Geloof, anomalieën en de kalender (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
8 januari 2000

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat het bij de kalendercontroverse niet echt gaat om mathematische of astronomische berekeningen, maar om geloof in Gods soevereiniteit, Zijn voorzienigheid, Zijn recht verantwoordelijkheden toe te kennen en Zijn vermogen om toezicht te blijven houden op deze verantwoordelijkheden. God is al meer dan 1600 jaar trouw geweest om in een betrouwbare kalender te voorzien. God blijft consequent in Zijn doel en in het toezicht houden en alles onder controle houden. Evenals onze voorvaderen, mogen we niet afdwalen van de dingen die ons gegeven of toevertrouwd zijn. We moeten vasthouden, de waarheid hoeden, onze vader in het geloof respecteren en weigeren te snuffelen in verderfelijke, valse leerstellingen. Het bewaren van de kalender werd aan de joden toevertrouwd, specifiek aan de Levieten. Geen enkele groep van mensen (een kerk) of privé-persoon kan zich deze verantwoordelijkheid op aanmatigende wijze toeëigenen.


Deze preek hangt samen met de vorige over "de kalender", in die zin dat hij verdergaat met het thema dat ons geloof in de trouw van God van vitaal belang is met betrekking tot de kalender. Er is geen enkele technische, wiskundige berekening van vitaal belang. Ook de uitstelregels of enig wantrouwen dat we persoonlijk jegens de joden zouden kunnen hebben, is niet van vitaal belang. In het vervolg van de preek zullen we nog grondiger gaan zien wat het kritieke punt is voor wat betreft dit onderwerp.

Hebreeën 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Dit vers laat in één beknopte uitspraak zien hoe ontstellend belangrijk geloof voor ons is. Zonder geloof kunnen we God niet behagen. De woorden "moet geloven dat Hij bestaat" zijn een beetje misleidend. Op het eerste gezicht geven ze de indruk dat we niet meer hoeven te doen dan geloven dat God bestaat. Maar een juist begrip van deze zin laat heel wat meer zien, en deze kan niet uit het verband van zijn gehele context binnen het geheel van het hoofdstuk worden gelicht.

Luister naar deze aanhaling die ik u betreffende deze zin ga geven uit het Commentaar van Adam Clarke.

De man die belijdt dat het zijn plicht is God te aanbidden, moet — als hij volgens zijn verstand handelt — dit doen op basis van de overtuiging dat er zo'n Wezen is, oneindig, eeuwig, zonder oorsprong en leven hebbend in Zichzelf. Die is de oorzaak van al het andere bestaande, van Hem hangt al het bestaande af, en door Zijn energie, overvloed en voorzienigheid bestaan en leven alle wezens, en worden ze voorzien van de middelen om dit leven in stand te houden. Hij moet ook geloven dat Hij hen die Hem ijverig zoeken, beloont; dat Hij niet onverschillig staat tegenover Zijn eigen aanbidding, dat Hij verlangt te worden vereerd en dat de mens Hem in religieus opzicht dient, en dat Hij hen zegent en in het bijzonder beschermt en behoudt die in eenvoud en oprechtheid van hart Hem zoeken en dienen.

Dit soort geloof is niet een oppervlakkige, voorbijgaande gril, maar een levende, toegewijde en gedisciplineerde overtuiging dat zijn uitwerking heeft op ieder aspect van iemands leven in een pogen op Hem te gaan gelijken, omdat dat de betekenis is van "Hem zoeken". We moeten altijd bedenken dat, omdat God roept en Zich aan "de geroepenen" openbaart, het bijbelse "Hem zoeken" niet betekent naar Hem uitkijken in de hoop Hem te vinden, maar naspeuren om te worden als Hij. Dit soort geloof brengt Hem eer. Dit soort geloof stelt iemand in staat Hem in geest te aanbidden en brengt werken voort die lijken op de werken die in de rest van dit hoofdstuk zijn beschreven.

Met betrekking tot geloof en de kalender op zich, hebben we niet rechtstreeks vandoen met de Schrift in de zin van de regels op basis waarvan de kalender in elkaar zit. We hebben veeleer vandoen met geloof in de toekenning van verantwoordelijkheden die God in de Schrift heeft gegeven. De woorden van God zijn aan de joden toevertrouwd en de kalender maakt deel uit van de woorden van God. Ons geloof is in Gods soevereiniteit, in Zijn recht verantwoordelijkheden toe te kennen en Zijn toezichthouden op hen aan wie Hij verantwoordelijkheden heeft toegekend. Met andere woorden, Hij voert Zijn taak uit.

Nu volgt een specifiekere beschrijving: Onze verantwoordelijkheid wordt in de bijbel beschreven als trouw te zijn in wat ons is overgeleverd. Vorige week las ik 1 Timotheüs 6:20-21 en ik zei dat deze verzen van toepassing zijn op iedere dienaar. Deze verzen zijn van toepassing op mij, maar denkt u alstublieft niet dat omdat ze op mij van toepassing zijn, ze niet op u van toepassing zijn. Iedereen moet dit doen, maar er is een bijzondere verantwoordelijkheid aan de dienaren gegeven en God zal de dienaren hiervoor verantwoordelijk houden. Als wij een getrouwe knecht zullen zijn voor wat betreft datgene wat ons is gegeven, moeten we ons ervan vergewissen dat dit voor u ter beschikking staat, waarna u dat moet toepassen en doen wat de dienaren doen.

1 Timotheüs 6:20-21 O Timotheüs, bewaar [bescherm] wat u is toevertrouwd, houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis. 21 Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster geraakt. De genade zij met ulieden.

Zeg me eens, waar Paulus het over heeft? Wat moet Timotheüs bewaren? Timotheüs moest datgene bewaren wat de apostel Paulus hem via zijn prediking had overgeleverd.

Gelooft u dat Herbert Armstrong een apostel was? Werd hij door God gebruikt om de kerk in de eindtijd op te richten? Denkt u dat God toezicht op Herbert Armstrong hield en dat Hij in staat was over hem te waken, zodat hij de dingen die wij voor behoud nodig hebben, aan ons zou doorgeven? Daar maakt de kalender zeer zeker deel van uit. Als u gelooft dat hij een apostel van God was, dan wordt ons op de autoriteit van 1 Timotheüs 6:20-21 bevolen, te bewaren wat ons gegeven is. Een iets andere manier van zeggen zou zijn — te bewaren wat we ontvangen hebben.

Ik gebruikte in de preek van vorige week ook Hebreeën 10, waar ons bevolen wordt de belijdenis van onze hoop vast te houden. Vraag uzelf nu het volgende af. Toen u in de kerk kwam onder een man die de verantwoordelijkheid had gekregen om in die tijd de boodschap uit te dragen, welke kalender kreeg u toen, zodat u God op Zijn sabbat en Heilige Dagen kon dienen? Een eenvoudige vraag, die veel geargumenteer heeft teweeggebracht, waarbij schriftgedeelten die op onze zojuist aangehaalde verantwoordelijkheid betrekking hebben, zoals 1 Timotheüs 6 en Hebreeën 10, niet worden aangehaald en zelfs worden vermeden.

Ik zeg u dat dit dezelfde kalender is die de kerk in de laatste 1600 jaar heeft gebruikt, en waarschijnlijk [ik zeg "waarschijnlijk", omdat nog niet alle bewijzen rond zijn] minstens tweeduizend jaar lang in gebruik is geweest. Ik kan dat vol vertrouwen zeggen, omdat geen enkel kind van God het zich kan veroorloven eraan te twijfelen dat God trouw is geweest om hem te voorzien in wat hij nodig heeft om God in zijn gehoorzaamheid als kind te behagen. God heeft volop tijd gehad om de kalender die we ontvingen, te veranderen, maar Hij heeft dat niet gedaan, noch in dit tijdperk van de kerk, noch in een van de daaraan voorafgaande. Maar sommigen hebben het idee gekregen dat God gewoon op hen heeft zitten wachten om dit uiteindelijk wel te doen. Maar — gelet op het bewijs dat ons ter beschikking staat — stelt juist deze handeling Gods trouw ter discussie, de handeling die zegt dat God niet voor al die mensen in het verleden heeft gezorgd, die moesten leven met een zogenaamde tekortschietende kalender, en dat Hij in feite deze mensen tot zonde bracht door na te laten hun onwetendheid op te heffen.

Paulus zei: "Mijn God zal in al uw behoeften voorzien overeenkomstig Zijn rijkdom in heerlijkheid door Jezus Christus." En Jacobus zegt dat God de mens niet verzoekt. Hij leidt Zijn kinderen niet tot zonde, maar veeleer worden we daartoe door onze eigen begeerten getrokken. Hebreeën 12 zegt dat God Zijn kinderen terechtwijst, en Hij zou Zijn kinderen tot zonde brengen door na te laten dit zogenaamde tekortschietende instrument dat van levensbelang is voor onze gehoorzaamheid, eeuwenlang niet te verbeteren. Laten we niet vergeten dat we niet het enige tijdperk van Gods kerk zijn.

Gemeente, alle jaren van stilte van Gods kant, gecombineerd met de goede vruchten die die kalender heeft voortgebracht, behoren ons te zeggen dat Hij behagen schept in het gebruik ervan om Hem te dienen. Niemand in de geschiedenis van de Worldwide Church of God, in de tijd van Herbert Armstrong, die trachtte de kalender te veranderen, heeft zo'n voorspoed gehad als God Herbert Armstrong heeft gegeven.

Mattheüs 7 zegt ons, door Jezus Zelf, dat wij die profeten op basis van hun vruchten moeten oordelen. God heeft voor ons voorzien. Beoordeelt u de vruchten. Dat is uw verantwoordelijkheid.

De preek gaat vanaf hier in een iets andere richting. Er is een ander aspect verbonden aan dit onderwerp dat ook heel goed is om in beschouwing te nemen. We slaan daartoe het boek Maleachi op, een heel bekend schriftgedeelte. Iedereen zou dit schriftgedeelte moeten kennen.

Maleachi 3:6 Voorwaar, Ik, de HERE, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jakob, zijt niet verteerd.

Dit vers is een parallel van Hebreeën 13:8, waar staat dat Jezus Christus dezelfde is, gisteren, vandaag en voor altijd. Laten we ook Romeinen 11:29 opslaan; daar vinden we nog een parallel schriftgedeelte. Als u bekend bent met de brief aan de Romeinen, weet u dat hoofdstuk 11 de afsluiting is van een betoog van Paulus — zogezegd zijn openbaring — van wat er met Israël zal gaan gebeuren, dat heel Israël behouden zal worden. Dat is in principe wat er in Maleachi 3:6 wordt gezegd, zonder het rechtstreeks te zeggen — "Ik, de HERE, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jakob, zijt niet verteerd."

In Romeinen 11:29 zegt hij:

Romeinen 11:29 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

De genadegaven zijn al die dingen die God in het verleden aan Israël heeft gegeven — verbonden en beloften, evenals alle economische zegeningen. Hij zegt dus: "Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onherroepelijk." Hij zegt dat Hij niet op Zijn woord dat Hij aan Abraham gaf, terugkomt.

Deze verzen zeggen niet dat God nooit van gedachten verandert. Ze zeggen dat Hij Zijn doel vast voor ogen houdt. Ze zeggen dat Hij altijd in overeenstemming met Zijn doel (dat eruit bestaat Israël te behouden en Abraham te zegenen) en Zijn eigen persoonlijk karakter zal handelen.

De som van dit alles is dat Hij, omdat Hij vasthoudt aan Zijn doel, vertrouwd kan worden. Met betrekking tot dit vers kunnen we zeggen, dat het betekent dat sinds Abraham en de beloften die aan hem gegeven werden, het Gods doel is Israël te behouden. Dat doel blijft onveranderd tot op het huidige moment, al schijnt het dat Hij middels de kerk op een zijpad is geraakt, of zoals de protestanten zeggen: "de dispensatie van de kerk".

Maar is God Israël vergeten? Hangt Israël ergens te bungelen? Nee. Helemaal niet. Omdat God aan Zijn doel vasthoudt, daarom zijn zij en wij (Israël en de kerk) niet verteerd, zelfs al heeft God voldoende gelegenheid gehad en een ontstellend groot aantal gerechtvaardigde redenen om hen en ons weg te vagen. Gods trouw hierin resulteert er in dat Hij volgens consequente patronen handelt ten opzichte van hen met wie Hij een verbond heeft gesloten, en als Hij dit niet zou doen, zouden we Hem nooit kunnen vertrouwen.

God openbaart door geheel Zijn woord een consequent patroon in Zijn relatie met Israël en de kerk. Kijk eens naar het volgende, of u het daar niet mee eens bent. God stelt iemand aan om Zijn manier bekend te maken. Die persoon is effectief en de mensen bekeren zich in een bepaalde mate. God is dan minder streng en de dingen gaan voor enige tijd goed, maar daarna begint de degeneratie en de mensen wijken op grote schaal af van Zijn weg.

Hoe vaak heeft dat plaatsgevonden? Honderden keren! Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg, dat het wel in de duizenden keren loopt, dat dit heeft plaatsgevonden. Maar laten we aan de voorzichtige kant blijven. Laten we zeggen "honderden keren". Maar Zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nakomelingen blijft almaar doorgaan, omdat Hij er vertrouwen in heeft dat Hij tenslotte in staat zal zijn Israël te behouden. Hij is in staat uit te voeren wat Hij heeft beloofd.

Dit gebeurt en de mensen degenereren en ze beginnen grootschalig van Zijn weg af te wijken. God zendt dan iemand anders en het patroon herhaalt zich.

Laten we Jeremia 7:11-14 opslaan. We gaan wat tijd in Jeremia doorbrengen. Denk hieraan in relatie met de kerk. Of we zullen er pas in tweede instantie aan denken in relatie met de kerk, omdat de onmiddellijke context hier voornamelijk op Israël betrekking heeft.

Jeremia 7:11-12a Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik — zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des HEREN. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, ...

Hij verwijst hier naar het feit dat toen Israël onder Jozua het land was binnengetrokken, de tabernakel eerst in Silo werd opgebouwd. Ik weet niet of iemand van u een foto heeft gezien hoe Silo er in deze tijd uitziet, Ik wel. Dat was een aantal jaren geleden, maar daar wordt niet gebouwd. Het is een absolute woestijn. Daar verwijst hij naar. Hij herinnert deze mensen eraan dat Zijn tabernakel in Silo placht te staan, en dat ze daar bijeenkwamen om de feesten te houden.

"Jullie kwamen hier voor de dagen der Ongezuurde Broden. Jullie kwamen hier voor Pinksteren. Jullie kwamen hier voor het Loofhuttenfeest." Nu herinnert hij deze mensen zevenhonderd jaar nadat ze in het land waren gekomen: "Ik wil dat jullie eraan denken hoe Silo er in deze tijd uitziet." Waarom ziet Silo er in deze tijd zo uit? Ik ben er zeker van dat het ook in Jeremia's dagen daar een woestijn was.

Jeremia 7:12-14 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13 Nu dan, omdat gij al deze dingen [deze boze dingen] gedaan hebt, luidt het woord des HEREN, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, 14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb,

Is dat misschien een waarschuwing? Dat is het inderdaad. Hield God Zich stil terwijl deze voortdurende verslechtering plaatsvond? God sprak niet persoonlijk tot deze mensen, maar Hij sprak door de profeten. De profeten stonden vroeg op en begonnen te prediken, en ze begonnen de mensen tot bekering op te roepen, maar de mensen reageerden niet. Ongetwijfeld waren er enkelen die wel reageerden. Op basis van dat kleine beetje bekering en op basis van Zijn heilig karakter, Zijn eigen barmhartigheid, wilde Hij Zich laten vermurwen.

Jeremia 7:25-26 van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat, 26 doch zij [het volk] hoorden naar Mij niet noch neigden hun oor, maar betoonden zich hardnekkiger dan hun vaderen.

Denkt u dat ik overdrijf als ik zeg dat dit waarschijnlijk wel duizenden keren gebeurde? Ik geloof niet dat dat een overdrijving is. Is God geduldig of niet?

Wat gebeurt er in de kerk? Herhalen wij dit patroon. Dat is zeer zeker het geval. Wij herhalen wat die mensen deden.

Jeremia 25:3-4 Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag, drieëntwintig jaren lang, is het woord des HEREN tot mij gekomen en heb ik tot u gesproken vroeg en laat, — doch gij hebt geen gehoor gegeven; 4 ook heeft de HERE al zijn knechten, de profeten, tot u gezonden, vroeg en laat, doch gij hebt geen gehoor gegeven noch uw oor geneigd om te horen —:

Dit patroon geeft de essentie weer van Gods urgente, liefhebbende bezorgdheid voor het welzijn van Zijn volk.

Laten we Zefanja 3:7 opslaan. Let op het contrast.

Zefanja 3:7 [Statenvertaling] Ik zeide: Immers zult gij Mij vrezen [God heeft altijd hoop!], gij zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, [Hij strafte (bezocht) haar inderdaad.] waarlijk, zij hebben zich vroeg [Ze stonden op dezelfde tijd op als de profeten.] opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.

Ze stonden dus vroeg op om kwaad te doen. De reden dat ze zich moesten bekeren, is nogal duidelijk. Ze waren afgeweken van wat hun gegeven was. Ze waren afgeweken van wat ze hadden ontvangen. Zo ging het al direct vanaf het begin. God schiep Adam en Eva. God blies hun de levensadem in. God was Zijn eigen Woordvoerder. Hij leerde hun dingen die ze voor het leven nodig hadden. Hij openbaarde Zichzelf aan hen. Maar daarna kwam in de persoon van Satan een stem op het toneel die een andere mening was toegedaan, een valse profeet, met een andere gezichtshoek, een andere kijk op de zaak, een ander perspectief op de dingen. Ze verloren hun vertrouwen in God en weken af van hetgeen ze hadden ontvangen. Eenvoudig, is het niet? En God dreef hen dus de hof van Eden uit.

Kunt u de naam noemen van de eerste man die in de bijbel een profeet wordt genoemd? Dat is Henoch. Zijn naam wordt pas in de brief van Judas — het op één na laatste boek van de bijbel — als de naam van een profeet vermeld. Henoch was de zevende vanaf Adam. Waar profeteerde hij over? Hij profeteerde over oordeel. En wat bleek dat oordeel te zijn? Dat bleek de zondvloed te zijn. Blijkbaar was het niet aan Henoch geopenbaard wat het oordeel zou inhouden. Dat wordt in ieder geval niet gezegd. Maar het feit dat dit met Henoch gebeurde, geeft ons een patroon zodat we kunnen begrijpen wanneer er profeten zullen opstaan en waarom ze op het toneel verschijnen.

In het begin waren er geen profeten. Henoch is de eerste. Een profeet verschijnt op het toneel als er om zo te zeggen een oordeel aan de horizon verschijnt, en God in Zijn barmhartigheid iemand zendt, opdat deze mensen zich zouden kunnen bekeren en het oordeel niet zou hoeven te worden uitgevoerd. Zodoende zal de profeet voortgaan te profeteren minstens voor en tijdens en soms ook nog nadat het oordeel is gekomen, zoals in het geval van Jeremia. Als er dus een profeet op het toneel verschijnt, weten we waarom, omdat God dat patroon zal volgen. Hij zal daar nooit van afwijken. Hij geeft Zijn volk altijd een waarschuwing. Hij geeft hun een gelegenheid tot bekering, zodat het oordeel niet hoeft plaats te vinden.

Laten we weer naar het boek Jeremia gaan en ik zal u daar in heel beknopte uitspraken laten zien wat de inhoud van hun prediking was en hoe die op ons van toepassing is. Ik wil dat u deze raad van God die Hij door Jeremia geeft, in overweging neemt binnen de context van de tijd waarin Jeremia deze gaf, en deze daarna toepassen op datgene waar de kerk doorheengaat.

Wanneer profeteerde Jeremia? Hij begon te profeteren in de dagen van Josia. We hebben dat net gelezen. Josia was de laatste goede koning van Juda. Het kan zijn dat hij geestelijk gezien de allerbeste koning was, inclusief David, die Juda ooit heeft gehad. Maar toen Josia stierf, wist Jeremia dat dat "het einde" was. En hij schreef pal daarop de Klaagliederen. Jeremia ging daarna verder met profeteren. Dus vlak voordat God de bijl liet vallen — BOEM! — terwijl de bijl viel en in dit geval ook daarna.

Luister naar deze boodschap in Jeremia 6:16. Hier komt Gods raad aan Zijn volk.

Jeremia 6:16 Zo zegt de HERE: Gaat staan aan de [oude] wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij willen die niet gaan.

Wat zei Hij hun te doen? Hij zei hun terug te gaan naar wat ze hadden ontvangen — de oude wegen."Ga terug naar wat je hebt ontvangen — de oude wegen." Wat is Gods raad aan ons in deze tijd? Gods patroon verandert nooit. We zijn niet zo verstrooid als we zijn, omdat we zulke superstudenten zijn. We zijn niet zo verstrooid als we zijn, omdat we allerlei vormen van rechtvaardig karakter hebben. We zijn verstrooid, omdat we een grote teleurstelling voor God zijn geweest, en Hij heeft ons verstrooid teneinde ons te behouden. Als we door zouden zijn gegaan op de weg die we gingen, zouden we nooit geschikt voor Zijn koninkrijk worden.

Laten we Jeremia 18:15 opslaan. Let op de woorden. Het zijn oudtestamentische bewoordingen.

Jeremia 18:15a Nochtans heeft mijn volk Mij vergeten; voor wat onwezenlijk is, ontsteken zij offers; ...

Dat betekent dat ze hun toewijding aan onwezenlijke, nutteloze dingen hebben gegeven. Vaak wordt dit woord vertaald met "afgoderij" of "afgoden".

Jeremia 18:15b ...; voor afgoden, ontsteken zij offers; zo [door die afgoden] zijn zij gestruikeld op hun wegen, de oude paden, ...

De afgoderij heeft hen doen struikelen op hun wegen, waarin? In de oude dingen die hun gegeven waren. Maar dat is toch allemaal historie? We zijn nu toch veel slimmer? Beslist niet!

Jeremia 18:15c ..., door te gaan op de paden van een ongebaande weg,

Ze hadden op de "hoofdweg" moeten blijven, een weg die vrij is van obstakels. Op die weg zijn geen beletselen te vinden. De "rechte en enge weg" is de hoofdweg.

Laten we Jeremia 31:20-22 opslaan. Dit is een liefdevolle, hartstochtelijke oproep van God.

Jeremia 31:20a Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? [Ik houd van hem!] Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, ...

Zijn binnenste was als het ware in heftige beroering. Hij had — weer als het ware — buikloop, omdat Hij zijn gevoelens in menselijke termen tot uiting brengt.

Jeremia 31:20b-22 ..., Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des HEREN. 21 Richt u merkstenen op [markeringen in de vorm van stapels steen, of zoiets die de weg zullen aanduiden en de richting aangeven.], zet u wegwijzers neer [de borden, de wegwijzers, de pijlen die zeggen: "Dit is de weg. Bewandel deze weg. Ga in deze richting."], zet uw hart op de heerbaan, de weg die gij gaat [De weg die u voorheen ging, de weg die u placht te volgen.]; keer terug, jonkvrouw Israëls, keer terug naar uw steden hier! 22 Hoelang zult gij aarzelen ["Hoe lang zult u dwalen? Ga terug naar de hoofdweg!"], o afkerige dochter? Want de HERE schept iets nieuws op aarde: de vrouw zal de man omvangen.

Dat probeer ik hier vandaag te doen — wegwijzers opstellen. Gemeente, waar de kerk doorheengaat, wat we feitelijk al lang voordat de heer Armstrong in 1986 stierf, gingen ervaren, daar kunnen we nu op terugkijken en zien dat de kerk het spoor aan het verlaten was. "De kerk moest weer terugkomen op het juiste spoor." De heer Armstrong slaagde daar nooit in. Hij spande zich daarvoor geweldig in, maar de kerk kwam nooit echt op het juiste spoor terug, en hij wist dat. Daarom zei hij niet al te lang voor zijn dood: "Maak de kerk gereed." Hij wist dat ze niet gereed was. Ik geloof oprecht, ook al kwam ik niet zo dicht in zijn nabijheid dat ik gemakkelijk of vaak met hem kon spreken, dat hij bang was om te sterven, omdat hij bang was voor wat er na zijn dood met de kerk zou gaan gebeuren.

De kerk gaat niet door iets nieuws. De geschiedenis blijft zich almaar herhalen, zelfs in de kerk, omdat de menselijke natuur nooit verandert. De cyclus gaat dus verder. Als het gebeurt, gaat het altijd, altijd, gepaard met leerstellige veranderingen met betrekking tot wat ons gegeven is, om de mensen ertoe te bewegen iets anders te geloven. Dat moet je doen als je Gods volk wilt verstrooien.

God neemt geen blad voor de mond. Hij noemt dit valse onderwijs "afgoderij". Dat dreef ons uit elkaar en Gods raad is dus dat we op onze schreden terugkeren naar waarvan we zijn afgeweken.

Laten we nu een en ander uit het Nieuwe Testament doornemen. Laten we Openbaring 3:11 opslaan, de brief aan de Filadelfia gemeente.

Openbaring 3:11 Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.

Past dat bij die tijd? Past dat bij Jeremia? Zeker, geloof dat maar! Het past bij iedere profeet, omdat iedere profeet in principe hetzelfde zei: "Ga terug (of houd vast aan wat je hebt) naar wat goed is." Hier hebben we dus een waarschuwing dat iemand zal gaan proberen datgene van ons weg te nemen, wat we verondersteld worden vast te houden, en dat zullen dingen van de geest zijn, van het hart, van het denken — ons geloofssysteem.

We zouden heel wat schriftgedeelten kunnen opslaan die iets andere woorden gebruiken, maar ze zeggen in principe allemaal hetzelfde — "Ga terug naar wat u ontvangen hebt." "Houd vast." "Bewaar de waarheid." "Schenk serieuzer aandacht aan de dingen die u hebt gehoord." "Strijd ernstig voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd." Iedere apostel zei iets soortgelijks.

De preek gaat vanaf hier in een iets andere richting, omdat ik dit vanuit een andere gezichtshoek wil bekijken. Misschien hebt u hier nooit aan gedacht, maar in 1 Corinthiërs 4 staat een heel interessant principe.

1 Corinthiërs 4:9 Want het schijnt mij toe, dat God ons, apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen.

Paulus begint dit door te zeggen dat hij denkt dat het heel goed mogelijk is dat God een doel in gedachten heeft, waarbij de apostelen moeten sterven, en hij zegt: "Wij zijn een schouwspel geworden." Weet u wat dat woord "schouwspel" hier is? Het is het Griekse woord waaraan wij ons woord "theater" hebben ontleend, en Paulus zegt dat het erop lijkt alsof de apostelen tot een nevenattractie in een circus werden gemaakt — tot een schouwspel. Daar heeft hij het over. Dat is de manier waarop de apostelen in de ogen van de mensen in de wereld schijnen te worden gewaardeerd. Ze zijn een nevenattractie.

In vers 10 wordt Paulus nogal sarcastisch, omdat hij dit nu op de leden van de kerk richt — deze heel onvolwassen groep mensen uit Corinthe. Hij zegt:

1 Corinthiërs 4:10-16 Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij [apostelen] zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij [apostelen] zijn niet in ere. 11 Tot op dit ogenblik verduren wij [apostelen] honger, dorst, naaktheid [onvoldoende gekleed zijn], vuistslagen en een zwervend leven; 12 wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; 13 worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk [Feitelijk betekent dit "bemoedigen". Zij keerden de andere wang toe.]; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe. 14 Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. 15 Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt. 16 Ik vermaan u dus [Ik pleit bij u. Ik smeek u.]: volgt mijn voorbeeld.

Begrijpt u wat daar gebeurde? Deze mensen die dachten dat ze zo geweldig waren, zo intelligent, en waarschijnlijk hadden heel wat mensen heel wat titels voor hun naam, zij volgden leugenaars in plaats van de man — "hun vader in het geloof" — die hun de waarheid gegeven had. Paulus zag deze sterk verdeelde gemeente door een vorm van tienerrebellie tegen het gezin gaan, en dat zij nodig hadden trouw te zijn aan hem, hun vader in het geloof. Ze dachten verkeerd. Ze dachten heel wat te weten.

Hoe is dit op ons van toepassing? Wij hebben ook de verantwoordelijkheid trouw te zijn aan onze vader in het geloof. Wie is uw "vader in het geloof"? Herbert W. Armstrong. Maar voor het geval u denkt dat dit bij God geen steek houdt, gaan we weer naar het boek Jeremia. Daar, in Jeremia 35, staat heel interessante instructie. Terwijl u dat al hebt opgezocht, ga ik eerst een ander schriftgedeelte lezen en dat is Lucas 10:16. Denk in dit opzicht aan Herbert Armstrong. Veronderstel eens dat Jezus dit tot hem zegt.

Lucas 10:16 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft.

We hebben hier met serieuze dingen vandoen. Toen die mensen in de woestijn in actie kwamen om Mozes te verwerpen, zagen ze alleen maar de mens Mozes. Mozes keek daar doorheen en zei: "Waarom rebelleren jullie tegen God?"

Er staat hier in Jeremia 35 iets heel interessants.

Jeremia 35:1-3 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam ten tijde van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: 2 Ga naar het huis der Rekabieten en spreek met hen, breng hen naar het huis des HEREN in een van de vertrekken, en geef hun wijn te drinken. 3 Toen nam ik Jaäzanja, de zoon van Jirmeja, de zoon van Chabassinja, met zijn broeders en al zijn zonen: het gehele huis der Rekabieten,

Jeremia voerde die opdracht dus uit. Hij nam Jaäzanja, de zoon van Jirmeja, de zoon van Chabassinja, die het gehele huis der Rekabieten vertegenwoordigde.

Jeremia 35:6-8 Maar zij zeiden: Wij drinken geen wijn [Waarom?]; want onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, heeft ons geboden: Nimmer zult gij of uw kinderen wijn drinken; 7 ook zult gij geen huis bouwen, geen zaad zaaien en geen wijngaard aanleggen of in bezit hebben, maar gij zult uw leven lang in tenten wonen, opdat gij lang leeft in het land waar gij als vreemdeling vertoeft. 8 En wij hebben onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, gehoor gegeven in alles wat hij ons geboden heeft, zodat wij ons leven lang geen wijn drinken, wijzelf, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters,

Jeremia 35:13-15 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Ga, en zeg tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Wilt gij hieruit geen lering trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord des HEREN. 14 Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rekab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor hebben gegeven aan het gebod van hun vader. En Ik heb tot u gesproken, vroeg en laat, maar gij hebt Mij [uw geestelijke Vader] geen gehoor gegeven. 15 Ik zond al mijn knechten, de profeten, tot u, vroeg en laat, met de boodschap: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg, betert uw daden en loopt geen andere goden achterna om die te dienen, dan zult gij blijven in het land dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd en Mij geen gehoor gegeven.

Jeremia 35:18-19 Maar tot het huis der Rekabieten zeide Jeremia: Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Omdat gij aan het gebod van uw vader Jonadab gehoor gegeven hebt en al zijn geboden gehouden en naar alles wat hij u gebood, gedaan hebt, 19 daarom zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël, aldus: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rekab, ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat al de dagen.

Loyaliteit werkt twee kanten uit. Herbert Armstrong moest loyaal zijn aan de Vader en ons zijn begrip van de Schriften doorgeven. Onze verantwoordelijkheid werd toen loyaal te zijn aan de Vader, maar ook aan Herbert Armstrong. Trouw aan een vader wordt door God hogelijk gewaardeerd, zelfs in het doen van iets dat niet onrechtvaardig was om te doen, zoals het drinken van wijn.

Deze preek gaat nu een iets andere kant uit. Gemeente, ik probeer ieder argument onderuit te halen dat door hen die de kalender willen veranderen, naar voren wordt gebracht. Laten we daar eens vanuit een andere gezichtshoek naar kijken.

Moeten we ons alleen maar onderwerpen aan die dingen — mensen of instituten — waarvan wij denken dat ze perfect of goed zijn? Denk eens aan burgerlijke autoriteiten? Laten we Daniël 2:21 opslaan.

Daniël 2:20-21 Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! 21 Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben.

We hebben hier vandoen met Zijn soevereiniteit.

Daniël 4:32 men verstoot u [Nebukadnessar] uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf is bij het gedierte des velds; gras zal men u te eten geven als aan de runderen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil.

Soms geeft Hij, zoals Hij zegt, het aan de minste der mensen. Worden wij verondersteld ons te onderwerpen aan die minste der mensen?

Daniël 4:35 Ja, alle bewoners der aarde worden als niets geacht; Hij doet naar zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde: en niemand is er, die zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij? [God, wat bent u hier aan het doen?]

Laten we nu Romeinen 13:1-4 opslaan, een heel bekend gedeelte uit de Schriften.

Romeinen 13:1-4 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. 2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. 3 Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid [de autoriteiten] zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. 4 Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft.

Daarna gaat hij verder met te zeggen dat we zelfs belastingen moeten betalen.

1 Petrus 2:13-16 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, 14 hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. 15 Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods.

Laat me weer de vraag stellen: Moeten we ons alleen maar onderwerpen aan die mensen of wetten, waarvan wij vinden dat ze juist en rechtvaardig zijn? Soms heeft datgene wat deze mensen doen, een heel grote uitwerking op ons leven, en de Schrift draagt ons op trouw aan God te zijn door ons aan hen te onderwerpen.

Lucas 2:49-51 En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders? 50 En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. 51 En Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun onderdanig. En zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.

Er staat hier heel duidelijk dat Jezus, wetende Wie Hij was, Zich onderwierp aan Zijn ouders. We nemen nu Zijn ontzagwekkend begrip in overweging. Hij onderwierp Zich aan hen. Daarnaast wilde Hij zich niet mengen in burgerlijke aangelegenheden, hetgeen heel interessant begint te worden. Bijvoorbeeld Hij wenste geen civiele oordelen te vellen.

U zult zich nog wel herinneren dat er in die tijd iemand uit de schare naar Hem toekwam, en Hem vroeg een oordeel te vellen over de verdeling van een erfenis. Jezus' reactie hierop was: "Wie heeft mij tot rechter of scheidsman over u aangesteld?" Dat was iets dat door een civiel rechter moest worden besloten. Hij trok Zich dus hieruit terug, ondanks Zijn ontzagwekkend vermogen de gedachten van de mens te lezen, rechtstreeks in hun hart te kijken en te begrijpen wie hier de waarheid zei. Hij deed het niet. Het was een civiele aangelegenheid.

In Johannes 8 zien we dat Hij wordt geconfronteerd door de joden die Hem probeerden er te laten inlopen, zodat Hij een civiel oordeel zou vellen door de vrouw die op overspel was betrapt, naar Hem toe te brengen. Ze probeerden Hem zover te krijgen dat Hij een oordeel zou uitspreken, zodat zij op basis van Zijn woord ter dood kon worden gebracht. Maar Hij wist Zich daar heel handig uit te redden. Hij weigerde weer een civiel oordeel te vellen, zelfs al zei Hij de vrouw dat zij een zondares was en zich moest bekeren en niet meer zondigen. Wat ik hier wil zeggen, is dat Hij Zich niet de verantwoordelijkheden aanmatigde die aan anderen waren toebedeeld.

Laten we Johannes 19:7-11 opslaan. Ik breng dit naar voren om u te laten zien dat wat civiele autoriteiten doen soms heel ernstige consequenties voor ons kan hebben.

Johannes 19:7-11 De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, 9 en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zeide tot Jezus: Waar zijt Gij vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.

Jezus begreep de principes van bestuurlijke autoriteit heel goed en Hij onderwierp Zich daaraan. Hij zou op geen enkele manier tussenbeide komen om datgene ongedaan te maken wat door Zijn Vader was ingesteld. In plaats daarvan zei Hij: "Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede." En die wil kwam tot uitdrukking in het Oude Testament. Hij geloofde daarin en Hij leefde daarbij.

Het doet pijn aan ons gevoel van rechtvaardigheid. Het komt niet eerlijk over dat Iemand die zo goed is, Iemand die zo rechtvaardig is, niet alleen moet sterven, maar zo gewelddadig en oneervol moet sterven voor mensen die zo verdorven zijn dat het schijnt dat ze zelfs geen normale, fatsoenlijke gevoelens en respect voor het leven hebben.

Ook de kalender past binnen dit scenario, omdat het de kalender van Israël is. Hij staat niet in de bijbel. Het is de kalender van Israël. De verantwoordelijkheid ervoor was specifiek aan de Levieten gegeven, en de joden in het algemeen. Zij zijn voor God verantwoordelijk voor de instandhouding ervan en het vaststellen en bekendmaken van de Heilige Dagen binnen die kalender, en wij zijn onderworpen aan die toewijzing van God. Het toekennen van die verantwoordelijkheid staat in de Schrift, niet de kalender. De kerk kan niet handig uit de natie Israël verwijderd worden alsof Israël niet langer bestaat, of geloven dat elk volkomen onafhankelijk van elkaar bestaat. Ik heb het over het Israël waaraan God Zijn wetten en beloften gaf, het Israël dat Hij in Zijn dienst gebruikte.

Laten we ons herinneren wat Paulus — sprekend tot de heidenen — in Efeziërs 2:11 zei:

Efeziërs 2:11a, 12-13 Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, ... 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus.

Dichtbij wat, gemeente? Dichtbij deze hoop die wij hebben. Dichtbij de verbonden der belofte. Dichtbij God. Dichtbij, ... deelhebbend aan het burgerrecht Israëls. Ze zijn niet langer vreemdelingen. Ze zijn burgers en onderworpen aan die kalender.

We waren naar het vlees allemaal geestelijke heidenen. Zoals ik zei, niet de kalender staat in de Schrift, maar de toewijzing van de verantwoordelijkheid staat in de Schrift, en God gaf Zijn woorden aan de joden, niet aan de kerk. De joden zijn verantwoordelijk voor het bewaren van het Oude Testament, niet de kerk. En de woorden omvatten ook de kalender, omdat de kalender niet van het Oude Testament of het Nieuwe Testament kan worden losgemaakt, omdat de kalender nodig is om de Heilige Dagen te houden. Het is zelfs niet de verantwoordelijkheid van de kerk. Het is de verantwoordelijkheid van de joden en meest specifiek de verantwoordelijkheid van de Levieten.

De kerk bestaat niet in een vacuüm. Zij bestaat en functioneert nog steeds grotendeels binnen Israël, en u weet dat dit waar is. Laten we een schriftgedeelte opslaan in het boek Amos.

Amos 9:9a Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken, ...

Heeft dat plaatsgevonden, gemeente? Of vind dit zelfs nog steeds plaats?

Amos 9:9b ..., gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.

Hoe verbazingwekkend het ook voor ons beperkt denken mag lijken, Hij weet waar iedere Israëliet is — begraven of nog in leven. Is Hij in staat te waken over een kalender? Is God trouw, of niet? Hij zal Israël behouden en de kerk bestaat binnen Israël. De kerk heeft deel aan het burgerrecht van Israël. God heeft Israël niet uit het oog verloren, omdat Hij nog steeds Zijn doel verder aan het uitwerken is, of ze zich daar nu wel of niet van bewust zijn. Maar wij moeten weten, wij moeten ons ervan bewust zijn waar Israël is, omdat dat essentieel voor ons is om te begrijpen. Dat is iets dat ons geloof opbouwt.

Wij moeten leren dat God niet denkt zoals wij, en dat is het grootste probleem tussen ons en Hem. Daarom is geloof heel belangrijk voor onze relatie met Hem, omdat Hij wil dat wij zover komen dat we gaan denken zoals Hij, en omdat we dat dan doen, zullen we — op menselijk niveau — dan net zo leven zoals Hij als God leeft, omdat we leven in overeenstemming met ons denken.

Het praktische resultaat van niet denken als God is dat als er in ons leven talrijke bijzondere dingen plaatsvinden, ons geloof heel zwaar op de proef wordt gesteld. "God verlangt toch niet echt dat ik tienden geef als ik nog zoveel rekeningen moet betalen." "God wil toch niet echt dat ik mijn baan verlies vanwege het houden van de sabbat." "Hij zou toch niet echt willen dat ik me voor zondaren verneder." Zo gaan we dus zeggen: "Wel, dit is de manier waarop ik het zie." En dat is gewoon een variatie op Spreuken 14:12, dat "een weg schijnt iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood."

Veel te veel mensen hebben geen begrip van geloof en bestuur, en bijna onvermijdelijk komen ze in conflict met de dienaren door hen ervan te beschuldigen op macht uit te zijn. En alweer past de kalender binnen dit scenario. "Mensen zullen toch niet echt van mij verlangen dat ik iets gehoorzaam dat zo verkeerd is." Zo onstaan er gewetensproblemen. Maakt u zich druk over uw geweten? U hebt niet iets als in Genesis 22:1 het hoofd moeten bieden.

Genesis 22:1-2 Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. 2 En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen die Ik u noemen zal.

Ik zal u zeggen dat we hier een heel moeilijke, bijzondere omstandigheid hebben, en die komt alleen maar op het pad van mensen met een groot geloof. Maar als Abraham alleen maar leefde bij wat hij zag, zou hij heel gemakkelijk argumenten hebben kunnen vinden om het niet te doen, omdat dit de God is die duidelijk zei: "Gij zult niet doden." Bovendien wist Abraham dat Hij volledig tegen het offeren van mensen was in de dienst van welke god dan ook. Ten derde, hij moest nu letterlijk juist diegene als slachtoffer doden, die door Hem Zelf was aangeduid als erfgenaam der beloften, in wie door een wonder was voorzien en die in goed vertrouwen aan Abraham was gegeven.

"God kan dit toch niet echt van me verlangen? Hoe kan het Hem ook maar enig behagen geven als ik gehoorzaam ben aan zoiets walgelijks?" U praat over gewetensproblemen. Ik zeg u dat dit punt van de kalender in termen van geweten niets voorstelt in vergelijking hiermee. Ziet u, Abraham liet dat niet broeden. Hij kende God vrij goed.

Hebreeën 11:17-19 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht [getest] werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, 18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, 19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen.

Genesis 22:10-12 Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar de Engel des HEREN riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Hier ben ik. 12 En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.

God zei: "Nu weet Ik." Breng dat in verband met Hebreeën 11 en dat zegt me dat voorzover het Abraham betrof, Isaak reeds zo goed als dood was. Geen enkele gedachte onttrekt zich aan Gods waarneming. Hij las Abrahams denken! Isaak was dood en daarom weerhield Hij hem. Abrahams geweten sprak hem vrij omdat hij God zo goed kende, hij wist — zelfs al begreep hij het niet — dat alles wat God doet rechtvaardig is en goed, dat alles wat God van ons verlangt in overeenstemming is met Zijn karakter. Alles wat God van ons verlangt is in overeenstemming met Zijn doel. Hij wijkt nooit van Zijn patronen af en daarom wist Abraham dat het probleem in zijn eigen denken lag, in zijn eigen gevoelens, niet in Gods opdracht.

Veronderstelt u dat er problemen zijn in de gevoelens van mensen over de kalender. Ik geloof dat inderdaad, omdat daardoor in feite wordt gezegd: "God, U kunt niet voorzien. U kunt geen tabel vaststellen in de woestijn. U hebt meer dan 1600 jaar geen aandacht geschonken aan Uw volk door na te laten dit bij te stellen. U moet dit nu bijstellen!"

Samenvatting:

God heeft veel aanstellingen gedaan. Hij gaf een eeuwig priesterschap aan Pinehas. Hij gaf een blijvend koningschap aan David. Hij gaf tempelverantwoordelijkheden aan de Levieten. Het bewaren en het algemene beheer van de woorden van God gaf Hij aan Juda. Al deze dingen zijn aspecten van Gods soevereiniteit en wij hebben legaal niet het recht deze te veranderen. Wij moeten ze getrouw respecteren.

Laat me u een voorbeeld geven van iemand die niet respecteerde wat God had uiteengezet. Dit gaat over Uzzia, één van Juda's betere koningen.

2 Kronieken 26:16-21 Maar toen hij [Uzzia] machtig geworden was, werd zijn hart zo hoogmoedig, dat hij zeer snood handelde en ontrouw werd jegens de HERE, zijn God, door de tempel des HEREN binnen te gaan om op het reukofferaltaar reukwerk te ontsteken. 17 Maar de priester Azarja ging hem achterna en met hem tachtig priesters des HEREN, flinke mannen, 18 en zij stelden zich tegenover koning Uzzia en zeiden tot hem: U komt het niet toe, Uzzia, reukwerk te ontsteken voor de HERE, maar de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk te ontsteken. Ga uit het heiligdom, want gij zijt ontrouw en het zal u niet tot eer gerekend worden door de HERE God. 19 Toen werd Uzzia toornig; het wierookvat om reukwerk te ontsteken was in zijn hand. En terwijl hij tegen de priesters toornde, brak de melaatsheid uit aan zijn voorhoofd ten aanschouwen van de priesters, in het huis des HEREN bij het reukofferaltaar. 20 De hogepriester Azarja en al de priesters keerden zich naar hem toe en zie, hij was melaats aan het voorhoofd; toen dreven zij hem haastig vandaar weg, en ook hij zelf haastte zich naar buiten te gaan, want de HERE had hem geslagen. 21 Koning Uzzia nu was melaats tot de dag van zijn dood. En als melaatse woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was uitgesloten van het huis des HEREN. Zijn zoon Jotam beheerde het paleis des konings en bestuurde het volk des lands.

Dit is de reden dat het niemand die ooit heeft geprobeerd de kalender te veranderen en ook een relatie had met de Kerk van God, goed is gegaan. God doodt deze mensen niet. Hij neemt gewoon hun effectiviteit weg.

In Mattheüs 11:19 staat:

Mattheüs 11:19b ... En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werken.

"Werken" is synoniem met "vrucht". Welke vrucht heeft de vastgestelde Hebreeuwse kalender in vergelijking met de kalender van die anderen? Iedereen die hem heeft gebruikt is erdoor verenigd geworden. Iedereen die ervan is afgeweken, zelfs voorzover we weten onder de joden, is door verwarring verdeeld geraakt.

Zit er niet enige wijsheid in die historische feiten? De kalender doet dat niet. God doet het, Hij zal niet toestaan dat het hun wèl gaat als getrouw getuige aan ons, omdat Hij Zijn werk doet, beschermt en voorziet.

Vergelijk dat met de vrucht van het werk van Herbert Armstrong. Als Herbert Armstrong een apostel was, en er absoluut geen duidelijke, gewijde kalender in de bijbel staat, en God in alle opzichten blijk gaf behagen te hebben in Herbert Armstrong's besluit om die vastgestelde Hebreeuwse kalender te gebruiken, door meer dan vijftig jaar voorspoed en eenheid, en zowel geestelijke als numerieke groei te geven, lijkt het dan niet verstandig om deze te gebruiken? Lijkt het geen dwaasheid om te proberen dat te veranderen, in het bijzonder in het licht van het feit dat we door een veelheid van veranderingen in deze verstrooide toestand zijn terecht gekomen? Nog een verandering zal ons alleen maar verder uit elkaar drijven.

In geestelijk opzicht is het punt ons geloof in de trouw van God. En even zeker als we uit geloof moeten leven, God moeten vertrouwen in onze relatie met civiele autoriteiten, moeten we Hem ook vertrouwen met betrekking tot de kalender. "Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus." We moeten uit geloof leven en dat geloof is ontleend aan wat er in Gods woord geschreven is, en als we die serie schriftgedeelten in Romeinen 10 begrijpen, zien we dat de woorden waarop ons geloof is gebaseerd, ook zijn overgeleverd door iemand die God heeft gezonden om een boodschap over te brengen.

Het punt waar het om gaat is niet de kalender zelf. In bepaalde opzichten is dat een ondergeschikte zaak. Het punt waar het bij God om gaat, is ons geloof in de soevereiniteit, de voorzienigheid en de trouw van God, omdat de kalender niet in de bijbel staat. Wat wel in de bijbel staat, zijn de principes van bestuur waar we geloof in moeten hebben. Degene die in onze tijd de boodschap overbracht, gaf ons dus de vastgestelde Hebreeuwse kalender, en deze persoon is "onze vader in het geloof" en we zijn hem dus ook verantwoording schuldig. Hij gaf ons een kalender die door de Kerk van God minstens 1600 jaar onveranderd is gebruikt, zelfs al had God iedere gelegenheid dit te veranderen.

Tussen twee haakjes, er komt steeds meer bewijs dat hij door de joden al veel langer onafgebroken in gebruik is geweest. Er zijn aanwijzingen dat deze kalender al in de tijd van Hizkia in de achtste eeuw voor Christus in gebruik was. God heeft die verantwoordelijkheid dus reeds toegekend en wij hebben legaal geen enkel recht er één op eigen houtje vast te stellen.

2 Thessalonicenzen 2:15 Zo dan, broeders, staat vast [breng geen veranderingen aan] en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn.

Het Grieks zegt voor "mondeling" letterlijk "door woorden". Er staat niet door het woord, dus hij heeft het niet over Gods woord, de bijbel. Zijn brieven werden Schrift. Naast zijn brieven verwijst hij dus ook naar wat hij zei.

Het woord overleveringen omvat veel meer dan de Schrift. Het omvat alle dingen die ons gegeven zijn.

2 Thessalonicenzen 2:16-17 En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, 17 trooste uw harten, en make ze sterk in alle goed werk en woord.

Hij heeft ons reeds voorzien van een kalender en Hij heeft op vele manieren getuigenis gegeven dat Hij er behagen in schept om onze eredienst van Hem, die daarop is gebaseerd, te aanvaarden. Het punt voor ons zal altijd ons geloof in de trouw van God zijn.

Klaagliederen 3:22 Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op,

Hebreeën 13:8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Maleachi 3:6a Voorwaar, Ik, de HERE, ben niet veranderd, ...

Klaagliederen 3:23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw!


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)