Alles in allen

Door John W. Ritenbaugh
4 juni 1994

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh waarschuwt ons nooit aan het idee vast te houden dat, na onze roeping en in de loop van ons heiligingsproces, de last op een of andere manier op onze schouders rust – dat als wij niet zouden doen wat we doen, we nooit behouden zouden worden. Gods betrokkenheid in ons leven is continu, evenals dat bij Israël het geval was, in feite is die van moment tot moment. Onze essentiële verantwoordelijkheid is ons aan Hem over te geven, Hem toe te staan ons aan Zijn wil en doel te onderwerpen. We weten dat we onszelf niet kunnen verlossen van de doodstraf, maar als God de weg tot behoud voor ons opent, moeten we gereed staan om Zijn behoud praktisch en werkzaam te maken, evenals een student een rekenkundig probleem tot zijn logische conclusie uitwerkt. Als we "één" met Hem willen worden, moeten we in de richting gaan die Hij ons wijst. Waar onze wandel ons ook mag brengen, God geeft ons zowel de wil als de macht dat te doen. Zijn doel is ons tot "eenheid" met Hem te trekken, een proces dat reeds begonnen is en wordt beïnvloed door de manier waarop wij ons door de kracht van de Heilige Geest aan Hem overgeven.


Deze preek is een uitwas (en ik vind het inderdaad een natuurlijke uitwas) van de preek die ik vorige week gaf, als we die in combinatie brengen met de preek die ik op Pinksteren gaf. Om uw geheugen op te frissen over de gedachte die in het bijzonder aan het eind van de preek op Pinksteren aan de orde kwam, wil ik vandaag beginnen in 1 Corinthiёrs 15:25-28. Het algemene onderwerp van die preek was het verheerlijken van God, omdat Hij degene is die ons behoudt. Soms lijkt God in de moeilijke inspanningen — soms pijnlijke, heel vermoeiende inspanningen — die we ons moeten getroosten om te overwinnen, min of meer in alle drukte uit het zicht te geraken. We beginnen dan te denken dat wíj op de een of andere manier degenen zijn die de last moeten dragen — dat als wij niet deden wat we doen, er in het geheel geen behoud zou zijn. Ik wil dat idee uitbannen. Ik weet dat ik er niet in zal slagen het voor eens en altijd uit te bannen, omdat we dit weer zullen vergeten.

Maar Hij liet ons zien — en ik hoop dat u door alle schriftgedeelten die ik heb aangehaald ervan overtuigd bent — dat God hen uit Egypte bracht. Het enige dat Israël moest doen, was lopen. Ziet u de vergelijking tussen wat God deed en wat Israël moest doen? Ik bedoel dat hier het onderwerp de omvang is van wat God deed in vergelijking met de minimale inspanning die de Israëlieten moesten leveren. Toch schijnt het dat het kleine beetje dat wij moeten doen zo moeilijk, zo angstaanjagend voor ons is. Maar het is God die ons behoudt en het Feest der Ongezuurde Broden is daaraan gewijd. Deze preek bouwt voort op dat onderwerp. Laten we nu naar 1 Corinthiёrs 15 gaan.

1 Corinthiërs 15:25-28 Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. 26 De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, 27 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij [de Vader] uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. 28 Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

De woorden "alles in allen" hebben met één-zijn vandoen. Ze hebben met eenheid vandoen. Ze hebben met een gezin vandoen. In dit geval hebben ze vandoen met een vooruitkijken naar de tijd wanneer alle dingen met God verzoend zullen zijn. En ik bedoel dat ALLES met God verzoend zal zijn. Alles zal in totale harmonie en overeenstemming zijn — niet alleen met Hem, maar ook met elkaar. Dat zal de voltooiing zijn van de wederoprichting van alle dingen. Dat zal het einde zijn van het werk van Jezus Christus, het einde van de nieuwe schepping (de geestelijke schepping die in Jezus Christus werd begonnen).

Binnen al dit één-zijn, helemaal in het midden, als het brandpunt, het middelpunt, staat God de Vader. En Jezus die alle dingen aan Hem overdraagt, is het uitroepteken dat onze aandacht op de Vader richt. Op dat punt komt alles tezamen in het doel zoals dat in het plan van God was vastgelegd.

Onze aanvaarding van Jezus Christus, onze bekering van dode werken, het ontvangen van Gods Heilige Geest, zijn de eerste belangrijke stappen op weg om "één" met de Vader te worden. Dit alles in allen is het echte einde van het evangelie, waarbinnen de wederkomst van Jezus Christus en ons in het Koninkrijk van God geboren worden de volgende belangrijke stap is.

De manier waarop de bijbel met deze situatie waarover we zojuist in 1 Corinthiёrs 15:28 lazen, omgaat, is echter heel interessant. Al kan het erop lijken dat die situatie nog heel ver verwijderd in de toekomst ligt, toch is dit proces reeds in u en mij begonnen. Ik denk dat dit voor ons mentale welzijn heel belangrijk is om te begrijpen. In Filippenzen 3:20-21 doet Paulus een veelbetekenende uitspraak in dit opzicht.

Filippenzen 3:20-21 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.

Eén van de dingen die we — terwijl we met deze preek bezig zijn — niet te ver moeten laten wegzakken, is de betrokkenheid van God op dagelijkse basis (we zouden kunnen zeggen van ogenblik tot ogenblik) in ons leven. We hebben de neiging om aan Hem te denken alsof Hij ergens ver weg is. Maar ik hoop dat tegen het einde van deze preek, u niet langer aan Hem denkt als Iemand die ergens ver weg is. Maar dat u zich dan realiseert dat Hij diepgaand betrokken is bij de dingen die er in ons leven gaande zijn. Al is het mogelijk dat Hij ze niet heeft uitgedacht, Hij zal ze toch gebruiken. God denkt niet alles uit wat er gebeurt. Hij heeft ons een vrije wil gegeven. Maar Hij weet hoe Hij datgene wat wij toestaan in ons leven te gebeuren, kan gebruiken. En natuurlijk zijn er momenten waarop Hij dingen in ons leven tot stand brengt. Maar in elk van die dingen is Hij aanwezig, en Hij is er geheel bij betrokken!

"Naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen." Breng deze woorden in verband met wat we in 1 Corinthiёrs 15:28 hebben gelezen, zijnde: "alles aan Zich onderwerpen". Deze twee verzen brengen ons — tenminste binnen het kader van deze preek — terug tot de huidige tijd. We komen van datgene dat ver in de toekomst schijnt te liggen (1 Corinthiёrs 15:28) naar hier in Filippenzen 3:20, waar we vandoen hebben met de huidige tijd. Het onderwijs hier in Filippenzen 3 is in principe hetzelfde als wat Paulus in 1 Corinthiёrs 15 zei, waar hij het over de opstanding had.

De woorden "burgers van een rijk" zijn belangrijk voor dit idee, omdat ze gebruikt kunnen worden in samenhang met een bestuur, een regering of een natie. Ze duiden op een groep of gemeenschap van personen die allemaal in dezelfde omgeving wonen, onder dezelfde regels of wetten. We kunnen dus zien dat ze duiden op een eenheid, een één-zijn. Wij zijn dus burgers van een rijk in de hemelen.

Paulus laat hier aan het einde van dit hoofdstuk een tegenstelling zien tussen de ene groep mensen en de andere. De karakteristieken van de ene groep worden in de verzen 18 en 19 opgesomd.

Filippenzen 3:18-19 Want velen wandelen — ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende — als vijanden van het kruis van Christus. [De mensen in de verzen 20 en 21 waren dat zeer zeker niet.] 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.

Het verschil tussen de twee groepen wordt duidelijk gezien in de manier waarop ze hun leven leiden. Als we deze twee vergelijken komen we tot de conclusie dat zij die burgers zijn van een rijk in de hemelen, behoren tot een gemeenschap waarvan de karakteristieken tegengesteld zijn aan die in de verzen 18 en 19 worden aangeduid. Zij hebben hun "vlees" onder controle en hun leven is gericht op hemelse dingen in plaats van op aardse dingen.

Ik ben er zeker van dat Paulus het woord "hemelen" moet hebben gebruikt om aan te duiden hoe groot het verschil tussen deze twee groepen is. De "hemel" vertegenwoordigt dat wat onbereikbaar schijnt voor hen wier denken is gericht op doelen die beperkt zijn tot de bevrediging van het vlees (bevrediging van de zintuigen). Dat — de bevrediging van de zintuigen — is veel gemakkelijker, maar God zegt dat die weg naar het verderf leidt.

Uit geloof leven kan door "hen die zich om het vlees bekommeren" worden gezien als het leven verwedden op iets onbereikbaars, op een dagdroom, op een fantasie — omdat men grijpt naar iets dat men niet kan zien, niet kan ruiken, niet kan proeven, niet kan aanraken, niet kan horen. Maar binnenin deze verzen haast God Zich ons te verzekeren dat Hij de energie (Dat is de betekenis van het woord. "Naar de energie ... de macht") heeft om ons tot die "eenheid" te brengen die wordt geїllustreerd door het woord "hemelen". Hij duidt er zelfs op, in zoiets als dit dat misschien wat abstract en vaag overkomt, dat Hij degene is die redt. Hij heeft de energie. Hij heeft de macht. Hij doet het werk dat dit tot stand brengt.

We zullen straks in Filippenzen terugkomen, maar laten we nu hoofdstuk 3 van Efeziёrs opslaan om dit aspect van Gods handelen verder uit te diepen. In Efeziёrs 3:20 hebben we iets dat een lofprijzing is — een lofzang.

Efeziërs 3:20 Hem nu, die blijkens de kracht [de energie, de "dunamis"], welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen.

Dit vers zegt dat God oneindig veel meer kan doen dan wij ook maar enigszins kunnen beseffen. Zijn vermogen om aan onze geestelijke behoeften te voldoen gaat ver uit boven wat wij ook maar in gebed kunnen vragen, of kunnen bedenken, of in onze stoutste verwachtingen kunnen voorstellen. Zijn macht is zo ontzagwekkend groot. We hebben zelfs niet het vermogen iets te bedenken dat — binnen het kader van Zijn doel — meer is dan Hij kan doen.

De laatste verzen van Efeziёrs 3 zijn de climax van Paulus' bewering (waarmee hij al aan het begin van deze brief begon) dat het doel van de verlossing de heerlijkheid van God is. De werkelijke gedachte achter dit vers gaat dus verder dan het graf. Dringt het tot u door wat ik zeg? Als er staat: "Hem nu, die ... bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen", is Paulus' werkelijke denken niet gericht op onze huidige omstandigheden in het vlees, maar kijkt hij veeleer verder dan dat, tot in het Koninkrijk van God. En hij zegt: "Het zal zo groots zijn, zo uitdagend om altijd succes te hebben. En de vorm van leven zal dan zo geweldig zijn! We kunnen ons er geen enkele voorstelling van maken hoe geweldig dat is!"

Het is geweldiger dan wat we ook maar kunnen bedenken — zelfs al hebben we "Star Trek" gezien, of "The Next Generation", of "Deep Space Nine" of wat voor film in die categorie dan ook. Het is nog veel geweldiger dan die films. Vanwege al deze uitdagingen, al dit avontuur en alle vooruitgang die er zal plaatsvinden als alles "één" is met God, zal alles gedaan worden binnen de extra dimensie van de relatie van een liefhebbende Familie die volledig "één" is. Iedereen gaat dezelfde kant uit om de doeleinden uit te voeren die God reeds aan het plannen is voor de tijd die dan zal aanbreken.

Laten we nu Efeziёrs 1 opslaan. We zullen snel door Efeziёrs 1, 2 en 3 heengaan. Ik wil u laten zien hoeveel nadruk wordt gelegd op wat God heeft gedaan en wat God aan het doen is.

Efeziërs 1:5-7 ..., heeft Hij [God] ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft [let erop dat Hij ons aanvaardbaar maakte] in de Geliefde. 7 En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade.

Hoeveel hebben wij tot zover gedaan? Denk daar eens over na.

Efeziërs 1:12 opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.

Efeziërs 1:18 verlichte ogen [uws] harten [Wie deed dat? God deed dat!], zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen,

Efeziërs 2:7 om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

Efeziërs 3:10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden.

Efeziërs 3:16 opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens.

Paulus heeft (in dezelfde context) herhaaldelijk de overvloed aan "gaven" die God gegeven heeft, en "de krachten" die ons gegeven zijn, aangestipt.

Efeziërs 1:16-19 [Paulus zegt dat hij in zijn gebeden niet ophield] ... te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, 17 opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: 18 verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen, 19 en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht,

In Efeziёrs 3:17 zegt Paulus de mensen alweer waarover hij bidt.

Efeziërs 3:17-19 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, 18 zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, 19 en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.

Wanneer zal dat gaan gebeuren? Dat zal niet in dit leven gebeuren!

Er is nog iets dat belangrijk is voor deze preek, iets dat in deze eerste drie hoofdstukken van Efeziёrs voorkomt. Dat is de onverbrekelijke band die er is tussen Christus en de kerk. Met andere woorden een band — het smeden van een band tussen Christus en de kerk die niet verbroken kan worden, omdat Christus degene is die het andere einde vasthoudt. Hij zal niet loslaten. Begrijpen we dat? Dat is ons behoud! Hoe innig is die band wel niet? We zien in hoofdstuk 1, vers 22, een beschrijving van Hem:

Efeziërs 1:22-23 En Hij heeft alles onder zijn [Christus'] voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23 die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt. [Daar hebben we die woorden alweer.]

Hij is het Hoofd van een lichaam. Zeg me eens gemeente, is ons hoofd gescheiden van ons lichaam? U weet dat dat een domme vraag is. Ons hoofd zit net zo vast aan ons lichaam als maar mogelijk is. Als we onthoofd worden, sterven we! Begrijpen we waar het om draait? Christus is het Hoofd. Hij is aan u en mij verbonden. Als we van Hem loskomen, gaan we geestelijk dood. Maar zolang we met Hem verbonden blijven, leven we. Zolang we met Hem verbonden blijven, zullen we behouden worden. Is dat belangrijk voor ons behoud? Wat doet ons hoofd voor ons lichaam? Denk daar over na.

Efeziërs 3:10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden,

Alles wat we zijn hebben we aan het Hoofd te danken. Christus en de kerk zijn dus delen van één organisme die elkaar aanvullen. Kunnen we zien dat de "eenheid" reeds begonnen is? We maken deel uit van één en hetzelfde lichaam. Als Hoofd en lichaam samen vormen we het terrein (of het gebied) waarbinnen Gods heerlijkheid nu openbaar wordt gemaakt.

We herinneren ons Jezus' gebed in Johannes 17:4 nog wel. Hij zei in dat gebed tegen God: "Ik heb U op aarde verheerlijkt." Nu de Zoon is teruggegaan naar de Vader in de hemel en de kerk is opgericht en als één organisme met de Zoon is samengevoegd, is het de verantwoordelijkheid van de kerk de Vader te verheerlijken, evenals de Zoon dat deed. Hoe? Door "één" met Hem te worden, zoals de Zoon "één" met Hem was — door de kracht van Gods Geest die ons gegeven is.

Christus verheerlijkte de Vader door het werk dat de Vader Hem gegeven had tot een goed einde te brengen. Dat was te kwalificeren als onze Verlosser, onze Zaligmaker en onze Hogepriester. Aldoende verkondigde Hij het evangelie van het Koninkrijk van God aan anderen. Onze verantwoordelijkheid is ons aan Hem te onderwerpen, te groeien en te overwinnen — door deze dingen zal Hij verheerlijkt worden. Laten we nu naar Filippenzen gaan. Die essentiёle eenheid is reeds begonnen, maar hij moet sterker worden gemaakt. Hij moet vollediger worden. In Filippenzen 3:21 gaan we de woorden "alle dingen aan Zich onderwerpen" zien. Denk aan het onderwerp van deze preek. Van tijd tot tijd zal ik uw aandacht opnieuw richten op wat God doet.

Filippenzen 3:21b ..., waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.

Dat zegt ons reeds wie wat doet. Hij is degene die het onderwerpen uitvoert. Dit brengt het beeld van"eenheid" één stap verder dan 1 Corinthiёrs 15:28 en maakt het praktischer en meer van toepassing voor ons in deze tijd.

Het woord dat met "onderwerpen" is vertaald, is "hupotasso" en dat betekent "in een bepaalde volgorde plaatsen". Het betekent "op een ordelijke manier onder iets plaatsen". Het geeft het beeld van voorwerpen die wanordelijk zijn verspreid en nu netjes volgens een bepaald patroon worden geordend. In het kader waar we het in deze preek over hebben, zijn de voorwerpen niet alleen maar dingen. Ze zijn mensen die een vrije wil hebben. Ze verkeren in wanorde. Ze zijn verstrooid. En ze zijn verward als gevolg van hun eigen handelen. Ze zijn verward geraakt en verstrooid door het uitoefenen van hun eigen vrije wil, door de misleiding van Satan en door een vijandschap tegen God. We zien in dit vers dat het "herorganiseren", het "onderwerpen" bedoeld is om deze mensen tot een "eenheid" te brengen die veel verder gaat dan alleen het veranderen van lichamen. Dat is alles wat hier wordt gezegd. Maar zelfs daaruit kunnen we opmaken dat de "eenheid" zover wordt gevoerd dat het niet alleen maar iets is van de geest. Het is niet alleen maar iets van karakter, maar God brengt dat in ons tot stand — zelfs ons lichaam zal "één" met Hem worden.

Filippenzen 4:1 Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden!

Als we dit samenvoegen met de context van hoofdstuk 3 ... Als we in onze bijbel kijken is het hoogstwaarschijnlijk dat vers 1 van hoofdstuk 4 in feite aan het einde van hoofdstuk 3 is toegevoegd, omdat het in principe de afsluiting van de gedachte is. In mijn bijbel is dat het einde van een alinea waarna hoofdstuk 4 in feite begint met vers 2. Als we hoofdstuk 3 samenvoegen met het eerste vers van hoofdstuk 4, zien we dat de apostel Paulus daar als het ware op een kruispunt staat. Hij kan twee verschillende kanten uitkijken. De ene kant begon in vers 20, waar hij in staat was naar de toekomst te kijken en de afloop te zien — als we "één" met God zijn, waarbij zelfs onze lichamen zich aan dat van God hebben aangepast, net zo is als het Zijne. Dat is de ene kant waarnaar Paulus kon kijken. Aan de andere kant kon hij kijken naar waar het allemaal begon. Dat is interessant. Laten we daar eens kort naar kijken.

Filippenzen 3:1-3 Overigens, mijn broeders, verblijdt u in de Here! Hetzelfde aan u te schrijven is voor mij niet verdrietig en voor u is het veilig. [Daarna waarschuwt hij ...] 2 Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! 3 Want wíj zijn de besnijdenis [Wij zijn de echte zonen van God], die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.

Daarna kijkt Paulus terug op hoe het met hem is begonnen. Toen Christus hem neersloeg, was hij een man met een trotse komaf. Hij was een man die in materieel opzicht heel wat had, prestaties, wetenschappelijke prestaties, eerbetoon dat hij had ontvangen, een positie binnen de maatschappij. Degenen die met hem op hetzelfde niveau stonden, stonden achter hem. Daar heeft hij het over — zijn afkomst (dat begint in hoofdstuk 3, vers 4). Toch zegt hij vers 7:

Filippenzen 3:7-8 Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. 8 Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.

Paulus doet dit om ons aan te moedigen op deze dingen terug te kijken, evenals hij dat deed. Aan de ene kant kunnen we vooruit kijken naar een tijd dat we "één" zullen zijn met God. Aan de andere kant zijn we nog niet zover. En van tijd tot tijd moeten we terugkijken naar waar het allemaal begonnen is om versterkt te worden in het begrip (de kennis) dat al wat we moesten opgeven om uit de wereld te komen — en al wat we moesten opgeven om de kennis van Christus te verwerven — dat dat allemaal niets voorstelde! Dat was rommel in vergelijking met wat er vóór ons ligt, vergeleken met de "eenheid" waartoe God ons in Hem trekt. En wat ligt er in het verschiet?

Filippenzen 3:11-12, 14b-15 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. [Dan komt Paulus al snel weer bij die gedachte terug ...] 12 Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. ... 14 ..., jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren.

Hebben we iets nodig om er te komen? God zal dat geven. Wie zal ons behouden? Overal blijven de schrijvers van het Nieuwe Testament erop terugkomen. Ze willen dat we beseffen dat ons deel voor ons inderdaad moeilijk is, maar ze willen dat we er altijd aan blijven denken dat we onszelf niet kunnen behouden. Hij zegt dan in hoofdstuk 4, vers 1: "staat alzo vast in de Here".

1 Johannes 3:1-2 is een ander schriftgedeelte waarmee we heel vertrouwd zijn, maar het past hier bijzonder goed bij, bij dit onderwerp van de "eenheid" waartoe God ons trekt.

1 Johannes 3:1-2 Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods [We maken reeds deel uit van de Familie!] en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen [We weten nog niet precies waartoe we getrokken worden. Straks nog wat meer daarover.]; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.

God zegt dat Hij alles in allen zal zijn. We hebben reeds gezien dat Hij ons als deel beschouwt van hetzelfde organisme als Christus. Christus is God. En we hebben reeds gezien dat we lichamen zullen hebben die gelijkvormig zijn aan Zijn verheerlijkt lichaam. En nu zien we dat we Hem gelijk zullen wezen. Er is slechts één ding dat we kunnen zijn, en dat is God! (Ik kan nauwelijks begrijpen hoe iemand dat niet kan inzien en dat als leerstelling laat schieten.)

Er is hier echter een groot "maar" aan verbonden — en dat is dat we zover nog niet zijn. Onze voorbereiding om "één" met God te zijn is nog niet voltooid. Maar ook dat is niet al te erg — omdat we, zoals we allemaal weten, nog niet gereed zijn om eeuwig leven te ontvangen. Als we eeuwig leven zouden ontvangen in de staat waarin we nu verkeren, dan zouden we voor eeuwig zo blijven! Ik geloof dat dat een verschrikkelijke last voor ons zou zijn om voor eeuwig geconfronteerd te blijven met wat we nu zijn. Zodoende blijft — in Gods wijsheid — dit grote "maar" vooralsnog van kracht. Maar God zal daar verandering in aanbrengen. Hij weet hoe Hij dat moet aanpakken.

Ziet u, we moeten nog heel wat overwinnen. Als we dus terugkijken naar wat we zijn en dan over deze dingen nadenken, vragen we ons af: "Hoe zal dat ooit worden bereikt?" Weet u, zelfs dat heeft God uitgestippeld! Beantwoord de volgende vragen: Wie bracht de plagen over Egypte? Wie haalde Israël uit Egypte? Wie spleet de Schelfzee? Wie voorzag in het manna en het water? Wie spleet de Jordaan? Wie liet de muren van Jericho omvallen? We zouden almaar door kunnen blijven gaan, maar het antwoord is in al die gevallen hetzelfde. God deed dat!

Filippenzen 2:12-13 Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, 13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

Laten we dit begrijpen. Ik stelde zojuist die vragen waarop het antwoord duidelijk voor de hand lag, omdat ik wilde dat we de realiteit, de waarheid erkennen die in de antwoorden op die vragen besloten ligt. Dat is dat God behoud geeft. God bevrijdde Israël uit de Egyptische slavernij. Nu is Jezus Christus onze Verlosser. We kunnen onszelf niet redden van de doodstraf. Als we Jezus Christus als Verlosser aanvaarden, verplicht dat ons Hem te gehoorzamen.

Toen God de macht van Egypte brak om Israël in staat te stellen vrij te zijn, als Israël vrij wilde zijn, wat moesten ze toen doen? Ze liepen Egypte uit. Toen God hen redde door de Schelfzee te splijten, waartoe verplichtte Israël zich toen als ze het vege lijf wilden redden en vrij van Egypte zijn? Ze moesten door de Schelfzee lopen. Toen God zei: "Ik breng u naar het land en Ik zal in alles wat onderweg nodig is voorzien", waartoe verplichtte Israël zich toen, als ze die dingen wilde hebben? Hem te gehoorzamen en helemaal naar het Beloofde Land te lopen.

Laten we dat principe eens in dit vers brengen, zodat we tenminste gedeeltelijk gaan begrijpen hoe God in dat grote "maar" verandering zal aanbrengen. Als er daar [in Filippenzen 2:12] staat: "blijft uw behoudenis bewerken", dan kan dat beslist niet betekenen dat we onszelf kunnen redden. (Onmogelijk.) Maar veeleer, evenals de Israëlieten ... Ziet u, toen God de weg opende om hen te redden, werd Israël ermee geconfronteerd iets te doen door daarop te reageren. Met andere woorden (Ik ga hier de woorden iets veranderen.) als God de weg opent om ons te behouden, dan is het beter dat we gereed staan om te zorgen dat dat behoud een praktisch iets wordt en in ons leven gaat werken.

De manier waarop Israël dat tot een praktisch iets maakte dat in hun leven werkte, was door te lopen. Vandaar dat er in het Nieuwe Testament de metafoor wordt gebruikt dat ons leven vergeleken wordt met een "wandeling". Ons christelijk leven is een wandeling. Dat kwam daar vandaan — van de Israëlieten die gingen lopen toen God in behoud voorzag. Zij deden wat praktisch was. Ze liepen.

Als God door Jezus Christus in behoud voorziet en wij geloven dat Hij onze Verlosser is, dan ligt het aan ons de nodige praktische stappen te nemen die verplichting werkzaam te maken, die in praktijk te brengen. Hij zegt in Filippenzen 2:12 niet dat we voor behoud moeten werken. Hij heeft in Jezus Christus in behoud voorzien. Hij heeft ons van de dood gered. Dat is behoud. (Niet helemaal, maar dat is wat we eerst nodig hebben.) We moeten er zeker van zijn dat de doodstraf voor onze zonden ons niet langer boven het hoofd hangt, want anders is er geen reden om in actie te komen. Er is absoluut geen reden om het christen-zijn praktisch en werkzaam te maken zolang die doodstraf er is. God voorziet dus in behoud van de dood. Dat is normaal het eerste punt dat we gaan beseffen.

Als hij hier zegt "ons behoud te bewerken", zegt hij niet dat we voor behoud moeten werken, omdat God daarin reeds heeft voorzien. Hij zegt veeleer het behoud tot voltooiing te brengen, dat bestaat uit het doen van ons deel. Ons deel bestaat eruit ons te onderwerpen.

Hij heeft het hier over "bewerken". Dat is heel interessant. Dat is in het Nederlands nogal eenvoudig van toepassing. "Bewerken" wordt hier op precies dezelfde manier gebruikt alsof we leraar zijn voor een klas en we de leerlingen in onze klas zeggen een rekenkundig probleem "uit te werken". Wat gaat de leerling doen? Hij gaat zijn kennis werkzaam maken — zijn kennis hoe je moet optellen en aftrekken. En waarom? Om het probleem uit te werken tot de juiste oplossing. Hij gaat dus zijn kennis in praktijk brengen en komt met de juiste oplossing.

Onze oplossing (hier in Filippenzen 2:12) is het "bewerken" van een gelijkenis aan Christus, in de richting te gaan van "de maat van de wasdom der volheid van Christus". Het behoud waar hij het hier over heeft is anders gezegd "heiliging". Het is in ons leven op een praktische manier een overwinning over de zonde. Het bestaat uit het werkzaam maken van onze kennis van Christus zodat we heilig kunnen worden.

Laten we het nog wat duidelijker proberen te maken. Als we "één" met Hem willen worden, kunnen we beter maar in beweging komen om de richting uit te gaan die Hij wijst! Israël in Egypte accepteerde het bloed van Jezus Christus en in die nacht doodde Hij de eerstgeborenen. In welke richting wees Hij hen daarna? Hij stuurde hen naar de stad Raämses. In welke richting wees Hij de volgende nacht? Hij wees hen Egypte uit. En in welke richting wees Hij hen zeven dagen later? Hij wees hen door de Schelfzee te gaan. En daarna, waarheen wees Hij hen toen? Hij wees hen in de richting van de berg Sinai. Daarna wees Hij hen in de richting van het Beloofde Land.

Binnen deze analogie wijst Hij u en mij in de richting van Christus! We moeten stappen in die richting gaan nemen, want dat is het eindpunt. Dat is het antwoord op ons probleem — het "uitwerken" ervan. De richting waarheen Hij dus wijst is de richting van Zijn standaard van gedrag.

De "wandel" van iedereen is niet precies hetzelfde, omdat ieders ervaring ietwat anders is en iedereen anders in elkaar zit. We kunnen dus niet echt naar elkaar kijken. Er zijn algemeenheden die we gemeenschappelijk hebben. Er is heel wat overeenkomst in de wandel van iedereen. De overeenkomst is in principe en niet de feitelijke dingen die we moeten overwinnen, waar we doorheen moeten of in moeten groeien. Maar er is genoeg overeenkomst waardoor de bijbel en de instructies die daarin staan altijd van toepassing zijn.

Dezelfde principes die betrokken zijn bij het overwinnen van liegen, zijn ook betrokken bij het overwinnen van stelen. De bijbel is in principe dus altijd van toepassing, al is het mogelijk dat de wandel van iedereen in bepaalde mate verschillend is van die van een ander. De persoon die probeert liegen te overwinnen heeft evenveel moeite als de persoon die probeert stelen te overwinnen — of de persoon die probeert overspel te overwinnen, of begeerte, of wat dan ook. In de meeste gevallen zijn we allemaal een samensmelting van al de problemen; we moeten ze allemaal in meer of mindere mate overwinnen.

De bijbel en zijn instructie is dus altijd van toepassing en zet ons altijd aan om dezelfde algemene richting in te slaan — dat is "één" te zijn met Christus en "één" met de Vader. De grote klus waar we nu voor staan is dus het vormen van karakter. Het is het vormen van een goddelijke houding en het groeien daarin.

Het mooie hieraan is dat de wandel van iedereen precies voor hem geschikt is. En zie hetzelfde vers zegt ons dat God ons zowel de wil (het verlangen) en de kracht (de energie) geeft om het te doen. Gemeente, is er wel echt iets dat wij zelf doen? Hij behoudt ons. Hij geeft ons de wil in de juiste richting te wandelen. En Hij geeft ons de kracht om te overwinnen. Dat gaat ons denken ver te boven. Laten we dit nog eens lezen, dan zullen we dat zien.

Filippenzen 2:12-13 Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven [Dat is onze verantwoordelijkheid.], 13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen [of het verlangen] als het werken in u werkt. [Daar hebben we de kracht om het te doen!]

Dit samenwerken met God kan, geloof ik, worden gezien in eenvoudige voorbeelden uit de fysieke wereld. We kunnen bijvoorbeeld een zeilboot bouwen en deze te water laten; maar hij gaat nergens heen tenzij God in wind voorziet. Anders komt hij niet in beweging. We kunnen groentezaden in onze tuin zaaien. Maar daar gebeurt niets mee, tenzij God de natuur voorziet van de kracht om die dingen uit de grond te laten spruiten. We kunnen in onze auto stappen en deze starten. De motor loopt omdat er (We zullen het tot één element beperken.) electriciteit is. Als God niet in de electriciteit had voorzien (iets dat allang bestond voordat u en ik op het toneel verschenen), zou die auto niet rijden. We zien dat we in dit geheel ook iets doen, maar dat zou allemaal zinloos zijn als God niet deed wat Hij doet.

In elk van deze gevallen voegen we een kleinigheid toe aan waar God reeds in heeft voorzien. Ons behoud is dus iets dat reeds is gegeven — iets waarin God reeds heeft voorzien. Aan de andere kant moeten we iets doen om het praktisch te maken door te voldoen aan de eisen die behoud ons stelt. Maar zelfs daarin is het God die ons daartoe in staat stelt!

We zullen nooit precies weten waar de grens ligt tussen wat God doet en wat wij doen. Daar is een reden voor. Daardoor blijven we in geloof op Hem vertrouwen — dat is goed voor ons. Een andere reden is dat het verschillend moet zijn omdat iedereen anders in elkaar zit. God bereidt ons voor op verschillende verantwoordelijkheden binnen Zijn Familie. Alles binnen Gods doel is gericht op het Koninkrijk. Uiteindelijk en tenslotte is alles op dat doel gericht en God zorgt dat het die richting uitgaat. Ik weet niet hoe Hij dat doet. Door Zijn grote macht brengt Hij het altijd zo dat het moeilijk genoeg is voor ons, zodat het werkelijk uitdagend is en toch bouwt het altijd op. Het is nooit zo moeilijk dat het vernietigt.

Zelfs hier kunnen we de analogie van Israël in de woestijn gebruiken — want waar kwam Israëls energie vandaan om door de woestijn naar het Beloofde Land te lopen? Die kwam uit het manna en het water waarin God voorzag, en daarnaast uit de visie en de hoop die Hij hun gaf in de belofte; deze zetten hen ertoe aan door te blijven gaan op de weg naar hun erfenis in het Beloofde Land. Israël liep. (Een heel eenvoudige taak.) God zorgde er zelfs voor dat hun schoenen niet versleten en dat hun kleding niet versleet.

Krijgt u ooit het gevoel dat God u in de steek heeft gelaten? Ja, dat krijgen we allemaal. Maar als we daarnaar in overeenstemming met Zijn woord naar kijken, heeft Hij ons dan echt in de steek gelaten? Zeg me eens — was er tijdens Israëls tocht door de woestijn ooit een moment waarop de wolk verdween? Die was er altijd. Was er 's nachts (als men de neiging heeft bang te zijn) ooit een moment dat de vuurkolom er niet was? Die was er altijd. We zouden kunnen gaan denken dat de tocht door de woestijn (en dan ook nog wel veertig jaar lang) nogal beangstigend was. Maar overal in Zijn woord komt bemoediging voor. Ik bedoel dat dit echt overal te vinden is! Laten we eens verder kijken in dezelfde brief, Filippenzen 4:19

Filippenzen 4:19 Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus.

Hebben we ergens behoefte aan? Daarin zal worden voorzien. Vergelijk dit met Efeziёrs 3:20, waar Paulus zegt dat God in staat is "oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen". We kunnen zelfs niet dromen van de dingen waarin Hij kan voorzien. Houdt uw vinger hier bij Filippenzen en laten we Hebreeёn 13 opslaan.

Hebreeën 13:5a Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, ...

Het is gemakkelijk om niet onbaatzuchtig te zijn, omdat we gaan denken dat het ten koste van ons zal gaan. We kijken naar de wereld en denken: "Wat hebben zij toch een vrijheid. Zij kunnen dingen doen die wij niet kunnen doen." Het is dus gemakkelijk om te verlangen naar datgene dat op een heel aantrekkelijk leven lijkt, dat door die mensen wordt geleid. Dan kan er een bepaalde mate van ontevredenheid in ons denken komen, alsof de weg waarop God ons leidt zo moeilijk is.

Hebreeën 13:5-6 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?

Filippenzen 1:6 Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.

Ik wil die gedachte verder uitwerken nu we aan het einde van deze preek gaan komen, zodat we bemoedigd kunnen worden door hoe nauw God bij ons leven betrokken is. Zodat we Hem op de juiste manier kunnen prijzen en Hem eer kunnen geven voor wat Hij doet en als onze Schepper tot stand brengt. Hij zegt dat Hij in ons een goed werk begonnen is! Laten we nu Johannes 14:23 lezen.

Johannes 14:23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.

Dat is een andere manier van zeggen dat Hij in ons leeft — Vader en Zoon. Kan Hij nog dichterbij komen? Het idee hier is in te zien hoe hecht de vereniging reeds is. Jezus laat hier een relatie zien van de Vader en de Zoon met iemand die Hen liefheeft (die Hun gehoorzaam is) als woonachtig zijnde in hetzelfde huis. Hij kijkt ernaar als naar een liefhebbende en warme familierelatie. Laten we nog een stap verder gaan. Deze keer slaan we Colossenzen 3 op en we zullen daar bekende woorden tegenkomen.

Colossenzen 3:9-11 Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd [Dat is dus gedrag dat niet overeenkomt met dat van Jezus Christus, met dat van de Familie. Je liegt niet tegen je eigen familie.], 10 en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, 11 waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.

Zou u bewust tegen Jezus Christus liegen? Zou u tegen Hem liegen als Hij pal voor uw neus stond? (Dat betwijfel ik.) Zouden we tegen Hem liegen, ook al woont Hij 'slechts' in ons? Ja, dat doen we. Zouden we binnen de Familie tegen elkaar liegen, tegen anderen in wie Christus woont? Is dat gedrag aanvaardbaar voor "eenheid" met de Vader en de Zoon? Zien we waar Hij op uit is? Iemand die je op die manier liefhebt, behandel je niet op die manier.

Dit is de richting waarin we moeten wandelen. We behandelen hen die we liefhebben niet op zo'n manier. We behandelen hen niet als tuig. Misschien is het een maat van de zwakheid van ons geloof dat we niet werkelijk beseffen dat Christus in ons woont, als we elkaar op zo'n manier behandelen. Zegt Hij niet (in Mattheüs 25, in de gelijkenis van de schapen en de bokken) dat als we iets doen voor de minste van Zijn broederen, we het voor Hem hebben gedaan? We denken daar niet zo graag aan, is het niet? Maar nogmaals het is een maat van de zwakheid van ons geloof dat we niet inzien dat als we die dingen doen, we ze jegens Christus doen.

Dit maakt heel duidelijk in welke richting we moeten wandelen als we ooit "één" met God willen worden. De richting is duidelijk. God zal ons de wil geven die richting uit te gaan en God zal ons de kracht geven om te overwinnen! Zo graag wil Hij dat wij in Zijn Koninkrijk zullen zijn. Zelfs als we dat doen, zal het erop lijken dat we het helemaal alleen moeten doen. Dat moet zo zijn wil het enige waarde hebben en werkelijk opbouwen. Iets doen dat gemakkelijk is, bouwt niet op de juiste manier op. (Dat is een gewoonte die al is ingesleten.)

Laten we hier nog een stap verder mee gaan. Houdt uw vinger hier en laten we naar de brief aan de Galaten gaan, omdat de verzen 9 en 10 bezien moeten worden in het licht van vers 11 — waar geen sprake is van Griek of jood, besneden of onbesneden, barbaar of Skyth, enzovoort. Waar heeft hij het daar over? Hij heeft het over "eenheid".

Galaten 3:28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.

We zien dat hier een nieuw element wordt toegevoegd. Dat nieuwe element is het verschil in sekse — mannelijk en vrouwelijk. Laten we nu Efeziёrs 2 opslaan.

Efeziërs 2:13-18 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen [één gemaakt] door het bloed van Christus. 14 Want Hij [In het Grieks ligt de nadruk hier op het woord "Hij".] is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.

Laten we dit allemaal samenvatten. Verschillen in ras (Griek en jood); verschillen in religieuze achtergrond (besneden en onbesneden); culturele verschillen (barbaar en Skyth); sociale verschillen (slaaf en vrije); verschillen in sekse (mannelijk en vrouwelijk). Al deze verschillen zijn beslist niet bedoeld om alle dingen te vertegenwoordigen die de mensheid onderling verdelen en scheiden van God; maar het is genoeg om het punt waar het om gaat duidelijk te maken. God maakt het heel duidelijk dat we niet in Hem verenigd kunnen zijn en tegelijkertijd gescheiden van onze broeder!

Er moet iets hersteld worden. Efeziёrs 2 legde uit hoe. God brengt de eenheid van Zijn zonen met Hem tot stand door Jezus Christus. Hoe wordt dit bereikt? Iemand die zich echt heeft bekeerd (die echt Gods Geest heeft) wordt gemotiveerd, gestuurd, geїnspireerd, geleid, onderwerpt zich en gaat in de richting van de standaards van Jezus Christus. Hij begint "één" te worden met Christus. Hij ontvangt kracht door de energie die Christus, die in hem woont en in hem werkt, uitstraalt. Het is bijna alsof deze mensen door de Geest van God GEDREVEN worden om dit te doen, omdat ze allemaal deelhebben aan dezelfde natuur. (Soort zoekt soort.)

Centraal hierin staat de Mens Jezus Christus. Efeziёrs 2:13-18 laat zien dat Christus door Zijn kruisiging de voorwaarde schept die nodig is voor vrede door de vergeving van zonde. En daarna geeft Hij ons kracht vrede te maken en in "één" verenigd te worden door ons door de Heilige Geest in staat te stellen op Gods manier te leven — dus feitelijk vrede te scheppen.

Het is niet noodzakelijkerwijs iets dat twee mensen tussen elkaar doen, maar veeleer doen ze het tussen henzelf en Christus — daardoor wordt eenheid tot stand gebracht. Dat is een schitterende manier om te doen. Dat betekent dat we feitelijk "één" met iemand kunnen zijn die dezelfde Geest heeft als wij, terwijl we hem nooit tevoren in ons leven hebben ontmoet. Dat betekent dat we "één" met hem zijn, omdat hij dezelfde Geest heeft en op dezelfde manier als wij op weg is naar gelijkheid met Christus.

De reden dat we soms verdeeldheid hebben in de kerk is, omdat iedereen niet dezelfde geest heeft. Ik doel hier beslist niet op bezetenheid door demonen. Ik bedoel gewoon dat sommigen nog niet bekeerd zijn — of ze hebben wel dezelfde geest, maar zijn zo zwak dat het nog heel moeilijk is "één" met hen te zijn. Paulus maakt dit heel duidelijk. We kunnen dit zelf zien. We kunnen dit lezen in 1 Corinthiёrs 3:3 en 1 Corinthiёrs 11:19. Bedenk dat dit een erg verdeelde gemeente is, en Paulus zegt ons waarom deze dingen plaatsvinden.

Ik wil op geen enkele manier suggereren dat alle verschillen worden geёlimineerd om een of ander christelijk stereotype te creёren. Veeleer als ieder ervoor kiest binnen het kader van Gods wet uit liefde en loyaliteit aan Christus te handelen, de zonde uit zijn eigen leven te verwijderen, dan zullen de dingen die scheiding veroorzaken binnen een echte familierelatie beginnen te verdwijnen.

Gemeente, wat moeten we nu uit deze preek leren? Dat is dat het Gods doel is om ons tot "eenheid" met Hem te trekken. Dat dit een proces is dat reeds begonnen is en het wordt teweeggebracht doordat wij ons door de kracht van Zijn Geest aan Hem onderwerpen.

Christus is onze Verlosser en we hebben Hem erg lief voor wat Hij voor ons heeft gedaan. We staan bij Hem in de schuld, omdat Hij zoveel van Zichzelf voor ons heeft gegeven. Hij leeft en Hij werkt in ons.

De combinatie van onze liefde en loyaliteit aan Hem motiveert tot die "eenheid", brengt die "eenheid" tot stand, waartoe God ons trekt. Christus is onze Schepper. Christus is onze Verlosser. Hij is onze Zaligmaker. Door Hem en vanwege Hem worden we gerechtvaardigd, geheiligd en ontvangen we Gods Heilige Geest. Hij is onze Hogepriester. Hij is onze Middelaar. Hij is onze oudste Broer. Hij is het Hoofd van de kerk. Hij leeft in ons om in ons het verlangen op te wekken op Gods manier te leven en daardoor Zijn welbehagen te ervaren. Dat alles voor onze God en voor de voltooiing van Gods plan — zodat we allemaal "onderworpen", in een bepaalde orde onder God worden geplaatst. En Hij zal dat doen! Hij zal dat voltooien (zoals Hij in Filippenzen 1:6 zegt) totdat alles ordelijk geordend is onder God en Hij dan voor ons werkelijk alles en in allen zal zijn!


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)