Wat we van loofhutten kunnen leren

Door Richard T. Ritenbaugh
18 oktober 2005

Samenvatting: (toon)

Richard Ritenbaugh denkt na over de verschillende nuances van het woord booth (van het oude Noors), tabernakel (Latijn) en sukkoth (Hebreeuws), die associaties oproepen met tijdelijke woningen. Het is Gods bedoeling dat we dagelijks lessen leren door tijdens het Loofhuttenfeest in loofhutten te wonen. Het Loofhuttenfeest is een vreugdevolle tijd nadat de oogst is binnengehaald, een tijd die Gods volk eraan herinnert na te denken over Zijn onmetelijke voorzienigheid. Niet één ding dat God beloofde, weigerde of onthield Hij ooit aan Zijn volk. Het feest stelt ons in staat na te denken over hoe goed ons leven is in vergelijking met wat het zou kunnen zijn. De loofhut zou nooit een bijklank van ontbering moeten hebben, maar één van overvloed en vreugde. Op basis van onze ervaring in loofhutten te wonen, zouden we het volgende moeten leren: een gevoel 1) van tijdelijkheid, 2) van beweging en 3) van loyaliteit en vertrouwen, zoals Abraham daar een voorbeeld van gaf. Al zijn we Zijn rust nog niet binnengegaan, toch heeft God ons tot dit moment beschermd en zal Hij er voor zorgen dat we Zijn ongelooflijke erfenis zullen ontvangen.


Als ik het woord 'booth' in een normaal gesprek zou gebruiken, zouden de meeste mensen waarschijnlijk denken aan één van de volgende dingen: een telefooncel (voor jullie fans van Superman), misschien een kaartjesloket, een stemhokje, een zithoek in een restaurant (we zullen waarschijnlijk de komende week heel wat tijd in een zithoek in een restaurant doorbrengen), of we zouden kunnen denken aan een tentoonstellingsruimte zoals op een handelsbeurs. Zij die op het college in Big Sandy hebben gezeten, zullen waarschijnlijk denken aan "Booth City" en de tent waarin ze heel wat tijd doorbrachten om te studeren en andere dingen te doen. Sommigen verstaan het woord misschien niet juist en beginnen te denken aan Kapitein Morgan of Jim Beam. Nee, we zijn niet hier gekomen om het Feast of "Booze" [zuippartijen] te houden; het is het Feast of Booths oftewel het Loofhuttenfeest. Als we enige achtergrond van deze woorden weten, dan weten we dat een 'booth' en een tabernakel veel van elkaar weg hebben. Elk goed woordenboek zal dit laten zien.

Booth kwam vanuit het Oud-Noors in het Engels; het woord wordt echter niet veel meer gebruikt. We hebben misschien wel verondersteld dat het vanuit het Oud-Engels of zoiets afkomstig is, maar booth kwam van het Oud-Noors en betekent gewoon "een woning". Zelfs toen, in de duistere tijden voor 1000 A.D., had het de bijbetekenis van een tijdelijk onderdak, een niet permanente plaats. Gewoon op basis van de lengte van het woord tabernakel weten we waarschijnlijk waar het vandaan kwam. Het kwam van het Latijn en betekent "tent" of "hut" en het impliceert ook een tijdelijk onderdak. De twee woorden zijn in principe synoniem. Het ene komt uit het Oud-Noors en het andere uit het Latijn. Gewoonlijk komt in de gevallen dat er van een eenvoudig woord sprake is, dit woord uit het Oud-Engels of het Oud-Noors of zoiets, evenals dat met booth het geval is. Als u echt een ingewikkeld woord wilt, dat erudiet en intellectueel klinkt, gebruik dan het woord tabernakel.

Het Hebreeuwse woord sukkot (soms ook gespeld als sukkoth) betekent "een tabernakel, hut, tijdelijke woning". Als u iets weet over de joodse viering van deze periode, dan weet u dat ze het Sukkoth noemen. Dit is het Sukkothfeest en betekent "Loofhuttenfeest". Daar is niets ongewoons aan, niets vreemds; het betekent gewoon Loofhuttenfeest — net zoals wij dat nu houden.

Wij zijn Gods instructies, dat we deze acht dagen in loofhutten moeten wonen in zijn algemenere betekenis gaan begrijpen, namelijk dat het verwijst naar tijdelijke woningen. Er zijn sommigen die zeggen, dat we in een hut samengesteld uit een bepaald soort takken moeten wonen, of dat we in een tent of zoiets moeten wonen. Wij hebben het echter altijd in zijn algemenere betekenis opgevat. Zolang het tijdelijk is en niet je eigen woning, is het in orde.

We gaan vaak naar een plaats die ver weg is, vanwaar we in elk geval niet elke avond naar onze eigen woning kunnen terugkeren. De meesten van ons huren dan een hotel- of motelkamer en enkelen kamperen nog in een tent of een camper. Toen er in de dagen van Worldwide nog meer Feestplaatsen waren en er een Feestplaats was in de omgeving van een plaats waar een gemeente bestond, zouden de mensen nog steeds feitelijk hun woning verlaten en naar een motel gaan. Zelfs al was dat maar vijf minuten rijden van huis, zij zouden nog steeds het Feest houden alsof ze werkelijk duizenden kilometers hadden gereisd. Ik herinner me dat mensen in Pasadena en omgeving hun huizen tijdens het Feest verhuurden en daarmee iets verdienden.

God doet niets op een grillige, onvoorspelbare manier. Elk van Zijn instructies bevat lessen om ons geestelijk begrip en onze wijsheid te verdiepen en te vergroten. Met andere woorden dit Feest wordt niet het Loofhuttenfeest genoemd omdat God dacht dat het een gave naam was, of omdat Hij — zomaar opeens — vond dat het leuk was om dit Feest het Loofhuttenfeest te noemen en iedereen in tenten [loofhutten] te laten wonen. Er is een reden voor de dingen die Hij doet. Als God ons dus beveelt om tijdens het Feest gedurende acht dagen in tijdelijke woningen te wonen, wil Hij dat wij daar belangrijke lessen aan ontlenen — niet alleen nu op het Feest, maar ook op onze dagelijkse reis naar het Koninkrijk van God. Straks komen we toe aan enkele van die lessen die we aan loofhutten kunnen ontlenen.

Voordat we daaraan toekomen wil ik echter iets van een fundament leggen. Tijdens de Feesten en de Heilige Dagen is de plaats voor dat fundament Leviticus 23. We zullen een deel van de paragraaf over het Loofhuttenfeest lezen. Ik geloof dat die paragraaf de allerlangste uit Leviticus 23 is.

Leviticus 23:39-43 Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest des HEREN vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn. 40 Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE, uw God, zeven dagen lang. 41 Gij zult het als een feest des HEREN vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. 42 In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, 43 opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik ben de HERE, uw God.

Er staan hier weinig details die ons wonen in loofhutten tijdens het Feest in perspectief plaatsen. Ik wil u erop opmerkzaam maken, dat vers 39 met de deur in huis valt over waar het Feest betrekking op heeft: het einde van de oogst. De oogst is aangebroken en de mensen hebben de vrucht van het land binnengehaald; nu hebben ze een feest om Gods zegeningen te vieren, de overvloed die God hun gaf. Zij loven God voor alles wat Hij hun gedurende het hele jaar gegeven heeft. Ze konden God niet alleen danken voor de vrucht van hun arbeid, maar ze konden ook van die vrucht genieten. Dit was de tijd in Israël dat al de voorraadschuren vol waren en dat de graansilo's vol waren. De opslagruimtes lagen vol met appels, sinaasappels of wat ze ook maar voor fruit mochten hebben — wijn en druiven, en dat soort dingen die zojuist geoogst waren (dat was natuurlijk nieuwe wijn). Ze konden van al deze overvloed genieten en daar feest mee vieren. Ze waren tegen deze tijd ook toe aan wat ontspanning, feestvieren, plezier en kameraadschappelijk met elkaar omgaan, omdat ze zich maandenlang uit de naad hadden gewerkt om de oogst binnen te halen en nu waren ze wel aan wat rust toe. Daarom gaf God hun een feest waarin ze dat konden doen, en in veel opzichten richt dit vers 39 zich op deze fysieke aspecten van het Feest.

In nieuwtestamentische tijden zijn we echter gaan begrijpen dat er ook een geestelijk aspect aan dit Feest verbonden is. We vieren niet alleen feest met het fysieke voedsel en de fysieke overvloed die God ons gegeven heeft, maar we hebben de schitterende gelegenheid om tijdens het Feest een oogst van geestelijk voedsel binnen te halen als we instructie ontvangen — geestelijke instructie vanuit Gods woord — iedere dag, acht dagen lang. Door de manier waarop het Feest dit jaar valt, hebben we drie dagen — twee Heilige Dagen en de sabbat — waarop we deze instructie zowel 's morgens als 's middags ontvangen. Daarom hebben we deze schitterende gelegenheid om onze maag en tegelijkertijd onze geest te vullen. Dit alles komt van God en we moeten dat in gedachten blijven houden.

Vers 40 gaat hier voornamelijk van de fysieke kant nader op in, maar zoals ik zei, de geestelijke ondertoon is ook aanwezig. Hier komen we dan aan bij de betekenis van loofhutten. De Israëlieten werden verondersteld eropuit te gaan en grote dikke takken, alsook kleinere takken van diverse soorten bomen te verzamelen en daarmee een loofhut in elkaar te zetten, een hut die op een of andere manier schaduw bood. Dit werd verondersteld hen te herinneren aan de oogst die ze zojuist hadden binnengehaald, en daarnaast hen ertoe aan te zetten zich voor de Here te verheugen.

Zie dit in gedachten voor u: ze maakten een loofhut. Ze bouwden hem op en gingen daarna — evenals wij — feestvieren. Daarna na het feestvieren zouden ze teruggaan en omdat het donker was naar bed gaan. De volgende morgen vroeg zouden ze wakker worden, hun ogen openen en de takken van de lommerrijke bomen zien — zoals hier staat: "de vrucht van sierlijke bomen, palmbomen en beekwilgen." Ze zouden dan kijken en misschien een tak zien die ze van een sinaasappelboom hadden afgebroken. Hij was nog steeds groen met bladeren en ze zouden opkijken en in zichzelf denken (als ze nadenkende mensen waren): "Dit is echt een schitterend land waarin we wonen. We hebben het perfecte klimaat om citrusbomen te doen groeien en daarom krijgen we elk jaar bergen fruit. Zijn deze sinaasappelen niet heerlijk? God is werkelijk goed voor ons!"

Daarom wilde God dat ze al deze verschillende bomen zouden gebruiken. Een andere ochtend zouden ze wakker worden en de takken van een wilg zien. Als ze zouden gaan nadenken over de tak van de beekwilg en de wilg zelf, zouden ze kunnen denken: "Deze wilg groeit alleen maar op plaatsen waar volop water is. Wilgen zijn dol op water. Bedenk dat als we in de woestijn zouden zijn, we dan geen wilgen zouden hebben. Maar God heeft ons in een land gebracht waar volop water is en waar wilgen kunnen groeien. Is dat niet verbazingwekkend? God is werkelijk goed voor ons!"

Op een andere dag zou het weer een andere boom zijn. Ze zouden alle acht dagen wakker kunnen worden en de overvloed die God hun geschonken had, kunnen overdenken — niet alleen de vruchten of de groenten, maar ook het harde en het zachte hout. Ze konden denken over de zegeningen die hun in het land waren gegeven, door alleen maar te kijken naar de takken die ze hadden afgebroken van wat voor bomen ze ook maar voor het bouwen van hun loofhutten hadden gebruikt. Ze konden denken over het prachtige leven dat ze hadden vanwege Gods zegeningen. Wis en waarachtig, God had hen in een land overvloeiend van melk en honing gebracht. God had hen niet achtergelaten in een kale en boomloze woestijn zonder water. Hij was Zijn beloften nagekomen.

God komt hier in vers 43 aan toe, als Hij zegt dat Hij wilde dat ze in loofhutten zouden wonen "opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde." Daarna zegt Hij: "Ik ben de HERE, uw God." Hij wilde dat zij, op ieder Feest, nadat ze hun loofhutten hadden gemaakt, zouden nadenken over hun situatie in vergelijking met waar de Israëlieten doorheen waren gegaan toen ze uit Egypte werden bevrijd. Daarna zegt Hij: "Ik ben de HERE, uw God."

Kunnen we door deze twee dingen met elkaar in verband te brengen, weten waaraan Hij wilde dat ze zouden denken? Hij wilde dat ze dachten: "Aha, zo zit dat. We hadden het niet best, maar God bracht ons uit Egypte. En daarna bracht Hij ons in dit land. En alles wat Hij zei, gebeurde. Hij kwam al Zijn beloften na." Hij was hun God. Ze werden verondersteld over deze dingen na te denken terwijl ze in hun loofhutten woonden.

We zouden hier op diverse manieren naar kunnen kijken. We zouden eraan kunnen denken in termen van wat God had gedaan om hun voorvaderen vanuit slavernij te bevrijden en hoe Hij gedurende die tocht van veertig jaar door de woestijn voorzien had in al wat ze nodig hadden. Zoals ik zei was dit bedoeld om hen eraan te herinneren wat voor God zij dienden. Zij dienden een God van vrijheid, een God van voorzienigheid, een God van macht, een God van zekerheid en leiderschap, een God die Zijn beloften tot op de letter nauwkeurig nakomt. Het diende er ook toe hen eraan te herinneren, zoals ik reeds min of meer liet blijken, dat hun eigen omstandigheden in het land veel beter waren dan waar hun voorvaderen in de woestijn waren doorheengegaan.

Denk eens even aan enkele van de dingen die God daar in de woestijn voor hen deed. Ze hielden ergens stil waar geen water was en Hij beval dan Mozes op een rots te slaan en ploep! Daar gutste het water eruit! Er was genoeg om de dorst te lessen van — hoeveel mensen? — twee, tweeënhalf miljoen en daarnaast alle vee! Dit was niet maar een straaltje! Dit was niet één van die putten die je in de woestijn graaft en waarop je moet wachten tot hij langzaamaan gevuld wordt — een sijpelbron. Nee, dit was een snelstromende rivier! Dat moest wel om de dorst van al die mensen te lessen! God deed niet iets kleins.

Als Hij hun voedsel te eten gaf, zond Hij hun hele vluchten kwakkelen! Ik heb het niet over de bossen intrekken om ze uit het gras op te jagen, waarop er één of twee zouden opvliegen. Dit was misschien wel een vlucht van miljoenen vogels die Hij middels een wind naar hen toestuurde. Het volk ging eropuit en plukte ze min of meer uit de lucht! Toen God hen die lange afstand liet wandelen, voorzag Hij in een zonnescherm voor hen zodat de zon hen niet verbrandde. Hij deed dat Zelf middels een wolkkolom. Hij liet veertig jaar lang zonder onderbreking manna op hen regenen — behalve natuurlijk op de sabbat. Alles wat Hij deed, deed Hij op een grootschalige manier!

Als ze streden, stuurde Hij Aäron en Hur achter Mozes aan en zij ondersteunden zijn armen — waarna Israël won. Andere keren vond Hij andere manieren om dit te doen, zelfs al waren de Israëlieten niet getraind voor de oorlog. Ze moesten de wapens der Egyptenaren van zich afwerpen; ze hadden onervaren generaals — maar ze wonnen omdat God met hen was.

Alles wat God voor hen deed, deed Hij op grootschalige manier en ze waren niet alleen in staat te overleven, maar onder die omstandigheden ook voorspoed te hebben. We lezen echter steeds weer dat Israël al de dingen die God voor hen deed nooit waardeerde. Als u temidden van die tweeënhalf miljoen Israëlieten zou lopen en er één uit zou kiezen en zou vragen: "Wat denkt u van uw huidige situatie?", zou hij zeggen: "We hebben al deze tijd rondgezworven en ik voel me wat onzeker. Ik weet niet of we er wel zullen komen. Het is een ontzettend lange tocht en we zijn al een ontzettend lange tijd onderweg. Het ziet er niet al te goed uit."

"We hebben gehoord dat dit Beloofde Land ergens ten noorden van ons ligt, maar Mozes gaat almaar in zuidelijke richting. Ik weet niet wat er verkeerd is. Zijn onze leiders wel te vertrouwen? Je kunt in deze dagen geen goede leiders vinden! Hij verdwijnt dan veertig dagen en later nog eens een keer. Ik geloof dat hij een vrouw heeft, maar waarom zij op de berg Sinaï bivakkeerde, zullen we wel nooit weten! Dit is een afschuwelijk gebied om in rond te trekken! Je hebt hier amper bomen. De zon schijnt altijd, wel negentien uur per dag. Het is heet. Water is een kostbare zaak. Het is gewoon allemaal afschuwelijk! Je krijgt zand in je sandalen en tussen je tenen. Je weet wel hoe dat voelt!"

"Ik wenste dat we op de plaats van bestemming zouden aankomen en wel snel. Ik hoor dat de Amalekieten zich verzamelen. Als we daar niet spoedig aankomen, zullen zij komen en ons afslachten! We hebben geen schijn van kans! We hebben hier geen fort. We hebben geen muren. Die Mozes blijft maar zeggen: 'Vertrouw op de Heer.' Hij klinkt net als alle predikanten. We zullen waarschijnlijk hier allemaal sterven!"

Het was allemaal waar wat ze zeiden! Ze klaagden op een verschrikkelijke manier over al hun veronderstelde ontberingen. Ze werden moe van hun rondtrekken en hadden het gevoel dat er nooit een einde aan zou komen. Toch wilde God dat de generatie Israëlieten die in het land was (laten we hen de huidige generatie noemen) en die het Loofhuttenfeest hielden, hun eigen situatie, hun eigen omstandigheden zouden vergelijken met datgene waar hun voorouders in de woestijn doorheengingen. Hij wilde dat ze tot de onontkoombare conclusie zouden komen dat ze het goed hadden — werkelijk goed!

Zelfs al zorgde God in de woestijn voor hen, er waren desondanks ontberingen, er waren dingen waar ze doorheen moesten. Toen God het volk in het land bracht, was er ondanks dat het een goed land was, heel wat te doen. Er was werk voor iedereen en, als je bereid was om te werken, kon je een goed bestaan hebben. God stelde het zo in dat je je eigen land had. Zelfs al moest je door een korte slechte periode gaan en je land verkopen, dan zou je het toch in het jubeljaar weer terugkrijgen en kon je opnieuw beginnen. Hij had alles zo ingesteld dat het leven goed was. "We hebben om de paar maanden een feest. We krijgen heel wat te eten. Voor één feest zei Hij zelfs: 'Koop de sterke drank die je hart begeert!' God zorgt werkelijk voor ons!"

Hij wilde echter dat zij — en natuurlijk ook wij — zouden nadenken over de absolute tegenstelling tussen wat het leven zou kunnen zijn en wat het leven is, omdat God ons gezegend heeft. Hij heeft ons niet alleen gezegend, maar Hij heeft ons werkelijk gezegend! We hoeven alleen maar even te gaan zitten en na te denken hoe het zou kunnen zijn en hoe het voor sommigen was.

In vers 42 beveelt God uitdrukkelijk: "Allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen." Sommige commentatoren schuiven dit in principe terzijde en zeggen dat het gewoon geheel Israël betekent; maar God zegt geen dingen zonder dat er een speciale betekenis achter zit. "Allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen." Een geboren Israëliet suggereert iemand die onder het verbond geboren is, iemand die een speciale verbondsrelatie met God heeft, iemand die wordt gezegend omdat hij deel is gaan uitmaken van dit verbond en omdat hij een begin heeft gemaakt God te gaan begrijpen — zij die zijn begonnen met God naar de bestemming te wandelen, wat ze dan ook maar onder die bestemming verstaan.

Voor ons is onze bestemming het Koninkrijk van God. Dit zegt dat iemand die zo'n relatie heeft, iemand die onder het verbond staat, veel over deze relatie moet leren — zowel de verplichtingen als de beloningen ervan — door een week lang in een loofhut te wonen. God wilde dat iedere Israëliet onder dit verbond dit ieder jaar deed teneinde bepaalde lessen te leren.

Voordat we op die lessen ingaan, wil ik u één ding zeggen wat ik niet denk dat het is. Ik denk niet dat God met de loofhut de bedoeling had ons een gevoel van ontbering te geven. Als u en ik eropuit moesten om takken van een boom af te breken en een loofhut te maken, zouden we dat beslist onaangenaam vinden. Wij zouden zeggen: "Man, dat hotel Capitol Plaza gaat er steeds beter uitzien. Ik zal niet meer klagen als ik de koudwaterkraan opendraai en er warm water uitkomt. Ik zal niet meer klagen als de kinderen door de zaal rennen. De bedden zijn mooi in vergelijking met een aarden vloer. Het is een beetje tochtig in deze hut en de wind waait er gewoon doorheen."

Bedenk dat dit het Loofhuttenfeest is! Het Loofhuttenfeest is het Feest waarin we werkelijk kunnen genieten! We kunnen ervan genieten, of we nu in een loofhut verblijven of in een hotelkamer. Ik heb gehoord dat één van de beste tijden in de geschiedenis van de kerk van God de tijd was in de Piney Woods buiten Big Sandy, waar de mensen kampeerden, met elkaar omgingen, samen aten en zangavonden hadden, en noem maar op wat nog meer! Ze hadden een schitterende tijd en ze gaven er niet om dat ze 's avonds laat struikelend hun tent of wat dan ook bereikten, in hun bed ploften en gingen slapen, omdat als ze de volgende morgen opstonden er weer diensten waren.

Ze brachten amper tijd in dat onderkomen door. Het was geen plaats van ontbering, ook werd een loofhut niet als een plaats van ontbering beschouwd, omdat het Loofhuttenfeest erover gaat om te genieten op de manier die God behaagt. Omdat wij de zegeningen die Hij gegeven heeft op prijs stellen, geeft Hij ons instructies die ons leren hoe we datgene wat ons hart ook maar mag begeren, kunnen verkrijgen. Zolang het binnen Zijn juiste gedragscode past, zegt Hij: "Doe het! Dit is de tijd dat je echt een goede tijd moet hebben en van de zegeningen, de vrucht van je arbeid, moet genieten. Als je wijn wilt, neem wat wijn. Als je een lekkere lap vlees wilt, bestel die. Als je sterke drank wil hebben, neem die dan. Houd het echter binnen de juiste grenzen, maar dit is het Loofhuttenfeest. Het is een Feest. Geniet ervan!" God heeft deze zegeningen gegeven om ervan te genieten — en instructies hoe dat te doen.

Wat doen we in onze motelkamers? Daar slapen we. Daar maken we ons gereed. Het kan zijn dat we daar een of twee keer tijdens het Feest mensen ontvangen voor een hapje of iets te drinken. We plaatsen daar alles wat we hebben meegenomen en het is dus een goede zaak dat die kamers groot zijn. Dat is het dan wel. We doen daar niet veel meer dan dit. Er zijn enkele dingen die we kunnen leren van het verblijf in een tijdelijk onderkomen. Maar ik denk niet dat dat in de eerste plaats over ontberingen gaat, omdat het over iets geheel anders gaat: het gaat over overvloed.

Nummer één: de eerste les die we kunnen leren is een gevoel van tijdelijkheid.

Hebreeën 11:8-10 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

We kunnen gemakkelijk denken dat Abraham, Isaak en Jakob, waaruit God de natie Israël deed voortkomen en die naar wij geloven tot de meest rechtvaardige mensen behoren die ooit op aarde leefden — zeker Abraham is de vader der gelovigen — rijk waren en permanent gevestigde personen, maar dat is nauwelijks het geval. Toen ik op Ambassador College zat, onderwees Richard Case een cursus in bijbelse aardrijkskunde en wij als studenten moesten een atlas kopen. Eén van onze opdrachten was, dat wij de reizen van Abraham, Isaak en Jakob moesten nasporen. Ik kan me dit nog goed herinneren. We tekenden, laten we zeggen, de reizen van Abraham in met blauw. We kronkelden helemaal vanuit Ur naar Haran en daarna verder naar Israël. Die lijn ging door Israël heen en boog daarna weer terug. Hij kronkelde overal heen: Berseba, Hebron, enzovoort!

Daarna moesten we de tochten van Isaak intekenen. Hij ging lang niet zo ver, maar hij maakte heel wat kleine tochten waarbij hij en zijn mannen heel wat waterputten groeven, waarna ze vandaar werden verdreven. Dan trokken ze verder en groeven opnieuw waterputten. Hij trok ook door het gehele land. Jakob vloog werkelijk naar alle kanten! Hij ging hierheen en daarheen, waar Laban zich ook maar mocht bevinden. Daarna kwam hij weer terug. Betel was een plaats waar hij welbekend was en ook Pniël was zo'n plaats.

Tenslotte hadden we drie aparte lijnen in deze atlas staan en ze zagen er een beetje uit als spinnenwebben. Er waren strepen overal waar deze mannen heengingen. Ze stopten enige tijd op een bepaalde plaats en verbleven daar, dreven enige handel en wat ze nog meer deden. Hun kudden waren op de ene heuvel en de kuddes van Lot op een andere heuvel — een heuvel die beter was. Ze gingen hierheen en daarheen, overal, maar ze hadden geen permanente woonplaats. En deze mannen leefden heel lang!

Abraham verliet Ur toen hij vijfenzeventig jaar oud was, omdat God hem zei naar Kanaän te gaan. Hij pakte alles bij elkaar en ging, maar hij leefde daarna nog zo'n honderd jaar. Isaak werd wel 180 jaar oud en Jakob werd zo'n 160 jaar. Ze hadden een lang leven. Kunt u zich voorstellen dat u, net als Isaak, 180 jaar in een tent woont? Ik ben er zeker van dat het een mooie tent was — van het beste zwarte geitenhaar dat hij kon vinden — en hij had het geld om ervoor te betalen. Desondanks woonde hij in een tent.

Ik weet niet of er iemand was die rechtvaardiger was dan Isaak, behalve misschien zijn vader en zeker Jezus Christus. Isaak was een toonbeeld van deugd — en God liet hem 180 jaar in een tent wonen. Misschien kreeg hij Sara's tent wel; dat is in ieder geval de conclusie die we kunnen trekken. Ik denk niet dat wij er genoegen mee zouden nemen in een tent te moeten wonen. Natuurlijk dat zou in deze tijd niet meer kunnen. Daar God zegt dat tachtig jaar zo ongeveer onze grens is, hebben we die gelegenheid niet. Dus deze mannen waren niet permanent gevestigd en leefden op een tijdelijke manier. Ze bezaten geen enkel land behalve de plaats waar ze begraven zouden worden. Ze waren vreemdelingen en pelgrims en bijwoners in een land dat niet van hen was. Het was hun beloofd, maar God gaf hun het land — laten we zeggen de eigendomsakte — niet in die tijd.

Veel andere trouwe dienaren van God woonden voor lange periodes van hun leven in tenten. Mozes en Aäron woonden minstens veertig jaar in tenten. Mozes woonde misschien wel tachtig jaar in een tent. Hij verbleef buitenaf tijdens het hoeden van de kudden van Jetro. Denk aan David. Hij moet wel een klein tentje of zoiets hebben gehad terwijl hij buitenaf verbleef tijdens het hoeden van de schapen, tenzij hij elke nacht thuis kwam. Dat is zeker mogelijk, maar ik veronderstel dat hij terwijl hij de schapen hoedde, buiten in de natuur verbleef. Daarnaast besteedde hij een groot deel van zijn leven aan oorlog en moest hij dus voor lange periodes in een militaire tent verblijven. Ik ben er zeker van dat veel van de profeten rondtrokken en door geheel Israël reisden en gewoon sliepen waar dat mogelijk was. De apostelen waren echt niet tot Israël beperkt; zij trokken door de gehele bekende wereld! Zij sliepen zeer zeker in tenten, in herbergen, aan de kant van de weg en waar ze dat ook maar konden, terwijl ze het evangelie van het Koninkrijk van God verkondigden.

De geschiedenis van de kerk zelf is er een van het van plaats naar plaats trekken, of dat nu een bergdorp was of een kustplaats of wat dan ook. De kerk heeft voortdurend moeten trekken. Ze kon zich niet voor langere tijd op één plaats vestigen, voordat er weer een vervolging aanbrak en hen dwong om naar een minder bewoonde plaats te gaan, of een plaats waar het woord van God voordien nog niet was verkondigd. We zien dus vanaf het allereerste begin dat een permanent gevestigd bestaan voor Gods volk een grote uitzondering is geweest.

Viel het u op dat ik één Persoon min of meer oversloeg? Wel hier is Hij:

Lucas 9:57-58 En toen zij op weg waren, zeide iemand tot Hem [Jezus]: Ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. 58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.

Zelfs onze Koning, onze Heer, onze Meester, onze Verlosser had geen permanente woonplaats. Hij woonde gedurende de laatste drieënhalfjaar van Zijn leven in tijdelijke woningen. Deze man die zei dat hij Christus wilde volgen, werd gezegd: "Bent u bereid te wonen zoals Ik woon?" Dit is een waarschuwing voor ons, dat we het feit moeten aanvaarden dat een permanent gevestigd leven misschien en waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn.

Het kan zijn dat we vele jaren in hetzelfde huis, in dezelfde omgeving, in dezelfde plaats kunnen wonen, maar dat ons leven veel verwarring zal kennen. Dat is het wisselvallige bestaan van een christen. God zal testen en beproevingen van ons geloof op ons afsturen. We zullen ons voelen alsof we net zijn als sommigen van die mensen die we in de bijbel zijn tegengekomen, die geen permanent gevestigd bestaan hadden. We zullen ons voelen alsof we voortdurend op het scherp van de snede balanceren. We zullen ons voelen alsof we altijd onderweg zijn. We zullen ons voelen alsof we niet weten wat het volgende is dat ons zal treffen. Dat is wat een christen verwachten kan.

Als we door dit Boek heengaan, vinden we niet veel profeten, apostelen en heiligen die heel lang op één plaats woonden en gewoon permanent gevestigd waren. Elia was op de loop en ging hier en daar heen vanwege een hongersnood. Hij ging naar Syrië en andere plaatsen. Vage persoonlijkheden waarover we weinig weten, zoals Jona, gingen naar Assyrië, maar wilden naar Tarsis gaan.

Het is moeilijk om in de bijbel iemand te vinden die een permanent gevestigd leven leidde, omdat dat niet de manier is waarop God werkt. Zoals ik zei, is dit wat een christen verwachten kan. Als we hier geestelijk over nadenken, moeten we ons geen zorgen maken over deze huidige boze wereld en ons permanent gevestigde bestaan daarin, omdat deze niet ons erfdeel is. Ons erfdeel is de wereld die komt. Deze wereld lijkt blijvend, lijkt werkelijk en stabiel. De dingen die er plaatsvinden, vinden er zeker in plaats. Wij moeten echter een ander perspectief hebben. Dit is één van de lessen van het wonen in een loofhut die we moeten leren: we moeten een gevoel van tijdelijkheid hebben.

2 Corinthiërs 4:16-18 Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. 17 Want de lichte last der verdrukking [Hebt u ooit gehoord over Paulus' lichte verdrukking? Misschien wilt u wel uitzoeken wat hij als een "lichte verdrukking" beschouwde.] van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, 18 daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

Als we enig idee hebben over het leiden van een permanent gevestigd bestaan, staat ons een grote teleurstelling te wachten, omdat God wil dat we verder kijken dan wat we kunnen zien, wat we kunnen voelen en waaruit onze omgeving bestaat. Hij wil dat we vooruitkijken naar de tijd dat we werkelijk permanent gevestigd zullen zijn: in het Koninkrijk van God. Loofhutten helpen ons dat in herinnering te brengen.

De tweede les: God wil dat wij een gevoel krijgen van op reis te zijn. Dit lijkt heel veel op de eerste les — een gevoel van tijdelijkheid — maar deze les heeft een nadruk die net wat anders ligt. Laten we ons buigen over het hoofdstuk waarin "de zwerftochten van de Israëlieten" staan beschreven.

Numeri 33:1-3, 5-29 Dit zijn de pleisterplaatsen der Israëlieten, die uit het land Egypte uitgetrokken waren naar hun legerscharen onder leiding van Mozes en Aäron; 2 Mozes namelijk beschreef hun tochten van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel des HEREN; en dit zijn hun pleisterplaatsen op hun tochten. 3 Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, ... 5 De Israëlieten dan braken op van Rameses en legerden zich te Sukkot [tenten]. 6 Zij braken op van Sukkot en legerden zich te Etam, dat aan de rand der woestijn ligt. 7 Zij braken op van Etam en keerden weder naar Pi-Hachirot, dat tegenover Baäl-Sefon ligt, en zij legerden zich tegenover Migdol. 8 Zij braken op van Pi-Hachirot en gingen midden door de zee naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen ver door de woestijn van Etam en legerden zich te Mara. 9 Zij braken op van Mara en kwamen te Elim; te Elim nu waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen; daar legerden zij zich. 10 Zij braken op van Elim en legerden zich aan de Schelfzee. 11 Zij braken op van de Schelfzee en legerden zich in de woestijn Sin. [Ik vraag me af waarom ze die zo noemden. (Het Engelse 'sin' betekent 'zonde'.)] 12 Zij braken op van de woestijn Sin en legerden zich te Dofka. 13 Zij braken op van Dofka en legerden zich te Alus. 14 Zij braken op van Alus en legerden zich te Refidim, waar voor het volk geen water was om te drinken. 15 Zij braken op van Refidim en legerden zich in de woestijn Sinaï. 16 Zij braken op van de woestijn Sinaï en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa. 17 Zij braken op van Kibrot-Hattaäwa en legerden zich te Chaserot. 18 Zij braken op van Chaserot en legerden zich te Ritma. 19 Zij braken op van Ritma en legerden zich te Rimmon-Peres. 20 Zij braken op van Rimmon-Peres en legerden zich te Libna. 21 ... Libna ... Rissa. 22 ... Rissa ... Kehelata. 23 ... Kehelata ... Har-Safer. 24 ... Har-Safer ... Charada. 25 ... Charada ... Makhelot. 26 ... Makhelot ... Tachat. 27 ... Tachat ... Terach. 28 ... Terach ... Mitka. 29 ... Mitka ... Chasmona.

Moet ik verdergaan? Waren de Israëlieten permanent gevestigd of voortdurend op reis? Dit heeft allemaal een doel. Als u wilt, lees ik verder in dit hoofdstuk — tussen twee haakjes, dat waren moeilijke woorden; dat was waarschijnlijk het moeilijkste stuk lezen dat ik in mijn gehele leven heb gedaan — maar het punt waar het om gaat is, dat ze ergens heen op reis waren. Het lijkt erop dat dit de route is vanuit Hades, omdat als u zou kijken waar al deze plaatsen feitelijk lagen, u een zigzaglijn zou zien over het gehele schiereiland Sinaï — en we zijn nog niet verder dan de eerste paar jaar van hun rondtrekken. We lazen tot en met vers 29 en de volgende twintig verzen beschrijven nog meer zwerftochten. Ze gingen een lange weg en ze bleven maar verder reizen!

Dit punt — dat Hij ons een gevoel van op reis zijn wil bijbrengen — terwijl het veel lijkt op het vorige punt — het ontwikkelen van een gevoel van tijdelijkheid — benadrukt dat we op zoek zijn naar een doel terwijl we op reis zijn. We zijn niet alleen niet permanent gevestigd, we zijn niet uitsluitend op reis, we zijn op reis naar iets. Zelfs al gaan we zigzag van hier naar daar, doen we twee stappen achteruit, drie vooruit, dan weer tweeëennegentig achteruit, springen we om zo te zeggen van hier naar daar, gaan we dan snel weer ergens anders heen en gaan we dan hier heen en dan weer daar, en zijn we tenslotte terug op het punt waar we begonnen. Dan kunnen we opnieuw beginnen en het deze keer op de juiste manier doen en misschien vier stappen vooruit gaan en daarna twee stappen achteruit en dan — begrijpt u wat ik bedoel? We zwerven alle kanten uit. We hebben geen idee waar we op de korte termijn zullen zijn, maar we zijn op reis naar een doel.

God weet waar het doel ligt. God zei Mozes: "Ik ga u gebruiken om deze mensen naar het Beloofde Land te brengen en u zult niet weten langs welke weg jullie zullen gaan. Maar Ik zal jullie daar brengen. Jullie moeten gewoon volgen. De wolk zal jullie leiden op de weg die u moet gaan."

Tussen twee haakjes, Charles Whitaker had een schitterend artikel over zigzaggen in de Forerunner, het had toen in feite als titel Om kort te gaan. Ik geloof dat het in 1993 was en ging over het volgen van de puck [bij ijshockey] en Wayne Gretzky en dergelijke. Zoek het nog eens op. Het was een heel goed artikel.

Exodus 40:34-38 En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des HEREN vervulde de tabernakel [Dit was vlak nadat ze gereed waren met het in elkaar zetten van de tabernakel en alles erin hadden geplaatst. Toen bedekte de wolk de tabernakel en de heerlijkheid des Heren vulde deze en daarmee werd de tabernakel door God aanvaard.], 35 zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rustte daarop, en de heerlijkheid des HEREN vervulde de tabernakel [tonend dat Hij met hen was]. 36 Wanneer de wolk zich verhief van boven de tabernakel, braken de Israëlieten op, op al hun tochten [nu begrijpen we al hun tochten]. 37 Maar indien de wolk zich niet verhief, dan braken zij niet op tot de dag, dat zij zich verhief. 38 Want op de tabernakel rustte des daags de wolk des HEREN, en des nachts was er een vuur in voor de ogen van het gehele huis Israël, op al zijn tochten.

Veertig jaar lang verliet die wolk hen niet. Denk daar over na. Als u Johannes of Johanna de Israëliet zou zijn, zou u niets te zeggen hebben over wanneer u in beweging kwam of wanneer u zou halt houden of waar u heenging. God leidde hen voor de volle veertig jaar van hun tocht naar Zijn wil. Hij had daar een geweldige wegwijzer staan: "Dit is de weg", en ze volgden die wegwijzer gedurende hun hele reis.

Ze zouden bij een mooie (of geen mooie) plaats aankomen, het kamp opzetten en de nacht daar verblijven. Ze konden de volgende morgen wakker worden om het gehele kamp weer opgebroken te zien worden en daar gingen ze weer. Daarna zouden ze misschien wel bij een beroerde plaats aankomen (of misschien ook wel niet; je weet maar nooit in zo'n woestijn) en het kamp opzetten. Dan zouden ze de volgende morgen vroeg opstaan, denkend dat ze weer zouden opbreken en weggaan — maar deze keer zouden ze daar blijven. Misschien zouden ze daar ook de volgende dag nog wel blijven, en dan ook nog de week daarop en de maand daarop. Weet u dat er enkele plaatsen waren waar ze wel jaren lang achtereen verbleven? Kades-Barnea was er een van. Je wist maar nooit. Ze zouden vertrekken als God dat wilde en ze zouden halt houden als God dat wilde; maar ze waren de hele tijd op weg naar het Beloofde Land. Of ze nu op weg gingen of bleven waar ze waren, ze waren op weg naar één specifiek doel.

Sommigen van ons hebben dit op het Feest ervaren. Er was een Feest waarop het leek dat de helft van de kerk op de eerste avond een kamer had en op de tweede dag moesten ze ergens anders heen omdat het hotelpersoneel een en ander door elkaar had gegooid. Sommigen moesten halverwege het Feest van het ene naar het andere hotel verhuizen.

Jaren geleden in de Worldwide Church of God toen mijn vader twee jaar lang reizend spreker was voor het Loofhuttenfeest, moesten we naar Anchorage in Alaska vliegen. Halverwege het Feest, vlak nadat we ons er een beetje thuis voelden en dachten: "Dit is een mooie en fijne plaats", moesten we een vliegtuig nemen en naar Eugene in Oregon vliegen. We moesten daar de rest van het Feest doorbrengen. Als kind was dat niet zo erg. "Fijn, dat reizen is echt plezierig!" Natuurlijk hadden we in geen van beide plaatsen vrienden; het was een heel onbestendig feest. We gingen naar de ene plaats en toen we ons daar aardig thuis voelden, moesten we pakken en weg — vier dagen op de ene Feestplaats en vier dagen op een andere. Zo zat toen het leven in elkaar.

Dat reizen dat we destijds in de 80-er jaren deden, maakte allemaal deel uit van een plan. We wisten dat het er aankwam. We wisten dat we halverwege het Feest een vliegtuig moesten pakken om naar die andere plaats te gaan. Zo was dat afgesproken. God had een plan met Israël: Hij bracht hen naar het land. Hij heeft een plan voor ons allemaal en voor elk van ons: Hij zal ons in het Koninkrijk van God brengen. We weten niet altijd de weg. We moeten de wolkkolom of de vuurkolom volgen, maar als we geloof hebben, weten we dat Hij ons niet de verkeerde kant uit zal sturen.

Ezechiël 34:5-6 Zij [de schapen van Israël] raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. 6 Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt.

Dit is een profetie voor de kerk van God. Wij zijn trekkers — in zekere zin verspreid over de gehele aarde — maar we zijn geen trekkers zonder doel. We gaan ergens heen. Petrus noemt ons in 1 Petrus 1:1 vreemdelingen en daarna noemt hij ons bijwoners en vreemdelingen in hoofdstuk 2, vers 11. Op basis van dit soort teksten gaan we sommige van de profetieën waarover we het in het Oude Testament hebben, begrijpen. We zullen daar nu doorheengaan. Wij zijn verstrooide schapen op iedere heuvel. Velen van u wonen honderden kilometers van het dichtstbijzijnde kerklid en het lijkt er niet op dat iemand u zal komen opzoeken om u in een grotere kudde te plaatsen dan u nu bent. We maken er het beste van.

Het Loofhuttenfeest zou ons eraan moeten herinneren dat wij het Israël van God in de woestijn van deze wereld zijn. Wij trekken rond zoals God het wil op weg naar Zijn Koninkrijk, dat ons Beloofde Land is. God houdt ons in de juiste richting in beweging, of we dat nu beseffen of niet en wat de omstandigheden mogen zijn. Hij is er vandaag nog steeds mee bezig. Ondanks de omstandigheden moeten we gewoon die wolkkolom en die vuurkolom blijven volgen.

De derde en laatste les die God ons van de loofhutten wil doen leren, schijnt op het eerste gezicht een vreemde les te zijn. Hij wil dat we een gevoel van loyaliteit leren.

Genesis 12:1, 4 De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; [Let erop dat Hij op dit moment niet zei waar ze heen zouden gaan. Hij zei gewoon: "Ga weg en Ik zal u het land wijzen."] ... 4 Toen ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok.

Hebreeën 11:13-16 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Abraham in het bijzonder is een type van de christelijke pelgrim. Hij gaat op stap naar het land der belofte in het geloof dat God hem daar zal brengen. Het is altijd interessant om te kijken naar de manier waarop de dingen onder woorden zijn gebracht. God zegt: "Abraham, ga naar een land dat Ik u wijzen zal." Abraham zegt: "Ja, Heer!" Hij pakt zijn spulletjes bij elkaar en vertrekt! Het lijkt erop dat er een bepaalde motivatie achter Abrahams handelingen zit. Wanneer God ook maar iets zei, reageerde hij met: "Zeker, ik ga al. Tot ziens!" En weg was hij! Met hem is er geen sprake van "Ja, maar ..." Abraham vertrouwde erop dat God hem naar de plaats zou brengen die Hij hem had gezegd.

Evenals aan Abraham geeft God ons ook geen route-beschrijving naar Zijn Koninkrijk. Herinnert u zich dat Hij u er één van boven gaf toen u gedoopt werd? Heeft iemand van u gehoord: "U zult twee jaar lang geen problemen hebben op uw baan en daarna, tengevolge van een verandering in leiding, zult u ontslagen worden omdat u erop staat de sabbat te houden. Daarna zal uw auto het begeven. Uw vrouw zal in die tijd vier kinderen krijgen. Ik zeg u niet of ze de een na de ander zullen komen of dat ze allemaal tegelijk zullen komen. In het zesde jaar zal uw huis afbranden en, tussen twee haakjes, zal uw auto het weer begeven. Als u geloof hebt en in het zevende jaar komt, zal Ik u een adempauze geven. Ik hoop dat u uw derde tiende gedurende deze tijd hebt betaald, want anders zal Ik u in dat zevende jaar geen adempauze geven. Noemde Ik die buurman al, die buurman die tot in de vroege morgen rockmuziek in zijn garage speelt? En dan zijn vriend, die met die opgevoerde Mustang. Ze houden ervan om dat ding in het midden van de nacht te repareren. Het schijnt dat ze heel wat carburateurproblemen zullen hebben en die geluidsdemper wil het maar niet doen."

Dit is wat ik wil zeggen. God zei ons niet bij het allereerste begin waar onze weg als christen ons zou brengen. Hij zei gewoon: "Ik roep u uit deze wereld om Mij te volgen en als u geloof hebt, zal Ik u daar brengen waar u heen moet gaan." Dat deed Hij met Abraham. Hij zei Abraham: "Ga!" En hij ging! Hij gaf een prachtig voorbeeld van geloof. Als we werkelijk geloof hebben, zullen we Zijn leiding volgen ondanks hoe de omstandigheden eruit zien, ondanks wat anderen zeggen, ondanks wat wij kunnen denken te weten hoe de dingen zullen gaan, over al de gevaren op de weg voor ons, of over al de goede dingen op de weg voor ons; zelfs ondanks al onze eigen plannen. We zijn, als we dit doen, loyaal aan iets dat groter is dan al deze dingen.

Paulus brengt loyaliteit in Hebreeën 11 — in het bijzonder in vers 14 — onder woorden in samenhang met een vaderland, met iemands vaderlandslievendheid voor het vaderland of moederland, afhankelijk van welke natie u afkomstig bent. Wij zijn Amerikanen. Wij zijn Canadezen. Wij zijn Fransen. Wij zijn Nederlanders. Wij zijn Zuid-Afrikanen. Wij zijn van Trinidad. Wij zijn Australiërs. Wij zijn Filippino's. Er zijn ook mensen van andere plaatsen: Vietnam, Mexico — er zijn in deze Kerk mensen uit vele landen. Ik weet niet hoe zij over hun vaderland denken.

Veel Amerikanen schijnen dit aangeboren gevoel van vaderlandslievendheid te hebben. We dragen rood, wit en blauw bijna direct op het moment dat iemand de nationale vlag ter sprake brengt. We zijn er gewoon trots op Amerikanen te zijn. We dragen het op onze mouwen en over de gehele wereld zijn er mensen die ons daarom haten. Het maakt gewoon deel uit van ons nationale karakter; we zijn een heel vaderlandslievend volk.

Wij hier in deze ruimte en u die op andere plaatsen naar deze preek luistert, hebben onze loyaliteit overgeheveld naar God en Zijn Zoon, Jezus Christus. We zijn niet langer patriotten in de betekenis zoals de meeste mensen uit de wereld dat begrijpen. Wij zijn nu altijd in de eerste plaats christenen. Al wonen velen van ons in ons geboorteland, toch zoeken we een ander land. Dat land is het Koninkrijk van God en ons motto is en zou moeten zijn: "God staat in alles op de eerste plaats!" Het is zelfs niet langer "God en vaderland". Het is "God" — punt uit! Dat is ons hele leven. Hij is ons hele leven. De weg voor ons naar Zijn Koninkrijk is ons hele leven.

Laten we in 1 Koningen 8 kijken naar Salomo's inwijdingstoespraak en -gebed voor de tempel. De ark wordt binnengebracht en Salomo spreekt een inwijdingsgebed uit en zegent ook de vergadering. Wij zijn Gods rust nog niet helemaal binnengegaan, maar Israël had op dat moment rust van haar vijanden en hij begint met de volgende woorden:

1 Koningen 8:56-61 Geprezen zij de HERE, die zijn volk Israël rust gegeven heeft volgens alles wat Hij gesproken heeft [Bedenk waar ik het iets eerder over had: Wij worden verondersteld terug te denken als we naar de bladerrijke takken in onze loofhutten kijken, en ons te herinneren dat God elke belofte die Hij aan de Israëlieten had gedaan, had vervuld. Salomo herhaalt dat hier.]; er is niet één woord onvervuld gebleven van al zijn goede woorden, die Hij door de dienst van zijn knecht Mozes gesproken heeft. 57 De HERE, onze God, zij met ons, zoals Hij met onze vaderen geweest is; Hij verlate en verwerpe ons niet, 58 maar neige ons hart tot Zich, om al zijn wegen te bewandelen, en de geboden inzettingen en verordeningen in acht te nemen, die Hij aan onze vaderen geboden heeft. 59 Mogen deze mijn woorden, die ik voor het aangezicht des HEREN gesmeekt heb, des daags en des nachts nabij de HERE, onze God, zijn, opdat Hij zijn knecht en zijn volk Israël recht verschaffe dag aan dag, 60 opdat alle volken der aarde mogen weten, dat de HERE God is en niemand meer [Bedenk dat dit deel uitmaakte van wat er in Leviticus 23 werd gezegd. Hij zei: "Ik wil dat alle geboren Israëlieten in loofhutten wonen, zodat ze zich de dingen zullen herinneren die zijn gebeurd, Ik ben de Heer, uw God." Dit is een soortgelijke gedachte.], 61 en moge uw hart volkomen zijn met de HERE, onze God, om in zijn inzettingen te wandelen, en zijn geboden evenals heden in acht te nemen.

Wij zijn onze rust nog niet binnengetrokken, maar Hij heeft ons geleid en heeft ons de gehele weg tot op dit punt gezegend. We zouden tijdens dit Loofhuttenfeest wat tijd moeten uittrekken om terug te kijken op de manier waarop Hij ons tot hier heeft gebracht. Blijf niet bij de slechte dingen stilstaan; blijf stilstaan bij wat God heeft gedaan. Hij heeft ons slechte dingen laten overkomen, maar dat zijn testen. Hij wil zien of we loyaal zijn aan hem, en of we op Zijn weg zullen blijven wandelen en Zijn inzettingen en geboden zullen blijven onderhouden. Gebruik deze tijd om werkelijk op prijs te stellen hoe God u tot dit punt heeft geleid. Ik ben er zeker van dat als we dat werkelijk hebben bekeken — God werkelijk de eer geven voor wat Hij heeft gedaan — onze loyaliteit aan Hem, ons geloof in Hem versterkt zal worden, omdat we ons dan zullen herinneren en zien wat God voor ons heeft gedaan. Zoals ik in mijn ideeën over de loofhut reeds zei, zullen we zeggen: "Ja, ik ben blij dat God me tot op dit punt heeft gebracht en me niet in de woestijn heeft gelaten om uit te drogen en te sterven." De loofhut moet ons eraan herinneren, dat al zijn we onderweg naar een andere, betere plaats, onze Gids ons op perfecte manier zal leiden, als wij Hem trouw zullen blijven volgen.

In Deuteronomium 8 lezen we Gods terugblik op Israëls tochten:

Deuteronomium 8:1-9 Heel het gebod, dat ik u heden opleg, zult gij naarstig onderhouden, opdat gij moogt leven en talrijk worden en het land binnengaan en in bezit nemen, dat de HERE uw vaderen onder ede beloofd heeft. 2 Gedenk dan [dit is het punt waar het in deze preek om draaide] heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. 3 Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat. [Wilt u een tip? Dit is de route-beschrijving!] 4 Het kleed dat gij draagt, is niet versleten en uw voet is niet gezwollen in deze veertig jaar. 5 Erken dan van harte, dat de HERE, uw God, u vermaant, zoals een man zijn zoon vermaant, 6 en onderhoud de geboden van de HERE, uw God, door in zijn wegen te wandelen en Hem te vrezen [dit leren we op het Loofhuttenfeest]. 7 Want de HERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de bergen ontspringen; 8 een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgebomen en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en honig; een land, 9 waarin gij niet in armoede uw brood zult eten, waarin gij aan niets gebrek zult hebben [Worden we niet verondersteld dit op dit Feest te leren, omdat we zojuist de oogst achter de rug hebben? Is God niet goed voor ons?]; een land, waarvan de stenen ijzer zijn en uit welks bergen gij koper zult houwen. [Het gaat niet alleen om de opbrengst, het gaat om het land zelf en alles dat het bevat.]

We hebben zelfs een nog grotere belofte voor ons dan deze: "De zachtmoedigen zullen de aarde beërven." Wij hebben een erfenis van eeuwig leven met God in Zijn Koninkrijk. Al is onze reis lang en moeilijk, als we op het Feest aankomen, kunnen we de druk en de inspanningen van de laatste paar dagen achter ons laten en genieten van onze vrienden, van voedsel en positief vermaak en natuurlijk het vrezen van God. (Er zijn vier van die V's — die vormen een alliteratie die ons dit helpt onthouden: vrienden, voedsel, vermaak en vrezen van God. Dat is het Loofhuttenfeest voor ons.)

Datzelfde zal het geval zijn als we in Gods Koninkrijk zullen aankomen. We zullen wat achter ons ligt vergeten: de inspannende tocht, de ontberingen, het niet permanent gevestigd zijn tot uiting komend in het wonen in tenten, en we zullen echt genieten van de zegeningen van eeuwig leven.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)