Geloof, bestuur en de kalender (Deel 4)

Door John W. Ritenbaugh
12 februari 2000

Samenvatting: (toon)

In dit vierde deel van de serie over de kalender herhaalt John Ritenbaugh dat de vastgestelde Hebreeuwse kalender Gods trouw weerspiegelt om Zijn geestelijke nakomelingen te voorzien van een betrouwbare kalender. Om je eigen kalender op basis van foutgevoelig menselijk denken en dito veronderstellingen in elkaar te draaien komt overeen met de aanmatigende weg van Kaïn. Enkele van de Amerikaanse basiswaarden, zoals wedijver en individualisme, brengen – als ze worden toegepast op het veranderen van vastgestelde leerstellingen en regels – een automatische vloek met zich mee, bestaande uit een uit elkaar vallen en een dichtgeschroeid geweten voor hen die deze dingen doen. We kunnen de regels van de gemeenschap niet in eigen hand nemen door ze in ons eigen voordeel aan te passen en nog steeds een goed christen zijn. Het uitdagen van de kalender komt neer op het uitdagen van de wetten die samengaan met het burgerrecht Israëls (inclusief zijn kalender) en het uitdagen van de soevereiniteit van de almachtige God.


Ik ga deze preek beginnen met de volgende drie schriftgedeelten, omdat zij een grote rol speelden in het begrijpen van wat ik vorige week probeerde over te brengen.

Jeremia 7:21-23 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Voegt uw brandoffers bij uw slachtoffers en eet vlees; 22 want Ik heb tot uw vaderen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer en slachtoffer, 23 maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar [gehoorzaamt] mijn stem, dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga.

Vorige week probeerde ik boven alles te laten zien, dat onze hoop om God te behagen om in Zijn koninkrijk te zijn en eeuwig leven met Hem te delen absoluut gebaseerd is op Zijn genade en dat wij laten zien dat wij geloof hebben in wat Hij heeft gezegd. Hebreeën 11:6 zegt: "Zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn." Koppel dat nogmaals aan: "Gehoorzaamt mijn stem." Laten zien dat wij geloof hebben IS leven overeenkomstig wat Hij heeft gezegd. Het IS de aanbidding van God, Hem hulde betuigen op elk gebied van het leven.

De nadruk in dit woord aanbidding ligt op de handeling — het ontzag hebben voor God, het jezelf aan Hem geven, de dienst van Hem en Zijn volk, je in gehoorzaamheid aan Hem onderwerpen, het vereiste respect geven, of tienden geven, of offeranden geven, of wat het dan ook maar mag zijn.

Ik paste dit principe toe op het onderwerp van de kalender en ontdekte dat God heel weinig over de regels van de kalender heeft gezegd. Er zijn heel weinig "Zo zegt de HEER" uitspraken die Hij heeft gedaan met betrekking tot de kalender.

Een van de resultaten hiervan is dat mensen kalenders samenstellen op basis van eigen veronderstellingen. God zegt ons niet eens duidelijk of de maanden moeten beginnen met een nieuwe maan, op het moment dat hij volledig duister is, of met de allereerste zichtbare maansikkel, of met een volle maan. Elke kalenderontwerper is dus gedwongen persoonlijke en privé-oordelen te vellen betreffende de regels die nodig zijn voor zijn kalender.

De ene persoon legt grotere nadruk op dit en de andere op dat. Hun interpretatie van de Schrift varieert en daarom zijn al die kalenders verschillend. Dit is een vorm van "iedereen doet wat juist is in eigen ogen" en het resultaat ervan is gekibbel en verdeeldheid.

Stel uzelf een eenvoudige vraag. Weerspiegelen deze verschillen binnen de kerk de eenheid van de geest in de band des vredes? Mijn bijbel zegt me dat er slechts één geest de kerk van God leidt. Hoe kan iemand God behagen als hij probeert Hem te aanbidden op basis van iets dat hij zelf heeft ontworpen, in plaats van op God te reageren op basis van wat God heeft gezegd? Als God niets heeft gezegd, dan geeft die vorm van aanbidding God niet terug wat we van God hebben ontvangen.

Ik wil twee verzen lezen uit de brief van Judas. Laten we Judas, de verzen 10 en 11 opslaan. Daar geeft Judas voorbeelden hoe God heeft gereageerd op mensen die Hem niet hebben geloofd, Hem niet hebben aanbeden in overeenstemming met wat Hij heeft gezegd. Hij heeft het dus over het volk dat uit Egypte uittrekt. Hij heeft het over engelen die ontrouw werden. Hij heeft het over Sodom en Gomorra. In vers 8 zegt hij: "Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees." Hij heeft het over de valse dienaren die doorgingen met het doen van dingen om in zijn dagen de kerk achter zich te krijgen.

Judas 10-11a Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens, van nature weten, ligt hun verderf. 11 Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn opgegaan, ...

Dat is wat ik daar wilde lezen. Wat gebeurt daar, als de mensen in hun aanbidding van God niet teruggeven wat ze van God hebben ontvangen? Dat is niet alleen ongeldig, maar dat is het volgen van de weg die Kaïn destijds in Genesis 4 vaststelde. Kaïn bracht God de opbrengst van zijn eigen arbeid, niet wat God zei dat hij moest brengen. En hij werd verworpen ondanks alles wat naar het idee van Kaïn een heel grote toewijding moet zijn geweest, ziende hoeveel misplaatste toewijding hij in zijn inspanningen stopte. Kaïn stond zo versteld over zijn verwerping dat hij reageerde met haat en woede en zijn onschuldige broer doodde.

Gemeente, een kalender kan niet worden ontworpen op basis van vage algemeenheden die privé-oordelen vereisen. Dit is een recept voor verwarring en een situatie waarin iedereen doet wat juist is in eigen oog. En dat is nu precies het resultaat dat wordt voortgebracht.

Laten we 1 Timotheüs 5:8 opslaan.

1 Timotheüs 5:8 [Statenvertaling] Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.

Gemeente, met de beste wil van de wereld kan ik — wetende wat ik weet over Gods karakter — niet bevatten dat Hij dit principe uit Zijn eigen woord zou overtreden door Zijn kinderen niet van een kalender te voorzien. Door alle eeuwen heen was er, en blijft er, de kalender waarin Hij heeft voorzien, en waarin Hij behagen schept dat wij die als basis gebruiken om Hem te aanbidden — de vastgestelde Hebreeuwse kalender.

We zagen in die vorige preek ook dat twee erg gerespecteerde, uit meerdere delen bestaande en heel gedetailleerde, bijbelwoordenboeken het er allebei over eens waren dat er in de bijbel geen kalender te vinden is. De Anchor Bible Dictionary zegt: "Geen enkel deel van de bijbel, zelfs niet de bijbel als geheel, biedt een volledige kalender." De Interpreter's Dictionary of the Bible zegt: "Moderne studenten van de bijbel moeten dus beseffen dat het niet mogelijk is van een bijbelse kalender te spreken." Daarnaast zagen we dat andere autoriteiten uitspraken deden dat het heelal zo in elkaar zit dat het perfect met elkaar in overeenstemming te brengen van dagen, maanden en jaren onoplosbaar is.

Een perfecte kalender kan niet worden ontworpen, omdat God de hemellichamen op zo'n manier heeft geplaatst dat Hij een situatie heeft gecreëerd die ideaal is om ons te testen om te zien of onze onderwerping aan Hem in geloof ook standhoudt binnen een situatie die op ons als even tekortschietend overkomt als Gods opdracht om Isaak te offeren in eerste instantie op Abraham moet zijn overgekomen.

Gemeente, God heeft Zijn woord niet volgestopt met alle regels die nodig zijn voor een kalender, maar Hij heeft eenvoudig gesproken. De woorden zijn aan de joden toevertrouwd — aan Juda. En zoals we zagen, zijn ze niet allemaal trouw geweest. Paulus zei dat sommigen niet trouw waren. We moeten begrijpen dat de ontrouw van de joden hier niet het echte onderwerp is. Dat is of we geloven dat God trouw is geweest in Zijn toezicht en voorzienigheid.

Toen God tegen Kaïn en Abel zei: "Als jullie Mij benaderen, wil ik dat jullie met een geslacht lam komen", moet dat op Kaïn zijn overgekomen als simplistisch, ontoereikend en tekortschietend. "Ik kan toch veel meer dan dat geven!" Dat is precies wat sommige mensen denken met betrekking tot de vastgestelde Hebreeuwse kalender. Maar die kalender, evenals het lam, is hetgeen God wil, en daarom is dit wat Hij over dit onderwerp heeft gesproken. "Gehoorzaamt Mijn stem", zegt God. God heeft feitelijk datgene wat een gecompliceerd onderwerp kan zijn, eenvoudig gemaakt, proberend ons — ons allemaal — te vrijwaren van de controverse die we in woordenboeken, commentaren en encyclopedieën vinden betreffende de geschiedenis van kalenders.

Vandaag gaan we dit onderwerp alweer vanuit een ander perspectief bekijken, en wel vanuit het oogpunt van de soevereiniteit van God en bestuur. Laten we allereerst een paar vragen stellen.

Voelt u zich, als werknemer, vrij om de gedragsregels binnen het bedrijf of instituut waar u werkt, naar eigen goeddunken te wijzigen? Vindt u dat u als burger van uw dorp, stad, gewest, provincie en land het volste recht hebt verordeningen, statuten of wetten te wijzigen op ieder moment dat u vindt dat ze inbreuk maken op uw vrijheid van beweging, of u nu in een auto rijdt, of zaken doet, of een gebouw bouwt, of belasting betaalt?

Denkt u dat u het volste recht hebt een winkel binnen te lopen en de prijs van de goederen te verlagen die u van plan bent te kopen, omdat u denkt dat die te hoog is? Of stopt u gewoon met de betaling van rente en aflossing op uw hypotheek, omdat u gelooft, dat de berekende rente te ver afwijkt van wat u redelijk vindt? De meeste mensen zouden op bepaalde gebieden die ze misschien onrechtvaardig vinden, zoiets nooit doen, en toch hebben dezelfde mensen er blijkbaar weinig moeite mee zich een soortgelijke vrijheid aan te matigen om de leerstellingen van de kerk aan te passen, tenminste voor zichzelf.

Gemeente, dit type denken ligt ten grondslag aan het protestantisme en dit is een hoofdreden waarom zij zich, historisch bezien, in almaar kleinere groepen blijven splitsen.

Van tijd tot tijd lees ik in een boek dat Richard aan mij uitleende; het heeft als titel: "Nine Great American Myths" [Negen grote Amerikaanse mythen]. Het onderwerp van dat boek is dat veel van de theologische en filosofische onderbouwingen die de Amerikaan (en ik geloof ook veel andere Israëlitische naties) aansturen, erop zijn gericht individualisme voort te brengen ten koste van de gemeenschap, en wedijver ten koste van samenwerking.

Deze filosofische en theologische onderbouwingen brengen mensen voort die voortdurend op de rand van ontevredenheid verkeren — mensen die altijd op weg zijn naar iets nieuws, altijd op de grens van uit elkaar vallen, en daarom verhuizen we snel of vestigen we ons snel in lege, onontwikkelde gebieden. We scheiden gemakkelijk en gaan op zoek naar een nieuwe partner. We denken dat nieuwe wetten, nieuwe producten, nieuwe technologie altijd het antwoord vormen op de problemen van vandaag.

In de zakenwereld heeft dit de neiging heel wat welvaart voort te brengen, maar ten koste van de stabiliteit in gemeenschap, instituten, bestuur en gezin, en het lost nooit het onderliggende probleem op. In ons individualisme laten we in ons onderzoek deze dingen gewoon achter ons en gaan over tot de orde van de dag. Gemeente, ik geloof dat dit een grote invloed heeft op de kerk, en we werken niet met een waar principe dat met oplossingen aankomt die in overeenstemming zijn met Gods woord.

Laten we Romeinen 13 opslaan. Dit zijn verzen die we zo af en toe opslaan en ik weet dat u ermee bekend bent, maar ik wil dit punt betreffende een verandering in de orde van grootte van een kalender, duidelijk maken.

Romeinen 13:1-2 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. 2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.

Let op het woordje "dus" in vers 2. Dat duidt hier op een conclusie ten aanzien van de vorige uitspraak. "De autoriteit die bestaat is door God ingesteld. Dus wie die autoriteit weerstaat, weerstaat de instelling van God."

Romeinen 13:3-7 Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. 4 Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. 5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil. [Zodat uw geweten zuiver is voor God.] 6 Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten. 7 Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt.

God is de bedenker van menselijk bestuur. Dit heeft als algemene functies: beschermen, straffen en het algemeen belang bevorderen. Er staat duidelijk dat het weerstaan van menselijk bestuur het weerstaan is van de instelling, dat is dus de wet, van God. Als iemand van ons dus gemeenschapswetten in eigen hand neemt, dan is hij ongehoorzaam aan de soevereiniteit van God.

Maar nu gaan we zien dat Hij meer is dan alleen maar de bedenker. Daarvoor slaan we Daniël 4:17 op. Daniël staat voor Nebukadnessar en zegt:

Daniël 4:17 Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op het woord der heiligen, opdat de levenden mogen weten, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt.

God heerst. Hij is niet slechts de bedenker van menselijk bestuur. Hij heerst over het menselijk bestuur. Hij is er rechtstreeks bij betrokken. Hij houdt toezicht op de gehele mensheid, niet alleen op de kerk.

God heeft wat in dit hoofdstuk is vastgelegd, gedaan zodat de mensheid zou kunnen beseffen dat zelfs menselijke heersers, met schijnbaar veel meer macht dan gewone burgers, die autoriteit alleen maar uitoefenen met de instemming van God.

Laten we nu Daniël 2:20 opslaan.

Daniël 2:20-22 Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! 21 Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben. 22 Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem.

Hier hebben we alweer een spijker in dit bouwproject dat we aan het bouwen zijn. God, niet de menselijke heersers, is de Baas over hun bestemming. Zij plaatsten niet zichzelf in die functie, en het is hun niet toegestaan te doen waar ze zin in hebben. In Daniël 4:17 zegt God dat Hij soms de nederigste [Statenvertaling: laagste] onder de mensen in die functies aanstelt met als doel de uitvoering van Zijn plannen.

God is niet alleen de bedenker van menselijk bestuur, Hij installeert en neemt actief deel middels Zijn toezicht. Als God de laagste onder de mensen in hoge posities plaatst, brengt dat geen verandering in onze individuele verantwoordelijkheid. God heerst en Hij werkt naar Zijn eigen doel toe, en wij, individuele burgers, zijn alleen maar vrij binnen het raamwerk van dat doel.

Laten we nu 1 Petrus 2:11-17 lezen.

1 Petrus 2:11-17 Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; 12 en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking. 13 Onderwerpt u [dus (in de NBG is dit Griekse woordje weggelaten)] aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil [om Hem in onze onderwerping aan de menselijke instellingen te verheerlijken]: hetzij aan de keizer, als opperheer, 14 hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden [door God in die functie aangesteld] tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. 15 Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. 17 Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.

Ik weet niet hoe dit nog duidelijker onder woorden kan worden gebracht — iedere instelling. Het is voor een gelovige onmogelijk een goede christen te zijn en tegelijkertijd een slechte burger. Als wij, als christenen, de gemeenschapswetten in eigen hand nemen en ze, ongeacht wat de wet zegt, in eigen voordeel aanpassen, zijn we geen goede christenen. We zijn dan geen goede burgers. We zijn dan geen goede christenen. Het is onmogelijk een goede christen te zijn en tegelijkertijd een slechte burger. We moeten erkennen, aanvaarden en leven met het feit dat de machten die er zijn, door God zijn ingesteld, want er is geen autoriteit zonder God.

Gemeente, dit is Zijn schepping en Hij kan ermee doen wat Hem behaagt. Kunnen wij leren met die gedachte in ons hoofd te leven? Ziet u, menselijke regeringen zijn uitbreidingen van Gods bestuur, van Gods heerschappij, en dit principe is zelfs van toepassing op een atheïstische, menselijke regering, tenzij ze natuurlijk een wet uitvaardigen die tegen de Schrift ingaat. Maar zelfs in die situatie, moet de gelovige God meer gehoorzamen dan de mens, maar de gevolgen daarvan dragen die de maatschappij aan het overtreden van die wet heeft verbonden. Zo zult u God tevredenstellen, door u zowel aan Hem als aan Zijn bestuur middels de maatschappij te onderwerpen.

Ik denk dat we moeten kunnen inzien dat het ons niet vrij staat gewoon de wetten van de gemeenschap te wijzigen, onze verantwoordelijkheid jegens God bestaat er juist uit ons daaraan te onderwerpen. We gaan even in Johannes 19:11 zien hoever dat gaat. Dit strekt zich zelfs uit tot de Zoon van God, die God was in het vlees. Toen Hij op Zijn kruisiging afstevende, werd Hij natuurlijk voor Pontius Pilatus gebracht en Pilatus zei in vers 10:

Johannes 19:10-11 Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.

Nergens in Gods woord staat er dat wij de wetten van de gemeenschap moeten wijzigen, en we kunnen in Jezus' kruisiging zien dat Hij niets deed met betrekking tot het Romeinse en joodse bestuur over Juda. Zijn onderwerping ging helemaal tot het punt dat Hij hun toestond Hem op onwettige wijze het leven te ontnemen. Daar hebben we het voornaamste voorbeeld.

Laten we Daniël 7 opslaan en beginnen te lezen in vers 23 om te weten wat de context is en te zien over wie het daar gaat.

Daniël 7:23-24 Hij sprak aldus: Dat vierde dier is het vierde koninkrijk, dat op aarde zal zijn, dat verschillen zal van alle (andere) koninkrijken, en dat de gehele aarde zal verslinden en haar zal vertreden en vermorzelen. 24 En de tien horens — uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen.

Let nu op de beschrijving van wat dat wezen doet.

Daniël 7:25a Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, ...

Wie is degene die in Daniël 2 de tijden en de wet verandert? Het woord dat vertaald is met tijden sluit ook het veranderen van een kalender in. Het veranderen van een kalender is een ernstige zaak en wordt binnen het kader van dit vers beschouwd als een uitdaging van God!

Laten we 2 Thessalonicenzen 2:3-4 opslaan. Daar zien we een rechtstreeks citaat vanuit Daniël 7:24-25. Het is het onderwerp, het is de aanval, niet alleen het punt van "tijd".

2 Thessalonicenzen 2:3-4 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, [en Daniël 7:25 zegt: "Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen."] 4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.

2 Thessalonicenzen 2:3-4 en het soort denken dat in Daniël 7:25 weerspiegeld wordt, is verbonden met de vervolging van de heiligen, en ook met het veranderen van de kalender. De regel is dan: het is de regel en wet van de mens om de regel en de wet en het doel van God uit te dagen. Dit is zo, omdat God in Zijn soevereiniteit de autoriteit over en het toezicht op alles heeft; daarom wordt elke ongehoorzaamheid die met het nodige vertoon gepaard gaat, door Hem opgevat als een uitdaging van Hem.

Laten we Exodus 16:3 opslaan. In Exodus 16 zijn ze nog maar net uit Egypte.

Exodus 16:3 en de Israëlieten zeiden tot hen [tot Mozes en Aäron]: Och, dat wij door de hand des HEREN in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.

Waren ze buiten zichzelf? Mopperden ze? Klaagden ze? Waarover klaagden ze? Ze vonden datgene waar God hen mee voorzag, niet naar hun zin.

Exodus 16:8a En Mozes zeide: Als de HERE u in de avond vlees te eten geeft en in de morgen volop brood, omdat de HERE het gemor waarmede gij tegen Hem gemord hebt, gehoord heeft, ...

Als datgene waarin God voorziet ons niet aanstaat, dan roepen we Hem ter verantwoording.

Exodus 16:8b ..., wat zijn wij? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de HERE.

Laten we het daarbij laten en onze aandacht meer specifiek richten op de bijbelse natie Israël. Ik doe dit, omdat ik heb gemerkt, dat er onder leden van de kerk de neiging bestaat geen aandacht aan Israël te schenken, alsof het niet langer bestaat, alsof het een natie was die alleen maar in een ver verleden bestond en in de huidige tijd niet langer bestaat. De neiging is dat ze alleen maar denken aan de natie waarin ze nu leven en dat er geen verantwoordelijkheid bestaat jegens het bijbelse Israël.

Laten we Amos 9 opslaan, waar God een belangrijke uitspraak doet.

Amos 9:9 Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.

Dit vers bevat een essentieel feit tot het begrip van een belangrijk deel van het doel dat God aan het uitwerken is. Al komt Israël op de wereld over als geheel verstrooid, toch weet God waar iedere individuele Israëliet is, en Hij werkt een belangrijk deel van Zijn doel uit door middel van hen. Ik zou hier aan kunnen toevoegen dat Hij niet alleen weet waar iedere Israëliet is, maar Hij weet waar iedere Israëliet die ooit emigreerde, is gestorven.

Laten we nu Romeinen 11:1-12 opslaan. Het eerste vers is zeer belangrijk voor het onderwerp waar ik het nu over heb.

Romeinen 11:1a Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! ...

De meesten van ons denken, zonder er bij stil te staan dat ze dit doen, alleen maar aan de kerk.

Romeinen 11:1b ... Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

Met andere woorden hij zegt: "Luister eens, God riep mij uit Israël en Hij zette mij, een Israëliet, in binnen Zijn werk.

Romeinen 11:2-12 God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: 3 Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. 4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade. 6 Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer. 7 Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen [Israël] zijn verhard, 8 gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. [Dit met betrekking tot bekering.] 9 En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot een aanstoot en vergelding voor hen. 10 Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en doe hun rug voorgoed zich krommen. 11 Ik [Paulus] vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val [overtreding] is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken. 12 Betekent nu hun val [overtreding] rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

Romeinen 11:17-18 Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, 18 beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt — níet gij draagt de wortel, maar de wortel ú.

Wat is de wortel, gemeente? Dat is de natie Israël. Houd die gedachte vast! Zij zijn in Israël geënt en we zullen zo zien waarom. God is nog niet klaar met Israël.

Romeinen 11:19-21 Gij zult dan zeggen: er zijn takken [individuele mensen] weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. [Paulus zegt dan:] 20 Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! 21 Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen.

Romeinen 11:25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat,

Ziet u dat? "Gedeeltelijke verharding". Niet totaal, gedeeltelijke verharding ... Op dezelfde wijze hebben we de neiging met betrekking tot de joden te lezen dat ze allemaal verschrikkelijk grote zondaars zijn. De bijbel zegt dat niet. De bijbel zegt niet meer dan: "Sommigen waren ontrouw." We hebben ook de neiging erin te lezen dat heel Israël is verhard. Dat is niet het geval. Slechts gedeeltelijk, totdat de volheid der heidenen binnengaat.

Romeinen 11:26-32 en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. 27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. 28 Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. 29 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. [God is nog niet klaar met Israël.] 30 Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, 31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. 32 Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.

Gemeente, het kan zijn dat Israël niet weet wie ze zijn, maar God weet dat wel. Israël functioneert in deze wereld nog steeds als natie en Gods doel wordt nog steeds door hen uitgewerkt. Het grootste deel van Gods kerk is in deze tijd gevestigd in Israël (specifiek Jozef).

Laten we Genesis 12 opslaan om snel even door een aantal van die beloften heen te gaan die God aan Abraham gaf, zodat we kunnen begrijpen dat Israël Gods doel uitwerkt en daarvoor wordt gebruikt.

Genesis 12:1-3 De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

Toen Herbert Armstrong nog leefde, ging hij vaak door deze dingen heen en we leerden van hem dat deze zegen voor alle geslachten des aardbodems tweeledig is. Hij is geestelijk met Jezus Christus. En hij is fysiek door de naties van Israël; Israël is een zegen geweest voor alle naties. We hebben die taak niet zo best uitgevoerd, maar desondanks hebben we gedaan wat God zei, omdat God belooft dat Hij dit door die mensen uitwerkt, aan wie Hij de belofte gaf.

Genesis 13:15-17 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. 16 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. 17 Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven.

Genesis 15:5-6 Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. 6 En hij geloofde de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.

Genesis 17:4-7 Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5 en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. 6 Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten [Houd dat in gedachten, omdat dat belangrijk wordt.], tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.

Dit is een belofte die God geheel en al zal uitwerken middels het nageslacht van Abraham.

Dit boek dat u op uw schoot hebt liggen, of in de hand houdt, of op tafel — de bijbel — is het wetboek van de natie Israël. Er zijn geen andere naties op aarde die zo'n respect hebben voor de bijbel als Israël. Dat respect dat aan de bijbel wordt getoond is een overblijfsel van het erfgoed dat we van onze voorvaderen hebben ontvangen, terwijl ze door Europa en dergelijke heentrokken om uiteindelijk in het land dat in de eindtijd voor hen was bestemd, aan te komen.

De mensen in Israël weten niet dat ze Israël zijn, maar gemeente, wij weten dat wel, en dat is omdat weten wie we zijn, dat we Israël zijn, belangrijk is voor Gods doel, opdat we Hem met een vollediger begrip kunnen aanbidden en voorbereid worden op Zijn koninkrijk. Daarom openbaarde Hij dit aan ons, en Israël (in dit geval bedoel ik Juda) is het enige openbare overblijfsel, en gemeente, zij hanteren nog steeds de vastgestelde Hebreeuwse kalender van weleer. Als u me niet gelooft, doe dan wat onderzoek op het web en u zult zien dat ze zowel de gregoriaanse kalender als de vastgestelde Hebreeuwse kalender gebruiken. Soms ziet u dat er dubbele data worden gegeven.

Ik bedoel hiermee niet dat iedere website vanuit de joodse staat Israël beide kalenders zal tonen, maar de vastgestelde Hebreeuwse kalender is er te vinden en ze gebruiken ook de gregoriaanse kalender, omdat ze wel moeten om diplomatieke en commerciële zaken met de rest van de wereld te vergemakkelijken, maar intern speelt de Hebreeuwse kalender een veel grotere rol. Ze verloren nooit de kennis van wie ze zijn en in deze tijd weten ze nog steeds wie ze zijn.

Eén van de redenen waarom Juda de verantwoordelijkheid werd gegeven de woorden te bewaren, is dat ze, anders dan de rest van Israël, anders dan de kerk, door alle eeuwen heen een veel stabielere gemeenschapszin hadden, waardoor tradities konden worden overgedragen. Ze hadden een gettomentaliteit, ze groepten dus altijd bij elkaar, waartegen Israël de neiging had zichzelf te verspreiden onder de volken waar ze doorheen trokken.

God had dit allemaal van tevoren gepland. Bedenk, dat we weten wie we zijn.

Genesis 49:1 En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal.

Genesis 49 is een profetie voor de eindtijd. Let op wat er in vers 10 staat met betrekking tot de eindtijd.

Genesis 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf [Statenvertaling: wetgever] tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.

De King James zegt voor dat woord gehoorzaam, "samenkomen". Dit woord heeft Strongs nummer 3349, dat duidt op 'samenkomen om te gehoorzamen'.Voor wat betreft het tijdsverloop van Genesis 49:10 is Silo nog niet gekomen. Juda is door aanstelling van God, nog steeds de wetgever.

Weet u waar Hij het in vers 10 over heeft, als er staat: "En [tot] hem zullen de volken [samenkomen om hem gehoorzaam [te] zijn "? Hij heeft het over de verdrukking, na de dag des Heren, na de slag van Armageddon als Israël uiteindelijk bijeenverzameld is; dan zullen we in die zin samenkomen wanneer Silo komt. Dan zullen de mensen bijeenverzameld worden. Het is gewoon alweer een aanduiding dat dit voor de eindtijd is bestemd. Juda is de wetgever. Zij zijn de bewaarders der wet. Zij zijn de wetgever. Niet Jozef. Niet Ruben. Niet één van de andere stammen. Juda is de wetgever. De woorden werden aan Juda toevertrouwd.

Laten we nog op een andere plaats gaan lezen. Laten we daartoe Psalm 108:6 opslaan. Dit is een psalm van David. Het onderwerp van Psalm 108 is de eindtijd.

Tussen twee haakjes, dit is niet helemaal een terloops gemaakte opmerking, het is niet superbelangrijk, maar het boek Psalmen is verdeeld in vijf boeken. Psalm 107 is het begin van het vijfde en laatste boek. Het onderwerp van de psalmen in dat laatste boek (Psalm 107 tot en met Psalm 150) zijn eindtijdgebeurtenissen, en worden afgesloten met de wederkomst van Christus en een geweldige, prachtige psalm, ... u weet wel — "Halleluja!" na "Halleluja!", omdat Hij uiteindelijk terug op aarde is.

Psalm 108:6-7 Verhef U boven de hemelen, o God, uw heerlijkheid zij over de ganse aarde. 7 Opdat uw geliefden ten strijde toegerust zijn, geef overwinning door uw rechterhand en antwoord mij.

Wie zijn "uw geliefden"? Het zou David kunnen zijn [De heer Ritenbaugh zegt dit, omdat het in de KJV gebruikte woord ook enkelvoudig kan worden opgevat.], omdat dat de betekenis is van David — "erg geliefde". Het zou Israël kunnen zijn, en dat zou zeer zeker ook goed passen. Het kan ook de kerk zijn, die "de geliefde" is van de wederkerende Jezus Christus en degene aan wie Hij gebonden is om in het huwelijk te treden.

Psalm 108:8-10 God heeft gesproken in zijn heiligdom. Ik wil juichen, ik wil Sichem verdelen, het dal van Sukkot uitmeten. 9 Mij behoort Gilead, mij behoort Manasse, Efraïm is de schutse van mijn hoofd, Juda is mijn [Statenvertaling: wetgever] heersersstaf [in de eindtijd, vlak voor de wederkomst van Christus]; 10 Moab is mijn wasbekken, op Edom werp ik mijn schoen, over Filistea zal ik juichen.

Ik zeg hier niet dat Israël zijn verantwoordelijkheid zo goed uitoefent als het zou kunnen. Maar die verantwoordelijkheid is er en iedereen met enig verstand kan zeggen dat er een natuurlijke affiniteit bestaat tussen Israël en Juda. Bijna altijd zijn het Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten geweest die Juda te hulp schoten. De Zweden en de Nederlanders waren in het bijzonder verantwoordelijk voor het redden van vele joden uit de vernietiging door de nazi's.

De joden hebben niet alleen het wetboek van Israël bewaard, maar ook de kalender van Israël. Die kalender is de nationale kalender van Israël. Zij hebben deze dingen voornamelijk bewaard, omdat de Kerk van God er behoefte aan zou hebben.

Komt het niet heel vreemd op u over dat juist de mensen die druk uitoefenen om de kalender te veranderen wel de joden kunnen vertrouwen voor het bewaren van het Oude Testament, en daarna keren ze als een blad aan de boom om en verwerpen dezelfde mensen als het gaat over de kalender?

Laten we Romeinen 9 opslaan.

Romeinen 9:1-5 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: 2 Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. 3 Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; 4 immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften; 5 hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.

Vers 4 staat in de tegenwoordige tijd. Ik wil daar speciaal uw aandacht op vestigen. Deze dingen — de aanneming, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, het dienen van God en de beloften — deze gaven en de bijbehorende verantwoordelijkheid zijn ook nog steeds van kracht. Die dingen werden aan Israël gegeven.

Begrijp alstublieft dat de kerk in geen enkel opzicht Israël in Gods plan heeft vervangen. Israël voert nog steeds zijn verantwoordelijkheid jegens God uit, hoe zwak dan ook. Israël verspreidt over de gehele wereld bijbels. Israël stuurt missionarissen, zendelingen en evangelisten uit. Het zijn voornamelijk Israëlieten die al die hulpmiddelen bij de bijbel schrijven, zoals woordenboeken, commentaren, concordanties en encyclopedieën. Gemeente, de kerk is een klein onderdeel, een overblijfsel, dat is precies hoe Paulus ons noemt, dat betekent dat we een klein deel binnen Israël vormen en binnen Gods plan.

De kerk is momenteel het voornaamste aandachtspunt binnen Gods doel, maar Israël bestaat nog steeds ... is nog springlevend en wij hebben binnen Gods doel een verantwoordelijkheid jegens hen. Wij zijn Israëlieten.

Laten we nu Hebreeën 8:7 opslaan.

Hebreeën 8:7-8 Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. 8 Want Hij berispt hen [het volk], als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls [niet de kerk] en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen,

Het Nieuwe Verbond wordt gemaakt met de natie Israël. De bijbel zegt niet dat het met de kerk wordt gemaakt. Gemeente, wij moeten op de een of andere manier het grotere geheel weer in het oog krijgen. De kerk is een onderdeel van Israël. Het verbond zal met Israël gemaakt worden. De kerk is niet meer dan een voorloper van wat komen gaat.

Laten we Efeziërs 2:11 opslaan. Wij hebben een verantwoordelijkheid jegens Israël, omdat wij Israëlieten zijn. Het is goed te bedenken dat dit gedeelte alles wat ik in ongeveer de laatste twintig minuten heb gezegd, aan elkaar bindt en het volgt pal op Paulus' onderwijs dat "door genade zijt gij behouden" en dat we Gods maaksel zijn, geschapen om goede werken te doen. Het tweede woord van vers 11 is "daarom", een woord dat duidt op een conclusie of een samenvatting. Hij zegt daarna in het licht hiervan, in het licht van behoud door genade en het doel waartoe we geschapen zijn:

Efeziërs 2:11a Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, ...

Viel dat u op? "Die vroeger heidenen waart naar het vlees." Bedoelt hij dat ze naar het vlees niet langer heidenen zijn? Het antwoord daarop is "ja". Zij zijn naar het vlees niet langer heidenen.

Efeziërs 2:11b-12 ..., en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde [toen ze naar het vlees heidenen waren] zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls [niet de kerk] en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld.

Bedenk dat al de dingen die hij in Romeinen 9 noemde aan Israël werden gegeven. Waarom? Opdat Zijn eerdere beloften die Hij aan Abraham had gegeven, vervuld zouden worden, en dat was de manier waarop Israël een zegen voor de gehele wereld zou zijn, zowel fysiek als geestelijk. En de toegang die we tot al die dingen hebben, hebben we omdat we Israëlieten zijn.

Het Griekse woord dat met uitgesloten is vertaald, duidt op het toebehoren tot iets tegengestelds. Omdat ze trouw verschuldigd waren aan een ander burgerrecht, konden ze niet tegelijkertijd deel hebben aan het burgerrecht Israëls. Paulus zegt dat ze nu trouw verschuldigd zijn aan Israël, in tegenstelling tot de tijd dat ze naar het vlees nog heidenen waren. "Te dien tijde waart gij zonder Christus, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld."

Efeziërs 2:13-20 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. 19 Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer [uitgesloten van het burgerrecht Israëls], maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.

Mijn studiebijbel zegt het volgende met betrekking tot "burgerrecht Israëls": "Burgerrecht bezitten van Israël roept het concept in gedachten van de oude Griekse stadstaat, waarbij een stad of provincie voor zijn burgers in veel waardevolle gunsten, voordelen en privileges voorzag, maar deze niet toekende aan vreemdelingen. Daar de geadresseerde heidenen voor de joodse natie, die Gods volk was, vreemdelingen waren, werd de heidenen de geestelijke zegeningen die Israël door God waren gegeven, onthouden."

Dit is een protestants commentaar. Zij begrijpen dit.

Dit is geestelijk belangrijk, omdat de verbonden, de beloften, de hoop, een relatie met God, door God allemaal via Israël verlopen, en wegens Gods keus niet via een andere natie, en de beloften die God deed en de verbonden van God werden allemaal met Israël gemaakt. Deze dingen worden aan de burgers van Israël aangeboden. Maar door Christus zijn heidenen naar het vlees zo dichtbij gebracht dat ze een eenheid kunnen vormen met Israëlieten. Zij zijn nu dus medeburgers met de heiligen. Maar burgers van wat? Wel ten eerste van het Koninkrijk van God — geestelijk Israël, maar ten tweede eveneens van de fysieke natie Israël.

Laten we daar eens vanuit een andere gezichtshoek naar kijken. Het gaat daar over hetzelfde onderwerp, maar vanuit een iets afwijkende gezichtshoek.

Jezus was een Israëliet, op dezelfde manier als Paulus in Romeinen 9:4 vermeldde dat hij een Israëliet was. Technisch was hij uit het geslacht der Benjaminieten, maar nationaal was hij een jood. En omdat hij een jood was, was hij een Israëliet.

Jezus was etnisch uit het geslacht van Juda, dus een jood, maar ook nationaal was Hij een jood. Maar omdat Hij een jood was, was Hij ook een Israëliet. De kerk wordt in de bijbel gezien als "het lichaam van Christus". In Paulus' beschrijving in 1 Corinthiërs 12 wordt ons gezegd dat we deel uitmaken van Zijn lichaam. Christus is het Hoofd en de kerk is in die analogie de rest van het lichaam. Als we dus deel uitmaken van Zijn lichaam, zijn we er volledig in opgenomen. Als wij er volledig deel van uitmaken, zijn we wat Hij is. En wat is Hij? Hij is een burger van het Koninkrijk van God. Hij is een jood en daarom een Israëliet. En zelfs heidenen zijn nu Israëlieten en daarom schreef Paulus zoals hij deed, dat ze niet langer vreemdelingen waren, maar medeburgers van de natie waaraan de beloften waren gegeven, en medeburgers van de natie die ze ook zou ontvangen.

Ik weet niet of u daar reeds achter was, maar wat ik hier beschrijf is hetzelfde parallelspoor dat Darryl gebruikt in zijn serie over de profeten. Het is een bijbelse realiteit die begrip geeft van wat we meemaken, wat op geen andere manier kan worden begrepen. Israël en de kerk zijn als parallelsporen op een spoorbaan. Elk staat apart van de ander, maar evenals de rails op een spoorbaan zijn ze ook onlosmakelijk aan elkaar verbonden; ze worden in dezelfde richting getrokken en delen een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Dit betekent in de praktijk, dat we als burger van Israël de verantwoordelijkheid dragen aan haar wetboek, de bijbel, te gehoorzamen en haar kalender te gebruiken.

Laten we dit in nog wat meer detail bekijken en daartoe om te beginnen Colossenzen 1:13 opslaan.

Colossenzen 1:13 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde,

Dit vers zegt duidelijk dat God ons reeds beschouwt als zijnde in Zijn koninkrijk. God weet van te voren waar het opuit draait en Hij noemt de dingen die nog niet zijn alsof ze reeds wel zijn. Het Koninkrijk van God is nog niet volledig hier, maar in Zijn denken is God er zo zeker van dat Hij het tot stand zal brengen, dat Hij er reeds over denkt alsof het heeft plaatsgevonden. Dit is dus in de verleden tijd geschreven. We zijn reeds in dat koninkrijk.

Laten we Filippenzen 3:20 opslaan.

Filippenzen 3:20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten,

We zijn in dat koninkrijk en daar zijn we burgers van; we hebben dus een dubbel staatsburgerschap. Eén van de natie Israël, de ander van het geestelijke Israël. Dit is helemaal niet ongebruikelijk, zelfs niet in deze wereld. We hebben een schoonzoon die een dubbel staatsburgerschap heeft. Eén van Engeland en het andere van de Verenigde Staten.

Heeft u als burger van geestelijk Israël meer recht de wetten en de leerstellingen van die natie te veranderen, dan u als burger heeft in de natie waarin u werd geboren? Geeft God ons dat recht, die autoriteit? Gemeente, zoiets doen is een uiterst serieuze zaak, omdat we in dit geval niet eens met een gewoon staatshoofd vandoen hebben.

Ik denk dat een van de grootste problemen betreffende leerstellige verandering is, dat mensen dit veel te eng bekijken. Ze gaan ermee om alsof het een persoonlijk iets is, door niet in te zien dat de reikwijdte van deze dingen zich tot de gehele natie uitstrekt.

Laten we 1 Corinthiërs 11:3 opslaan.

1 Corinthiërs 11:3 Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God.

Hier hebben we Gods lijn van autoriteit voor het gezin.

1 Corinthiërs 12:28 En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, (bekwaamheid) om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.

Hier hebben we Gods lijn van autoriteit voor de kerk, waarbij we uiteraard moeten bedenken dat de Vader en de Zoon voorafgaan aan de apostel, en dergelijke.

Laten we Mattheüs 16:19 opslaan. In vers 13 zien we dat Jezus tot Zijn discipelen spreekt, en de enigen tot wie gesproken werd, waren degenen die apostel werden of waren.

Mattheüs 16:19 Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.

Hier hebben we een van de weinige plaatsen waar Christus rechtstreeks een bepaalde mate van autoriteit toekent en de context laat zien dat dit aan de apostelen is. Ook hier moeten we begrijpen dat deze voorzienigheid alleen wordt gegeven binnen het algehele kader van Gods soevereiniteit, omdat Hij alleen maar instemming zal geven aan een apostolische wijziging voor Zijn kerk waar Hij het ook mee eens is.

Zelfs aan de gezamenlijke dienaren is niet de autoriteit gegeven om leerstellingen te veranderen, evenmin aan jan en alleman binnen de kerk die vindt dat de een of andere leerstelling verkeerd zou kunnen zijn. Gemeente, doorzoek dit boek. Iedere leerstelling bedoeld voor de kerk is door een apostel of een profeet bekendgemaakt. In deze tijd vervult niemand een van deze functies, en geen groep mensen, geen raad van oudsten — het doet er niet toe hoeveel er zijn, hoe lang ze in de kerk zijn geweest, of hoe oud ze zijn — heeft de autoriteit, tenzij hij een apostel is. God heeft zelfs niet geopenbaard dat Hij onder het Nieuwe Verbond profeten heeft gebruikt zoals Hij onder het Oude deed.

Gemeente, er zijn mensen verbonden met de kerk die campagne voeren, net zoals de politici lobbyen voor een wetswijziging die ze willen doorvoeren. In deze tijd zijn de inspanningen gericht tegen de kalender. Vanuit bestuurlijk oogpunt hebben we niet de autoriteit wijzigingen voor de gehele kerk aan te brengen.

Ik wil Hebreeën 3:10-19 lezen vanuit een moderne vertaling [Het Boek]. Het onderwerp is de Israëlieten in de woestijn.

Hebreeën 3:10-19 [Het Boek] "Maar," zei God, "Ik keerde Mij van hen af, omdat hun hart altijd bij iets anders was dan bij Mij. Zij hebben nooit de wegen willen gaan die zij van Mij moesten volgen. 11 In Zijn toorn heeft Hij Zichzelf plechtig beloofd hen nooit in Zijn rust te laten leven. 12 Pas er dus voor op, broeders, dat geen van u slecht en ongelovig wordt, doordat hij zich in zijn hart van de levende God afkeert. 13 U moet hier elke dag met elkaar over spreken, nu er nog de tijd voor is; want niemand van u mag zich door de betovering van de zonde laten verharden, zodat hij niet meer naar God luistert. 14 Als wij Christus van het begin tot het einde trouw blijven, delen wij in alles wat Hij heeft. 15 Maar dat geldt al voor nú! Vergeet nooit deze waarschuwing: "Als u nu de stem van God hoort, verhardt u dan niet, zoals het volk Israël dat zich in de woestijn tegen Hem verzette." 16 En over welke mensen spreek ik hier? Wie kwamen, nadat zij God hadden horen spreken, tegen Hem in opstand? Dat waren de mensen die onder leiding van Mozes uit Egypte trokken. 17 Wie werden door de toorn van God getroffen, al die veertig jaar? Dezelfde mensen, die tegen Hem zondigden en daardoor in de woestijn moesten sterven. 18 En tegen wie had God het, toen Hij onder ede verklaarde dat zij nooit de rust en vrede zouden krijgen, die Hij Zijn volk beloofd had? Natuurlijk tegen al die mensen die Hem ongehoorzaam waren. 19 En waarom konden zij die rust en vrede niet krijgen? Omdat zij Hem niet wilden vertrouwen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)