Doen leerstellingen er werkelijk toe? (Deel 7)

Door John W. Ritenbaugh
1 mei 2004

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh waarschuwt op basis van zijn onderzoek van de set leerstellingen die "het geloof" bedoeld in 2 Corinthiërs 13:5 vormen, dat het grotere geheel van de kerk van God niet immuun is voor de achteruitgang in leerstellingen waar Paulus tegen waarschuwt. De leerstelling van eeuwige zekerheid en de leerstelling van de onsterfelijke ziel, die door het evangelisch protestantisme en ook door de vorige groep waar we voorheen bijhoorden, wordt omarmd, bedreigt op onheilspellende wijze het geestelijk welzijn van alle splintergroepen die voorheen met de Worldwide Church of God verbonden waren. Als we leerstellingen verlaten, moeten kronkelredeneringen en muggenzifterij een vervanging bieden voor de eenvoud van Christus. Kleine afwijkingen van leerstellingen brengen onherstelbaar schadelijke consequenties teweeg. Als we leven bij wat we zien in plaats van uit geloof, zullen we automatisch zwichten voor onze angsten (het verloochenen van onze vleselijke voldoening of het verlies van de achting van onze familie en de mensen waar we mee omgaan). Het tegengif tegen deze ondermijnende angst die ons verzwakt, is de vreze de Heren – een vrees die aangeleerd moet worden en tot ontwikkeling moet worden gebracht.


We beginnen deze preek met 2 Corinthiërs 13, vers 5:

2 Corinthiërs 13:5 Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk.

Ik wil dit aan het begin van deze preek even aanstippen, omdat hij de woorden het geloof gebruikt. Ik gebruikte die woorden vaak in een preek of drie, vier terug — om u te laten zien dat er één specifiek geloof is. In het boek Handelingen wordt negen keer een terminologie gebruikt die erop duidt dat er één geloof is, en dat geloof bestaat uit een specifieke verzameling leerstellingen.

Laten we dit in verband met Jezus Christus brengen en "als Hij niet in u is". Hoe is Hij in ons? We kunnen natuurlijk zeggen dat Hij door Zijn Geest in ons is. Hij zegt dat Zijn woord geest is. Hij is in ons door Zijn woord. En deze specifieke leerstellingen waaruit het geloof bestaat zijn specifieke woorden die op een eenvoudige, directe en ware manier zijn geordend, zodat iedereen die door God wordt geroepen deze kan begrijpen.

Ik begon deze serie in januari, toen Richard en ik een reis naar Zuid-Afrika maakten. Kort daarna werd het Barna verslag gepubliceerd; dat ging over alom aanwezig ongeloof in bijbelse leerstellingen door hen die zichzelf als wedergeboren christenen beschouwen. De mensen waarover dat verslag handelt, voelen zich vrij om naar eigen keuze leerstellingen wel of niet te geloven — ze geloven blijkbaar dat dit voor God acceptabel is. Dit ondanks het feit dat God diverse malen ervoor waarschuwt niets aan Zijn woord — Zijn woord! — toe te voegen of af te doen.

Ik heb herhaalde malen uit de resultaten van dat verslag geput en gewaarschuwd dat de kerk van God niet immuun is voor dat soort nonchalante en dwaze achteruitgang van geloof. In feite was onenigheid over leerstellingen de oorzaak dat de Worldwide Church of God werd verwoest.

Toen God Zijn beschermende muur wegnam, viel de Worldwide Church of God heel snel in een groot aantal groepen uiteen. Ik gebruikte die serie als onderdeel van een onderwerp om onszelf voorafgaande aan de dagen der Ongezuurde Broden te helpen onderzoeken. Waar staan wij inzake deze dingen?

In mijn preek vlak voor het Pascha benadrukte ik de leerstelling over de onsterfelijke ziel. En op de eerste dag Ongezuurde Broden stipte ik kort de leerstelling aan over eeuwig zeker zijn van behoud. Ik koos deze twee leerstellingen om twee redenen. De eerste is omdat ze deel uitmaken van de reden dat ware christenen het zo moeilijk hebben om te overwinnen. We zouden kunnen zeggen niet slechts overwinnen, maar het verwijderen van het zuurdesem, of het uit de zonde komen (om in de sfeer van deze dagen te blijven).

De tweede reden is dat deze twee leerstellingen duidelijk laten zien hoe geloof het gedrag beїnvloedt. Dit is in het bijzonder waar met de leerstelling van eeuwig zeker zijn van behoud. Gemeente, waarom zouden we ernaar streven om te overwinnen, als we — als we eenmaal het bloed van Jezus Christus hebben geaccepteerd — behouden zijn ongeacht wat we doen?

Deze twee concepten verzwakken in grote mate de standvastigheid en de volharding van de mens, waardoor groei vermindert; in veel gevallen stopt deze in feite zelfs. Waarom denkt u dat er zoveel waarschuwingen zijn dat Gods weg moeilijk is en nauw, en dat deze een grote mate van zelfontzegging met zich meebrengt? Dat is omdat het aanvaarden van Christus' bloed slechts het begin is van een proces van groei dat gepaard gaat met het maken van een veelheid aan juiste keuzes — opdat we een juist karakter kunnen krijgen.

Ongeacht wat men doet, iedereen zal karakter hebben. De vraag is: Is het juist karakter? Iemand kan alleen maar een juist karakter ontwikkelen als hij het juiste onderwijs krijgt, waarna hij de keuzes moet maken om dat onderwijs te geloven en ernaar te handelen.

Behalve Jezus' waarschuwing dat we er goed aan zouden doen de kosten van het discipelschap te berekenen, zijn er talloze andere waarschuwingen — zoals in Hebreeën 3 en 4, waar Paulus benadrukt dat een alom aanwezig ongeloof in Gods woord bij de Israëlieten een veelheid van verkeerde keuzes met zich meebracht. Vandaar het getuigenis van bijna allen die Egypte verlieten.

ALS de leerstellingen van de onsterfelijke ziel en van eeuwige zekerheid van behoud waar zijn, DAN zijn de waarschuwingen die Jezus en Paulus in de bijbel gaven, hiermee in tegenspraak; en dan kunnen we de bijbel niet vertrouwen.

Maar het is geen geheim waarom we het zo moeilijk hebben het zuurdesem op te ruimen. Het probleem, gemeente, ligt erin dat we — evenals de Israëlieten — in veel gevallen niet echt Gods woord geloven. Als we onze bedenkingen en angsten hebben, dan is de waarheid dat ons geloof en onze angst voor iets anders groter is dan ons vertrouwen in God.

De laatste dag Ongezuurde Broden liet ik u zien dat de vrucht van deze nonchalante, ongelovige benadering kan uitmonden in een heel ernstig geval van aanmatiging dat in 1 Corinthiërs 10 in het middelpunt van de aandacht stond en leidde tot Paulus' waarschuwing. Hij zei:

1 Corinthiërs 10:12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

Dit is een ernstige zonde en in het bijzonder belangrijk voor ons die in de eindtijd leven, omdat Jezus' waarschuwing in Openbaring 3 betreffende Laodiceanisme daar parallel mee loopt. Zijn beschrijving van een Laodiceeёr is dat deze zegt: "Ik ben rijk en verrijkt met goederen, en ik heb nergens behoefte aan." Hij brengt zijn aanmatiging duidelijk tot uiting. "Ik heb nergens behoefte aan. Het is goed met me zoals ik ben." Dit wordt gezegd door mensen in de kerk in de eindtijd.

Begrijpen we dat de bron van aanmatiging bij de Laodiceeёr ligt in zijn niet geloven van Gods woord, evenals dat het geval was bij de Israëlieten in de oudheid? We worden in deze wereld omgeven door ongeloof en dat is nu precies waar we uit moeten komen. God laat zien dat dit al vanaf het allereerste begin in Genesis, het probleem is. Adam en Eva zondigden omdat ze iets anders geloofden dan God zei, en ze gehoorzaamden aan dat andere onderwijs.

Evelyn en ik zijn hier in Scottsdale, Arizona. We zijn niet echt bekend met deze streek rondom Phoenix. Ik ken deze enigzins, doordat ik er in de laatste tien of twaalf jaar zo'n acht tot tien keer ben geweest. Maar veronderstel dat een kaart de bijbel voorstelt. Ik kijk op de kaart en zie dat ik in Scottsdale ben (iets ten oosten van Phoenix), en ik wil naar Glendale (dat er ten noordwesten, aan de andere kant, van ligt). Ik kijk dus op de kaart en die zegt me dat ik route 101 op moet in westelijke richting om in Glendale te komen.

Maar ik geloof dat niet, omdat ik geloof dat ik altijd route 101 in zuidelijke richting naar Tempe nam. Ik veranderde slechts een kleinigheid aan wat de kaart zegt. Ik veranderde westelijk in zuidelijk. Maar waar zal ik uitkomen? Kom ik uit in Glendale of komt ik uit in Tempe? Begrijpt u waar het om gaat? Zo eenvoudig is dat!

De kaart naar Gods Koninkrijk bevat het woord van God. We lezen het en dan is er — al te vaak — iets dat ons de richting die Hij geeft, doet veranderen. In plaats van te geloven wat Hij zegt, voegen we toe wat wij geloven. Hopelijk zullen we ons daarvan bekeren. Maar soms, gemeente, doen we dit praktisch zonder dat we ons er bewust van zijn dat te doen. Dat is niet zo slecht in termen van zonde; maar als we dat opzettelijk doen, dan wordt het almaar ernstiger.

Ik kwam initieel met deze twee leerstellingen aandragen — de onsterfelijke ziel en eeuwige zekerheid van behoud — omdat die twee behoren tot de belangrijkste leerstellingen waarop wat we nu de evangelische groepen noemen, zijn gebaseerd. En het was juist de communicatie van de leiders van de Worldwide Church of God met de evangelische groepen die een hoofdrol speelde in het uiteenvallen van de Worldwide Church of God.

Die evangelische groepen overtuigden de leiding van de Worldwide Church of God ervan dat de leerstellingen van de kerk van God verkeerd waren — evenals de slang Adam en Eva ervan overtuigde dat God het bij het verkeerde eind had. En diezelfde leerstellingen hadden een geweldige invloed op de kerk van de eerste eeuw. Uiteindelijk zijn we daar weer op uit gekomen. De geschiedenis herhaalt zich. Maar daar zullen we in deze preek niet op ingaan.

In mijn vorige preek gaf ik twee voorbeelden: het ene ging over het Pascha en het andere over het tellen voor Pinksteren als het Pascha op een wekelijkse sabbat valt — waarin tot uiting kwam dat velen binnen de kerk van God in deze tijd of geen aandacht schenken aan of opzettelijk niet geloven in wat God duidelijk zegt. Op die manier trekken ze de verkeerde conclusies.

Laten we 2 Timotheüs 2:14-16 opslaan. Hier kijken we terug naar de eerste eeuw.

2 Timotheüs 2:14-16 Blijf dit in herinnering brengen en betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen. 15 Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid. 16 Maar vermijd de onheilige, holle klanken; want zij zullen de goddeloosheid nog verder drijven.

Ik zei in die vorige preek dat Gods woord (door Paulus in 2 Corinthiërs 11:3) als eenvoudig wordt beschreven. Hij spreekt daar over de eenvoud die in Christus is. Misschien is dat niet zo'n gelukkige vertaling, zelfs al is hij niet geheel onjuist. Het woord in het Grieks duidt specifiek meer op direct of openhartig. Het is toegankelijk. Het woord van God is direct. Het is niet ingewikkeld. Het draait niet in kringetjes rond. God bedoelt wat Hij zegt en Hij zegt wat Hij bedoelt; Zijn woord is openhartig. Het is recht op de man af.

Maar in de vijfenveertig jaar dat ik in de kerk ben, heb ik ontdekt dat zij die iets anders dan wat de bijbel duidelijk zegt, willen onderwijzen, kronkelredeneringen opzetten die om de duidelijke uitspraken van de bijbel heendraaien. Dat is de reden dat de heer Armstrong het tijdschrift "The Plain Truth" noemde. [De Nederlandse editie had als titel: De Echte Waarheid.]

Met het Pascha moeten ze het feit ontkennen dat de Israëlieten tot het aanbreken van de dag in hun huizen in Gosen waren om het te houden, en dat ze tijdens de daglicht uren van de veertiende naar de verzamelplaats moesten lopen. En zo komen ze tot een verdraaide uitleg die gepaard gaat met haarkloverij over de betekenis van oude Hebreeuwse woorden. We kunnen hier in 2 Timotheüs 2:14 zien dat mensen in de eerste eeuw zich aan dezelfde praktijken schuldig maakten.

We moeten hieraan denken, omdat dit in principe was wat de slang bij Eva deed. Hij ging in op het woord "sterven". Hij deed aan haarkloverij en kwam aan met een kronkelredenering die een leugen was: "Gij zult geenszins sterven." Ze stierven niet direct, maar Gods woord was waar. Ze stierven! Ze brachten de dood over zichzelf, iets wat hij (de slang) hun niet vertelde. Dat was zijn haarkloverij.

Betreffende Pinksteren wordt over een ceremoniёle gebeurtenis — het bewegen van het garfoffer — gespeculeerd als over een mogelijkheid. Ik heb alle studies van de Worldwide Church of God die hierover gaan, en er wordt gespeculeerd dat het mogelijk is dat het in Jozua 5 heeft plaatsgevonden. Maar dan zonder enige toelichting wordt de speculatie opeens de basis voor een leerstellige conclusie. "We vermoeden." En dan even later: "Dit is een feit!"

Als we naar Jozua 5 kijken, is er geen enkele aanduiding dat er naast het Pascha iets anders werd gedaan. Ze hielden zeer zeker het Pascha. Maar er werd geen garfoffer bewogen. Er werden geen offeranden gebracht. En daarnaast is er een overvloed aan informatie aanwezig (in Exodus 23, Deuteronomium 12 en Leviticus 22) die laat zien dat het Jozua en de Israëlieten verboden was juist die offeranden te brengen die zonder enige waarschuwing de basis worden van een leerstellige conclusie.

Het is interessant. Als iemand hiermee wordt geconfronteerd, dan zeggen ze: "Herbert Armstrong heeft als apostel een beslissing genomen." Hij heeft besloten dat het garfoffer altijd binnen de dagen der ongezuurde broden moet woren gebracht. Maar laat me een simpele vraag stellen: Sinds wanneer gaat het woord van een mens — om het even welk mens — boven datgene wat God reeds heeft bepaald? God bepaalde het in Zijn woord en Hij zegt: "Ik verander niet." Wat bepaalde Hij? Dat er in de periode van Jozua 5 geen garfoffer werd gebracht.

Laten we 1 Timotheüs 6:20-21 opslaan. De eerste en tweede brief aan Timotheüs zijn de laatste brieven die Paulus schreef voordat hij de marteldood stierf. Misschien valt Titus daar ook nog wel onder.

1 Timotheüs 6:20a O Timotheüs, bewaar [behoed] wat u is toevertrouwd, ...

Wat was hem toevertrouwd? Dat was het onderwijs dat Paulus van Jezus had ontvangen en daarna op getrouwe wijze aan Timotheüs had overgedragen. En hij zegt: "Behoed het!"

1 Timotheüs 6:20b-21 ..., houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis [of wetenschap]. 21 Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster geraakt. [Daar zijn we weer terug bij het geloof.] De genade zij met ulieden.

2 Timotheüs 1:13-14 [Schrijvend aan dezelfde persoon, zegt Paulus:] Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is. [Dat is een opdracht voor iedere dienaar van God.] 14 Bewaar door de Heilige Geest, die in ons woont, het goede, dat u is toevertrouwd.

2 Timotheüs 2:1-2a Gij dan, mijn kind, wees krachtig in de genade van Christus Jezus, 2 en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, ...

Waarom denkt u dat hij dit opnieuw — iedere keer maar opnieuw en opnieuw — met Timotheüs en Titus doorneemt, twee jongemannen waarmee hij zich ongetwijfeld nauw verbonden voelde? Ik zal u zeggen waarom. Omdat de kerk door charlatans werd aangevallen, charlatans die valse leerstellingen onderwezen. De afwijkingen konden oppervlakkig maar gering lijken, maar desondanks waren het afwijkingen. Om dus verdere afwijkingen te voorkomen waarschuwt hij deze jongemannen: "Jullie preken wat ik jullie heb onderwezen."

2 Timotheüs 2:2 en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten.

2 Timotheüs 2:5 En is iemand een kampvechter [Dat zijn wij; wij zijn kampvechters in de christelijke arena.], dan ontvangt hij de krans alleen, als hij volgens de regels van de kamp heeft gestreden.

En "volgens de regels" zou dat zijn wat Paulus aan Timotheüs had doorgegeven. In zijn laatste brieven geeft Paulus totaal geen enkele aanduiding die ons toestemming geeft, af te wijken van wat door Christus aan hem was overgeleverd en wat hij daarna had opgeschreven. We moeten absoluut die dingen bewaren, eraan vasthouden en onderwijzen zonder van de weg af te wijken — omdat Israël en de moderne christenen dat duidelijk wel doen.

Het staat ons NIET vrij zelf onze eigen leerstellingen te kiezen. De bijbel is de stem. Herinnert u zich de preek waarin God zei: "U moet de stem van Hem (de Engel) die in de wolk is, gehoorzamen." De bijbel is de geschreven stem van Hem die in de woestijn in de wolk was. En wij willen niet op dezelfde manier aan ongeloof ten prooi vallen als waarop dat met Israël gebeurde.

Ik ben tot de ontdekking gekomen dat ons probleem meestal niet het ongeloof op zichzelf is. Er is iets anders dat ons dwars zit, op dezelfde manier als dat bij Israël het geval was. Laten we het boek Numeri opslaan, waar we ons zullen richten op datgene wat Israël dwars zat. Dat was angst.

Wat we gaan lezen vindt plaats nadat de verspieders, die vanuit de woestijn het land Kanaän waren binnengetrokken om het te verkennen en aan het volk Israël een verslag uit te brengen, waren teruggekeerd.

Numeri 13:27-33 Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. 28 Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; 29 Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan. 30 Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren. 31 Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 32 Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. 33 Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.

Numeri 14:1-11 Toen verhief de gehele vergadering haar stem en het volk weende in die nacht. [Dat had echt grote indruk gemaakt.] 2 Al de Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of waren wij in deze woestijn gestorven! 3 Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? 4 En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren. 5 Toen wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten. 6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen 7 en zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed. 8 Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig. 9 Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet. 10 Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen stenigen zou. Maar de heerlijkheid des HEREN verscheen in de tent der samenkomst aan al de Israëlieten. 11 En de HERE zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in zijn midden gedaan heb?

Wij zouden kunnen denken dat Israël alle bewijs had dat God met hen was, en dat Hij duidelijk machtig genoeg was zodat ze op Hem konden vertrouwen. Maar dat bewijs — wat Hij de Egyptenaren had aangedaan; het splijten van de Schelfzee; Zijn dagelijks voorzien in manna voor meer dan twee miljoen mensen en ook water als dat nodig was, en zelfs in kwakkels; kleding die niet versleet; ook schaduw tijdens de hitte van de dag — was duidelijk niet genoeg.

Hun geloof verdween in het niets toen angst (voor hun eigen veiligheid, voor het behoud van hun fysieke leven, en het aan hun begeerten voldoen) het vertrouwen van bijna iedereen tenietdeed. Hun angst overwon wat zij dan ook maar aan geloof mochten hebben gehad, en het zette hen aan tot een opstand. Dit was de directe aanleiding tot de dood van iedereen die ouder dan twintig was, behalve Jozua en Kaleb. Snapt u waarom het gaat?

Angst doodt! Dat is het uiteindelijk resultaat.

Dit voorbeeld hier in Numeri 13 en 14 is een duidelijk bewijs dat deze mensen leefden bij wat ze zagen. Zij zagen reuzen en dat intimideerde hen — alsof God niet groter, machtiger en meer bijdehand was dan die reuzen. God moet dus vragen: "Hoe lang duurt het nog voor jullie Mij gaan geloven?" Het is alsof Hij zegt: "Wat kan Ik doen om jullie meer geloof te geven?"

Laten we nog wat verder teruggaan in de tijd, naar Exodus 15. Dit voorval is opmerkelijk omdat het onmiddellijk plaatsvond, binnen enkele dagen, nadat God de Schelfzee had gespleten.

Exodus 15:22-24 Toen liet Mozes de Israëlieten opbreken van de Schelfzee en zij gingen naar de woestijn Sur; drie dagreizen trokken zij door de woestijn zonder water te vinden. 23 En zij kwamen in Mara, maar zij konden het water van Mara niet drinken, omdat het bitter was. Daarom noemde men die plaats Mara. 24 Toen morde het volk tegen Mozes en zeide: Wat moeten wij drinken?

Houdt dat in gedachten en laten we naar hoofdstuk 16 gaan. Dit is maar een paar dagen later.

Exodus 16:1-3a Toen zij van Elim opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der Israëlieten in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand sedert hun uittocht uit het land Egypte. [Nog maar een maand geleden trokken ze uit.] 2 En in die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron; 3 en de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij door de hand des HEREN in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; ...

Hun geheugen was niet al te best. Deze mensen waren slaaf. Je zou toch het idee krijgen dat ze toen een fantastisch leven hadden. "Toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten."

Exodus 16:3b ...; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.

Israël murmureerde op tal van plaatsen en onder tal van omstandigheden tijdens hun tocht door de woestijn. En deze zijn, tenminste gedeeltelijk, opgeschreven om aan ons hun angst bekend te maken. Zij murmureerden over datgene waar ze bang voor waren! Op die manier kunnen we weten waar ze bang voor waren. Vaak waren ze bang dat ze geen voedsel zouden hebben.

Dit leidt tot nog iets anders. Dat maakt de angst nog iets meer specifiek. Ze waren bang dat de verlangens van hun menselijke natuur niet bevredigd zouden worden. Denk daar eens even over na. Zelfs al voorzag God hun dagelijks van het allerbeste voedsel dat ze maar konden eten, toch wilden ze dat hun verlangen naar een grote variёteit van andere dingen om te eten, bevredigd zou worden. Ze wilden alles wat erbij behoorde. Ze zeiden in feite: "God, wat U ons geeft is niet goed genoeg." En waar ze bang voor waren was dat hun smaakpapillen en hun maag niet zouden kunnen genieten van de variёteit aan voedsel die zij wilden hebben.

Ik breng dit naar voren om dat zulk soort dingen ook in ons zitten. En misschien is het bij ons Amerikanen wel sterker aanwezig dan bij andere volken op aarde, omdat wij over zoveel dingen kunnen beschikken, en wij verwachten dat we praktisch door al die dingen worden bevredigd. Is dat goed? Blijkbaar vond God het voor hen in de woestijn niet GOED dat al de verlangens die maar in hen konden opkomen ook bevredigd werden. Dat is hetgene waar ze bang voor waren — dat ze niet zouden krijgen wat ze wilden hebben. Ze waren dus bang dat hun hun bevrediging zou worden ontzegd.

We gaan weer naar het Nieuwe Testament en slaan Marcus 4 op.

Marcus 4:39-40 En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en het werd volkomen stil. 40 En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij zó bevreesd? [Let op het volgende dat Hij zei.] Hoe hebt gij geen geloof?

Er is een directe relatie tussen angst en een gebrek aan geloof.

Marcus 4:41 En zij werden bovenmate bevreesd en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

Als we bang zijn dat door God niet in het verlangen van onze menselijke natuur om bevredigd te worden zal worden voorzien, is de reden een gebrek aan geloof. Dus we vertrouwen niet op Hem, dat Hij inderdaad in al onze behoeften zal voorzien. Niet in alles wat we willen, maar in al onze behoeften. En het is ook bewijs dat we leven bij wat we zien en niet werkelijk op de bijbelse manier God geloven. Dat is dat Hij werkelijk voor ons zal zorgen.

Worden wij beїnvloed door te leven bij wat we zien?

Marcus 8:34-38 En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. 35 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden. 36 Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden? 37 Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven? 38 Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen.

We moeten in het bijzonder aandacht schenken aan "wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt". Hij is het levende Woord. De bijbel is het geschreven Woord. Jezus maakte het heel duidelijk dat de volgelingen van Hem zichzelf moeten verloochenen. Dat is toch duidelijk? Ik geloof dat we hier de vinger precies leggen op het meest pijnlijke probleem betreffende geloof en angst.

Behoud is door genade door geloof. We zouden kunnen zeggen "vertrouwen". Behoud is door genade door geloof, ofwel: vertrouwen. Geloof opent de deur en voorziet in het fundament voor hoop en voor liefde. Geloof opent de weg naar financiёle zekerheid, goede gezondheid, een gezonde geest, gemoedsrust, zelfbeheersing, het overvloedige leven — omdat geloven in God ons voor Hem aanvaardbaar maakt, en Hij reageert door die dingen aan ons te geven.

Marcus 10:17-18 En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieёn en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beёrven? 18 En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.

Hebt u zich ooit afgevraagd waarom Jezus op die manier reageerde? Hij kon aan de manier waarop de jongeman Hem benaderde zien wat voor idee hij van Hem had. Hij benaderde Hem zoals iedere jood iemand zou benaderen die hij als een leraar beschouwde. Met andere woorden hij keek niet naar Christus zoals Hij werkelijk was — God in het vlees. Hij keek gewoon naar Hem als alweer een menselijke leraar.

Zeker, hij respecteerde Jezus. Maar verder ging het niet. Hij had echt geen geloof in Hem dat Hij de Zoon van God was. Als Hij hem anders had benaderd — als God — dan zou Jezus nooit dat antwoord hebben gegeven, omdat het een juiste manier van benadering zou zijn geweest. Hij zou Hem dan hebben erkend voor wie Hij was. Daarom zei Hij: "Niemand is goed dan God alleen."

In vers 19 gaat Jezus echter toch verder met Zijn onderwijs, omdat er een goede les in besloten ligt.

Marcus 10:19-22 Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder. 20 Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af. 21 En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, [Statenvertaling voegt toe "neem het kruis op, en"] volg Mij. 22 Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.

Iedereen met een normale intelligentie (misschien zelfs wel mensen met heel wat intelligentie) kan de bijbel ter hand nemen, iets bestuderen en met heel veel van wat hij leest instemmen zonder zijn leven ook maar op enig punt te veranderen van wat het was voordat hij de bijbel ter hand name en erin ging lezen. Maar het zal de levens van hen die geloven, veranderen omdat zij zich zullen onderwerpen aan wat er staat, daar zij er vertrouwen in hebben.

Deze man wilde zich niet aan het woord van God onderwerpen. Hij was bereid zich te laten onderwijzen, maar hij was niet bereid zich eraan te onderwerpen. Tussen die twee zit een groot verschil! Weet u waarom? Weet u wat er bij betrokken was? Er was angst bij betrokken, omdat zij die niet vertrouwen bang zijn voor de kosten die gehoorzaamheid eraan met zich mee zal brengen.

Let erop dat al was de jongeman bedroefd, de droefheid hem er niet toe aanzette te gehoorzamen, omdat zijn droefheid zijn angst niet kon overwinnen. Hij erkende het goede in wat hij hoorde, maar hij kon er zich niet toe brengen de kosten te betalen voor meer dan hij al had.

Hij begreep of waardeerde de geestelijke, werkelijk belangrijke kwaliteiten van het leven dat Christus hem kon geven, niet echt. Daarom was hij niet bereid de prijs daarvoor te betalen. Hij was bang dat hij dan iets moest opofferen dat belangrijker voor hem was. Zijn vertrouwen lag in zijn rijkdom. Hij leefde bij wat hij zag.

Zijn er onder ons ook sommigen die het met bepaalde delen van de bijbel eens zijn zonder zich eraan te onderwerpen? Hebben wij misschien een bepaalde mate van droefheid net als deze jongeman? Jezus zei tegen de jongeman: "Neem uw kruis op." Dat is een andere manier van zeggen voor: "Verloochen jezelf."

Weet u dat de meest voorkomende reden dat mensen geen tienden geven, angst is? Zij zijn bang dat ze niet genoeg zullen hebben om te kunnen voldoen aan wat de stijl van leven waarvoor zij kiezen, vraagt. Weet u wat het menselijk denken dan zal doen? Het zoekt redenen waarom de tienden niet behoeven te worden gegeven.

Ze zullen zeggen: "Jezus schafte ze af." Of: "Dat gold alleen maar onder het Oude Verbond." Of: "Ze moeten alleen maar worden gegeven van de opbrengst van het land." Of: "Daar ze aan de priesters en Levieten werden gegeven en die onder het Nieuwe Verbond niet bestaan, daarom behoeven we ze nu niet meer te geven." Er zijn daarnaast nog vele andere redenen te bedenken. Ik weet dat ik ze niet allemaal heb gelezen, maar ze doen de ronde. Dat onderzoek ontspringt bijna altijd aan het verlangen de angst te onderdrukken dat men niet genoeg zal hebben om aan de verlangens van het vlees te voldoen.

Als Paulus de term "het vlees" gebruikt, gebruikt hij het meestal als een synoniem voor zinnelijk. Hij gebruikt die termen vaak uitwisselbaar zoals wij in deze tijd de woorden "menselijke natuur" zouden gebruiken. In Romeinen 7 zegt hij:

Romeinen 7:19-24a Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; 22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, 23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. 24 Ik, ellendig mens! ...

Denkt u dat hij niet bedroefd was over datgene waarvan hij wist dat het in hem zat en waar hij mee moest strijden? Dit wat ik vrees noem, noemt Paulus "de wet der zonde die in mijn leden is". De vrees van het vlees is dat het de bevrediging wordt ontzegd die het verlangt, en daarna redenen te vinden om de verlangens van het vlees te bevredigen puur voor de bevrediging; dat gebeurt door de zonde. Er zijn vele wegen om te voldoen aan de verlangens van het vlees. Dat kan door roddel, misschien teveel eten, ongeoorloofde seks, pornografie, intellectuele ijdelheid, stelen van God, en noem maar op. Angst komt als zonde naar buiten.

Er is nog een andere angst die nauw verwant is aan de angst voor zelfontzegging. In feite is het misschien wel een andere vorm van zelfontzegging. Maar dit is er één die specifiek in de schriften wordt vermeld. We zullen dat dus gaan lezen. Dat staat in Johannes 19. Jezus was nog maar net gestorven.

Johannes 19:38-39 En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg. 39 En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was [Waarom kwam hij bij nacht? Om dezelfde reden als Jozef van Arimatea — hij was bang], en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloё, ongeveer honderd pond.

Deze beide mannen hadden hetzelfde probleem. Beide mannen bekleedden posities die hen binnen de joodse gemeenschap een vrij grote mate van autoriteit gaven. Maar zij vreesden door hun gelijken, mannen waarvoor zij een vrij grote mate van achting hadden, belachelijk te worden gemaakt en te worden veroordeeld. Hun angst — hun respect — voor hun gelijken was groter dan hun geloof in Jezus of hun respect voor Hem.

Beide mannen stonden positief ten opzichte van het onderwijs van Christus. Maar ze hadden bij lange na niet genoeg overtuiging totdat ze getuige waren van de koelbloedige moord op Jezus, die werd aangestookt door hun eigen gelijken die ze respecteerden.

Dit kleine fragment werd daar in Johannes feitelijk toegevoegd om te laten zien dat deze mannen hun angst overwonnen. Ze overwonnen hun probleem. Jozef moest naar Pilatus gaan en zich publiekelijk blootgeven. Daarna moest Nikodemus zich in het openbaar bij hem voegen terwijl ze het lichaam van Jezus in doeken wikkelden en al de specerijen rondom het lichaam plaatsten. Ze moesten dus voor hun overtuiging uitkomen. Maar nu was hun geloof heel wat sterker.

Hebt u er ooit over nagedacht wat ze hebben gemist vanwege wat ze deden? Hun angst weerhield hen ervan de nabijheid van Jezus te ervaren door met Hem mee te reizen — met Hem te wandelen en te spreken zoals de apostelen deden. Ze misten de gelegenheid aan Zijn voeten te zitten en onderwijs te ontvangen en getuige te zijn van de voorbeelden die Hij die mannen gaf in de manier waarop Hij leefde en de manier waarop Hij op hen reageerde. En wat te denken van alle stimuli die Hij had kunnen geven voor een levend geloof ten aanzien van God?

Dat hadden ze allemaal kunnen hebben, maar ze misten de gelegenheid vanwege hun angst zich voor anderen die zij vreesden bloot te geven. Zij deden dit omdat ze op dat moment niet bereid waren hun positie op te geven, sociaal te worden uitgebannen en mogelijk uit het Sanhedrin en de synagoge te worden gezet. Op die manier stonden ze zichzelf toe dat hun ijdelheid werd tevreden gesteld.

Johannes 12:42-44 En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeёn kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; 43 want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God. 44 Jezus riep en zeide: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft;

Hoe vaak hebben wij, gemeente, al een of ander aspect van Gods waarheid voor familie en vrienden verloochend, omdat we bang waren wat zij wel van ons zouden kunnen denken? Dit is de angst van het vlees dat het niet de genoegdoening heeft dat anderen die we respecteren, een goede opinie over ons hebben. We verlangen dat zij die we respecteren — dat is dus vrezen — ons binnen een bepaald kader dat wij acceptabel vinden, zullen beoordelen.

Als we denken dat we niet binnen dat kader zullen vallen, voelen we ons niet op ons gemak, worden we onstandvastig en gaan we om de hete brei heendraaien. Met andere woorden we vinden het niet leuk om als een sulletje te worden beschouwd, een toegewijde volgeling van Jezus en de christelijke religie. Dan prevelen en stamelen we maar wat, en proberen ons met een vaag excuus uit een onthullende situatie te redden. Dit is niets anders dan ijdelheid, door en door.

Laten we eens gaan kijken wat Petrus overkwam. We slaan daarvoor Mattheüs 26 op. Jezus was het hogepriesterlijk paleis binnengevoerd.

Mattheüs 26:69-75a Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeёr. 70 Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. 71 Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeёr. 72 En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet. 73 Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u. 74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan.

Ondanks de duidelijke leiderschapseigenschappen die Petrus bezat en zijn schijnbare poeha en moed, verloochende hij Christus en zweerde dat zelfs en vervloekte zichzelf nu Christus was gearresteerd. Eerst zei hij dat hij niet begreep waar ze het over had. De tweede stap was dat hij zich ervan af maakte door te zeggen dat hij Hem niet kende. En ten derde ontkende en vervloekte hij op heftige wijze. Stap voor stap werd hij door zijn angst tot een tragische zonde geleid.

Dit is dezelfde man die later door Christus werd gekozen om als eerste naar de heidenen te gaan — hun Christus en daarna behoud te verkondigen, om vervolgens met hen in hun huis te eten. Dit is iets dat een jood in de eerste eeuw gewoonlijk niet zou doen.

Laten we nu Galaten opslaan. We lezen dit om een beetje bemoedigd te worden, dat angst iets is dat iedereen het hoofd moet bieden. God geeft ons de tijd om dat te overwinnen. Maar het moet worden overwonnen, omdat angst zonde is en tot zonde leidt. Die angst is bewijs dat we God niet echt geloven. We geloven niet dat Hij echt met ons is. We geloven niet dat Hij in onze behoeften zal voorzien.

Galaten 2:11-13 [Paulus schrijft:] Maar toen Kefas te Antiochiё gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12 Want voordat sommigen uit de kring van Jacobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan één tafel, maar toen zij [de joden] kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. 13 En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij.

Hier zien we dus dat Petrus openlijk met de heidenen omging totdat hij in de aanwezigheid van de heidenen met andere joden werd geconfronteerd. Toen trok hij zich, geїntimideerd door hun aanwezigheid, terug. Deze voorbeelden laten zien dat angst een werkelijkheid is waar we allemaal mee te maken hebben. En zelfs al is iemand al heel lang bekeerd, en misschien wel iemand die in hoog aanzien staat, toch heeft zo iemand angsten.

We zouden toch denken dat iemand zoals een apostel, die drieёnhalf jaar met Jezus doorbracht, met Hem sliep, met Hem at, preken van Hem hoorde, wonderen en genezingen zag plaatsvinden, demonen zag uitwerpen, de manier waarnam waarop Hij met vriend en vijand omging, Zijn vriendelijkheid waarnam, het meeleven waarnam dat Hem doortrok voor hen die zwak waren — we zouden toch denken dat zo iemand nooit met angst te maken zou hebben.

Iedereen moet angst het hoofd bieden! Angst is iets waar we ons voor moeten schamen. Maar het is ook bemoedigend te weten dat God trouw is, en dat Hij geduldig is, en dat Hij ons in situaties zal brengen die ons de gelegenheid bieden het te overwinnen — zelfs al moet dat gebeuren onder omstandigheden waarvoor we ons diep schamen, zoals Hij dat met Petrus deed. Misschien was Petrus wel iemand die flink op zijn kop moest krijgen en in grote schaamte worden gebracht om het te overwinnen. Maar hij overwon het in ieder geval.

Lucas 12:4-12 Ik zeg u, mijn vrienden, vreest hen niet, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. 5 Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem! 6 Worden niet vijf mussen verkocht voor twee duiten, en niet één van die is vergeten voor God. 7 Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven. 8 Ik zeg u: Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods; 9 maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods. 10 En een ieder, die een woord zal spreken tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest zal lasteren, het zal hem niet vergeven worden. 11 Wanneer zij u brengen voor de synagogen en voor de overheden en de machthebbers, maakt u niet bezorgd, hoe of wat gij ter verdediging moet spreken. 12 Want de Heilige Geest zal u op het eigen ogenblik leren, wat gij zeggen moet.

Dit is de raad die we nodig hebben om te oefenen, in praktijk te brengen totdat we grondig zijn overtuigd van de gerechtigheid van God en Zijn weg. Eén van de lessen hier is dat, daar angst zo'n werkelijkheid in ieders leven is, het belangrijkste van alles het voorwerp van onze angst is. Angst voor God is fantastisch! Maar angst voor mensen is vernietigend. Het voorwerp van onze angst is heel belangrijk. Dat is dus iets dat we kunnen leren te beheersen en in de juiste richting te sturen.

Psalm 40:5 Welzalig de man, die de HERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot [die niet bang is voor, die geen respect heeft voor] de hovaardigen, noch tot hen die naar leugen afdwalen.

Het voorwerp van onze angst moet God zijn. Als God het voorwerp van onze angst is, dan zullen we op Zijn woord vertrouwen en ons onderwerpen. Gemeente, dit is iets dat een getuigenis voortbrengt dat God verheerlijkt. Het voorwerp van onze angst moet dus God zijn. Hij beschikt over alle macht en Zijn macht gaat verder dan de dood.

Deze angst is een mengsel van alle verschillende aspecten van angst. Het is niet alleen een diep en eerbiedig respect en een vereren van Hem. Het gaat zelfs tot het uiterste van verontrust te zijn — ik bedoel doodsbang zijn — Hem niet te gehoorzamen of verzuimen zich aan Hem te onderwerpen. Denkt u dat Jezus niet een bepaalde mate van angst had toen Hij daar in de hof van Getsemane tot God bad? Denkt u dat Hij die martelingen wilde ondergaan waarvan Hij wist dat die Hem zouden overkomen? Denkt u dat er niet een bepaalde mate van angst was die Hem ertoe aanzette te zeggen: "God, Vader, neem deze beker van Mij weg. Echter niet Mijn wil maar de Uwe geschiede."

Angst is niet één specifiek iets; het bestaat uit vele dingen. En het kan op verschillende tijden in verschillende mate in ons leven en in verschillende omstandigheden voorkomen. Maar ik denk dat u dit weet, iets dat David heel duidelijk maakte: De vreze des Heren is NIET iets dat we van nature hebben. Het is iets dat we moeten leren!

Nadat we dus tot bekering zijn gekomen is veel van ons leven erop gericht te groeien in de vreze des Heren. Ja, we geloven dat Hij bestaat. We geloven dat Hij op Zijn troon zit. We geloven dat Jezus Christus de Zaligmaker is. Maar onze angsten dat ons vlees niet aan zijn trekken zal komen, of onze angst voor mensen komt tussenbeide voor onze vrees de kosten te betalen, onze vrees voor zelfopoffering, onze vrees ons kruis op te nemen en Jezus te volgen. Die angsten zitten in de weg en weerhouden ons ervan de dingen te doen die we moeten doen. Het is dus een zaak van groeien.

Om ons te bemoedigen geeft Jezus ons dat voorbeeld van de mussen. God is Zich zo bewust van wat er in Zijn schepping gaande is, dat zogezegd zelfs een mus niet kan vallen zonder dat Hij dat toelaat. En wij zijn meer waard dan vele mussen. Dat is toch wel een geweldige, indirecte bemoediging! We zijn vele mussen waard. Dat is alles. Dat maakt nederig en bemoedigt, omdat — als Hij op mussen let — hoe nauwgezet let Hij dan wel niet op ons?

Let u op uw kinderen om te proberen te voorkomen dat ze iets doen dat hun vermogens te boven gaat, om ze voor pijn te behoeden, om er zeker van te zijn dat ze voedsel krijgen, om er zeker van te zijn dat ze worden onderwezen, om er zeker van te zijn dat ze opgroeien tot personen die uw naam eer zullen aandoen? Hoe veel voorzichtiger, hoe meer oplettend, hoeveel meer macht heeft God niet om tussenbeide te komen? Maar ik zeg u, dat we moeten leren de angst te overwinnen dat Hij niet werkelijk met ons is.

Ik ben bang gemeente, dat wij die in Israëlitische landen leven, die zolang onder betrekkelijk zekere economische omstandigheden en verdraagzaamheid van manieren van leven hebben geleefd, dat als er een bedreiging voor ons welzijn op ons afkomt, we heel gemakkelijk tot de ontdekking kunnen komen dat we niet trouw zijn aan Christus — omdat we voor de verkeerde dingen bang zijn.

Evelyn zei onderweg naar de dienst iets tegen me dat misschien hier goed van toepassing is. Beoordeelt u dat zelf maar. Maar aan het eind van de tachtiger jaren, een jaar of twee na de dood van de heer Armstrong en de tussenliggende periode die er — laten we zeggen tot 1995 — op volgde, waren er zo'n 150.000 mensen die over de gehele wereld het Loofhuttenfeest bijwoonden. Vanaf de dood van de heer Armstrong zijn er zo'n achttien jaar voorbijgegaan. Hoeveel mensen maken nu deel uit van de kerk van God? 25.000? Ik weet het niet precies, maar ik denk dat dat getal er niet ver naast zit. Wat is er met de andere 125.000 mensen gebeurd?

Er is een plaats in de bijbel die de indruk wekt dat de kerk met het naderen van het einde gedecimeerd zal worden. Tien procent van 150.000 is 15.000 mensen. We gissen hier alleen maar — we speculeren wat. Ik wil niet dat u deze getallen serieus neemt, maar ik wil dat u er in gedachten wat mee speelt. Er is iets gaande. Ik geloof dat God de kerk aan het uitkammen is. Hij is bezig om mensen eruit te ziften.

Hij staat toe dat de mensen dit zelf doen door gewoon niet in staat te zijn de omstandigheden te verdragen van een lichaam dat op zoveel verschillende manieren uit elkaar is gevallen — een situatie waar het elke dag op hun geloof aankomt en ze kunnen niet steunen op de heer Armstrong, ze kunnen niet steunen op de lokale dienaar, ze kunnen niet steunen op de grote massa mensen die ze op het Loofhuttenfeest zien, ze kunnen niet steunen op de omvang en de kracht van de kerk, het programma de Wereld van Morgen en al die dingen.

Is hun geloof in God? Is hun geloof in Zijn woord? Ik garandeer u dat de angst naar boven zal komen. Eén van de eerste dingen waar ze bang voor zullen zijn, is dat ze bang zijn zich op een zinkend schip te bevinden en dus knijpen ze ertussen uit.

Ik dacht na over welvaart. In onze welvarende omstandigheden wordt het vrij gemakkelijk om een houding te krijgen dat het relatieve gemak en de verdraagzaamheid die we in onze natie ervaren een teken is van Gods instemming, Gods aanvaarding. Soms is dat inderdaad zo. Maar dat geldt niet altijd — in het geheel niet! En het kan helpen te bedenken, voor u die bekend bent met het boek Amos, dat dat laat zien dat Israël (in de tijd dat Amos tot hen predikte en dat was in de laatste tientallen jaren voordat zij door de Assyriёrs werden aangevallen) één van de meest welvarende tijden sinds Salomo meemaakte.

Ze waren buitengewoon rijk voor die dagen — ze dronken wijn uit bokalen, zoals hij zegt, waarmee hij tot uiting brengt dat ze geweldig welvarend en voorspoedig waren. Maar hij zei: "Ik nam uw regen weg. Dat veranderde u niet. Ik nam dit weg en dat veranderde u niet. Ik liet dat daar gebeuren, maar u reageerde niet. Ik deed dit en u schonk er geen aandacht aan." Daarna zegt hij: "Bereidt u voor uw God te ontmoeten, omdat Ik dit niet langer over Mijn kant zal laten gaan."

Er komt een tijd van afrekening. De welvaart van de Verenigde Staten van Amerika staat op het punt in het niet te verdwijnen. Het kan nog enkele jaren duren, maar die welvaart zal zeer zeker verdwijnen. Canada zal dezelfde weg gaan als wij. Evenals Japan; dat gaat tegelijk met ons te gronde. Misschien ook het grootste deel van Europa. Al deze landen zullen in een wereldomvattende economische ramp die zijn gelijke niet kent, terechtkomen. En wie zullen ze de schuld geven, de consumenten van al die rijkdom die voornamelijk de Verenigde Staten ten deel valt?

We moeten God vrezen.

Spreuken 29:25 Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de HERE vertrouwt, is onaantastbaar.

De vrees voor de verkeerde dingen is een geweldig vernietigende strik, omdat deze altijd zonde voortbrengt. Die vrees is bedrieglijk, omdat — als we die hebben — die zoveel te bieden schijnt te hebben. Als we eraan toegeven wordt ons geweten overspoelt door opluchting. Maar later raakt de werkelijkheid ons als een mokerslag en beginnen we de pijn en het verdriet te voelen.

Vrees is een krachtige aansporing. Maar de verkeerde vrees is een intense vorm van een van zichzelf bewust zijn, die in feite een vorm van straf is, die zelfvernietigend uitwerkt. Het kan — en zal dat ook — een schuldig geweten veroorzaken, en zo'n soort geweten straft door angst. Wat een stress! We zouden veel beter af zijn geweest als we gewoon de pijn of het ongemak van gehoorzaamheid aan God hadden verdragen in plaats van aan onze vrees toe te geven.

Gemeente, ik ben ervan overtuigd dat leerstellige waarheden door de mens veelal vanwege deze twee angsten worden verworpen: (1) de vrees zichzelf te moeten verloochenen en (2) de vrees voor andere mensen. Die twee zijn heel innig met elkaar verbonden. En we hebben ongeveer elke dag de gelegenheid te werken aan de vrees voor zelfverloochening. Dat is het zeggen van "Nee" tegen iets waarom ons vlees schreeuwt, of waar onze ijdelheid om roept. Zulk soort gelegenheden doen zich vaak voor, zelfs op één dag.

We zullen afsluiten met Openbaring 21:7-8.

Openbaring 21:7-8 Wie overwint, zal deze dingen beёrven, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen [Let erop hoe deze twee aan elkaar zijn gekoppeld.], de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars, en alle leugenaars — hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.

Dit is een heel echt probleem, voor ons allemaal. Bang zijn is een deel van onze natuur. We kunnen dat zien in de Israëlieten uit de oudheid; en als we eerlijk zijn tegenover onszelf, zien we dat elke dag ook in onszelf heel duidelijk aan het werk. Dit weerhoudt ons er zo vaak van ons aan God te onderwerpen en te groeien en te overwinnen.

Laten we eraan gaan werken en zo zeker stellen dat we elke dag kunnen zien als een dag van voorbereiding — gereed te komen voor de dagen die volgen. Dat is de rust waarover Paulus het in Hebreeën 4 heeft, de sabbatsrust die aanbreekt met de oprichting van het Koninkrijk van God. Dit is iets waar we elke dag aan kunnen werken zonder zelfs ons huis te verlaten, omdat dit in iedereen van ons aanwezig is. Laten we niet vergeten dit te doen — werken om aan het eigen ik zijn verlangens te ontzeggen op die momenten dat het duidelijk verkeerd is om dat toe te laten.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)