Doen leerstellingen er werkelijk toe? (Deel 11)

Door John W. Ritenbaugh
24 juli 2004

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh, zich richtend op de schijnbaar onschuldige, maar subtiele en verderfelijke leerstelling van dispensationalisme, valt de veronderstelde maar toch onbijbelse conflictrelatie tussen wet en genade aan. In de misleide, niet bijbelse zeven periodes van dispensatie wordt God uitgebeeld als hopeloos inconsequent in Zijn handelen met de mensheid, waarbij Hij de wet, vormen en decorum in de huidige dispensatie van genade volledig laat vallen. Het moderne christendom verwerpt de bijbel volledig in haar eclectische, kies-maar-wat-je-wilt bastaardreligies; in plaats daarvan volgen zij het gnostische docetisme dat een scherpe scheiding maakt tussen vlees en geest, die leidt tot walgelijke, vleselijke verdorvenheden. Haat tegen Yahweh (Jezus Christus), de wet, Israël en de sabbat, samen met steunbetuigingen aan wetteloosheid, is een gemeenschappelijk kenmerk van alle aanhangers van het gnosticisme. Het moderne christendom dat de geschriften van Paulus verdraait om de genade van God te veranderen in de vrijheid tot zondigen (door het onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging onduidelijk te maken) is totaal gebaseerd op het gnosticisme.


De huidige serie preken begon met de vraag: Doet het er werkelijk toe wat we geloven? We zagen aan het begin van deze serie duidelijk bewijs uit het Barna Rapport dat ongetwijfeld oprechte mensen — die zichzelf "christenen" noemen — van alles en nog wat geloven als leerstellingen, die in veel gevallen geen deel uitmaken van de bijbel.

Het resultaat hiervan kunnen we eenvoudig zien. We leven in een natie die beweert christelijk te zijn. Het gedrag van haar burgers komt echter beslist niet overeen met dat wat volgens de bijbel christelijk gedrag zou moeten zijn. Iedereen — inclusief wij — handelt naar wat hij werkelijk gelooft. Daarom is — op eenvoudige wijze gezegd — het zo belangrijk wat iemand gelooft. Iets van wat velen geloven is niet "christelijk".

De hoofdaandacht van mijn vorige preek begon zich duidelijker te verschuiven van algemeenheden naar meer specifieke praktijken van de gnostici, in het bijzonder antinomianisme. Antinomiaans betekent "tegen wet". We zagen dat het gnosticisme in tegenstelling tot het christendom erg los was gestructureerd. Hierdoor werd het de mensen mogelijk gemaakt die leerstellingen te kiezen waarmee zij zich comfortabel voelden, en die geen deel uitmaakten van Gods geopenbaarde woord.

Dezelfde manier van handelen vinden we in onze tijd terug in het moderne christendom. Het moderne christendom beweert bijvoorbeeld dat de mens een onsterfelijke ziel heeft en naar de hemel gaat. Dit zijn leerstellingen waar een gnosticus zich bij thuis zou voelen. In tegenstelling daarmee laat Gods woord zien dat de mens geen onsterfelijke ziel heeft, maar dat hij na de dood ergens in de toekomst uit de dood moet worden opgewekt.

We zagen dat het echte christendom op heldere wijze een heel duidelijk doel vaststelt door ons te richten op het Koninkrijk van God en niet op een vaag iets als naar de hemel gaan. De bijbel laat zien dat er een plan wordt uitgewerkt. En tijdens de uitvoering van dat plan bereidt de Schepper God ons voor op een leven en functioneren in het Koninkrijk van God.

De Schepper God heeft duidelijke verantwoordelijkheden voor ons vastgesteld. In feite laat Efeziёrs 2:10 zien dat we ons leven in het hier en nu moeten leiden door werken te doen die Hij van te voren heeft bereid. En door die werken leiden we ons leven op een manier waardoor we overwinnen, meer en meer vertrouwd worden met Zijn weg en Hem verheerlijken door niet meer te zondigen.

Als we in die preek dieper op Psalm 119 waren ingegaan, dan hadden we duidelijk bewijs gezien dat Gods wet gerechtigheid definieert, zonde definieert en ons leiding geeft voor Zijn manier van leven.

Samenvattend kunnen we dus zeggen dat Gods genade structuur geeft aan het christen-zijn. Die genade is Zijn onverdiende gunst die Hij openbaart in de openbaring van Zichzelf om ons te voorzien van het doel dat besloten ligt in het Koninkrijk van God, de verlossing uit de slavernij aan de zonde door Christus' bloed en het begrijpen van het doel van Zijn wet. Het christen-zijn komt rondom deze centrale onderwerpen tot ontwikkeling.

Tegen het einde van de preek waren we toegekomen aan een leerstelling die in diezelfde periode uit de eerste eeuw een onduidelijke maar verwoestende entree in de kerk maakte. Die leerstelling kwam echter pas ten tijde van de protestantse Hervorming in de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw tot volledige ontwikkeling. Hij is echter tot in deze tijd blijven bestaan, doet nog steeds zijn boos werk en ondermijnt op een subtiele manier Gods woord. Die leerstelling leert het bestaan van verschillende dispensaties.

Johannes 1:17 (Petrus Canisius Vertaling) Zeker, de wet is door Mozes gegeven, maar de genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. [In veel Engelse vertalingen komt het woordje "maar" voor. In het boekwerk Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen is de Petrus Canisius de enige vertaling die dit woordje "maar" bevat.]

Ik gebruik dit schriftgedeelte niet om te zeggen dat de gehele leerstelling op dit schriftgedeelte is gebaseerd. Dit is veeleer een schriftgedeelte dat gewoonlijk gebruikt wordt om dit valse concept te ondersteunen. Dit schriftgedeelte wordt op zo'n manier vertaald dat er wordt gesuggereerd dat genade en wet tegengestelde onderwerpen zijn in plaats van dat het onderwerpen zijn die in het proces van behoud samengaan.

Als u commentaren bestudeert, zult u bijna onveranderlijk een afgeven op de wet bespeuren — bijna alsof die er schuld aan heeft dat we zondigen. Luister naar deze aanhaling van Adam Clarke in zijn commentaar op dit vers:

De wet van Mozes — hoe schitterend die in zichzelf ook was — was in vergelijking met het evangelie van weinig waarde. Daar de wet voortkwam vanuit de rechtvaardigheid en de heiligheid van God, en bedoeld was om de mens van zonde te overtuigen opdat de weg van het evangelie beter voorbereid zou kunnen worden, was het een wet van starheid, veroordeling en dood.

Dat is nogal interessant. Als we in de brief van Jacobus kijken, zien we dat Jacobus diezelfde wet een "wet van vrijheid" noemt. Bekeek Adam Clarke de dingen anders dan Jacobus? Waarom zei hij niet iets soortgelijks als Jacobus?

Let op de tegenstellende verbinding "maar". "Zeker, de wet is door Mozes gegeven, maar de genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen." Het woord "maar" staat [in de door de heer Ritenbaugh gebruikte vertaling] cursief gedrukt, hetgeen erop duidt dat het niet voorkwam in de manuscripten die door de vertalers werden gebruikt; hiermee gaven ze aan dat zij dit "maar" toevoegden, omdat ze vonden dat het nodig was om de uitspraak duidelijker en krachtiger te maken. Het doet echter het tegendeel.

Het woordje "en" zou veel beter op zijn plaats zijn geweest. "En" zou een betere toevoeging zijn geweest, omdat het vers dan twee delen zou laten zien van hetzelfde proces dat ons op het Koninkrijk van God voorbereidt: genade en wet.

Er is geen twijfel mogelijk dat binnen deze context genade veruit superieur is, maar ze stonden niet tegenover elkaar. Ze gaan hand in hand en spelen allebei een rol binnen Gods doel. Als we in feite God Zelf en Zijn gehele doel en plan beter gaan begrijpen, zien we dat de wet in werkelijkheid een aspect van Gods genade is. Het is een gave die ons stuurt in de richting van het leven.

De leer van de verschillende dispensaties stelt in essentie dat God door de eeuwen heen op verschillende manieren heeft gewerkt om de mensen te behouden en wel om hen te laten zien dat behoud alleen door genade mogelijk is. Met andere woorden in vroeger tijden moest de mens de wet houden om door God behouden te worden, maar nu wordt hij door genade behouden.

Hebreeën 1:1a Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, ...

Dit is een schriftgedeelte dat zij die dit geloof bevorderen, als fundament gebruiken voor de uitleg van verschillende dispensaties. Zij zeggen dat om rechte voren te trekken bij het brengen van Gods woord (2 Timotheüs 2:15) men de tijden moet onderscheiden waarin Hij spreekt en tot wie Hij spreekt. Er zit inderdaad een element van waarheid in die uitspraak.

Ze zeggen verder dat er alleen maar verwarring kan ontstaan als men iets binnen de ene dispensatie leest wat tot een andere behoort. (Tsjonge, dat is een hele mondvol!) Luister naar de volgende aanhaling vanuit Bullingers Companion Bible, Appendix 195, pagina 214:

Om wat God zei en deed in de ene dispensatie te verbinden met een andere, waarin Zijn bestuur op een geheel ander principe was gebaseerd, zorgt zeer zeker voor foute uitleggingen.

Gemeente, die uitspraak (zoals die zonder verdere kwalificaties hier staat) is absoluut NIET juist. De principes van Gods woord zijn eeuwig en op alle tijden van toepassing. Bullinger vermeldt daarna zeven verschillende dispensaties:

1. De periode van onschuld in de hof van Eden. [Die eindigde natuurlijk toen ze zondigden. Wie weet, heeft die periode maar enkele dagen geduurd.]

2. De periode "zonder wet". [Dat is werkelijk interessant omdat er NOOIT in de geschiedenis van de mens een tijd is geweest dat er geen wet was. Als zo'n tijd al heeft bestaan, hoe konden Adam en Eva dan zondigen? We beginnen te zien dat dit dom is, maar het is een van de belangrijkere leerstellingen.]

3. De periode onder de wet. [Te beginnen bij Mozes.]

4. De periode van genade.

5. Het tijdperk van het oordeel.

6. Het tijdperk van het millennium.

7. De eeuwige toestand van heerlijkheid.

Daarna gaat Bullinger verder met te zeggen:

Er is geen autoriteit om verordeningen die op goddelijke wijze geschikt waren gemaakt voor de tijd van de joden, te nemen en ze over te brengen naar de huidige dispensatie van Gods genade. Op soortgelijke wijze verduistert de poging om de voorschriften van de "bergrede", die de wetten van het koninkrijk der hemelen zijn, terug te zien in de brieven aan de kerk, zoals aan de Efeziёrs, de Filippenzen en de Colossenzen, niet alleen de waarheid, maar werkt het ene deel van de Schrift het andere deel tegen.

Kunt u zich dat voorstellen? Dat is ongelooflijk!

Psalm 119:89-90 [Kijk wat de dichter van deze psalm schreef.] Voor eeuwig, o HERE, houdt uw woord stand in de hemelen. 90 Van geslacht tot geslacht is uw trouw, Gij hebt de aarde gegrond, zodat zij staat.

Gemeente, over verwarring gesproken! Hoe ter wereld kan Gods woord worden vertrouwd als de wet of het principe en de geest van wat Hij of gebiedt of als voorbeeld geeft in het ene deel van het Boek niet altijd van toepassing is binnen een ander deel? Ze zeggen dan dat geen enkele instructie van de bijbel met een andere kan worden verbonden als men probeert wat in de ene dispensatie werd gezegd te doen gelden in een andere.

Gaat u het resultaat hiervan inzien? Eén resultaat dat heel duidelijk is vanuit de wereld om ons heen is dat iedereen zich vrij gaat voelen zijn eigen versie van geloof samen te stellen. Dus de neiging om zelf uit te zoeken met welke leerstelling men zich comfortabel voelt. Dit heeft een veelheid aan denominaties tot gevolg, en dat is precies wat er in het bijzonder in het protestantisme heeft plaatsgevonden.

Luister naar het volgende moderne voorbeeld. Maar voor ik dat doe wil ik duidelijk maken dat ik dit voorbeeld niet geef omdat het leuk is, of om er de draak mee te steken; ik geef het omdat het gewoon een duidelijke illustratie is van wat de mens zich meent te kunnen veroorloven in zijn dienen van God. Als ze echter in de bijbel zouden kijken, dan zouden ze zien dat God de Schepper is van formaliteiten betreffende het dienen van Hem.

Dit is ontleend aan de Monterey County Herald in Monterey, California, en de titel ervan is Christelijke kerk op het platteland. Het heeft als ondertitel De cowboy-kerk werkt aanstekelijk op de gemeenschapsgeest. De schrijver is Victor Calderon. Het artikel bestaat uit zijn indrukken van commentaar dat tijdens diensten werd gegeven evenals andere dingen die hij waarnam. Hij zegt:

Het eerste dat een bezoeker van de Salinas Valley Cowboy Church opvalt is dat deze kerk er niet uitziet als een kerk.

Heel passend is dat de gemeente bijeenkomt in de Rodeo Room van het Salinas Sportcomplex, de plaats waar komende week de Rodeo van Californiё wordt gehouden, en daarnaast ook op het Salinas Valley kermisterrein in King City.

In plaats van naar een altaar kijkt de gemeente naar een podium waar waarschijnlijk de country band zal spelen en preken. [Niet alleen maar spelen, maar ook preken.] ...

Aan het begin van de bijeenkomst op dinsdag werd aan zeven nieuwelingen gevraagd te blijven zitten terwijl de andere kerkleden stonden en hen met een welkomstgroet verwelkomden.

Herodus [Niet de koning, maar de naam van de predikant.] schreed daarna naar het podium en zei iedereen: "Als u hier bent om te gaan zitten en zich te vervelen, dan hoop ik dat we u het een beetje aangenaam kunnen maken. God wil dat iedereen vanavond hier lol heeft."

Hij begon de avond daarna met een rocksong waarbij iedereen begon te klappen toen hij zong: "There's a whole lot of prayin' goin' on!" [Er wordt heel wat afgebeden!]

Herodus doorspekte bijna twee uur lang bijbelse passages met country-western songs. Eén song vatte de essentie van de Cowboy Church samen en het doel ervan om erbij te horen. In een ruimte gevuld met mensen gekleed in denim en laarzen, kom zoals je bent, ...

Oprichter Al Stoeberl, 62 jaar oud, die katholiek is, vindt het fijn dat hij in staat is geweest een eredienst voor de gemeente te bedenken die "niet star is en waarbij alles mogelijk is". Hij wijst naar een klein groepje mensen die na de dienst elkaars hand vasthouden en gezamenlijk bidden.

Hij zegt: "In de meeste kerken zeggen ze je dat je achterin in afzondering moet gaan bidden. Hier is dat niet het geval. We zijn erg open over onze relatie met God. Onze relatie met Hem is onze religie."

Bonnie Stoeberl, 63 jaar oud, zegt dat het een belangrijke taak is van de Cowboy Church om de mensen te laten zien dat ze — als ze christen worden — de country muziek niet behoeven op te geven. Zij is van mening dat een kerk "geen gebouw is, geen denominatie, maar de mensen die bij elkaar komen om God te dienen."

Dat is geen vergezocht voorbeeld. Ik zei dat het eenvoudig en duidelijk was. Als ze de moeite zouden nemen om in de bijbel te kijken, zouden ze zien dat God vrij specifieke aanwijzingen geeft dat Hij voor Zijn aangezicht formaliteiten wil zien. Per slot van rekening komen we voor het aangezicht van de grote Koning. Hij laat in de bijbel zelfs zien welke gezangen we moeten zingen. Die worden p-s-a-l-m-e-n genoemd.

Hij laat zien dat de mensen die voor de andere mensen dienst zouden verrichten — doelend op de priesters — werkelijk mooie kleren aan hadden, die een bepaald aspect van Gods gerechtigheid illustreerden. De mensen moesten voor Hem verschijnen om in een ernstige en eenvoudige omgeving te leren. Sommige van die woorden worden in Leviticus 23 zelfs in samenhang met de feesten gebruikt.

Het moderne christendom heeft (omdat ze ontdekt hebben dat hierdoor mensen naar de diensten komen) de kerk in vermaak veranderd — met bands, gospelzangers en wat al niet meer. We moeten dus de vraag stellen: Wat is de echte reden dat mensen hier zijn? Ze gaan niet naar een kerk die hen geen vermaak biedt. Zo komen we in de nieuwsbladen dus statistieken tegen dat de opkomst in de "normale" protestantse en katholieke kerken afneemt — terwijl bij kerken die vermaak bieden, de opkomst toeneemt.

Dit moderne bewijs wordt verder nog versterkt door het feit dat in de laatste veertig jaar het bastion van valse formaliteit — het katholicisme — zijn vastigheid is kwijtgeraakt en door immoreel handelen en interne strijd in elkaar zakt. Geen van deze twee uitersten (de Cowboy Church aan de ene kant en de katholieke kerk aan de andere kant) kijkt naar de bijbel als richtsnoer betreffende hun manier van eredienst.

Ik kan het niet sterk genoeg benadrukken, maar hetzelfde principe geldt overal binnen het moderne christendom. Ze kijken NIET naar de bijbel als richtsnoer. Ze schuiven hem niet geheel aan de kant, maar beschouwen hem als iets dat je weinig ruimte geeft, of zou kunnen leiden tot berouw en verandering — en als de mens zich er niet comfortabel bij voelt, dan doet hij het niet.

Omdat wij naar de bijbel kijken en hem geloven, weten we dat onze bestemming het Koninkrijk van God is. We kennen de diverse onderdelen van Gods plan die in uitvoering zijn en dat God de mens altijd al door genade heeft behouden. We weten dat Hij vanaf het begin hetzelfde doel en plan heeft gehad. We weten dat we daarom in Christus Jezus worden geschapen. We weten dat het onze verantwoordelijkheid is in de voetstappen van Jezus Christus te wandelen door Gods geboden te houden en daarmee ons deel in Gods plan te vervullen.

De laatste keer dat ik sprak, noemde ik Nikolaüs uit Handelingen 6, die de oprichter van de Nikolaїeten schijnt te zijn. De bijbel noemt nog één andere gnosticus uit de eerste eeuw. Dat is Simon Magus, die in Handelingen 8 wordt genoemd. In dat korte fragment laat de bijbel zien dat zijn instelling die van een hebzuchtig iemand is.

Gnosticisme stond — zoals we zullen gaan zien — zulk gedrag toe. Petrus accepteerde dat in het geheel niet. Hij zei: "Maak dat je weg komt met je geld!" Simon Magus was de leider van de Simonieten. We zullen niet veel tijd aan hem besteden, omdat hij op een manier geloofde die in sterke mate overeenkwam met die van Nikolaüs. Maar er was één bijzonder aspect aan zijn valse bediening verbonden die laat zien hoe ver deze mensen op sommige punten er naast zaten.

Hij reisde met een vrouw die Helena heette, die hij uit een leven van prostitutie had vrijgekocht — en hij beweerde dat zij vanuit de hemel was neergedaald en het leven had gegeven aan de engelen, die de materiёle wereld hadden geschapen. Uit jaloersheid echter (Luister hier heel goed naar.) rebelleerden de engelen onder leiding van Yahweh tegen haar en verhinderden haar tot de Vader terug te keren.

Laat dit niet uit uw geheugen verdwijnen, omdat het in een andere preek belangrijk zal worden. Dat is hun houding ten opzichte van Yahweh.

Dit was zijn manier om de menselijke slavernij aan de materiёle wereld te illustreren. Hij beweerde ook dat zij door de tijd heen van het ene lichaam naar het andere lichaam overging en de eerste was geworden die van deze slavernij was bevrijd. En zo verkondigde hij hoop aan allen die hem volgden.

Laten we dat eens even bijwerken voor wat betreft onze huidige tijd. Is deze leerstelling gezochter dan de bewering van het katholicisme dat Maria eeuwig leeft? Zij bidden tot haar om voorspraak en geloven dat zij mede-middelaar is met Christus. Dat komt dicht bij de rol van Helena. Het gnosticisme leeft nog steeds. De namen en zulk soort dingen zijn veranderd, maar dezelfde principes zijn nog steeds van kracht.

We gaan wat tijd besteden aan de brief van Judas, omdat als we eenmaal weten waar we naar uit moeten kijken, het duidelijk wordt wat het hoofdpunt is van Judas' waarschuwingen voor de kerk — dus voor u en mij in de eindtijd. Judas is een typisch voorbeeld van hoe alle apostelen schreven over hen die met hun valse leerstellingen verdeeldheid zaaiden in de kerk.

Bedenk altijd — vergeet dat nooit — dat we nergens in de bijbel de termen "gnosticus", "gnostici" of "gnosticisme" zullen tegenkomen. De structuur van hun religie was niet volledig aan de bijbel ontleend. Desondanks staat er heel wat informatie over hen in de bijbel als we eenmaal weten waar we naar moeten uitkijken. De gnostici worden in de bijbel geїdentificeerd met hun leerstellingen, omdat de apostelen daarover schreven (om de gemeente te waarschuwen).

1 Johannes 4:1-3 zegt bijvoorbeeld het volgende:

1 Johannes 4:1-3 Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. [Op deze manier zal de geest in de wereld komen — door valse profeten.] 2 Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God [Het sleutelwoord hier is "vlees".]; 3 en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld.

Dit is een heel sterke aanduiding dat toen hij dit schreef, gnosticisme de hoofdrol speelde in Johannes' denken. De leerstelling waar hij naar verwijst is docetisme.

Vergeet alstublieft ook nooit dat we deze dingen niet bestuderen om alleen maar de bizarre geloofsopvattingen van wat mensen uit de oudheid, die zich "christenen" noemden, maar nu door de moderne wetenschap met "gnostici" worden aangeduid, te ontdekken. We bestuderen deze dingen om te laten zien dat de principes van het gnosticisme nog steeds levend zijn. Ze bestaan nu in deze tijd en zijn erg actief, zelfs al hebben niet al hun geloofsopvattingen het voorbijgaan van twee millennia overleefd. Het is niet uitgestorven, omdat Satan nog steeds leeft en hij is de ware auteur, en zijn geest overheerst de wereld. Dat was gewoon een langdradige manier om te zeggen dat "wat zich eenmaal heeft verbreid, zal opnieuw naar boven komen", of: "de geschiedenis herhaalt zich".

Judas 13 wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd.

Onheilspellende woorden. Hij beschrijft de valse profeten, de valse dienaren. Judas noemt hen sarcastisch "dwaalsterren". U herinnert zich nog wel dat in de hellenistische kosmologie de maan, de zon, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus aangeduid werden als dwalende, zwervende sterren. De term die Judas voor hen gebruikt is een belediging — een rechtstreeks zeggen dat deze valse dienaren niet stabiel zijn, verward zijn en chaotisch in leerstellingen en gedrag. Ze hadden de meest wilde opvattingen!

"O, wat is de leerstelling van dit moment?" "Eén dezer dagen had ik een droom, en de Heer sprak tot mij en zei: ..." En dan kwam er een geweldig onderwijs dat iemand waarschijnlijk toestemming gaf om Gods wet te overtreden.

Bedenk ook dat in de gnostische leer de gnostici de zeven planeten associeerden met een kwaad systeem ingesteld door Yahweh, dat onder andere bestond uit de zeven dagen van de schepping van de materiёle wereld, de religie der Hebreeёn en de sabbat — allemaal dingen die ze haatten. Met andere woorden ze haatten Yahweh! Ze haatten de scheppingsgeschiedenis, omdat de schepping voor hen absoluut chaotisch was. Ze haatten de religie der Hebreeёn, omdat die van Yahweh kwam. En ze haatten de sabbat om dezelfde reden.

Judas noemt ze in hetzelfde vers ook "wilde baren der zee". Dit is een ander beeld van instabiliteit, dat nog meer nadruk geeft aan de term "dwaalsterren". Hij noemt ze ook "wolken die geen water geven", dat verwijst naar hun symboliek (die wij ook gebruiken) van water voor de geest. Maar door te zeggen dat ze "geen water geven" wordt geїmpliceerd dat hun grootspraak — dat ze gevuld zijn met en geleid worden door de privé-inspiratie van God in plaats van door Zijn woord — vals is.

Als we vertrouwd zouden zijn met het gnosticisme, zouden we dat inzien als we deze brief lazen. Nu zien we het dus. Judas schrijft tegen de gnostici en die bevonden zich echt in de kerk!

Judas 10 Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens [Statenvertaling: onredelijke dieren], van nature weten [niet geestelijk, maar van nature], ligt hun verderf.

Nu noemt hij hen irrationele "redeloze wezens". Ik denk dat Judas zich niet echt inhield. Dit verwijst naar een gnostisch onderwijs dat ik niet eerder heb genoemd. Dit is min of meer interessant. De gnostici verdeelden de mensen in drie categorieёn. De laagste categorie bestond uit mensen die geen ziel hadden. Deze mensen werden door de gnostici vergeleken met onredelijke dieren.

Judas keerde dat gewoon om en zei: "Maat, je bent zelf een onredelijk dier." Als we erop letten hoe belangrijk de leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel voor hen was, dan is het hoogst waarschijnlijk dat dit de ergste belediging was die iemand een gnosticus kon aandoen. "Je bent niet meer dan een dier."

Judas 8 Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees, verwerpen wat heerschappij heet en lasteren de heerlijkheden.

Hier veroordeelt Judas hen voor hun kwaadspreken van Gods engelen. Bedenk dit: de gnostici hadden — om zichzelf van de slavernij van het Oude Testament te bevrijden — de waarheid geheel verdraaid; ze geloofden dat de goede engelen van Yahweh slecht waren en de slechte engelen van Satan (de demonen) goed.

Judas 14 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden,

Hier waarschuwt Judas dat er geprofeteerd was, dat er valse dienaren zouden komen, en hij ondersteunt zijn waarschuwing door één van hun eigen geschriften aan te halen — het apocriefe boek van Henoch. Het boek van Henoch werd NIET door de Henoch van Genesis 5 geschreven. Het werd pas in de eerste eeuw voor Christus geschreven.

Judas 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.

Hier gaat Judas verder met wat hij in vers 14 zei, door te waarschuwen over het oordeel dat over deze mensen zal worden geveld. Hij zegt zelfs waarom. Dat is vanwege hun godslasterlijke scheldwoorden die ze tegen Yahweh hebben geuit, omdat Hij de Schepper was en vanwege Zijn werk met de Hebreeuwse natie.

Misschien wilt u dit wel ergens in uw denken vastleggen, omdat deze specifieke leerstelling — de haat tegen Yahweh, de haat tegen Zijn engelen, de haat tegen de Hebreeuwse natie, de haat tegen de sabbat — iets is dat iedere gnostische groep gemeenschappelijk had. Er was veel dat ze niet gemeenschappelijk hadden, maar dit is een punt dat ze wel gemeenschappelijk hadden. Ze hadden ook de leerstellingen van 'naar de hemel gaan' en 'de onsterfelijkheid van de ziel' gemeenschappelijk.

Gaat u de gemeenschappelijk draad zien? We moeten denken aan de relatie met het moderne christendom waarbinnen de dingen iets minder duidelijk zijn geworden, maar hetzelfde thema is daarin nog steeds aanwezig en het resultaat zal hetzelfde zijn.

Judas 19 Zij zijn het, die scheuringen maken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben.

Dit was een andere echt zware vernedering. Hij beschuldigt hen ervan de Geest van God niet te hebben. Ze waren niet bekeerd. Dit was echt een harde klap voor de gnosticus, omdat voor hen geest al het goede vertegenwoordigde.

Ik heb u al zes aanhalingen uit de brief van Judas gegeven, maar we zijn nog niet bij de belangrijkste aangekomen; dat is degene die hij het eerste noemt — dat is hun aartswetteloosheid.

Judas 3-4 Geliefden, daar ik mij in alle opzichten beijver u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zie ik mij genoodzaakt het te doen met de vermaning tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. 4 Want er zijn zekere mensen [onopgemerkt] binnengeslopen — reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven — goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen.

Hij verwijst hier naar een volledige verwerping van Degene die de gnostici aan de ene kant als hun Verlosser beschouwen. Maar op de een of andere manier ontsnapte het aan hun aandacht dat Jezus Christus Yahweh was! De gnostici waren blind voor de werkelijkheid dat hun wetteloos onderwijs en gedrag in werkelijkheid een verwerping van Jezus Christus was. Toen ze Yahweh verwierpen, verwierpen ze Christus. Toen ze de wet van Yahweh verwierpen, die in het Oude Testament gegeven was, verwierpen zij Jezus Christus' wet; en toch beweerden ze dat Hij hun Verlosser was.

Let er vervolgens op dat deze leraren de genade van God in losbandigheid veranderden. Dat is een vrijbrief om te zondigen. Evenals het moderne protestantisme zette de gnostische leerstellige positie hen op tegen feitelijk alles wat Jezus betreffende wet en gerechtigheid had onderwezen. Daarnaast zette het hen ook op tegen de manier waarop Jezus persoonlijk Zijn leven leidde (zonder te zondigen); en het is in tegenspraak met Zijn onderwijs aan anderen om zich te bekeren en ernaar te streven hun leven te leiden in overeenstemming met hetzelfde patroon van morele en geestelijke zuiverheid dat Hij volgde. Dit is hetzelfde dilemma dat het moderne christendom het hoofd moet bieden en waarvoor ze blind schijnen te zijn.

Herinnert u zich de rijke jongeling die tot Jezus kwam? Hij zei: "Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te hebben?" Wat was Jezus' antwoord aan hem? Onderhoud de geboden! Als een moderne protestant tot Jezus zou komen en hetzelfde zou zeggen: "Wat moet ik doen om eeuwig leven te hebben?", dan zou Jezus hetzelfde tegen hem zeggen. Denkt u niet dat die protestant daardoor tussen twee vuren zou komen te staan, als hij wist dat de officiёle leerstelling die zijn kerk hem onderwees, luidde dat de wet heeft afgedaan en niet langer gehoorzaamd behoeft te worden?

Wie heeft het bij het juiste eind? De Auteur van de wet, de Oprichter van het christendom, of de moderne kerk? Op leerstellig gebied zitten ze tussen twee vuren. Maar wacht eens even. Ze hebben werkelijk een of andere fantastische uitleg om hier uit te komen.

Hoe kan dit met elkaar in overeenstemming worden gebracht? Dat kan niet. Desondanks wordt er een poging gedaan door een slim taalkundig ontleden van de Schriften, gecombineerd met buitensporige uitleggingen die lijnrecht ingaan tegen wat Jezus duidelijk zei. Jezus zei: "Denk niet dat Ik gekomen ben om de wet en de profeten te vernietigen. Ik ben niet gekomen om te vernietigen, maar om ze volledig te vervullen."

Hier wordt de leerstelling van de verschillende dispensaties gebruikt om de last van deze tegenstellingen te verlichten. Deze stelt de vereerder vrij van het gehoorzamen van de geboden van God, zelfs al stelde Jezus duidelijk dat Hij niet gekomen was om Gods wet af te schaffen. Hij versterkte deze bewering nog door tijdens Zijn gehele leven Gods wet te onderhouden.

Daarom zeggen zij die deze valse leerstelling — dat de wet heeft afgedaan — geloven, dat wat Jezus zei en deed alleen van toepassing was op de joden tot wie Jezus predikte (niet op hen die na Zijn opstanding in aanraking met Hem kwamen). Ze zeggen — omdat Jezus' prediking binnen die dispensatie past en die dispensatie eindigde met Zijn dood en opstanding — dat dat niet langer van toepassing is. Ziet u, zoals Bullinger beweerde, we kunnen niet de principes van de bergrede nemen en ze toepassen op de brieven die later door de apostel Paulus werden geschreven. Dat zijn de brieven aan de Efeziёrs, de Filippenzen, de Thessalonicenzen, enzovoort.

Paulus had een antwoord. Dat was kort en bondig. Hij had in zijn leven als apostel ongetwijfeld dezelfde verwarde redenering het hoofd te bieden. Romeinen 6 is een vervolg op eerdere hoofdstukken in de brief aan de Romeinen over rechtvaardiging door geloof. Voorafgaande aan hoofdstuk 6 leert Paulus dat de rechtvaardiging als vrucht heeft dat we vrede hebben met God en ook toegang tot Hem hebben. In hoofdstuk 6 leert hij dat ware rechtvaardiging ook een heiliging van het leven teweegbrengt. Ware rechtvaardiging brengt een heiliging van het leven teweeg, evenals toegang tot God.

Paulus' onderwerp verandert dus van de wettelijke status van een gelovige voor God (dat is vóór Romeinen 6) naar zijn geestelijke en morele toestand in zijn leven dat volgt op zijn doop. Of anders gezegd, het onderwerp verandert van rechtvaardiging naar heiliging.

Romeinen 6:1-4 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? [Dat is een duidelijke vraag.] 2 Volstrekt niet [zegt hij]! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

Het punt aan het begin van dit hoofdstuk is of het iemand "vrij" staat om na zijn doop te zondigen. Paulus herinnert ons eraan dat onze doop het symbool is van een begrafenis na de dood. Die dood betaalt de schuld die we hadden opgebouwd door een zondig leven voorafgaande aan onze roeping en aanvaarding, door geloof in Christus' bloed.

Het onderwijs en de illustraties gaan verder. In vers 5 is het woord "want" een voegwoord. Het draagt de gedachte met zich mee waar vers 4 mee eindigde "zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen."

Romeinen 6:5-7 Want indien wij samengegroeid zijn [Statenvertaling: één plant geworden] [dat is een interessante benadering] met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; 7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

Hier wordt een heel duidelijk punt gemaakt. Onze doop is een type van Christus' dood en begrafenis. Onze dood in de doop is echter geen fysieke dood, maar veeleer worden we dood voor de zonde (zoals hij een paar verzen eerder zei). Als iemand dood is voor de zonde, dan moet men begraven worden, evenals Christus begraven werd, omdat ook Hij begraven werd daar Hij dood was voor de zonde.

Zijn dood en begrafenis betalen letterlijk voor onze zonden. Onze doop is een herinnering aan dat feit — plus aan het feit dat onze zonden het noodzakelijk maakten dat wij werden begraven. De symboliek eindigt echter niet met de begrafenis.

Romeinen 6:8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.

We zien de gedachte hier verschuiven van de dood naar het leven.

Romeinen 6:9-11 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God [hier is een duidelijk onderscheid]. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.

Vanaf het moment van Christus' opstanding tot de huidige tijd heeft Christus uitsluitend en alleen, absoluut en volmaakt overeenkomstig Gods weg geleefd.

Waar het Paulus hier om gaat is de les die we zouden moeten trekken uit de dood, begrafenis en opstanding van Christus. We zouden eraan moeten denken dat patroon te koppelen aan onze dood voor de zonde, onze begrafenis in een watergraf en daarna onze opstanding — evenals Jezus werd opgewekt — uit dat watergraf tot het leven van God.

Het gaat Paulus hier niet om de mate van onze zuiverheid, onze toewijding aan Christus en onze gehoorzaamheid aan God. Maar er zijn praktische overwegingen voordat dat gebeurt. Net zo zeker als onze doop een type is van Christus' dood en begrafenis, is onze opstanding uit een watergraf een type van Zijn opstanding. En wij moeten, evenals Christus, ons leven leiden op een manier die volledig aan God en Zijn weg is gewijd, totdat die geestelijke opstanding plaatsvindt.

Deze gedachte brengt ons weer terug naar vers 4, waar staat dat we in nieuwheid van leven moeten wandelen. Paulus zegt, dat als we eenmaal uit dat water komen, we in nieuwheid van leven moeten leven. Voordat we voor de zonde stierven, leefden we niet in overeenstemming met Gods woord of Zijn wet (als we het zo willen zeggen). Maar sinds ons sterven voor de zonde en onze begrafenis in een watergraf en een opstaan tot een nieuw leven, moeten we in overeenstemming met Gods woord leven.

Daar ligt de verandering. Paulus zei: "De bijbel machtigt niemand om Gods wet te overtreden. Niemand!" En net als Christus niet letterlijk zondigt, moeten ook wij niet meer zondigen. Dat is het idee dat hij hier wil overbrengen. Na de doop moeten we dus in nieuwheid van leven wandelen — op een geheel andere manier gaan leven. Dat betekent dat we niet meer uit gewoonte zondigen zoals we dat voorheen deden, maar dat we de zonde uit alle macht (met hand en tand) bevechten om deze te overwinnen.

Romeinen 6:12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen.

Ik weet niet hoe hij het nog duidelijker zou kunnen maken! Maar er staat hier iets interessants, omdat het ons inzicht geeft in wat deze mensen deden. In het Grieks staat er letterlijk: "Roep het feit dat zonde in uw lichaam heerst, een halt toe." Dat deden ze dus. Ze zondigden aan alle kanten. Het gnosticisme gaf hun toestemming dat te doen. Het moderne protestantisme en katholicisme geven de mensen ook toestemming om te zondigen.

We komen hier zo bij een tegenstelling aan. Ik heb die tegenstelling reeds genoemd. Veel van de mensen aan wie Paulus schreef, maakten in hun christelijk leven een schijnvertoning van hun doop en Gods barmhartige genade door zich zelf niet van zonde te weerhouden. Dat bedoelde Judas toen hij zei: "De genade Gods veranderende in een vrijbrief om te zondigen."

Romeinen 6:13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.

Paulus gaf in dit vers nog meer nadruk aan wat hij zojuist in vers 12 had gezegd, door de woorden "ongerechtigheid" en "gerechtigheid" toe te voegen.

Psalm 119:172 Mijn tong zal uw woord bezingen, want al uw geboden zijn gerechtigheid.

Het woord "gerechtigheid" betekent recht doen. Wat is recht doen? Dat is het onderhouden van Gods geboden. Paulus voegde dus het woord "ongerechtigheid" toe — dat is dus het niet onderhouden van Gods geboden. Geef daar niet aan toe. Maar geef u over aan Zijn gerechtigheid. Dat is dus uzelf overgeven aan Zijn wet.

In onze moderne tijd zijn er mensen die in een poging om onder onderwerping aan Gods wet uit te komen, zeggen: "Alles wat we nodig hebben is liefde." Dat is werkelijk heel goed gevonden. Elk van ons zou minstens in staat moeten zijn (zelfs al zouden we het niet volledig kunnen uitleggen) om zelf te weten dat als er ooit een leeg gezegde is geweest, dit dat wel is. Gods woord voorziet ons van de ondersteuning die we nodig hebben om te begrijpen dat we op het juiste spoor zitten. En 1 Johannes 3:4 definieert zonde als de overtreding van de wet. 1 Johannes 5:3 voegt er dan nog het volgende aan toe:

1 Johannes 5:3a Want dit is de liefde Gods [Hij gaat liefde definiёren.], dat wij zijn geboden bewaren.

Liefde is het onderhouden van Gods geboden!

1 Johannes 5:3b En zijn geboden zijn niet zwaar.

U kunt het volgende opschrijven. Dit is een tekst die Evelyn en ik onze kinderen van jongs af aan hebben geleerd.

Johannes 14:15 [Jezus zei:] Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren.

Dat is liefde. Dat is het fundament van liefde. Dat is het onderhouden van Gods geboden.

Romeinen 6:14 Immers, de zonde [het overtreden van Gods geboden] zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

"Onder de wet" zijn betekende dat hun de doodstraf nog boven het hoofd hing. Maar omdat ze blijkbaar berouw hadden gehad en zich bekeerd, omdat ze Christus' bloed hadden aanvaard, omdat God in Zijn barmhartige genade hun vergeving had geschonken en ze gedoopt en vrij van zonde waren (Ze waren voor de zonde gestorven.), kon de wet nu geen aanspraak meer maken op hun leven (Ze stonden er niet langer onder.); ze waren nu onder de genade en verplicht aan de genade. Als iemand verplichtingen heeft aan de genade, dan "zal zonde geen heerschappij meer hebben over u".

Romeinen 6:15-21 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet [zegt hij alweer]! 16 Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; 18 en, vrijgemaakt van de zonde [en dus ook van de dood], zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid. 19 Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid [dus van de ene zonde naar de andere ging], zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging. 20 Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. ["Vrij van de gerechtigheid" omdat ze niets juist deden.] 21 Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood.

Gemeente, er is in Gods woord absoluut NIETS te vinden dat ons toestemming geeft te zondigen! Dat druist in tegen het belangrijkste punt dat God en mensen van elkaar scheidt. Maar door op sluwe wijze uitspraken van Jezus en de gevolgtrekkingen uit minder directe uitspraken te verdraaien, wordt er op eigen autoriteit van de prediker toestemming gegeven om Gods wet te overtreden.

2 Petrus 3:14-17 Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, 15 en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, 16 evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften. 17 Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid.

Het moderne christendom zegt dat de wet heeft afgedaan, maar tezelfdertijd willen ze dat de mensen gezagsgetrouw zijn en een oppassend leven leiden. We kunnen niet allebei hebben en toch behoud krijgen, omdat het algemene punt altijd al (te beginnen met Adam en Eva) is geweest wie zal God gehoorzamen door zich aan Zijn wet te conformeren. Genade (die we nodig hebben omdat tegen de tijd dat God met ons begint te werken we reeds gezondigd hebben) gecombineerd met het onderhouden van de wet bepaalt wie die mensen zullen zijn.

De mensen die tegen de wet zijn, passen dat aan door genade extra te benadrukken ten koste van een rechtvaardig bewijs van onderwerping aan Gods bestuur door het onderhouden van de wet door een bekeerd iemand. Zij hebben het dus over genade alleen, gemakshalve over het hoofd ziend dat de bijbel laat zien dat geloof de belangrijkste drijfveer is om de wet te onderhouden (zoals de brief van Jacobus dat zegt). "Ik zal u mijn geloof laten zien uit mijn gehoorzaamheid" — aldus aantonende dat zij die het geloof niet hebben, Gods wet niet zullen onderhouden. Hoe kunnen ze dus behouden worden als ze in de allereerste plaats al het geloof niet hebben?

Het gnosticisme en het moderne christendom zijn een verwarrend mengsel, waarvan de vrucht in de meeste gevallen een kwakkelende en zwakke gehoorzaamheid aan God is, maar bij tijden brengt het — vanwege iemands afschuw van de wet — ook een opstandige en openlijke, rechtstreekse verwerping van onderwerping aan God voort (Romeinen 8:7 staat nog steeds in de bijbel.)

Maar er is nog een aspect dat belangrijk is, omdat gnosticisme naliet zijn volgelingen verantwoordelijkheid ten opzichte van een Persoon te onderwijzen; en die Persoon is Christus. Hij is niet een verzameling wetten die in een boek of op een steen staan geschreven — maar een levend Wezen waarbij we diep in de schuld staan, die ons liefheeft met een liefde die ons verstand te boven gaat.

Romeinen 6:3-4 [Paulus zegt:] Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

We zijn in Christus gedoopt. Dit betekent dat we ondergedompeld zijn in, deel gemaakt zijn van, een persoonlijke relatie hebben met degene die voor ons leefde en stierf en nu onze Hogepriester is — degene die ten opzichte van de Vader verantwoordelijk is voor ons behoud. We worden door geloof en de doop getrokken tot een heel persoonlijke relatie met een levend Wezen.

We zijn aan Hem verantwoording schuldig om ons leven zo getrouw mogelijk te leiden op de manier waarop Hij dat deed. Dat zijn we Hem schuldig. Maar tezelfdertijd gaat het verder dan alleen maar gehoorzaamheid omdat we daartoe een verplichting hebben. Deze relatie zoekt warmte, een intieme genegenheid, en een zorg hebben voor elkaar die tot een huwelijk leidt. Hoe kunnen we op waarachtige wijze zeggen dat we Hem kennen als we er niet eens naar streven te zijn zoals Hij? En hoe kan Hij met iemand in het huwelijk treden die er geen bewijs van heeft gegeven Hem lief te hebben?

De verwarrende en elkaar tegensprekende serie van gnostische leerstellingen kan er niet aan meewerken dit voort te brengen, omdat zij die ze geloven of (1) in de eerste plaats niet tot deze relatie met Christus werden getrokken of (2) zich er van terugtrokken toen ze die leerstellingen gingen geloven, omdat die leerstellingen hen van Hem wegvoerden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)