De kalender (Deel 3): Geloof, hoop en de aanbidding van God

Door John W. Ritenbaugh
5 februari 2000

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh richt zich op de processen waarbij geloof en hoop worden ontwikkeld, en geeft daarbij aan dat de regels om een kalender op te stellen, een heel complexe bezigheid, niet in de bijbel staan. Inspanningen in zo'n project steken (in het bijzonder met beperkte of elementaire kennis van astronomie en wiskunde) is een dwaze en verkeerd gerichte ijver. Door gebruik te maken van foutgevoelige, menselijke veronderstellingen hebben sommigen binnen het grotere geheel van de kerk van God niet minder dan negen verschillende met elkaar in strijd zijnde kalenders in elkaar gedraaid. Het bewaren van de woorden (inclusief het bewaren van de kalender) is niet aan de kerk toevertrouwd, maar aan de stam Juda (Romeinen 3:2). Iets van het anti-joodse vooroordeel van de zogenaamde kalendersamenstellers riekt naar anti-semitisme. We moeten geloof hebben in Gods vermogen een werkende kalender te bewaren en Hem evenals Abraham onvoorwaardelijk geloven.


Er is misschien niets belangrijker in het leven dan de eredienst [aanbidding] van God. Ondanks het belang ervan dwingt onze cultuur ons ertoe bij eredienst meestal te denken aan wat iemand doet in een religieuze dienst. Maar eredienst is veel ruimer, omdat eredienst bestaat uit het hulde betuigen aan God. Eredienst is een handeling van respect uiten, respect geven, eerbewijs geven aan God. Het is het geven van eerbied, van respect en zo breidt het zich uit om iedere handeling van ons te brengen binnen het kader van onze relatie met Hem, en niet alleen maar wat iemand doet tijdens een dienst op de sabbat en de Heilige Dagen, of zelfs elke dag in gebed en bijbelstudie.

De nadruk ligt hier op actie, geven, dienen, gehoorzamen, betalen. Dit zijn allemaal aspecten van eredienst aan God. Eredienst kan dus beschrijven hoe we op Hem reageren in ons werk, thuis, in ons huwelijk, hoe we onze auto besturen, omdat de eerbied, het respect dat we Hem in elk van deze gebieden van ons leven geven, weerspiegelt hoe serieus we Hem nemen. Door eredienst laten we zien hoe belangrijk het werkelijk voor ons is om op Hem te lijken en Hem te behagen.

Deze preek zal gaan over geloof, hoop en de eredienst [aanbidding] van God, en hij zal ook enige tijd raakvlakken hebben met de kalender. We zullen beginnen met drie van de meest fundamentele schriftgedeelten betreffende geloof.

Efeziërs 2:8a Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, ...

Hebreeën 11:1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

Romeinen 10:17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.

Ik zal één vers lezen over "hoop". We slaan dat vers niet vaak op. Dat is Romeinen 8:24.

Romeinen 8:24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?

In Efeziërs 2:8 staat dat we door genade worden behouden, en dat laat het algemeen belang zien van geloof voor behoud. Hebreeën 11:1 — "Geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt" — bevestigt waarom het zo belangrijk is. Alles wat in onze relatie met God wordt gebouwd of ontwikkeld, hangt af van geloof in Hem. En Romeinen 10:17 zegt dat "het geloof dat behoudt" ontstaat door horen en het ontvangen van de woorden van God over God en Zijn doel.

Geloof kan door veel dingen ontstaan. Zelfs een valse boodschap doet dingen ontstaan en we zullen die geloven, maar alleen het geloof dat door Gods woord ontstaat, heeft in deze relatie enige betekenis.

Paulus is daarmee niet in tegenspraak met Efeziërs 2:8. Hier in Romeinen 8:24 duidt hij er veeleer op dat behoud een continu voortgaand proces is. Het hele gebeuren vindt niet in één keer plaats, maar hij zegt veeleer dat we in hoop verder blijven gaan met het proces. We worden behouden in hoop. Hoop is een noodzakelijk onderdeel van het proces dat gaande is, en we hebben door het gehele proces heen hoop nodig — helemaal tot aan het eind.

Als we jong zijn richt onze hoop zich gewoonlijk op een of andere vorm van speelgoed. Poppen of fietsen of videospelletjes zijn het soort dingen waar kinderen van nature op hopen. Als we ouder worden hopen we nog steeds, maar datgene waarop we hopen verandert langzamerhand in dingen zoals een auto, of kleding, of zelfs een vriendschap met iemand, of aanvaarding door een of andere groep die we bewonderen. We hopen dat een team waar we voorkeur voor hebben, wint. We hopen eerst voor de middelbare school te slagen, daarna voor het daarop volgend beroepsonderwijs en dan hopen we op een goede baan. We hopen dat we de juiste persoon zullen ontmoeten om mee te trouwen en een gezin te stichten.

Als we nog ouder worden en onze ervaring zich verbreedt, worden we hopelijk volwassen in ons denken en gaan we ons zorgen maken over de manier waarop de wereld in elkaar zit, en we vragen ons af waarom er zoveel conflicten zijn en we hopen op vrede. We vragen ons af waarom er zoveel afschuwelijke ziekten zijn en we hopen die niet op te lopen. We hopen op geneesmiddelen. We vragen ons af waarom er zoveel rampen zijn, die overal op aarde levens en eigendom vernietigen, en we hopen dat zij ons niet treffen.

Als we nog ouder worden, gaat onze eigen sterfelijkheid ons sterker bezighouden dan toen we jong waren, en we beginnen ons serieus met God bezig te houden, hopend dat we een goede relatie met Hem hebben en dat die relatie heel wat belangrijker wordt. We hopen dat dit leven niet alles is wat er is, omdat het echt een mislukking kan zijn. We hopen naar de plaats van veiligheid te gaan. We hopen op eeuwig leven, of zoals wij zeggen "in Gods Koninkrijk te zijn".

Hoop ontstaat gemakkelijk, omdat al onze vermogens, al onze zintuigen — ons gezichtsvermogen, onze smaak, onze reuk, ons gehoor en ons gevoel — zijn afgestemd op het hechten van een bepaalde waarde aan vele dingen en hopen op de dingen die we als het beste voor ons beschouwen. We zien dus iets moois en we hopen dat we nòg eens iets moois zullen zien. We ruiken een geur die misschien wel een kettingreactie van referenties in beweging zet en nostalgische herinneringen in ons naar boven doet komen. Of we horen een muziekstuk wat hetzelfde doet, en we hopen dat we dat soort plezier en ontroering nòg eens zullen meemaken. We proeven voedsel en we hopen dat we nòg eens iets zullen proeven dat zo goed smaakt. En we raken iets aan, of iemand raakt ons aan en dat geeft ons een gevoel dat we hopen dat zoiets nòg eens gebeurt.

Maar er is een heel belangrijk punt in al deze vormen van hoop en dat is dat de essentie — de meest belangrijke factor of datgene waarop we hopen, tot stand komt en in ons leven werkelijkheid wordt — de zekerheid (in navolging van Hebreeën 11:1) is, de grond, de verzekering, het bewijs, dat we datgene zullen hebben waarop we hopen. Zonder degelijk bewijs heeft iemand weinig of geen basis voor zijn hoop en is hoop slechts een verlangen, een kortstondige dagdroom.

Er zijn allerlei vormen van hoop die in ons denken opkomen, en net zo snel als ze opkomen worden ze terzijde geschoven, omdat we weten dat ze onmogelijk zijn. U zou kunnen hopen dat u morgen een miljoen dollars in handen zult hebben, en als u daarop hoopte, zouden in uw denken de volgende gedachten kunnen opkomen. "Ik zou dit kunnen doen." "Ik zou zo'n soort huis kunnen kopen." "Ik zou me zo'n type auto kunnen veroorloven." "Ik zou al mijn schulden kunnen betalen." "Ik zou mooie kleding kunnen kopen." Zo zou dat almaar verder kunnen gaan. Maar u weet dat het niet meer is dan een waandenkbeeld. Dat zal niet gebeuren, omdat er absoluut geen enkel bewijs is, geen enkele mogelijkheid dat er zo iets zou gebeuren.

Weet u wat het resultaat van zo'n hoop is? We zullen geen stappen nemen om het tot stand te doen komen. Om een hoop tot werkelijkheid te doen komen, om iets te worden dat we echt bezitten, moet het samengaan met een overtuiging, iets van zekerheid, een bewijs dat wordt voortgebracht door een werkelijk iets om zelfs maar de hoop vast te kunnen houden en ons te motiveren aan de verwezenlijking ervan te werken.

Toen ik nog jong was verlootte een van de verenigingen in de plaats waar ik woonde, bijna ieder jaar een glanzende, nieuwe auto, gewoonlijk een Buick, voor de volwassenen en een opvallende Schwinnfiets voor de kinderen — één voor jongens en één voor meisjes. De fiets was gewoonlijk metaalachtig kastanjebruin, of metaalblauw. Soms was hij metaalachtig groen. Gewoonlijk was hij tweekleurig. Hij was gewoonlijk ook op het voorspatbord voorzien van een lamp die op batterijen werkte en een op batterijen werkende claxon midden op het frame. Sommige van die fietsen hadden zelfs radio's die aan het stuur bevestigd waren.

Elk jaar keek ik weer naar die fiets en ik moest er altijd van huilen, omdat ik daarna naar de mijne keek die mijn vader van een jongen had gekocht die een kleine kilometer van ons af woonde; hij had deze samengesteld uit onderdelen van drie of vier andere fietsen. Hij was veelkleurig. Hij was dus meer dan tweekleurig, maar hij zag er niet uit. Er zaten zelfs geen spatborden op. De ketting liep altijd van het tandwiel. Dit gebeurde toen ik nog erg jong was, voordat ik dat zelf in orde kon brengen en ik had in mijn gedachten heel goede, gerechtvaardigde redenen om naar een betere te verlangen.

Er was echter een groot maar aan verbonden! Ik kon me de prijs van een lootje, tien cent, niet veroorloven, zelfs niet voor één lootje. Daarom had ik geen enkel bewijs, geen zekerheid, geen overtuiging dat ik die fiets ooit zou kunnen winnen. Er was absoluut geen reden tot hoop, en dus zette ik de hoop om een van de schitterende Schwinnfietsen in bezit te krijgen gewoonlijk maar uit mijn hoofd, die alleen maar vervangen werd door een slechte houding, omdat ik zo arm was.

Er moet bewijs zijn voor de hoop die we hebben, of hij is niet meer dan een wens, niets meer dan een droom, niets meer dan onze eigen verbeelding. We hebben hier vandoen met een proces dat heel belangrijk is voor geestelijke gezondheid, geestelijk welzijn en eeuwig leven, omdat Gods woord ons zegt dat geloof de zekerheid, de basis, het bewijs is van de dingen waarop we hopen. Het is zelfs de eigendomsakte van de dingen waarop we hopen. Het is het bewijs van dingen die we niet zien. Het zegt ons ook dat het enige geloof dat God zal aanvaarden, uit Zijn eigen woord voortkomt. Geloof — de overtuiging, de verzekering die in staat stelt een hoop te hebben die samenhangt met onze relatie met God — moet dus uit Gods woord komen.

En net zoals alleen een lootje gekocht van die speciale vereniging voor die speciale fiets in dat speciale jaar geldig was, zo is ook de enige reden dat we hoop kunnen hebben gebaseerd op of God iets heeft gezegd over de dingen waarop we hopen. Alleen een echte overtuiging die op Gods woord is gebaseerd is geldig, daardoor is er een reden dat onze hoop samenhangend met God en Zijn beloften vervuld zal worden.

Voor wat betreft hoop op eeuwig leven berust iedere fractie van hoop die we hebben absoluut op de trouw van God in het nakomen van Zijn beloften. Zijn woord is altijd waar en daarop zou een overtuiging moeten worden gebaseerd. Zijn woord is altijd waar. Als er geen God is, of als Hij liegt, of als Hij op een of andere manier nonchalant is, dan hebben we geen enkele basis voor onze hoop en dat soort geloof is absoluut ongegrond. Dat is niets meer dan verlangend denken, en alles hangt daarom af van het feit dat Hij heeft gesproken en alles wat Hij zegt is waar.

Als we over een bepaald onderwerp niets van Hem hebben gehoord, hebben we niets om te geloven. Er is geen wet die ervoor is en ook geen die ertegen is. Zijn woord is wet. Er is dus geen wettige reden voor iets behalve menselijk geloof of menselijke emotie. We kunnen geen hoop hebben op iets dat niet bestaat. Doen we dat toch, dan doen we niet meer dan het oefenen van onze verbeelding.

Pas deze waarheid eens toe op het onderwerp van de kalender, die een plaats inneemt in onze hoop voor een goede relatie met God.

Waar in Gods woord hebt u ooit gelezen over uitstelregels? Dat hebt u nergens daarin kunnen vinden. Met andere woorden er is geen bijbelse openbaring van God die zegt of we die moeten toepassen of niet. En dat is niet de enige regel die ontbreekt.

Een kalender is een nauwkeurig instrument waarvoor veel nauwkeurige en strikt opgevolgde regels nodig zijn, opdat hij consequent kan werken. En God zegt ook nergens dat het eenvoudig moet zijn. De kalender is niet eenvoudig. Hij kan niet eenvoudig zijn, omdat het heelal niet eenvoudig in elkaar zit. Proberen de bewegingen van de aarde, zon en maan met elkaar in overeenstemming te brengen, is een vrij gecompliceerde zaak, in het bijzonder als u dit probeert voor een werk dat op wereldomvattende schaal opereert.

Ik heb enkele aanhalingen die ik wil voorlezen. De eerste is uit The Anchor Bible Dictionary, Volume I, Pagina 814, onder het artikel Kalenders met als subtitel: Oud-Israëlitisch en vroeg-joods.

Men kan veronderstellen dat de voorouders van Israël en de vroege Israëlieten zelf een of andere kalender (of kalenders) hanteerden, maar de bestaande bronnen staan ons niet toe vast te stellen wat de aard ervan was. Geen enkel deel van de bijbel, zelfs niet de bijbel als geheel, biedt een volledige kalender. Informatie over deze zaken moet bijeenvergaderd worden uit toevallige, vaak incidentele referenties naar data, dagen, maanden, seizoenen en jaren.

De volgende aanhaling is uit de Interpreter's Dictionary of the Bible, Volume I, Pagina 483, Artikel: Kalender:

De Hebreeën en de vroege christenen bezaten geen gepubliceerde en een wijdverbreid gezaghebbende kalender zoals die in deze tijd in algemeen gebruik is. De huidige joodse kalender is een uitkristallisatie van een lang proces van berekeningen en geschillen die niet alleen plaatsvonden in de eeuwen sinds de eerste uitgegeven joodse kalender (de vierde eeuw A.D.), maar evenzeer in de daaraan voorafgaande eeuwen. Moderne studenten van de bijbel moeten dus beseffen dat het niet mogelijk is van een bijbelse kalender te spreken.

Er was inderdaad een breed aanvaard patroon van tijdsberekening, maar in de bijbelse perioden was deze in het proces van voortdurende verandering en uitproberen. In de bijbel is geen kalender te vinden. God heeft niet gesproken om ons in Zijn woord een volledige verzameling regels te geven.

Encyclopedia Britannica, Artikel: Kalenders

Als we alleen aandacht schenken aan de beweging van de zon, kunnen de jaren en de verdeling van de dagen over de maanden zonder al te veel moeite worden vastgesteld, zoals in de gregoriaanse kalender. [Die is eenvoudig. Die is gemakkelijk.] Maar de moeilijkheden nemen fors toe als wordt geprobeerd zonne- en maanperioden op elkaar af te stemmen [Dat is het soort kalender dat wordt gebruikt om de Heilige Dagen een plaats te geven.], of als wordt geprobeerd de onderverdeling van het jaar te laten afhangen van de maan en tezelfdertijd de afstemming tussen het gehele jaar en de seizoenen intact te houden.

Hoe moeilijk is dat? Luister naar de volgende aanhaling uit Religious Holidays and Calendars door Kelly, Dresser, en Ross. Zij schrijven:

Het is een feit dat de bewegingen van de zon en de maan niet netjes overeenstemmen met de kalendersystemen van welke menselijke beschaving dan ook.

Uit het boek Time van Goudsmit en Clairborne:

Er zijn vernuftige kalenders ontworpen, maar een volledig nauwkeurige oplossing kan niet worden gevonden, omdat het probleem om de dagen, maanden en jaren met elkaar in overeenstemming te brengen echt onoplosbaar is. Het is onmogelijk een perfecte maan-zonnekalender op te stellen.

Veel van die mensen die boeken schrijven zoals Religious Holidays and Calendars, en Goudsmit en Clairborne met hun boek Time, zijn astronomen die hun gehele leven met dit soort dingen hebben gewerkt, en zij zeggen dat dit type kalender onmogelijk is. En toch hebben we mensen in de Kerk van God die weinig achtergrond hebben in dit nauwkeurige vakgebied, die hun eigen versies van de kalender maken en verwachten dat iedereen in de kerk die gaat hanteren. Het is mijn oordeel dat dit een misplaatste ijver is.

Laat me u gewoon een eenvoudig voorbeeld geven van een onoplosbaar kalenderprobleem. Men maakt er veel ophef over dat de Feesten in hun seizoen moeten worden gehouden. Gemeente, dat is een absolute, letterlijke onmogelijkheid binnen een wereldomvattend werk, omdat de mensen op het zuidelijk halfrond altijd uit de pas zullen lopen met de mensen op het noordelijk halfrond. Als het voorjaar is in Jeruzalem op het noordelijk halfrond, is het najaar in Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Australië. Zij houden Pascha in het najaar. Zondigen de mensen op het zuidelijk halfrond ieder jaar als zij de Feesten buiten het seizoen houden?

Zeg me eens, waar geeft God in Zijn woord aan dat de kalendertijden over de gehele aarde vanuit Jeruzalem moeten worden vastgesteld? Die regel staat niet in de bijbel. Dat is een veronderstelling die samenstellers van een kalender maken. Het kan zijn dat het een goede veronderstelling is, maar het is nog steeds een veronderstelling. God heeft Zich daarover niet rechtstreeks uitgelaten. En de mensen die deze kalenders samenstellen — sommigen in ieder geval — weten dit. Zij weten dat God Zich hierover niet uitlaat, omdat zij de vrijheid nemen om de plaats van vaststelling te verschuiven van Jeruzalem naar Greenwich in Engeland, of naar de internationale datumlijn, waarbij ze verscheidene uren gaan afwijken van de tijd in Jeruzalem.

Daarnaast zijn er anderen die verschuivende datumlijnen hebben, van maand tot maand gebruiken ze een andere. Dit kan oprecht zijn en met goede bedoelingen, maar ze doen dit op eigen gezag. Zij vellen persoonlijke en privé-oordelen op gebieden waarop God geen specifieke geboden heeft gegeven, en daarna proberen ze de kerk over te halen hen te volgen.

De autoriteit voor hen om dit te doen is niet in de Schrift terug te vinden. God zegt ons niet precies of we het feitelijke moment waarop de maan niet zichtbaar is moeten gebruiken, het moment waarop het dus donker is. Hij zegt ook niet dat het de eerste kleine maansikkel moet zijn. Hij zegt ons niet of het het een of het ander moet zijn. De bijbel zegt ook niet wanneer of waar een dertiende maand toe te voegen en wanneer binnen de cyclus deze toevoeging moet plaatsvinden. Hij zegt ons ook niet of we de gersteoogst in Jericho moeten gebruiken of die in Dan.

Ik zeg deze dingen gewoon, omdat er nog veel meer regels nodig zijn, in het bijzonder voor de wiskundige aspecten van de kalender. U kunt denken dat de voorbeelden die ik heb gegeven simplistisch zijn, maar ik heb ze met opzet zo gehouden, omdat ik wil dat we zien dat zelfs de meest algemeen aanvaarde aspecten van de kalender in veel gevallen op veronderstellingen zijn gebaseerd. Een kalender is een precisie-instrument en we kunnen geen kalender op veronderstellingen baseren.

Men heeft mij acht verschillende kalenders laten zien en ik begrijp dat men bezig is met een negende, die allemaal vanuit de Kerk van God voortkomen, behalve één en dat is de vastgestelde Hebreeuwse kalender die we al deze jaren hebben gebruikt. Elk van deze kalenders is in bepaalde opzichten verschillend, omdat de privé-oordelen van de samensteller van de kalender meer of minder belang hechtten aan verschillende bijbelse veronderstellingen. Wat openbaart God dan wel in Zijn woord? "Wat is dan het voorrecht van de Jood? Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd."

Voeg hier nog een kleinigheid aan toe. In Genesis 49:10 vinden we de profetieën betreffende de zonen van Jakob en wat ze in de eindtijd zouden doen.

Genesis 49:1 En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen [de eindtijd] wedervaren zal.

Zijn wij in de eindtijd? Ik hoop zeer zeker dat dat het geval is. Vers 10 zegt ons wat Juda in de laatste dagen zal doen.

Genesis 49:10 De scepter [het symbool van heerschappij] zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.

De correspondeert volledig met Romeinen 3:2. De woorden van God zijn aan de joden toevertrouwd. Het is hun verantwoordelijkheid om deze te bewaren en door te geven. Het bewaren van de woorden (de gezegden van God) is dus zelfs niet aan de kerk toevertrouwd. Hier vindt een zeer ernstig iets plaats.

Richteren 17:6 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen.

We zouden kunnen zeggen dat de koning dood is. Ik heb het over Herbert Armstrong. De apostel is dood. Bepaalde mensen gingen onmiddellijk van start en begonnen onmiddellijk dingen te veranderen; dit is niets meer dan een voortzetting van waar ze reeds mee bezig waren. Moeten wij het gedrag van die mensen in het boek Richteren overnemen? Staat het iedereen vrij te doen wat juist is in zijn ogen met betrekking tot de kalender?

Ik wil dat u begrijpt dat ik het niet alleen heb over het aanwijzen van een datum op een kalender. Als u een kalender gebruikt om een afspraak te maken, dan wordt de kalender daardoor niet veranderd. Ik heb het over het onbegrip van de regels en het veranderen van de regels die ten grondslag liggen aan de kalender zelf.

Wat geeft hetgeen ik u tot nu toe in deze preek gegeven heb, aan betreffende hen die veronderstellen hun eigen kalender te kunnen maken? Waar stellen zij hun geloof in? Aangezien God de regels niet in Zijn woord heeft gegeven, kan hun geloof niet solide daarop zijn gevestigd. Dat geeft mij dus met betrekking tot dit onderwerp aan dat ze niet in God geloven, omdat het een afwijking is van wat we van Hem door een apostel hebben ontvangen, een afwijking van meer dan 1600 jaar geschiedenis van de kerk en wat nog belangrijker is van wat er duidelijk in Romeinen 3:2 staat geschreven. Laten we Romeinen 3 weer opslaan, maar dit keer gaan we de verzen 3 en 4 lezen.

Romeinen 3:3b ... Als sommigen ontrouw geworden zijn, ...

Over wie heeft hij het hier? Hij heeft het over de joden.

Romeinen 3:3c-4 ..., zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.

Er zijn twee dingen die we hier moeten uithalen. Ten eerste zegt Paulus niet dat alle joden ontrouw waren. Hij zei sommige. Bijna iedereen die deze artikelen — die ik heb gelezen — over de kalender schrijft, heeft de neiging de joden te behandelen alsof iedere individuele jood alleen maar leefde om de christenen te misleiden en Gods weg te verdraaien. Misschien waren velen van hen daar inderdaad opuit, maar ze deden dat niet allemaal. Feitelijk zijn sommigen van die schrijvers daarin zo fel dat ik denk dat als deze artikelen openbaar zouden worden, ze vanwege hun geschriften van anti-semitisme beschuldigd zouden worden. Niet alle joden waren ontrouw. Sommigen waren dat.

Het tweede punt dat ik hieraan wil ontlenen is, dat het punt betreffende de gezegden van God en Zijn manier van leven niet afhangt van de trouw van de joden, maar veeleer van de trouw van God. "Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig." Ongeacht wat de joden doen, GOD ZAL TROUW BLIJVEN! Het is Hem onmogelijk niet trouw te zijn. God is geen leugenaar. Dat brengt ons dan tot een fundamenteel belangrijke vraag. Hoe moet onze eredienst van God verlopen [hoe moeten we God aanbidden], opdat het Hem behaagt?

Ik zal u een antwoord uit de Schrift geven en daarna kijken we nog wat verder. Laten we Hebreeën 11 opslaan. Eerst zal ik u het antwoord geven, daarna zullen we een voorbeeld bekijken. Het zal enige tijd kosten voor dat we bij dat voorbeeld aankomen.

Hebreeën 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. We moeten God aanbidden in en door geloof in wat Hij openbaart — in en door geloof dat verankerd is in wat Hij openbaart. We moeten Hem aanbidden door geloof in Zijn soevereiniteit. We moeten Hem aanbidden door geloof in Zijn voorzienigheid. We moeten Hem aanbidden door geloof in Zijn trouw en Hij geeft meer dan genoeg bewijs om ons in staat te stellen in te zien hoe en waar deze dingen aan ons worden getoond, zodat we Hem in geloof kunnen aanbidden, als we die bewijzen willen aannemen.

Dat laatste is heel belangrijk. Zelfs al stelt Hij het bewijs ter beschikking, zodat onze hoop werkelijk stevig verankerd kan zijn, zal het ons geen goed doen als we niet aannemen wat Hij zegt. De Israëlieten namen niet altijd aan wat Hij zei, en daarom zei Hij dat ze hardnekkig waren.

Laten we Jeremia 7:21 opslaan.

Jeremia 7:21-24 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Voegt uw brandoffers bij uw slachtoffers en eet vlees; 22 want Ik heb tot uw vaderen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer en slachtoffer, 23 maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar mijn stem [geef gehoor aan wat Ik zeg], dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga. 24 Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor [gaven er geen gehoor aan], maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts,

Ze kwamen met hun eigen ideeën aanzetten. Ze bedachten en schiepen manieren van God aanbidden op basis van hun eigen denken in plaats van terug te keren naar juist die dingen die God hun had gezegd.

Jeremia 7:25 van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat,

God deed middels Zijn profeten voortdurend datgene waar Hij verantwoordelijk voor was, en toch hebben mensen mij gezegd: "Het is geen kleinigheid als God Zijn volk vijftig tot vijfenzeventig jaar in onwetendheid houdt betreffende de kalender." Dat is niet wat God zegt. Dat is niet Zijn manier van werken. Dat is niet Zijn manier van doen. Hij verbergt Zijn weg in het geheel niet. Hij stelt die gaarne ter beschikking van Zijn kinderen.

Jeremia 7:26-27 doch zij hoorden naar Mij niet noch neigden hun oor, maar betoonden zich hardnekkiger dan hun vaderen. 27 Ook nu gij tot hen al deze woorden spreekt, horen zij niet naar u, en nu gij tot hen roept, antwoorden zij u niet;

Deze serie verzen vat samen waarom Israëls relatie met God zo stormachtig was en tot verdeeldheid leidde. Zij gaven Hem niet terug wat Hij hun zei te doen. Zullen wij hun voorbeeld herhalen? Wij zijn niet veroordeeld dat te doen. Het staat ons echter vrij te kiezen dezelfde weg te volgen die zij verkozen te volgen.

Laten we in het Nieuwe Testament een heel schril contrast hiermee opslaan. Dat staat in Romeinen 4:3, waar Paulus zijn betoog in de brief aan de Romeinen verder opbouwt. Als inleiding hierop beginnen we in vers 1 te lezen.

Romeinen 4:1-3 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

In tegenstelling tot het nageslacht dat uit Abraham voortkwam, geloofde Abraham God. Leg de nadruk op het woord God. Dat zette hem apart. Dat motiveerde hem God te gehoorzamen. Hij geloofde God, niet andere mensen, zelfs niet zichzelf. Er is zelfs een voorbeeld waar Paulus in 1 Corinthiërs 4 (zoals moderne vertalingen het weergeven) zegt: "Ik vertrouw zelfs mezelf niet!" Ons denken zit niet altijd op de juiste lijn. Gods denken en Gods woord ZIT altijd op de juiste lijn. De reden dat ik dit over Abraham zeg, is dat zijn geloof in God, zijn kennen van God, zijn kennis van God, hem ertoe bracht alles uit zijn eigen denken ter discussie te stellen, of het wel werkelijk in overeenstemming was met God.

Laten we in gedachten teruggaan naar Genesis 22. Dat is het hoofdstuk waarin God Abraham op de proef stelde door hem te zeggen, hem op te dragen: "Ik wil dat je je zoon neemt, je enige zoon, om met hem naar de berg Moria te gaan en hem daar te offeren." "Dood hem." "Breng hem ten offer."

Ik gebruikte die woorden omdat Gods eigen woord, het zesde gebod, zegt: "GIJ ZULT NIET DODEN." En hier zegt God Abraham zijn zoon te doden. Hier hebben we echt een anomalie, waardoor zijn geloof tot het uiterste op de proef wordt gesteld. Deze God die hij goed meende te kennen, had hem eerder geïnstrueerd dat hij zijn zoon aan geen enkele afgod, geen enkele valse god of wat dan ook, ten offer mocht brengen, omdat dat niet in lijn lag met het karakter van God. Abraham begreep dit. Zijn geloof werd werkelijk tot het uiterste getest, toen God hem zei zijn eigen zoon te offeren.

Denk nu niet dat Abrahams eigen denken niet heel wat mentale gymnastiek moest uitvoeren om te proberen deze anomalie in overeenstemming te brengen met een God die zegt: "Gij zult niet doden", en een God die je zegt eropuit te gaan om je zoon te doden. Ik ga hier doorheen, omdat ik wil dat u met betrekking tot de kalender ziet dat waarin God voor ons voorziet, ons niet altijd duidelijk is, maar Hij heeft Zijn redenen om te doen wat Hij doet. Stond het Abraham werkelijk vrij de omstandigheden te veranderen waarin God voor hem had voorzien, als hij die God trouw wilde blijven? Ik denk van niet.

Ik weet niet of u ooit de film "De bijbel" hebt gezien en ik weet niet of deze mensen dit wel zo nauwkeurig hebben uitgebeeld als ze konden, maar ik denk dat ze de essentie vatten van de mentale gymnastiek, de stress die dit in Abraham moet hebben teweeggebracht. Zij beeldden hem in die film op zijn tocht naar de berg Moria uit alsof hij de gehele weg heel wat met God had te debatteren. "God, hoe kunt u zoiets van mij verlangen?" U weet hoe ze in films dingen in actie moeten uitbeelden om een bepaald punt over te brengen.

Ik weet dat dit iets is dat toch wel vrij dichtbij de waarheid ligt, omdat Hebreeën 11 me zegt:

Hebreeën 11:17-19 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd [verwijzend naar Genesis 22], Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, 18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, 19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen.

Het woord overwogen [Statenvertaling: overleggende] in vers 18 is de vertaling van het Griekse logizomai, dat als basisbetekenis heeft: 'in je denken bezig zijn met berekeningen'. Abraham moest dit punt helemaal doordenken, alles wat hij op basis van zijn ervaringen met God over God begreep bij elkaar verzamelen, en ook alles wat God eerder had gezegd. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat wilde God God blijven en wilde Hij Zijn beloften gestanddoen, dat Hij dan Isaak zou moeten opwekken. En zoals u weet ging hij helemaal tot het uiterste, Isaak lag al op de stapel brandhout gereed om te worden gedood, toen God tenslotte tussenbeide kwam en in een offerdier voorzag. Toen noemde Abraham Hem "Yahweh-jireh" — de God die voorziet.

God las Abrahams denken en Hij wist dat in Abrahams denken Isaak reeds zo goed als dood was. Zo ver liet God het komen voordat Hij tenslotte tussenbeide kwam. Abraham geloofde God zelfs al begreep hij, daar ben ik zeker van, niet alles volledig. Dit geloof bracht hem zelfs zover dat hij bereid was degene die hem en Sara middels een wonder was gegeven, en die de gegeven beloften zou ontvangen, te doden. De nadruk ligt er hier op, dat hij handelde op basis van het woord van God. Hij handelde op basis van wat God zei en hij was in staat dit allemaal te berekenen, omdat hij de trouw van God begreep.

Pas dit nu toe op Romeinen 10:17. God sprak. Abraham hoorde die woorden. Abraham geloofde ze en had daarom een basis voor zijn hoop. Gods woord was de basis van zijn hoop en daarom verwachtte hij de stad waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Als er wordt gezegd: "Hij verwachtte de stad", dan betekent dat dat hij zichzelf erop voorbereidde daar te leven, omdat niemand die in God gelooft, tevergeefs hoopt. Daarom behaagde hij God, omdat hij aan God in aanbidding, eerbiedig, precies datgene teruggaf, wat God hem zei te doen. We kunnen hier tot een conclusie komen. De vraag in het leven is daarom: "WIE geloven we?", gecombineerd met "WAT geloven we?" Het is niet een zaak van oprechtheid, maar de werkelijkheid, de waarheid van wat we geloven, gecombineerd met de bron ervan.

Wat God zegt is altijd waar en daarom is de uitspraak die ik deed, dat er in de bijbel geen kalender is te vinden, zo belangrijk. God heeft Zich niet over die regels uitgelaten — alle regels die nodig zijn om het soort kalender dat Hij wil hebben, op te stellen. Voor wat betreft de kalender hebben we dus niet vandoen met de Schrift zelf. Maar in de bijbel staat wel dat God de verantwoordelijkheid daarvoor aan de joden heeft gegeven. DAAR heeft Hij Zich over uitgelaten en DAT moeten we horen en geloven. Anders hebben we geen basis voor onze hoop. Hij verschaft ons geen enkele basis om ons het recht toe te eigenen de regels van de kalender te veranderen, de kalender die Hij Zelf bewaart.

Hij heeft aan Romeinen 3 en Genesis 49 het getuigenis der eeuwen toegevoegd van het gebruik van die kalender, zowel door de joden als de kerk. Hij heeft het getuigenis toegevoegd van de vrucht dat verdeeldheid werd hersteld, van de eenheid die eruit voortkwam en in tegenstelling daarmee de vrucht van de verdeeldheid en het gebrek aan effectiviteit dat onstond in hen die probeerden de kalender te veranderen.

Persoonlijk maak ik me geen zorgen of de vastgestelde Hebreeuwse kalender technisch volmaakt is. Mijn geweten is zuiver, omdat dit mij gegeven is als middel om God te aanbidden. Ik weet doordat ik al veertig jaar de Feesten houd, dat als het Pascha en de dagen der Ongezuurde Broden aanbreken, het volle maan is. Als het Loofhuttenfeest in de herfst aanbreekt, is het volle maan. Er is iets dat werkt. Maar het punt waar het hier om gaat is, waar heeft God de autoriteit neergelegd over de kalender die hier ten grondslag aan ligt, en daarom draait het om geloof in Hem dat Hij er trouw over zal waken, evenals Hij door hen het Oude Testament trouw heeft laten bewaren en Hij mijn aanbidding op basis van die kalender aanvaardt.

Laten we nu Hebreeën 11 opslaan.

Hebreeën 11:2, 4 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven. ... 4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Hij spreekt door Hebreeën 11.

Bedenk dat het onderwerp van deze preek is: "Hoe kunnen we God aanbidden op een manier die Hem behaagt?" Laten we nog eens terugkijken naar de eerste hoofdstukken van Genesis. Adam en Eva worden geschapen en in hoofdstuk 2 treden ze in het huwelijk. In hoofdstuk 3 zondigden ze en worden ze uit het paradijs gedreven, waarmee de aanbidding van God ten einde komt.

In hoofdstuk 4 worden de fundamenten gelegd die ons laten zien hoe we toegang tot God kunnen hebben en de daaruit voortvloeiende aanbidding van God die wordt ingevoerd. Of moet ik zeggen opnieuw ingevoerd, omdat God deze reeds bij Adam en Eva had ingevoerd, die de gehele mensheid vertegenwoordigden en daarna deze vernietigden door te zondigen?

Laten we Genesis 3:15 opslaan. God spreekt daar tot Satan.

Genesis 3:15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.

Genesis 4:1-5 De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn; en zij zeide: Ik heb met des HEREN hulp een man verkregen. 2 Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer. 3 Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de HERE een offer; 4 ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de HERE sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok.

Het is goed op te merken dat het opnieuw invoeren van aanbidding het allereerste punt is dat wordt geopenbaard na de vernietiging ervan die op de zonde volgde en de daarop uitgesproken vervloekingen. Het herstellen van contact met Zijn schepping is iets waar God in sterke mate naar uitziet.

Het eerste dat u hierna zou moeten zien, is Gods reactie op wat zij deden. Die is eenvoudig. Hij accepteerde de ene. De ander berispte Hij. Hebreeën 11:4 zei ons dat Abel in geloof handelde en daarmee een beter offer bracht. Daarom, omdat geloof voortkomt uit het horen van Gods woord, houdt Gods woord ons verantwoordelijk voor wat we horen. Op basis van deze woorden, weten we dan dat God tot allebei deze mannen sprak over wat Hij verwachtte. Als Hij niet tot Kaïn had gesproken, had Hij geen enkele reden om hem ter verantwoording te roepen voor wat hij deed.

Als God spreekt, wordt dat wet, en Paulus zei: "Waar geen wet is, is geen zonde." Gods boosheid over Kaïns offer was dus gerechtvaardigd, omdat de verlangde manier van offeren aan Kaïn was uitgelegd. Beide mannen brachten een offer. Abel hoorde, geloofde en gehoorzaamde. Kaïn hoorde, geloofde niet en gehoorzaamde niet.

Het is nodig op te merken dat het feit dat Kaïn een offer bracht, ons het duidelijk bewijs geeft dat Kaïn wel religieus was. Misschien was hij in feite wel erg religieus en het kan zijn dat zijn offer kostbaarder was dan dat van Abel.

Producten die arbeidsintensief zijn, zijn gewoonlijk duurder dan producten die niet arbeidsintensief zijn. Kaïn moest ploegen. Kaïn moest zaaien. Misschien moest hij bemesten. Hij moest verzorgen. Hij moest oogsten en hij moest dorsen — zeer arbeidsintensief in vergelijking met wat Abel bracht, niets meer dan een geslacht lam. Maar de kern van de zaak is dat hij het op zijn eigen manier deed, ongeacht zijn oprechtheid of zijn inventiviteit.

Wat Abel deed, werd aangenomen en was in overeenstemming met Gods instructies. Zo eenvoudig was dat. Abel nam wat God openbaarde voetstoots aan en hij handelde er gewoon naar. Kaïn bedacht iets waarvan hij misschien wel veronderstelde dat het een veel betere manier was, en hij ging God op zijn eigen manier aanbidden.

Het is interessant op te merken dat God in Genesis 3:17 de aardbodem vervloekte. En Kaïn ging zijn eigen gang en bracht een offer dat rechtstreeks uit de aardbodem kwam, waarmee hij in feite God nog een trap na gaf. In Hebreeën 9:22 staat: "En nagenoeg alles wordt met bloed gereinigd." Ongeacht hoe hard Kaïn werkte om zijn offer voort te brengen, ongeacht hoe veel het mag hebben gekost, zijn zonde lag eenvoudig in het feit dat hij God onvoldoende geloofde om te offeren wat Hij zei. Zijn aanbidding schoot dus tekort.

Abels manier — de manier van geloof — is gebaseerd op hetgeen God zegt. Kaïns manier is gebaseerd op wat de mens denkt. Abels manier steunt op Christus' bloed. Kaïns manier steunt op wat de mens kan doen. Is het mogelijk dat we nu kunnen zien waar Paulus' onderwijs in Romeinen 4 over geloof en werken en aanvaarding voor God, en rechtvaardiging door God, vandaan kwam? Dat kwam rechtstreeks voort uit Genesis 4, gecombineerd met nog enige andere plaatsen.

Eén van de lessen hier is, dat de mens wegens Satans aansporingen altijd denkt dat hij het beter kan doen dan Gods eenvoudige instructies aangeven. We kunnen hieruit ook extrapoleren, omdat we op basis hiervan eveneens kunnen zien waar Jacobus' onderwijs betreffende geloof en werken vandaan kwam. Alleen de werken die uit geloof in Gods woord voortkomen zijn aanvaardbaar. De andere brengen de dood voort. Dat zijn "dode" werken, ongeacht hoeveel werk erin zit, ongeacht hoeveel ze kosten.

Er staat een interessante uitspraak in Prediker 7:29.

Prediker 7:29 Alleen, zie toch: ik heb ontdekt, dat God de mensen recht gemaakt heeft, maar zij zoeken vele bedenkselen.

De inventiviteit van de mens komt tot uiting in de veelheid aan manieren van aanbidding van God die hij heeft bedacht. We hebben alles van geweldige kathedralen en werkelijk fantastische gewaden en bellen en fluiten en wierook en gouden altaren en glas-in-lood ramen en kerkbanken — en wat nog niet meer. Dat maakt allemaal geen indruk op God. Daarom zei Hij in Jesaja 66: "Wat is dit gebouw dat jullie voor Mij hebben gebouwd? Denken jullie dat dat indruk op Mij maakt? Ik kijk uit naar iemand met een nederig hart, die voor Mijn woord beeft." Weet u waarom Hij wil dat de mensen zo zijn? Omdat de reactie op Gods woord door Hem precies terug te geven wat Hij zei, ons voorbereidt op Zijn koninkrijk. Dat maakt ons naar Zijn beeld. Dat is allemaal niet ingewikkeld.

Gemeente, God heeft Zich nauwelijks uitgelaten over de kalender. Het woord kalender komt zelfs niet in de bijbel voor. Er zijn zelfs bijzonder weinig regels die in de bijbel voorkomen. Hij heeft ons heel eenvoudig gezegd wat Hij wil. Hij heeft het bewaren van het Oude Testament, en daarmee ook van de kalender, aan de joden toevertrouwd. De kalender behoort daarbij, omdat deze essentieel is voor het houden van Leviticus 23. Hij heeft dat in hun handen gelegd. Het is hun taak die te bewaren en daardoor kunnen wij trouw op God reageren door middel van waarin Hij heeft voorzien. Wij behoeven geen rekening te houden met de zondigheid van de joden of de ontrouw van de joden. Het draait om de trouw van God. Hij voorziet altijd in wat Zijn kinderen nodig hebben.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)