Geloof en de kalender (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
1 januari 2000

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh bindt de strijd aan met hen die vinden dat de eeuwigdurende kalendercontroverse door Herbert Armstrong nooit werd begrepen of onderzocht, of dat hij er nooit een definitief besluit over nam. Na een langdurige studie in de veertiger jaren, kwam hij tot de volgende conclusies: (1) de bijbel bevat onvoldoende regels om een kalender vast te stellen; (2) God heeft buiten de bijbel nooit iemand de autoriteit gegeven een kalender vast te stellen; (3) de woorden van God zijn aan de joden toevertrouwd (Romeinen 3:1-2) en aan niemand anders. Het onderwerp is niet mathematisch of astronomisch, maar draait in plaats daarvan om geloof in Gods trouw, autoriteit, soevereiniteit, toezicht houden of vermogen tot regeren. Daar we een openbaring van God (inclusief een kalender) hebben ontvangen, hebben aanmatigende pogingen om onafhankelijk van die openbaring een kalender vast te stellen, altijd geleid en zullen deze altijd blijven leiden tot chaos en verwarring.


Vandaag begin ik met een preek over de kalender. Deze preek zal het eerste deel zijn van een serie. Ik ga het oorspronkelijke artikel herzien dat ik in 1994 schreef met als titel "De kankerachtige kalenderpolemiek", en ook zal ik materiaal toevoegen dat sinds die tijd in mij is opgekomen.

In het onderzoek ten behoeve van dat eerste artikel kwam ik op eigen kracht tot de conclusie, dat er in de bijbel geen kalender te vinden is. Sindsdien heb ik dat op diverse plaatsen bevestigd gezien, maar zonder het in het oorspronkelijke artikel ooit rechtstreeks te zeggen, werd dat desondanks de basis voor veel materiaal in dat artikel. Maar er is een ander belangrijk punt. In feite is dat het punt voor ons en dat punt wil ik aan dat artikel toevoegen en het zal een belangrijk deel zijn van de preek die ik vandaag geef.

Op het Feest vroeg ik u om hulp om dit punt op te lossen en ik wil al diegenen die hierop reageerden, bedanken, omdat uw hulp naar mijn gevoel heel nuttig was.

Sommige mensen hebben het verkeerde idee dat Herbert Armstrong niet echt op de hoogte was betreffende de kalender, maar dat is verre van waar. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon. De kerk blijft, evenals de mens, almaar door dezelfde tests gaan, almaar door, op basis van hetzelfde algemene materiaal. Iedere keer dat we in samenhang met dit materiaal worden getest, is dat een test van ons geloof. Het materiaal van deze tests komt gewoon iedere 20 tot 40 jaar opnieuw op tafel en het schijnt nieuw voor hen die er van tevoren niet van hebben gehoord.

Er is een [Amerikaans] gezegde: "Wat de ronde doet, komt altijd opnieuw langs." Er is een ander [Amerikaans] gezegde: "Hoe meer de dingen veranderen, hoe meer ze hetzelfde blijven." Allebei deze algemeenheden zijn in algemene zin waar en daarom denken sommigen dat het contact van Herbert Armstrong met de kalender op zijn best oppervlakkig was, omdat zij vinden dat dat zo lang geleden plaatsvond en dat deze dingen die, laten we zeggen, in de laatste twee jaren naar voren kwamen nieuw zijn en dat hij er nooit mee geconfronteerd is geweest. Hij werd daar wel mee geconfronteerd!

Dat hij in aanraking kwam met de kalender, trekken ze niet in twijfel. Ze geloven dat noch hij noch iemand anders uit zijn omgeving gekwalificeerd was om de zaken die bepaalden of dit punt geldig was of niet, werkelijk te evalueren. Maar nogmaals, dat is niet het geval. Hij en zij die hem hielpen, bekeken dit punt tot op de kern en vanuit mijn perspectief erop terugkijkend, moet ik mezelf een klap voor het hoofd geven, omdat ik zo traag was om in te zien wat hier het centrale punt is.

Ten eerste wil ik u eraan herinneren dat Herbert Armstrong in 1927 werd gedoopt, en hij had broederlijke omgang met de Church of God 7th Day, en bleef dat doen en met hen samenwerken tot helemaal aan het eind der dertiger jaren en het begin van de veertiger jaren. Hij maakte middels hen kennis met de kalender, omdat zij het Pascha op de 14e dag van Nisan hielden in overeenstemming met de vastgestelde Hebreeuwse kalender.

Daarnaast begon hij al snel na zijn bekering te begrijpen dat hij de Heilige Dagen moest houden, en zeven jaar lang hielden hij en zijn vrouw Loma ze volgens de data van de vastgestelde Hebreeuwse kalender. In feite volgde hij die zo stipt dat hij, totdat hij ontdekte dat dit niet juist was, Pinksteren op Sivan 6 hield naar de gewoonte der Farizeeën. Toen hij ontdekte dat dat fout was, veranderde hij de datum waarop hij Pinksteren hield door nauwkeuriger te tellen, maar hij paste de kalender niet aan.

Eind 1939, begin 1940 werd de kalender zelf een punt, omdat een 'elder' van enig aanzien binnen de Church of God 7th Day voor de eerste dag van het jaar een datum publiceerde, die een maand afweek van wat de Church of God 7th Day officieel publiceerde. De leden informeerden bij Herbert Armstrong wie er gelijk had. Herbert Armstrong informeerde bij de man in kwestie hoe hij aan zijn datum kwam. De man antwoordde dat hij die had vastgesteld op basis van onderzoek in wereldlijke bronnen, zoals encyclopedieën, bijbelwoordenboeken en dergelijke. Ondertussen onderzochten de Eugene Church, andere geïnteresseerde partijen en Herbert Armstrong dit in stilte ook.

In de Good News Letter van 1940 wordt door Herbert Armstrong over deze hele ervaring volledig verslag gedaan. Deze brief wordt door Herman Hoeh aangehaald in een Good News artikel van april 1981. Als iemand van u de hand op dat artikel kan leggen, en u bent echt geïnteresseerd en betrokken bij de kalender, dan spoor ik u aan dat artikel te bemachtigen. Dr. Hoeh schrijft in zijn aanhaling van Herbert Armstrong:

Tot slot, tenzij God Zijn gewijde kalender door middel van de joden had bewaard, zouden we niet weten hoe we dit jaar Pascha of één der andere Heilige Dagen zouden moeten vaststellen. Er is geen enkele andere autoriteit te vinden. De bijbel biedt ons niet de autoriteit om zelf de eerste dag van de eerste maand vast te stellen op basis van de nieuwe maan die het dichtst bij de voorjaarsequinox valt.

De heer Armstrong vervolgde: Zodra ik op de hoogte kwam van de [door die man] gepubliceerde data voor de Feesten in dit jaar, zond ik hem een telegram waarin ik hem vroeg op welke autoriteit deze data waren gebaseerd. Zijn antwoord is, dat hij zijn methode van berekenen baseert op bepaalde uitspraken vanuit de wereldlijke geschiedenis die hij in encyclopedieën had gevonden. Hij [die man] antwoordt: In sommige bijbelse woordenboeken of encyclopedieën, of joodse encyclopedieën, las ik iets zoals: "De oude manier van het vaststellen van Pascha was gebaseerd op het feitelijk zien van de nieuwe maan die het dichtst bij de voorjaarsequinox lag."

Dr. Hoeh vervolgt: Na het aanhalen van diverse gezichtspunten uit bronnen die toen bestonden, kwam de heer Armstrong tot de conclusie:

We kunnen zeer zeker zien, dat de wereldlijke geschiedenis zich alleen maar tegenspreekt, onnauwkeurig is, dat er niet op kan worden gebouwd en dat ze geen enkele autoriteit heeft. Er is geen enkele bijbelse autoriteit voor dit alles.

God vertrouwde Zijn woorden of het bewaren van Zijn tijden niet toe aan de wereldlijke geschiedenis ... deze zijn bewaard door de joden.

Na grondige studie van de bijbel, de Hebreeuwse kalender, de geschiedenis en iedere invalshoek — na deze zaak met alle gemeenteleden van Eugene te hebben doorgenomen en ook met andere gemeenteleden die een speciale studie naar dit probleem hebben gedaan, zijn we unaniem tot de conclusie gekomen dat de Hebreeuwse kalender op de juiste wijze door de joden is bewaard gebleven.

Daarnaast moeten we ook bedenken, dat dit allemaal plaatsvond voordat Ambassador College werd opgericht. Nadat Ambassador College werd opgericht, werd Herbert Armstrong ondersteund door mannen die een academische achtergrond in de wiskunde hadden, zelfs in de astronomie. Misschien wel in het bijzonder Kenneth Hermann, die opgeleid was in wiskunde en astronomie, Herman Hoeh, en later toen we in het computertijdperk kwamen, John Kossey. Ze bleven allemaal tot dezelfde conclusie komen.

Luister naar het volgende. Het punt van de kalender is geen wiskundig of astronomisch punt, maar net als het andere in het leven van hen die geroepen worden, is het een bijbels geloofspunt.

Laat me samenvatten wat Herbert Armstrong in dat artikel zei.

1. Hij zag duidelijk dat er onvoldoende regels in de bijbel staan om een kalender op te baseren.

Een kalender is niet het eenvoudige hulpmiddel dat wij geneigd zijn te denken als iets dat je aan de wand ophangt. Een kalender moet werken met hele dagen, maar de hemelse lichamen waarop de kalender is gebaseerd werken niet op basis van hele dagen. Zij volgen hun eigen schema.

U bent bekend met het zonnejaar dat 365¼ dag lang is. Wat doe je met die kwartdag? Iedere vier jaar moet je een dag aan de kalender toevoegen om er zeker van te zijn dat de tabel aan de wand overeenkomt met de hemelse lichamen die daarboven rondcirkelen. Maar de vastgestelde Hebreeuwse kalender is veel complexer, omdat ook de bewegingen van de maan erbij betrokken zijn, en de bewegingen van de maan zijn veel onregelmatiger dan de beweging van de aarde rondom de zon.

De maan doorloopt zijn baan, laten we zeggen, gemiddeld in 29 dagen en iets meer dan een halve dag. Die omloop vindt dus ook niet in hele dagen plaats. Maar als je een kalender bijhoudt, moet je met hele dagen werken, en die halve dag moet ergens op de een of andere manier verwerkt worden om de tabel aan de wand in overeenstemming te houden met wat er boven ons in de ruimte plaatsvindt. Het erbij betrekken van de maan maakt de dingen een stuk moeilijker. We hebben dus heel wat regels nodig om de tabel aan de wand in overeenstemming te houden met de hemelse lichamen die daar boven ons rondcirkelen.

Herbert Armstrong zag dat er onvoldoende regels in de bijbel worden gegeven om te kunnen zeggen dat er werkelijk een kalender in de bijbel te vinden is.

2. Hij zag dat God niemand buiten de bijbel de autoriteit gegeven had om een kalender vast te stellen.

En gemeente, zoals we verder in deze preek zullen zien, slaat dat ook op u en mij.

3. Hij zag dat de woorden van God aan de joden waren toevertrouwd.

Hij zag die drie dingen: 1) Onvoldoende regels in de bijbel. 2) Hij zag dat God buiten de bijbel niemand (wereldlijk, zelfs niet binnen de kerk) de autoriteit gegeven had. 3) Hij zag dat het woord van God aan de joden was toevertrouwd.

Wat te doen als iemand vindt dat de joden in het verleden met hun omgaan met de kalender de nodige fouten hebben gemaakt? Wel, laten we de bijbel daarop een eenvoudig en fundamenteel antwoord laten geven. Laten we daartoe Handelingen 7:38-39 opslaan.

Handelingen 7:38-39 Deze [duidend op Mozes] is het, die in de vergadering in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de Sinai, en met onze vaderen; en hij ontving levende woorden om die u te geven. 39 En onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, maar stieten hem van zich en wendden zich in hun hart naar Egypte,

Er zijn slechts twee dingen die ik uit deze verzen wil halen. Ten eerste de woorden "levende woorden". Mijn bijbel heeft er een klein cijfertje "1" bij staan en in de kantlijn wordt toegevoegd levende gezegdes. Onthoud dat. "Levende gezegdes." Dit zullen we later in deze preek nog nodig hebben.

Ten tweede wil ik u er opmerkzaam op maken dat hier in vers 39 staat: "Onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen." We hebben hier vandoen met een ongelovig volk aan wie de "levende gezegdes" van God werden gegeven, maar zij wilden niet gehoorzamen. Ze waren een ongelovig volk — een volk dat vatbaar was voor (zoals we dat noemen) fouten. Dus we kunnen de joden niet vertrouwen omdat ze fouten maken. Ze zijn menselijk.

Laten we Romeinen 3:1-4 opslaan.

Romeinen 3:1-2 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.

Hun waren de levende woorden gegeven.

Romeinen 3:3a Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, ...

We hebben ontrouwe joden die met de levende woorden van God omgaan. Wat te doen als zij niet geloofden, en wat als zij zondigden, en wat als zij fouten maakten?

Romeinen 3:3b-4 ..., zal dan hun ontrouw [ongeloof] de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! [Laten we daar niet eens aan denken!] Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.

Wat te doen als de joden geen geloof hadden en fouten maakten? Zal hun gebrek aan geloof die trouw van God tenietdoen? Nee. God blijft waarachtig ongeacht wat mensen doen. Mensen aan wie God verantwoordelijkheid geeft, kunnen zondigen door niet trouw te zijn in die verantwoordelijkheid, maar daardoor verandert God niet. En in dit geval zal Hij, ongeacht de zonden van deze mensen, Zijn woorden ondanks hen bewaren.

Zeg me eens. Heeft God het Oude Testament bewaard? Beseft u dat het Oude Testament, op basis van alles wat deze geleerden kunnen zeggen, in veel betrouwbaarder vorm bewaard is gebleven dan het Nieuwe Testament? Ondanks al deze dingen over de joden en hun zonde, slaagde God er toch op een of andere manier in het te bewaren. Hij bewaarde — zoals we in het vervolg zullen zien — ook de kalender.

Wat gebeurt er als een volk waaraan God verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd, dit soort dingen doet? God heeft de beschikking over diverse alternatieven. Hij kan op de persoon inwerken om hem tot berouw en bekering te brengen. Als dat niet helpt, kan Hij iemand anders kiezen om het te doen, is het niet? In dit geval met de joden deed Hij dat niet. Hij bleef ondanks hen met hen werken.

Laten we 1 Samuël 16:1 opslaan. Gods handen zijn niet gebonden door wat de mens doet.

1 Samuël 16:1 De HERE zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht.

Als het nodig mocht zijn zal God — zoals we in deze tijd zeggen — "hem ontslaan". Hij snoeit gewoon degenen die de fouten maken weg, als zij zich niet bekeren, en Hij zal hen vervangen door iemand die getrouw zijn verantwoordelijkheid zal uitvoeren.

Dit is gewoon één voorbeeld, maar er zijn er vele tientallen. Toen de noordelijke stammen rebelleerden, snoeide God hen weg. Niet voor altijd, maar Hij snoeide hen weg en Hij werkte daarna alleen maar door Juda. En Juda alleen, in plaats van alle twaalf stammen, bewaarde de woorden. God zal dit met een persoon doen, met een groep en zelfs met een natie.

Gemeente, de kalender maakt minstens gedeeltelijk deel uit van het onderwerp soevereiniteit. Vertrouwen we op Gods soevereiniteit over Zijn schepping? Heerst God over Zijn schepping? Zijn kerk? Kan de mens iemand boven Hem plaatsen?

Ik weet niet of u er zich bewust van bent, maar de joden verwierpen in 80-90 na Christus officieel het Nieuwe Testament als Schrift in een conferentie in een klein stadje in Juda, genaamd Jedna. Ik breng dit alleen maar naar voren, omdat in dit geval (na deze verwerping) zij niet langer de gelegenheid hadden het Nieuwe Testament te bewaren. Toen zij het eenmaal verwierpen, keerde God zich tot iemand anders. Wie bewaarden het Nieuwe Testament? De Grieken. Inderdaad.

Laten we ons iets afvragen. Zijn de Grieken trouwer geweest in hun verantwoordelijkheid dan de joden? Het antwoord daarop is "Nee!" Misschien zelfs minder, maar brengt dat verandering in Gods trouw? Helemaal niet. God bewaarde het Nieuwe Testament ondanks de Grieken. Hij bewaarde het Oude Testament — alle woorden aan de joden toevertrouwd — ondanks hen. Zodoende kunnen we nu dus het Oude Testament en het Nieuwe Testament lezen en vertrouwen hebben in de dingen die daarin staan vanwege de soevereiniteit, vanwege de trouw, vanwege de voorzienigheid van God voor Zijn volk.

De joden zijn jegens God ook verantwoordelijk voor de kalender. De reden daarvan is, omdat de Heilige Dagen niet zonder kalender kunnen worden gehouden. Met andere woorden de kalender is een bijlage van het Oude Testament. Maar zelfs al staat er geen kalender in het Oude Testament, toch is de kalender er een noodzakelijke bijlage van als we de Heilige Dagen op de juiste data willen houden. Het bewaren van noch het Oude Testament, noch de week, noch de kalender is aan de kerk toevertrouwd of aan iemand anders, maar aan de joden en zij hebben het gedaan ondanks henzelf, omdat God toezicht hield op de uitvoering van die verantwoordelijkheid.

Dit hele punt is een zaak van bestuur, of God in staat is te heersen, of God tussenbeide kan komen in de zaken van Zijn volk om hun fouten recht te trekken. Kunnen wij derhalve in Gods trouw geloven?

Corrigeerde God de leiders van de Worldwide Church of God betreffende Pinksteren? Dat deed Hij, nietwaar? Maar Hij had vijftig jaar de tijd om de kalender te corrigeren terwijl er een apostel in leven was, en Hij deed niets. Dat zou ons iets moeten zeggen. Wat heeft God ons laten zien inzake een kalender die Hij bereid is te accepteren?

Het is interessant, maar Herman Hoeh zegt iets in dat artikel uit het aprilnummer 1981 van de Good News, dat ik hier wil lezen. Het staat op pagina 28. Hij zei dat God hen die verzuimden de kalender op de juiste manier te bewaren, corrigeerde. Hij zegt het volgende: "De Romeinen maakten uiteindelijk een einde aan het door de joden visueel waarnemen van de nieuwe maan. De belangrijkste leider van de joden, Hillel II, wiens verantwoordelijkheid het was de kalender te reguleren, werd gedwongen een bevel te doen uitgaan voor het jaar 358-359 A.D. om de autoriteit van de vaste kalender die wij in deze tijd als de Hebreeuwse kalender kennen, (opnieuw) in te stellen."

Het woord "gedwongen" is heel interessant. Er zit enige geschiedenis achter die uitspraak, maar nogmaals, als u dat artikel kunt vinden, denk ik dat u het heel informatief zult vinden.

We komen nu bij één van de belangrijke punten betreffende de kalender en ik heb het woord recent nog gebruikt, toen ik citeerde uit Herbert Armstrongs artikel uit 1940. Dat woord is "autoriteit". Welke autoriteit heeft een individu om een nieuwe kalender te bedenken? Welke autoriteit heeft de kerk, als organisatie, om zoiets te doen?

Ik wil een belangrijk deel lezen uit een brief die ik hier in mijn hand heb. Hoe ik in het bezit van deze brief kwam, is in zekere zin interessant. Hij werd mij in 1969 gegeven toen ik 'local elder' was in de Long Beach gemeente. Hij werd mij gegeven door een lid die op Ambassador College een vraag stelde aan Kenneth Hermann, en hier heb ik Kenneth Hermanns antwoord. Vraag me niet waarom ik deze brief heb bewaard. Het is een duister, esoterisch onderwerp waarvoor ik dit gewoonlijk niet zou doen, in het bijzonder destijds in 1969. Maar ik zeg u, dat ik eerlijk geloof dat God me deze brief deed bewaren, omdat Hij wist dat deze op een bepaald moment een punt in mijn leven zou worden, en in het uwe.

Kenneth Hermann begrijpt de essentie van dit probleem als niemand anders die ik ooit heb ontmoet. Hij begint:

Het probleem om een kalender aan te maken op basis van astronomische waarneming is in het geheel geen eenvoudig probleem. De heer [Dave] Albert bracht uw brief bij mij en we bespraken een aantal van de variabelen die daarbij komen kijken. Het is gemakkelijk om op een tabel te kijken en tot de conclusie te komen dat Gods kerk de Heilige Dagen misschien enkele dagen te laat houdt. Maar neem de basis van het weergeven van de tijd eens in ogenschouw. Wanneer zou u een dag laten beginnen? Bij zonsopgang, 12 uur 's middags, middernacht, zonsondergang, 6 uur 's middags als de zon in het westen staat. Of 6 uur 's morgens als de zon in het oosten staat?

Er is openbaring nodig. We hebben een woord van God nodig om de tijd op Zijn manier weer te geven. Wat is het voorrecht van de jood? Velerlei in elk opzicht ... Romeinen 3.

Laten we verdergaan met het probleem. Wanneer zou u de week laten beginnen? Met welke dag? Dat moet worden geopenbaard. Is 't niet? Wanneer zou u de maand laten beginnen? Met de volle maan of de nieuwe maan? Met de zonsondergang (of 6 uur 's middags) voorafgaande aan de astronomische nieuwe maan of met de zonsopgang die erop volgt? De mens kan waarnemen, maar hij heeft openbaring nodig om de tijd op Gods manier weer te geven.

Laten we het probleem verder uitdiepen. Wanneer zou u het jaar laten beginnen? Met de voorjaarsequinox? Met het zomersolstitium? Met de herfstequinox? Met het wintersolstitium? Of met de nieuwe maan die daaraan voorafgaat of erop volgt, welke van de vier? Of zou u toelaten dat het Pascha 'veertig dagen zwerft in de woestijn' van de overige dagen van het jaar zoals de huidige regel is?

Nog een probleem: Het natuurkundige jaar (de periode waarin ieder seizoen eenmaal voorkomt) is tamelijk stabiel qua lengte alhoewel het door de tijd langzaam verandert. De gemiddelde synodische maand (van nieuwe maan tot nieuwe maan) is ook tamelijk stabiel in lengte, alhoewel deze ook in de loop der eeuwen langzaam verandert. Maar deze synodische maand van gemiddeld 29,53059 dagen is een gemiddelde. 'De lengte van de synodische maand kan wel dertien uur uiteenlopen, hoofdzakelijk vanwege de eccentriciteit van de omloopbaan en de daaruit voortvloeiende onregelmatigheden van beweging.'

En dan vertelt hij waardoor dat gekomen is. Verder met de aanhaling:

Voordat we tot het antwoord komen, zullen we het probleem nog wat groter laten worden. Nu we weten dat de gemiddelde synodische maand 29,53059 dagen lang is en dat iedere synodische maand een verschillende lengte heeft, hoeveel dagen gaat u dan aan iedere maand toewijzen? De huidige serie van 30, 29, 30, 29, 30, 29, 30 voor de eerste zeven maanden van de gewijde kalender loopt bij tijden duidelijk een beetje uit de pas met de astronomische waarnemingen.

Ik las in een ander technisch boek dat het mathematisch mogelijk is vijf maanden van 30 dagen op een rij te hebben. Denk daar eens over na! De maan is duister in zijn bewegingen.

Verder met de aanhaling:

En de toevoeging van een dertiende maand is nog een probleem. Zou enig tweetal leden van de kerk tot overeenstemming komen over wanneer een dertiende maand toe te voegen, hoeveel dagen die zou moeten hebben en of die extra maand voor Nisan moet worden toegevoegd of op een van de elf andere mogelijke plaatsen? Ziet u het probleem?

Het probleem is, dat als we geen openbaring van God hebben, als Hij deze verantwoordelijkheid niet aan iemand heeft toevertrouwd, iedereen gaat doen wat in zijn ogen het juiste is om te doen. We zullen dan chaos hebben.

Weer verder met de aanhaling:

De conclusie is onontkoombaar, we kunnen die niet vermijden. Wil de mens een kalender hebben, wat voor kalender dan ook, dan moet die uitgevaardigd worden door iemand met autoriteit. Los van een autoriteit met betrekking tot de kalender en de sabbat zou iedereen zijn eigen gang gaan, en de kalender die de bedoeling heeft de mensheid tot eenheid te brengen, zou uit elkaar vallen in duizenden ontwerpen die allemaal met elkaar in tegenspraak zijn.

Het principe is duidelijk. Wat nu nog overblijft is de vraag waarom de nieuwe maan op Gods gewijde kalender zo af en toe een dag of twee na de astronomische nieuwe maan valt. De vraag of Gods kerk misschien Gods Heilige Dagen één of twee dagen of misschien wel een maand te laat houdt is gewoon geen juiste vraag. Gods kerk volgt het woord waarop God toeziet dat de joden het bewaren.

Kenneth Hermann vatte hiermee het belangrijkste deel van de essentie van dit probleem voor ons samen. Hij liet ons zien dat ondanks de mist van alle redeneringen die wordt voortgebracht door al degenen die eropuit zijn de kalender te wijzigen, het centrale punt voor ons is uit te zoeken aan wie God de autoriteit heeft gegeven om een kalender samen te stellen en te bewaren, en dan geloof te hebben in Gods trouw.

Laten we Klaagliederen 3:21 opslaan. Ik ga drie schriftgedeelten met elkaar verbinden, omdat we daarin het hoofdpunt in een notedop terugzien.

Klaagliederen 3:21-22a Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: 22 Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, ...

Pas dat principe toe op dit onderwerp, dat we niet omgekomen zijn door de problemen rondom de kalender, verteerd door verwarring, verteerd door twijfel, en geen overtuiging hebbend of we de dingen op de juiste manier doen.

Klaagliederen 3:22b-23 ..., want zijn barmhartigheden houden niet op, 23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw!

Daar is het punt waar het om gaat, zoals we zullen blijven laten zien. Laten we nu naar het Nieuwe Testament gaan, naar Hebreeën 13:8.

Hebreeën 13:8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Hebreeën 13:5 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.

Hij is getrouw. Hij heeft ons niet zonder kalender laten zitten. Laten we weer Romeinen 3 opslaan en nogmaals de verzen 1 en 2 lezen.

Romeinen 3:1-2 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.

Gelet op deze drie schriftgedeelten, en natuurlijk nog op veel andere dingen daarnaast, gaan mij de redeneringen van die mensen boven de pet. Als ik naar Gods schepping kijk, zie ik hoe wonderbaarlijk grondig Hij altijd voor Zijn schepping heeft voorzien, tot zelfs op het allerlaagste niveau. Hij voorziet overvloedig voor de redeloze vogels en beesten van het veld in alles wat ze nodig hebben om in leven te blijven. Hij heeft hen zo toegerust dat ze kunnen overleven.

Hij heeft sommige dieren geschapen die symbiotische relaties hebben, zodat de één niet zonder de ander leven kan, maar samen kunnen ze overleven. Hij heeft dit gedaan opdat wij zullen begrijpen hoe liefdevol nadenkend en voorzienig Hij is. En toch probeert men ons op de een of andere manier te laten geloven dat Hij niet voorzag in een kalender voor het toppunt van Zijn scheppende inspanningen — Zijn eigen kinderen — zodat die Hem op de juiste tijden zouden kunnen dienen. Of dat als Hij ooit eens een kalender had gegeven, Hij op de een of andere manier toestond dat die niet langer bruikbaar was, omdat de joden iemand bedrogen of iets deden terwijl Hij niet toekeek.

Schoot Hij tekort in het overzien van de zaken van de kerk? Wat voor God is dat die de kerk, Zijn kinderen, voor minstens 1600 jaar zonder kalender laat zitten om Hem te dienen?

Als u enigszins bekend bent met de argumenten die betreffende de kalender worden aangevoerd, zult u begrijpen waarom ik 1600 jaar zei. Dat heeft vandoen met het tijdstip waarop Hillel II de kalender in 358-359 A.D. uitgaf. Elke referentie die we vanaf dat moment betreffende de ware kerk kunnen vinden, laat zien dat ze in ieder geval het Pascha op dezelfde datum vieren en in acht nemen als de joden. Zeg me eens, welke kalender zij gebruikten? Vaak werden zij verward met de joden, omdat zij die datum hielden.

Misleidde God Zijn volk door hun een kalender te geven die niet geschikt was om Hem te dienen? Eén waar Hij geen behagen in schiep en die Hij toch 1600 jaar lang liet gebruiken terwijl zij links en rechts zondigden in hun pogen de Heilige Dagen te houden, en God corrigeerde dit nooit tot op heden, nu deze laatste, slimste generatie op het toneel verscheen?

Gemeente, het punt hier is ZIEN WIJ GOD? Hebben we Hem buiten beeld gelaten? Gemeente, zien we dat alles wat met ons leven samenhangt sinds God ons heeft geroepen, met geloof vandoen heeft en de trouw van God? Dat is het punt — ons vertrouwen in de trouw van God.

Hebreeën 10:38a en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; ...

Gemeente, we zullen vanuit de wereld nooit genoeg bewijs krijgen dat de kalender die we gebruiken, nauwkeurig is. Begrijpen we dat? Het zal altijd een zaak van geloof zijn (ons geloof) in Romeinen 3:1-2, en andere schriftgedeelten die ik hierna zal laten zien. U vertrouwt erop, omdat God heeft gezegd dat Hij Zijn woorden aan hen gegeven heeft, dat Hij over hen zal waken en Zijn kerk zal in staat zijn Hem te dienen op de data die op die kalender worden aangegeven.

Laten we Efeziërs 2:8 opslaan, een ondersteunend schriftgedeelte, om ons er al maar weer aan te doen denken hoe belangrijk geloof voor ons leven is.

Efeziërs 2:8a Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, ...

Hebreeën 11:1a Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, ...

Waar is dan ons geloof als we ons laten meeslepen naar een gebied van wiskundige formaliteiten? Dat is niet anders dan de verslavende macht van elke andere zonde, behalve dan dat dit meer een intellectueel aanzien heeft dan een "vleselijk". Gods trouw over de gehele linie van Zijn doel is de kern waar het om draait. Begrijpen we, dat Hij deze mensen wel een kalender moest laten vaststellen, die zou werken hoever je ook in de tijd zou willen teruggaan, en die nog steeds geldig zou zijn en nauwkeurig tegen de tijd dat Jezus Christus wederkeert?

En de kalender die we nu gebruiken, is — voorzover ik in staat ben dit in Gods woord te zien — minstens in gebruik geweest sinds de dagen van Hizkia. Recent heb ik in een artikel gelezen, dat door iemand met een Kerk van God achtergrond geschreven was, dat er een mogelijkheid is dat deze zelfs helemaal teruggaat naar het begin, in ieder geval tot voor de zondvloed.

Weer terug naar Romeinen 3:1. Gemeente, mijn geloof ligt in het feit dat God inderdaad in een kalender heeft voorzien en deze heeft bewaard voor Zijn huidige kerk in de eindtijd. Als u het wilt opslaan, en het zou waarschijnlijk goed zijn om uw geheugen in dit opzicht op te frissen, dan zien we dat God de tempelverantwoordelijkheden aan de Levitische families gaf en deze zijn hun nooit ontnomen. Hij heeft die dingen nooit herroepen — alles, inclusief de offeranden en de reukoffers. Al die dingen, inclusief de kalender, zijn nooit herroepen.

En we begrijpen, we weten dat er in het boek Ezechiël aanwijzingen zijn dat dit allemaal zal worden hersteld, tenminste voor een bepaalde periode tijdens het Millennium, omdat zoals Hij zei, ze het de eerste keer niet goed deden. En wie gaan dat doen? Dezelfde families die Hij de verantwoordelijkheid eerder gaf. De kerk is nu de tempel, maar de Levieten zijn nog steeds verantwoordelijk voor het vaststellen van de kalender. Die verantwoordelijkheid is hun niet ontnomen, en de Levieten gingen natuurlijk deel uitmaken van de natie Juda en zijn geheel in hen opgegaan.

Sommigen zouden dit woord "woorden" in Romeinen 3:2 willen beperken tot "geschreven woorden". Maar het woord betekent gewoonweg niet "geschreven woorden". Het is het verkleinwoord van het Griekse logion. Het betekent gezegden, uitingen, verklaringen, zelfs zulk soort uitingen als "fluisteringen" of "inspiratie". Elk synoniem voor dit woord heeft vandoen met iets wat gesproken wordt. Slechts bij uitbreiding kan het ook slaan op "geschreven woorden", omdat het een en ander dat God oorspronkelijk sprak, inderdaad door mensen is opgeschreven; zo komt men tot de Schriften. Met andere woorden het woord "woorden" is ruim genoeg om niet alleen dat wat geschreven is te omvatten, maar datgene dat niet noodzakelijkerwijs in geschreven vorm is verschenen, maar desondanks door God is geïnspireerd.

Ik wil u op iets opmerkzaam maken. Het valt hier niet al te erg op, omdat dit echt bestudeerd moet worden. Maar Paulus rondde datgene waaraan hij hier in Romeinen 3:1-4 begon, niet af, omdat aan het eind van vers 4 een uitweiding begint die waarschijnlijk de langste uitweiding in de bijbel is. Paulus komt pas in Romeinen 9:4 weer terug bij zijn onderwerp, waar hij zegt:

Romeinen 9:4 immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften;

Denk nog eens aan het woord "woorden" en de definities, het gebruik dat ik van dat woord liet zien. Het heeft vandoen met datgene wat God zegt. Het kan zelfs de "fluisteringen" of "de inspiratie van God" betekenen. Pas dat toe op het woord eredienst, hier in dit vers, omdat de eredienst aan de Israëlieten was gegeven. Inspireert God en spreekt Hij door hen die in Zijn dienst staan? Het doet er niet toe of iemand een dienaar is. Als God hem gebruikt, zal God die persoon inspireren. God zal tot die persoon spreken. Dat zijn "de woorden" die God tot die persoon spreekt. Laten we voor een klein beetje bewijs daarvan Exodus 31:1 opslaan.

Exodus 31:1-6 De HERE sprak tot Mozes: 2 Zie, Ik heb bij name geroepen Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda, 3 en hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid, inzicht en kennis, en dat voor allerlei werk, om ontwerpen te bedenken, 4 om die uit te voeren in goud, zilver en koper; 5 om stenen te bewerken, om die in te zetten; om hout te snijden en werkzaam te zijn in allerlei arbeid. 6 En zie, ik heb naast hem gesteld Oholiab, de zoon van Achisamak, uit de stam Dan; in het hart van ieder die kunstvaardig is, heb Ik wijsheid gelegd Zij zullen alles maken, wat Ik u geboden heb:

Spreekt God tot hen die Hem dienen? Dat doet Hij zeer zeker. In dit geval deed het er niet toe of dat een naaister was, of iemand die met juwelen werkte.

Laten we Ezra 1:1 opslaan. Ik doe dit gewoon om u het gebruik van het woord "woorden" te laten begrijpen. Dat is een heel ruim gebruik en omvat veel meer dan alleen het Oude Testament.

Ezra 1:1-2, 5 In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan: 2 Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. ... 5 Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, te bouwen.

God inspireert niet alleen de dienaren, omdat de kerk, het lichaam van Christus, meer is dan alleen maar de dienaren.

In Romeinen 3 wordt "jood" gebruikt in de nationale betekenis. Het omvat alle Israëlieten die samen met of binnen de stam Juda woonden. De Levitische families waren door God tempelverantwoordelijkheden toegekend, maar tegen de tijd dat dit hier in Romeinen 3 werd geschreven, woonden zij voornamelijk in Juda. Hun zijn nog steeds die tempelfuncties toegekend, en mocht de tijd komen dat zij nodig zijn voor meer dan het afkondigen van de Heilige Dagen, dan zullen ze gereed staan om te offeren, of tempelverantwoordelijkheden uit te voeren, of meubilair te verzorgen, of wat dan ook.

In Amos 9:9 zei God dat Hij Israël over de gehele wereld zou verstrooien, maar Hij zei: "Ik zal niet één zaadkorreltje kwijtraken." Hij weet waar iedereen is. Hij weet waar de Levieten zijn. Hij weet waar de joden zijn. Hij weet waar iedere Israëliet is. En om Zijn denken te begrijpen, Hij weet waar iedereen is — iedereen op aarde!

Amos 9:9 Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.

Ik zei zojuist iets heel interessants. Ik gebruikte het woord "afkondigen". Laten we Leviticus 23:1 opslaan. Bedenk voor wie dit boek is geschreven.

Leviticus 23:1-2, 4 De HERE sprak tot Mozes: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: De feesttijden des HEREN, die gij zult uitroepen [afkondigen] als heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden. ... 4 Dit zijn de feesttijden des HEREN, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd.

De Levieten moesten jaar na jaar afkondigen wanneer deze dagen zouden vallen, omdat zij de kalender hanteerden. We weten uit eigen ervaring dat de kalender van jaar tot jaar anders is, zodoende moest ieder jaar worden afgekondigd wanneer de Heilige Dagen vielen, opdat de mensen dit op hun eigen kleine kaartjes konden aantekenen en zich er volledig bewust van zouden zijn wanneer die dagen zouden aanbreken. Wij doen dat in deze tijd nog steeds. Zij kondigen die dagen nog steeds af. Het was de verantwoordelijkheid van de Levieten de voortgang der tijd in de gaten te houden en op basis daarvan de mensen te zeggen "wanneer".

De eenvoud die over dit onderwerp in Christus is, is dat God reeds in een kalender heeft voorzien. Zo eenvoudig ligt dat. We hoeven ons niet druk te maken om er één uit te denken die naar onze mening beter is. God heeft er reeds in één voorzien die aan Zijn doeleinden beantwoordt. Hij heeft daar reeds middels de Levieten voor zorggedragen, en we verspillen onze tijd als we er één zoeken die naar onze mening beter is, omdat Hij reeds op basis van de praktijk in het verleden heeft laten zien dat Hij hen die dit veranderden niet heeft gezegend.

Dat is enigszins terzijde, maar het is waar. Niemand die ooit geprobeerd heeft de kalender te veranderen en daarmee af te wijken van de vastgestelde Hebreeuwse kalender en een andere kalender gebruikte, is het goedgegaan. Ik bedoel niet dat God ze gelijk wegneemt. Ik bedoel alleen dat ze uit het zicht verdwijnen en er voor de kerk niet meer toe doen.

Sommige mensen houden niet van de Chaldeese namen op de kalender. Bent u zich ervan bewust hoe die er kwamen? Nebukadnessar overwon de joden en voerde ze in ballingschap. Wie namen ze met zich mee? Ze namen de knappe koppen mee, zoals Sadrak, Mesak en Abednego, Daniël en anderen. God wekte daarna de geest van Nebukadnessar op en verzekerde Zich ervan dat die jongemannen deel gingen uitmaken van het bestuur.

Wie denkt u wie het was die de kalender aan de Babyloniërs openbaarde? Ik denk dat we een vrij sterke aanwijzing hebben dat dit Daniël, Sadrak, Mesak en Abednego waren die deze voor de eerste keer aan de Babyloniërs openbaarden, en de Babyloniërs zeiden: "Zeg, dat is een veel betere kalender dan die wij hebben," en zo werd deze ook hun kalender. En toen Cyrus, de Pers, de Babyloniërs overwon, wie was er toen nummer twee in de regering? Dat was Daniël, en de Perzen namen dezelfde kalender over. De meesten van die mensen spraken Aramees, de Chaldeese taal, en zo werden die namen aan de maanden gekoppeld. In plaats van Abib hebben we Nisan. Begrijpt u het? Meer zit er niet achter.

Ik wil nu op nog minstens één punt ingaan en dat staat in Romeinen 3:1.

Romeinen 3:1a Wat is dan het voorrecht van de Jood, ...

Dit is vrij interessant. Laten we Genesis 49:10 opslaan. De meesten van ons zijn zich ervan bewust dat dit de profetieën zijn die aan en door Jakob werden gegeven over wat er met zijn kinderen als stam zou gaan gebeuren.

Genesis 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken, ...

Wat betekent "scepter"? Dat betekent, of die is een symbool van, autoriteit. Het is de staf van autoriteit. "De staf van autoriteit zal van Juda niet wijken." Bedenk dat normaal gesproken deze dingen naar Ruben zouden zijn gegaan. Hij was de eerstgeborene, maar hij verontreinigde het bed van zijn vader en hem werd die verantwoordelijkheid ontnomen. En God splitste de zegen in tweeën. Hij maakte Jozef de eerstgeborene en Jozef had dus het recht van erfenis in termen van nationale, materiële dingen, maar Hij stelde zeker en Hij profeteerde door Jakob dat de scepter niet van Juda zou wijken. Juda zal de heersende stam zijn. Bedenk dat de woorden aan Juda werden gegeven.

Genesis 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf [Statenvertaling: wetgever! Wetgeven slaat ook op het vaststellen van een kalender.] tussen zijn voeten, totdat Silo [Silo is een verhulde referentie naar Jezus Christus.] komt, en hem [Silo] zullen de volken gehoorzaam zijn.

[Noot van de vertaler: In de KJV staat: "... en tot hem zullen de volken vergaderd worden. De heer Ritenbaugh gaat in op dat woord "vergaderd".] Wel, zijn de Israëlieten verstrooid of vergaderd? We zijn nog steeds verstrooid. We zijn nog niet vergaderd. Wat zegt dit vers? Het zegt dat de staf van autoriteit niet van de stam Juda zal wijken, noch een wetgever van tussen zijn voeten, totdat Christus wederkeert. "En tot hem [Silo] zullen de volken vergaderd worden."

Met andere woorden, aan Juda, als stam, heeft God de autoriteit gegeven om als hoofdhandhaver van Zijn wet op te treden. De Levieten deden dat op één gebied — de dingen betreffende de tempel — maar Juda's verantwoordelijkheid betrof niet alleen de tempel, ofwel religieuze zaken, maar betrof ook civiele zaken. Hun was de algehele handhaving van Gods wet toevertrouwd.

Als u zich afvraagt waar Paulus dat idee hier in Romeinen 3 vandaan kreeg, gaat u inzien waarom hij zei dat de woorden aan Juda waren toevertrouwd en aan niemand anders. Zij waren aan Juda gegeven omdat het hun verantwoordelijkheid is. Het is natuurlijk ook interessant dat David uit die stam voortkwam, en natuurlijk kwam Jezus Christus ook uit die stam voort.

Laten we Psalm 60:9 opslaan.

Psalm 60:9 Mij behoort Gilead [Gilead was een deel van Manasse] en mij behoort Manasse, Efraïm is de schutse van mijn hoofd, Juda is mijn heersersstaf [Statenvertaling: wetgever];

Het is Gods bedoeling dat Juda's invloed merkbaar zal zijn in alle instituten van het land. Dit is natuurlijk in grote mate verminderd door de verstrooiing van zowel Israël als Juda, maar het principe is duidelijk, en Gods woord staat vast; dat moeten wij erkennen. De woorden zijn hun gegeven.

Psalm 78:67-72 En Hij [God] versmaadde de tent van Jozef, en verkoos Efraïms stam niet. 68 Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefheeft; 69 Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen, als de aarde, die Hij voor altoos grondvestte. 70 Hij verkoos David, zijn knecht, en nam hem weg van de schaapskooien; 71 van achter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob, zijn volk, te weiden en Israël, zijn erfdeel. 72 Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand.

Als we verzen als deze gaan zien, dan kunnen we begrijpen waarom Paulus zei wat hij zei.

Laten we nu Psalm 114:1-2 opslaan. Dit brengt het werkelijk duidelijk over. Het is heel beknopt. Het is heel scherp.

Psalm 114:1-2a Toen Israël uit Egypte toog, Jakobs huis uit een volk van vreemde taal, 2 werd Juda tot zijn heiligdom, ...

Juda werd Zijn heilige woonplaats. Juda is de voornaamste stam waar de macht zou worden geconcentreerd en van waaruit de Messias zou voortkomen. De woorden werden aan Juda gegeven. Het is de verantwoordelijkheid van de kerk dat te erkennen en daar geloof in te hebben en onszelf daarmee in overeenstemming te gedragen.

Laten we Efeziërs 2:11-13 opslaan. U zult zich herinneren wat Paulus in Romeinen 9 zei "dat aan Israël de verbonden werd gegeven," en dergelijke; daarom wilde ik dit lezen omdat het rechtstreeks aan heidenen werd geschreven.

Efeziërs 2:11-12a Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls ...

Als een heiden eenmaal bekeerd is, is hij in de ogen van God niet langer een vreemdeling voor het burgerrecht Israëls. Hij maakt nu deel uit van Israël. Sinds Hij Abraham heeft geroepen, wordt alles in Gods doel uitgewerkt via Israël, waarvan Juda de belangrijkste stam is.

Efeziërs 2:12ab dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, ...

Waarom? Omdat de verbonden aan Israël waren gegeven en om aan deze verbonden deel te hebben moeten ze deel van Israël gaan uitmaken. Ze maken bovenal deel uit van geestelijk Israël, maar dat geestelijke Israël staat niet volledig los van het fysieke Israël.

Efeziërs 2:12c-13 ..., zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen [deel geworden] door het bloed van Christus.

Binnen het burgerrecht van Israël is Juda dus de wetgever.

Laat me samenvatten. Ik denk dat we duidelijk kunnen zien dat we geen enkele verandering gaan maken. We gaan vasthouden aan wat ons is overgeleverd, omdat dat JUIST is.

De twee belangrijkste dingen die we in samenhang met dit onderwerp moeten begrijpen, zijn volgens mij:

  1. In de bijbel kunnen we geen kalender terugvinden.
  2. Het punt waar het werkelijk om draait is de trouw van God.

Nauw daarmee verbonden is het punt dat de woorden aan Juda werden gegeven. Het is specifiek de verantwoordelijkheid van de Levieten, maar Juda is verantwoordelijk voor de handhaving van die dingen. Omdat God de allerhoogste Soeverein is, kan Hij toezien op wat er gaande is en zeker stellen dat Zijn kerk de nodige informatie heeft waarmee we kunnen werken, zodat we Hem op een manier kunnen dienen die Hem behaagt. Hij voorzag in wat er nodig is.

We hebben hier niet rechtstreeks te maken met "een" schriftgedeelte waar staat wanneer we op basis van een reeds bestaande kalender één van deze dagen moeten onderhouden. We hebben met dit onderwerp vandoen met het veranderen van de gehele kalender, wat zijn invloed zal hebben op alle Heilige Dagen. Gemeente, dat is iets dat niet onder onze autoriteit valt, omdat die autoriteit al aan anderen is gegeven, en God verwacht dat we Zijn autoriteit om dat te doen respecteren. We hebben voor God dus geen wettige autoriteit om iets vast te stellen of te veranderen dat Hij aan anderen heeft toevertrouwd. Als we dat toch doen dan stellen we Gods toezicht ter discussie.

Ken Hermann zei iets heel interessants aan het eind van die brief. Hij zei die man aan wie hij de brief schreef: "Het is niet onze verantwoordelijkheid om de ark overeind te houden." Weet u wat er gebeurde met de man die probeerde de ark overeind te houden? Het is onze verantwoordelijkheid trouw te zijn in wat ons is toevertrouwd.

Laten we deze gedachte afsluiten met 1 Corinthiërs 4:6-7. We pakken dat principe daar alleen maar op om het op de kerk toe te passen, op de kalender toe te passen.

1 Corinthiërs 4:6-7 Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons (voorbeeld) zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

Elk van ons is in de kerk vanwege datgene wat we via Herbert Armstrong ontvingen. Was God getrouw? Of was Herbert Armstrong iemand die Hij niet onder controle kon houden?

Laten we een opdracht bezien die mij als dienaar is gegeven.

1 Timotheüs 6:20a O Timotheüs, bewaar wat u is toevertrouwd, ...

Wat is mij toevertrouwd? Datgene wat ik ontving.

1 Timotheüs 6:20b-21a ..., houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis. 21 Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster geraakt...

Dat is het punt waar het hier om draait.

En nu nog iets voor ons allemaal. Laten we daartoe Hebreeën 10:19-29 opslaan.

Hebreeën 10:19-29 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, 21 en wij een grote priester over het huis Gods hebben, 22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. 23 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. 25 Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. 26 Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, 27 maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren. 28 Indien iemand de wet van Mozes terzijde heeft gesteld, wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. 29 Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?

Dezelfde Jezus Christus die het Oude Testament inspireerde en ervoor zorgde dat Zijn volk in het Oude Testament een kalender werd gegeven waarmee ze konden werken en die nog steeds van kracht is, is Degene die we helemaal met voeten zouden treden, als we datgene verwerpen waarin Hij trouw is geweest om voor ons in te voorzien. Het kan zijn dat u dat sterk vindt uitgedrukt, maar ik ben er erg zeker van dat ik op vaste grond sta, als ik zulke dingen zeg.

Hebreeën 10:35-36 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. 36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)