onze zonden zijn gestorven, maar niet uit het graf zijn opgestaan, dan was alles wat Hij deed zonder enige waarde. Er zou geen vervolg voor ons zijn. Waarom? Omdat Hij persoonlijk het vervolg is.

Daarom zegt Paulus dat we nog steeds zondaars zijn. Hij wist dat. Hij had de brief aan de Romeinen geschreven en hij begreep dus alle theologische details die hiermee samenhingen. Toch zegt hij dat we nog steeds in onze zonden zijn als Jezus niet uit de doden opstond. Hij wist dat we vergeving hebben ontvangen door Zijn dood en het offer dat Hij bracht, doordat Zijn bloed onze zonden bedekt. Maar hij wist ook dat er meer mee samenhing.

Romeinen 5:8-10 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij [in ons] leeft;

Dat is het leven dat Hij nu leidt. Het is het leven van Zijn opgestane lichaam.

De opstanding was een noodzakelijke volgende stap om ervoor te zorgen dat we volledig vergeven werden en dat er een reden was voor onze volledige vergeving, dat we geheiligd konden worden en behouden en verheerlijkt, en dat kan alleen maar gebeuren door de bemiddeling van een levende Verlosser, Jezus Christus.

Als er geen levende Verlosser is, dan zijn we nog steeds in onze zonden. Dan werd het proces niet voltooid. Of in ons geval, dan zou het proces geen voortgang vinden.

De opstanding uit de doden — de opstanding van Jezus Christus — was dus absoluut noodzakelijk voor de voortdurende vergeving van onze zonden, omdat als Jezus niet uit Zijn graf was opgestaan alles met Zijn dood tot een einde zou zijn gekomen. Dat was het dan geweest. Het christendom was dan niet meer geweest dan een eenmalige vergeving van zonden. Wat voor zin zou dat hebben gehad?

Ten derde, zonder de opstanding hebben we geen enkele hoop voor na dit leven. Geen eeuwig leven, geen beloning, niets. Hij zegt, dat wij dan, inclusief onze religie, betreurenswaardig zijn. Hij bedoelt dat het een zielig iets is. Het is niet geïnspireerd, hopeloos, kortzichtig, aards, fysiek, werelds en armzalig. Het kan dan net zo goed een of andere filosofie of religie van deze wereld zijn. Er is niets bijzonders aan verbonden.

Onze aspiraties zouden niet meer zijn dan de doelen die we voor we sterven, kunnen bereiken. Onze beloningen zouden slechts bestaan uit fysieke dingen en het beetje vrede en geluk dat we te midden van de rest der mensheid zouden kunnen bewerken.

Sprekend over een armzalig iets! Het zou totaal niets waard zijn. Maar we weten dat dit niet het geval is.

Johannes 5:24-29 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. 26 Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf. 27 En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is. 28 Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, 29 en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.

Er is een opstanding uit de doden en we weten dit op basis van de autoriteit van Jezus Christus Zelf.

Laten we verder gaan in 1 Corinthiërs 15. We slaan het volgende deel over en gaan verder met vers 29, waar Paulus nog meer redenen geeft waarom de opstanding noodzakelijk is.

1 Corinthiërs 15:29-34 Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen? 30 Waarom zijn ook wijzelf van uur tot uur in gevaar? 31 Zowaar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Here, ik sterf elke dag. 32 Indien ik te Efeze, naar de mens, met wilde dieren gevochten heb, wat baat het mij? [Hij zegt, waarom heb ik al die moeite gedaan?] Indien er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. 33 Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden. 34 Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen.

Bedenk dat hij vandoen heeft met mensen die niet geloofden dat er een opstanding uit de doden was.

Hij vraagt dus: Wat is het nut dat iemand wordt gedoopt voor een dood familielid, als dat dode familielid niet opnieuw tot leven zal worden opgewekt? Dat is stom!

Blijkbaar waren er sommigen die geloofden dat het kon worden gedaan. Het is een dwaze praktijk en volledig onbijbels, omdat elke individuele persoon moet geloven en zich bekeren en uit eigen vrije wil gedoopt moet worden. Hij moet dat grondig overdenken. Hij moet beslissingen nemen of hij dat wel wil. Hij moet beginnen te veranderen. Hij moet erom vragen gedoopt te worden. Hij moet leren en groeien en al deze dingen doen. Niemand kan iemand anders behouden. Niemand kan gerechtvaardigd worden voor iemand anders. Niemands behoud kan dat van iemand anders vervangen. Dat is onmogelijk.

En als er geen leven na de dood is, dan is de doop voor de doden zeer zeker volslagen zinloos, dwaas en tevergeefs. Daar wordt niets mee bereikt. Zo iemand wordt alleen maar nat.

Daarna zegt hij: "Als er geen opstanding uit de doden is, waarom breng ik mezelf dan iedere dag in gevaar voor het evangelie? Waarom ben ik enkele keren tijdens mijn apostelschap gedood en moest ik door God weer tot leven worden gebracht zodat ik verder kon gaan met mijn taak?"

Er zijn bepaalde plaatsen waar het zo leek te zijn. Hij werd één keer voor dood achtergelaten en enige tijd later kwam hij toch weer terug in de stad. Hij werd eens door een slang gebeten en het had totaal geen uitwerking op hem. Daarna zegt hij dat er andere keren waren dat hij voor de beesten werd geworpen, dat hij ronddobberde op volle zee en dan volgen alle andere 'levensgevaren' waaraan hij blootstond.

Hij zegt: "Waarom ga ik door al deze gevaren als er geen opstanding uit de doden is? Ik zou veel beter naar de lokale kroeg kunnen gaan om daar mijn leven te verdrinken als me dat plezier geeft, als dat me gelukkig maakt, en me tevreden voelen omdat er na mijn laatste ademtocht toch niets meer is, als er geen opstanding uit de doden is."

Maar er is meer na onze laatste ademtocht.

Er is eeuwig leven in het Koninkrijk van God. Daar maakt — zoals we in vers 34 kunnen lezen — deel van uit dat we een leven van rechtvaardigheid moeten leiden. Daarom begaf Paulus zich iedere dag in gevaar, omdat dat deel uitmaakte van het rechtvaardige leven dat hij leidde, deel van het rechtvaardige leven dat hij moest leiden als voorbeeld voor anderen om dat te volgen, omdat hij gedreven werd om het evangelie te verkondigen, om het goede nieuws aan andere mensen te brengen. En Paulus laat in de verzen 33 en 34 doorschemeren dat sommige mensen in de gemeente te Corinthe leefden alsof er geen oordeel en geen opstanding zou zijn. Daarom zei hij dus dat kwade omgang goede zeden bederft. Er waren sommigen in die gemeente die met de verkeerde mensen omgingen. Hij zegt dus dat ze naar rechtvaardigheid moeten terugkeren. Dat ze opnieuw een rechtvaardig leven moeten gaan leiden. Dat ze moeten ophouden met zondigen, omdat ze beter zouden moeten weten.

1 Corinthiërs 15:50-58 Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet. 51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. 55 Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? 56 De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus. 58 Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here.

Hij heeft alle vragen beantwoord die hij in de brief aan de orde heeft gesteld. Er is een opstanding uit de doden. Het zal op de volgende manier gebeuren. We zullen van sterfelijk naar onsterfelijk veranderd worden, van de verderfelijkheid van het vlees naar de absolute onverderfelijkheid van de Geest.

En door die opstanding uit de doden zullen we in staat zijn te delen in de overwinning van Jezus Christus over de dood. De dood zal overwonnen worden door de genade en de macht van God. En we zullen in staat zijn deel te hebben aan de verbazingwekkende, fantastische overwinning van Jezus Christus.

Paulus zegt hier als hij afsluit dus, dat daar ons geloof in de opstanding uit de doden waar en gezond is, we sterk kunnen zijn en overtuigd en zeker als we onszelf storten in de volheid van Gods manier van leven.

Petrus geeft een soortgelijke aansporing als die Paulus in 1 Corinthiërs 15 geeft.

1 Petrus 1:3-5, 13 Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, 4 tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, 5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd. ... 13 Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus.

Petrus zegt dat we God kunnen danken dat Hij ons heeft verzekerd van datgene waarop we in de opstanding van Jezus Christus hopen. We kunnen terugkijken naar de opstanding van Jezus Christus en het getuigenis van anderen die Hem in levende lijve zagen nadat Hij drie dagen en drie nachten dood was geweest, om te weten dat onze opstanding even zeker zal zijn als we op Zijn weg verdergaan.

Petrus zegt ons dus dat onze hoop leeft. Er is geen dode hoop. Het is zelfs geen 'normale' hoop. Dit is een levende hoop — actief en productief — en deze leidt zelfs tot meer leven! God is een God der levenden, niet van de doden. God heeft weinig of niets vandoen met de dood. Hij is een God van leven. En Hij belooft dat aan ons te geven zelfs al moeten we door de dood heen om het te krijgen.

De dood zal in onze eigen opstanding verzwolgen worden in de overwinning van het leven bij de wederkomst van Christus, die — naar we geloven — op de dag van een Trompettenfeest zal plaatsvinden.

Laten we dus vanaf dit moment in hoop verdergaan met ons christelijk leven, waarin we ons ingetogen voorbereiden op de heerlijkheid die ons in het Koninkrijk van God gegeven zal worden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)