Het voortbrengen van vrucht

Door John W. Ritenbaugh
6 april 1993

Samenvatting: (toon)

In deze boodschap waarin de gelijkenis van Lucas 11:24-28 wordt aangehaald, waarschuwt John Ritenbaugh dat schoonmaken (of verwijderen van zuurdeeg) slechts het begin is van het groeiproces. Schoongemaakt worden bereidt ons alleen maar voor op het voortbrengen van vrucht. Het is Gods zorg dat we geestelijk volwassen worden. Als we stil staan (op onze lauweren van zelfrechtvaardiging gaan rusten) zullen de duistere krachten ons achteruit trekken. Nutteloosheid lokt een ramp uit. We moeten loskomen van het negatief gericht zijn op "niet doen" en ons beginnen te concentreren op "doen". De consequenties van het niet dragen van vrucht worden levendig beschreven in Johannes 15:6. Als we eenmaal gereinigd zijn, is Gods doel dat Hij groei in ons teweegbrengt.


Laten we deze preek beginnen in Exodus 13.

Exodus 13:3, 6-7 Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want met een sterke hand heeft de HERE u daaruit geleid. Daarom mag niets gezuurds gegeten worden. ... 6 Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feest voor de HERE zijn. 7 Ongezuurde broden zullen gedurende de zeven dagen gegeten worden; er mag zelfs niets gezuurds bij u gezien worden, ja, in uw gehele gebied mag er geen zuurdeeg worden gezien.

Het onderwerp van deze preek is het voortbrengen van vrucht. Om te beginnen kunnen we zeggen dat de dagen der ongezuurde broden een tweerichtingsweg zijn. Er zijn zowel positieve als negatieve aspecten aan verbonden. Maar al te vaak hebben we de neiging het negatieve te benadrukken, dus de tijd, de energie en de gedachten die we besteden aan het niet zondigen in plaats van het meer gericht zijn op het doen van positieve goede werken.

Ik denk dat we hier in zekere zin allemaal wel schuldig aan zijn. Ik weet dat ik als dienaar heel wat tijd heb besteed aan duidelijk maken wat zonde is, en het aanmoedigen en aansporen niet meer te zondigen, tijd die waarschijnlijk veel beter besteed had kunnen worden door duidelijk te maken wat goede werken zijn, en aan te moedigen en aan te sporen tot het doen van goede werken!

In dit verband denk ik aan de Farizeeën en de Sadduceeën, maar in relatie met Christus voornamelijk aan de Farizeeën. Mattheüs 5 maakt het heel duidelijk dat Christus wel enig respect had voor de Farizeeën — dat ze rechtvaardig waren. Hij zei niet in welke mate ze rechtvaardig waren, maar Hij zei dat tenzij onze gerechtigheid die van de schriftgeleerden en de Farizeeën te boven zou gaan, we niet in het Koninkrijk der hemelen zouden zijn. Zij waren dus in zekere zin rechtvaardig, maar Jezus was veel rechtvaardiger.

Er was een fundamenteel verschil in hun benadering tot rechtvaardigheid. De benadering van de Farizeeën was proberen onberispelijk te blijven door niet te zondigen. Jezus' benadering wordt geloof ik in Handelingen 10 onder woorden gebracht, waar (Handelingen 10:38) Lucas zei, toen hij dat schreef, dat Jezus weldoende [goed doende] rondtrok! Hij besteedde Zijn tijd dus aan 'goed' doen.

De ene benadering was positief, de andere negatief. Dit betekent niet dat de Farizeeën altijd negatief waren in alles wat ze deden. Het betekent ook niet dat Jezus altijd positief was — want als het neerkwam op het weerstaan van zonde moest Hij inderdaad de zonde weerstaan.

Maar het fundamentele verschil was dat de ene benadering zichzelf voortdurend verdedigde, terwijl de andere er een was van Zijn leven afleggen. De Farizeeën deden dus iets dat fundamenteel en essentieel zelfgericht was. Zij waren er alleen maar in geïnteresseerd zichzelf te beschermen. Ze hadden dus weinig tijd over om daden van liefde voor anderen te verrichten.

Dat past precies bij 1 Johannes 4:18, waar vrees wordt beschreven als de grootste uitdaging voor liefde. Zij waren bang te zondigen. In feite probeerden de joden — zo staat er in hun geschriften — een omheining rond de wet op te trekken, zodat niemand de wet kon overtreden! Ze deden dit door allerlei soorten regels en beperkingen op te stellen. Degene waarover we het meest moeten glimlachen, of waar we het meest van afweten, zijn sommige regels over het houden van de sabbat. We moeten nogal grinniken over futiele en vreemde manieren om te proberen de sabbat te houden, maar zij waren echt serieus. Ze deden dat niet in een slechte houding. Ze waren serieus in wat ze deden. Daarachter verborgen zat hun pogen zichzelf te beschermen. En dat is fundamenteel zelfgericht.

Rechtvaardigheid moet ergens beginnen. Het moet daar beginnen waar de Farizeeën waren. We moeten beginnen met niet te zondigen. Maar als we onze aandacht op positievere dingen kunnen richten, dan behoeven we ons niet zo druk te maken over zondigen, omdat we dan druk bezig zullen zijn de juiste dingen te doen. Zonde komt dan ook niet meer zo vaak in onze gedachten op als anders zou gebeuren.

Lucas 11:24-28 Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. 25 En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. 26 Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hij zelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. 27 En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen. 28 Maar Hij zeide: Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren.

Dat onderwijs past heel goed bij het uitwerpen van een onreine geest. Iemand die het woord van God hoort en DOET wordt veel meer gezegend dan — aansluitend bij deze gelijkenis — iemand die grote schoonmaak heeft gehouden en daarna geen stap verder is gegaan in zijn christen-zijn.

Dit is echt een interessant voorbeeld. Eén van de eerste conclusies die we hieruit kunnen trekken is, dat Jezus zegt dat schoon zijn, rein zijn niet goed genoeg is. We zijn dus gereinigd door het woord. Dat zullen we straks zien. Maar het is niet goed genoeg om alleen maar rein te zijn.

We gaan naar een paar alternatieve vertalingen kijken. De Living Bible zegt "schoon en leeg". Het Boek: "schoon en opgeknapt". De Amplified Bible: "schoongeveegd en versierd". De New American Standard Bible: "schoon en in orde". Een commentaar suggereert "leegstaand en gereed voor een nieuwe bewoner".

Hier komt de sleutel. Ik vond dat een goed commentaar, dat de commentator het nodig vond het met die woorden uit te drukken: "leegstaand en gereed voor een nieuwe bewoner". Het Grieks duidt op "het verschijnen van iemand die er misschien wel goed uitziet". Natuurlijk, iemand die schoongeveegd is, ziet er goed uit. Hij is gereed voor iets. Maar waarvoor?

De mens heeft de neiging een grote show te maken van onbeduidende dingen. Daarom corrigeerde Jezus de vrouw die zei: "Gezegend de schoot die U heeft gedragen en de borsten die U hebben gezoogd". Dat is mooi gezegd. Maar Jezus zegt in feite, zonder die vrouw werkelijk te kleineren, wat voor nut zou dat hebben gehad als Zijn moeder, die zeer zeker gezegend was door God door Hem te dragen en te zogen, uiteindelijk verkeerd zou zijn terechtgekomen? Zij had een vrije wil. Zij kon met haar leven doen wat ze wilde — ook al was ze een instrument in Gods hand. Ze had een vrije wil. Daarom zei Jezus, dat is mooi gezegd, MAAR gezegend is die persoon die het woord van God hoort en ernaar handelt.

De les van deze gelijkenis is dat iemands leven een nieuwe energiebron nodig heeft — iets dat hem in beweging houdt — een hoop, een droom, een visie, een doel, een reden om te leven. Als we eenmaal gereinigd zijn door vergeving van onze zonde, als we dus eenmaal het Pascha-stadium voorbij zijn, dan zijn de dagen der ongezuurde broden het begin van iets dat van doen heeft met die nieuwe energie die in ons leven is gekomen. De reden dat we ons bekeerden moet ergens toe leiden.

Leidt het tot een min of meer negatief beschermen van onszelf om onberispelijk te blijven? Of leidt het tot iets dat iets goeds voortbrengt — niet alleen voor het eigen ik maar ook voor anderen? Als we geen nieuwe energie vinden, geen nieuwe bewoner voor dat wat schoongeveegd is, dan zegt deze gelijkenis dat we slechter af zijn dan als we nooit zouden zijn schoongeveegd. Dat is in het bijzonder van toepassing op u en mij, wij die leven in de tijd voorafgaande aan de eerste opstanding. Stel eens dat God ons nooit had geroepen, ons nooit berouw had geschonken, dan waren we dus ook nooit tot bekering gekomen; maar als God ons dan toch had vergeven en ons schoongeveegd, en we daarna ons behoud hadden verspeelden, zou het dan niet veel beter zijn geweest als we hadden moeten wachten tot een geschiktere tijd?

God vergist Zich niet. God weet dat we het aankunnen. Daarom verkeren we in de situatie waarin we nu verkeren. Maar we moeten nog steeds in beweging worden gebracht. We hebben nog steeds onderwijs nodig. We hebben nog steeds begrip nodig. We moeten nog steeds beslissingen nemen om iets met ons leven te doen. En zoals ik onlangs in een preek zei, met God ligt de zaak als volgt: Als we het punt van bekering en vergeving hebben bereikt en Gods Geest hebben ontvangen, dan is ons behoud verzekerd, tenzij we het echt afwijzen! Het is Gods zorg dat we opgroeien naar volwassenheid. Hij wil dat we zoveel groeien als we maar kunnen. Hij wil dat we zoveel vrucht voortbrengen als we maar kunnen. Maar als we stilstaan, lopen we het gevaar om in feite achteruit te gaan. Herinnert u zich die twee wetten waarover ik u vertelde? De wet van traagheid en de wet van entropie (toenemende chaos, wanorde)? In het bijzonder de wet van entropie werkt er voortdurend aan ons terug te trekken in een toestand van achteruitgang.

De wetenschap leert dat de natuur een afschuw heeft van een vacuüm. Als iets is leeggemaakt, komt er bijna onmiddellijk iets anders voor in de plaats. Als we de vloeistof uit een fles verwijderen, komt er direct lucht voor in de plaats. De vloeistof wordt door iets anders vervangen. De les met ons is precies hetzelfde. We kunnen worden schoongeveegd, maar dan moet er iets worden gedaan want anders — zo leert de gelijkenis ons — zal de invloed van de onreine geesten in veel sterkere mate terugkeren dan ze ooit is geweest. Dat is een andere reden dat we er dan slechter aan toe zullen zijn dan eerst. We staan op een kritiek kruispunt. Het is van belang dat we de juiste beslissing nemen en in de juiste richting gaan.

In het christen-zijn is er GEEN ruimte voor neutraliteit. We moeten partij kiezen en verdergaan. Er wordt een oorlog gevoerd. Dat moeten we gaan inzien. We moeten in BEWEGING komen, want anders zullen de natuurkrachten en de geestelijke krachten, de duistere krachten van deze wereld, ons achteruit trekken. Het is het een of het ander.

Aan het begin van deze preek moeten we drie dingen vaststellen:

1) Zoals ik in feite heb gezegd, kunnen we geen religie hebben, een manier van leven, op basis van wat we niet kunnen doen. Daar kunnen we de nadruk niet op leggen. Dat is niet productief. Dat is deprimerend. We willen niet gedeprimeerd raken. We willen opgewekt zijn, vol hoop, vol vreugde! Als we een kind willen deprimeren, dan moeten we het voortdurend vertellen wat het niet kan doen. Zo is het ook met volwassenen.

2) We kunnen niet stilstaan. Het is niet goed genoeg het kwaad uit te drijven. Er moet iets goeds voor in de plaats komen. Kwaad kan worden overwonnen. Laten we dat goed begrijpen. Kwaad kan worden overwonnen, maar het kan niet worden vernietigd. Er is een verschil tussen die twee. Dat is een realiteit waarmee we moeten leren omgaan. Om te laten zien hoever dat gaat, geeft de bijbel zeer duidelijke aanwijzingen dat zelfs God niet de belichaming van het kwaad, Satan de duivel, kan vernietigen. Hij is geest. Geest kan niet worden vernietigd. Zo onverwoestbaar is dat. Haal het dus nooit in het hoofd dat we iets kwaads kunnen vernietigen — we kunnen dat niet. Dat is een werkelijkheid die er is, omdat die geestelijk is. Dat heeft in negatieve zin zijn invloed op ons. We kunnen het overwinnen, maar het blijft terugkomen. We zijn om zo te zeggen in oorlog, in een conflict, tot aan het eind van ons leven toe. Dat is een werkelijkheid waarmee we moeten omgaan. De nieuwe energie die we hebben moet er dus op zijn gericht dat we ervoor kiezen Christus te dienen.

3) Het derde punt dan is dat de beste manier om kwaad te vermijden het doen van goed is. Laten we het op de volgende manier onder woorden brengen. God wil dat we goed worden. Het woord goed is afgeleid van het woord God. Het heeft zijn oorsprong, zijn etymologie daarin. We kunnen nooit goed worden zonder dat we goed doen. We worden goed door ons leven met goede, liefelijke dingen te vullen. We moeten boze gedachten vervangen door goede.

Bedenk dat de andere uitdaging van liefde ledigheid of luiheid is. Nu nog één ding dat we van die gelijkenis kunnen leren. Dat is dat ledigheid een dodelijke ziekte is. Jezus zegt dat de persoon die in dit voorbeeld schoongeveegd was — als hij ledig is en niets doet — dat hij dan erger af zal zijn en hij loopt het risico dat hij in de poel des vuurs belandt.

Laten we nu 2 Petrus 2 opslaan. Dat is een bevestiging van wat ik zojuist over Lucas 11 heb gezegd.

2 Petrus 2:19-20 Vrijheid spiegelen zij hun voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men. 20 Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus [dus zijn schoongeveegd], toch weer erin [de bezoedelingen van de wereld] verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste.

Als we de gelijkenis combineren met wat Petrus zegt, zien we dat iemand is schoongeveegd, waarna hij vanwege zijn ledigheid teruggaat naar de wereld. De nieuwe energie vond geen houvast in hem. De wereld kwam terug in hem!

2 Petrus 2:21-22 Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overgeleverd is. 22 Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen zeug naar de modderpoel.

In Johannes 9 is nog een voorbeeld te vinden dat dit onderwerp vanuit een iets andere hoek benadert, maar het is ook een voorbeeld dat iemands einde erger kan zijn dan zijn toestand aan het begin.

Johannes 9:39 En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.

In dit geval zijn "wie niet zien" zoals wij zeggen "het gewone volk". En zij die zien kunnen blind worden. In dit voorbeeld gaat het over de Farizeeën, omdat zij zeggen dat zij zien. Ze zeggen dat ze het snappen. Ze zeggen dat ze het begrijpen. Misschien gebruikten ze het woord "zien" wel, omdat Hij in het begin van het hoofdstuk net een blinde had genezen. De woorden passen dus bij elkaar. Hij gebruikt het woord "zien" hier in de betekenis van begrijpen, kennen, bevatten. Het kwartje valt.

Johannes 9:40-41 Dit hoorden sommigen uit de Farizeeёn, die bij Hem waren, en zij zeiden tot Hem [ik veronderstel dat dit met een zekere gevoel van belediging werd gezegd]: Zijn wij soms ook blind? 41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde.

We zien hier dat zelfs God iemand niet verantwoordelijk houdt als hij onwetend is. Dat betekent niet dat als iemand onwetend is, dat er geen consequenties zijn, maar de verantwoordelijkheid is niet hetzelfde.

Iemand kan onwetend zijn, zoals een klein kind. Het is onwetend van wat er zal gebeuren als het zijn vinger in het stopcontact steekt. Maar een klein kind is niet verantwoordelijk als het dat niet weet — toch zal het de gevolgen te verwerken krijgen als het het doet. Zo is het ook met de geestelijke wet van God. Als iemand die wet niet begrijpt, zal hij toch een straf moeten ondergaan, omdat die wetten automatisch werken (ze zijn onderdeel van Gods schepping). Maar God zal hem niet verantwoordelijk houden. Hij zal licht worden beoordeeld wegens zijn onwetendheid.

Maar wat als iemand van de daken verkondigt dat hij weet, dat hij begrijpt, dat hij het bevatten kan, dat het kwartje luid en duidelijk is gevallen? Wat als zo iemand zich opwerpt als leraar (zoals de Farizeeën hier deden)? Dat is een geheel ander geval. Jezus zegt dan "uw zonde blijft", wegens zijn manier van denken. Jezus wil hier de aandacht op het volgende vestigen. Als iemand zegt dat hij weet, en hij leidt dan een leven dat niet in harmonie is met wat God zegt en wat deze persoon verkondigt, dan is er een zekere mate van opzet in zijn doen; hij doet het in zekere zin weloverwogen. Dat is de subtiele betekenis van Jezus' antwoord aan de Farizeeën. Wat denkt u dat hun einde zal zijn? Ik weet zeker dat ze met vele slagen geslagen zullen worden wegens de omstandigheden waarin ze verkeerden.

Nu naar Johannes 5. Dit is interessant omdat het plaats vond op een heilige dag. Sommigen zeggen dat het het Trompettenfeest was.

Johannes 5:1 Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem.

Daarna wordt het bad, de poel, te Betesda beschreven met de mensen die daar lagen.

Johannes 5:5 En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was.

Er staat niet dat die man achtendertig jaar oud was. Hij had al achtendertig jaar een ziekte. Hij kan dus veel ouder dan achtendertig zijn geweest. Naar mijn mening staat er een eindje verder een aanwijzing dat hij inderdaad een stuk ouder was. Vers 9 laat zien dat dit op een sabbat plaats vond. De joden stonden onmiddellijk op hun achterste benen, omdat Jezus dit op de sabbat deed; zij vonden dat hij het sabbatsgebod overtrad.

Johannes 5:13-14a En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een (grote) schare op die plaats was. 14 Daarna vond Jezus hem in de tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, ...

Met andere woorden je bent rein gemaakt, je bent genezen! Zondig niet meer ...

Johannes 5:14b ..., opdat u niet iets ergers overkome.

Ik zei reeds dat die man geen achtendertig jaar oud was, maar dat hij achtendertig jaar ziek was. Jezus zei hem "niet meer te zondigen". Dit duidt erop dat de man in deze toestand verkeerde door zonde. Met andere woorden zijn zonden hadden deze ziekte op hem gebracht. Jezus zei zo iets als "Ga niet opnieuw zondigen anders wordt het erger dan het is geweest." ERGER? Wat zou er erger kunnen zijn dan achtendertig jaren van ellende en pijn? Er was iets ergers. Omdat hij nu was schoongeveegd, waren de regels van het spel enigszins veranderd. Er moest nu een nieuwe energie in zijn leven zijn.

Ik denk dat dat voor die man een hele uitdaging moet zijn geweest. Achtendertig jaar lang was hij gewend geweest dat anderen voor hem zorgden. Dat moet moeilijk te veranderen zijn geweest als je al die jaren werd verzorgd. We kunnen ons zijn gemoedstoestand wel voorstellen — hoeveel medelijden moet hij niet met zichzelf hebben gehad omdat hij niet productief was? We kunnen dat begrijpen. Ik probeer niet hem of een omstandigheid iets te verwijten. We kunnen begrijpen dat zijn weg verschrikkelijk moeilijk moet zijn geweest wegens de toestand van zijn denken dat zich in al die jaren had gevormd. Alles in zijn leven was afhankelijk van zijn kritieke conditie. We moeten dus in overweging nemen dat ook wij (uitgebeeld in het Pascha) zijn schoongeveegd, maar nu moeten we verder.

Er zijn — zoals ik ze wil noemen — subtiele krachten op ons werkzaam. Bijvoorbeeld Gods liefde als excuus gebruiken om te zondigen. Ik bedoel niet dat we dat expres doen, maar we hopen daarbij op de barmhartigheid van God. God is inderdaad barmhartig. Hij is genadig. Hij is bereid te vergeven. Maar we hebben dat op de een of andere manier in onze gedachten zitten. Dat komt misschien wel uit de protestantse maatschappij waarin we leven. Misschien ook wel de rooms-katholieke, want daar kan iemand naar de priester gaan en absolutie ontvangen; zo wordt het geweten voor een korte tijd gereinigd. Maar het is zo gemakkelijk om weer naar die priester terug te gaan (te biechten) en weer vergeving te krijgen. Weet u wat zulke gedachten veroorzaken? Ze verleiden ons tot ledigheid. Zo worden we dus ermee geconfronteerd dat we onszelf moeten aansporen om iets te doen — om er zeker van te zijn dat die energie die in ons leven is gekomen zich niet zo maar comfortabel ergens neervlijt, maar dat het juist een krachtig middel wordt dat ons op de been houdt om verder te gaan.

Nu naar Johannes 15. Iets verder in de preek komen we hier nog in meer detail op terug. Maar in Johannes 15:8 zegt Jezus:

Johannes 15:8a Hierin is mijn Vader verheerlijkt, ...

Ik geloof dat dat ook staat in de geloofsbelijdenis van de Presbyteriaanse kerk: dat het hoofddoel van de mens bestaat uit het verheerlijken van God. Dat komt erg dicht bij de waarheid.

Hoe verheerlijken we God? Door veel vrucht te dragen.

Johannes 15:8b ..., dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn.

Het laatste deel van dat vers is erg interessant: "en gij zult mijn discipelen zijn". Suggereert Hij daar op subtiele wijze dat we niet echt discipelen zijn totdat we vrucht voortbrengen? Dat lijkt er toch wel sterk op!

Eén ding wordt hier duidelijk als we er later nog meer in detail op zullen terugkomen, dat is dat nutteloosheid een ramp uitlokt. Dat past hier precies. Ik heb alleen het woord maar veranderd, maar het past precies bij het begin — dat als we eenmaal zijn schoongeveegd, we iets moeten doen. Nutteloosheid (onbruikbaarheid) lokt een ramp uit.

Ik hoop dat u de lijn van mijn denken kunt volgen. Het is niet goed genoeg om alleen maar op te houden met zondigen. Er moet vrucht worden voortgebracht. En als er vrucht wordt voortgebracht zullen we echt discipelen zijn. Ziet u, het zondigen moet door iets worden vervangen. Het moet worden vervangen door goede gewoonten of goede werken, OF we zullen in feite achteruit gaan!

We zouden kunnen zeggen dat de uiteindelijke test van ons leven is of we een geschikt vat zijn voor God om te gebruiken. Ik noemde al eerder Maria (niet bij naam, maar als de moeder van Jezus). Zij was een vat dat God gebruikte om Zijn Zoon te dragen en te baren. God gebruikte haar op die manier. Maar wat gebeurde er daarna? Het schijnt dat ze een erg fijne vrouw is geweest. Het schijnt dat ze haar leven goed heeft besteed.

Ik heb de volgende uitspraak nog niet eerder gedaan, maar ik ga dat nu doen — omdat deze een rol gaat spelen in het vervolg van deze preek. En dat is dat "zuurdesem opruimen", "goede werken doen" en "vrucht voortbrengen" allemaal verschillende manieren zijn om praktisch hetzelfde te zeggen. Ze zijn niet exact hetzelfde, maar ze zijn nauw verwant, omdat ze allemaal deel uitmaken van het bekeringsproces.

We weten dat zonde het overtreden van de wet is. Zuurdesem opruimen betekent ophouden met zondigen. MAAR zonde is niet zo eenvoudig (zoals alleen maar te zeggen "een overtreding van de wet") — evenmin overwinnen, noch het voortbrengen van vrucht. Ik denk dat we allemaal wel begrijpen dat de woorden die in het Grieks in het Nieuwe Testament worden gebruikt om zonde aan te duiden eigenlijk betekenen "het doel missen" of "afwijken van het pad". Dat is minder precies dan "overtreden van de wet". Dat bedoel ik met te zeggen dat zonde niet zo eenvoudig is. Er is bij 1 Johannes 3:4 meer betrokken dan wat het oog ziet.

In Jesaja 1:16-17 staat het volgende:

Jesaja 1:16-17 Wast u [met andere woorden wordt schoon], reinigt u [dat is een andere manier van zeggen BEKEERT U], doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; 17 leert goed te doen, tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtszaak der weduwe.

Er staan hier acht aansporingen. Dat is interessant, misschien kunnen we hier een soort balans vinden. Drie aansporingen zijn negatief en vijf positief. Drie zeggen ons iets te doen zodat iets niet meer gebeurt. Vijf zeggen ons iets positiefs te doen.

Om goede werken te kunnen doen en vrucht te kunnen voortbrengen, moeten we loskomen van die negatieve fixatie op "niet doen" — en ons concentreren op doen. In de gehele bijbel zien we dat God meer de nadruk legt op het positieve dan op het negatieve. Maar op de een of andere manier pakt ons denken altijd weer het negatieve op. Misschien komt dit wel doordat de geboden in een negatieve vorm zijn geformuleerd. Het kan zijn dat dat de reden is.

Als we de formule die Jesaja hier geeft, volgen dan zien we dat er altijd wel een negatief aspect aanwezig zal zijn. Dus krijg alstublieft niet het idee dat er niets negatiefs aan gekoppeld is, want dat is wel het geval. Er zijn negatieve aspecten. Maar het positieve behoort sterker te zijn dan het negatieve. De reden hiervan (dat er altijd iets negatiefs zal zijn) ligt in het feit dat de menselijke natuur er altijd bij betrokken is. Die wil altijd dat we terugglijden op de weg waarop we ons gevecht voeren.

Nu wil ik even een zijpad inslaan, om te laten zien hoe belangrijk het is om goed te doen in plaats van alleen maar vermijden te zondigen. Hiervoor gaan we naar de brief aan de Romeinen.

Romeinen 14:22-23 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. [Luister nu goed naar het volgende.] Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet [dat maakt deel uit van het onderwerp waar dit hoofdstuk over gaat], is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

Zoals ik al eerder zei, zonde is niet altijd zo simpel als het in 1 Johannes 3:4 wordt gedefinieerd, als we onszelf in actuele, praktische situaties bevinden. Het zou geweldig mooi zijn als we zonde altijd zo eenvoudig konden aanduiden. Als we het goed begrijpen is dat toch precies de richting waarin God ons leidt. Begrijpen we wat ik hier bedoel? Totdat we uiteindelijk aankomen op de plaats (geleid door GOD) waar alles zwart of wit IS en netjes past binnen de omschrijving van 1 Johannes 3:4. Dan zullen we in staat zijn om zelfs in moeilijk te begrijpen omstandigheden in te zien "Ja, dit is een overtreding van de geboden" of "Nee, dat is geen overtreding".

Maar aangezien we nog niet op die plaats zijn aangekomen, heeft God ook andere woorden gebruikt om zonde aan te duiden, zoals hamartia en parptoma. Het ene woord betekent "van het pad afgaan" en het andere "het doel missen". We gaan dus begrijpen dat zonde niet zo gemakkelijk is te categoriseren. We zien de dingen dus nog niet zo duidelijk als zou moeten.

Wat moet iemand nu doen als hij twijfelt of iets goed of kwaad is? Het is heel menselijk om te twijfelen, omdat we niet alles weten. En er zijn soms situaties waarmee we nooit eerder te maken hebben gehad; we kunnen ons dan afvragen wat de juiste weg is en wat de verkeerde weg is.

De meesten van ons hebben overtuigingen over wat goed of kwaad is. En als we het niet zeker weten is het erg aannemelijk dat ergens in ons achterhoofd — of hoe je dat ook noemen wilt — een knagende twijfel ontstaat of datgene wat we willen gaan doen nu wel echt goed is of soms toch kwaad. Wat gaat u dan doen? Dat wordt hier in Romeinen 14, vers 22 en 23, onder woorden gebracht.

Ik zal u zeggen wat God zegt. Bij twijfel NIET DOEN! Zo eenvoudig is het. Omdat zelfs als we iets gaan doen dat in Gods ogen juist is en in overeenstemming met de wet, maar als we eraan twijfelen of het wel juist is, dan hebben we gezondigd als we het doen. Wat denkt u daarvan? We kunnen echt zondigen door iets te doen dat volgens Gods denken, in Gods oog, juist is en in overeenstemming met de wet, alleen maar omdat we eraan twijfelen of het wel juist is. We zijn er niet van overtuigd dat het juist is.

Dat bedoel ik als ik zeg dat zonde niet zo eenvoudig is. God zegt ons dat als we twijfel hebben, we beter aan onze overtuiging kunnen vasthouden. De reden daarvoor is, dat als we tegen onze overtuiging ingaan, we iets doen dat vernietigend is voor ons karakter. En God weet dat als puntje bij paaltje komt, we gaan toegeven. Onze integriteit zal zich dan niet staande houden.

God zegt in zo'n geval — doe niet waarvan je niet overtuigd bent dat het juist is. Blijf trouw aan je overtuiging, maar onderzoek het, denk erover na, mediteer erover. Ga in gebed naar Hem toe en vraag Hem om hulp. Vraag Hem om begrip, de juiste vorm van overtuiging over wat goed is en kwaad. Hij is getrouw. Hij zal dat doen omdat Hij wil dat we in deze dingen worden opgevoed. En dan, als onze overtuiging verandert, kunnen we het gaan doen. Ons karakter zal dan niet worden beschadigd door het op die manier te doen.

Laten we nu in Jacobus een ander aspect gaan bezien.

Jacobus 4:17 Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde.

Dit is min of meer de andere kant van de medaille. Weten goed te doen en het niet doen is zonde. We hebben ook dan het doel gemist, zelfs al maakten we ons niet schuldig aan overspel, diefstal, liegen of wat dan ook. We wisten dat we iets moesten doen dat juist was en goed, toch deden we het niet en misten dus het doel.

Dit vers brengt ons op een ander gebied dat voor deze preek van belang is, omdat er mensen zijn die goedheid gelijk stellen met achtenswaardigheid. Dat zijn verschillende zaken. Er zijn heel wat achtenswaardige mensen die een en ander WETEN over Gods weg, maar ze handelen er niet naar. Nee, ze liegen niet en stelen niet, maar toch handelen ze niet naar hun kennis. Plaatst dat hen niet in dezelfde categorie als de Farizeeën waarover we zojuist in Johannes 9:1 lazen? Ze zeggen dat ze weten, maar ze doen er niet naar. Zulke mensen zijn niet in goede (geestelijke) conditie.

Wat is de oplossing hiervoor? Wat kunnen we doen? In welke richting moeten we gaan als we het zuurdesem willen verwijderen, goede werken doen en vrucht voortbrengen?

We gaan nu diverse schriftgedeelten aan elkaar koppelen. We beginnen in Johannes 15.

Johannes 15:16-17 Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam. 17 Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.

Johannes 13:34-35 Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. 35 Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.

U zult wel opmerken hoe het woord "liefde" in deze verzen te voorschijn komt. Nu naar 1 Johannes 3.

1 Johannes 3:10-18 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar [Met andere woorden de een is duidelijk kenbaar aan het ene en de ander is duidelijk kenbaar aan het andere.]: een ieder die de rechtvaardigheid niet doet [Wat is rechtvaardigheid? "Al uw geboden zijn gerechtigheid." Psalm 119:172], is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt: dat wij elkander zouden liefhebben; 12 niet gelijk Kaïn: hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, broeders, wanneer de wereld u haat. 14 Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft. 16 Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. 17 Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? 18 Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid.

Ik ben er zeker van dat ik tientallen schriftgedeelten zou kunnen aanhalen om dit te illustreren en te bewijzen, maar ze komen alle neer op het volgende: Onze manier van leven laat zien wie de kinderen van God zijn en wie niet.

Aan deze drie gedeelten die ik heb voorgelezen, "zullen allen weten dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander" (Johannes 13:35). Deze gedeelten illustreren iets. De kinderen van God worden kenbaar aan de manier waarop ze leven. 1 Johannes 3:10 maakt dat heel duidelijk.

We begrijpen wat gerechtigheid is en in deze context is gerechtigheid liefde. Specifieker gezegd: uw broeder liefhebben. Iets niet doen (ik ontleen dit aan wat Johannes hier zegt) wordt bijna gelijkgesteld aan een vorm van haat. Het wordt bijna gelijkgesteld aan moord.

Hoe kunnen we dan helpen? Op zijn minst zou ik zeggen dat IEDEREEN zijn broeder kan helpen door voor hem te bidden. Dat is tenminste al een begin. Op die manier doen we in ieder geval niet niets. Het is een bepaalde vorm van liefde voor hem als we inderdaad voor hem bidden. Ik ben ervan overtuigd dat als we bidden er een proces op gang komt dat positieve gedachten voortbrengt, waardoor andere manieren om te helpen worden gevonden.

Johannes maakt het in de verzen 17 en 18 (van 1 Johannes 3) erg duidelijk dat mooie woorden, of mooie gedachten, of mooie gevoelens nooit de plaats kunnen innemen van iets dat wordt gedaan.

Past dit allemaal bij wat ik aan het begin van deze preek zei? Ledigheid lokt een ramp uit! Het is niet goed genoeg dat we zijn schoongeveegd. Er moet een nieuwe dynamiek worden gevonden. Die dynamiek heet LIEFDE! Liefde is iets dat wordt GEDAAN. Het kan samengaan met mooie gedachten, en dat is goed. Maar het wordt niet echt liefde totdat het aanzet tot een daad.

De nadruk van God ligt op doen. Die ligt op iets doen. Daarover staat in Gods woord zoveel positieve instructie. Onder andere de volgende: "Christus legde Zijn leven voor ons af." Hij bleef niet in de hemel zitten om te zeggen: "Is dat niet mooi? Moet je nou toch eens kijken. Is dat niet fijn? Ziet zij er niet aantrekkelijk uit? Is hij geen knappe vent?" Nee, Hij daalde op aarde neer en deed iets. En wat Hij deed was natuurlijk erg kostbaar. We kunnen dus verwachten dat daden van liefde iets zullen kosten. En ze zullen altijd gepaard gaan met de vrees dat we zullen worden afgewezen of niet juist begrepen of zoiets, maar toch moeten ze worden gedaan.

De oplossing ligt dus in het begrijpen van de relatie tussen het zuurdesem verwijderen, het doen van goede werken en het voortbrengen van vrucht. In het universum werkt het volgende principe: We groeien of we degenereren. We kunnen niet lang stil staan, want als we dat doen, zullen we achteruit gaan glijden.

De heer Armstrong placht te zeggen: "Elke vis kan met de stroom mee zwemmen." Zo bracht hij het onder woorden. In feite zei hij: Er zal niets tot stand komen zonder dat er inspanning wordt geleverd om tegen onze natuurlijke neigingen in te gaan. Of die neigingen nu voortkomen vanuit de wereld, of vanuit onze luiheid, of vanuit een angst die ons beheerst, we zullen er tegenin moeten gaan, moeten vechten. Voor wat betreft levende wezens kunnen we dus zeggen: We komen of we gaan. We nemen toe of anders nemen we af.

Ja, ook dieren en planten zijn levende wezens. TOCH kunnen zij praktisch niets doen om hun omstandigheden te veranderen. Zij kunnen hun milieu niet veranderen. Een dier kan wat rondtrekken. Maar een plant kan niets doen. Dieren en planten zijn in zekere zin een voorbeeld voor ons. Zij kunnen praktisch niets doen tegen de krachten der natuur.

God maakte u en mij met verstand en Hij gaf ons een vrije wil. Wij kunnen veranderen! Wij hebben een ontzagwekkende invloed op het milieu! Wij kunnen het vernietigen. We kunnen er misbruik van maken. We kunnen het ook opbouwen. Dat kunnen we ook allemaal met onszelf. We kunnen stilstaan en de krachten der natuur ons in degeneratie achteruit laten trekken. We kunnen er ook voor kiezen ertegen te vechten, onszelf aan te zetten in de richting te gaan waarvan we absoluut zeker weten dat die juist en waarachtig is — omdat Gods woord dat zegt.

Laten we nu naar Lucas 13 gaan, omdat we nu langzamerhand gaan inzien dat ons probleem is, dat we op een positieve manier niet genoeg invloed aanwenden.

Lucas 13:6-9 En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand bezat een vijgeboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen. 7 En hij zeide tot de wijngaardenier: Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgeboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan? 8 Hij antwoordde en zeide tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen, 9 en indien hij in het komende jaar vrucht draagt, (dan is het goed,) maar anders, dan moet gij hem omhakken.

Deze gelijkenis geldt ook in deze tijd nog voor ons — omdat deze ons inzicht geeft in Gods doel met ons. De man die een vijgeboom in Zijn wijngaard had, is God. De wijngaardenier is Christus. En we kunnen zeggen dat de vijgeboom de kerk is of wij als individu.

De vijgeboom wordt beschouwd als een boom die past binnen het gebied van Palestina. Normaal wordt dan ook verwacht dat hij het goed doet. Het klimaat is precies wat die boom nodig heeft. Blijkbaar viel daar ook de juiste hoeveelheid regen. Er werd dan ook verwacht dat hij een grote oogst zou voortbrengen.

Jezus waarschuwt ons herhaaldelijk dat we geoordeeld zullen worden naar wat we met de kansen die ons werden geboden, hebben gedaan. Het is zonneklaar dat niet iedereen dezelfde kansen heeft. Iedereen heeft niet dezelfde bekwaamheden. God geeft gaven in overeenstemming met natuurlijke bekwaamheden. God kiest ervoor dat sommigen dingen doen waarvan Hij niet wil dat anderen die doen. God verwacht dus niet van iedereen hetzelfde. Dat is zonneklaar. Van degenen die meer begaafd zijn en van Hem grotere gaven ontvangen, grotere genade, wordt daarom ook meer verwacht. Maar of we nu één, twee of vijf talenten ontvangen — iedereen zal worden geoordeeld naar wat hij met zijn kansen en met zijn gaven heeft gedaan.

Ik geef nu een aanhaling van ene C.E.M. Joad. Hij maakte deze opmerking betreffende de wereld; niet aangaande de kerk. Maar hij illustreert iets dat voor ons belangrijk is. Hij zei:

We hebben de macht van God en we gebruiken die als een stel onverantwoordelijke schooljongens. Nooit tevoren was een generatie zoveel toevertrouwd als die van ons, en daarom was er nog nooit een generatie die zoveel rekenschap aan God zal moeten afleggen.

Hij had het over onze generatie, onze tijd. Ik weet niet wie C.E.M. Joad is, maar hij sloeg de spijker precies op de kop. Nooit heeft een generatie zoveel ontvangen in termen van technologie, middelen om onze tijd nuttig te besteden. Nooit hebben we zoveel kennis gehad van dingen die in het verleden hebben plaats gehad. Nooit hadden we door alles wat er is bestudeerd zoveel inzicht in het denken van de mens, zowel de man als de vrouw, en wat we met de bodem kunnen doen, met de oceaan, en met dit en dat. Er staat ons zoveel kennis ter beschikking! En toch gaat alles op dezelfde voet verder, misschien zelfs slechter.

In deze gelijkenis draait het niet om behoud. Het draait om groei. Jezus onderwijst alweer dat nutteloosheid een uitnodiging is voor een ramp — een boom die geen vrucht voortbrengt op het moment dat verwacht wordt dat hij vrucht voortbrengt.

Ik heb al eerder gezegd dat God geen vergissingen begaat. Hij weet dat wij het aankunnen. Wij kunnen met Zijn hulp deel gaan uitmaken van het Koninkrijk van God. Het draait er alleen maar om hoe we onze kansen gaan benutten. Worden ze gebruikt als middel tot groei? Of worden ze gebruikt door te reageren: "Ik heb geen zin om dat te doen."

Wat was nu eigenlijk de zonde van die boom? Hij bracht niets voort. In de hier gebruikte analogie, nam hij van de grond en van de lucht. Maar hij gaf niets terug! Hij gaf er niets voor terug.

Denk nog eens terug aan de preken over liefde. God verwacht dat Zijn liefde voor ons wordt beantwoord, naar Hem teruggaat (wederkerigheid) en ook uit gaat naar anderen als we daar de gelegenheid voor hebben. Met andere woorden God verwacht dat we iets teruggeven. We zijn verplicht, omdat Hij ons heeft schoongeveegd, iets te gaan doen met datgene wat Hij ons heeft gegeven.

We vragen ons af en toe af of we de kracht wel hebben om dit te doen. We zien in deze gelijkenis, dat de wijngaardenier ons bemest. Christus geeft ons de kracht om te doen wat we moeten doen. We worden dus de hoek ingedrukt. We kunnen nooit naar Hem toegaan en zeggen: "God, U hebt me nooit de middelen verschaft om de klus te klaren." Want we hebben die middelen ontvangen. Waarom geeft Hij ons dat wat Hij ons geeft? Opdat we vrucht kunnen voortbrengen. Wat Hij ons hier in de gelijkenis geeft is een vorm van bemesting, maar we beginnen waarschijnlijk te begrijpen wat Hij bedoelt. Het gaat niet om groei alleen maar omwille van de groei. Het draait om vrucht. De boom groeide, maar bracht geen vrucht voort. Dat was het punt waarom het draaide.

Eet een boom van zijn eigen vrucht? Jazeker. Maar hij eet er niet van voordat anderen ervan hebben genomen en de rest op de grond is gevallen. God wil ook dat wijzelf voordeel hebben van onze vrucht. Maar Hij wil dat we begrijpen, dat het in eerste instantie voor anderen is. Als we werkelijk een vruchtbare boom zijn, dan is er zoveel meer dan er in feite wordt gegeten, dat er voldoende over is voor de boom zelf die het voortbracht. Omdat de vrucht op de grond valt, bemest hij de grond en dan komt het weer terug bij de boom, die het weer gebruikt om te groeien en nieuwe vrucht voort te brengen. Een prachtige gelijkenis.

God drijft ons in de hoek inzake of we dit nu wel of niet kunnen doen. We kunnen het zeer zeker. We zijn schoongeveegd. Daarna begint Hij met ons te werken, niet voor het doel van behoud, maar voor het doel van het voortbrengen van vrucht, omdat Hij — evenals elke goede ouder — Zijn kinderen graag ziet opgroeien.

Laten we nu Johannes 15 weer opslaan.

Johannes 15:1-8 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. 2 Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. 3 Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; 4 blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. 6 Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. 7 Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden. 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn.

Een wijnstok heeft twee soorten ranken: ranken die vrucht voortbrengen en ranken die dat niet doen. In deze gelijkenis zien we dat degene die geen vrucht voortbrengen worden weggenomen en verbrand. Zelfs het hout is nergens goed voor. Kan iemand me vertellen waarvoor een wijnstok geschikt is? Alleen maar voor het voortbrengen van vrucht. Ik heb nooit een ander goed doel gezien voor de wijnstok — behalve misschien dan bij Tarzan in de jungle, hij kon eraan slingeren.

Als een rank geen vrucht voortbrengt, wordt hij weggenomen. Maar zelfs de ranken die vrucht voortbrengen, worden verder gesnoeid! Het doel daarvan is dat ze in de toekomst nog meer vrucht voortbrengen.

Weer terug naar Johannes 15, vers 1. Om goede vrucht voort te brengen, moet er een goede wijnstok zijn. Wij hebben de allerbeste wijnstok, want Jezus Christus is de wijnstok en wij zijn in Hem geënt. Als we geen goede wijnstok hebben, gaan de ranken geen goede vrucht voortbrengen. Het belangrijkste bij het voortbrengen van goede druiven is het hebben van een goede wijnstok. Als de wijnstok goed is dan is er een grote kans dat de druiven ook goed zijn.

In vers 2 kwamen we "vrucht" tegen. Als we niet voortbrengen, worden we weggegooid; als we voortbrengen zullen we meer gaan voortbrengen. Vers 3 zegt ons dat we gereed zijn om vrucht te dragen, omdat we rein zijn! Daar gaat het in die gelijkenis om. We zijn gereinigd en dus gereed om vrucht te dragen. Maar de gemeenschap, de relatie, de verbinding met de wijnstok moet in stand blijven — dat gebeurt INDIEN we in de wijnstok blijven.

Vers 7 duidt erop hoe dit wordt gedaan. Dat is door gebed, praten met God, naar Zijn woord luisteren, de communicatie gaande houden, elkaar leren kennen. Als dat gebeurt stroomt de Geest van God heen en weer en zal er vrucht worden voortgebracht.

Lucas 17:5 En de apostelen zeiden tot de Here: Geef ons meer geloof.

Daarna komt de instructie aangaande onze plichten. We pakken de draad weer op in vers 9.

Lucas 17:9-10 Zal hij de slaaf soms danken, omdat hij deed wat hem bevolen was? 10 Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen.

We zijn nu bijna de cirkel rond, de cirkel die slaat op het voortbrengen van vrucht, hoe te overwinnen, hoe zuurdesem te verwijderen. Ik denk dat het interessant is om er nu op te wijzen dat Hij de slaaf niet zondig noemde. Hij noemde hem onnut. Hij bracht niets voort.

Het onderhouden van de geboden is onze plicht. Zelfs al slagen we daar heel goed in, dan doen we niet meer dan onze plicht! We zouden gedwongen kunnen worden om dat te doen. Dus daarom is er geen dankjewel aan verbonden, omdat iedereen hier op aarde verantwoordelijk is dit voor God te doen.

Bedenk nogmaals dat alleen maar schoongemaakt zijn onvoldoende is. Wat brengt reiniging dan in feite voort? Als we de gelijkenis aan het begin van deze preek weer in gedachten halen, zien we dat die iemand in een kwetsbare toestand achterlaat. We zouden zover kunnen gaan dat we zeggen dat we in ons gehele bekeerde leven het meest kwetsbaar zijn om weer in onze oude toestand terug te vallen vlak nadat we zijn gereinigd. We kunnen daarbij denken aan de analogie met Israël dat uit Egypte kwam. Toen Israël bij de Schelfzee kwam, kwam God persoonlijk tussenbeide en stelde Zich tussen hen en de Egyptenaren. Hij stelde Zich middels de wolkkolom tussen hen op; aan de ene kant verlichtte deze de nacht en aan de andere kant was deze duisternis. Hij kwam persoonlijk tussenbeide totdat zij waren gedoopt en hun reis echt was begonnen. Dus gereinigd zijn laat iemand in een kwetsbare toestand achter.

Het werk dat wij moeten gaan doen is de gewoonten die ons werden vergeven, af te leren en te vervangen door goede gewoonten. Als we dat doen, zal het grootste deel van het zuurdesem worden verwijderd.

Laten we nu nog een paar schriftgedeelten aan elkaar koppelen, te beginnen in Johannes 14. Als we aan het verwijderen van het zuurdesem beginnen, zal dit er ook aan gaan meewerken dat er vrucht wordt voortgebracht waardoor anderen gesterkt zullen worden. Wat we hier bekijken is een proces. Laten we eens teruggaan naar het begin van Gods roeping. God roept ons en Hij begint ons op te voeden in zaken die met behoud samenhangen. We kennen dat vers in Romeinen 2:4 nog wel, dat zegt dat "de goedertierenheid Gods ons tot boetvaardigheid leidt". Houdt die gedachte vast, want daarmee begint een belangrijk punt voor deze preek.

Johannes 14:15-17 Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. 16 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, 17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.

Johannes 14:26 maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.

Romeinen 8:14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

Galaten 5:18 Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet.

Ik zei eerder dat de goedertierenheid Gods ons tot boetvaardigheid (bekering) leidt. En bekering is een mijlpaal in een opvoedingsproces. We zouden nooit tot bekering komen tenzij God ons in bepaalde opzichten begon op te voeden. Denkt u ook niet?

Maar er is meer aan verbonden dan dat — omdat het niet alleen opvoeding is. God doet middels Zijn Geest iets in ons denken! Ik bedoel, Hij doet iets in ons denken, zodat de woorden die we in dit opvoedingsproces horen iets voor ons gaan BETEKENEN, iets dat ze anders niet voor ons zouden hebben betekend. Met andere woorden ze hebben invloed op ons.

We weten dat dit waar is. Neem maar eens iemand die niet bekeerd is, en laat hem een bepaald schriftgedeelte lezen. Daarna lezen we het zelf. Wij zien dan iets geheel anders dan hij. Het kan zijn dat hij er totaal niets in ziet dat persoonlijk op hem van toepassing is. Neem bijvoorbeeld een schriftgedeelte over het houden van de sabbat. Het zijn niet alleen maar de woorden. God deed door Zijn Geest iets in ons denken, zodat de woorden iets voor ons gingen betekenen dat ze voordien niet deden. Dat is het wonder van bekering.

Het opvoedkundige aspect is inderdaad belangrijk, maar beide aspecten zijn nodig om ons gemotiveerd te krijgen iets te doen. Als een onderdeel van dat proces wordt onderbroken, dan houdt de groei op. Ik zeg u dat we er nooit mee kunnen ophouden om Gods woord in ons op te nemen, het te verslinden en het te bestuderen. We kunnen ons nooit toestaan niet langer door Gods Geest te worden geleid. Ook moeten we dagelijks tot Hem blijven bidden om alles te laten doorgaan. Als we toestaan dat die gewoonte wordt onderbroken, zullen we langzaam geestelijk doodgaan van de honger. De bron van kracht, de Geest die op ons denken inwerkt — de bemesting, het water — alles wat veroorzaakt dat deze dingen invloed hebben op ons, dat zal allemaal worden stopgezet.

Op zijn best gezegd zullen we alleen nog maar blijven meelopen als we die gewoonte laten onderbreken. We zullen niet echt van harte meelopen, alsof het christen-zijn een soort lastige plicht is. Maar ik zeg u, dat als we de lijnen openhouden en er achteraan gaan, dan kunnen we enthousiast en trouw voorwaarts gaan met alle kracht die nodig is om goede werken te doen, zuurdesem te verwijderen en vrucht voort te brengen. Dat zal het natuurlijke resultaat zijn. We kunnen het dan net zo min stoppen als een vijgeboom en een wijnstok kunnen voorkomen dat zij vrucht voortbrengen, als ze in de juiste omstandigheden verkeren die nodig zijn om hen te voeden.

Dus vrucht voortbrengen, zuurdesem verwijderen en zonde overwinnen hangen alle met elkaar samen als onderdeel van het groeiproces.

We zullen eindigen met Efeziërs 4.

Efeziërs 4:13-16 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze GROEI des lichaams, om ZICHZELF op te bouwen in de liefde.

Dit zegt op een andere manier wat ik in deze gehele preek heb gezegd. Het doel van God is — als we eenmaal zijn gereinigd — om groei in ons voort te brengen. En net als bij een plant is er, als we groeien, een goede kans dat we vrucht zullen voortbrengen. En als we het voedsel dat Hij geeft tot ons nemen, dan zullen we — en dat nog wel allemaal tegelijkertijd — vrucht voortbrengen, zuurdesem verwijderen en groeien. Het is een wonderlijke en toch eenvoudige analogie. Het is een prachtige analogie.

Het voordeel voor ons is — net als voor de vijgeboom — net zoals hier in vers 16 wordt gezegd "om onszelf op te bouwen in de liefde", dat als we dit doen, wij er zelf ook voordeel van hebben. Het is iets zoals "krijgen door te geven". Dat geldt omdat God er voor zorgdraagt dat omwille van wat wij dan voortbrengen, de zegeningen ook naar ons zullen terugkomen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)