Pascha (Deel 9)

Door John W. Ritenbaugh
16 mei 1992

Samenvatting: (toon)

In dit negende en één na laatste deel van de serie over het Pascha herhaalt John Ritenbaugh dat koning Josia toezicht hield op het houden van het Pascha bij de tempel (2 Kronieken 34), opdat het volk niet weer in heidendom zou vervallen. De enige tekst (Deuteronomium 16:1) die de voorstanders van een Pascha op de vijftiende als bewijs kunnen aanhalen, is aangepast, misschien is er zelfs mee geknoeid, om de praktijk die na de Babylonische ballingschap werd gevolgd, weer te geven; in die tekst worden het Pascha en Ongezuurde Broden gezamenlijk "Pascha" genoemd. De context van Deuteronomium 16:1-3, die naar offeranden van runderen en ongezuurde broden verwijst, suggereert dat deze verzen het specifiek hebben over de nacht die op het vlijtigst moet worden gehouden en de dagen der Ongezuurde Broden, en niet over het Pascha.


Dit wordt de op één na laatste preek in deze serie over het Pascha. U wist waarschijnlijk niet dat er zoveel informatie in de bijbel was in samenhang met het Pascha, maar het is een heel belangrijk onderwerp in deze tijd van ons geestelijk leven, en ik geloof dat het nodig is om er zeer gedetailleerd doorheen te gaan.

In de vorige preek zagen we in de bijbelse verhalen over twee ongebruikelijke Paschavieringen (de ene door Hizkia en de andere door Josia, die allebei sterke en rechtvaardige koningen van Juda waren), dat deze Pascha's werden voorafgegaan door lange perioden van buitengewone afgodendienst. Het volk voerde allerlei afschuwelijke handelingen uit, waarvan God zei dat Hij ze haatte. We zagen dat het het leven van de mensen zo sterk doortrokken had, dat deze koningen vonden dat de enige manier om ook maar gedeeltelijk op het spoor terug te keren eruit bestond gehoorzaamheid aan God af te dwingen.

Laten we naar 2 Kronieken gaan. Ik wil diverse verzen lezen uit de hoofdstukken 29, 30 en 34; daarin keren iedere keer weer dezelfde woorden terug.

2 Kronieken 29:15a En zij brachten hun broeders samen, heiligden zich en kwamen, naar het gebod des konings ...

Dit was in de dagen van Hizkia. Ik wil dat u ziet dat dit thema zich almaar herhaalt.

2 Kronieken 29:21, 24, 27a, 30a En zij brachten zeven stieren, zeven rammen, zeven schapen en zeven geitebokken tot een zondoffer voor het koningshuis, voor het heiligdom en voor Juda. Hij [koning Hizkia] beval de zonen van Aäron, de priesters, die op het altaar des HEREN te offeren. ... 24 En de priesters slachtten ze en offerden het bloed daarvan als zondoffer op het altaar, om over geheel Israël verzoening te doen, want de koning had bevolen, dat het een brandoffer en een zondoffer voor geheel Israël zou zijn. ... 27 Toen beval Hizkia het brandoffer op het altaar te offeren. ... 30 Vervolgens bevalen koning Jechizkia en de oversten de Levieten, de HERE te loven met de woorden van David en van de ziener Asaf. ...

2 Kronieken 30:6a,12 De ijlboden nu gingen met de brieven van de koning en zijn oversten door geheel Israël en Juda, en zeiden overeenkomstig het gebod des konings: ... 12 Ook in Juda bewerkte de hand Gods, dat zij één van zin waren, om het gebod des konings en der oversten naar het woord des HEREN te volbrengen.

Onder normale omstandigheden zouden dit soort uitspraken met betrekking tot civiele zaken helemaal niet ongewoon zijn, maar we hebben het hier over geboden op het gebied van geestelijke zaken, waarmee de koning zich volop bezig is gaan houden.

Laten we nu 2 Kronieken 34 opslaan. Hier zijn we ondertussen in de tijd van Josia aangekomen.

2 Kronieken 34:29, 32a, 33a Toen zond de koning een boodschap en riep al de oudsten van Juda en Jeruzalem bijeen. ... 32 Ook deed hij allen die zich in Jeruzalem en Benjamin bevonden, (tot het verbond) toetreden, ... 33 Josia verwijderde al de gruwelen uit al de landstreken die aan de Israëlieten toebehoorden, en bracht allen die zich in Israël bevonden, tot de dienst van de HERE, hun God. ...

2 Kronieken 35:10, 16 Toen werd de dienst geregeld: de priesters gingen op hun plaats staan, evenzo de Levieten, overeenkomstig hun afdelingen, naar het gebod van de koning. ... 16 Zo was de gehele dienst des HEREN op die dag voor de viering van het Pascha en het offeren van de brandoffers op het altaar des HEREN geregeld, overeenkomstig het gebod van koning Josia.

We kunnen wel zien dat er een bepaald thema door deze twee gebeurtenissen heenloopt. Dit werd allemaal gedaan naar het gebod van de koning, omdat "hij allen bracht die zich bevonden" (zie 2 Kronieken 34:33). Deze Pascha's weken op een veelzeggende manier af van de oorspronkelijke geboden die God in Exodus 12, Leviticus 23 en specifiek in Numeri 9 gegeven had. De bijbel presenteert de koning als de drijvende kracht achter deze hervormingen. De handelingen die hier met betrekking tot het Pascha zijn opgeschreven, werden door de koning persoonlijk gecontroleerd, zodat ze niet in hun heidendom zouden terugvallen. Kennelijk was dit de enige manier waarop ze zich ook maar enigszins aan Gods oorspronkelijke gebod zouden houden.

We zagen zo ook, in het bijzonder in de viering van Josia, dat er naast het offer van het Paschalam grote aantallen offeranden van de kudden werden gebracht. Dat waren de brand-, vrede- en dankoffers die normaal tijdens de dagen der ongezuurde broden werden gebracht. Onthoudt dat.

Dit waren administratieve beslissingen die tijdens een ongebruikelijke omstandigheid door sterke, rechtvaardige koningen werden genomen. Ik twijfel er niet aan, op basis van andere schriftgedeelten, andere verzen in deze hoofdstukken, dat God deze Pascha's rondom de tempel erkende en aanvaardde, zelfs al waren ze niet in overeenstemming met Zijn oorspronkelijke bedoeling en Zijn oorspronkelijke geboden. De aanvaarding van deze Pascha's kan op geen enkele manier aanleiding geven om te gaan denken dat God een Paschaoffer aan het begin van de veertiende, verving door een Pascha rondom de tempel aan het eind van de veertiende, waarbij het Paschalam pas op de vijftiende werd gegeten.

Het is belangrijk dat we dit begrijpen. Nergens in deze hoofdstukken over deze ongebruikelijke Paschavieringen geeft God enige aanwijzing van iets meer dan alleen maar aanvaarding van deze ongebruikelijke omstandigheden; er staat daar geen gebod voor Zijn volk om iets anders te gaan doen dan Hij oorspronkelijke instelde.

In Mattheüs 19 wordt een principe vermeld. We zullen in staat zijn te zien dat dit principe ook in andere omstandigheden wordt toegepast. De omstandigheid daar heeft betrekking op scheiding en hertrouwen.

Mattheüs 19:3 En er kwamen Farizeeën tot Hem om Hem te verzoeken, en zij zeiden: Is het geoorloofd zijn vrouw weg te zenden om allerlei redenen?

Dat is de omstandigheid. De omstandigheid gaat over scheiding en hertrouwen.

Mattheüs 19:4 Hij antwoordde en zeide: Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?

Jezus' onmiddellijke reactie was: "Laten we teruggaan naar de manier waarop het in het begin was en laten we vanuit dat perspectief, vanuit de manier waarop God het oorspronkelijke zei, naar deze situatie kijken."

Mattheüs 19:7 Zij zeiden tot Hem: Waarom heeft Mozes dan bevolen een scheidbrief te geven en haar (daarmede) weg te zenden?

Het was duidelijk dat God Zijn volk had gezegd dat scheiding geen deel uitmaakte van Zijn wet.

Mattheüs 19:8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft u met het oog op de hardheid uwer harten toegestaan uw vrouwen weg te zenden, maar van den beginne is het zo niet geweest.

Dat is heel duidelijk. We hebben hier met hetzelfde principe van doen: God aanvaardt iets, maar het verandert niets aan wat Hij er vanaf het allereerste begin mee bedoelde. De basisreden dat Hij dit ongebruikelijke iets (in Mattheüs 19 was dit scheiding en in 2 Kronieken 30, 34 en 35 was dit een verandering in het Pascha) aanvaardde was "hardheid der harten". Hij stond deze mensen toen toe het Pascha te vieren op de manier waarop ze dat deden, vanwege hardheid van hart. Het was gewoon beter dan helemaal geen Pascha onder de omstandigheid van buitengewone religieuze verdorvenheid.

Het feit dat grote aantallen joden die in de tijd van Christus leefden, dit ook op die manier begrepen, wordt gestaafd door Josephus en Philo (een andere Joodse auteur), die vastleggen dat mensen nog steeds het Paschalam thuis slachtten en niet bij de tempel. Zij begrepen dat Gods oorspronkelijke gebod en bedoeling een Pascha was dat thuis werd geslacht en gevierd.

Specifiek Philo maakt duidelijk dat er twee groepen mensen zijn die elk het Pascha op een andere manier houden. De grootste groep houdt het thuis. De kleinste groep, die toevallig uit de leiders bestond, was de groep wier gedrag officieel werd vastgelegd, omdat zij bepaalden wat er in de tempel gebeurde. Zij waren de religieuze leiders. Zij waren degenen die het patroon volgden, dat was ingesteld met het bij de tempel slachten van het Paschalam. Er waren dus twee verschillende Paschavieringen.

We moeten onszelf de vraag stellen: "Wat is onze verantwoordelijkheid?" Die is met betrekking tot het Pascha hetzelfde als met betrekking tot scheiding en hertrouwen. We moeten er uit alle macht aan werken om ons huwelijk een succes te doen zijn. Met betrekking tot het Pascha zouden we bereid moeten zijn het gebod van God op te volgen zoals het werd gegeven, zonder wijziging, en het voorbeeld van Jezus Christus te volgen en het Pascha te houden op het tijdstip dat Hij dat deed.

Iedereen — zelfs voorstanders van een Pascha op de vijftiende — is het er over eens dat Jezus het Pascha aan het begin van de veertiende hield — een hele dag, zoals vastgelegd in de Schriften, voordat de grote massa der joden het hield. We moeten het houden met de nieuwe symbolen die Hij toen instelde. We moeten de tradities der joden niet volgen, ongeacht hun blijkbaar goede bedoelingen, ongeacht het kennelijk goede dat daaruit ontstond in de tijd dat het onder Hizkia en Josia op die manier werd gehouden.

We moesten eerst door die achtergrondinformatie heen om de achtergrond van Deuteronomium 16 te begrijpen. We zijn nu gereed om Deuteronomium 16 te gaan doornemen.

Voor voorstanders van een Pascha op de vijftiende is Deuteronomium 16 het centrale bewijs dat de bijbel als aanwijzing geeft, dat God gebood dat het Paschaoffer bij de tempel moest worden gebracht. Oppervlakkig gezien lijkt het erop dat het vereist, dat het Paschaoffer alleen maar bij de tempel kan worden gebracht, maar er zit een andere kant aan het verhaal. Als het waar is dat Deuteronomium 16 echt gebiedt dat het lam bij de tempel moet worden geslacht, dan spreekt het Exodus 12, Numeri 9 en Leviticus 23 tegen — drie heel duidelijke gedeelten uit de bijbel die tegengesteld zijn aan één gedeelte dat er duidelijk afwijkend uitspringt, namelijk Deuteronomium 16. Die duidelijke gedeelten zijn gemakkelijk te begrijpen. Ook geeft Deuteronomium 16 de indruk dat het Pascha en ongezuurde broden één feest zijn.

Laten we nu Deuteronomium 16 opslaan. We zullen de eerste acht verzen lezen, daarna zullen we teruggaan en vers voor vers aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen.

Deuteronomium 16:1-8 Neem de maand Abib in acht en vier het Pascha ter ere van de HERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid. 2 Dan zult gij als Pascha voor de HERE, uw God, kleinvee en runderen slachten op de plaats die de HERE verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen. [Dat was natuurlijk de tempel in Jeruzalem.] 3 Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten, brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrokken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte gedenkt. 4 Er zal geen zuurdeeg bij u aangetroffen worden in uw gehele gebied, zeven dagen lang; en van het vlees, dat gij in de avond op de eerste dag slacht, zal niets de nacht overblijven tot de morgen. 5 Gij zult het Pascha niet mogen slachten in een der steden, die de HERE, uw God, u geven zal. 6 Maar op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, zult gij het Pascha slachten, tegen de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip van uw uittocht uit Egypte. 7 Gij zult het koken en het eten op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal; dan zult gij in de morgen de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan. 8 Zes dagen lang zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feestelijke vergadering zijn ter ere van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.

Het eerste punt waarop ik uw aandacht wil vestigen zijn in vers 1 de woorden "Neem de maand Abib in acht". Deze woorden worden in samenhang met de naam "Pascha", die in de daarop volgende woorden voorkomt, gebruikt. Aan het einde van het vers wordt er gezegd: "in de maand Abib heeft de HERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid."

In Exodus 13:4, Exodus 23:15 en Exodus 34:18 wordt op elke plaats waar de woorden "in de maand Abib" worden gebruikt, deze alleen maar gebruikt in samenhang met ongezuurde broden, niet met het Pascha. Zet dat duidelijk in uw notities neer, omdat wat we hier gaan zien, zelfs in het allereerste vers van Deuteronomium 16, een serie geboden is die gegeven wordt met betrekking tot ongezuurde broden, niet het Pascha. Begrijp dat. De woorden "de maand Abib" worden alleen gebruikt in samenhang met ongezuurde broden, niet met het Pascha.

Dit roept een vraag op, omdat Deuteronomium 16 Pascha koppelt aan het uittrekken uit Egypte. Ik las die drie woordgroepen: "de maand Abib"; "Pascha"; "de HERE, uw God, bracht u in de nacht uit Egypte".

Waarom is Deuteronomium 16 de enige plaats in de bijbel die het Pascha koppelt aan de exodus — het uittrekken uit Egypte? Bedenk dat ik u zeer gedetailleerd heb laten zien dat het Pascha Gods voorbijgaan van de huizen der Israëlieten gedenkt. Het feest der ongezuurde broden gedenkt het uittrekken — de exodus. Het is waar dat Israël in Abib uit Egypte trok, maar ze vertrokken niet in de nacht van het Pascha, omdat ze toen nog in hun huizen waren. Dit eerste vers van Deuteronomium 16 koppelt Pascha op subtiele manier aan het uittrekken en bereidt u voor om alles wat er daarna volgt in samenhang met het Pascha te aanvaarden. De bijbel laat heel duidelijk zien dat de Israëlieten niet op het Pascha uittrokken. Ze vertrokken op de vijftiende. Toen verlieten ze het land. Ik geloof dat we moeten gaan inzien dat er iets mis is met Deuteronomium 16.

We zullen nu tussen Exodus 12 en Deuteronomium 16 heen en weer gaan. Ik zal u de tegenspraken laten zien, of de verschillen, of de tegenstellingen, of hoe u het ook noemen wilt, tussen Exodus 12 en Deuteronomium 16.

Exodus 12:51 En op deze zelfde dag leidde de HERE de Israëlieten uit het land Egypte, volgens hun legerscharen.

Daar is het onderwerp: de tijd dat ze uittrokken. Het onderwerp gaat verder in hoofdstuk 13.

Exodus 13:3-4 Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want met een sterke hand heeft de HERE u daaruit geleid. Daarom mag niets gezuurds gegeten worden. 4 Heden trekt gij uit, in de maand Abib.

Hier wordt "de maand Abib" rechtstreeks gekoppeld aan de dag dat zij uittrokken.

Exodus 23:14-15 Driemaal in het jaar zult gij Mij een feest houden. 15 Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, op de bepaalde tijd van de maand Abib, want daarin zijt gij uit Egypte getrokken; maar men zal niet met ledige handen voor mijn aangezicht verschijnen.

Daar zien we de woorden "de maand Abib" alweer gekoppeld aan ongezuurde broden.

Exodus 34:18 Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, op de bepaalde tijd van de maand Abib, want in de maand Abib zijt gij uit Egypte getrokken.

We kunnen zien hoe consequent God is; Hij wijkt praktisch niet af in de tekenen of aanwijzingen. In het algemeen legt Hij voortdurend dezelfde verbanden, omdat we op zoiets kunnen vertrouwen en het is tevens een goed middel tot onderwijs. De woorden "de maand Abib" in deze drie situaties worden terecht gekoppeld aan de exodus en niet aan het Pascha. Waarom is dan in Deuteronomium 16 het "uit Egypte geleid" gebruikt in samenhang met Pascha en niet met ongezuurde broden zoals in de rest van de Schriften?

Exodus 23:14-17, Exodus 34:18-24 en Deuteronomium 16:1-17 hebben alle drie iets gemeenschappelijks. Ze hebben allemaal betrekking op de drie feestseizoenen: ongezuurde broden, Pinksteren (het feest der eerstelingen genoemd) en het loofhuttenfeest. In deze drie contexten worden het Pascha en de laatste grote dag totaal niet genoemd. Deze drie hoofdstukken geven specifieke instructies voor deze drie feesten. Dat is in het bijzonder van belang voor Deuteronomium 16. Deuteronomium 16 gaat NIET over het Pascha. Het gaat over het feest der ongezuurde broden, Pinksteren en het loofhuttenfeest.

Laten we Deuteronomium 16:16 opslaan.

Deuteronomium 16:16 Driemaal per jaar zal ieder die onder u van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de HERE, uw God, verschijnen op de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het feest der weken en op het loofhuttenfeest. Maar hij zal dan niet met lege handen voor het aangezicht des HEREN verschijnen:

We gaan inzien dat in de context van Deuteronomium 16 het woord "Pascha" duidelijk niet op zijn plaats is. Als we verder gaan kijken, zullen we zien dat de verzen 1 tot 8 totaal niets van doen hebben met instructies voor het Paschalam, maar veeleer met ongezuurde broden en specifiek de "nacht van waken", die natuurlijk de eerste nacht na het Pascha is, niet dezelfde nacht als het Pascha.

Hoe kwam de naam "Pascha" hier terecht? God inspireerde deze zeer zeker niet op deze plaats. Deze moet veel later dan het oorspronkelijk werd geschreven middels een aanpassing in Deuteronomium 16 zijn terechtgekomen, toen de volledige periode van acht dagen van het voorjaarsfeestseizoen gewoonlijk "Pascha" werd genoemd. We zien heel duidelijk in het Nieuwe Testament dat het gehele voorjaarsfeestseizoen door de joden gewoonlijk "Pascha" werd genoemd. Iemand moet tijdens het copiëren van Deuteronomium 16 opzettelijk de woorden "ongezuurde broden" hebben verwijderd en vervangen door de naam "Pascha", dit om ondersteuning te geven aan een Pascha op de vijftiende — aan een Pascha op de vijftiende rondom de tempel.

Denk alstublieft niet dat Ritenbaugh zomaar wilde conclusies trekt. Ik vertelde u deze dingen bewust in deze volgorde, omdat ik u heel wat bewijs zal gaan geven om aan te tonen wat ik u zojuist heb gezegd. Iemand heeft met de Schriften gerommeld en opzettelijk een woord toegevoegd dat er niet thuis hoort. Dit is één reden dat ik u die aanhaling van Wellhausen voorlas. U herinnert zich die naam nog wel.

Wellhausen is iemand die ik normaal niet zou aanhalen. Hij is iemand die door veel bijbelgeleerden vreselijk wordt gehaat. Wellhausen was geen theoloog. Hij behoorde tot de eerste Duitse rationalisten en hem wordt de zogenaamde Graaf Wellhausen Theorie betreffende de bijbel toegeschreven. Wellhausen bekeek de bijbel als een literair iets in plaats van een bron van waarheid van God. Maar terwijl hij ermee bezig was, kon hij heel duidelijk zien dat er een tegenspraak is tussen Deuteronomium 16 en alle andere informatie die met betrekking tot het Pascha wordt gegeven. Zijn conclusie was, dat Deuteronomium 16 een poging van een groep mensen voorstelde om het thuis houden van het Pascha af te schaffen.

We gaan ons nu concentreren op de tegenstellingen tussen Deuteronomium 16 en de andere schriftgedeelten. We hebben er al twee gezien. Dat zijn:

De maand Abib wordt in Deuteronomium 16:1 gekoppeld aan het woord Pascha. Op alle andere plaatsen in de Schrift worden de woorden "de maand Abib" alleen in samenhang met "ongezuurde broden" gebruikt.

Deuteronomium 16:1 lijkt te stellen dat het Pascha het uittrekken uit Egypte gedenkt. Exodus 12 en Numeri 9 gebieden ons specifiek het Pascha te gedenken als "de nacht van het voorbijgaan". Het Pascha in de bijbel herdenkt NIET de exodus.

Dat zijn al twee verschillen en we hebben slechts naar één vers gekeken.

Laten we naar Deuteronomium 16:6 gaan. Ik ga diverse dingen lezen uit de joodse versie van de bijbel — uitgegeven door de Jewish Publication Society.

Deuteronomium 16:5-6 (Vertaald naar de bijbel van de Jewish Publication Society) U mag het Pascha niet slachten in één der poorten, die de HERE, uw God, u geeft, 6 u moet dit doen op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om zijn naam te doen wonen. Daar zult u het Pascha slachten, tegen de avond, bij het ondergaan van de zon, op de tijd van uw uittocht uit Egypte.

We kunnen dat niet heel duidelijk in onze bijbel zien, maar de woorden "tegen de avond" zijn niet "ben ha arbayim". Dit "tegen de avond" zou de avondschemering kunnen zijn, maar dat staat niet in het Hebreeuws. Daar staat "ba erev". Dit is duidelijk in tegenspraak met het gebod dat in Exodus 12 gegeven werd om het lam bij "ben ha arbayim" te slachten.

Laten we nu Exodus 12:6 opslaan en ik zal dit lezen om het in uw geheugen te stampen.

Exodus 12:6 En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering (ben ha arbayim).

Ik ga nogmaals naar Exodus 16:12-13 om dit te herhalen en in ons geheugen te branden. Haal de context voor ogen. God gaf de Israëlieten een test. Vers 4: "Of het al dan niet wandelt naar mijn wet." De specifieke wet die Hij in gedachten had, is heel duidelijk het sabbatsgebod. Ik besteedde er wat tijd aan om te laten zien dat de week begint als de sabbat eindigt; en de week waar het hier in Exodus 16 over gaat, eindigt met de volgende sabbat. Deze week begint met de gebeurtenis waarin God op miraculeuze wijze kwakkels naar het volk stuurt, zodat ze vlees te eten zouden hebben. Dat is het onderwerp van de verzen 12 en 13.

Exodus 16:12-13 Ik heb het gemor der Israëlieten gehoord; zeg tot hen: in de avondschemering [ben ha arbayim] zult gij vlees eten [in dit geval kwakkels] en in de morgen [boqer] zult gij met brood [manna] verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, uw God ben. 13 En des avonds [ba erev] kwamen kwakkels opzetten en overdekten de legerplaats; en des morgens [boqer] was er een dauwlaag rondom de legerplaats.

Het is duidelijk dat God de kwakkels bij ba erev liet arriveren. Ba erev is "het ondergaan van de zon". Dat is precies wat er in deze bijbel van de Jewish Publication Society stond. Er stond dat dit offer waar Hij het in Deuteronomium 16:6 over heeft, geslacht moest worden bij het ondergaan van de zon, bij ba erev. Het Paschaoffer moest geslacht worden tijdens ben ha arbayim. De verzen 12 en 13 van Exodus 16 laten zien dat ben ha arbayim volgt op ba erev. Omdat de kwakkels bij ba erev arriveerden, kostte het hun wat tijd om ze te vangen, ze te doden en ze te bereiden om te eten. Ze hadden de kwakkels dus pas na ba erev. En ben ha arbayim, toen ze de kwakkels aten, komt daarom dus na ba erev. Dit is heel duidelijk.

Nu weer terug naar Deuteronomium 16. Ben ha arbayim vindt niet voor zonsondergang plaats, ook vindt het niet op dezelfde tijd plaats als ba erev. Daarom vond het Paschaoffer niet plaats bij ba erev, dus over welk offer ze het hier ook hebben, dat is NIET het offer van het Paschalam. Over wat voor offeranden heeft Hij het dan? Dat zullen we zien. We hebben nu dus al drie verschillen.

Deuteronomium 16:1 Neem de maand Abib in acht en vier het Pascha ter ere van de HERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.

De Israëlieten verlieten Egypte inderdaad in de nacht, maar dit vers koppelt het op subtiele wijze aan het Pascha. Laten we naar Exodus 12:37 teruggaan.

Exodus 12:37-42 Daarna trokken de Israëlieten op van Raämses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, ongerekend de kinderen. 38 Ook trok een menigte van allerlei slag met hen mee; en kleinvee en runderen een zeer talrijke veestapel. 39 En zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen, ongezuurde koeken, want het was niet gezuurd, omdat zij uit Egypte waren verdreven en niet hadden kunnen wachten en ook geen teerkost voor zich hadden bereid. 40 De tijd, dat de Israëlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderd en dertig jaar. 41 En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte. 42 Een NACHT van waken was dit voor de HERE, om hen uit het land Egypte te leiden. Dit is de NACHT van waken ter ere van de HERE voor alle Israëlieten in hun geslachten.

Deze verzen laten duidelijk zien dat het bij nacht uittrekken betrekking heeft op de eerste dag der ongezuurde broden — de vijftiende, niet de veertiende.

Numeri 33:3a Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; ...

Het Pascha is de veertiende. En het vertrekpunt? Volgens de verzen 2 en 3 was dat Raämses en niet hun huizen. Het was het nachtelijke deel van de vijftiende dag van de maand dat ze uit Egypte trokken. Het was de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha.

Numeri 33:3b-5 ...; daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, 4 terwijl de Egyptenaren bezig waren degenen te begraven, die de HERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; de HERE toch had aan hun goden strafgerichten geoefend. 5 De Israëlieten dan braken op van Rameses en legerden zich te Sukkot.

De Egyptenaren waren echt niet bezig om hun doden enkele minuten nadat ze op de veertiende waren gestorven in het holst van de nacht te begraven. Ze waren hier laat in het daglicht deel van de veertiende mee bezig, zo tegen zonsondergang, terwijl de Israëlieten op gang kwamen om uit Raämses weg te trekken. Dat zijn dus al vier verschillen.

Deuteronomium 16:2 (Vertaald naar de bijbel van de Jewish Publication Society) En u zult het Paschaoffer voor de HERE, uw God, brengen van de kudde, kleinvee en runderen, op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om zijn naam te doen wonen.

We zullen ons hier concentreren op "van de kudde, kleinvee en runderen".

Exodus 12:3-5 Spreekt tot de gehele vergadering van Israël als volgt: op de tiende van deze maand zal ieder voor zich een stuk kleinvee nemen, familiesgewijs, een stuk kleinvee per gezin. 4 Maar indien een gezin te klein is voor een stuk kleinvee, dan zullen hij en de naaste buurman van zijn gezin er een nemen, naar het aantal personen; gij zult bij het stuk kleinvee rekenen met ieders behoefte. 5 Een gaaf, mannelijk, éénjarig stuk kleinvee moet gij nemen; gij kunt dit nemen van de schapen of van de geiten.

Dat zegt de Israëlieten duidelijk alleen maar een mannelijk lam of een mannelijke jonge geit vanuit hun kudde te nemen. Let op dat er staat een mannelijk stuk kleinvee, niet van de runderen. Als we de woorden bekijken die er in Deuteronomium 16:2 staan, waar wordt gezegd "kleinvee en runderen", dan zou het mogelijk zijn een Paschakalf te hebben. Het woord dat in "runderen" is vertaald is baqar. Dat woord betekent "runderachtig".

In het eerste deel van het boek Leviticus vinden we de instructies voor de offeranden die bij de tempel werden gebracht — allerlei dingen die God gebood.

Leviticus 1:2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil, dan zult gij uw offergave brengen van het vee, zowel van het rundvee als van het kleinvee.

Dit is de instructie voor het brandoffer. Een brandoffer kon bestaan uit een lam, een geit, of een stier, of een os — een dier van het kleinvee of van de runderen. Bedenk dit in tegenstelling tot het Pascha. Daarvoor moest het altijd van het kleinvee zijn, dus een lam of een geit. We hebben nooit van een Paschakalf gehoord. Jezus Christus was niet het Paschakalf dat van voor de grondlegging der wereld was geslacht.

Leviticus 1:3a Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is, ...

Dit is hetzelfde woord dat in Deuteronomium 16 wordt gebruikt — "baqar".

Leviticus 1:10a Indien zijn offergave een brandoffer van kleinvee is, ...

Dat is hetzelfde woord dat in Exodus 12 wordt gebruikt met betrekking tot een lam of een geit.

Leviticus 3:1 Indien zijn offergave een vredeoffer is: indien hij dat brengt van rundvee (baqar), dan zal hij een gaaf dier, hetzij van het mannelijk, hetzij van het vrouwelijk geslacht, voor het aangezicht des HEREN brengen.

Leviticus 3:6a Indien zijn offergave een stuk kleinvee is als vredeoffer voor de HERE, ...

In vers 6 wordt het woord kleinvee opnieuw gebruikt, hetzelfde woord als met betrekking tot het Pascha.

Offeranden van runderen worden duidelijk geboden als een juist offer voor het brandoffer, het spijsoffer, het zondoffer of het schuldoffer. We zagen in 2 Kronieken 35:7-9 de term "Paschaoffer". Daarom las ik Deuteronomium 16 vanuit de bijbel van de Jewish Publication Society.

De term "Paschaoffer" die in 2 Kronieken 35 voorkomt, werd meestal niet in verband met het Paschalam gebruikt, maar verwees naar het kleine vee (baqar) en duidde op ossen of stieren die tijdens de zeven dagen van het feest werden geofferd. We moeten heel voorzichtig zijn als we dit verslag in 2 Kronieken 35 lezen, omdat het soms wel over het Paschalam gaat. Andere keren refereerde het slechts naar wat zij "een Paschaoffer" noemden. Zij noemen echter de gehele periode van ongezuurde broden Pascha, net als het in het Nieuwe Testament wordt genoemd en ook in Deuteronomium 16. Het bewijs daarvan is dat er runderen werden geofferd.

2 Kronieken 35:1, 6 Daarop vierde Josia in Jeruzalem de HERE het Pascha. Men slachtte het Pascha op de veertiende der eerste maand. ... 6 slacht het Pascha, heiligt u en maakt het gereed voor uw broeders en handelt overeenkomstig het woord des HEREN door de dienst van Mozes.

Dat moet slaan op de offeranden die naast het Paschalam werden gebracht, omdat de instructies die — overeenkomstig het woord des HEREN — te maken hebben met het heiligen van de priester van doen hadden met de gewone offeranden — brand-, vrede- en dankoffers — en niet het Paschalam.

2 Kronieken 35:7a Josia stelde het gewone volk ter beschikking kleinvee, schapen en geiten, die alle dienden als Paasoffers [Paschaoffers] voor ieder die zich daar bevond, ...

Dat is een echt Paschaoffer — het lam of de geit.

2 Kronieken 35:7b ...; benevens drieduizend runderen. ...

Dat was geen Paschaoffer, maar werd een "Paschaoffer" genoemd, omdat ze tijdens de dagen der ongezuurde broden werden geofferd.

2 Kronieken 35:8 Zijn vorsten stelden een vrijwillige gave ter beschikking van het volk, de priesters en de Levieten. Chilkia, Zekarja en Jechiël, de oversten van het huis Gods, gaven aan de priesters voor de Paasoffers [Paschaoffers] tweeduizend zeshonderd stuks (kleinvee) en driehonderd runderen.

Daar hebben we het alweer. Er zijn geen Paschakalveren. Het komt nogmaals in vers 9 en vers 11 voor.

2 Kronieken 35:9 En Konanjahu en zijn broeders Semaja en Netanel, benevens Chasabja, Jeiël en Jozabad, de oversten der Levieten, stelden voor de Paasoffers [Paschaoffers] ter beschikking van de Levieten vijfduizend stuks (kleinvee) en vijfhonderd runderen.

2 Kronieken 35:11 En zij slachtten het Pascha, en de priesters sprengden (het bloed), dat de Levieten hun toereikten, en dezen trokken de dieren de huid af.

2 Kronieken 35:13 Zij kookten het Pascha op het vuur, overeenkomstig de verordening; de heilige stukken kookten zij in potten, ketels en pannen, en zij brachten die met spoed aan heel het gewone volk.

Herinnert u zich de instructies betreffende het Paschalam nog? Ze mochten het niet koken. Deze mensen offerden niet alleen Paschalammeren, maar ze brachten ook andere offers — brandoffers, dankoffers, zondoffers, schuldoffers, vredeoffers — en dat vlees werd of op het vuur verbrand, of het werd in potten gekookt.

2 Kronieken 35:14 Daarna maakten zij het gereed voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot in de nacht bezig met het offeren van het brandoffer en van de vetstukken. Daarom maakten de Levieten het gereed voor zichzelf en voor de priesters, de zonen van Aäron.

In 2 Kronieken 35 hebben we duidelijk met twee verschillende typen offers van doen: het Paschalam en de extra offers die gekookt werden of op het vuur verbrand. Die maakten geen deel uit van het Pascha zoals door God geboden, maar het waren offeranden die door God geboden waren om op andere momenten te worden gebracht, zoals bijvoorbeeld op het feest der ongezuurde broden.

Bedenk dat Numeri 28 en 29 Gods geboden bevatten betreffende de offeranden die tijdens de diverse feesten moesten worden gebracht. Ik wil dit op dit moment in samenhang met 2 Kronieken 35 en in het bijzonder Deuteronomium 16 benadrukken.

Numeri 28:16-17, 19a En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de HERE zijn. 17 Op de vijftiende dag dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten. ... 19 En gij zult de HERE een vuuroffer, een brandoffer brengen; ...

Heel opvallende door afwezigheid is dat er geen brandoffers, vredeoffers, dankoffers of andere offers worden geboden voor de Paschadag. Ik breng dit naar voren als een krachtig bewijs dat Deuteronomium 16:2 het in het geheel niet heeft over het Paschaoffer van het lam. Het gaat over de offeranden van het kleinvee en de runderen die tijdens de feestdagen moesten worden gebracht; in dit geval het feest der ongezuurde broden, niet het Pascha. Het Pascha is NIET het onderwerp van Deuteronomium 16. We hebben nu dus al vijf verschillen.

Deuteronomium 16:5-6 (Vertaald naar de bijbel van de Jewish Publication Society) U mag het Pascha niet slachten in één der poorten, die de HERE, uw God, u geeft, 6 u moet dit doen op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om zijn naam te doen wonen. Daar zult u het Pascha slachten, tegen de avond, bij het ondergaan van de zon, op de tijd van uw uittocht uit Egypte.

Let op de woorden: "U moet dit doen op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal." Dit is duidelijk in tegenspraak met Exodus 12 en Numeri 9, waar geboden wordt een Paschalam thuis te slachten.

Te beginnen in Exodus 25 zagen we al de instructies voor het bouwen van de tabernakel, voor het maken van de kleding voor de priesters, voor al het meubilair en toebehoren van de tabernakel, de heiliging van zowel de priesters als de Levieten. Dit werd allemaal als gebod gegeven in de eerste maand van het tweede jaar na het uittrekken uit Egypte. We zagen in het verhaal het voltooien van de tabernakel en daarna was het eerste wat ze deden, het houden van het Pascha. Dat is vastgelegd in Numeri 9. Er was geen verschil tussen Exodus 12 en Numeri 9, zelfs al bestond nu de tabernakel en waren de priesters geïnstalleerd en geheiligd en oefenden ze hun dienst uit.

Het gebod was nog steeds om thuis een Paschalam te slachten, ook nadat de tempel en de priesters er waren. Dit maakt het heel duidelijk dat deze dingen die bij de tabernakel, of de tempel, werden geofferd niet het Paschalam waren. Ze brachten andere offers. Dat is het zesde verschil met Exodus 12, Numeri 9, Leviticus 23 of Leviticus 33.

Deuteronomium 16:3 Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten, brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrokken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte gedenkt.

Nogmaals "de dag van uw uittocht uit Egypte". Maar we gaan nu kijken naar het woord dat met "daarbij" is vertaald. Waar verwijst dat woord naar toe? Het verwijst terug naar het Paschaoffer in vers 2, dat er bij dat offer (op welk offer dan ook maar werd gedoeld) geen gezuurd brood gegeten mocht worden.

Laten we heel goed naar vers 3 kijken. Let erop dat er staat: "zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten." Wacht nu eens eventjes! Gaat dat over het Paschalam? Wat moest er met het Paschalam gebeuren? Dat moest onmiddellijk na afloop van de maaltijd worden verbrand. Hoe is het dan in vredesnaam mogelijk daarbij zeven dagen ongezuurd brood te eten? Het antwoord ligt voor de hand. Het gaat daar helemaal niet over het Paschalam. Het gaat over de offeranden die tijdens de dagen der ongezuurde broden werden gebracht. Daarbij kon zeven dagen lang ongezuurd brood worden gegeten. Daarmee hebben we dus zeven verschillen.

Deuteronomium 16:7 Gij zult het koken en het eten op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal; dan zult gij in de morgen de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan.

Exodus 12:8 Het vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruiden. 9 Rauw of gaar gekookt in water zult gij het niet eten; slechts op het vuur gebraden met kop, schenkels en ingewanden.

Op het eerste gezicht lijkt Deuteronomium 16 over het Paschalam te gaan, maar zoals we uit Exodus 12 weten, mocht dat niet gekookt worden. Dus kan Deuteronomium 16 NIET over het Paschalam gaan. Het gaat daar over een andere offerande. Een vredeoffer, een dankoffer en een zondoffer mochten gekookt worden.

Leviticus 6:28 [betreffende het zondoffer] En het aarden vat waarin het gekookt is, zal stukgeslagen worden, en indien het in een koperen vat gekookt is, dan zal dit geschuurd en met water gespoeld worden.

Leviticus 8:31 En Mozes zeide tot Aäron en zijn zonen: Kookt het vlees aan de ingang van de tent der samenkomst; daar zult gij het eten met het brood dat in de korf van de wijdingsoffers is, zoals ik geboden heb, dat Aäron en zijn zonen het zouden eten.

Numeri 6:19 [betreffende heiliging voor de gelofte als nazireeër] De priester zal de schouder van de ram nemen, nadat deze gekookt is, en één ongezuurde koek uit de korf, met één ongezuurde dunne koek, en deze leggen op de handpalmen van de nazireeër, nadat deze zich het haar van zijn nazireeërschap heeft afgeschoren;

Exodus 16:23 Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de HERE gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren.

Exodus 29:31 De ram der inwijding zult gij nemen en zijn vlees koken op een heilige plaats.

Exodus 34:26 Het beste van de eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de HERE uw God, brengen. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Deuteronomium 14:21 Gij zult geen aas eten; aan de vreemdeling, die binnen uw poorten vertoeft, moogt gij het te eten geven, of gij moogt het aan een buitenlander verkopen, want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Dat zijn al acht verschillen. Geef ik u voldoende bewijs dat Deuteronomium 16 niets van doen heeft met het Pascha? Het heeft alles van doen met de dagen der ongezuurde broden en het heeft specifiek van doen met de nacht van waken.

Deuteronomium 16:4 Er zal geen zuurdeeg bij u aangetroffen worden in uw gehele gebied, zeven dagen lang; en van het vlees, dat gij in de avond (ba erev) op de eerste dag slacht, zal niets de nacht overblijven tot de morgen.

Dit is alweer één van die plaatsen waar we overhaast tot een conclusie kunnen komen, omdat we weten dat het Paschaoffer, het Paschalam, onmiddellijk na afloop van de maaltijd moest worden verbrand. Maar dit vers slaat daar niet op, omdat andere offeranden ook gegeten moesten worden voordat de nacht voorbij was.

Laten we Leviticus 7:15 opslaan. Ik zal u hierover niet veel teksten geven, die kunt u zelf wel vinden. Het enige dat u daarvoor nodig heeft, is een concordantie.

Leviticus 7:15 En het vlees van zijn vredeoffer als lofoffer zal op de dag van zijn offergave gegeten worden; niets daarvan zal hij tot de morgen over laten.

Dit is een typisch voorbeeld.

Deuteronomium 16:4 Er zal geen zuurdeeg bij u aangetroffen worden in uw gehele gebied, zeven dagen lang; en van het vlees, dat gij in de avond op de eerste dag slacht, zal niets de nacht (ba erev) overblijven tot de morgen.

De woorden "eerste dag" verwijzen naar de eerste dag der ongezuurde broden, niet naar de Paschadag. Pas in het latere traditionele Judaïsme werd de gehele periode "Pascha" genoemd en in het bijzonder werd het Pascha "de eerste dag der ongezuurde broden" genoemd. Het geeft niet Gods Pascha weer zoals vastgelegd in Exodus 12, Numeri 9, Leviticus 23 of Leviticus 33. Deze twee erbij resulteren erin dat we al tien verschillen hebben.

Laten we nu Deuteronomium 16:7 opslaan.

Deuteronomium 16:7 Gij zult het koken en het eten op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal; dan zult gij in de morgen de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan.

Wat betekent "gij zult de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan"? Als we eenmaal begrijpen dat Hij het heeft over de dagen der ongezuurde broden en niet over het Pascha, en dat Hij het specifiek heeft over die dag die bij "ba erev" begon, ... (Bedenk dat dat woord tweemaal eerder hieraan vooraf werd gebruikt en dat er bij "ba erev" een offerande moest worden gebracht) ... wat deden ze dan met die offerande? Die aten ze op! In welke nacht aten ze die op? Ze aten die op tijdens de nacht van waken! Ze hadden een feest!

Sommige mensen noemen dit "de dwaasheid van Armstrong" of "de dagdromerij van Armstrong". Het was helemaal geen dagdroom. Het staat daar gewoon in de Schrift dat God het volk beval een offer aan het begin van de dagen der ongezuurde broden te brengen, pal nadat "ba erev" had plaatsgevonden. Het was op de vijftiende en deze mensen moesten dat dier offeren en het dan eten ter herinnering aan hun uittocht uit Egypte. Wat vierden ze dus? Ze vierden "de nacht van waken" met een feest! Dat feest duurde de hele nacht. Daarom moest Hij hun zeggen: "In de morgen moet u naar uw tenten gaan!" "Slaap lekker uit." Is dat niet interessant? Voor mij wel.

Waarom zouden ze de hele nacht door feesten? Ze herdachten de uittocht uit Egypte. En in alle waarschijnlijkheid stopten de Israëlieten, toen ze eenmaal uit Raämses begonnen weg te trekken, niet eerder dan het daglicht was aangebroken. Ze marcheerden de gehele nacht en rustten daarna tijdens de hitte van de dag. Ze vierden "de nacht van waken". God waakte over hen toen ze Egypte bij nacht verlieten. Vers 8 geeft de reden aan waarom Hij hun moest zeggen de viering te beëindigen en naar hun tenten terug te gaan.

Deuteronomium 16:8 Zes dagen lang zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feestelijke vergadering zijn ter ere van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.

Dat is de schandelijkste toevoeging aan dit gehele gedeelte. Ziet u dat het in tegenspraak is met vers 3? Zo dom is die toevoeging uitgevoerd. De dagen der ongezuurde broden duren zeven dagen, niet zes. Maar het was de praktijk van het traditionele Judaïsme om het volk de vrijheid te geven op die laatste heilige dag geen ongezuurd brood te eten. Dus voegden ze dit op heimelijke wijze toe. Maar het onttrok zich niet aan onze aandacht.

Is God zo dom dat Hij Zichzelf binnen vijf verzen tegenspreekt? Is Hij zo vergeetachtig dat Hij op de ene plaats zegt het zeven dagen lang te eten en dan enkele verzen later om het zes dagen te eten? Het moet ons heel duidelijk zijn dat er met deze serie verzen is geknoeid.

Ik geloof dat we op basis van het schriftuurlijke bewijs eerlijk tot de conclusie kunnen komen, dat de instructies die in Deuteronomium 16 worden gegeven, zoals zij oorspronkelijk door God werden gegeven, voor ongezuurde broden waren bestemd en niet voor het Pascha, en heel specifiek (tenminste in die eerste acht verzen) voor de nacht van waken. Het woord "Pascha" werd er in latere tijden aan toegevoegd (in een tijd nadat Mozes Deuteronomium had geschreven), toen beide feesten gewoonlijk "Pascha" werden genoemd. Dit blijkt een periode te zijn nadat de joden van hun ballingschap in Babylon waren teruggekeerd.

Onthoud dit: voor degenen die in een Pascha op de vijftiende geloven, is Deuteronomium 16 de hoeksteen van hun geloof. Het is hun enige bewijstekst. De reden dat het hun enige bewijstekst is, is omdat de overige Schriften duidelijk laten zien dat Pascha op de veertiende moet worden gehouden. Deuteronomium 16, zoals het in moderne bijbels staat, is duidelijk door een onbekende persoon of personen op onjuiste manier gewijzigd. De schriftuurlijke waarheid is dat God nooit een Pascha op de vijftiende heeft geboden; dat is alleen maar een traditie van de joden. Dat zag Wellhausen duidelijk, toen hij neerschreef dat het op hem overkwam als een poging het thuis offeren van het Paschalam af te schaffen.

We zouden kunnen vragen: "Waarom zouden de mensen die het wijzigden juist Deuteronomium 16 daarvoor uitkiezen?" Daar schijnt maar één reden voor te zijn die ik kan vinden, en dat is dat het de enige plaats is waar geen numeriek aangeduide data voorkomen. Daar staat niet "de veertiende". Daar staat niet "de vijftiende". Die wijziging zou onmogelijk zijn geweest als er een datum zou zijn vermeld. Deuteronomium 16 handelt gewoon met algemene tijdsperioden, algemene seizoenen van het jaar die worden aangeduid als het feest der ongezuurde broden, of Pinksteren, of het loofhuttenfeest. Het werd hier op deze manier gedaan omdat het voor God onnodig was de datum toe te voegen. Maar daarmee stond de deur open voor mensen om het woord "Pascha" toe te voegen en het te doen voorkomen alsof die instructies een centraal bij de tempel doden van het Paschalam ondersteunden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)