Wat is in deze tijd het werk van de kerk? (Deel 3)

Door John W. Ritenbaugh
3 oktober 1996

Samenvatting: (toon)

In dit laatste deel van de serie over "Wat is in deze tijd het werk van de kerk?" herhaalt John Ritenbaugh dat de bijbelse geschiedenis bewijst dat God de kerk niet voortdurend dezelfde taken laat uitvoeren, maar soms de koers drastisch verandert overeenkomstig de behoeften en omstandigheden. Wat we als omwegen ervaren zijn noodzakelijke aanpassingen die God maakt om Zijn doel te verwezenlijken. "Het werk" verandert overeenkomstig Gods leiding en onze behoefte. Momenteel heeft God voor onze uiteindelijke geestelijke veiligheid Zijn kerk in elkaar laten storten, uit elkaar doen spatten en verstrooid (een patroon dat Hij eerder heeft gevolgd). Het voornaamste doel van "het werk" in deze tijd is het herstel of het opnieuw verwerven van geloof (het geloof dat eenmaal door openbaring overgeleverd was) dat op ernstige wijze is achteruit gegaan vanwege ketterij, afval en zelfgenoegzaam Laodiceanisme. De ommekeer begint individueel met de zuivering van elke levende steen door berouw en een zich opnieuw wijden aan ons verbond met God.


In de vorige preek ging ik verder met de bespreking van enkele punten op basis waarvan de kerk (in de bijbel) duidelijk met een menselijk lichaam wordt vergeleken, waarin de diverse delen een verschillende 'functie' hebben. Ieder deel moet voor het welzijn van het geheel functioneren. Dat was niet het enige punt dat we behandelden, maar dat was in ieder geval het begin van die laatste boodschap. We besteedden heel wat tijd om een variatie van dat eerste principe te behandelen — namelijk dat zoals zelfs de functie van een individueel lid van tijd tot tijd verandert, zo verandert ook de functie van de gehele kerk. Waarschijnlijk is er geen enkele plaats (voorzover ik weet) in de bijbel die dit duidelijker laat zien dan Numeri 9. Daar vinden we wat 'achtergrondinformatie' (zoals we het zouden kunnen noemen) met betrekking tot wat de Israëlieten (tijdens hun verblijf in de woestijn) deden op hun reis naar het beloofde land: zij gingen kriskras heen en weer door de woestijn. Soms verbleven ze één dag in een bepaald gebied, soms twee dagen, soms weken en soms maanden. Soms gingen ze de ene richting uit en daarna keerden ze (schijnbaar) op hun schreden terug, gingen een andere richting uit en maakten haakse bochten. In ieder geval kostte het hun veertig jaar om er te komen.

Eén van de lessen die we hieruit kunnen halen is, dat God Zijn kerk niet altijd dezelfde richting uitstuurt. De kerk doet niet altijd hetzelfde. Maar op basis van het principe dat 'ieder deel van het lichaam aan het geheel bijdraagt', geldt dat iedere 'kriskras' (iedere richtingsverandering, iedere verandering) in het werk van God zijn bijdrage levert aan het werk dat God de kerk laat doen. Het 'draagt ook bij aan de vervolmaking van het geheel' — van Zijn doel. Wat dus door de ene persoon als 'een omweg' wordt beschouwd, wordt door God beschouwd als 'een nodige handeling' (om er zeker van te zijn dat Zijn doel volledig wordt bereikt).

In Romeinen 15:4 staat dat deze dingen die 'tevoren' werden geschreven, geschreven werden om ons te vermanen [te onderwijzen]. Zij zijn richtlijnen voor ons, zodat wij instructie ontvangen wat we op een bepaalde tijd moeten doen. We hebben die richtlijnen nodig. We kijken dus terug op wat God ons betreffende Israël laat zien en we vergelijken het met de gebeurtenissen waar de kerk doorheen is gegaan. Dan komen we op basis daarvan tot de conclusie dat de kerk in een bepaalde tijd 'dit en dat' zou moeten doen.

Laten we nu Ezra 2:69 opslaan.

Ezra 2:69 naar hun vermogen droegen zij bij tot de schat, benodigd voor het werk: aan goud eenenzestigduizend drachmen, aan zilver vijfduizend minen, en honderd priesteronderklederen.

Ik was hier het meest geïnteresseerd in de woorden "voor het werk". Die woorden worden daar op precies dezelfde manier gebruikt als wij het in de kerk van God in de laatste vijftig jaar hebben gebruikt. ("Het is het Werk van God.") En het was inderdaad het werk van God. Maar ik wil dat we even onze aandacht richten op wat we over het boek Ezra weten. Wat was "het werk" dat zij ten behoeve van God deden? "Het werk" was (in die tijd) het herbouwen van een verwoeste tempel. Dat was "het werk". En uit het geld dat zij bijdroegen, kunnen u en ik opmaken dat zij bijdroegen vanuit waar zij de beschikking over hadden (financieel, evenals hun intellectuele vermogens en hun spierkracht) om het werk te doen. Dat zijn dezelfde principes waar wij mee te maken hebben. Alleen in dit geval bouwden ze niet "de tempel", maar herbouwden ze een verwoeste tempel. In die tijd ging het werk van God voor een bepaalde tijd een andere kant uit.

Laten we nu Nehemia 2:16-18 opslaan. Dit vond iets later plaats dan wat er in het boek Ezra beschreven wordt.

Nehemia 2:16-18 De leiders nu wisten niet, waarheen ik gegaan was en wat ik gedaan had; want aan de Joden, de priesters, de edelen, de leiders en de overige beambten [de Statenvertaling zegt: de anderen, die het werk deden], had ik het tot nog toe niet verteld. 17 Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn. 18 Toen ik hun meedeelde, dat de hand mijns Gods goed over mij geweest was, eveneens, hoe de koning tot mij gesproken had, zeiden zij: Wij zullen ons tot de herbouw gereedmaken. En met krachtige hand vatten zij het goede werk aan.

Wat was "het werk" in die tijd? "Het werk" toen was anders dan wat ze in de tijd van Ezra deden, maar het had toch een relatie met het algehele doel. In dit geval herbouwden ze de muur om Jeruzalem. Ze herbouwden niet de tempel, maar de muur. Een muur duidt in de bijbelse symboliek op "een middel ter bescherming". Ze bouwden aan 'de verdedigingswerken', zodat de tempel tegen vijandelijke invallen zou worden beschermd. We behoeven alleen maar te weten wat Efeziërs 6 te zeggen heeft over de wapenrusting Gods. Het merendeel van die 'uitrusting' heeft van doen met bescherming. Onder die gehele uitrusting wordt slechts één offensief uitrustingsstuk genoemd. Wat hier moet worden 'opgebouwd' zijn dus (als het ware) 'de verdedigingswerken' van de kerk.

De tempel moet worden herbouwd en ook 'de verdedigingswerken' van de kerk moeten worden herbouwd. Dat was niet altijd "het werk". Maar voor een bepaalde tijd was dat "het werk", omdat de omstandigheden dat vereisten. God liet dit opschrijven zodat (als we in onze tijd aankomen en we maken in zo'n periode deel uit van 'de kerk') we in Zijn woord kunnen terugkijken. Als we dan zien wat er binnen de kerk gebeurt, kunnen we het met deze dingen vergelijken, om daarna een beslissing te nemen en ons ertoe te zetten "het werk" te doen wat er gedaan moet worden.

Uit deze dingen kunnen we twee duidelijke principes afleiden, te beginnen in 1 Corinthiërs 3. Het eerste is dat God specifiek mensen in de kerk plaatst om verschillende functies uit te oefenen. Het tweede is dat het gehele lichaam (dat is de gehele kerk) niet altijd hetzelfde "werk" doet. Het werk verandert naar dat God dat aangeeft. Het verandert afhankelijk van de behoeften.

Als we terugzien op de preek van dinsdag, dan zien we dat het grootste deel ervan werd besteed aan het aspect waarvan ik vind dat het de meeste 'inspanning' nodig heeft in termen van reparatie en herstel. Dat begint met het begrip (als een feit dat in ons leven werkzaam is) dat wat de kerk overkomen is niet zomaar toevallig gebeurde. Ik stelde dus de vraag: "Ziet u God?" In dit geval bedoel ik ermee, of we God actief (ten gunste van ons) 'zien' werken in het doen uit elkaar vallen van de kerk. We moeten daar een positieve interpretatie aan geven, omdat wat er gebeurde werkelijk in zijn grote geheel 'positief' is. Het kan zijn dat we wat er gebeurde niet leuk vinden. Het kan ons heel wat pijn hebben veroorzaakt. Maar in het grote geheel heeft God (in Zijn wijsheid) het deze kant uitgestuurd, omdat het op de lange termijn 'goed voor ons' zal zijn. Als Hij het zijn gang had laten gaan, dan zouden er misschien maar weinigen van ons ooit in Zijn Koninkrijk zijn aangekomen. (We zouden niet zijn voorbereid, vanwege wat er gebeurde.)

Iets (zoals er gebeurde) zou niet gewoon gebeuren omdat God 'ertoe gedwongen' werd. Denk daar eens over na. Dwingen wij God tot iets? Dat zou ons machtiger maken dan Zijn vermogen om te behouden. De enige conclusie waartoe ik op basis hiervan kan komen is, dat God actief deelnam aan het uit elkaar doen vallen van de kerk, en dat voor ons bestwil.

Het tweede aspect aan deze vraag: "Ziet u God?" is een persoonlijk geloof; omdat dit de kwaliteit is die geestelijk het meest aangetast is in de achteruitgang die er in de laatste twintig of meer jaren heeft plaatsgevonden. Laten we in de brief van Judas de verzen 3 tot 5 lezen. Judas schrijft daar:

Judas 3 Geliefden, daar ik mij in alle opzichten beijver u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zie ik mij genoodzaakt het te doen met de vermaning tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.

Wat gebeurde er eigenlijk toen Judas dit schreef? De kerk van de eerste eeuw viel uit elkaar! En hier hebben we één van de apostelen van God die aan deze mensen schrijft dat ze moesten terugkeren naar het geloof dat eenmaal was overgeleverd.

Judas 4 Want er zijn zekere mensen binnengeslopen (reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven) goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen.

Weet u wat er in 1 Corinthiërs 11 staat (Ik geloof in vers 19. Ik zeg dit uit het hoofd en denk dat ik er niet meer dan één of twee verzen naast zit.)? Paulus schreef dat het nodig is dat er "ketterijen [Statenvertaling] onder u zijn". Weet u waarom? "Opdat zal blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan." Dat is een duidelijk bewijs dat God werkt conform de gelijkenis die Jezus gaf over het graan en het onkruid dat tezamen opgroeide. Ze zullen temidden van ons in de gemeente zijn. Als er dus ketterijen ontstaan, maakt dat duidelijk 'wie oprecht is' en 'wie niet oprecht is'. Al veroorzaakt het pijn, toch waarschuwt God dat Hij zal toestaan dat het gebeurt.

Judas 4-5 Want er zijn zekere mensen binnengeslopen ... [Dit was reeds van oudsher bepaald! Het gebeurde.] ... goddelozen, die de genade van onze God in [vrijheid om te zondigen] veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen. 5 Maar ik wil u te binnen brengen — gij hebt het immers alles eens voor goed vernomen — dat de Here een volk uit het land Egypte verlost heeft, maar een andermaal hen, die niet tot geloof gekomen waren, verdelgd heeft.

Dat is "het punt" waarom het draait. "Het geloof eenmaal overgeleverd" en geloven [tot geloof komen]. Ik beweer dat dat ook vandaag "het punt" is — "het geloof eenmaal overgeleverd" (of we daar trouw aan zullen blijven) en of we het in die mate zullen geloven dat we er vertrouwen in hebben.

In Judas 3 (waar gesproken wordt over "het geloof eenmaal overgeleverd") heeft geloof twee toepassingen. De eerste is als een verzameling van geloofspunten die het fundament van ons leven vormt. Dit is van vitaal belang, omdat we handelen in overeenstemming met wat we geloven. Zijn de protestanten en de katholieken 'wat ze zijn' en 'wat ze doen' omdat ze geloven in het houden van de sabbat, geloven in het houden van de heilige dagen en dat we in het gezin van God geboren moeten worden en dat de Heilige Geest geen persoon is? Nee. We weten dat ze al die [andere, onware] dingen geloven: [zoals] de Heilige Geest is een persoon. Ze geloven niet in het houden van de sabbat. Wat doen ze dus? Ze houden datgene waarin zij geloven en 'waarin ze geloven' veroorzaakt dat ze handelen zoals ze doen. Dit is van vitaal belang omdat 'alle onjuiste geloven in de wereld' niet in staat zijn om 2 + 2 = 5 waar te doen zijn. Ook zullen 'alle onjuiste geloven in de wereld' er niet toe in staat zijn iemand naar het beeld van God te maken. Iemand naar het beeld van God maken vereist het juiste 'recept' en de juiste reactie! (Die mensen zullen het juiste onderwijs volgen.)

Het tweede aspect van het geloof (waar Judas het in vers 3 over heeft) is geloof als een levend principe — dat is 'de drijvende kracht' in ons leven. Geloof — als vertrouwen dat ons motiveert en waarop we steunen. Nu we toch weer in dit deel van de bijbel zijn, laten we Hebreeën 11:8 opslaan.

Hebreeën 11:8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.

Het soort geloof waarover Judas het hier in Judas 3 heeft, heeft niet alle antwoorden nodig voordat het tot handelen overgaat, omdat het 'vermogen tot handelen' ervan niet wordt ontleend aan wat gezien, gehoord en gevoeld wordt.

Overweeg het volgende. Het eerste aspect van dat geloof — "het geloof eenmaal overgeleverd" (de verzameling van geloofspunten) — staat volledig buiten het menselijk vermogen. De wijsheid van deze wereld kan deze niet ontdekken. Deze moet worden geopenbaard. Geloof (als een actieve, aandrijvende kracht) is absoluut afhankelijk van wat er is geopenbaard. In Hebreeën 11:27 staat er over Mozes:

Hebreeën 11:27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke.

Het tweede principe van geloof is dus afhankelijk van wat er wordt geopenbaard — niet van wat we 'zien', niet van wat we 'horen', niet van wat we 'voelen', of iets in die geest. Het hangt af van wat er wordt geopenbaard. Abraham werd dus 'voortgedreven' (hij werd gemotiveerd, hij kwam in beweging, hij handelde, hij leidde zijn leven) zelfs al kende hij "de antwoorden" niet. Eerlijk gezegd wist ik niet wat voor een belangrijke uitspraak ik deed tijdens het eerste Feest dat we hielden. In een mededeling (nee, het was in een preek). Maar de preek was min of meer een lange mededeling over de Church of the Great God. In die mededeling in de vorm van een preek beantwoordde ik een vraag die iemand me stelde (omdat, weet u, als we aan een reis beginnen, willen we weten waar we heen gaan). Men stelde mij dus een logische vraag: "Waar gaan we heen?" In die preek zei ik: Ik weet het niet." En ik vertelde waarom. Ik haalde dit vers aan. Abraham wist niet 'waar hij heen ging'. Wij zullen niet altijd 'de antwoorden' kennen (als we ons leven leiden volgens het soort geloof waar Judas 3 het over heeft). We zullen weten wat er is geopenbaard, maar waar "wat er is geopenbaard" ons zal brengen, daarvan zullen we niet 'elk detail' weten. Weten we of God Kerry Sollars zal genezen? Ja, in zijn algemeenheid weten we dat — omdat Zijn woord vaststaat en Hij zal genezen — maar het kan zijn dat die 'genezing' pas bij de opstanding plaatsvindt. We weten niet wat Hij voor Kerry Sollars in gedachten heeft tussen nu en de opstanding. We moeten ons leven leiden in overeenstemming met wat we niet kunnen zien (overeenkomstig wat er is geopenbaard). En 'wat er is geopenbaard' is, dat God zal genezen. 'Geloven' we daar voldoende sterk in om Hem te vertrouwen? We hebben hier niet te maken met eenvoudige antwoorden met betrekking tot geloof. We hebben te maken met dingen die 'moeilijk' zijn om naar te leven. Ziet u, we zijn op een moment in ons geestelijk leven aangekomen waarin we duidelijke keuzes moeten maken. Het komt stapje voor stapje over ons heen en het zal dat ook met een steeds toenemende intensiteit doen. God zal 'de druk op ons vergroten' om ons te dwingen te beslissen wat we gaan doen. Of leven op basis van geloof (dus op basis van wat er is geopenbaard) of leven op basis van intellectualisme. We moeten dus verder gaan. Ik wil u hier iets meer van laten zien. Dit staat in 2 Thessalonicenzen 3:2.

2 Thessalonicenzen 3:1-2 Voorts, broeders, bidt voor ons, dat het woord des Heren snelle voortgang hebbe en verheerlijkt worde, evenals bij u, [Hij schrijft dit aan de gemeente. Vers 2 is het vers dat ik echt wil lezen.] 2 en dat wij bewaard blijven voor de wargeesten en slechte mensen; want trouw [geloof] vindt men niet bij allen.

Ik heb geen interlineaire bijbel bij me. Dit vers 'schoot me' vanmorgen zomaar 'te binnen' — dat ik het zou kunnen gebruiken. Ik ben er bijna volledig zeker van dat een interlineaire bijbel het bepaalde lidwoord "de" voor het woord trouw zal hebben staan [of "het" voor geloof] en dat er in feite staat zoals in de Statenvertaling: "want het geloof is niet aller". Bijna iedereen heeft tot op zekere hoogte 'geloof'. Maar er is 'geloof' en er is "het geloof"! We moeten teruggaan naar "het geloof eenmaal overgeleverd". Dat is het geloof dat is gebaseerd op openbaring en dat is het geloof dat 'het werkende principe' in ons leven is. Het is de basis voor al het andere waar we op hopen. Het zet ons aan (of motiveert ons) te doen 'wat we moeten doen' — misschien tot we zover komen als Paulus, waar hij zei: "Wee mij als ik het evangelie niet verkondig." Die man werd voortgedreven. Hij voelde het zo krachtig in zich werken. Hij voelde dat (als hij "het evangelie" niet aan de wereld en aan de kerk "verkondigde") hij ten dode was opgeschreven — omdat hij dan zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van God niet zou vervullen. Ik ben er zeker van dat God die drijvende kracht in hem teweegbracht om hem het "vermogen" (of wat dan ook) te geven om zijn verantwoordelijkheid als apostel uit te voeren. Ik ben er zeker van dat de heer Armstrong dat op dezelfde manier voelde. (En hij vervulde ook ons met iets van de 'energie' die hij betreffende de verantwoordelijkheid voelde die hem gegeven was.) Het is dit tweede aspect van geloof dat 'de echtheid' en 'de zuiverheid' test van wat wij in ons leven geopenbaard zien. Er zijn dus heel wat mensen die geloven dat ze de sabbat moeten houden. Heel wat mensen die geloven dat ze de heilige dagen moeten houden. Er zijn heel wat mensen die geloven dat ze tienden behoren te geven, of dat ze niet behoren te liegen, of dat ze niet zouden moeten stelen. Maar ik zeg u, dat zij die leven bij het geloof, zichzelf zullen 'voortdrijven' om voortdurend die geboden zuiverder en beter te onderhouden — niet omdat ze daardoor "behouden" zullen worden, maar opdat het beeld van God in hen tot uiting komt (en opdat ze God zullen verheerlijken). Dat drijft hen voort! Niet het "verwerven" van behoud. Het verheerlijken van God en het vervullen van de verantwoordelijkheid binnen de kerk en jegens God is 'de drijvende kracht' in hun leven.

Als een organisatie de instructies van God aan de kant wil schuiven door te zeggen dat de wet heeft afgedaan ... O, afschuwelijk! Dat is hetzelfde als te zeggen dat we het gereedschap dat ons naar het beeld van God vormt, wegnemen. "Het beeld van God" zal nooit in ons tot stand komen, tenzij Zijn wet in ons hart en in ons denken wordt geschreven. Zijn wet wordt door een combinatie van factoren 'in ons hart en in ons denken' geschreven — waarvan gehoorzaamheid aan Zijn wet (Zijn instructie) niet de onbelangrijkste is. Het komt overeen met een pottenbakker de opdracht geven iets tot een prachtig stuk te maken en hem niet 'zijn handen' ter beschikking te stellen om mee te werken. Of te zeggen dat 'hij dat zonder water moet doen' (of misschien zelfs zonder klei). Dat kan niet! Maar ik zeg u dat Satan ontstellend subtiel is in het uitoefenen van een aantrekkingskracht op het vlees en het gebruik van intellectualisme om er zeker van te zijn dat 'zij die dat soort neiging hebben' denken dat het zonder de instructie van God kan worden gedaan.

Laten we Handelingen 28 opslaan. Dit vond natuurlijk tegen het einde van dat boek plaats. Paulus was in Rome. Hij zag de dood tegemoet en hij had een ontmoeting met de joodse leiders uit Rome. In vers 24 wordt het volgende over het einde van die ontmoeting met hen gezegd:

Handelingen 28:24 En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig;

Ziet u, iedereen gelooft iets. Maar er is 'een specifiek geloof' dat betrekking heeft op God, en dat is "het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is". De basis van dat geloof is openbaring — niet de wijsheid van mensen.

Laten we nu Leviticus 26:14-15 opslaan. Ik geloof dat het goed is deze dingen te lezen, omdat deze dingen geschreven zijn tot onze vermaning en ons helpen de relatie tussen het Oude en Nieuwe Testament te begrijpen. Deze dingen werden "tot onze vermaning" geschreven, zodat wij ze (in hun geestelijke bedoeling) zouden kunnen toepassen binnen de kerk.

Leviticus 26:14-15 Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet, 15 indien gij mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat gij geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt.

Nu verder met vers 33.

Leviticus 26:33 Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop.

Hier is dus een waarschuwing dat Hij (als Israël Zijn geboden niet zou houden) hen zou verstrooien. Moeten wij (omdat we onder het Nieuwe Verbond staan) 'veronderstellen' dat deze waarschuwingen niet voor ons gelden, zelfs al zijn wij degenen met wie Hij Zijn Nieuwe Verbond heeft gesloten? Ziet u, deze principes zijn van toepassing. We kunnen aan de hand van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, zien dat ze in werking zijn. U weet dus uit eigen ervaring dat wat ik u zeg, waar is.

Laten we 2 Kronieken 7 opslaan. De context daar is de bouw van de tempel onder Salomo. In vers 12 staat:

2 Kronieken 7:12 verscheen de HERE aan Salomo des nachts en zeide tot hem: Ik heb uw gebed gehoord en deze plaats voor Mij tot een huis der offeranden verkoren.

Dat is heel belangrijk, omdat we het hier over de tempel hebben. "De tempel" is de kerk (in het Nieuwe Testament). U bent "de tempel van God" en u bent "een tempel van offerande". Wij zijn levende offeranden. We zijn 'geheel' door God apart gezet — ons gehele leven. Ons leven (en onze gehele rijkdom) — ons gehele wezen — behoort aan God, omdat Hij ons voor een prijs heeft gekocht. We moeten een "huis van offeranden" zijn en we offeren onszelf in gehoorzaamheid aan Hem. Let op, dat we niet iets offeren dat we 'hebben'. Wij zijn de offerande! Wij moeten onszelf bereidwillig geven (zoals Amazia dat toen aan het begin van het Feest deed).

2 Kronieken 7:13-14, 19-21 Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is [wanneer Ik een hongersnood veroorzaak], wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, 14 en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen [Is dit de kerk van God?], verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen. ... 19 Maar indien gij u afkeert en mijn inzettingen [zoals tienden en heilige dagen] en verordeningen [zoals de sabbat] die Ik u voorgehouden heb, verlaat, andere goden gaat dienen en u voor hen nederbuigt [zoals 'intellectualisme'], 20 dan zal Ik hen uitrukken uit mijn land dat Ik hun gegeven heb; dit huis dat Ik aan mijn naam geheiligd heb, zal Ik dan van mijn aangezicht wegwerpen [Hij zal hen verstrooien.], en Ik zal het tot een spreekwoord en een spotrede onder alle volken maken. 21 Dit huis, dat hoog verheven was; ieder die eraan voorbijgaat, zal zich ontzetten en zeggen: Waarom heeft de HERE alzo aan dit land en aan dit huis gedaan.

Hebben wij die woorden gehoord? We hebben die zeer zeker gehoord. Het kan zijn dat wij die zelfs tegen iemand anders hebben aangehaald. We hebben deze woorden zeker in onze gedachten laten opkomen. "Waarom gebeurt dit? Wat is er aan de hand?" Daar staat het antwoord. Wij keerden God de rug toe.

2 Kronieken 7:22 Dan zal men zeggen: Omdat zij de HERE, de God van hun vaderen, die hen uit het land Egypte had geleid [het geestelijke 'land Egypte'], hebben verlaten, zich aan andere goden gehecht, zich voor die nedergebogen en die gediend hebben, daarom heeft Hij al dit onheil over hen gebracht.

Is God opeens 'veranderd' omdat het nu de kerk betreft? Vanuit Maleachi 3:6 weten we: "Ik ben God. Ik verander niet; daarom bent u, kinderen van Jakob [Israël], niet verteerd."

Het is maar goed dat Hij niet verandert. Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en voor altijd. God zal eraan werken ons behoud zeker te stellen (en Hij is daartoe in staat), maar er zijn dingen die wij moeten doen. Eén van die dingen die wij moeten doen (als we iets zoals dit zien plaatsvinden) is, dat wij ons moeten vernederen en ons persoonlijk moeten bekeren. Stop met het met de vinger wijzen naar Joseph Tkach, naar Joseph Jr. en naar Michael Faezell en anderen (onze lokale dienaar of wie dan ook). Laten we beseffen dat zuivering met 'mij' begint. "Het lichaam" kan niet zuiver zijn totdat "ik" zuiver ben.

De ommekeer (als er inderdaad één zal zijn) begint op onze knieën in onze slaapkamer (of waar u ook kiest om te bidden). Maar ik geloof dat het gedaan moet worden 'met zoveel achtergrond' en 'met zoveel begrip' en 'met zoveel kennis en inzicht' als mogelijk is. Daarom geef ik deze serie preken. Zoals ik in de vorige preek zei, ik houd er niet van om zulke dingen te doen, maar we moeten het weten. Deze dingen hebben ook mij een zware klap gegeven.

Laten we nu Openbaring 2 opslaan. Ik stelde de vraag: "Heeft God Zijn wil veranderd?" Is God van gedachten veranderd omdat het nu de kerk aangaat? In Openbaring 2:4 zegt Hij tegen de Efeze gemeente:

Openbaring 2:4-5 Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. 5 Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.

Dat is recht op de man af. Ik zie hier dezelfde God schrijven als degene die die waarschuwingen in het Oude Testament tegen Israël uitte. Zoals ik u enkele dagen geleden zei: "God uit geen loze dreigementen." Hij is even getrouw in het uitvoeren van Zijn vloeken als in het geven van zegeningen. Het kan zijn dat Hij trager is in het uitvoeren van de vloeken en dat Hij zal waarschuwen voordat Hij dat doet. Maar Zijn waarschuwingen staan vast en ze zullen worden uitgevoerd (tenzij we ons bekeren). Vijf van de zeven kerken worden gewaarschuwd zich te bekeren. En dat wordt heel nadrukkelijk gezegd. Er staat niet alleen 'bekeer u', maar ook 'anders zal Ik uw kandelaar wegnemen'. (Dat betekent dat ze dan de weg naar de poel des vuurs zouden opgaan.) Elk van die boodschappen eindigt met dezelfde vermaning. Luister naar wat de geest tot de gemeenten (meervoud) zegt. Wat op Efeze van toepassing is, is ook op Filadelfia van toepassing. Wat op Filadelfia van toepassing is, is ook van toepassing op Efeze. God liet alleen de karakteristieken vastleggen die 'inherent' (zo zou je kunnen zeggen) aan die specifieke gemeente waren, maar het is op alle zeven van toepassing. Elke afzonderlijke boodschap is van toepassing op alle zeven, zelfs al zijn er sommige specifieke dingen op elk van hen toegepast. De les hieruit is dus heel eenvoudig — wie de schoen past, trekke hem aan.

Ik wil nu even een kort overzicht geven van wat er in ongeveer de laatste vijfentwintig jaar heeft plaatsgevonden, gelet op het feit dat de heer Armstrong zei dat hij het eerste "Laodiceanisme" al in 1969 in de kerk waarnam. In de vroege zeventiger jaren waren er de seksuele schandalen van Garner Ted, gevolgd door de afval van 35 full-time dienaren en zo'n 3500 mensen in 1974. Kort daarna, in 1976 begon het STP programma zijn invloed te doen gelden. In 1977 had de heer Armstrong een hartstilstand. In 1978 werd Garner Ted de kerk uitgezet. In 1979 was er de rechtszaak van de staat Californië — die van binnenuit de WCG ontstond en zeer zeker een poging was om de leiding van de kerk over te nemen, of het financiële beheer, of misschien ook wel beide — 'een opstand' of (met andere woorden) een revolutie van binnenuit. Daarna volgde de campagne om "de kerk terug op het spoor te zetten". Als u er ooit over hebt nagedacht, dat was een openlijke erkenning dat de kerk "niet langer op het spoor" zat. (Keer het gewoon om.) De kerk was 'het spoor bijster'! Gemeente, de kerk was doctrinair het spoor bijster, ook in termen van levend geloof was de kerk 'het spoor bijster'. Wat werd er dus stapje voor stapje 'weggespoeld' en 'vernietigd' (door de doctrinaire veranderingen tezamen met het getuigenis van de gebeurtenissen die er plaatsvonden)? Dat was geloof. Het geloof van de mensen werd 'ondermijnd' (stapje voor stapje, beetje bij beetje) totdat we uiteindelijk in alle richtingen begonnen te verspreiden.

De heer Armstrong wist dat de kerk ... Ondanks het feit dat het doctrinair 'op het spoor terugkwam', wist hij (omdat hij de dingen zo goed als hij kon terugzette) dat het geloof van de kerk nog steeds achteruit ging. Hoe kan ik bewijzen dat hij dit wist? Vanwege wat hij op 24 juni 1984 publiceerde — The Recent History of the Philadelphia Era of the Worldwide Church of God, wat een waarschuwing was voor u en mij — "Opdat dit niet opnieuw gebeure."

Ik heb zelfs meer bewijs — dat hij bang was (dat als hij stierf) dat de kerk uiteen zou vallen. Welke opdracht gaf de heer Armstrong aan de heer Tkach? Hij maakte dat heel duidelijk. Geloven we dat? Geloven we dat hij Gods apostel was, die door God werd geroepen om Zijn kerk in de eindtijd op te richten? Ik geloof dat. Ik weet dat hij 'een mens' was net zoals u en ik. Hij had dezelfde hartstochten als wij. Hij had ook zijn zonden, net als u en ik. Maar God heeft nooit gezegd dat Zijn dienaren volmaakt zouden zijn (zoals Jezus Christus). Wij hebben allemaal met onze lusten, met de wereld en met de duivel van doen. De heer Armstrong zei (in het openbaar) dat "De verkondiging van het evangelie voltooid was." Wat bedoelde hij daarmee? Had de heer Armstrong opeens een black-out, zodat hij niet meer van de twee getuigen wist? Sloeg hij ergens 'een tandje over', waardoor hij dacht dat de opdracht om "het evangelie aan de wereld te verkondigen" opeens niet meer in de bijbel stond? Helemaal niet! Hij bedoelde dat "de verkondiging van het evangelie aan de wereld" voor de mensen die in zijn tijd als dienaar waren geroepen, voorbij was.

Ik gaf u niet de gehele opdracht [die de heer Armstrong aan de heer Tkach gaf]. De opdracht was: "De verkondiging van het evangelie heeft plaatsgehad. Zorg nu dat de kerk zich gereed maakt voor de wederkomst van Christus." Dat was een openlijke erkenning dat de kerk niet gereed was. Hij wist dat. Hij wist dat het geloof aan het verdwijnen was. En omdat het geloof aan het verdwijnen was, werd ook de liefde minder. Hij wist dat we (omdat de liefde minder werd) de geboden niet hielden. We 'dreven langzaam weg' (of misschien 'renden we wel weg') van het verbond dat we met God hadden gemaakt. De campagne om "de kerk terug op het spoor te krijgen" (al was die een succes in termen van het weer helder krijgen van wat de doctrines van de kerk moesten zijn) was er niet in geslaagd de mensen weer op het juiste spoor te krijgen. De mensen waren geïnfecteerd met een wereldlijkheid die te groot was en die de mensen in de kerk van 'hoog' tot 'laag' in zijn macht had. En toen de heer Tkach zijn functie aanvaardde 'kregen we wat we verdienden'. Hij was een weerspiegeling van ons. (Maar hij was in de positie om er iets aan te doen, terwijl wij dat niet waren.)

Ik wil ons allemaal ook wat 'ademruimte' geven. Begrijp (en ik denk dat u dit weet) dat niet iedereen in precies dezelfde geestelijke conditie was. Er waren sommigen die nog steeds op het juiste spoor zaten. Zij waren lang niet zover afgedreven als de anderen. En zij deden alles wat ze konden om hun relatie met God te beschermen. We moeten ook begrijpen dat het uitzonderlijk moeilijk is om in zo'n 'geestelijke omgeving' te verkeren en vast te houden aan wat we vroeger hadden. (Het is ontzettend moeilijk om de Mount Everest te beklimmen.) Daarom zei de heer Armstrong dat de gehele kerk in slaap was gevallen, en daarom zei hij: "Wordt wakker! Wordt wakker! Wordt wakker!" Hij wilde dat we allemaal begrepen dat we allemaal (als lichaam) 'afgleden', zelfs al waren er sommigen die hun best deden om wat ze hadden geleerd toe te passen.

Ik heb de heer Armstrong bij verschillende gelegenheden horen zeggen (ik hoorde dit zelf), dat ze niet alle "rotte appels" hadden kunnen verwijderen. Ik begrijp niet volledig waarom dit niet werd gedaan. Ik weet dat hier een bijbels voorbeeld van is. Ik weet dat u dat ook weet, als u iets afweet van Davids relatie met Joab. Ik begrijp niet de gehele situatie, maar om de een of andere reden ... Zelfs al was David zo godvrezend — zelfs (zoals we juist hoorden) al was hij een dienaar van God en was er waarschijnlijk nauwelijks iemand die zo bij God in de gunst stond — toch om de een of andere reden (ik weet niet welke, ik begrijp het niet) kon hij niet van Joab af. Ik weet niet of dat 'een persoonlijke gehechtheid' was. Ik weet niet of Joab 'politiek zo invloedrijk' was dat David bang was dat als Joab 'uit de weg' werd geruimd, dat er dan misschien wel een of andere opstand (of revolutie) in het land zou kunnen plaatsvinden. Ik weet niet wat het precies was. Maar toen David op zijn sterfbed lag (en hij zijn laatste instructies aan Salomo gaf), zei hij: "Laat zijn [Joabs] grijze haar niet in vrede in het dodenrijk neerdalen." En Salomo ruimde hem dus middels Benaja uit de weg.

Ik weet niet in hoeverre dit op de heer Armstrong van toepassing was, maar er waren mensen die hij kende ... (En hij zei dit diverse keren en ik weet dat sommigen van u het hebben gehoord.) Hij zei: "Er lopen hier mensen als aasgieren rond, wachtend op het moment dat ik sterf." Maar om de een of andere reden voelde hij zich niet sterk genoeg om hen uit te schakelen.

Er is een bekend 'patroon' in de bijbel te zien in de tijden dat zonde in Israël toenam. Dat is in het bijzonder duidelijk in het boek Richteren. Ik geloof dat veel van dat is opgeschreven om te laten zien dat God in Zijn handelen met hen niet passief was. Gewoonlijk verliep 'het patroon' als volgt (niet altijd in precies dezelfde volgorde): terwijl er enkele binnenlandse problemen waren, vond er zo af en toe een vijandelijke inval plaats door één van de omringende heidense volken. En God begon het volk te waarschuwen. Hij zond een profeet. Met andere woorden er was gewoon 'wat algemene onrust' in het land Israël (wat God scheen toe te laten). Daarna begon er hongersnood te ontstaan (in de een of andere vorm, òf van te veel regen, òf van te weinig regen, het een of het ander). Van tijd tot tijd was er ook een toename in besmettelijke ziekten. Dit alles met elkaar verzwakte de algemene welvaart en duidde op een zwakheid van het verbondsvolk in het het hoofd bieden aan problemen. Langzamerhand werden de aanvallen (zowel van binnen als van buiten) sterker. Totdat er uiteindelijk gewoonlijk een krachtige vijandelijke inval plaatsvond (door de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen — één van die volken) en de Israëlieten werden door een naburige koning in slavernij gebracht. En dan volgde er (als we 'het patroon' wat verder volgen) verdrukking, slavernij en dood.

Pas dat eens toe op de kerk en we zullen overeenkomsten gaan zien. We zijn verstrooid. Maar wat komt eraan? De verdrukking. Slavernij. Dood. We zijn in die periode. Het uur van de waarheid breekt aan en we moeten allemaal persoonlijk iets doen.

Laten we Mattheüs 25 opslaan — de gelijkenis van de bruidegom en de maagden. Er staat in vers 5:

Mattheüs 25:5 Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in.

Weet u dat hier een voorbeeld uit het Oude Testament mee overeenkomt? Dat staat in Exodus 32:1. We slaan dat (wegens gebrek aan tijd) niet op, maar weet u wat er in vers 1 staat? Daar staat: Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen. Wat deden ze? (Toen Jezus Christus naar onze berekeningen uitbleef en de tijd 'almaar door' scheen te gaan, zagen we diverse dingen gebeuren — maar Zijn komst scheen naar de achtergrond te verhuizen ...) Wat deden de mensen in die tijd? Het volk zette zich neer en ze stonden op om vreugde te bedrijven en ze storten zich in afgodendienst. Spreekt Mattheüs 25 daar ook niet over? Terwijl de bruidegom uitbleef, werden ze allen slaperig en sliepen in. We richtten onze aandacht een andere kant uit (op andere dingen) — het bouwen van een huis, het kopen van een auto, onze baan, het kopen van kleding, wat dan ook. (Vul zelf de details maar in.) We beginnen ons geduld te verliezen. We beginnen onze 'concentratie' kwijt te raken. Die mensen gingen over tot klinkklare (ik bedoel 'onbesuisd', zij gingen over tot) klinkklare afgodendienst.

Er wordt van de Efeze gemeente gezegd, dat ze "hun eerste liefde" kwijtraakten. Zij verloren hun liefde voor Christus. Zij verloren 'de reden' uit het oog, waarom ze zichzelf voor Christus moesten voorbereiden. De eerste liefde was niet "de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk van God". De context maakt dat duidelijk, omdat er (aan het einde van iedere context) staat: "Aan hem die overwint." Dat is onze eerste verantwoordelijkheid — overwinnen. Toen de tijd verstreek, keerden we onze aandacht af van overwinnen — van het vertrouwen op God om te overwinnen. We 'vielen in slaap terwijl we achter het stuur zaten' en we raakten betrokken in een vorm van afgodendienst die Laodiceanisme wordt genoemd. Let erop dat ik zei afgodendienst, omdat dat precies is wat het is. En God deed iets om ons uit onze geestelijke verwarring te sleuren.

Laten we Openbaring 3 opslaan (als u daar al niet bent). Ik geloof dat we in het midden van één van de grootste geestelijke rampen verkeren die de kerk sinds de eerste eeuw heeft getroffen. Nogmaals, we kunnen in Gods woord kijken voor voorbeelden (het patroon) van wat we verondersteld worden te doen. En we kunnen zien dat (als Israël zoiets overkwam) die 'grote mannen van toen' zich bekeerden en ze werkten aan zichzelf zodat hun zonden (als ze daarin betrokken waren of als die het probleem veroorzaakten) uit hun karakter verwijderd konden worden. Zij herkenden dat 'de toestand van verstrooiing' duidde op de lage morele, ethische en geestelijke toestand van het volk — en ze trokken er niet op uit om te proberen mensen tot hun miserabele toestand te bekeren. Wat denkt u, verkeren wij in een Laodiceeïsche conditie? (Ik heb het over de kerk van God in het algemeen.) De heer Armstrong zei dat hij het in 1969 zag beginnen.

Als we in een Laodiceeïsche conditie zijn, zal het ons heel wat helpen als we begrijpen wat Laodiceanisme precies is. In het algemeen refereren we ernaar als "geestelijk lauw zijn". Dat is op zichzelf al erg genoeg, maar ik beschouw dat als erg ontoereikend — omdat dit een heel ernstige geestelijke ziekte is (omdat het een ziekte van de kerk is en omdat God zegt dat Hij deze mensen uit Zijn mond zal 'spuwen'). Met andere woorden dit is veelzeggende taal — misschien zelfs wel een beetje grof. Als iets uit de mond wordt "uitgebraakt", maakt het niet langer deel uit van het lichaam! En als het vanuit het lichaam in de wereld terecht komt, spat het uit elkaar. Ik hoop dat Gods 'afkeer' ons duidelijk wordt. Ik denk niet dat God heel vaak (in zulke beeldende taal) zegt hoeveel afkeer Hij van iets heeft, maar Laodiceanisme is zo erg dat Hij één van de meest levendige beschrijvingen vanuit de bijbel geeft om het uit te beelden. Het is niet slechts een voorbijgaande "lauwheid". Het is veel erger dan dat!

We kunnen beginnen te zeggen dat Laodiceanisme (geestelijke) onverschilligheid is. Dat klinkt een beetje als: "Nou, en?" Maar dat woord 'onverschilligheid' is in dit geval vrij sterk. Laodiceanisme is wereldlijkheid — maar het is een wereldlijkheid die binnenin Zijn volk zit. Nu vers 17, God spreekt. (Christus spreekt.)

Openbaring 3:17 Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte.

Dat is een vrij 'sterke' (een vrij 'krachtige') aanklacht. Ik ga u iets zeggen dat (in zekere zin) mijn hart verscheurt. Gemeente, deze Laodiceeërs zeggen: "God, ik heb U niet nodig!" Ze hebben niets nodig. Ze zijn zo eigengerechtig dat ze zeggen: "God, maak dat U uit mijn leven wegkomt!" Dat deden wij! Zeiden we dat met onze mond? Nee, dat was niet het geval. We zeiden het in 'ons handelen'. We zeiden het omdat ons geloof zo zwak werd dat we niet langer functioneerden op basis van het geloofsprincipe. Geloof was niet langer 'de drijvende kracht' in ons leven. We zeiden: "God, ik heb Uw genade niet nodig. Ik heb Uw Heilige Geest niet nodig. Ik heb Uw woord niet in mij nodig. Ik heb Uw dienaren niet nodig." En er staat in Zijn woord dat zij een gave van Hem zijn aan Zijn kerk. Nu wordt er gezegd: "Ik heb Uw volk niet nodig. Ik kan wel alleen 'samenkomen'." Nu zeggen de mensen: "Ik heb Uw kerk niet nodig. Ik ben gewoon onafhankelijk." De kerk die Hij oprichtte voor hun behoud, hebben zij [naar hun zeggen] niet langer nodig -- omdat de kerk in hun ogen niets meer is dan een 'geestelijke stroming' (of zoiets) die overal aanwezig is. We hebben Zijn vergeving niet nodig. We hebben Zijn genade niet nodig. We behoeven niet langer tijd te besteden aan het bestuderen van Zijn woord, vroeg op te staan om te bidden. [We zeggen:] Ik heb meer behoefte aan mijn huis. Ik heb meer behoefte aan mijn auto. Ik heb meer behoefte aan deze kleding. Ik heb meer behoefte aan wat dan ook. Op deze manier wordt onze God (en Zaligmaker en Schepper) naar de achtergrond gedrukt. De Laodiceeër is blind (zelfgenoegzaam, zelfvoldaan). En zoals ik enkele dagen geleden zei, het leek erop dat toen we het economisch steeds 'beter' gingen krijgen, dat dat onze relatie met God beïnvloedde — en we Hem niet langer nodig hadden.

U weet dat God waarschuwde. In Deuteronomium 8 zei Hij: "U zult problemen krijgen als het u eenmaal goed gaat." Hij zei: "Dan zult u Mij gaan vergeten."

De illusie van "welbevinden" verhult de werkelijke geestelijke toestand, zodat de Laodiceeër zelfs niet kan zien hoe hij echt is. En in plaats van zich met God te vergelijken, vergelijkt hij zich met andere mensen, en hij zegt: "Het gaat prima met me. Alles loopt lekker." Ziet u, het geheim van overwinnen ligt in de relatie met God — omdat het God in ons is die "de werken" doet. Aleer Hij het werk in ons doet, hebben we zover moeten komen dat we de behoefte daaraan in onszelf hebben gezien. Daarna, omdat we de behoefte in onszelf zien (omdat we onszelf met Hem vergelijken), gaan we naar Hem voor de kracht om te overwinnen. Daarom zei Paulus: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig."

Openbaring 3:18a raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, ...

God moet ons door "het vuur" van een beproeving laten gaan (en die is 'bij lange na niet zo pijnlijk' als de verdrukking die komen gaat). In Zijn genade "blies" Hij ons dus "uit elkaar", omdat Hij wil zien wat we (individueel) gaan doen — omdat het onze individuele relatie met Hem is die (op lange termijn) van belang is. Die relatie gaat omhoog — door de kerk, naar Jezus Christus, naar Hem. Maar alleen u hebt zeggenschap over wat u thuis doet, hoe u uw tijd besteedt, hoe u uw auto bestuurt, hoe u voor uw werkgever werkt, hoe u alles doet. U zult gaan functioneren in overeenstemming met uw geloof. Ik zeg u, het heeft (in de relatie met God) echt waarde om te functioneren in overeenstemming met wat Hij in Zijn woord heeft geopenbaard — omdat dat Hem laat zien dat u Hem vertrouwt (Zijn woord vertrouwt).

Openbaring 3:18a raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, ...

Is dat niet interessant? Kleding maakt verschil uit. Kleding is een symbool. De arme Laodiceeër was — net zoals de keizer in zijn nieuwe kleren — "spiernaakt" voor God, maar hij dacht dat hij goed gekleed was.

Openbaring 3:18b-19 ..., opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. [Dat komt vanuit Zijn woord.] 19 Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.

Ik wilde Daniël 9 nog aanhalen, maar ik maak dat maar tot 'een opdracht voor u', omdat dat werkelijk, echt van toepassing is. Het is een gebed van Daniël. De reden dat het zo passend is, is de tijd waarop hij het bad. Hij bad het toen Juda verstrooid was. Hij bad het juist voordat (juist voor de tijd dat) ze uit hun slavernij (en verstrooiing) bevrijd zouden worden en terug zouden gaan naar het beloofde land. De timing is reusachtig! En wat Daniël (in die tijd) bad is volgens mij heel passend voor de kerk van God in haar 'verstrooide toestand' nu in deze tijd (waarin we op onze Zaligmaker wachten om ons naar het beloofde land te brengen). Het is dus heel passend en u zult zien dat het een gebed van berouw is dat hij ten behoeve van de gehele natie uitsprak.

Ik geloof dat we hier kunnen stoppen en misschien kan ik er in de volgende preek nog iets aan toevoegen. Misschien doe ik dat ook wel niet — omdat er een soort 'aanverwant onderwerp' is waarop ik graag zou willen ingaan, dat ik graag aan u mee wil geven bij het vertrek van het loofhuttenfeest. (Dat zal niet gebeuren voordat ik de volgende keer op de sabbat tot u spreek.) Het spijt me dat ik u iets te lang heb vastgehouden, maar ik geloof dat het nodig was.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)