De christen en de wereld (Deel 7)

Door John W. Ritenbaugh
7 maart 1998

Samenvatting: (toon)

In dit zevende deel van de serie over "De christen en de wereld" wijst John Ritenbaugh op de onmogelijkheid van het op gelijkwaardige wijze dienen van twee heren (Mattheüs 6:24), in het bijzonder als de doeleinden, de doelstellingen of de belangen van deze heren lijnrecht tegenover elkaar staan. Als we proberen hen op gelijkwaardige wijze te dienen, lopen we het risico hen allebei kwijt te raken. Uiteindelijk zal men de ene liefhebben en geen respect hebben voor de ander. Vertrouwen op de Mammon (iedere wereldlijke schat geïnspireerd door Satan) zal geloof uithollen en ons uiteindelijk overleveren aan afgodendienst en de eeuwige dood. We moeten de levens van Mozes (die de macht opgaf en een grote hoeveelheid aan wereldlijke goederen) en Paulus (die zijn stamboom en zijn gezaghebbende geloofsbrieven opgaf) navolgen door ons aan God over te geven en in Zijn richting te gaan. De beste manier om ware rijkdom en het overvloedige, eeuwige leven te verwerven is onze greep op wereldlijke beloningen losser te maken en doelbewust Christus na te volgen.


Terwijl we door deze serie over "Het weerstaan van de wereld" gaan, hoop ik dat u er speciale aandacht aan zult schenken, omdat deze op een indirecte manier laat zien wat er in de laatste tien jaar of zo in de kerk verkeerd ging. Er is in dit gedeelte van de bergrede waaraan ik heel wat tijd heb besteed, een directe relatie met Laodiceanisme, wereldlijkheid en het verminderen van geloof. Als u me goed volgt en begrijpt, gaat u het verband zien. Misschien hebt u het al gezien. Ik weet het niet, maar het gaat misschien in deze preek heel duidelijk worden en anders wel in de volgende preek in deze serie.

In de vorige preek kregen we meer bewijs dat wat ons doel in het leven is, dat wat Jezus "onze schat" noemde, in hoge mate zal bepalen of we in staat zullen zijn de wereld te weerstaan, omdat waar onze schat is, daar ook ons hart zal zijn. Dit is belangrijk, omdat het "hart" de richting vaststelt waarin ons leven zal gaan. U herinnert zich nog wel het schriftgedeelte uit Spreuken 4:20 en volgende. Ik ga deze verzen opnieuw lezen om een fundament voor deze preek te leggen. God zegt:

Spreuken 4:20a Mijn zoon, sla acht op mijn woorden, ...

Ik ga nu enige nadruk leggen op bepaalde woorden.

Spreuken 4:20-22 Mijn zoon, sla acht op MIJN woorden, neig uw oor tot MIJN uitspraken; 21 laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar ze [sla ze op, plaats ze] diep in uw hart. 22 Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse lichaam.

"Leven" hier duidt waarschijnlijk op "overvloedig leven". We leven reeds, dus in deze context moeten deze woorden een kwaliteit toevoegen aan het leven dat we reeds hebben. Een kwaliteit die op geen andere manier kan worden verkregen dan door Zijn woorden te volgen. Het kan ook betekenen, tenminste indirect, eeuwig leven, de manier waarop God leeft.

Spreuken 4:22-23a Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse lichaam. 23 Behoed uw hart ...

"Behoeden" hier betekent beschermen, bewaren, zorgvuldig bewaren.

Spreuken 4:23a Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, ...

Let op de woorden boven al wat te bewaren is. Uw hart moet worden beschermd. Als het onbeschermd is tegen wat er ook maar langs komt, is dat niet al te best.

Spreuken 4:23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

Waar uw schat is, daar zal uw hart ook zijn. Het hart moet ijverig, met grote inspanning, worden beschermd; het moet de bergplaats zijn van Gods woord. Er zullen ook dingen zijn die geen deel uitmaken van Gods woord en dat is goed. Daar is niets mis mee, zolang we de richting van Gods woord volgen.

Dat was het eerste punt uit Jezus' programma hier. We kwamen in het tweede punt van Jezus' programma om de wereld te weerstaan en te groeien in genade en kennis van Jezus Christus, Zijn commentaar op het oog tegen. Het oog is dat deel van het lichaam waardoor de rest van het lichaam in staat is gebruik te maken van het licht. Licht is, zoals u zich nog herinnert, een symbool van waarheid. Door het oog kan het fysieke lichaam gebruik maken van het licht. Hij zei dat als het oog zuiver is, in goede conditie is, één is, alle delen correct werken, de rest van het lichaam op effectieve en doelgerichte manier gebruik kan maken van het licht. Maar als enig deel van het oog beschadigd is of aangetast, kan niet alleen die persoon niet goed functioneren, maar loopt hij ook het gevaar zich te verwonden, of nog erger, dodelijk te verongelukken.

Het doel van dit onderwijs is te laten zien, dat net als het lichaam het oog heeft om gebruik te maken van het licht, ons denken, ons hart, op dezelfde manier een oog nodig heeft. Het "oog" van het hart is "begrip". Een juist begrip maakt geestelijke openbaring duidelijk. Het is terecht dat we begrip het oog van ons denken noemen. We zouden ook kunnen zeggen dat het de manier is waarop we de dingen bekijken. We zouden ook kunnen zeggen dat het ons wereldbeeld is, of we zouden kunnen zeggen ons perspectief. Maar ik denk dat "begrip" de lading het beste dekt. Het is dit begrip, dat onze weg geestelijk, moreel en ethisch bewaart, stuurt en verlicht, zodat iemand zijn leven gericht kan houden op wat hij dan ook maar van waarde acht.

Middels ons begrip stellen we onze doelen en bedoelingen, en bepalen we hoe we handelen of reageren op de omstandigheden van het leven. "Begrip" stelt vast waarop we ons richten, en bepaalt ons standpunt in de zaken betreffende het leven. Door het "oog van ons denken" stellen we het doel vast waarop we mikken, waarheen we willen gaan. Dat is wat we in het oog houden en waardoor we ons doen laten bepalen. In Jezus' onderwijs is het dan als volgt: als ons begrip duidelijk is, als het oog van ons denken zuiver is, als we een eerlijk doel stellen, ons richten op een juist punt en op de juiste wijze daarheen gaan, als we zuiver en alleen de eer van God op het oog hebben, dan is ons "oog" zuiver. Dan zijn we op de juiste dingen in het leven afgestemd.

Ik heb reeds een voorbeeld van de apostel Paulus gegeven. Hij zei: "Het leven is mij Christus." Hij bedoelde dat zijn gehele bestaan gericht was op en toegewijd was aan de dienst van Christus. Als wij net zo denken als Paulus, dan zullen onze daden God welgevallig zijn. Dan zullen we ons een stuk zekerder voelen en ons meer op ons gemak voelen in de relatie met Hem. Als we dit willen bereiken, moet ons leven een kwaliteit aan scherpte hebben die gunstig uitvalt in vergelijking met de ijver en discipline die we zagen uitgebeeld in het leven van de mensen die naar de Olympische spelen werden afgevaardigd. Als we letten op de etiketten die zij kregen opgeplakt, de toewijding die zij hadden om hun niveau van bekwaamheid te bereiken, zodat ze van "wereldklasse" werden in hun tak van sport, dan beginnen we iets te begrijpen van het type toewijding dat God van ons verlangt, opdat we maximaal zullen groeien en in Zijn Koninkrijk zullen zijn.

U zult zich herinneren, als u er iets van hebt gezien, dat die mensen een toewijding hadden aan hun sport die weinig ruimte liet voor andere dingen in hun leven. Hebt u ooit enige achtergrond gezien over die meisjes in hun tienerjaren die daar aan het schaatsen waren? Zij stonden om 3 uur 's morgens op en om 4 uur gingen ze in het donker naar de baan en oefenden daar twee of drie uur lang voordat ze ontbeten. Daarna terug naar huis, haasje repje naar school naar het zogenaamde normale leven. Ze komen weer thuis van school, maken hun huiswerk en gaan naar bed terwijl andere kinderen in de buurt zich met elkaar vermaken. Zij gaan vroeg naar bed, zodat ze weer om 3 uur in de morgen kunnen opstaan en de dagelijkse routine weer oppakken.

Ik weet niet hoeveel van ons daar ook maar een beetje aan kunnen tippen. Misschien is dat wel ongebalanceerd en ik beveel zo'n strak schema dan ook beslist niet aan, maar ik verwijs ernaar om te laten zien dat vastbesloten toewijding nodig is, opdat we zoveel mogelijk kunnen groeien en dan zullen we niet veel ruimte over hebben voor de wereld.

We gaan nu naar het volgende punt van het programma, omdat ook dat van wezenlijk belang is. Dat punt is de onmogelijkheid om het streven in het Koninkrijk van God te komen te combineren met wereldlijkheid. Dit wordt ons overduidelijk getoond in het volgende vers. Laten we Mattheüs 6:24 opslaan. Jezus zegt daar:

Mattheüs 6:24 Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon.

Er zit een volgorde in deze punten. Ze zijn allemaal aan elkaar verbonden. Ze gaan van het ene op het andere over. Hij begint met een schat. Iemand met een verkeerde schat samen met een wazig beeld op het gebruik van kennis, dus een onjuist begrip, zal leiden aan een wil die de verkeerde kant uit wil. (1) Verkeerde schat. (2) Wazig beeld (focus). (3) Verkeerd gerichte wil. "Een, twee, drie." We willen dat vermijden. We moeten ons scherpen, de juiste schat verwerven. Als we ons begrip scherpen, dan zullen de mogelijkheden om aan de eisen in vers 24 te voldoen, in sterke mate toenemen. Iemand die daar niet aan voldoet, veronderstelt dat hij volledig trouw kan zijn aan twee doelen tegelijkertijd — God aan de ene kant en de wereld aan de andere kant. Maar Jezus zei dat zoiets onmogelijk is. Niemand kan dat voor elkaar krijgen.

Laten we nu Jacobus 4:4 opslaan.

Jacobus 4:4 Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.

Dat is glashelder. Iemand die denkt dat hij beide gelijkwaardig kan dienen, misleidt zichzelf en zo iemand loopt het gevaar beide te verliezen, als hij niet de juiste keuze maakt. Hij loopt zeer zeker het gevaar het Koninkrijk van God mis te lopen, als hij inderdaad geroepen is. Dat wordt dan zeer zeker de vraag: Is iemand wel geroepen als hij beide wil proberen. Onze geest moet op Christus zijn gericht evenals Paulus dat deed, en de dingen van de wereld moeten alleen maar worden gezocht binnen het raamwerk van wat God toestaat.

Ik breng nu iets naar voren uit Romeinen 6 dat in feite wordt onderwezen in Mattheüs 6. "God dienen" is hetzelfde als "schatten opleggen in de hemelen". "De Mammon dienen" is hetzelfde als "schatten verzamelen op aarde". Wat Jezus zei komt op basis van twee woorden die Hij gebruikte, in het Grieks veel krachtiger tot uiting dan in het Nederlands. Het ene woord is het woord dienen en het andere is het woord andere. Hier in Romeinen 6:6 wordt hetzelfde woord gebruikt als in Mattheüs 6:24.

Romeinen 6:6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven [dienaars] der zonde zouden zijn; [Statenvertaling: opdat wij niet meer de zonde dienen.]

Niemand kan twee heren dienen. Beide passages gebruiken hetzelfde woord. Dit woord duidt niet op een handeling van gehoorzaamheid die maar zo af en toe voorkomt, het duidt op een lijfeigene. Sommigen vertalen het zelfs met "slaaf". Een slaaf is iemand die in de schuld staat of gevangen genomen is door een ander — degene die hij dient. Een slaaf is geen baas over zijn eigen leven. Het feit dat er iemand anders aan de touwtjes van zijn leven trekt, maakt een slaaf tot slaaf. God handelt niet op deze manier. Hij laat ieder van ons onze vrije wil, maar aan de andere kant wil Hij dat het tot ons denken doordringt, dat wij onszelf tot slaaf moeten maken, vrijwillig ervoor kiezen Hem tot slaaf te zijn. Dat brengt het meeste en beste resultaat voort. Hij wil dat wij deze houding hebben, dat wij Zijn slaven zijn en dat wij onze vrije wil gebruiken om ons in die toestand te brengen. Het woord "dienen" duidt dus niet op een dienstverlenende handeling die zo af en toe eens voorkomt. Nee, het duidt op een lijfeigene, een slaaf, het eigendom van een meester, voortdurend en geheel onderworpen aan zijn wil.

Romeinen 7:6 maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield [in slavernij aan de zonde en de dood en aan Satan], zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

Hier wordt hetzelfde woord gebruikt. God wil dat wij ervoor kiezen Hem te dienen op dezelfde manier als wij voorheen in dienst van de zonde stonden. Dat deden we toen ook vrijwillig omdat we niet beter wisten. Nu moeten we er tegen vechten, tegen die aantrekkingskracht, om ervoor te kiezen het juiste te doen.

Laten we weer teruggaan naar Mattheüs 6. Het tweede woord waarover we het hadden, is ander. Het Grieks heeft twee woorden die met het Nederlandse woord ander kunnen worden vertaald. Het ene woord duidt op een ander van dezelfde soort of rang. Bijvoorbeeld als je in militaire dienst bent en je zegt "een andere kapitein", of "een andere luitenant" bedoel je iemand met dezelfde rang. Dan gebruik je het ene woord voor "ander". Het tweede woord is het woord dat hier door Jezus wordt gebruikt en dat duidt op een ander van een andere soort of klasse. Toen Jezus zei: "Niemand kan twee heren dienen [zichzelf tot slaaf van hen maken], want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben", bedoelde Hij meesters [heren] die lijnrecht tegenover elkaar staan. Iets totaal verschillends, niet hetzelfde. Totaal verschillend.

Denk hier goed over na! Iemand kan twee heren dienen na elkaar, de een na de ander, zelfs al zijn ze totaal verschillend. We kunnen een baas hebben die aardig is, en als die dan wordt vervangen door een ander, dan dienen we die tweede baas; deze is totaal anders. Echt anders! Hij let op de kleinste details en is echt veeleisend en hij zit je op de rug. Ze zijn totaal verschillende persoonlijkheden. Beiden kunnen worden gediend, maar wel na elkaar.

Iemand kan ook twee heren dienen op een verschillende manier. We hebben een baas hier en een baas daar. Mattheüs 6 laat dat toe. Het zegt dat we geen twee heren in dezelfde mate kunnen dienen, maar we kunnen wel twee heren in verschillende mate dienen. Dit betekent, dat we zo af en toe een dienst verlenen aan de ene, terwijl we gewoonlijk onderworpen zijn aan de ander en de ander dienen.

Iemand kan twee heren tegelijkertijd dienen als ze beide aan dezelfde kant staan en tussen hen ook een lijn van autoriteit bestaat. Bijvoorbeeld een koning en zijn ambassadeur. In feite dienen we de koning door onze dienstverlening aan de ambassadeur. De ene baas is ondergeschikt aan de ander. Maar we kunnen niet twee bazen die tegenover elkaar staan, in dezelfde mate en tegelijkertijd dienen, zoals God en de wereld, want de belangen van de twee bazen zijn volledig in strijd met elkaar. We komen hier straks op terug.

We gaan eerst naar iets anders in vers 24. Hij zei dat we de ene zullen liefhebben en de ander haten, de ene hoogachten en de ander minachten. Jezus gebruikt deze uitdrukkingen om te beschrijven hoe het duidelijk zal zijn dat we geen twee heren tegelijkertijd kunnen dienen. Met andere woorden deze situatie zal enig resultaat voortbrengen. Als we weten waarop te letten, zullen we kunnen zien dat we niet in dezelfde mate dienen. De slaaf zal voor de ene kiezen, hem aanhangen, respecteren en aldus zijn liefde uiten. Voor de ander zal er niet hetzelfde enthousiasme zijn. Er kan zelfs een diepe antipathie bestaan, een zich terughoudend opstellen, een minachting en aldus toont hij een bepaalde mate van haat.

Blijf me nog even volgen, want we komen nu ergens. Jezus doet iets heel interessants. Mammon betekent letterlijk rijkdom of welvaart, en daar het tegengesteld is aan God, stelt het iedere willekeurige aardse schat voor. Maar Hij personifieerde Mammon ook. Dat betekent dat Hij het gebruikte alsof het een levend iets was. Jezus personifieerde Mammon als een meester die dienstbaarheid van een slaaf eist. Bedenk nu dit. God is zeer zeker een levend wezen. Hij leeft en daarom moet Mammon in deze context worden begrepen als duidend op een levende god van de rijkdommen dezer wereld, of aardse schatten — Satan. Begrijpen we dat?

Mammon is in werkelijkheid, als we dit gaan begrijpen, Satan de duivel. Geen wonder dat Jacobus zei, dat hij die een vriend is van de wereld een vijand is van God! Satan is de vijand en dit is zijn wereld. Als onze interesses in de wereld liggen, maken we onszelf tot vijanden van God. Waarom?

Romeinen 6:16a Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, ...

Zoeken eropuit te zijn dienstvaardig te zijn aan de Mammon is hetzelfde als ons ondergeschikt maken aan Satan de duivel. Wat hebben we hier dus? Afgoderij. Zien we in waarom deze twee heren diametraal tegenover elkaar staan? De Ene beveelt dat we in geloof wandelen, de ander bij wat we zien. De Ene: arm van geest te zijn, nederig; de ander: trots en agressief te zijn. De Ene: onze affectie te zetten op de dingen boven; de ander: onze affectie te zetten op de dingen hier op aarde. De Ene: uit te zien naar dingen die niet te zien zijn en eeuwig; de ander: naar dingen die slechts tijdelijk zijn. De Ene zegt: om niets bezorgd te zijn; de ander: over alles in zorg en spanning te zitten. De Ene: tevreden te zijn met wat we hebben; de ander: uw verlangens zo groot mogelijk te maken. De Ene: bereid te zijn te delen; de ander: vasthouden wat je hebt. De Ene: vreugde te zoeken in de Schepper; de ander: vreugde te zoeken in het geschapene. Er is geen enkele manier waarop deze twee heren op gelijkwaardige wijze gediend kunnen worden. God dienen is dus Hem liefhebben.

Mammon is letterlijk geld, voedsel, kleding, eigendom, zoals een eigen huis, een auto; en binnen de geest van dit woord, binnen zijn definitie, liggen ook abstracte dingen besloten zoals: macht, bekendheid, status. Daarom zegt Jezus dat de persoon die God liefheeft, dit zal laten zien door alles, zichzelf en alles wat hij bezit, ter beschikking van God te stellen. Dit vereist een stevige wilsinspanning en een duidelijk begrip, of te wel: oog, visie, licht, waarheid. Dit maakt dus duidelijk dat God liefhebben niet alleen maar een zaak is van emoties, maar liefde in de zin van het eerste en tweede grote gebod van de wet. Laten we die twee eens bekijken.

Marcus 12:30b-31 ... en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. 31 Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet.

Dit soort liefde vereist betrokkenheid van de wil. Hiervoor moeten we het juiste doel — de juiste schat — hebben; het juiste begrip en dan de wil ertoe zetten onszelf de discipline op te leggen Hem zo volledig als we maar kunnen, te dienen. Herinnert u zich nog dat toen u werd gedoopt, de dienaar hoogstwaarschijnlijk Lucas 14:26 met u doornam, waar Jezus zei, dat als iemand Hem wilde volgen, hij zijn vader, moeder, zuster, broer, oom, tante, ieder familielid moest opgeven, moest haten, en zijn kruis opnemen en Hem volgen? Dit staat in directe relatie met de schat, het oog, de wil, niet zoeken naar, niet in staat zijn twee heren te dienen en de twee grote geboden.

Laten we nu Mattheüs 10:37-39 opslaan.

Mattheüs 10:37-39 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; 38 en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. 39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.

God kan niet worden omgekocht en ook niet met mooie praatjes zover worden gebracht ons te accepteren. Hij wil resultaten. Hij wil de vruchten zien van bekering en toewijding is hiervoor van wezenlijk belang. Ik weet wel, gemeente, dat het soms moeilijk is om te gaan met zo'n veeleisend gebod, maar God doet dit ook. Hij zet Zichzelf er ook toe zo te handelen, omdat dit om twee verschillende redenen goed is voor ons. De eerste is dat het ons helpt ons te vormen naar Zijn beeld. Veronderstel dat God zegt: Wel, het is goed als je dit doet, of dat, of wat anders. Het interesseert me niet echt of je wel toegewijd bent. Denkt u, de menselijke natuur kennend, dat u erg toegewijd zult zijn om deze dingen te bereiken? Ik denk van niet. Ik weet hoe ik ben. Het is voor mij erg gemakkelijk van de gebaande weg af te geraken, tenzij ik besef dat God me zegt dat ik er beter aan doe daarop te blijven en mijn leven werkelijk een andere kant uit te sturen.

De tweede reden is dat deze benadering van het leven werkelijk een overvloedig leven zal voortbrengen, het overvloedige leven waar iedereen naar uitkijkt. Iedereen probeert dit uit dingen te laten voortkomen die dit niet kunnen voortbrengen. Kunt u iets opnoemen dat God ons zegt te doen, dat niet goed is voor ons?

Nogmaals Mattheüs 10:39.

Mattheüs 10:39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.

Dit vers bevat zowel een positieve als negatieve uitspraak betreffende dezelfde waarheid, dat het leven aanhangen, dat is achter aardse schatten aanjagen, er de oorzaak van kan zijn dat we het beste deel van Christus, het overvloedige leven in deze wereld opgeven en hoogstwaarschijnlijk ook het Koninkrijk van God. Hoe meer we aan de beloningen van dit leven hangen, hoe meer we gaan ontdekken hoe leeg ze in feite zijn. De beste manier om van het leven te genieten is onze greep op aardse beloningen losser te maken, zodat we vrij zijn Christus te volgen en zodoende zullen we het eeuwige leven beërven en onmiddellijk gaan we dan al de voordelen van het volgen van Hem ervaren. Je verliest het aardse leven, je wint het eeuwige leven. Je wint het aardse leven, je verliest het eeuwige leven. Zo eenvoudig zit het in elkaar. Daarom is Hij zo veeleisend. Hij wil het beste voor ons, Hij wil dat we ervoor kiezen Zijn slaaf te worden. Dat is goed voor ons en het is ook goed voor Zijn doel.

De menselijke natuur heeft ons bedrogen, zodat we denken dat het leven bestaat uit een overvloed aan dingen. Dingen zijn niet slecht, maar ze brengen geen werkelijke overvloed, omdat God hen niet met het vermogen heeft geschapen om daarin te voorzien. Het overvloedige leven komt van iets anders. Het komt voort uit de relatie met Hem en het gehoorzamen van zijn geboden. Daarnaast heeft de menselijke natuur ons ook bedrogen te geloven dat wij, zoals we zijn, acceptabel zijn voor het Koninkrijk van God, en daarom is het ook heel vanzelfsprekend dat we dat denken. Daar klopt ook niets van. Dat is een vorm van zelfrechtvaardiging. God zal ons niet aanvaarden zoals we zijn. Het liedje "Just as I am, without one plea [rechtsgeding]" is een afschuwelijke leugen.

We moeten groeien tot de mate van de volheid van Christus. We zijn niet geschikt voor het Koninkrijk van God zoals we zijn, en wat we hier in de bergrede zien, zijn de basiselementen om de volgende punten te bereiken: hoe van de wereld af te komen, hoe de wereld te weerstaan, de juiste schat te hebben, een zuiver oog te hebben zodat onze visie ons in de juiste richting voert, opdat we recht op ons doel kunnen afgaan en ons daarbij als slaaf aan God kunnen wijden. Zo wordt groei, het overvloedige leven, eeuwig leven en het Koninkrijk van God bereikt.

Het soort zelfopofferende, enthousiaste toewijding waarover Jezus hier spreekt, kan absoluut niet aan twee verschillende partijen worden gegeven. Wie op deze manier handelt, wordt een aanbidder en waaraan hij zichzelf geeft, wordt de god van de aanbidder. Hieruit volgt dus dat als het niet de ware God is, we dan met afgoderij vandoen hebben.

Galaten 6 zegt iets heel interessants met betrekking tot het gebruik van onze tijd en energie.

Galaten 6:7 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.

Laten we in deze termen eens over onszelf denken. Wat zaaien wij? Iedere dag hebben we weer een dag om de juiste zaden te zaaien door de juiste dingen te doen. We krijgen de gelegenheid, de tijd, om dat te doen en God laat niet met Zich spotten. We kunnen Hem niet bedotten. We weten wat Hij van ons verlangt te doen.

Galaten 6:8a Want wie op (de akker van) zijn vlees [aardse schatten] zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, ...

Als we dit leven winnen, dan verliezen we het Koninkrijk van God.

Galaten 6:8b ..., maar wie op (de akker van) de Geest zaait, ...

Als we voor de wereld sterven, dan zullen we voor God leven.

Galaten 6:8c-9a ..., zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. 9 Laten wij niet moede worden goed te doen, ...

Dag na dag worden we met deze uitdagende keuze om het "leven te kiezen" geconfronteerd en de keus is aan ons. Het is simpel om vermoeid te raken. Het is simpel om te worden afgeleid. Het is simpel om je zorgen te gaan maken over de dingen van het leven.

Galaten 6:9ab Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, ...

Dat is een belofte van God.

Galaten 6:9c ..., als wij niet verslappen.

Als we er niet mee ophouden. Als we niet opgeven.

Galaten 6:10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

Waar we hier mee vandoen hebben is een universeel principe dat niet met succes kan worden uitgedaagd. Het principe is heel eenvoudig. We zaaien koren en er komt koren uit de grond. We zaaien worteltjes en er komen worteltjes uit de grond. We zouden verbaasd zijn als we het ene zaad zaaiden en er iets anders zou opgroeien. God zegt ons hier, dat we als we moreel, ethisch en geestelijk het goede zaad zaaien, er ook de juiste dingen zullen opgroeien. We kijken naar de vruchten. God laat niet met Zich spotten. We kunnen Hem niet bedotten. Als we wijs zijn, laten we onszelf ook niet bedotten. We laten de tijd dan niet zo maar tussen onze vingers doorglippen. We willen er voordeel van hebben en de tijd benutten zolang we die hebben.

We kunnen onszelf bedriegen dat we twee heren op gelijkwaardige wijze kunnen dienen, maar vroeg of laat wordt het duidelijk waar onze werkelijke toewijding ligt en welke meester de voorkeur heeft. Dat is degene die we in werkelijkheid al die tijd hebben gediend en vereerd. Misschien is zo iemand wel zo erg bedrogen dat hij hetzelf niet eens weet.

Een vrouw kan geen twee mannen op gelijke wijze liefhebben. Een man kan ook geen twee vrouwen op gelijke wijze liefhebben. Een aantal jaren geleden was er een populair liedje "Torn between two lovers". Dat is een situatie die mogelijk is, maar het is onmogelijk beiden op gelijke wijze lief te hebben. De mens kan lust genoeg hebben om er twee geliefden op na te houden, maar kan ze niet op gelijke wijze liefhebben. De haat, zoals Jezus het noemt, zal zich uiten in een langzamerhand verdwijnen van de loyaliteit aan de ene. Het kan geen goede vrucht voor beiden voortbrengen. Dat is onmogelijk. Ik zal u een voorbeeld laten zien uit Johannes 12, waarin dit principe tot uiting komt. Hier kijken we tegen het laatste deel aan.

Johannes 12:4-6 Maar Judas Iskariot, één van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zeide: 5 Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven? 6 Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam.

Denkt u dat in de drieënhalf jaar dat Judas met Jezus optrok, hij zichzelf bedroog dat niemand besefte wat er aan de hand was? Er staat in de bijbel dat Jezus van het begin wist wie het was die Hem zou verraden. Wat deed Judas dus? Blijkbaar wisten anderen dat hij uit de kas nam en dit geld — behalve voor Jezus en de anderen — ook voor eigen gebruik aanwendde. Er was iemand anders behalve hijzelf die het wist, maar Judas was voldoende bedrogen dat hij dacht en de Messias en zichzelf te kunnen dienen, zelfs door diefstal. Hij dacht ook dat de wetten van God niet tegen hem zouden werken. "Wat u zaait, zult u oogsten."

Kijk nu eens naar Mattheüs 26, waar het uitliep op een heel tragisch einde.

Mattheüs 26:14-16 Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15 en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16 En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

Een proces dat hier heel eenvoudig onder woorden wordt gebracht. Judas diende zijn verlangen voor de Mammon zelfs terwijl hij op broederlijke wijze omging met Jezus. Dit leidde hem er uiteindelijk toe Christus te verkopen, wat uitliep op een kruisiging. Het karakter volgde de handeling, of de handeling bracht karakter voort, hoe je er ook maar naar kijken wilt. Wat hij zaaide, dat oogstte hij.

Laten we dit vergelijken met Paulus. We gaan dat bekijken in Filippenzen 3:4-9. U zult zich ook de andere apostelen herinneren en dat Petrus eens zei: "Kijk, wij hebben alles verlaten om U te volgen. Wat zal ons deel zijn in de wederopstanding?" Ik koos echter de woorden van Paulus omdat die specifieker zijn.

Filippenzen 3:4 Ofschoon ik voor mij wel reden zou hebben om ook op vlees vertrouwen te stellen. Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer:

Laten we onszelf daar eens mee vergelijken. Wat hebt u en wat heb ik in het vlees dat een hindernis kan zijn, of dat opgeofferd moet worden in dienst van God? Paulus zei dat ongeacht wat u had, hij meer opgaf. Hij offerde meer op.

Filippenzen 3:5-9 besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, 6 een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. 7 Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. 8 Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, 9 en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.

Een heel andere houding dan die van Judas. Ziet u, hij gaf zijn loyaliteit aan Christus nooit op. Toen hij zich bekeerde, zag hij blijkbaar in dat zijn leven radicaal anders zou gaan verlopen; die radicale verandering was toen al begonnen en hij gaf alles op dat hem dierbaar was om zich als slaaf te kunnen onderwerpen aan God, de Vader, en Jezus Christus, de Zoon.

Laten we iets begrijpen van datgene waar Paulus op doelt. Beginnend in vers 4 geeft hij zijn religieus getuigschrift, zijn aardse verworvenheden. Er zijn er in totaal zeven en deze, ik ben er zeker van dat hij ze daarom vermeldde, waren zijn aardse schatten geweest. Deze dingen waren hem dierbaarder dan geld. Het is interessant dat het Grieks hier in vers 7 er een beetje een draai aan geeft, die in mijn King James niet tot uiting komt. Dit zit verborgen in het woord waarmee hij zegt [letterlijk vertaald naar de KJV]: "Ik heb het verlies geleden van alle dingen, maar beschouw ze slechts als drek." Dat duidt erop dat hij al die dingen schadelijk achtte voor behoud. Ze waren een belemmering. Hij meende voldoende geestelijk inzicht te hebben om te beseffen dat als hij aan die dingen wilde vasthouden, hij verdeeld zou raken tussen de Farizeeën en Christus en hij niet beide kon dienen. Hij wist tegen die tijd genoeg om te beseffen dat hij de Farizeeën volledig moest laten vallen, evenals zijn gehele afstamming. Hij moest deze dingen als afvalmateriaal beschouwen omdat ze hem zouden tegenhouden als hij eraan bleef hechten. Paulus leerde dus tijdens zijn leven dat vertrouwen hebben in religieuze privileges en menselijke prestaties er in feite aan meewerkt iemand van God weg te voeren. Paulus zag daarom af van zijn aardse schatten om door God te worden erkend en bevestigd als "in Christus te zijn". Dus teneinde door geloof in Christus behouden te worden, gaf hij alles op.

Ik weet dat we zo af en toe hebben gespeculeerd wie in de bijbel wel het meeste heeft moeten opgeven. In termen van wereldse goederen was het waarschijnlijk Mozes. In termen van afstamming kan het de apostel Paulus zijn geweest. Mozes gaf al de schatten van Egypte op. Het belangrijke hieraan is dat hij ervan wegliep om als een arm mens de woestijn in te gaan, alleen maar toegerust met het geloof in God. Was dat voldoende?

We komen nu langzamerhand weer bij de uitspraak die ik aan het begin van deze preek deed. Wat Jezus hier aan de orde stelt, is datgene wat de problemen in de kerk heeft veroorzaakt. Laodiceanisme is niets anders dan wereldlijkheid. Het is een wereldlijkheid die ontstaat doordat mensen hun geloof verliezen, en omdat we ons geloof in deze onzichtbare, maar krachtige God verliezen, wordt de wereld almaar aantrekkelijker voor ons totdat we ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt worden en denken dat we alle rijkdom van de wereld hebben; wat we dan echt hebben is echter alleen maar de wereld.

Dit is een serieus punt. We gaan nu een beetje begrijpen waarom ik deze serie preken geef, en dat is, dat als we ooit het geloof dat eenmaal overgeleverd was, willen terug krijgen, we dit proces moeten omkeren en uit de wereld komen en teruggaan naar de zuiverheid die we eens bezaten in onze toewijding aan de waarheden van God, en Hem weer ijverig gaan volgen in gehoorzaamheid als een slaaf, zodat Hij en Zijn weg onze schat wordt. "Een goed inzicht hebben allen die Zijn geboden onderhouden." We verloren ons begrip en dat is bewijs dat we zondigden. We moeten dus terug naar de basisbeginselen, iets dat de meesten van ons reeds tien tot vijftien jaar achter ons zouden moeten hebben. We moeten terug naar het geloof dat ons eenmaal is overgeleverd. We moeten terug naar de liefde die we hebben verloren. We moeten de juiste schat hebben, het juiste begrip, onze wil ertoe zetten de slaaf van God te zijn.

Laten we nu Marcus 10:21 opslaan. Dit gaat over de rijke jongeling.

Marcus 10:21 En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, ...

Is dat niet interessant? Dit gaat rechtstreeks terug op de bergrede. De meesten van ons behoeven niet zo'n schat op te geven, maar aan de andere kant, we zijn allemaal rijk aan iets van deze wereld. Ik weet niet wat het voor u is, maar Christus verlangt van ons dezelfde standaards die Hij deze jongeman oplegde en die Paulus bereid was op te geven. Paulus hechtte nogal aan die afstamming, maar hij gaf die op. Mozes gaf zijn kans Farao te worden op, dat deed hij toch maar. Hij gaf alle schatten van Egypte op — alle toejuichingen, alle status, alle fijne kleding en alles wat samenging met de functie van staatshoofd en hij liep daar weg met een slavenvolk om dat klagende, steunende, murmurerende volk te leiden naar een beter land en een betere manier van leven. Hij nam geen gemakkelijke verantwoordelijkheid op zich.

Marcus 10:21b, 23 ..., en kom hier, volg Mij. 23 En Jezus, rondziende [want de jongeling ging weg], zeide tot zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen zij, die geld [Mammon] hebben, het Koninkrijk Gods binnengaan.

Ik gebruikte "Mammon" om dit te koppelen aan Mattheüs 6:24. Mammon kan van alles zijn. Het betekent letterlijk rijkdom, overvloed. Maar we zijn allemaal rijk — iedereen van ons, al was het alleen maar in menselijke natuur.

Marcus 10:23b-24 ...: Hoe moeilijk zullen zij, die geld hebben, het Koninkrijk Gods binnengaan. 24 En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn woorden, maar Jezus antwoordde weder en zeide tot hen: [verder met Statenvertaling] Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!

Het sleutelwoord voor ons doel hier en nu is het woord betrouwen, vertrouwen, zekerheid, geloof. Wat hebben we zojuist gelezen van Paulus in Filippenzen 3:9? Dat in hem gevonden mocht worden de gerechtigheid door het geloof in Christus. Vertrouwen. Ziet u, vertrouwen stellen in wereldse rijkdom doet geloof wegteren. Heel subtiel wordt het aangetast. De realiteit van waarop we ons vertrouwen stellen, kunnen we zien in waaraan we zijn toegewijd. We geven onszelf altijd weg. Waaraan besteden we onze tijd en energie? Dat laat onze toewijding zien.

Nu zijn er principes waarnaar we ons kunnen wenden om hulp en één ervan is te vinden in 1 Timotheüs 6:8-11. Ik zal daar niet over uitweiden, maar het zal van groot belang worden als we verder gaan.

1 Timotheüs 6:8-10a Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn. 9 Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. 10 Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht.

Koppel dit eens aan wat we zojuist in Marcus lazen.

1 Timotheüs 6:10-11 Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord. 11 Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtzinnigheid.

En dan gaat hij verder met "Strijdt de goede strijd des geloofs." "Streef naar geloof." Ik haal deze woorden hier ook aan, omdat ze in de volgende preek belangrijk zullen worden. Om op de manier te leven zoals God dat wil, in overeenstemming met de standaards die zijn neergelegd in de bergrede, kan alleen maar met succes worden bereikt door geloof. Geloof is hierin het sleutelelement.

Nu naar Spreuken 18:11-12. Neem deze verzen in u op met in het achterhoofd de twee gedeelten die we zojuist hebben gelezen. Het ene ging over het streven naar rijkdom en de consequentie daarvan: met veel zorgen te kampen hebben. Het andere ging over de rijke jongeling die op zijn rijkdom vertrouwde.

Spreuken 18:11-12 Het bezit van de rijke is zijn sterke stad, en als een hoge muur — in zijn verbeelding. 12 Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar ootmoed gaat vooraf aan de eer.

Dat maakt de cirkel rond. Waar vertrouwt u op? Dat laat zien waar uw rijkdom is. We hebben gezien dat God niets tegen rijkdom op zichzelf heeft, maar het streven naar rijkdom en het verwerven ervan gaat gepaard met allerlei geestelijke gevaren. We hebben gezien dat het streven naar aardse schatten iemands visie vertroebelt, en dat het eraan meewerkt begrip te vernietigen. Nu zien we dat het uiteindelijk heel subtiel leidt tot vernietiging van iemands geloof in God, omdat "het bezit van de rijke zijn sterke stad is". Begint u nu te begrijpen waarom Jezus het advies gaf: Verzamelt u geen aardse schatten? Als die onze rijkdom worden, worden die aardse schatten de schatkamer van ons geloof en ons geloof zal dan niet in God zijn, maar in iets aards. Dat zal ons niet behouden en we zullen het Koninkrijk van God verliezen, omdat het iemand zo heel geleidelijk aan leidt tot vertrouwen in eigen prestaties en eigen aardse schatten, wat die dan ook maar mogen zijn. Het doet er niet toe wat het is, het wordt zijn verdediging, zijn schuilplaats, zijn plaats van veiligheid, in plaats van God.

Wat hebben we dan? We hebben een vertroebelde visie, verminderd geestelijk begrip, misplaatst vertrouwen, trots en begeerte, die afgodendienst is; hoogstwaarschijnlijk, tenminste volgens deze spreker (Ritenbaugh), de ergste zonde van allemaal. En dat, gemeente, is nu precies Laodiceanisme. Het is afgodendienst. We zeggen dan dat we rijk zijn en vele goederen hebben, en niets anders nodig hebben, zelfs God niet. Begrijpen we waarom Hij zich zo druk maakt over de Laodiceeërs? Geheel aan het einde, als de mens ... we zouden kunnen zeggen u en ik, degenen die in de kerk geroepen zijn, naar alle waarschijnlijkheid het meeste begrip hebben ontvangen van Gods woord van alle mensen in de geschiedenis van Gods kerk, en het slot van het liedje is dat we Hem zeggen dat we Hem niet nodig hebben.

Afstand doen van iemands prestaties en vroegere doelen, zoals Paulus deed, vereist duidelijk een wilsinspanning, omdat we van nature ons zorgen maken over de fysieke behoeften zoals een baan, voedsel, kleding. Om te begrijpen dat we door dit alles heen door God geholpen zullen worden, gaat Jezus verder met de volgende instructie in Mattheüs 6:25. We zullen daarmee de volgende keer verdergaan. Dit was alles voor vandaag. Wees alstublieft geduldig met me terwijl we door dit onderwerp heen ploeteren. Ik wil dat we dit zo goed begrijpen dat we erin slagen ons leven te veranderen, als we inderdaad ons geloof in de verkeerde dingen stellen. Nogmaals dat was alles voor vandaag.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)