Christus kennen (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
21 december 1996

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat Christus' offer niet slechts plaatsvervangend was, maar ook vertegenwoordigend, waarbij Christus ons een patroon gaf om ons leven naar te richten – de werkingen van het lichaam te doden en zonde uit te bannen. Wegens dit patroon beseffen we dat rechtvaardig leven geen leven zonder pijn garandeert. Evenals Christus, onze Voorloper, moeten we leren door de dingen die we lijden, een leven van opoffering te leiden, collectief en individueel een tempel of lichaam te worden – een woonplaats voor Gods Heilige Geest. Evenals Christus zijn wij geroepen priester te worden en daarmee te voorzien in een bemiddelaarsrol tussen mens en God. Ons gehele leven, evenals dat van onze oudste Broer, moet gegeven worden als een gaaf, levend offer aan God waarbij we (1) ons lichaam en onze geest aan Hem overgeven en onze lusten en verlangens onder controle houden, (2) lofoffers brengen, (3) offers brengen in het dienen van anderen, en zonodig (4) het offer brengen van een martelaarsdood.


In de preek die ik vorige week in de omgeving van Sacramento en San Fransisco gaf, zagen we enkele aspecten van dood en lijden toegepast op de christen die eropuit is God te kennen. We zagen dat veel in de actieve verlossing die Christus voor ons teweegbracht, niet alleen maar plaatsvervangend was — met andere woorden dat Hij alleen maar onze plaats innam in de dood die ons boven het hoofd hing — maar ook vertegenwoordigend — dat wil zeggen dat Hij ons voorging in een manier van leven die wij moeten navolgen om naar Zijn beeld te worden en te worden voorbereid op het Koninkrijk van God. Ik noemde dat het "archigos principe", omdat een archigos iemand is die vooruit gaat om dingen te doen, zodat anderen later kunnen volgen om dezelfde dingen te doen.

Met dit concept wordt het begrip dood in de bijbel op twee manieren op ons toegepast. De eerste is de verklaring dat een bekeerd iemand door God als dood wordt beschouwd, omdat hij berouw heeft getoond en zich heeft bekeerd en hem zijn zonden zijn vergeven; de wet kan dus geen aanspraak meer maken op zijn leven en het is alsof hij dood is voor de wet — alsof hij voor wat betreft de wet niet langer bestaat; hem wordt zodoende de gerechtigheid van Christus toegeschreven. Dit is van Gods kant gewoon een juridische handelwijze. Het is een gift van God. We hebben absoluut niets gedaan om dat te verdienen. Alles dat we hebben gedaan is het uitdrukken van geloof in het offer van Jezus Christus, en misschien veranderden we ons leven een heel klein ietsie pietsie en begonnen we dingen te doen die we voorheen niet deden. Maar God keek vanaf dat moment naar ons alsof we dood zijn voor de wet.

Het tweede aspect van dit begrip dood vereist heel wat meer actie van onze kant, en dat is het ter dood brengen van de zonden van de leden van ons lichaam. We besteedden dus nogal wat tijd aan die twee manieren van het woord doden: de éne kwam voor in Romeinen 8 en de andere in Colossenzen 3. We moeten dus het vlees ter dood brengen. We begrijpen allemaal uit eigen ervaring dat dit bij tijden heel pijnlijk kan zijn, omdat ons vlees zijn diep ingewortelde, zelfbevredigende gewoonten niet wil opgeven. Dit veroorzaakt tot op zekere hoogte lijden, omdat door jezelf bevrediging te ontzeggen je jezelf nogal onbehagelijk gaat voelen; dit is misschien nog maar zwak uitgedrukt.

Paulus zei ook (in Filippenzen 3:10) dat hij wilde deelhebben aan het lijden van Christus. Christus leed omdat Hij rechtvaardig was. Hij bracht geen lijden over Zichzelf vanwege Zijn zonde, maar wegens Zijn gehoorzaamheid aan God, die tegen de draad van de wereld inging. Het gevolg was vervolging. De wereld heeft niets op met iemand die rechtvaardig leeft. Dus vervolging komt voort uit rechtvaardig zijn. Daarenboven omdat Hij ernaar streefde goed te doen, omdat Hij gedurende geheel Zijn leven de menselijke natuur en Satan en de wereld weerstond, bracht die houding ook een zekere mate van lijden teweeg. Hieraan wilde Paulus deelhebben. Hij wilde lijden, als hij al moest lijden ... Begrijp dit alstublieft niet verkeerd. Hij wilde niet lijden. Niemand wil lijden; lijden moet niet als iets "goeds" worden beschouwd. Maar toch is lijden onontkoombaar, wegens de zonde, wegens het kwaad. Daarom zullen we lijden, of door eigen zonde, of door andermans zonde, of we gaan lijden omdat we rechtvaardig zijn — en dat is de vorm van gemeenschap die Paulus wilde ervaren. Hij wilde niet lijden wegens zijn zonde. Hij wilde niet lijden omdat andere mensen dit veroorzaakten, tenzij dit gebeurde wegens zijn gehoorzaamheid.

Dus rechtvaardig leven is geen garantie voor een leven zonder pijn. En omdat we zullen lijden wegens de zonden van anderen, evenals de "naweeën" van onze eigen zonden — dat is iets anders dat heel duidelijk in de bijbel tot uiting komt — moeten we verwachten dat het eens zal gebeuren. Maar de oplossing tot het uitbannen van het kwaad dat wegens de zonde bestaat, is dat ieder van ons begint zichzelf in te spannen om zichzelf te regeren, zodat er geen zonde meer in ons leven tot ontwikkeling komt. Kwaad zal altijd op aarde aanwezig blijven zolang als er mensen zijn die zondigen. We kunnen dus niet op de regering gaan wachten om het te doen. Dat is de mentaliteit die heerst binnen de 'verzorgings'-gedachte. Die wacht tot iemand anders iets doet. God laat duidelijk zien dat het door onszelf moet worden gedaan — wij moeten er niet op uit zijn het anderen te laten doen, maar het onszelf te laten doen — dat betekent ophouden met zondigen. Dat zal bijna nooit een gemakkelijke, pijnloze weg zijn en in werkelijkheid is er [zoals de bijbel laat zien] maar één weg te gaan: dat is de rechte en enge weg — de weg die het minst wordt begaan. Maar nogmaals, de menselijke natuur zal dat koste wat het kost proberen te vermijden.

Als we dus Christus gaan volgen, als we naar Gods beeld veranderd gaan worden, moeten we ons geloof dat God met ons zal zijn, uitoefenen, onze moed opschroeven, onze wil ertoe zetten en ervoor gaan. Er is geen andere manier van handelen om Gods wil te volbrengen. Weet u nog wat God tegen Jozua zei toen ze het land binnengingen? "Wees zeer sterk en moedig." Als u denkt dat die mensen hun moed niet moesten opschroeven, hun wil ertoe zetten te overwinnen — dan hebt u een probleem. Geloof zou ons daartoe moeten motiveren.

Maar het vooruitzicht van de pijn die het kost om ons lichaam zijn bevrediging te ontzeggen, of de vrees voor verwerping, of zelfs echte vervolging door mensen omdat we niet langer met hen op één lijn zitten, omdat we hun levensstijl niet langer als de onze accepteren, of de angst ons inkomen kwijt te raken en dat allemaal omdat we de sabbat gaan houden en de Heilige Dagen, of tienden gaan geven — die dingen kunnen een overweldigende zorg zijn en onze moed slinkt en verdwijnt beetje bij beetje. Maar gemeente, is dit wat van ons wordt verlangd — is dat in enig opzicht anders dan wat Jezus Christus reeds heeft doorstaan? Bedenk dat Hij de archigos wordt genoemd. Hij ging voor ons uit en Hij moest door omstandigheden en situaties gaan, ondanks dat Hij een geloof had waarvan wij alleen maar kunnen dromen. Hij moest ook Zijn moed opschroeven. Hij moest ook Zijn wil ertoe zetten en Hij zei ook tot God: "Laat deze beker toch alstublieft aan Mij voorbij gaan." Hij was bang, maar Hij overwon. Hij zei: "Maar niet Mijn wil ..." [We weten dus wel wat Zijn wil was], "... maar Uw wil geschiede." Dat behoort ons duidelijk te maken dat er aan het christen-zijn heel wat lijden is verbonden. Christus moest dus door dingen gaan, evenals wij, en het enige verschil ligt niet in het principe, maar in de mate en de intensiteit waarmee we worden geconfronteerd.

Laten we Filippenzen 2:5-8 opslaan.

Filippenzen 2:5-8 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Hieruit [uit wat Christus deed, wat we zojuist lazen dat Christus deed] komt een andere vertegenwoordigende handeling van Christus naar voren — één die uitermate belangrijk is binnen het proces om ons tot echte heiliging te brengen, om God te kennen, en om naar het beeld van God te worden gevormd. Het offer van Christus begon toen Hij vrijwillig het recht opgaf op de macht, de heerlijkheid en de voorrechten van Zijn functie als Schepper en als tweede persoon in het bestuur over het gehele universum. Dat was nogal een offer, omdat het zou kunnen zijn dat Hij stierf en alles verloor. Hij zou hebben kunnen zondigen en dat zou het eind van het verhaal zijn geweest. Is er ooit iemand geweest die meer dan Hij opgaf, die meer risico nam, die in geloof moest vertrouwen dat Degene die overbleef Hem zou redden, Hem zou sterken, met Hem zou zijn, Hem zou helpen om moed te houden, Hem zou helpen de zonde te weerstaan, Hem zou helpen Zijn angst te overwinnen?

Als u denkt dat u gevoelens hebt, stelt u zich dan de diepte van gevoelens eens voor van Degene Wiens denken absoluut volmaakt en helder was, en die alle consequenties van wat Hij deed volledig doorzag en ook wat er zou gaan gebeuren als gevolg van wat Hij deed, en te weten dat als Hij die dingen deed, Hij Zichzelf een verschrikkelijke dood op de hals zou halen. Ik denk dat ik daardoor verlamd zou worden. Dat zou zo'n geweldige last zijn om te dragen, dat ik die beslist niet kon dragen.

Het begon dus toen Hij die beslissing nam en het doortrok alles wat Hij daarna uit vrije wil deed — Hij onderwierp Zich aan ruimte en tijd, Hij werd de Boodschapper van het verbond, Hij werd de zondeloze Verlosser van de mensheid, en Hij moest door alle voorbereidingen heen om onze Hogepriester te worden. Hij leerde door lijden. Dat maakte Hem geschikt voor de taak die Hij nooit eerder had vervuld. Hij was nog nooit Hogepriester geweest. Hij en de Vader vonden het dus nodig dat Hij voor die positie werd getraind, en die training vereiste dat Hij mens werd en dat Hij het leven van een menselijk wezen moest ervaren. Waar Hij doorheen moest gaan, zou een lijdensweg zijn, maar het resultaat daarvan zou de toebereiding zijn.

Johannes 4:23-24 maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24 God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.

Dit concept van een offer in het leven van een christen loopt door heel het Nieuwe Testament heen. Dit voorval moet al heel vroeg tijdens het optreden van Jezus hebben plaatsgevonden. Ik ben er zeker van dat toen het gebeurde, de discipelen niet het flauwste idee hadden van het concept dat Hij toen ter sprake bracht. De onderstroom van het gesprek tussen Christus en de vrouw die erbij betrokken was, was Wie heeft de beste religie? en Waar is de beste plaats om te aanbidden?

Laten we eens in ogenschouw nemen wat we van de religies uit die tijd begrijpen. Of het nu de Samaritaanse was, de Griekse, de Romeinse, de Babylonische of de Hebreeuwse religie — in bepaalde opzichten waren ze allemaal hetzelfde. Ten eerste, ze hechtten aan een plaats van eredienst, en gewoonlijk was die plaats een schitterende tempel, zoals die in Jeruzalem, of de vele die de Grieken en de Romeinen bouwden; sommige daarvan hebben het tot in deze tijd overleefd: die in Efeze, de grote tempel voor Diana, en andere steden in Klein-Azië. Er was altijd een centrale plaats van eredienst.

Bovendien was er altijd een schitterend geklede en — ik mag wel toevoegen gesloten — een in principe gesloten groep van priesters. Bijvoorbeeld die van Israël was gesloten voor iedereen met uitzondering van hen die van het geslacht van Aäron waren. Je moest dus niet alleen Leviet zijn, zelfs al was je Leviet dan garandeerde dat niet dat je priester kon worden, want als je niet van Aärons geslacht was, dan was het priesterschap niet voor je weggelegd — en we weten hoe mooi [ik wilde zeggen feestelijk] ze er in al hun opschik uitzagen. In andere religies was het precies zo.

We hebben dus een plaats van eredienst en een indrukwekkend geklede, maar gesloten groep van priesters. Bovendien was er een bewerkelijk en soms bloederig en vaak sensueel ritueel. Behalve in het judaïsme was er in die religies geen aandacht voor moraliteit en ethiek. Er was geen aandacht voor de onderlinge menselijke verhoudingen. Voor de heidenen was religie alleen maar een middel om iets van een god gedaan te krijgen en je goed te voelen. Er was geen vrucht die we verkrijgen, zoals de bijbel laat zien, uit hetgeen we doen.

In die omstandigheden ontstaat een nieuwe religie — de christelijke, zonder tempel, zonder altaar, zonder priesters, zonder offeranden, zonder bijzondere kleding voor hen die dienaren waren, zonder ritueel en zonder aantrekkelijke dingen voor de zintuigen. In plaats daarvan werd de aandacht gericht op een unieke Persoon, en was er de visie op een koninkrijk dat Hij ergens in de niet nader gespecificeerde toekomst zou oprichten, en de boodschap in die religie zei dat het uit de geest moest komen als het vlees [de mensheid] gered moest worden.

Dat zei Jezus hier. Dat was Zijn antwoord aan de vrouw die zei: "Jullie aanbidden in Jeruzalem, maar wij aanbidden op de berg Gerizim." Zei bedoelde daarmee te zeggen: "Onze religie is beter dan die van jullie." Misschien was dat in veel opzichten wel waar. Dat is het trieste ervan. Wat Jezus hier onderwijst, is dat God Zich meer bezig houdt met de inhoud van de religie, met wat het voortbrengt en hoe de mensen aanbidden dan dat Hij Zich bezig houdt met de plaats waar ze aanbidden, dat is de plek op aarde waar ze aanbidden.

Ik ben hier om u te zeggen dat het — voor hen die niet wisten waarnaar ze in de christelijke religie moesten kijken — alleen maar aan de buitenkant erop leek dat het geen van deze elementen had — omdat het deze elementen wel degelijk had. Het Nieuwe Testament staat letterlijk vol met zaken die met offerande samenhangen, dit soort "versieringen" zijn er echt wel voor de nieuwtestamentische kerk, maar ze zijn verschoven van het fysieke naar het geestelijke. Deze preek zal zich bezig houden met dit principe van offerande, want dit principe is heel belangrijk voor het begrip lijden zoals Christus leed.

Als we geen offers brengen, dan garandeer ik u dat we geen deel zullen hebben aan het lijden van Christus. Het is het sleutelelement dat zo belangrijk is voor Gods manier van leven die Hij met ons voor heeft, dat God offerande al in het vierde hoofdstuk van de bijbel aan de orde stelt; eigenlijk al in het derde hoofdstuk als we de profetie over Christus begrijpen. Het is dus een fundament voor Gods manier van leven, en tenzij we, door geloof, bereid zijn onze moed op te schroeven en voort te gaan met de bereidheid offers te brengen, kan ik u garanderen dat we geen deel zullen hebben aan het lijden van Christus, en dat we hoogstwaarschijnlijk nooit naar Gods beeld zullen worden gevormd en dat we Hem niet zullen leren kennen.

1 Petrus 2:4-5 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u [mede-christenen] ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.

Hier in vers 5 stapelt Petrus zijn metafoors in een geweldige overdaad op elkaar, er bijna niet in geïnteresseerd hoe dat in onze oren klinkt. Denk alstublieft niet dat hij hier niet serieus is in zijn onderwijs. Het is heel belangrijk dat we de praktische consequenties begrijpen van deze geestelijke werkelijkheid. Het moet van de geest komen als het vlees [de mensheid] moet worden gered.

In één zin die in de New King James, uit 43 woorden bestaat, impliceert Petrus het bestaan van een Hogepriester [Degene waarvoor we zullen verschijnen] en laat hij zien dat christenen de tempel zijn en een priesterschap. Koppel deze twee eens aan elkaar. Christenen zijn de tempel en het priesterschap dat geestelijke offers brengt. Petrus verwijst hier naar ons als levende stenen in een geestelijk huis.

Efeziërs 2:20-22 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. 21 In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, 22 in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

Dat verduidelijkt een en ander van wat Petrus zei; hier wordt collectief naar ons verwezen als een geestelijke tempel, dat we goed ineensluitend zijn en dat we groeien (opwassen) naar een heilige tempel — een geestelijke tempel. Vanuit het Oude Testament kunnen we begrijpen dat God beschouwd werd te wonen in de tempel, dat dat Zijn woonplaats was. In vers 22 past Paulus dat rechtstreeks op ons toe: "In wie ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest." We kunnen nu dus een beetje gaan begrijpen waarom Jezus zei: Je hoeft je geen zorgen meer te maken over Jeruzalem. God kijkt uit naar mensen die Hem willen aanbidden in geest en in waarheid. Dat versterkt nog eens wat Hij zei in de laatste nacht voor Zijn kruisiging. Hij zei toen: Wij [de Vader en de Zoon] zullen komen en in u wonen [in u onze woonplaats maken]. God woont dus niet meer in een fysieke tempel, maar Hij woont in Zijn volk, en zo beginnen wij dus de tempel te worden.

Petrus verwijst naar ons als levende stenen in een geestelijk huis. Al deze illustraties die deze mannen gebruikten, laten zien — of het nu de illustratie was van een lichaam of van een gebouw — dat wat zij proberen over te brengen is dat God ons in een gemeenschap heeft geplaatst — een gemeenschap waarin we onderling afhankelijk zijn en op allerlei manieren op elkaar inwerken. De stenen zijn levend, dus we beïnvloeden elkaar door ons leven, we beïnvloeden elkaar door wat we doen. Er bestaat geen twijfel aan dat Paulus, toen hij die beschrijving maakte, de tempel in Jeruzalem in gedachten had. In 1 Corinthiërs 3:11 gebruikte Paulus de term fundament voor Jezus Christus. Petrus zegt dat Hij de hoeksteen is. We zien dus dat de beeldspraken nogal eens veranderen en ze stellen Christus voor in een beeldspraak die zij op dat moment het beste vinden om wat ze willen overbrengen tot uitdrukking te brengen.

We zien in Efeziërs 2 dat de apostelen en de profeten deel worden van het fundament. In Efeziërs 2 wordt een zeer specialistisch woord op een belangrijke plaats gebruikt en het is heel nuttig om dat te begrijpen. Paulus gebruikt het woord naos om de tempel aan te duiden en niet het woord heiron, omdat heiron duidt op de gehele tempel, terwijl er wordt gezegd dat wij in de naos worden opgenomen, oftewel het binnenste heiligdom van de tempel. Dit is belangrijk om onze relatie met God te begrijpen, omdat de priesters hun functie in het binnenste heiligdom vervulden. Bedenk dat wij een geestelijk priesterschap zijn. Het is nodig dat de priesters daar zijn, omdat ze een zo nauw mogelijk contact met God moeten hebben om hun taken uit te voeren. Gods tempel is in feite dus een groep mensen.

1 Corinthiërs 3:16-17 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? 17 Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!

Paulus verandert de metafoor hier zo dat de individuele christen wordt gezien als de tempel van God — evenals Jezus voorheen had onderwezen dat God in ons persoonlijk zou wonen. We moeten de gehele context in beschouwing nemen om dit te gaan begrijpen. Ik ga hier doorheen, opdat als u de bijbel bestudeert, u zult begrijpen dat de apostelen soms schijnbaar wat losjes omgaan met de manier waarop zij de dingen onder woorden brengen. Als u dit niet begrijpt zou u niet het juiste onderwijs eruit halen. Zij passen hun metafoors aan naar de behoefte van hun onderwijs, om te illustreren wat ze op dat moment over willen brengen.

Waar het Paulus hier om gaat is dat elke christen erop moet toezien dat — alhoewel God een gemeenschap samenstelt — elke christen persoonlijk verantwoordelijk is voor de zuiverheid, voor de kracht, voor de heiligheid van die gemeenschap, en hij zegt dat we daarbij onze tempel niet moeten verontreinigen. Wij zijn er verantwoordelijk voor onszelf heilig te houden. En als iedereen zijn verantwoordelijkheid uitvoert dan zal de gehele tempel heilig zijn, omdat het een gemeenschap is die op elkaar inwerkt. God woont beslist niet zonder doel in ons. Hij gebruikt ons en verlangt van ons dat we taken uitvoeren in de kracht van Zijn Geest om zo Zijn doel te bereiken. Er wordt iets gebouwd. We kunnen dit nu gaan begrijpen als we 1 Corinthiërs 3 iets nauwkeuriger onder de loep gaan nemen.

1 Corinthiërs 3:10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.

Door dit vers weet ik dat de tempel in de verzen 16 en 17 het individu is en niet de gehele tempel, zelfs niet het binnenste heiligdom. Het is het individu, want dat wordt het onderwerp: "Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt." Paulus gebruikt daarbij de termen bouwmeester, fundament, gebouw, en vermaant ons zorgvuldig te zijn in de manier waarop we bouwen. Dan maakt hij in de volgende verzen diverse vergelijkingen voor wat betreft de kwaliteit van het bouwen en hij waarschuwt ons dat de kwaliteit van ons werk zal worden getest. Dat is een verantwoordelijkheid van de priester, van het priesterschap. Vanhier gaan we naar 2 Corinthiërs 6, waar Paulus schrijft:

2 Corinthiërs 6:16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Hier verandert de metafoor opnieuw en wordt de tempel weer gezien als iets collectiefs. Wat er wordt gebouwd of ontwikkeld, wordt door Petrus verder beschreven als een koninklijk priesterschap, een heilig volk. We zouden eraan kunnen toevoegen [hij zei het daar niet] — een gezin. Zo zijn we in zekere zin al een tempel, een priesterschap en een volk, maar de voltooiing van het project is nog niet bereikt. Het is een werk in uitvoering.

We zijn priesters op basis van onze roeping en onze taak ten behoeve van God voor mensen te werken. We kunnen dit beter begrijpen als we het woord priester beter begrijpen. Het is geen Hebreeuws woord. Het is ook geen Grieks woord. Het is een Nederlands woord afkomstig uit het Latijn en het betekent een bruggenbouwer — en dat beschrijft heel toepasselijk wat de verantwoordelijkheid van een priester is, wat zijn taak is. De taak van een priester is voor mensen tussenbeide te komen, met andere woorden een brug naar God te bouwen, zodat er toegang tot God en een relatie met Hem mogelijk is. Dat doet een priester: tussenbeide komen voor mensen en zo een brug bouwen naar God, zodat er toegang tot Hem en een relatie met Hem mogelijk is. 2 Petrus 2:5 bevestigt dat we zijn geroepen om priesters te zijn, evenals Israël in Exodus 19 werd geroepen om een volk van priesters te zijn.

Hebreeën 9:6-9 Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, 7 maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. 8 Daarmede gaf de Heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond. 9 Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken,

We begrijpen allemaal dat onder de ceremoniën van het Oude Verbond God Zijn tegenwoordigheid plaatste in het heilige der heiligen, en dat men meende dat Hij daar woonde. We begrijpen dat de tabernakel en later de tempel in twee ruimten was verdeeld. Er was het heilige, de eerste ruimte, en het heilige der heiligen, de tweede ruimte. Ze werden gescheiden door een gordijn dat ertussen hing. We begrijpen ook dat de priesters dieren offerden, maar misschien begrijpen we niet dat alleen de priesters toegang hadden tot het heilige, de eerste ruimte; alleen de priesters konden daar hun taak uitvoeren. In feite hadden alleen priesters toegang tot die ruimte. En alleen de Hogepriester [dit is algemeen bekend] had toegang tot het heilige der heiligen — en dan nog maar één keer per jaar, op de Grote Verzoendag.

De consequentie daarvan is dat alle anderen buiten stonden en alleen maar naar binnen konden kijken. Die mensen [de gehele rest van Israël, tenminste fysiek] stonden buiten in de kou. Zij mochten de tabernakel of de tempel niet binnengaan, laat staan het heilige der heiligen; ze waren in feite dus afgesloten van de toegang tot God. De priester kon voor het volk tussenbeide komen. Hij kon nabij God komen wegens zijn priesterwijding, maar hij kon ze niet persoonlijk daar brengen.

In principe, gemeente, is het vandaag niet anders, op één ding na, en dat is dat God niet langer alleen maar met het volk Israël werkt. Hij werkt met de kerk op een wereldomvattende basis, maar nog steeds door één enkele geestelijke eenheid — en dat is de Kerk van God, die de tempel is, die het geestelijke priesterschap is. Maar de niet-bekeerde wereld heeft nog steeds geen toegang tot Hem, net zomin als de niet-bekeerde Israëliet. De niet-bekeerde Israëliet had geen toegang tot Hem behalve door de priesters. De rest van de wereld, gemeente, staat nog steeds buiten en kan niet meer dan naar binnen kijken.

Als we enig gevoel hebben voor God en wat ons gegeven is, dan gaat het ons begrip in feite verre te boven, dat er slechts een heel kleine groep mensen is die echt toegang hebben tot God — Zijn geestelijk priesterschap. We kunnen weten dat dit waar is, omdat Hij in het Oude Testament de moeite nam dit op te schrijven zodat we het patroon kunnen zien. Zoals ik al eerder zei, God heeft dit niet zonder reden gedaan. Hij heeft dit voordeel niet aan zo'n kleine groep gegeven om het te verspillen en er in feite niets mee uit te voeren. Het moet worden gebruikt door als priester te functioneren — en een priester moet offers brengen om bruggen te bouwen; en hij moet dit doen — om zo te zeggen zijn leven afleggen — om het voor anderen mogelijk te maken toegang te hebben tot dezelfde God die ook wij dienen.

Laten we Mattheüs 27 opslaan, het verhaal van de kruisiging.

Mattheüs 27:50-51 Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest. 51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden,

We begrijpen allemaal dat er een symbolische betekenis verbonden is met die bovennatuurlijke handeling, maar ik wilde dit deel van de preek beginnen met iets waarmee we allemaal vertrouwd zijn en dat ons allemaal erg duidelijk is. Nu naar Efeziërs 2:13-18. Bedenk dat Paulus hier schrijft aan een gemeente die deels heidens en deels joods was.

Efeziërs 2:13-18 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.

Wat Paulus hier duidelijk maakt is dat noch degenen die veraf waren [de heidenen], noch degenen die dichtbij waren [de joden] toegang tot God hadden voordat Jezus Christus verscheen. Wat hielp dan die tempel in Jeruzalem? Voor alle praktische doeleinden met betrekking tot iemand dicht bij God te brengen, was hij nutteloos. Het was een middel dat God gebruikte om geestelijke principes te onderwijzen. God getroostte Zich heel wat moeite om die tempel te laten bouwen, om ons begrip te geven over onze relatie met God en wat onze taak is, zowel voor Hem als voor de wereld. Ons is een geweldig voorrecht gegeven, het voorrecht dat we echt toegang hebben tot Hem, omdat zo'n duizend jaar lang zelfs de Israëlieten geen toegang tot Hem hadden. Dus noch degenen die veraf waren of dichtbij, hadden toegang vóór de dood van Jezus Christus; en zelfs zij die nu toegang tot Hem hebben [dat is dus inclusief deze mensen in Efeze die toen leefden], hadden alleen maar toegang omdat God hen had geroepen. Deze mensen erkenden hun zonden, ze bekeerden zich daarvan, ze kwamen daarmee onder het bloed van Christus te staan en God heiligde hen als deel van het huisgezin van God, en daarom hadden ze toegang tot het Hoofd van dat gezin. Laten we met dit in het achterhoofd voor wat meer uitleg eerst naar Romeinen 5 gaan kijken.

Romeinen 5:1-2 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

Dit roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods is dat we uit God geboren zullen worden en dat we God zullen zijn en de heerlijkheid van God zullen bezitten. We hebben deze hoop alleen maar omdat we toegang tot Hem hebben. Wat eraan voorafging was de kruisiging van Christus en daardoor kregen we toegang. Hier zien we dus een kettingreactie. De ene gebeurtenis na de andere moest plaats vinden, zodat wij toegang kregen tot God, opdat wij onze verantwoordelijkheid kunnen uitvoeren. Dit is zo enorm belangrijk, omdat we God nooit zullen gaan kennen tenzij we dicht tot God kunnen naderen. Dat is het beeld dat we hieruit moeten krijgen.

Nu weer naar de brief aan de Hebreeën, het zevende hoofdstuk.

Hebreeën 7:18-20 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is, 19 — immers de wet [de ceremoniële wet] heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht — maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen. 20 En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had — want genen zijn zonder eed priester geworden.

Deel van het onderwerp hier in Hebreeën 7 is dat Christus onze Hogepriester is, door Wie we in staat worden gesteld dicht tot God te naderen.

Hebreeën 7:25a Daarom kan Hij [Christus, omdat Hij Hogepriester is en altijd in de nabijheid van God verkeert] ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, ...

Zonder die toegang zou er nog steeds geen behoud zijn.

Hebreeën 7:25b-27 ..., daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. 26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; 27 die niet, gelijk de hogepriesters [de fysieke], van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht.

Christus voorziet daar in toegang voor ons op een voortdurende basis, omdat [als u zich dat herinnert] we in 1 Petrus 2:5 lazen, dat we geroepen zijn om geestelijke offers te brengen die door Jezus Christus aanvaardbaar zijn voor God. Met andere woorden daar wordt toegegeven dat de offers die we gaan brengen, niet echt perfect en aanvaardbaar zullen zijn, en dat ze niet de kwaliteit zullen hebben die ons normaal in de nabijheid van God zou brengen; maar Hij wil ze aanvaarden omdat onze Hogepriester er is.

Hebreeën 6:18-20 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing [hoop, bemoediging] zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. 19 Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, 20 waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.

Het voorbeeld dat Paulus hier gebruikt is uniek, zelfs in de bijbel, omdat het in zekere zin echt vreemd is, maar daardoor komt de bedoeling duidelijk over. Hij beeldde hier u en mij uit — de christen — hangend aan een touw waaraan aan het andere einde een anker vastzit, en dat anker is in het heilige der heilige geworpen en heeft daar aan iets houvast verkregen. Als we ons niet vastklampen aan ons anker [Jezus Christus], zullen we beslist gaan wegglijden.

Dit heeft allemaal vandoen, tenminste tot op dit punt, met het voorbereiden van een priesterschap dat in staat is zijn taak uit te voeren. Met andere woorden we moeten eerst toegang tot de Vader hebben, dan zal onze Verlosser en Hogepriester, die daar al is en aan Zijn rechterhand zit, een flink handje helpen om ons voor te bereiden, zodat we als priester in het Koninkrijk van God kunnen functioneren. Pas dan begint ons echte werk. Maar als we die toegang niet hadden en als we ons niet aan dat anker zouden vastklampen, dan zouden we niet worden voorbereid. We hebben het in zekere zin dus nog steeds over persoonlijke heiliging, zodat we als priester kunnen functioneren.

Hebreeën 4:14-16 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Dat is dus een bevel. We moeten ons voordeel doen met de toegang die we tot God hebben, omdat ons behoud op die toegang is gefundeerd.

Als we de typologie van het Oude Verbond volgen en het licht dat Petrus en Paulus erop werpen, worden we dus als onderdeel van de tempel gezien. We worden ook gezien als toegang hebbend tot God door Jezus Christus, omdat we geheiligd zijn of gewijd zijn tot het ambt van priester, maar we hebben nog niet veel gezien van wat er van ons wordt verlangd. Petrus zei dat we een heilig priesterschap zijn — om geestelijke offers te brengen aan God, aanvaardbaar door Jezus Christus. Dat doet onze offers kwalificeren als aanvaardbaar voor God. Maar er worden geestelijke offers vereist en verwacht, omdat God ons daartoe in staat heeft gesteld door de kracht van Zijn Geest; het is een taak die wij moeten uitvoeren.

Het meest levendige begrip dat we hebben over de taken van een priester is dat hij dieren doodde. Hij sneed ze in stukken en verbrandde ze, of op het koperen altaar, of buiten het kamp als het een zondoffer was. Van ons wordt dat niet verlangd, maar van ons wordt iets verlangd dat heel wat moeilijker en pijnlijker is. Laten we eerst eens gaan lezen in Leviticus.

Leviticus 1:1-4 De HERE nu riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomst: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil, dan zult gij uw offergave brengen van het vee, zowel van het rundvee als van het kleinvee. 3 Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is, dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. Naar de ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen, opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN. 4 Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen.

Ik zal maar heel kort vermelden dat deze offeranden vrijwillig waren, maar wat ik onder de aandacht wil brengen, vinden we in vers 4. Let erop dat degene die het offer [het dier] komt brengen zijn hand op de kop van het beest moest leggen. Dit werd gedaan om de vereenzelviging van degene die het offer bracht, met het offer tot uitdrukking te brengen. Het offer — wat het dan ook maar mocht zijn, een stier, een geit of een lam — vertegenwoordigde en werd daarom gezien als identiek aan degene die het offer bracht, zodat ze een en dezelfde waren. Het dier nam gewoon de plaats in van de persoon. Het brengen van het offer betekende de overgave van het leven van degene die het offer bracht. Dat is de kern van vers 4. Het offer vertegenwoordigde de overgave van het leven van degene die het offer bracht.

In het geval van het brandoffer, we kijken hier naar de instructies voor het brandoffer, vertegenwoordigde het de volledige overgave van degene die het offer bracht, alsof hijzelf in zijn geheel op het altaar werd gelegd als een liefelijke reuk. Het was een liefelijke reuk omdat het iets was waarin God behagen schiep dat iemand zoiets deed. Anders dan wat de meesten geloven, zijn er maar twee offers die de dood uitbeelden. Dat waren het zond- en het schuldoffer, de andere drie — het brand-, het spijs- en het vredeoffer — beeldden een leven uit dat in dienst van God werd gesteld in de manier waarop het wordt geleefd. Het is dus het geven van een leven en niet het eindigen van een leven. Misschien is het beter om te zeggen dat het het geven is, of het vertegenwoordigt het geven van een leven zoals het wordt geleefd, en niet het geven van een leven in de dood. Hierop is de term levend offer gebaseerd.

Efeziërs 5:1-2 Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk.

Jezus Christus was een levend offer, ook wij zijn daartoe geroepen. In dit opzicht is Hij de archigos. Paulus denkt hier niet aan Zijn kruisiging als een offer, omdat zondoffers geen liefelijke reuk afgaven. Ze waren een gruwel voor God — een afschuwelijke noodzakelijkheid waarmee Hij alleen maar kon leven omdat het absoluut noodzakelijk was voor wat er moest gebeuren. Waar Paulus op doelt is de manier en de kwaliteit van het leven dat Hij leefde. Hij zegt: Leef en wandel in de liefde. In liefde wandelen is een levend offer zijn. Dat betekent natuurlijk ook het onderhouden van de geboden. In het geval van Christus was het een volmaakt brandoffer voor God. Paulus zegt: "Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen." Laten we weer teruggaan naar 1 Petrus 2, nu vers 21. U kent de context — "Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren ..." Dat is vers 20.

1 Petrus 2:21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden;

Het zijn dit soort verzen die me duidelijk maken dat ik u heel dogmatisch kan onderwijzen, dat als we leven zoals Christus leefde, we lijden zullen ondergaan. Er bestaat niet zoiets als pijnloos christen-zijn. Als u de strekking van mijn preek aanvoelt, dan ziet u dat God ons in feite aanmoedigt onszelf te offeren en daarmee het lijden uit te nodigen. Om een levend offer te zijn, moeten we onder andere het gebod wandel in de liefde onderhouden. Dat is een gebod. Dat is een gebod om een levend offer te zijn. Indien we een offer zijn, zullen we pijn gaan ervaren, maar het zal het soort pijn zijn, het soort lijden, waar ook Jezus Christus doorheenging.

Laten we nu nog eens kijken. Er zijn minstens vier gebieden in ons leven waarop christenen direct door God worden geroepen geestelijke offers te brengen. Het is beslist nodig bijzondere aandacht aan deze gebieden te schenken, omdat in deze gebieden de hoofdelementen liggen, de ervaringen, die ons Christus doen leren kennen. Het eerste gebied kennen we heel goed. Ik zal snel door deze gebieden heen gaan.

Romeinen 12:1-2 Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.

Het woord stellen is een technische term duidend op geven, tentoonstellen, aanbieden, schenken — en als hij zegt het lichaam te geven, bedoelt hij precies wat hij zegt, omdat hij in vers 2 het denken apart behandelt, zeggend dat het denken een verandering nodig heeft. Zo heeft hij het hier voor wat betreft dit deel van het offer over het lichaam en het denken.

We zouden ons kunnen afvragen waarom het op deze manier moet worden gedaan. Dat was waarschijnlijk wegens de gnostici. Zij meenden dat ze God met hun denken konden vereren en dat het er niet toe deed wat ze met hun lichaam deden. Ik ben bang dat er in deze tijd ook nog zulke mensen zijn, of die op zijn minst beginnen te denken dat het lichaam er niet toe doet. Maar Paulus zei in 1 Corinthiërs 3 de tempel van Gods heilige Geest niet te bezoedelen [schenden]. De bijbel ziet het lichaam hier dus apart van het denken, maar meestal ziet de bijbel lichaam en denken als een geheel.

Het lichaam is het instrument dat door het denken wordt gebruikt om zijn wil uit te voeren. Daarom is het belangrijk dat ook het lichaam totaal overgegeven en ter beschikking gesteld wordt aan God voor Zijn gebruik. Door het lichaam wordt de wil van het denken zichtbaar en in actie gebracht; het is dus het instrument van het denken. Er is een directe relatie tussen die twee. Wat Paulus hier schrijft betreft het heiligen, het apart zetten van het lichaam en het denken. Hier staat een belangrijk principe; dit leidt ons tot het begrip dat de vernietiging van het zondigende lichaamsdeel — we weten nog wel dat Christus zei: "Ruk uw oog uit" of "Hak uw hand af" — niet het echte offer is, maar dat God veeleer uit is op het onderdrukken en de juiste aansturing en beheersing van de behoeften en genietingen. Dat is heiligen van het lichaam en dat zal gaan gebeuren indien we ons inwendig hebben overgegeven aan Hem. God wil dus dat iedere handeling van het lichaam een relatie heeft met Hem — onze voet, onze hand, ons oog, onze tong, onze hersenen, ze moeten allemaal voor Hem en door Hem werken in het voortdurende bewustzijn dat Hij in ons leven aanwezig is.

Als we nu terug gaan naar Efeziërs 1:3-7, dan zien we heel duidelijk wat Paulus in zijn hoofd had. Deze zelfde apostel zei dat het begeren van het vlees ingaat tegen de geest, dat het altijd weer de overhand wil terugwinnen over ons lichaam en denken, maar het is onze verantwoordelijkheid om het te bevechten, het onder controle te brengen, het te besturen, zodat we het niet toestaan uit te maken hoe ons leven moet worden geleid. Dit op zichzelf kan al een heel pijnlijk offer zijn. Dit is een groot offer. Ik bedoel te zeggen dat het een offer is met belangrijke consequenties.

Er zijn nog drie andere gebieden, maar ik denk dat u het er mee eens zult zijn dat als we het eerste uitvoeren, de andere drie er in feite al in verweven zijn. Als we het eerste op de juiste manier uitvoeren, dan hebben we ook greep op de andere.

Wist u dat er een gebod is dat we God moeten prijzen, als offer aan Hem? Dat staat in Hebreeën 13:15.

Hebreeën 13:15 Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden.

Nog een ander schriftgedeelte:

Psalm 50:23 Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien.

Psalm 50:23 (Het Boek) Wie Mij eert en looft, brengt het ware offer. Zo vindt hij vanzelf de weg aan het einde waarvan Ik hem mijn redding zal tonen.

Psalm 50:23 (Vertaald naar de New King James): Wie lofprijzing offert verheerlijkt Mij, en hem die zijn gedrag in de juiste richting stuurt, zal Ik de redding Gods laten zien.

Wat ik hier zo interessant aan vind, is dat het offer van lof (lofprijzen) en gedrag (baant de weg) in dezelfde context worden genoemd. Ik ga daar nu niet verder op in. Misschien komt dat nog eens in een andere preek.

Het derde gebied voor wat betreft een offer staat ook in Hebreeën 13.

Hebreeën 13:16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.

Dit is het dienen van anderen. Bedenk dat als een priester ten behoeve van God handelt om andere mensen te helpen om een relatie met God op te bouwen, hij die anderen dient. Hierin ligt, gemeente, ook besloten de verkondiging van het evangelie. Maar het duidt op veel meer, maar nogmaals, wegens gebrek aan tijd zal ik daar een andere keer op moeten ingaan. Er zijn nog veel andere schriftgedeelten die hier betrekking op hebben, zoals Jacobus 1:27, waar staat Zuivere en onbevlekte godsdienst is omzien naar weduwen in hun druk. Mattheüs 25:34-35 waar de schapen degenen zijn die Christus' broeders en zusters dienden. In 1 Johannes 3:16-18 waar we rechtstreeks bevolen worden om te zorgen voor de behoeften van onze broeder als we zien dat hij in nood verkeert.

Nu het vierde gebied. Dat is er één waar we niet graag mee geconfronteerd worden, dat is het offer van de martelaarsdood. Ik zal enkele teksten die hierop betrekking hebben, lezen.

2 Timotheüs 4:6 Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur.

Paulus was een beetje voorbarig. Hij kwam deze keer nog uit de gevangenis, maar ze kregen hem op basis van een andere aanklacht weer te pakken, maar mentaal was hij gereed om de martelaarsdood te ondergaan. In de brief aan de Filippenzen zegt hij:

Filippenzen 2:17 Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.

Paulus onderging de martelaarsdood, net als vele anderen. We hebben er geen idee van hoeveel mensen voor de naam van Jezus Christus de martelaarsdood hebben ondergaan. Het kan zijn dat wij er nooit voor komen te staan, en ik weet dat het niet iets is waar we met groot verlangen of met enig gevoel van positieve opwinding naar uitkijken. Maar de mogelijkheid bestaat, die is een realiteit. In werkelijkheid is er geen betere manier om te sterven dan in het geloof, dit in tegenstelling tot het wanhopig hangen en zoeken naar het leven van deze wereld.

Laten we deze preek nu afsluiten met nog een woord van Paulus.

Filippenzen 1:29 Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.

Dat is vrij duidelijk. God heeft vastgesteld dat lijden een integraal onderdeel is van onze voorbereiding op het Koninkrijk van God. Het is onvermijdelijk dat als we leven zoals Christus leefde, we met lijden te maken zullen krijgen. De enige vraag is in welke mate, of met welke intensiteit. Het was Paulus' doel deel te hebben aan Christus' lijden, en (zoals deze preek heeft laten zien) is dit de manier waarop dat gebeurt — door een levend offer te worden, geheel toegewijd aan God en handelend als priester onder onze grote Hogepriester. Dan zal ons lijden grotendeels zijn omwille van gerechtigheid en zullen we deel hebben aan Christus' ervaringen, de soort die Hij onderging toen Hij leed — in het weerstaan van verzoekingen tot zondigen, in het dienen van anderen, in het ondergaan van vervolging, in het loven van God. En misschien worden we zelfs uitgekozen om een martelaarsdood te ondergaan. Maar ... we zullen Christus kennen en we zullen daardoor eeuwig leven hebben.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)