De macht behoort God (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
7 oktober 2006

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herinnert ons eraan dat alle macht aan God behoort, inclusief gezondheid en rijkdom. We moeten onszelf zien als deel uitmakend van Gods plan; we worden in een toestand gebracht waarin we onszelf zien veranderen naar het beeld van Christus. In de huidige tijd gaan we door een periode van hopeloosheid, waarin we moeten geloven dat alle dingen ten goede werken voor hen die geloven en voor Zijn doel zijn geroepen. Zelfs al is het natuurlijk om bevreesd te zijn, God heeft de nodige macht om Zijn doel tot stand te brengen. Daar er heel moeilijke tijden zullen komen, zullen we dicht tot God moeten naderen om een intiemere relatie met Hem te krijgen. Satan kan niets doen tenzij God het toelaat. Er is geen autoriteit behalve zoals door God ingesteld. Voor wat God betreft lopen de dingen niet uit de hand. De gebeurtenissen die momenteel in de wereld plaatsvinden, staan onder Gods supervisie. Alle macht werd door de Vader aan Christus gegeven. Als Jezus hulp nodig had, ging Hij rechtstreeks naar de Vader. God roept ons, geeft ons berouw, geloof, Zijn Geest om te overwinnen, Zijn liefde, heiliging, schrijft Zijn wetten in ons denken, en bereidt ons zo voor om deel te gaan uitmaken van Zijn Familie. God is de bron van alles wat met ons behoud vandoen heeft.


Aan het begin van deze preek, deze morgen, ga ik de hoofdpunten van de Een teken aan de wand preek van gisteravond herhalen. We zijn op weg naar de ergste periode uit de menselijke geschiedenis. Om aan de problemen daarvan het hoofd te bieden, zullen we de allerbeste middelen nodig hebben. Onze problemen zullen bij tijden fysiek zijn, maar in het algemeen zullen ze voornamelijk geestelijk zijn. We zullen bovennatuurlijke, geestelijke hulp nodig hebben en die hulp staat Gods kinderen door Jezus Christus ter beschikking.

De relatie met de Vader en de Zoon is reeds tot stand gekomen en daarom hebben we toegang tot de bron van de grootste macht in het universum. In feite behoort macht toe aan die Bron. Die Bron is onze Vader in de hemel.

We zagen dat macht niet alleen brute kracht is, maar ook kwaliteit van denken, van karakter — dingen zoals liefde, wijsheid, barmhartigheid, intellect, oordeel en begrip. Hij deelt die capaciteiten uit, en nog veel meer, zoals Hij dat wil. Zijn wil is altijd het beste en Zijn wil wordt altijd volbracht. Voor ons staat het teken dus aan de wand. We moeten op de allerbeste manier gebruik maken van deze relatie.

Ik ga uit een andere serie schriftgedeelten putten die samenhangt met onze behoefte die we ontlenen aan wat de Israëlieten in Exodus 15 zongen, nadat ze door de Schelfzee waren getrokken. Ze zongen: "De HERE is mijn kracht." Ze zeiden dat wij die niet hebben, maar dat God die heeft en dat Hij die ten behoeve van ons gebruikt.

U zult zich nog wel herinneren dat we dat zagen in de twee psalmen van David waaruit we gisteravond lazen. David zei precies hetzelfde. "God is mijn kracht." Ze hadden het over de bron van wat er voor het oog van de mensen gebeurde. Kracht is vermogen en vermogen is macht.

Deuteronomium 8:11 Neem u ervoor in acht, dat gij de HERE, uw God, niet vergeet door zijn geboden, zijn verordeningen en zijn inzettingen, die ik u heden opleg, te verwaarlozen,

Deuteronomium 8:13-14 [opdat, wanneer ...] uw runderen en kleinvee zich vermenigvuldigen en uw zilver en goud zich vermeerderen, ja, al wat gij hebt, zich vermeerdert, 14 uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft,

Deuteronomium 8:16-18 die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen. 17 Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. 18 Maar gij zult aan de HERE, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft — zoals dit heden het geval is.

Het woord "vermogen" wordt gebruikt om alle blijken van welvaart en welzijn te vertegenwoordigen. We hebben natuurlijk de neiging aan vermogen te denken in termen van materiële dingen, zoals de grootte en de locatie van ons huis, de prijs van onze auto, of de mode van onze kleding, maar er gaat meer samen met voorspoed dan materiële goederen.

Het concept dat in deze paragraaf wordt uitgewerkt omvat ook kwaliteiten zoals goede gezondheid, bezonnenheid van geest en het niveau en de breedte van onze opleiding. Het omvat dingen zoals begrip en de gelegenheid hebben een goddelijke visie te hebben op wat er in de wereld gebeurt. Hoe waardevol is dat? Dit zijn allemaal vormen van macht die ons ter beschikking staan.

Met andere woorden "vermogen", zoals hier gebruikt, duidt niet alleen maar op dingen die we in bezit hebben. Het omvat ook gezondheid, de omstandigheden waarin we leven, de vrijheden die we genieten, en de beschikking hebben over de gelegenheden om die dingen te hebben, of we daar nu feitelijk profijt van hebben getrokken of niet.

Salomo zei bijvoorbeeld: "Er is geen einde aan het maken van veel boeken." Denk aan de rijkdom van informatie die daardoor ter beschikking staat. God heeft ons dit vermogen ter beschikking gesteld. God kan het ons goed doen gaan door ons gunst te geven in de ogen van anderen. Hij opent de deuren waardoor ons gunst wordt verleend, omdat de macht Hem toebehoort, en Hij kiest ervoor die te gebruiken om een deur voor ons te openen. Elke mogelijke hulp valt binnen Zijn vermogen. In veel gevallen komen de dingen die we hebben, tot ons als bijproducten van Zijn beloften aan Abraham. Maken we daar gebruik van? Indien niet, waarom dan niet?

Gods vervullen van Zijn beloften voorziet ons van potentiële waardevolle ervaringen die over ons worden uitgestort gewoon omdat we toevallig in een Israëlitische natie wonen. Ik ben naar veel Israëlitische landen geweest, en elk van hen heeft zijn eigen bijzondere rijkdom aan schoonheid. Ik ben er zeker van dat u de dingen die u in het nieuws op de televisie ziet, zoals de onvruchtbaarheid van Afghanistan, Pakistan en Irak, hebt opgemerkt en vergeleken met de landen waarin u woont. Onze prachtige naties met hun vrijheden zijn inbegrepen in dit concept van vermogen. God voorziet in deze dingen en Hij gebruikt ze te allen tijde in ons voordeel omdat het Hem behaagt dat te doen.

Dit gedeelte van Deuteronomium 8 is een waarschuwing tegen trots. We moeten onszelf vernederen, nooit vergeten dat we zijn geschapen en dat we leven door de gaven waarin Hij voorziet. We moeten onszelf vernederen, bedenkend wat Jezus zei: "Zonder Mij kunt u niets doen." Die ontzagwekkende uitspraak werd gedaan door degene die door de apostel Paulus werd beschreven als "die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht." Het besef dat Hij onze broeder is, maakt ons aardig nederig. Deze verzen zeggen ons ook iets over Hem en Zijn macht. Ze zeggen ons waar we kunnen heengaan om te krijgen wat wij zien als wat we nodig hebben.

Psalm 121 is een schitterende psalm. Het is een uitspraak van een auteur die niet echt bekend is. Er zijn speculaties die blijkbaar op vrij goede informatie zijn gebaseerd, dat misschien Hizkia de auteur was van ongeveer tien van deze bedevaartsliederen.

Psalm 121:1 Een bedevaartslied. Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen?

U zult zich nog wel herinneren dat Hizkia een nogal moeilijke tijd meemaakte toen de Assyriërs Jeruzalem belegerden. Ongetwijfeld deed hij zoiets, omdat die laatste zin in feite een vraag is. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen." De bergen zouden een symbool van een probleem kunnen zijn, bergen met donkere wouden en rotsspleten en diepe ravijnen, waar het er nogal onheilspellend uitziet. "Vanwaar zal mijn hulp komen?"

Psalm 121:2-8 Mijn hulp is van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. [Hizkia vertrouwde op God.] 3 Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt, uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4 Zie, de Bewaarder van Israël sluimert noch slaapt. 5 De HERE is uw Bewaarder [uw Beschermer], de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand. 6 De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. 7 De HERE zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren. 8 De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid.

Kijken we in de juiste richting om hulp? Maken we ondertussen gebruik van de rijkdom aan geestelijke gelegenheden, zodat we beter voorbereid worden op de tijden die komen gaan? Het kan heel goed zijn dat hetgeen we nu doen, ons inzicht geeft in wat we dan zullen doen. Hebben we reeds een juist patroon ontwikkeld in het ons toegang verschaffen tot Gods macht? Zoeken we God?

We slaan nu een vrij lang gedeelte op uit de brief aan de Romeinen, één van de beter bekende schriftgedeelten uit de gehele Bijbel.

Romeinen 8:28-39 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

Ik koos ervoor dit in te voegen omdat we om op de beste manier gebruik te maken van de tijd die ons in dit leven nog rest, onszelf moeten zien als individuele delen van een belangrijk, veelomvattend en heerlijk doel en plan waaraan God aan het werk is.

Mijn vrouw en ik zijn al lange tijd in de kerk, alhoewel niet zo lang als sommige mensen in deze zaal, maar binnen die ervaring heb ik geleerd, dat de meesten van ons geen hoge dunk van zichzelf hebben. In feite hebben we de neiging over onszelf als onbelangrijk te denken. Maar we zijn niet onbelangrijk! We zijn de belangrijkste mensen op aarde! Dat is niet iets om ons naar het hoofd te laten stijgen. We hadden daar part noch deel aan. God bracht Zijn wil tot uiting in onze roeping en wat Hij deed maakte ons belangrijk in Zijn ogen.

We staan niet alleen, omdat er duizenden anderen verspreid zijn over de wereld die deel uitmaken van hetzelfde team dat God aan het samenstellen is. In 1 Corinthiërs 12 illustreerde Paulus de kerk als een levend lichaam, bestaande uit vele delen die binnen dat lichaam hun taak vervullen. Elk deel van het lichaam is belangrijk voor het welzijn ervan. Petrus was in 1 Petrus 2 iets technischer in zijn illustratie, maar hij gebruikte een gebouw als metafoor, en wij zijn individuele "levende" delen van dat gebouw. Zelfs nu zijn we onvolmaakte delen van een team dat wordt omgevormd tot een volmaakt team. Zien we onszelf hierbinnen als in voorbereiding op iets dat in het verschiet ligt? Maar die voorbereiding vereist vertrouwen in degene die ons voorbereidt.

In Romeinen 8 spoort Paulus ons aan te begrijpen dat tijdens deze fase van het doel en plan (het proces van "heiliging tot heiligheid") van ons wordt verlangd dat we onze medewerking aan God verlenen, want anders zal er niets van terecht komen. Dit is een concept waar velen grote moeite mee hebben om het te begrijpen — dat met het geven van Gods genade, na het geven van die gave, van ons werken worden verlangd. Doctrinair geloven zij dat dat het verdienen van behoud is. Nee, dat is niet meer dan een voorbereiding op het Koninkrijk van God.

Hier volgt een eenvoudig voorbeeld dat naar mijn mening zal helpen. De World Series zijn aan de gang. Vandaag en morgen zijn belangrijke dagen voor football. Laten we zeggen dat u een gratis kaartje kreeg om naar één van die gebeurtenissen te gaan en nadat u door de toegang bent gegaan, ziet u dat u op een bepaalde plaats moet gaan zitten. Verdient u door die opdracht om op die plaats te gaan zitten op te volgen, het kaartje om naar binnen te gaan? Nee, in het geheel niet. Er is een plaats voor u gereserveerd vanwaar u kunt zien wat er gaande is. U verdiende het niet. U kreeg het. Maar eenmaal daar aangekomen, wordt er van u verlangd iets te doen.

We worden zover gebracht dat we naar het beeld van Christus gevormd zullen worden en we zullen delen in de heerlijkheid van God. Dat is een schokkende uitspraak! Het is fantastisch, maar het is toch schokkend als we aan de heerlijkheid van God denken en dat we zullen delen in die heerlijkheid. Als u me niet gelooft, kijk dan in Romeinen 5:1-2.

Romeinen 5:1-2 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

Romeinen 8:29 zegt: "Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen." Aan het eind van vers 30 heeft hij het erover dat wij verheerlijkt zullen worden.

Eén van de kritische punten voor de kinderen van God die de mogelijkheid in zich hebben onze samenwerking met God te vernietigen, is het maken van verkeerde keuzes vanwege een aangeboren angst dat God niet voor ons zal zorgen. We zijn bang dat Hij op de een of andere manier niet op onze vragen in onze gebeden zal reageren, en daarom zijn we bang voor de consequenties van wat een juiste keus zou kunnen zijn.

Romeinen 8:18-25 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. 20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. 24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.

We gaan, zoals hier staat, door een verschrikkelijke tijd, omdat alles (naar Gods wil) gemaakt is om aan de vruchteloosheid onderworpen te zijn. Maar we worden in hoop behouden — één van de drie grote ingrediënten die nodig zijn om in deze onderneming met God succes te hebben. God herinnert ons doelbewust eraan dat Hij het leven aan de vruchteloosheid heeft onderworpen, en dat er een gevoel van hopeloosheid bestaat omdat we weten dat we nog niet in het bezit zijn van de volheid van die hoop. God deed dit teneinde ons aan te sporen ons geloof te gebruiken en op Hem te vertrouwen.

In vers 28, nadat we door die periode van hopeloosheid zijn heengegaan, begint hij de rest van dit hoofdstuk door ronduit en dogmatisch te beweren dat als we in geloof zullen samenwerken om Gods doel met ons tot de bedoelde voltooiing te brengen, we moeten geloven dat Gods waakzaamheid over ons betrekking heeft op iedere omstandigheid in het leven. Ziet u dat? "Wij weten dat alle dingen medewerken ten goede."

Sommigen van u ervoeren in het laatste jaar enkele vrij interessante tegenslagen; misschien zelfs wel in de laatste paar dagen. Ik denk dat het zeer zeker goed is te treuren, voor korte tijd teleurgesteld en ontmoedigd te zijn, maar kort daarop moet er een periode van verandering in ons leven, in ons denken, in onze houding komen van: "Hé, wacht eens even! God heeft me zojuist in Romeinen 8 een belofte gegeven dat Hij over mij zal waken en voor me zal voorzien en deze ontmoediging die ik voel en de tegenslagen die ik heb ervaren maken daar deel vanuit. Wat ga ik daarmee doen? Ga ik op mijn zij liggen om te huilen? Hoe zal dat me op het Koninkrijk van God voorbereiden? Of ga ik de uitdaging van de test die Hij mij geeft, aanvaarden?"

Enigszins bang zijn voor wat God ons zal doen overkomen en waarin Hij zal voorzien, is in elke omstandigheid natúúrlijk voor ons, maar we moeten onszelf inhouden. We zagen dat in de psalm van David die we gisteravond lazen. Veel van zijn psalmen beginnen met een gevoel van ontmoediging en angst, maar dan houdt hij zichzelf in en zegt: "Hé, God staat aan mijn kant! Die mensen die het mij moeilijk maken, zal dat berouwen!" Maar hij moest er toch doorheen. God haalde hem er niet uit. Hij liet hem dat probleem het hoofd bieden, en dat maakte deel uit van Davids voorbereiding op datgene wat hij in het koninkrijk zal gaan doen.

In vers 30 zult u opmerken dat het woord "heiliging" ontbreekt aan de opsomming van algemene fases van Gods doel. Heiliging is het enige deel van het verlossingsproces waarbij onze medewerking een consequente en belangrijke dagelijkse rol speelt. Waarom plaatst Paulus het niet in die opsomming? Ik geloof beslist niet dat het een onoplettendheid was, maar dat heiliging bewust werd weggelaten, omdat Paulus, in dit gedeelte tot aan het einde van zijn brief, wil dat wij onze aandacht geheel richten op de absolute zekerheid van Gods voorzienigheid. Op dit punt van zijn brief wil hij niet dat wat voor werk wij tijdens het heiligingsproces ook maar kunnen doen, ons een gevoel van zekerheid in onszelf zal geven.

Paulus zegt niet dat God altijd zal doen wat wij willen dat Hij doet, maar hij herinnert ons eraan dat Hij altijd zal doen wat juist is voor Zijn doel met ons. Toegegeven, dat kan angstaanjagend zijn. God heeft de nodige macht om te doen wat Hij voor Zijn doel — en voor ons — juist acht. Hij let op ons. Hij doet dat niet op een kwaadaardige manier. Hij doet dat voor ons bestwil.

De sleutel voor de resterende verzen in dit hoofdstuk ligt in vers 31.

Romeinen 8:31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?

God heeft de macht. God heeft de wil. Hij maakt geen fouten. Hij doet geen loze beloften. En dan in vers 32 somt Paulus op wat God reeds heeft gedaan. Hoeveel meer kan God geven dan Zijn Zoon? Al het andere is in vergelijking minder belangrijk. Hij heeft dat reeds voor ons gedaan. Paulus gaat dan verder met de opsomming wat God reeds voor al onze zorgen heeft gedaan en dat het vanaf dat punt onze verantwoordelijkheid is ervoor te kiezen deze feiten in onze specifieke omstandigheden voor ons te laten werken.

Het teken staat voor ons aan de wand en dat teken is, dat er heel moeilijke tijden zullen komen die ons allemaal in verschillende mate zullen beïnvloeden. De enige oplossing tot het met succes tot een einde brengen van Gods doel met ons is ervoor te kiezen een beroep op die macht te doen en in geloof mee te werken, waarbij we accepteren waarin God in onze omstandigheden ook maar zal voorzien. In sommige gevallen kan dat heel veel zijn, maar dat is het punt. Precies dit punt is de reden dat Hebreeën 11 in de Bijbel staat. Dat hoofdstuk staat er om ons de bemoediging te geven te weten dat anderen die ons voorgingen, een grote verscheidenheid aan omstandigheden het hoofd moesten bieden, en door geloof in God, trok God hen daar doorheen, hief Hij hen op, over en uit het probleem. Die mensen zullen in het koninkrijk zijn.

In onze situatie is het van cruciaal belang dat we God zo goed als we kunnen, leren kennen, omdat Hij de bron is van onze verlossing uit elke omstandigheid. Onze relatie met Hem, door Jezus Christus, is de sleutel die ons gegeven is voor de verlossing waarin Hij voorziet. Het is daarom onze plicht onze tijd nu te gebruiken om op onze huidige relatie met Hem te bouwen, waardoor deze sterker en almaar intiemer wordt.

We gaan onze aandacht een iets andere kant uitsturen. De geschiedenis laat duidelijk zien dat de voornaamste vijanden van de kerk voortkomen uit menselijke invloed door Satan en zijn demonen. Het duidelijkste voorbeeld van waar deze vijanden zijn, wordt getoond in het leven en werken van Jezus Christus en de apostelen. Werkten de leiders van de toenmalige gevestigde religies en regeringen, zoals Pilatus, de hogepriester, de Farizeeën en de Sadduceeën niet bereidwillig met Satan mee in zijn vervolging van hen? Uit die hoek zal uiteindelijk de voornaamste druk komen. Die zal komen van de regering en de kerken.

Vanaf dit punt zal ik veel schriftgedeelten opslaan en we zullen Gods autoriteit over deze vijanden onderzoeken om ons te helpen inzien hoe volledig en hoe alomvattend Gods macht is over alles wat er in Zijn schepping gaande is. Burgerlijke regeringen en de valse kerk zijn bijna altijd de meest gevaarlijke tegenstander van de kerk. We gaan beginnen met Johannes 19:10-11. Dit vond plaats tijdens Jezus' rechtzaak.

Johannes 19:10-11 Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? [Met andere woorden: "Waarom doe je je mond niet open?"] Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.

Het woord "macht" hier verwijst naar burgerlijke autoriteit. Dit machtige individu — Pilatus — die in Judea autoriteit had over leven en dood, ontleende Zijn autoriteit aan God. Als God die autoriteit hem niet rechtstreeks gegeven had, zou die niet van hem zijn geweest. De implicatie vanuit deze context hier is, dat Pilatus deze specifieke burgerlijke autoriteit speciaal gegeven was om Gods wil uit te voeren. Hij had een bepaalde manier van denken en God wist in welke richting die zou gaan.

Sprekend over richting, laten we een ander interessant schriftgedeelte uit het boek Spreuken opslaan.

Spreuken 21:1 Het hart van de koning is in de hand des HEREN als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.

Laat me ook lezen hoe Het Boek dit schriftgedeelte onder woorden heeft gebracht: "Het hart van de koning ligt in de hand van de HERE; als een waterloop kan het naar alle kanten worden gebogen, zodat de koning precies doet wat de HERE wil."

Dit helpt ons om Gods soevereiniteit te begrijpen en het geeft ons ook een beter zicht op de geschiedenis. Bekijk het als volgt. Als de gedachten van de koning (die de hoogste en meest invloedrijke persoon in de natie vertegenwoordigt) in Gods hand zijn en God de beslissingen van de koning beïnvloedt als Hem dat behaagt, staan dan niet alle menselijke bestuurders volledig onder de soevereine controle van de Almachtige? Natuurlijk. Het is duidelijk dat God de macht heeft om de gehele geschiedenis de kant uit te sturen die Hij wil. Het doet er niet toe dat er zes miljard mensen zijn en alle macht waarover zij zouden kunnen beschikken. God, als één individu, heeft meer macht dan alle zes miljard mensen bij elkaar.

We slaan nu uit het Nieuwe Testament een bekender schriftgedeelte op.

Romeinen 13:1a Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God ...

Daar hebben we het, in het Nieuwe Testament, gericht tot christenen! De apostel zegt: "Want er is geen overheid dan door God ..."

Romeinen 13:1b ... en die er zijn, zijn door God gesteld.

Wat Paulus hier zegt geeft de implicatie dat God alles onder controle heeft en dat God niet alleen de macht heeft hen die reeds in functie zijn tot bepaalde acties aan te zetten, maar dat Hij hen in de allereerste plaats in die functies aanstelde.

Het woord "overheden" in vers 1 duidt in de allereerste plaats op civiele overheden. Het woord "onderwerpen" duidt erop dat die overheden met "autoriteit" zijn bekleed. Het woord "gesteld" betekent "aangesteld" of "benoemd". Het vers is veel duidelijker als het als volgt luidt: "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, want er is geen enkele autoriteit behalve van God. De autoriteiten die er zijn, zijn door God aangesteld."

Omdat dit rechtstreeks tot christenen is gericht en christenen over de gehele wereld zijn verspreid, is de implicatie hiervan dat Gods autoriteit zich niet alleen tot Israël uitstrekt, niet alleen tot de Joden, niet alleen tot de Israëlieten, of de Duitsers, of de Polen, of de Russen, of iemand anders; deze strekt zich uit over de gehele wereld. God stelt de autoriteiten aan in China, in Japan, in de Filippijnen, in Indonesië, waar dan ook.

Wie trekt er aan de touwtjes? Zijn de dingen uit de hand gelopen? Nee! Het lijkt alleen maar dat ze uit de hand zijn gelopen, omdat ons denken niet groot genoeg is. We nemen Gods woord niet aan. Hij trekt aan de touwtjes. Zeker, Hij geeft de mens een vrije wil, maar God zorgt ervoor dat — ondanks al hun beslissingen en wat niet meer — de geschiedenis zich in de richting beweegt waar Hij die wil doen gaan — en dat zal gebeuren. Zijn doel staat vast. Onze roeping staat vast. Wij zijn heel belangrijk voor Hem en Zijn oog is op ons gericht.

God herinnert ons hier eraan of Hij openbaart ons hier dat alle civiele bestuurders, van de keizer tot aan de bestuurders met de laagste rang, en zelfs inclusief alle religieuze autoriteiten, per slot van rekening hun benoeming en hun recht om te besturen te danken hebben aan God. Dit verklaart waarom Mozes in Numeri 16 tijdens de opstand van Korach onmiddellijk verklaarde dat de acties van Korach en zijn groep een opstand was tegen God Zelf. Ze dachten waarschijnlijk dat Mozes heel ijdel was, maar Mozes herinnerde hen, en ons, eraan dat hij zichzelf niet in die positie had geplaatst. Hij was in die positie aangesteld. Daarom was hun opstand tegen Mozes in feite een opstand tegen God Zelf. Er is in het Nieuwe Testament een schriftgedeelte te vinden dat dit standpunt van Mozes bevestigt. Laten we dat opslaan. Dit is Lucas' verslag over Jezus' uitzending van de apostelen.

Lucas 10:16 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft.

Dus het verwerpen van een apostel en zijn boodschap staat gelijk aan het verwerpen van Jezus Christus en het verwerpen van Jezus Christus staat gelijk aan het verwerpen van de Vader die Hem zond. Dat gaat helemaal door tot aan de top, omdat als we dat doen, ook al weten we het niet, we in feite Gods bestuur van Zijn schepping ter discussie stellen en zeggen dat Hij de dingen verkeerd doet.

Laten we nu Johannes 5:17 opslaan.

Johannes 5:17 Maar Hij antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook.

De woorden "tot nu toe" betekenen "Mijn Vader heeft tot op dit moment gewerkt en Ik werk ook."

Jezus zegt deze mensen dat God heerst over de menselijke zaken. Hij is niet ergens heen op vakantie. Hij is voortdurend actief betrokken bij het tot stand brengen van Zijn doel. En dat niet alleen met de Church of the Great God. God heeft overal op aarde mensen waarin en waardoor Hij werkt — bekeerd en niet-bekeerd. Hij gebruikt niet-bekeerde mensen om beslissingen te nemen die hun naties in de richting doen gaan die God hen voor Zijn doel wil laten gaan.

Juist in deze tijd zouden we kunnen zeggen dat de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en een groot deel van Europa het doelwit zijn van de Perzen daar in Iran, die in botsing zijn gekomen met de koning van het noorden. Eén dezer dagen stoten ze te hard en zullen ze volgens Daniël 11 vernietigd worden. Maar op dit moment stuurt God hen voor Zijn doeleinden om de Verenigde Staten, Engeland en dergelijke in de positie te manoeuvreren die Hij voor hen in petto heeft om over na te denken, getest te worden en dergelijke.

Gaat u inzien dat alle macht God toebehoort? Dit is Zijn schepping en Hij zal ermee doen wat Hem behaagt. Maar temidden van deze uitgebreide verzameling activiteiten die overal gaande zijn, leven Zijn kinderen en Hij waakt ook over hen. In Psalm 11 staat dat "Zijn ogen de mensenkinderen gadeslaan." Hij waakt over de gehele wereld. Jezus heeft Zijn speciale aandacht op de kerk gericht. Dat is aan Hem gedelegeerd, zoals we straks zullen zien.

In ieder geval worden we echt geconfronteerd met een zaak van duidelijke logica voor iedereen die God gelooft. Hoe kan enige vijand van ons de werkelijke ongeziene Macht die achter en boven alle zichtbare machten staat, omzeilen en afleiden of uitschakelen? Zijn wil zal altijd van kracht blijven. Zo blijft dus de vraag: Tot wie wendt u zich in tijden van nood? God wil dat we te allen tijde als eerste aan Hem denken. We gaan rechtstreeks naar de top. We krijgen het beste advies, de beste aandacht, het vriendelijkste gehoor en de meest barmhartige reactie, zelfs als we verkeerde dingen hebben gedaan.

We gaan dit punt van macht specifieker bekijken zoals Jezus Christus dit onder woorden bracht. Laten we daartoe Mattheüs 28:18 opslaan.

Mattheüs 28:18 En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde.

Nogmaals, het woord "macht" hier kunnen we beter opvatten in termen van autoriteit. Het is het Griekse woord "exousia" (Strongs nummer 1849). We moeten erop letten dat Jezus zei dat Hem alle autoriteit gegeven was. Dit kan alleen maar waar zijn als er iemand is die groter is om Hem die autoriteit te geven. Laten we dat wat uitdiepen.

1 Corinthiërs 15:25-28 Want Hij [Jezus Christus] moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. 26 De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, 27 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. [We hebben hier twee voornaamwoorden. Wie is hier de "Hij" en wie de "zijn"?] Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. 28 Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Het enige wat we moeten doen om dat te weten te komen, is te beseffen dat de voornaamwoorden soms verwijzen naar de Zoon en soms naar de Vader. Degene die de macht in Jezus' handen gaf is de Vader, en de Zoon zal regeren totdat alles wat Christus aan Zichzelf moet onderwerpen, aan Hem onderworpen is. Daarna zal Hij alles aan de Vader overdragen.

In Mattheüs 28:18 is degene die Jezus de autoriteit gaf degene die grotere autoriteit heeft, en dat is de Vader. De Vader is dus uitgesloten van dat woord "alles" hier. We gaan naar nog een interessant schriftgedeelte in de brief aan de Colossenzen. Ook hier wordt over Jezus gesproken.

Colossenzen 1:14-19 in wie wij de verlossing hebben [de Statenvertaling voegt toe: door Zijn [Jezus'] bloed], de vergeving der zonden. 15 Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, 16 want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; 17 en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; 18 en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is. 19 Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken,

Paulus benadrukt hier de autoriteit van Christus' positie, duidend op Zijn status in relatie met alle anderen. Dat is de positie die Christus bekleedt en waar Hij staat in relatie met anderen, of dat nu menselijke of geestelijke wezens zijn.

Het woord "eerstgeborene" in vers 15 duidt er niet op dat Hij geschapen is, omdat andere verzen duidelijk laten zien dat Hij eeuwig heeft bestaan. Het woord "eerstgeborene" duidt op de "voornaamste" positie in termen van rang. Mensen betrokken bij voetbal-, basket- en baseballspelen schreeuwen: "Wij zijn nummer één!" Paulus zegt dat Christus de voornaamste plaats inneemt ten opzichte van iedereen, uiteraard met uitzondering van de Vader. Paulus laat dus Christus' rang zien in relatie tot alle andere wezens. Er is een reden waarom Paulus dit doet, vanwege de dingen die hij iets later in de brief aan de Colossenzen schrijft. Een voorbeeld hiervan vinden we in Colossenzen 2.

Colossenzen 2:7-10 geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging. 8 Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus, 9 want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; 10 en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht.

Een interessant woord in vers 8 is het woord dat vertaald is met "wereldgeesten" [in de Statenvertaling met: "eerste beginselen der wereld"]. Oppervlakkig bezien betekent dit niet meer dan elementaire of basiszaken. Dat woord heeft echter een interessante geschiedenis in samenhang met demonen, waarop we nu niet zullen ingaan. Paulus gebruikt dit om te zeggen dat in vergelijking met Christus, in termen van bestaan, elk wezen minder is, omdat het geschapen is. In termen van Zijn onderwijs beperkt elk ander onderwijs zich tot de "eerste beginselen" en als we daar verder op ingaan, is het demonisch. Dat woord "wereldgeesten" heeft betrekking op demonen. Als we iets van de Griekse religie zouden afweten, zouden we dat begrijpen.

In de verzen 9 en 10 benadrukt Paulus opnieuw Christus' superioriteit, Zijn boven alles staan en het feit dat Hij goddelijk is. Vers 9 bevat helaas een slechte vertaling, namelijk het woord dat met "godheid" is vertaald. Dat had vertaald moeten worden met "goddelijke natuur". "Want in Hem woont al de volheid der goddelijke natuur." Het woord "godheid" is erg misleidend, omdat Paulus binnen de context zegt dat Christus goddelijk is! Alle andere wezens zijn niets in vergelijking met Hem, en achter wat Christus zegt, staat het gewicht der goddelijkheid en Zijn onderwijs staat ver boven alles, zodat al het andere onderwijs in vergelijking zich beperkt tot "eerste beginselen".

Paulus moest bij deze mensen uit Colosse Christus in hun denken opbouwen, zodat ze gingen inzien met wat voor Wezen ze te maken hadden, omdat ze erg door demonen aangetrokken werden. Het onderwijs van die demonen was niet alleen misleidend, het was zo elementair dat het niet eens de moeite waard was om vermeld te worden. Laten we verdergaan.

Colossenzen 2:11-15 In Hem zijt gij [de christen uit Colosse] ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, 12 daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook medeopgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. 13 Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, 14 door het bewijsstuk [het verslag van onze zonden, onze overtredingen] uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen: 15 Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.

Paulus zegt dat "in Christus" de demonen, ongeacht hun rang op aarde onder Satan, door onze Verlosser werden verslagen. Hij is groter dan zij. Hij heeft een voornamere positie dan wie en wat ook, met uitzondering van Zijn Vader. Christus heeft de demonen verslagen.

Christus' rang gaat helemaal terug tot aan het begin en sluit in dat Hij degene was die werd gebruikt om alle dingen te scheppen. Zodoende is Hij de God waarnaar bijna op alle plaatsen in de gehele Bijbel rechtstreeks wordt gerefereerd. Dit is in het bijzonder van belang om te begrijpen als men het Oude Testament bestudeert.

We slaan nu het evangelie naar Mattheüs op.

Mattheüs 26:52-53 Toen zeide Jezus tot hem [Petrus]: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?

Toen Jezus mens was, kon Hij tijdelijk de macht die Hij als goddelijk Wezen bezat niet uitoefenen, en Hij functioneerde op hetzelfde niveau als andere mensen, behalve de macht die Hij bezat vanwege zijn goddelijke natuur. Hij begreep beter dan alle andere mensen het doel waarnaar toe werd gewerkt en Hij geloofde erin.

Denk er eens aan wie Hij was. Viel het u op naar wie Jezus Zich naar Zijn zeggen zou wenden als Hij hulp nodig had? Evenals u en ik zou Hij zich tot de Vader wenden. Daar hebben we ons voorbeeld. Hoe ontzagwekkend Hij ook was in de manier waarop Hij Zijn leven leidde en in wat Hij deed, als Hij hulp nodig had wendde Hij Zich tot de Vader. Kunnen we een duidelijker voorbeeld vinden van wat juist is om te doen? Hij wist waar de macht lag en Hij wist Wiens wil gedaan zou worden. En dus gaf Hij te allen tijde, bij iedere gelegenheid, alles over aan de Vader, zodat Zijn wil gedaan zou worden zelfs al zou dat, zoals het inderdaad ook was, uiterst pijnlijk zijn toen Hij de marteldood stierf. We weten op basis van Zijn gebed dat dat in één opzicht niet was wat Hij wilde, omdat Hij evenals alle mensen wilde leven. Hij leefde om zo te zeggen niet om te lijden, maar Hij wist dat Gods wil het beste was, en dat Hij zou accepteren wat God ook maar met Hem voorhad, en Hij wist dat dat het beste was. Zien we het voorbeeld?

We slaan nu de brief aan de Hebreeën op. Op een literaire manier heeft deze brief één van de meest hoogdravende openingen die een boek maar kan hebben.

Hebreeën 1:1-3 Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, 2 die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. 3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge,

Nu is Zijn positie niet meer zoals die in Mattheüs 26 was. Zijn positie is nu daar waar Hij was voordat Hij mens werd.

Eén van de gedachten die ik had toen ik deze schriftgedeelten opzocht, is dat het Gods bedoeling is in het begrijpen van deze uitspraak, dat als God stierf, alles pal daarna in elkaar zou storten, zodat zelfs het dierlijke leven dat we nu bezitten tot een eind zou komen. Ons leven is mogelijk dankzij zuurstof en een zwakke vorm van elektriciteit die door ons lichaam gaat om alles te laten functioneren. Wat gebeurt er als de stroom [de kracht] wordt afgesloten, omdat de macht Hem toebehoort? Er zou een einde aan alles komen. Maar God is niet dood.

Laten we even heel kort aandacht schenken aan Satan, omdat hij leeft en actief is. In het boek Job zien we een eenvoudig principe.

Job 1:6-12 Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan. 7 En de HERE zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de HERE: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb. 8 Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. 9 En de satan antwoordde de HERE: Is het om niet, dat Job God vreest? 10 Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land. 11 Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit — of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! 12 En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen.

Job 2:1-6 Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan om zich voor de HERE te stellen. 2 En de HERE zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de HERE: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb. 3 Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. En nog volhardt hij in zijn vroomheid, hoewel gij Mij tegen hem hebt opgezet om hem, zonder oorzaak, in het verderf te storten. 4 Maar de satan antwoordde de HERE: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. 5 Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan — of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! 6 En de HERE zeide tot de satan: Zie, hij zij in uw macht; alleen, spaar zijn leven.

Beide schriftgedeelten zijn duidelijke voorbeelden dat Satan niets kan doen tegen de zonen van God als God hem dat niet toestaat. God houdt toezicht op onze voorbereidingen op het Koninkrijk van God. Satan is in feite een pion in Gods hand. God plaatst een beschermende muur rondom ons en beveelt Satan: "Tot zover en niet verder."

Openbaring 20:1-3 En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; 2 en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, 3 en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.

Openbaring 20:7 En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten,

Satan heeft evenals ieder ander slechts de macht die God hem geeft, en niet meer dan dat. Als God dat wil sluit Hij de macht onmiddellijk kort en een andere engel, die misschien wel minder machtig is dan Satan, doet hem de handboeien aan en zet hem in de gevangenis. Satan moet buigen voor Gods macht.

Er zijn veel schriftgedeelten die we in dit opzicht zouden kunnen opslaan. Ik noemde al eerder dat Jezus Zich tot de Vader wendde als Hij hulp nodig had. Laten we nog een schriftgedeelte in Johannes 14 opslaan dat dit heel duidelijk doet uitkomen. Jezus spreekt hier.

Johannes 14:10-11 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.

Begrijpen we wat daar staat? Daar staat dat de Vader al die wonderen verrichtte en Zijn woorden inspireerde.

Het is mogelijk dat de keus om dingen te doen zoals Hij deed, uit Jezus' denken voortkwam, maar als mens bezat Hij niet de macht om die dingen te doen. De Vader stond achter Hem. Zo hecht was hun relatie. Op een andere plaats zei Jezus: "De Vader hoort Mij altijd." Wat een relatie! Dat leek op twee geesten die absoluut synchroon liepen en als Jezus dus op water wilde lopen, stond de Vader daar direct achter, anders zou dat niet mogelijk zijn geweest.

De Vader maakte dat mogelijk. Hij kalmeerde de zeeën en bedaarde de stormen. Als mens beschikte Jezus niet over die macht. Daarom zei Hij tegen Petrus: "Berg uw zwaard op. Als Ik hulp nodig heb, wend Ik Me tot Mijn Vader en Hij zal Mij een aantal legioenen engelen sturen en alles zal voor ons in orde komen."

Ziet u, God wil dat wij worden als Zijn Zoon, dat we naar het beeld van Zijn Zoon zullen worden gevormd. Daarom zei Hij dat iemand met geloof bergen kan verzetten. Zo iemand zal niet werkelijk bergen verzetten, maar als iemand zo dicht bij God staat dat hij Gods wil begrijpt en hij wil bergen verzetten, dan zal God de bergen verzetten. God zal reageren op degene die zo met Hem gesynchroniseerd is dat hij weet wat Gods wil in een bepaalde situatie is.

Het begrijpen van Gods hand in de dingen wordt ook geïllustreerd door het feit te onthouden dat wij een beeldhouwwerk van klei zijn, dat door onze Schepper wordt gekneed en gevormd. Is er enig kunstwerk, enig schilderij, enig beeldhouwwerk, enig houtsnijwerk, borduurwerk of gewoon een lekkere maaltijd dat de inherente macht heeft zichzelf te vormen? Wij hebben die niet en we zijn het prachtigste kunstwerk dat er is.

Ons naar het beeld van God kneden en vormen vereist liefde, wijsheid en vele andere vermogens die ver uitgaan boven alles waarover een mens, en zelfs Jezus als menselijk wezen, beschikt. Dit heeft interessante consequenties.

Exodus 32:21-24 Toen zeide Mozes tot Aäron: Wat heeft dit volk u gedaan, dat gij zulk een zware schuld daarover gebracht hebt? 22 Maar Aäron zeide: De toorn van mijn heer ontbrande niet; gij weet zelf, dat dit volk in het boze ligt. 23 Zij zeiden tot mij: Maak ons goden, die vóór ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd — wij weten niet, wat er van hem geworden is. 24 Toen zeide ik tot hen: Wie heeft goud? Rukt het af! Zij gaven het mij en ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit.

Wat een rechtvaardiging! Dit moet ons aan het denken zetten. Deze belachelijke rechtvaardiging is opzettelijk in de Bijbel geplaatst om te laten zien wat er gebeurt als menselijke wezens hun voorstelling van God gestalte gaan geven. Het draait altijd uit op een model of een kopie van iets dat God reeds heeft gemaakt en daarnaast meestal ook nog op een veel lager niveau dan de mens. Alleen God moet worden gediend. Over hoeveel macht had dat gouden kalf de beschikking?

Deze preken hebben ons laten zien dat alle macht op één plaats zetelt, daar waar de Vader en de Zoon zijn, en we moeten Hen aanbidden. Er wordt een relatie met Hen opgebouwd waar wij ons voordeel mee kunnen doen en die we kunnen ontwikkelen, waardoor we Hun denken gaan begrijpen en in ons leven gaan gebruiken.

Ik wil u laten zien hoeveel God voor ons doet voordat we uiteindelijk tot bekering komen. Allereerst is het God die ons roept en Zichzelf aan ons openbaart.

Johannes 6:44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

Als God Zich eenmaal bij ons introduceert, dan is Hij degene die ons berouw geeft.

2 Timotheüs 2:25 met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren [Statenvertaling: dat God hun bekering gaf tot erkentenis der waarheid].

Romeinen 2:4 Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?

God geeft ons geloof zodat wij kunnen doen wat Hij van ons verlangt, zelfs tot bekering komen.

Efeziërs 2:8-9 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme.

De volgende verzen bevatten nog drie andere dingen waarin God voorziet. Hij voorziet in onze Verlosser door middel van het volmaakte leven en de dood van Jezus. Hij wekte die Verlosser na Zijn dood weer tot leven en Hij geeft ons Zijn eigen Geest opdat wij eeuwig leven zullen hebben.

Handelingen 5:29-32 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. 30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; 31 Hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken. 32 En wij zijn getuigen van deze dingen en ook de heilige Geest, die God hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn.

In Romeinen 4, te beginnen in vers 23 en dan verder tot Romeinen 5:10, zult u zien dat het God is die ons rechtvaardigt. God opent de deur om toegang tot Hem te verkrijgen. God geeft ons Zijn liefde. God geeft ons de opgestane Jezus Christus als onze Hogepriester.

Romeinen 4:23-25 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.

Romeinen 5:1-10 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is, 6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. 7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven — maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven — 8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft;

Hebreeën 2 zegt ons dat God ons door Jezus Christus heiligt.

Hebreeën 2:8-13 alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. 10 Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken. 11 Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen, 12 en Hij zegt: Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen; 13 en wederom: Ik zal op Hem vertrouwen, en wederom: Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft.

In Johannes 17:17 vroeg Jezus God in Zijn gebed ons te heiligen door Zijn woord en dat Gods woord waarheid is.

Johannes 17:17 Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid.

Voor het geval u niet begrijpt hoe belangrijk heiliging is, wil ik dat u het volgende in overweging neemt: God rechtvaardigt ons op genadige wijze door middel van Christus' bloed en voorziet ons dan van Christus' gerechtigheid, waarmee Hij ons toegang verleent tot een relatie met Hem. Het is echter het heiligingsproces dat de wetten van God in onze harten en ons denken schrijft en Gods gerechtigheid in het dagelijks leven letterlijk de onze maakt.

Weet u dat Hebreeën 12:14 zegt dat "zonder heiliging niemand de Heer zal zien"?

Hebreeën 12:14 Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien.

Het heiligingsproces maakt ons heilig en God verlangt daarbij van ons onze medewerking. In die tijdsperiode worden we letterlijk gevormd naar het beeld van Jezus Christus en ook worden we in die tijdsperiode voorbereid op het Koninkrijk van God.

Dat is echter nog niet alles. In 1 Corinthiërs 12 geeft God een hele lijst van gaven die Hij ons naast alle andere dingen geeft, maar deze worden in het bijzonder gegeven zodat wij ons deel binnen de kerk kunnen uitvoeren. Wat God van ons verlangt, daartoe stelt Hij ons ook in staat. Daarom moeten we ons voortdurend tot Hem blijven wenden.

1 Corinthiërs 12:4-11 Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; 5 en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here; 6 en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 7 Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. 8 Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; 9 aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; 10 aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. 11 Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil.

In Efeziërs 4, de verzen 7 en 11 tot 14 laat God nog meer gaven zien die Hij aan elk van Zijn kinderen geeft om hun taak binnen de kerk uit te voeren.

Efeziërs 4:7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt.

Efeziërs 4:11-14 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt,

We gaan afsluiten met Johannes 3:27. De spreker daar is Johannes de Doper. Er komt een groep van de discipelen van Johannes de Doper naar Johannes toe en zegt: "Hé, weet u dat die man, Jezus van Nazaret, die u enige tijd geleden doopte, daar en daar predikt en meer mensen doopt dan u?" Ze moeten hebben gedacht dat Johannes de Doper hierdoor jaloers zou worden. Dat gebeurde echter in het geheel niet omdat Johannes dicht bij God stond.

Johannes 3:27 Johannes antwoordde en zeide: Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn.

Volgens Jezus' eigen woorden is Johannes de Doper de grootste mens die ooit heeft geleefd. Dat is een heel sterke aanbeveling. Hij zei dat er in ieder geval niemand boven hem stond. Misschien zijn er verscheidene anderen die op hetzelfde niveau staan, desondanks zwaait Jezus hem heel wat lof toe. Daarom moet de relatie met God ten koste van alles worden beschermd.

Er schoot me opeens nog een vers te binnen. Jacobus wil hierop ingaan. Ziet u, God is de bron van alle kracht die we voor behoud nodig hebben. Het doet er niet toe wat de situatie is. Hij wil dat wij ons tot Hem, als onze Vader, wenden om te ontvangen wat we nodig hebben en deze hulp niet in de wereld te zoeken.

Jacobus 1:17-18 Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer. 18 Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen.

Hier stoppen we ermee. Preek nummer drie komt over enkele dagen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)