De vreze des Heren (Deel 3)

Door John W. Ritenbaugh
9 oktober 1998

Samenvatting: (toon)

In dit derde deel van de serie over "De vreze des Heren" maakt John Ritenbaugh duidelijk dat als mensen niet de vreze des Heren hebben, ze van Hem vervreemden. Op het eerste Pinksterfeest was er slechts een kleine fractie over (ongeveer 120) van Christus' totale aantal toehoorders; zij vreesden God, beefden voor Zijn woord en waren echt toegewijd. Nadat de Geest van God is gegeven, waardoor de verderfelijke vrees voor mensen verdwijnt en de levensonderhoudende vreze des Heren tot stand komt, gaat er echt dramatische groei plaatsvinden – het heiligingsproces – een tijd waarin we (arm en gebroken van geest) de vreze des Heren gebruiken als de voornaamste motivator (gekoppeld met de liefde van God) om ons van het vleselijke naar het geestelijke te doen gaan – van het profane naar het heilige. De vreze des Heren weerhoudt ons van het doen van domme dingen zoals zondigen en stelt Gods liefde in staat om zijn werk te doen. De angst voor God (als een verterend vuur) zou altijd deel van ons denken moeten uitmaken. De vreze des Heren is het kwade te haten. De vreze des Heren trekt ons naar Hem toe.


Aan het begin van de tweede preek zagen we, dat hetzelfde onmetelijke vermogen van Gods verstand dat Hem in staat stelt die ontzagwekkende schepping uit te denken, te scheppen en in stand te houden, Hem ook in staat stelt om Zich daarnaast op ons te concentreren als Zijn individuele kinderen. Kinderen die slechts stipjes zijn in vergelijking met de onmetelijkheid van het heelal, maar elk van ons is belangrijker voor Hem dan al de sterren en planeten tezamen.

Daarna keken we naar die vaak voorkomende opeenvolging van chaos, herstel van goddelijke orde, openbaring van Gods heerlijkheid en oordeel.

We bekeken diverse oudtestamentische voorbeelden van zo'n opeenvolging, waar de oordelen direct volgden en op een dramatische manier gewelddadig waren.

We gingen daarna verder in het Nieuwe Testament met de opdracht van Johannes de Doper. Hij werd door God ongetwijfeld gebruikt om een mate van goddelijke orde te herstellen na een lange, lange periode van geestelijke chaos, zodat Jezus daarna de heerlijkheid van God kon openbaren aan de Joden in het algemeen en aan de Kerk in het bijzonder.

Jezus voerde zijn taak veel beter uit dan Johannes de zijne, maar toch gebeurde er tijdens de uitvoering van die taak iets opvallends. Het overkwam niet Jezus Zelf, persoonlijk. Het was geen gebeurtenis die Hem overkwam, maar het was iets dat gebeurde omdat Hij was wie Hij was.

Overweeg het volgende:

In de boeken van het Nieuwe Testament kunt u duidelijk zien dat er tijden waren waarop Hij voor duizenden mensen predikte. Eens voedde Hij vijfduizend mensen; een andere keer vierduizend. Over het geheel genomen geloof ik, dat we veilig kunnen veronderstellen, dat Hij misschien wel tot meer dan een miljoen, misschien tot zelfs twee miljoen, mensen gepredikt heeft. Israël had tenslotte slechts de grootte van de staat New Jersey (20.300 km2, 4 maal de provincie Gelderland). Hij reisde van het ene naar het andere einde en er werd door het gehele land over Hem gesproken. Het nieuws over Hem verspreidde zich als een lopend vuurtje en de mensen kwamen van heinde en ver om Hem te horen prediken.

Nadat dat Hij was opgestaan uit de doden, verscheen hij volgens 1 Corinthiërs 15:6 aan meer dan vijfhonderd mensen tegelijk, die Hem in opgestane gedaante zagen.

Op de Pinksterdag waren er nog maar 120 aanwezig.

Nu ga ik u het antwoord geven op de vraag die ik aan het einde van de vorige preek stelde. U kunt hier een principe zien werken. Gisteren zei ik tegen diverse mensen dat Herbert Armstrong zei dat hem hetzelfde was overkomen. Toen Herbert Armstrong het noemde was het niet in relatie met Christus, het was een gang van zaken waarvan hij zag dat het hemzelf overkwam. De heer Armstrong vergeleek zichzelf met Billy Graham. Hij zei: "Als Billy Graham in een stad komt, worden de menigten met de dag groter. Als ik in een stad kom, worden de menigten met de dag kleiner." Dit overkwam ook Jezus.

Het is bijzonder belangwekkend te beseffen met Wie we hier hebben te maken: De Man Die ongetwijfeld de beste, grootste, meest interessante, feitelijke, waarheidsgetrouwe en krachtige spreker was die ooit op aarde heeft geleefd! De mensen stonden verbaasd over Hem, over Zijn vermogen tot onderwijs. "Waar verkreeg deze man zijn kennis en inzicht? We hebben nooit zo iets gehoord!" zeiden ze. En toch, Hij verloor zijn gehoor!

Het zijn niet de kwalitatieve vaardigheden die het verschil uitmaken voor bekeerde mensen. Het draait om wat God doet! En het is iets dat in hen is — dat zij doen — dat de oorzaak is dat dit belangwekkende proces in hen plaatsvindt. Ik denk dat er een reden is, in het bijzonder als we bekijken wat er in de Bijbel gebeurde. God zorgde voor een kleine test om te weten wat die 500 mensen zouden gaan doen — om te zien of er voldoende vrees in hen was, genoeg respect voor Hem, genoeg eerbied voor het Woord van God, om precies te doen wat Zijn knecht Jezus Christus zei!

Laten we eens kijken wat Johannes 21:3 zegt. Weet u nog wat Jezus zei? Hij zei tegen die mensen: "Wacht in Jeruzalem tot u kracht van omhoog ontvangt." Het is zo eenvoudig! Wacht! Wees geduldig! Maar wat lezen we in Johannes 21, vers 3?

Johannes 21:3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan met u mede. Zij vertrokken en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets.

Hoeveel anderen deden een soortgelijk iets en zwierven gewoon weg van Jeruzalem en deden niet wat Jezus had gezegd?

Zijn eigen naaste vriendenkring deed dit en wat moest God door Jezus doen? Hij moest erop uit om hen te redden wegens hun falen precies te doen wat Hij had gezegd.

Hebt u Mij lief? Hebt u Mij lief? Hebt u Mij lief?

Anderen zijn misschien eenvoudig weggetrokken, of zijn weer gaan deelnemen aan de eredienst in de synagoge, zoals ze altijd hadden gedaan, of misschien hebben ze in alle ernst besloten erop uit te gaan en buiten Jeruzalem te gaan prediken. Maar de opdracht was "Wacht"!

Aan het begin van het boek Handelingen lezen we dat er uiteindelijk 120 van hen wachtten. Zij bleven wachten tot een volgende opdracht kwam, omdat — zoals we zullen zien — zij God vreesden en zich aan Zijn bevel onderwierpen.

Die 120 beefden voor Zijn woord! Zelfs alhoewel er een korte twijfeling was, waren het deze 120 die voor Zijn woord beefden! Dit waren degenen die toegewijd waren. Zij zetten wat ze zich dan ook maar voorgenomen mochten hebben, opzij: hun hoop, hun dromen, hun doeleinden, en wachtten standvastig. Hun respect voor dit eenvoudige gebod had een heel wonderlijk gevolg.

Hier zien we een principe te voorschijn komen: Mensen die God niet vrezen zullen stapje voor stapje verder van Hem af komen te staan! De vrees voor God trekt ons naar Hem toe!

Dat is precies het tegenovergestelde van wat we van nature denken. Gewoonlijk lopen we hard weg voor onze angsten, maar dit is een vrees waar we naar toe rennen! Deze vrees is bijzonder weldadig!

Handelingen 1:4 En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt.

Hij had het al eerder gezegd.

Handelingen 2:1 (Statenvertaling) [kijk naar het gevolg] En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.

Eendracht omdat zij respect hadden voor Gods woord.

Is het verwonderlijk dat God kijkt naar hen die beven en bang zijn Zijn woord te overtreden? Deze mensen kunnen met Hem verenigd worden, omdat zij zich niet zullen verzetten tegen de beste raad die ze mogelijkerwijze ook maar kunnen ontvangen.

U moet dit begrijpen. Dit is weer een klein stapje om naar Zijn beeld te worden geschapen.

Wat gebeurde er?

Handelingen 2:2-4 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3 en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4 en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.

Alles stond nu op zijn plaats. Er was aan de goddelijke orde voldaan. En evenals bij de bouw van de tabernakel onder het oude verbond, was er een uitbarsting van vuur, schenen er hemelse lichten, toen God een deel van Zijn heerlijkheid openbaarde. In dit geval echter rustten de tongen van vuur op elk van hen en een deel van Zijn heerlijkheid kwam in hen wonen! Deze keer letterlijk in hen, omdat zij de tempel waren, zij waren de tabernakel. Deze keer kwam God wonen in mensen.

Als we nu nog eens naar de opeenvolging kijken, wat komt er daarna? Het oordeel begint! Het oordeel begint met het huis waarvan God de bouwmeester is.

1 Petrus 4:17a Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods.

1 Petrus 1:15-16 Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; 16 er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig.

Tijdens onze oordeelsperiode is dit het hoofddoel, opdat we zullen zijn zoals Hij is. Dit houdt heel veel in, we gaan daar nu niet nader op in, maar het is belangrijk te weten in welke richting we moeten gaan. We zijn op weg naar heiligheid. Dit is een andere heiligheid dan die voortkomt uit vergeving en rechtvaardiging. We zijn dan heilig. Maar heiligheid is een staat waar God ons in brengt. Het is een staat conform de wet. We zijn nu vrij en gereinigd voor Hem. Door heiliging bereiken we de staat van heiligheid, waarheen we met ons leven op weg zijn. Het is een proces waarin de heiligheid van God letterlijk de onze wordt, omdat we gaan leven zoals Hij leeft. De geest van God is levend en actief werkzaam in ons. Het is een proces van groeien naar de geest en het karakter van God. Dat is momenteel ons hoofddoel. Hierop worden we nu beoordeeld door God, sinds het moment van onze bekering.

Deze opdracht van Petrus om heilig te zijn "omdat Ik heilig ben", wordt gegeven in samenhang met gedrag. Gemeente, hier wordt voor ons een enorm hoge standaard gehanteerd: de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus.

Laten we nu naar Handelingen 4 gaan en in vers 32 beginnen te lezen. Het oordeel gaat beginnen, het proces is gestart en op dit tijdstip van de geschiedenis is er een kritiek moment aangebroken.

Handelingen 4:32-37 En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. 33 En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote genade over hen allen. 34 Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; 35 en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte. 36 En Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had (wat betekent: zoon der vertroosting), een Leviet, uit Cyprus afkomstig, 37 die eigenaar was van een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen.

De groep groeide ongetwijfeld met horten en stoten. De apostelen spraken met grote kracht en — bijna verbazingwekkend — ze waren nog steeds erg eendrachtig zowel in de geest als in fysieke zin.

Barnabas moet in die tijd een aanzienlijk bedrag hebben geofferd — misschien niet het absolute bedrag zelf, alhoewel dat beslist groot kan zijn geweest — maar het was mogelijk wel een grote zelfopoffering. Er is iets betreffende zijn houding dat hierop duidt. Het was in ieder geval belangrijk, want God liet het vastleggen en toonde aan ons dat dit de aanleiding was van de tragische gebeurtenis, waarin Ananias en Saffira door eigen toedoen verzeild raakten in het onmiddellijk daarop volgende vijfde hoofdstuk. U zult zien dat hoofdstuk vijf begint met het woordje 'en'. Het Griekse woordje duidt op een voortgang van het verhaal, maar een voortgang die een tegenstelling bevat tot het voorafgaande, dat wat Barnabas deed. Daarom is in sommige vertalingen (voornamelijk Engelse, maar ook wel Nederlandse) dit woordje met 'maar' vertaald.

Handelingen 5:1-5, 11 En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, 2 hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten der apostelen. 3 Maar Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de Satan uw hart vervuld om de Heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? 4 Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. 5 En bij het horen van deze woorden viel Ananias neder en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden. ... 11 En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.

De Bijbel laat zich er niet over uit wat de oorzaak van hun zonde was. We kunnen dat echter tussen de regels door lezen, omdat God het Griekse woordje met Strong nummer 1161 (en, maar, toen) inspireerde om hier te gebruiken. Dit brengt een tegenstelling tot stand met Barnabas; er was een verschil in houding, voornamelijk tussen wat Ananias en Saffira deden en wat Barnabas deed.

Misschien werden Ananias en Saffira gedreven door jaloersheid en mogelijk ook door het verlangen door mensen te worden geprezen. Ze kunnen hebben gezien dat wat Barnabas deed hem de "nodige schouderklopjes" opleverde; mensen schudden hem waarschijnlijk de hand en zeiden: "Tsjonge, dat was nog eens edelmoedig van je om dat te doen! We weten hoe moeilijk het is om al je bezittingen van de hand te doen, opdat wij konden eten en leven en door konden gaan met de uitvoering van dit werk." Wat het ook was, zij werden ertoe bewogen te proberen mensen te bedriegen om het te doen voorkomen dat ze alles hadden gegeven, terwijl ze maar een deel hadden gegeven. Het is duidelijk dat het niet verplicht was een bepaald deel te geven — dat kan worden afgeleid uit de woorden van Petrus — het werd ook niet door de apostelen geëist. Hun zonde was bedrog, huichelarij. Ik geloof dat achter dit bedrog het verlangen school om door de mensen te worden bewonderd. Hun reputatie voor de mensen was belangrijker voor hun trots dan waarheid en integriteit.

Uit dit soort gebeurtenissen leren we een belangrijk principe. Als we op de eer van mensen uit zijn, zullen we mensen vrezen! En als we mensen vrezen, zullen we hen dienen! Het principe luidt: we dienen dat wat we vrezen.

Zij (Ananias en Saffira) vreesden mensen — inclusief zichzelf — meer dan God. Dit was de oorzaak dat ze hun verkeerde handelen wegredeneerden en voor Gods aangezicht probeerden te verschijnen zonder heilige vrees, zonder Zijn recht te respecteren op alles wat zij bezaten, zonder bedrog. Hij vroeg niet om alles, alleen maar eerlijkheid en integriteit voor Hem en voor mensen.

Zij betaalden net zo'n hoge prijs als Nadab en Abihu. Als ze God echt hadden gevreesd, hadden ze nooit via Zijn vertegenwoordiger Petrus tegen Hem gelogen en dat ook nog in aanwezigheid van vele getuigen.

Is de God van het Nieuwe Testament anders dan de God van het Oude Testament? Nee, Hij is niet anders! Hij neemt alle zaken in overweging voordat Hij oordeelt. Wat zij deden was even slecht als wat Nadab en Abihu deden, even slecht als wat Uzza deed en even slecht als wat de priesters deden onder het oude verbond.

Maar let op! Er kwam grote vrees over de gehele kerk. En ook over velen buiten de kerk. Maar wat duidelijk wordt gesteld is dat het over de kerk kwam. Misschien waren er toen al mensen die, gezien de wonderlijke dingen die de kerk toen overkwam, er met hun pet naar gingen gooien, liberaal werden! God greep direct in, daar Hij weet dat een klein beetje zuurdesem het gehele deeg doorzuurt. In deze tijd van het bestaan van de kerk, wilde Hij dat ze een krachtiger en beter getuige zou zijn door Hem te eren en verheerlijken, dan op enig ander tijdstip van haar bestaan! Hij greep zeer snel in! Wat het ook was, God gaf de kerk een zeer krachtige schok om wakker te worden uit haar zelfgenoegzaamheid die misschien toen reeds ontstaan was.

Ik ben er zeker van dat de mensen, toen dat gebeurde, dachten: "Dat zou ik hebben kunnen zijn! Ik moet toch maar eens over mezelf gaan nadenken, over mijn houding en mijn gedrag voor God en mensen. Hij is heilig en alwetend."

Ik ben er zeker van dat de gemeente werd aangespoord zichzelf te onderzoeken, omdat zij niet onberoerd konden blijven bij zo'n schokkende gebeurtenis, die een van hen die ze waarschijnlijk goed kenden, overkwam. En bedenk daarbij, dat ze dit moesten doen zonder een gebrek aan respect te tonen voor Gods oordeel, zonder het idee te wekken dat ze met de vinger naar God wezen en zeiden: "Hoe heeft Hij zoiets kunnen doen?" Misschien dachten ze wel: "Wat weet ik eigenlijk niet over God, dat Hem zo gewelddadig deed reageren?"

Ik ben er zeker van dat er niet veel in de kerk waren, die hier niet door waren getroffen.

Wat weten wij eigenlijk niet over Hem? God kennen is eeuwig leven. Nu weer terug naar 1 Petrus, hoofdstuk 1, de verzen 16 en 17.

1 Petrus 1:16-17 Er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap,

Valt het u op dat Hij niet zei: "Leef uw leven in liefde"? Hiermee wil ik liefde niet kleineren. We dienen in liefde met God te wandelen. Maar liefde laat op geen enkele manier de vrees voor God verdwijnen, zoals deze apostel laat zien!

De vreze des Heren is niet een of ander onvolwassen element dat iemand afwerpt als hij groeit in liefde. We moeten God vrezen, maar ook liefhebben omdat vrees en liefde tezamen werken! Ze werken in harmonie met elkaar samen.

Daar waar de vrees voor God beperkt is, zal liefde beperkt zijn, omdat de vrees voor God het uitdrukken van liefde versterkt. We kunnen iemand alleen maar liefhebben naar de mate waarin we hem kennen. Als we dit aspect van God niet kennen, waar vrees essentieel is, zullen we God niet in die mate liefhebben als we behoren te doen! Beide zijn noodzakelijk.

Laten we nu naar Hebreeën 4, vers 1, gaan. Dit is eigenlijk een voortzetting van de gedachte van Paulus, waarmee hij in hoofdstuk 3 eindigde. En het is min of meer een conclusie, een waarschuwing, die tevens conclusie is. Wegens wat de Israëlieten overkwam, wat Paulus beschreef in hoofdstuk 3, spoort hij ons als volgt aan:

Hebreeën 4:1 (Statenvertaling) Laat ons dan vrezen [Hé, ziet u, Petrus en Paulus zijn het met elkaar eens!] dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.

De vrees voor God is nodig om de reis tot het einde te volbrengen! We laten het niet zomaar langs de weg achter, omdat we opeens iets beters hebben — liefde. Nee, ze werken samen!

Dat woord "vrees" betekent daar precies wat u denkt dat het betekent! Het betekent bang zijn!

Nu naar Filippenzen 2, vers 12, een zeer bekend schriftgedeelte, maar toepasselijk om hier te lezen.

Filippenzen 2:12 Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken ...

We hebben het over de periode van heiliging — "Wees dan heilig, want Hij is heilig" — daar mikken we op. Daar werken we aan.

Filippenzen 2:12 (slot) ... met vreze en beven.

Hij versterkt het woord "vrees" met "beven", opdat we het goed zullen begrijpen!

Nu naar Psalm 25, de verzen 12 tot 14:

Psalm 25:12-14 Wie is de man die de HERE vreest? Hij onderwijst hem aangaande de weg die hij moet kiezen. 13 Hij zelf zal in voorspoed vertoeven [Dat betekent in overvloed, welvaart, goedheid en vrede], en zijn nageslacht zal het land beërven. 14 Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend.

Dit is een wonderlijke kwaliteit! het is de sleutel tot de schatten van God! Het treft Hem — als het ware — diep in het hart, om mensen te vinden die een diepgaand respect voor Hem hebben, omdat dat degenen zijn die Hij kan vormen en scheppen naar het beeld dat Hij voor ogen heeft!

Op de een of andere manier hebben wij, gemeente, de indruk gekregen dat er iets negatiefs, zwaks of verkeerds is in het vrezen van God. Dat is absoluut niet het geval!

Het moet ons enig idee geven hoe belangrijk dit is voor God, als we begrijpen dat direct van het begin af aan in Deuteronomium wordt gesproken over de tiende: U gaat naar het feest om Hem te leren vrezen! Het is de sleutel tot het Hem leren liefhebben! Het is de sleutel tot het gebruik van geloof. Het is de sleutel tot het hebben van het verlangen jezelf aan te sporen op weg naar het Koninkrijk van God!

Jesaja 66:1 Zo zegt de HERE: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats mijner rust ?

Die tempel die ze voor God hadden gebouwd, was ongetwijfeld prachtig. Maar God maakt hier een vergelijking tussen een gebouw gemaakt door mensen en een houding die werkelijk Zijn aandacht trekt. Hij zegt:

Jesaja 66:2 Dit alles heeft immers mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan, luidt het woord des HEREN [Hier komt wat Gods aandacht trekt]; op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft.

Alweer wederkerigheid! Hij respecteert hen die Hem respecteren. Dat zijn ook degenen die Hij gadeslaat om te zegenen! De vrees voor God is erg positief. Deze is in het geheel niet negatief!

Waarom zegt God dan deze dingen? Omdat de vrees voor God ons ervan weerhoudt domme en dwaze dingen te doen, zoals zondigen, zodat liefde tot zijn recht kan komen! De vrees voor God is de eerste verdedigingslinie tegen zonde. De vrees voor God weerhoudt ons ervan Hem als vanzelfsprekend aan te nemen. De vrees voor God weerhoudt ons ervan al te eigen met Hem te worden en Hem te minachten en daarom geen aandacht te schenken aan wat Hij zegt en dat te beschouwen als iets simpels en gewoons, iets dat momenteel in het geheel niet belangrijk is.

Vrezen we Gods woord niet als Hij zegt: "De ziel die zondigt, die zal sterven"? Dat is vandaag nog net zo waar als toen Hij het tegen Adam en Eva zei. Hebben we zo weinig respect voor Hem, dat we het gewoon terzijde schuiven en het risico maar lopen? Het antwoord hierop is natuurlijk: Ja, dat doen we!

Besef echter dat de echte vrees voor God Nadab en Abihu zou hebben weerhouden te doen wat ze deden. Het zou Ananias en Saffira hebben weerhouden. Als Satan God had gevreesd, zou hij nooit zo dom zijn geweest te denken dat hij een oorlog tegen God kon winnen! Wij spelen allemaal datzelfde dwaze spelletje. Waarom? Omdat we Hem niet op de juiste wijze vrezen.

Voelt u zich daar nou niet te rampzalig over, want ook de vrees voor God is iets waarin we moeten groeien. We moeten die aanleren. We zijn nog onwetend over vele dingen. God is geduldig met ons terwijl we leren. Terwijl we dus groeien in het begrip hoe die vrees te gebruiken, toe te passen, te laten werken in ons leven, deel te laten worden van onze persoonlijkheid, gaat God door om ons begrip te verdiepen over de belangrijke rol die deze vrees speelt, naast geloof, hoop en liefde.

Laten we in Psalm 34 de verzen 9 tot 11 lezen.

Psalm 34:9-11 Smaakt en ziet, dat de HERE goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt. 10 Vreest de HERE, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de HERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

Let op die laatste woorden: "hebben geen gebrek aan enig goed".

Laat me het nog eens zeggen. Er is niets verkeerds aan vrees hebben voor God. Dat kan tot het uiterste worden doorgevoerd, maar het is de bedoeling dat het een integrerend bestanddeel wordt van onze relatie met Hem. Hij is met niemand te vergelijken! "Met wie wilt u Mij vergelijken?" We hebben nooit contact gehad met iemand als Hij! We begrijpen Hem niet. We kunnen Hem niet vatten en Hij wil dat we geduldig zijn en eraan blijven werken om Hem meer en meer te gaan begrijpen en Hem voldoende te respecteren om te beseffen dat Hij gelijk heeft in wat Hij zegt dat we moeten doen en hoe Hij op ons en de omstandigheden in ons leven reageert. Als u over dat principe wilt nadenken, zult u zien dat de vrees voor God samenwerkt met geloof. Beide zijn noodzakelijk. De vrees voor God helpt om geloof te laten werken en als u geloof gebruikt, zal de vrees voor God toenemen. Ze gaan hand in hand.

Evelyn heeft me diverse malen verteld, dat de vrees voor haar vader haar ervan weerhield dwaze dingen te doen. Ik wil dat u begrijpt, dat die vrees voor haar vader haar in geen enkele manier hinderde om haar vader lief te hebben. Ik ben daar getuige van geweest! Ze hield van haar vader. Er bestond geen oorlog, geen tegenstelling, tussen hen. Ze zullen elkaar waarschijnlijk niet altijd hebben begrepen, maar er bestond werkelijke liefde tussen hen.

In het bijzonder toen ze nog een stuk jonger was, bestond er een vrees voor de reactie van haar vader op wat zij deed, als dat dom, idioot, kinderlijk of onvolwassen mocht zijn — dingen die haar gezegd waren niet te doen. Als zij door andere kinderen in het nauw kwam te zitten, als die haar probeerden over te halen iets te doen dat riskant was, was ze blij — opgelucht — te kunnen zeggen: "Dat mag ik niet van mijn vader." Ze kon de schuld dus bij hem leggen.

Hier openbaart zich een eenvoudig principe. Die vrees weerhield haar van zonde en de vernietigende kracht ervan; die vrees beschermde haar, gaf haar veiligheid. Hetzelfde principe werkt in de vrees voor God!

Wat is er nu verkeerd aan de vrees voor God? Het verkeerde idee dat mensen ervan hebben. De vrees voor God is een positieve eigenschap voor onze persoonlijkheid.

Laten we nu lezen in 2 Corinthiërs 5. Een zeer belangwekkende uitspraak van de apostel Paulus:

2 Corinthiërs 5:9-10 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden [Hij sluit zichzelf daarbij niet uit], opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

We begrijpen dat het oordeel op dit moment aan de gang is. Let nu op de volgende uitspraak in vers 11. Deze is van een apostel! Eén van de grootste Christenen die ooit Jezus Christus heeft gevolgd — een man wiens begrip van Gods wil en Gods weg waarschijnlijk vollediger was dan wie ook Christus ooit maar heeft gevolgd. Hij werd gebruikt om veertien boeken van de Bijbel te schrijven. Deze man legt veel van de technische details van het Christen-zijn uit. Hij kende het van binnen en van buiten! Zou u denken dat hij geen vrees had?

2 Corinthiërs 5:11 (Statenvertaling) Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.

Wat? Mankeerde er iets aan deze man dat hij de schrik des Heren kende? Ik denk van niet! Hij zegt: "Wij zijn welbekend aan God. Ons leven staat open en bloot voor Hem. God weet wat er zich allemaal afspeelt." En hij zegt dat dit altijd deel van ons denken hoort uit te maken, omdat we de schrik des Heren kennen!

De apostel Johannes zei in 1 Johannes 3 (vers 21 geparafraseerd), dat als we goed doen, we zeker zijn van onszelf! De apostel Johannes leerde ons heel veel over de werking en het belang van liefde. De liefde van God is werkelijk wonderbaarlijk. Paulus brengt een tegenwicht in het spel, omdat hij ons eraan herinnert, dat God ook een verterend vuur is en dat Hij een schrik is. Als we daar op de juiste manier naar kijken, vullen ze elkaar aan. Ze versterken elkaar. Ze zijn iets waarvan we ons bewust moeten zijn, dat deel van ons leven moet gaan uitmaken. Door te zeggen: "Wetende de schrik des Heren", legt Paulus indirect de vinger op de reden dat de vreze des Heren zo noodzakelijk is voor ons leven. Laten we een vers lezen dat dit heel duidelijk onder woorden brengt. Ik heb dit vers tot nu toe bewaard; het is een soort hoeksteen samen met het vers dat zegt: "de vreze des Heren is de sleutel tot de schatten van God."

In Spreuken 8, vers 13, hebben we één van die korte, kernachtige bijbelse definities van een begrip. Maar eerst even twee andere!

1 Johannes 3:4 Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.

Dat is simpel en eenvoudig gesteld.

1 Johannes 5:3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar,

Dit is een definitie die we kunnen onthouden en die een basis legt voor begrip.

Nu dan Spreuken 8, vers 13.

Spreuken 8:13 De vreze des HEREN is het kwade te haten; hoogmoed en trots en boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik.

Eerst wordt er in het algemeen gezegd, dat de vreze des Heren is het kwade te haten. Daarna worden er een aantal dingen specifiek genoemd die gehaat dienen te worden. "Trots is iets om te haten; "arrogantie" dat een uiting is van trots; dan komt het slot van vers 13 met "boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik."

Evenals liefde synoniem is aan het houden van de geboden en zonde synoniem aan het overtreden van de geboden, is de vreze des Heren synoniem aan het kwade haten. Vermijden we niet de dingen die we haten; blijven we daar niet ver vandaan en willen we daar niets mee van doen hebben?

Waarom zondigen we dan nog?

Omdat we zonde niet haten.

Het is een eenvoudig antwoord. Maar het is waar. We haten zonde niet zo erg als we behoren te doen, omdat we het niet vatten, het niet begrijpen; het kwartje valt niet.

De menselijke natuur wil ons altijd overhalen de andere richting uit te gaan. We houden ervan om het kwaad dat we bevredigend en prettig vinden, te koesteren. We hebben allemaal onze zwakheden, gebieden waarop blijkt dat we het heel moeilijk vinden weerstand te bieden. We vrezen die zwakheden, of het verlies van de genoegens die ze brengen, meer dan dat we God vrezen!

Dat is helemaal niet moeilijk te begrijpen. Als iemand het kwade haat en zonde is kwaad — en we weten dat God het zeer zeker haat — dan zullen we niet zondigen!

De vreze des Heren is de eerste verdedigingslinie tegen zonde. Zonde is het doel missen. Zonde breekt af, verwoest, bederft en brengt uiteindelijk de dood. Daarom haat God zonde!

God is de God van de levenden en als we Hem vrezen, zullen we het kwade haten. Dan, gemeente, zal zonde van de agenda worden afgevoerd!

Wat is het resultaat? Liefde kan tot volle bloei komen.

Nu zou u kunnen zeggen: "Is liefde genoeg?" Het antwoord is: "Nee", omdat liefde beperkt wordt door iemands vermogen God te vrezen. Zoals we eerder zagen, zijn zelfs vleselijk ingestelde mensen in staat waar te nemen dat we dienen wat we vrezen. Dus hoe groter de vreze des Heren, hoe minder kans er is te zondigen. Hoe minder kans op zonde, hoe groter de liefde voor God! Omdat we God vrezen, zou onze reactie op zonde moeten lijken op onze reactie op het zien van een ratelslang in ons huis!

Wat zou u dan doen? In het bijzonder als hij in dezelfde kamer was als u? Ik verzeker u, dat u heel gewelddadig zult reageren. De ratelslang zou de bron van onze angst zijn, maar wat zou de werkelijke angst zijn? Pijn en verlies van het leven, en om onszelf te redden van de ratelslang, zouden we alles doen om maar van dat kwaad weg te komen! Dat moet ook onze reactie zijn op zonde! Speciaal die zonden die ons zo gemakkelijk afgaan! Wat men vreest, dient men! Vrees — de goede kant ervan — motiveert tot dienen — dienen van het voorwerp dat wordt gevreesd!

Ik herinner me, dat toen ik nog in de staalfabriek werkte, ik eens moest samenwerken met enkele electriciens die een nieuwe electrische kabel moesten aanleggen hoog boven één van de open ovens. In die ovens wordt het staal werkelijk gemaakt. De enige plaats waarvan we konden werken, was een stellage van houten planken bovenop een dozijn koperen kabels van zo'n 2,5 cm, waarop 66.000 volt spanning stond.

Die kabels hingen zo'n 25 cm uit elkaar. De timmerlui hadden niets om die planken aan vast te maken, ze hadden ze zomaar over de kabels gelegd en aan de kabels vastgebonden. Daar werkten we dan, zo'n 25 meter boven de grond. En ik vertel u de waarheid, ik was er niet zo happig op om daarboven te werken! Niet vanwege de hoogte. Ik heb nooit hoogtevrees gekend. Het ging om de electriciteit die door die kabels liep. Ik was niet bang dat die kabels zouden breken, want ze waren zo'n 2,5 cm dik en sterk genoeg om ons gewicht te kunnen dragen. Met de isolatie meegerekend waren ze wel zo'n 5 cm dik. Wat mij bezig hield was de mogelijkheid dat, door ons heen en weer lopen en ons bezig zijn, de isolatie van een van die kabels zou worden beschadigd en ik onbewust op zo'n plaats zou gaan staan. Dan zou er 66.000 volt door mijn lichaam gaan en via het staal, waaraan wij de ogen voor de nieuwe kabel lasten, naar de aarde lopen.

Ik werkte ongeveer een week lang daarboven en u mag het gerust weten, ik behandelde die electriciteit met het grootste respect. Ik liep bijna op mijn tenen. Ik was toen al in de kerk, maar ik herinner me niet dat ik aan Nadab en Abihu dacht. Ik was bang voor alles wat één van ons daarboven in gevaar kon brengen. Ik nam de risico's nooit als vanzelfsprekend aan. Ik liet niet toe dat ik er zo eigen mee werd, dat ik er geen respect meer voor had, of veronachtzaamde dat die krachten daar nog steeds doorheen liepen.

Dat lijkt een beetje op waarover we het hier hebben, de vrees voor God en hoe die werkt. Deze weerhoudt ons er op geen enkele manier van Hem lief te hebben. Maar deze weerhoudt ons wel om dingen te doen die de relatie zouden kunnen beschadigen en een reactie zouden kunnen ontketenen die ongetwijfeld goed voor ons is, maar erg pijnlijk zou kunnen zijn.

Denk eens aan iets wat we bijna allemaal wel zullen hebben meegemaakt. Toen u verkering had, deed u toen niet uw best de dingen zo te doen dat ze de ander zouden behagen, omdat u bang was de ander te beledigen, te kwetsen, en zo de relatie die zich aan het ontwikkelen was, zou beschadigen en misschien wel kapot maken? Daarom zette u uw beste beentje voor! En omdat u die vrees had, zorgde u ervoor uw tong in bedwang te houden, er netjes gekleed uit te zien, met zorg de aard van het vermaak waar u heen ging uit te kiezen; u probeerde zich altijd zo gunstig mogelijk voor te doen — en het bracht u bij elkaar!

Dat is nu precies wat de vrees voor God doet met Hem! In feite trekt het ons tot Hem! Omdat we ons beste beentje voorzetten, onze beste houding — alles wat het beste is! We doen ons best de ander te behagen vanwege het respect dat aan het ontstaan is!

Evenzo vernietigt de vrees voor God niet de relatie met Hem. Die vrees zit liefde niet in de weg. Alles wat deze doet is het versterken van het tot elkaar komen. God ziet graag dat iemand zich naar Hem voegt, omdat dat goed is voor hem.

Laten we nu nog iets anders onderzoeken. Waarom is Gods reactie op zonde niet altijd hetzelfde? Waarom wordt niet iedereen zomaar weggevaagd, zoals Nadab en Abihu, of Ananias en Saffira? Het antwoord hierop is: De reactie is altijd dezelfde en toch ook weer niet! Dat klinkt nogal tegenstrijdig, maar dat is het niet. God geeft ons ook een voorbeeld dat dit min of meer uitlegt.

Sla 1 Samuël 2:22-25, 27 en 29-35a eens op. Dat is nogal een lang verhaal. Ik zal er niet helemaal doorheen gaan. Het is het verhaal van Eli en zijn twee zonen.

1 Samuël 2:22-25 Eli nu was zeer oud. Wanneer hij hoorde, wat zijn zonen geheel Israël al niet aandeden en dat zij sliepen bij de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent der samenkomst, 23 zeide hij tot hen: Waarom doet gij dergelijke dingen, dat ik het gehele volk over die wandaden van u hoor spreken? 24 Dat gaat niet, mijn zonen. Het is geen goed gerucht, dat ik hoor: zij brengen het volk des HEREN tot overtreding. 25 Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten; maar indien een mens tegen de HERE zondigt, wie zal dan voor hem tussenbeide treden? Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de HERE wilde hen doden.

God had hen in een positie gebracht waarin Hij u en mij een voorbeeld ging stellen, iets dat deel zou gaan uitmaken van Zijn Woord. In vers 26 komt Samuëls aandeel aan de orde. Daarna volgt er:

1 Samuël 2:27 Er kwam een man Gods tot Eli en zeide tot hem: Zo zegt de HERE: heb Ik Mij niet duidelijk aan het huis uws vaders geopenbaard, toen dit in Egypte aan het huis van Farao onderworpen was?

In vers 29 wordt de schuld bij Eli gelegd:

1 Samuël 2:29-32 Waarom veracht gij mijn slachtoffer en mijn spijsoffer, die Ik in (mijn) woning voorgeschreven heb, eert gij uw zonen boven Mij [Wie vreesde Eli? Hij vreesde zijn zonen — hij vreesde de mensen — meer dan hij God vreesde], en doet u te goed aan het beste deel van elk spijsoffer van mijn volk Israël? 30 Daarom, luidt het woord van de HERE, de God van Israël, Ik heb duidelijk gezegd : uw huis en uws vaders huis zullen voor altijd voor mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het woord des HEREN : dit zij verre van Mij! [Hier komt de wederkerigheid weer aan de orde!] Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden. 31 Zie, de dagen komen, dat Ik uw kracht en die van uws vaders huis verbreken zal [Dit duidt op kracht], zodat er geen oud man in uw huis zal zijn. 32 Gij zult de nood van (mijn) woning moeten aanzien niettegenstaande alle weldaden, die Hij aan Israel bewijst, en in uw huis zal er nooit een oud man zijn.

Misschien zijn sommige van de mensen die erg jong sterven, die zo rond hun 30e of 35e ogenschijnlijk worden afgesneden, wel afstammelingen van deze man! Wie weet? God lost Zijn beloften in!

1 Samuël 2:33-35a Maar de enkeling, die Ik niet zal verdelgen van bij mijn altaar, zal uw ogen verteren en uw leven doen verkwijnen; al wat uit uw familie stamt, zal op mannelijke leeftijd sterven. 34 En wat uw beide zonen Chofni en Pinechas zal overkomen, zal u tot teken zijn: op één dag zullen zij beiden sterven. 35 En Ik zal Mij een betrouwbaar priester aanstellen, ...

Dat bleek Samuël te zijn.

Het is overduidelijk dat zij God niet zo erg vreesden. En in hoofdstuk 3, de verzen 1 tot 3, komt het oordeel aan de orde.

1 Samuël 3:1 De jonge Samuël was in de dienst des HEREN onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het woord des HEREN schaars; gezichten waren niet talrijk.

Dat is dan sleutel nummer 1.

1 Samuël 3:2 In die tijd had Eli zich eens op zijn gewone plaats te ruste begeven; zijn ogen begonnen zwak te worden, hij kon niet meer zien.

Tip nummer 2: De leiders begrepen het ook niet.

1 Samuël 3:3 Nog was de lamp Gods niet uitgegaan. Samuël had zich te ruste begeven in de tempel des HEREN waar de ark Gods was.

De sleutels hier zijn: Het woord des Heren was schaars in die dagen, en openbaring kwam niet vaak meer voor. God zegt dat Hij Chofni en Pinechas niet doodde op de manier zoals Hij anderen doodde, zelfs terwijl ze priester waren, vanwege de omstandigheden waaronder hun zonden plaatsvonden. U zult zich herinneren dat Nadab en Abihu onmiddellijk werden gedood, nadat de heerlijkheid des Heren was verschenen en het getuigenis dat daarmee was gegeven nog helder in hun geheugen gegrift stond. Er was nog geen tijd verlopen waardoor dit had kunnen wegslijten, nog slechts vaag in hun geheugen was blijven zitten.

God sprak niet in de dagen van Eli, zoals Hij deed in de dagen van Mozes. Openbaring wordt alleen maar gevonden in de tegenwoordigheid van God. In de dagen van Eli was er beperkte kennis van Zijn wegen daar God in beperkte mate in Israël aanwezig was. Zelfs Eli's ogen waren verduisterd. Dit was zowel fysieke duisternis als symbolisch een geestelijke duisternis.

Hetzelfde patroon was aanwezig ten tijde van Ananias en Saffira. Hun zonde vond plaats onder omstandigheden die veel weg hadden van die van Nadab en Abihu. De openbaring van God had nog maar kort geleden (hooguit enkele maanden) plaatsgevonden. Zij waren, om zo te zeggen, getuigen van de opstanding van Jezus Christus. Zij behoorden waarschijnlijk tot de 500 die Hem na Zijn opstanding hadden gezien. En dus, omdat de openbaring van Gods heerlijkheid nog maar zo kort geleden had plaats gevonden, was er geen excuus voor wat zij deden.

Laten we dit nu eens op u en mij toepassen. Ik geloof, gemeente, dat wij in een tijd leven die niet teveel afwijkt van de tijd van Eli. Het is bijna 2000 jaar geleden sinds de explosieve heerlijkheid van de kerk in de eerste eeuw. Het licht van die heerlijkheid is af en toe bijna uitgegaan, maar gedurende de laatste 70 jaar is het weer in grotere helderheid verschenen dan het in lange tijd had gedaan.

Zelfs nu lijkt het weer alsof het bijna helemaal uitgaat! We leven ongetwijfeld in een periode van hongersnood voor wat betreft het Woord van God. We zien niet veel van Gods heerlijkheid. Zelfs de Kerk is in heel kleine stukjes uiteengevallen. En we zijn zwak, zwak, zwak in vergelijking met de mensen die leefden in de tijd dat die explosieve uitbarsting van heerlijkheid in de eerste eeuw plaats vond.

Nu weet ik dat de poorten der hel de kerk niet zullen overwinnen, maar gemeente, het licht van God schijnt niet erg helder. Maar als het dat wel doet, kan het iemand in een niet te benijden situatie brengen.

Vandaag de dag worden mensen niet door bliksems van de hemel getroffen. Voor mij duidt dit erop dat God erg geduldig is met ons, omdat Hij onze zwakke geestelijke conditie kent, het tekort aan besef van Gods heerlijkheid in ons denken, de zwakte van ons vermogen tot begrip. Hij houdt met al deze dingen rekening en Hij handelt genadig en geduldig met ons, Hij werkt met ons tot de tijd dat we gereed zijn meer van Zijn heerlijkheid te ontvangen.

Ik moet u echter zeggen, ons allemaal waarschuwen, dat hieraan een subtiel gevaar is verbonden, vandaar deze serie preken. Omdat we God niet zien handelen, zoals Hij deed met Ananias en Saffira, waardoor er grote vrees over de kerk kwam, daarom kunnen we ons zelf wijs maken dat God het allemaal niet echt belangrijk vindt, dat Hij niet echt oordeelt. Bedenk echter wat Paulus zei: Wetende de schrik de Heren, proberen we mensen te overtuigen.

Laten we nu eens kijken naar wat een wijs man zei, in het boek Prediker 8, vers 10. Salomo zegt daar:

Prediker 8:10 Eveneens zag ik, hoe goddelozen begraven werden en (de rust) ingingen, terwijl zij die recht gehandeld hadden, van de heilige plaats moesten weggaan en in de stad vergeten werden. Ook dit is ijdelheid.

Ik lees dit ook nog eens uit Het Boek:

Prediker 8:10 (Het Boek) Ik heb gezien hoe goddeloze mensen eervol werden begraven en zij, die keurig leefden, de heilige stad Jeruzalem moesten verlaten en in de stad vergeten werden.

Deze corrupte mensen hadden de spot gedreven met God door naar de "kerk" te gaan en het leek er schijnbaar op dat ze stierven zonder dat het oordeel was gekomen! Er werd goed over hen gedacht! Laat u niet misleiden! Het oordeel was alleen maar uitgesteld!

In de verzen 11 en 12 van hetzelfde hoofdstuk lezen we:

Prediker 8:11-12 Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen, 12 daar een zondaar honderdmaal kwaad doet en toch lang leeft. Nochtans weet ik, dat het de godvrezenden wel zal gaan, omdat zij voor Hem vrezen;

Ook nog eens vanuit Het Boek:

Prediker 8:11-12 (Het Boek) Een onmogelijke zaak! Omdat God zondaars niet onmiddellijk straft, denken vele mensen dat zij rustig kwaad kunnen doen. 12 Maar ook al blijft een mens, na honderd keer te hebben gezondigd, gewoon leven, toch weet ik heel goed dat zij die God vrezen beter af zijn;

Zullen zij echt beter af zijn? Ja, omdat uitgesteld oordeel niet betekent dat er geen oordeel komt! Met andere woorden Gods oordeel vindt altijd plaats. Hij zou God niet zijn en niet eerlijk ten opzichte van Zichzelf — Hij zou niet integer zijn — als Hij zonde niet zou oordelen. Gods oordeel is absoluut zeker. Hij zal niet nalaten te oordelen.

Jacobus 5, vers 9, zegt dat de Rechter voor de deur staat! De apostel Paulus zei in Galaten 6, dat we ons niet moeten laten misleiden! God laat niet met Zich spotten! Hij is alleen maar geduldig met ons, omdat we nog niet zoveel van Zijn heerlijkheid hebben gezien. Hij houdt daar rekening mee. Hij wacht geduldig totdat we gaan groeien! Maar toch, het oordeel gaat nog steeds voort.

We behoeven niet rond te lopen alsof er een dreigende wolk boven ons hoofd hangt, want de combinatie van de dingen die Hij doet, zullen ons — als wij Hem vrezen — meer en meer tot Hem gaan trekken. De vrees voor God is niet iets slechts of iets kwaads. Wat Hij voor ons doet, is naar Zijn oordeel de veiligste weg, het beste voor ons. Tenminste zolang we ons ervan bewust blijven, dat Gods oordeel vast staat; het is niet altijd snel, maar het is zeker. In de manier waarop Hij met ons handelt, is genade en oordeel in perfecte balans aanwezig. Hij wacht geduldig en genadig. Maar te allen tijde is er de stille dreiging dat het oordeel in uitvoering is! We kunnen daarmee leven en we kunnen daarbinnen groeien.

Dat was het voor vandaag.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)