Wat is in deze tijd het werk van de kerk? (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
1 oktober 1996

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh beweert dat de druk en de conflicten die de kerk heeft ondergaan, deel uitmaken van een veelomvattender Zeitgeist (tijdgeest) die op wereldomvattende schaal religieuze en politieke instellingen in de war heeft gebracht. Die manier van denken weerspiegelt (en is een functie van) een ongeziene wereld van geesten onder invloed van de overste van de macht der lucht. Deze Zeitgeist of menselijke wijsheid (die in een vleselijke gerichtheid zichtbaar wordt) zou heel goed ons leven kunnen overheersen. We moeten uiterst voorzichtig zijn wat we in ons denken toelaten vanuit de academische wereld, de psychologie, de politiek en in het bijzonder van mensen die zogenaamd namens God spreken (valse profeten), maar hun bron hebben in de wereld en Satan de duivel. Elke boodschap, waar of onwaar, heeft het vermogen om geloof voort te brengen. Geloof in een verkeerd iets brengt dodelijke consequenties met zich mee. Om de ketterijen die voortkomen uit de geest van de wereld, te neutraliseren, moeten we (door Zijn Geest) eenheid met Christus hebben, waardoor we een rechtstreekse toegang tot de wijsheid van God hebben.


Dit is het tweede deel van de serie die ik enkele dagen geleden begon. Om het doel van deze serie weer duidelijk voor ogen te krijgen, begin ik met een korte samenvatting van de vorige preek. Tijdens deze samenvatting zal ik er enkele dingen aan toevoegen in de hoop sommige dingen te verduidelijken die ik vrij vaag vond, toen ik die preek in gedachten nog eens doornam. Het doel van deze serie is, duidelijk te maken wat er naar mijn mening binnen het grotere geheel van de kerk van God heeft plaatsgevonden. Het tweede doel is, duidelijk maken wat ik vind dat (als gevolg daarvan) het werk van de kerk in deze tijd is. En het derde doel is daarom, waarom de Church of the Great God doet wat ze doet. Ik wil u eraan herinneren dat ik nergens heb gezegd dat ik tegen "het verkondigen van het evangelie aan de wereld" ben. Ik zei al heel vroeg in die preek dat we bezig zijn met de voorbereidingen daarvoor, voor het geval dat. Maar nu, op dit moment, is het niet de kernactiviteit van wat we doen. We zijn ons ervan bewust dat het een verantwoordelijkheid is die God aan de kerk geeft; maar we vinden (op dit moment) niet dat het de hoogste prioriteit van de kerk is. Er moeten eerst andere dingen gebeuren.

Iemand heiligen door "het verkondigen van het evangelie binnen de kerk" — dat is dus "het voeden van de kudde" — is een deel van iemands tocht naar het Koninkrijk van God dat een stuk moeilijker is en veel meer tijd vergt. "Het verkondigen van het evangelie aan de wereld" bij het allereerste begin is het gemakkelijkste deel van het gehele proces (en eveneens het kortste deel). Gods werk bestaat uit scheppen. Hij is de Schepper. Behoud is schepping en God is (volgens Psalm 74:12) in het midden der aarde [dus middenin Zijn werk] aanwezig. Een belangrijk deel van Gods werk is het scheppen van geloof in ons (Johannes 6:28-29), zodat wij in vertrouwen zullen reageren.

We namen ook even door dat Paulus de kerk vergelijkt met een menselijk lichaam dat uit vele delen bestaat. De delen (dat zijn de leden) hebben niet allemaal precies dezelfde 'functie'. Daarom zei hij [Paulus] dat God sommigen als apostel aanstelde, sommigen als profeet, sommigen als herder en leraar, enzovoort — zo heeft God voor ieder deel van het lichaam mensen aangesteld. Sommigen van ons zijn ogen, anderen oren, weer anderen een neus, een mond, enzovoort, enzovoort. We hebben dus niet allemaal precies dezelfde 'functie' (zelfs al zijn er ook veel overeenkomsten).

Ten tweede, we zagen ook dat het gehele lichaam waarin en waardoor God werkt niet altijd hetzelfde werk doet. Ik heb u enkele voorbeelden daarvan gegeven. Noach die vlak voor de zondvloed "het werk van God" deed, wordt een prediker der gerechtigheid genoemd. Maar Gods werk middels Noach veranderde in de tijd van één jaar aanzienlijk — van wat hij voor de zondvloed deed in wat hij erna deed. Abrahams werk was anders dan dat van Isaak. Jozefs werk was heel wat anders dan dat van Jakob. Toch was het dezelfde God, maar Hij riep hen (en plaatste hen en gebruikte hen) voor verschillende dingen — zelfs al voerde het algemene 'pad' in dezelfde richting (dat is het toppunt van Gods doel waar Hij hier middels mensen naar toe werkt). Jozua's doel was om zich met het volk in het land te vestigen. Mozes' doel was hen bij het land te brengen. Het gaat om dezelfde groep mensen, maar er was een verandering in hun 'manier van werken' en hun 'functies'.

Laten we (nu we het toch over de Israëlieten hebben) Numeri 9 opslaan, omdat ik vind dat daar een vers staat dat de essentie van dit principe, waar we het over hadden bij het afsluiten van die preek, samenvat.

Numeri 9:21 Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op.

Ziet u het doel van dit gedeelte? Te beginnen in vers 15 onderwijst God ons dat Hij soeverein is. God heeft de touwtjes in handen. Hij bepaalt waar en wanneer "Zijn werk" zal gaan. Hij bepaalt of we 'rusten'. Hij bepaalt of we 'in beweging komen'. En Hij duidt de richting aan waarin Hij wil dat wij gaan. In dit geval werd dat geopenbaard door de bewegingen van de wolkkolom of de vuurkolom. God gaf de richting aan, of het nu nacht was (middels de vuurkolom) of dag (middels de wolkkolom). Als we ook maar iets weten over de geschiedenis van de tocht door de woestijn van de Israëlieten, dan weten we dat ze niet altijd in dezelfde richting gingen. Ze gingen niet altijd in de richting waarvan het volk dacht dat ze moesten gaan. Bedenk dat toen ze uit [Egypte] trokken, er direct al staat dat God hen niet rechtstreeks naar het land der Filistijnen voerde. In plaats daarvan maakte Hij plotseling een bocht naar rechts en ze gingen recht naar het zuiden — weg van het land der Filistijnen. Dat moet voor het volk heel vreemd zijn geweest. "Zeg, wij moeten toch naar het oosten?" Degene die de touwtjes in handen had, zei: "Nee, Ik wil dat jullie naar het zuiden gaan. En dat niet alleen, maar Ik leid jullie ook naar een dal tussen de bergen, waar jullie ingesloten zullen zitten. En Ik zal die afsluiting verbreken door de zee te splijten. We zullen allemaal aan de andere kant komen (nadat jullie zijn gedoopt) en dan zal Ik jullie naar een berg voeren. En dan zal Ik jullie Mijn wet geven en daarna zullen jullie nog een paar jaar moeten lopen voordat jullie daar aankomen." God had Zijn doeleinden. God had de leiding.

Numeri 9:22-23 Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op. 23 Op het bevel des HEREN legerden zij zich en op het bevel des HEREN braken zij op; zij onderhielden de dienst des HEREN, volgens het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

We gaan u (uiteindelijk) laten zien dat God "de kerk uit elkaar blies". God besloot dat. Dat was Zijn werk en Hij wilde dat de kerk "uit elkaar werd geblazen", wat Zijn redenen daartoe dan ook waren. Ik geloof dat we kunnen zien dat een groot deel van de 'reden' van doen had met onze geestelijke houding.

Iedere keer dat God een verandering aangeeft, moet de kerk zich daaraan aanpassen. We moeten ons geloof toepassen en ons geloof is gebaseerd op wat er in dit Boek geschreven staat! God schreef wat er in dit Boek staat, zodat zij "op wie het einde (de doeleinden) van Zijn werk is gekomen" in staat zouden zijn te kijken en te zien in welke richting ze moesten gaan. Het is hier allemaal al beschreven. De patronen staan vast. Ze staan "in het Boek". Ze staan voornamelijk in de profetieën. Sommige ervan staan tussen de geschiedkundige dingen en sommigen staan in de wet (zoals we zojuist zagen). We moeten dus geloof ontlenen aan de patronen die Hij reeds heeft vastgelegd. Indien Hij de kerk uit elkaar heeft geblazen, dan is het nogal duidelijk dat Hij verwacht dat we een ander patroon gaan volgen dan wat we in de laatste veertig of vijftig jaar hebben gevolgd. Er moet iets veranderen. De condities — op ons gelegd door onze omgeving en door wat God wil dat we bereiken — zullen dus gaan bepalen in welke richting we moeten gaan. Dat is wat we van de Israëlieten kunnen leren. De condities die ontstonden door hun zonden. De condities die ontstonden door de aanval van de Amalekieten. De condities die ontstonden doordat er niet genoeg voedsel, niet genoeg water was. Ontucht in het kamp. (En wat er allemaal niet meer gebeurde.) Maar als er "iets" gebeurde, moest Israël zich aan de omstandigheden aanpassen. Wij kunnen nu deze dingen dus lezen en inzien dat er een verandering moet plaatsvinden ten opzichte van wat wij in het verleden deden. Israëls tocht verliep niet veertig jaar lang langs hetzelfde pad. Ik zou een soort grove uitspraak uit de wereld kunnen gebruiken, maar ik zal die grove uitspraak niet aanhalen. Ik zeg alleen maar: "er gebeuren nu eenmaal bepaalde dingen". (Ik geloof dat u het wel begrijpt.)

Laten we nu Psalm 11:3 opslaan. We zullen dat vers nogmaals bij de kop pakken en in een richting gaan waarvan ik denk dat die ons zal helpen in het vaststellen van wat wij vinden dat in deze tijd het 'werk' van de kerk zou moeten zijn. In Psalm 11:3 staat:

Psalm 11:3 Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen?

Ik wil dat we ons ervan bewust zijn dat er niet staat "Als de grondslagen sidderen." Er staat: "Als de grondslagen zijn vernield." Dat is erger dan dat de grondslagen een aardbeving ondergaan. We zullen (straks) naar een vers kijken dat "de grondslagen" verbindt met de rest van het gebouw. We zullen zien wat daar staat.

Wat doen de rechtvaardigen dus als "de grondslagen" zijn vernield? Ik geloof dat we het er allemaal over eens zijn dat de kerk niet in dezelfde conditie is, als waarin ze heel wat jaren heeft verkeerd. En ik geloof dat we in het algemeen het er over eens zijn, dat de conditie van de kerk op dit moment niet 'goed' is. Achttien jaar geleden waarschuwde de heer Armstrong dat de kerk toen al in dodelijk gevaar verkeerde! En nu achttien jaar later leg ik u voor dat het zelfs erger is. Ik bedoel we zijn alle kanten uit verstrooid! (Toen waren we in ieder geval "één lichaam".) De dingen zijn er dus niet op vooruit gegaan. We zijn hopeloos verdeeld en de verdeeldheid is nog niet tot een einde gekomen. In feite wordt het steeds erger, gemeente. We zijn nog niet op het dieptepunt aangekomen.

Ik ga nu een methode gebruiken — u zou kunnen zeggen, een tactische zet — die Amos in Amos 3 gebruikte (waar hij een reeks vragen stelde). De antwoorden op die vragen zijn in feite nogal voor hand liggend. Maar hij deed wat hij deed teneinde ons over de antwoorden te laten nadenken, omdat we ertoe geleid zullen worden in te zien dat er werkelijk maar één logisch antwoord mogelijk is.

"Vallen" organisaties (zoals bedrijven en rechtspersonen) "uit elkaar", omdat de dingen goed gaan en omdat ze in een gezonde conditie verkeren? Het antwoord daarop is (heel voor de hand liggend) "Nee". "Splitsen" kerken (gemeenten) zich omdat iedereen met elkaar in overeenstemming is over wat men gelooft en wat de gedragsregels zouden moeten zijn? "Scheiden" gezinnen — de man gaat de ene kant uit en de vrouw de andere kant (en wie weet waar de kinderen heen gaan) — omdat hun vertrouwen in elkaar heel sterk is? Het antwoord op die vragen is ook een duidelijk "Nee". Viel de kerk uit elkaar wegens vervolging door de wereld? Zag u schreeuwende krantenkoppen die luidden: "Christenen — vijanden van de staat"? Werden christenen gevangen gezet, voor de leeuwen geworpen, aan het kruis verbrand, of boven met bulldozers gegraven kuilen met machine-geweren neergemaaid? Werden christenen in concentratiekampen samengedreven? Waren de problemen intern? Waren het zaken van het hart (zaken van geloof, van doctrine, van gedragsregels, van houding) die ons uit elkaar dreven? Gemeente, de kerk stortte eerst in elkaar — plotseling, zoals bij een blikseminslag — voordat ze uit elkaar spatte! En ze stortte in elkaar omdat we geestelijk ziek waren (verzwakt door het jarenlang nuttigen van een arm geestelijk dieet gecombineerd met grote doses eigengerechtigheid en nalatigheid in toepassing). Als lichaam verloren we onze eerste liefde. We vielen in slaap en werden zelfgericht. We dreven van God af.

Nogmaals een reeks vragen. Als schapen zich verspreiden, wat is dan de eerste verantwoordelijkheid van de herder? Moet hij geen aandacht aan hen schenken en gewoon zijn eigen gang gaan? Of zou het zijn eerste taak moeten zijn, ermee te beginnen ze weer bijeen te drijven? (Ik geloof dat ook hier het antwoord nogal voor de hand liggend is.) Wat zou hij daarna moeten doen? Denkt u niet dat het logisch is dat de volgende taak van de herder — zijn hoogste prioriteit — zou moeten zijn, de oorzaak van de verstrooiing van de schapen weg te nemen? Als er een wolf was binnengekomen, dan zou u (nadat u de schapen weer bijeen had) "de wolf te pakken nemen". Als de omheining kapot was, dan zou u die repareren. Als er iets met de schapen zelf zou zijn, dan zou u daar iets aan moeten doen. Soms gebeurt dat. Ik weet niet hoevelen van u het boek A Shepherd Looks At Psalm 23 hebben gelezen. Maar Philip Keller zei daarin dat er soms schapen zijn ... Hij beschreef één specifiek schaap (dat hij had), een ooi, die qua uiterlijk 'de beste' was die hij had. Maar die ooi had een probleem. Ze was altijd met de omheining bezig. Ze leunde tegen de omheining, leunde tegen de omheining, leunde tegen de omheining, totdat ze de omheining eindelijk kapot had. Daarna ontdekte hij dat deze ooi haar lammeren leerde hetzelfde te doen. Hij zei dat hij (ondanks zijn verlangen om een lijn schapen uit deze heel goed uitziende ooi te fokken) die ooi moest doden, omdat ze de kudde kapot maakte. Soms moeten er maatregelen tegen zulke dingen worden genomen. De eerste verantwoordelijkheid van de herder (nadat hij ze weer bijeen begint te drijven) is het probleem aan te pakken dat de oorzaak was dat de schapen werden verstrooid.

Laten we nu Prediker 3 opslaan; daar zal ik enkele verzen lezen die ons heel vertrouwd zijn. Als u uw bijbel kent (als u het boek Prediker kent) dan begrijpt u waar ik nu naar toe ga. Salomo schrijft:

Prediker 3:1-7a Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd; 2 er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken, 3 een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen, 4 een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen, 5 een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen bijeen te zamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden, 6 een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, 7 een tijd om te scheuren en een tijd om dicht te naaien, ...

Zo gaat het nog even verder. Ik wil ons daarmee helpen te zien wat de oorzaak was dat de kerk in elkaar viel — en daarna uit elkaar spatte — zonder dat er aan de buitenkant van het grote lichaam ook maar 'kleine schrammetjes' waren te zien. De heer Armstrong waarschuwde reeds achttien jaar geleden dat de kerk in dodelijk gevaar verkeerde. God zette hem ertoe aan ons met onze keuzes te confronteren — Bekeert u! of Ik zal de vloek van Leviticus 26 en Deuteronomium 28 over u laten komen. Ik herinner u eraan, gemeente, dat God "geen loze waarschuwingen" uit. God is niet zoals de ouders die hun kind almaar blijven zeggen: "Jantje, dit mag je niet doen" en "Jantje, dat mag je niet doen", zonder er ooit iets aan te doen. (Voortdurend waarschuwen totdat de ouder eindelijk zo geїrriteerd en boos is dat hij ontploft.) God zette heel geduldig de heer Armstrongs denken ertoe aan om ons te laten weten dat er iets heel ernstigs en verkeerds volop in ontwikkeling was. De heer Armstrong zei (in die preek van 1978) dat hij voor het eerst in 1969 zag dat er zich verdeeldheid ontwikkelde — negen jaar voor die preek — en dat die verdeeldheid een signaal was van onze interne geestelijke problemen. Tegen 1978 was de heer Armstrong heel erg verontrust.

Het feit dat het toen EEN BELANGRIJK PROBLEEM was kunnen we nu duidelijk zien en er is geen 'snelle oplossing' voor! We hadden er vanaf 1969 voor nodig om in deze toestand te komen. Hoe snel gaan we dit veranderen? Ik weet het niet. Maar ziet u, als God mij heeft opgedragen "om degene te zijn die u vertelt" wat er moet gebeuren, dan zal ik mijn verantwoordelijkheid uitvoeren. De 'snelheid' waarmee wij veranderen hangt af van onze individuele verantwoordelijkheid om in ons persoonlijk leven te reageren. Ik weet niet wat uw zonden zijn. Ik kan alleen die van mezelf zien en ik ben verantwoordelijk voor wat ik doe om te veranderen en wat mijn bijdrage was aan de interne problemen van de kerk. Ik zei u gisteravond dat ik "in slaap was gevallen". Maar ik geloof dat God (in Zijn genade) mij eerder wakker liet worden dan u, teneinde minstens iets van een herder te hebben om u te helpen zich te bekeren. Ik kan me niet voorstellen dat Hij een minder geschikt, zwakker, angstiger en slechter voorbereid iemand dan mij had kunnen uitzoeken. Toch zie ik er aan de andere kant wijsheid in, omdat ik naar God zal gaan om kracht — omdat ik weet dat ik het gewoon niet in me heb om het soort taak uit te voeren die ik heb gekregen. Het is wel het allerlaatste ter wereld dat ik zou willen doen om (schijnbaar) tegen mensen te schreeuwen en te fulmineren en te keer te gaan over wat er binnen de kerk gaande is. Ik wil dat mensen me mogen. 'Eerste hulp' is onvoldoende als er een 'zware operatie' gevolgd door ingrijpende 'plastische chirurgie' nodig is — omdat we moreel en geestelijk verdorven geraakten.

Denkt u niet dat het tijd is om iets anders te doen om de problemen op te lossen? Als iemand ontdekt dat hij ziek is, moet hij dan niet eens nadenken over wat hij in het verleden heeft gedaan (de manier waarop hij heeft geleefd) en niet langer doen wat hij heeft gedaan en een verandering aanbrengen zodat zijn lichaam de kans krijgt te genezen? Ik zeg dit omdat ik u eraan wil herinneren, dat de heer Armstrong al vanaf 1978 de kerk echt waarschuwde. Die waarschuwing (plus wat er sindsdien gebeurde) bewijst dat we moreel en geestelijk achteruit gingen. Toch was de kerk al die tijd dat deze achteruitgang plaatsvond druk bezig met het "verkondigen van het evangelie aan de wereld". Dat is dus niet het antwoord op het probleem.

Het is tijd om verandering aan te brengen (een verandering in richting, een verandering in hoofddoel, een verandering in de intensiteit in wat we doen) omdat er iets anders gedaan moet worden om ons weer op het juiste spoor te zetten voordat we opnieuw gebruikt kunnen worden om "het evangelie aan de wereld te verkondigen". Ik geloof dat wat er gebeurd is, heeft plaatsgevonden (tenminste gedeeltelijk, misschien voor een belangrijk deel) om ons te laten zien dat God niet langer een welbehagen in ons heeft. En dat Hij ons wil toebereiden zodat Hij behagen kan scheppen in wat wij doen en dat we Hem werkelijk "een welbehaaglijk offer" kunnen brengen, omdat de dingen met de juiste houding worden gedaan.

Laten we nu Jeremia 7:3 opslaan.

Jeremia 7:3-4 zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Betert uw handel en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen. 4 Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!

Begrijpt u wat deze mensen zeiden? Als we het naar deze tijd aanpassen, dan worden deze woorden: "Ik ben in de kerk. Dit is de kerk. Dit is de kerk van God. Dit is de kerk van God. God woont in deze kerk. Alles is goed. Ik ben veilig binnen de kerk. God zal ons naar een plaats van veiligheid brengen. Alles is heel goed." God zegt — binnen deze context — dat dit leugenachtige woorden zijn. Het kan zijn dat het "de tempel des HEREN" is, maar alles is niet goed.

Jeremia 7:5 Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet.

En daarna gaat hij in dezelfde trant verder, waarna hij de zonden waarin die mensen betrokken waren, begint te beschrijven.

Laten we nu hoofdstuk 26, vers 13, opslaan.

Jeremia 26:13 Nu dan, betert uw handel en wandel, en hoort naar de stem van de HERE, uw God; dan zal de HERE berouw hebben over het kwaad dat Hij tegen u gesproken heeft.

De heer Armstrong haalde tijdens die preek in 1978 diverse keren Openbaring 2 en 3 aan, maar de verwijzingen waren in principe naar twee algemene gebieden: de boodschap aan Efeze en de boodschap aan Laodicea. Toen hij verwees naar de boodschap aan Efeze, zei hij dat die kerk "haar eerste liefde verloren had". Toen hij verwees naar Openbaring 3 en de Laodiceeërs, verbond hij dat met ons, dat wij lusteloos en slaperig werden. Deze twee zijn heel nauw verwant, maar ik wil dat we zien wat er in Openbaring 2:4-5, in de boodschap aan Efeze, staat.

Openbaring 2:4-5a Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. 5 Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u ...

Daar hebben we uitstekend advies. Of we het begrijpen of niet, de eerste werken hadden van doen met wat zij over (en 'in') het evangelie geloofden. Eén van de belangrijkste dingen die de kerk uiteen dreef, vond plaats in 1991, toen ze het evangelie van het Koninkrijk van God veranderden (en "een ander evangelie" begonnen te verkondigen). Ons geloof komt voort uit het horen van het woord. Ons geloof komt voort vanuit het evangelie. Als het evangelie wordt veranderd, zal het geloof veranderen. Als het niet het juiste evangelie is, dan zijn we rechtstreeks op weg naar de poel des vuurs — omdat 'wat we doen' wordt bepaald door 'wat we geloven'. We leiden ons leven in overeenstemming met wat we geloven. Als we niet het juiste evangelie horen, dan verandert alles.

Wat gebeurt er als "de grondslagen" worden vernietigd? Laten we Jeremia 50:15 opslaan. (De boodschap is niet tegen Israël gericht, maar tegen Babylon.)

Jeremia 50:15a Heft rondom een krijgsgeschreeuw ertegen aan. Het heeft zich overgegeven, gevallen zijn zijn zuilen [net zoals 'de grondslagen zijn vernietigd'], neergehaald zijn muren; ...

Wat gebeurt er als "de grondslagen" worden vernietigd? Dan stort het hele gebouw in elkaar! Zullen we zover komen dat 'er niet één steen op de andere wordt gelaten'? We weten vanuit 1 Petrus 2 (of we zouden dat vanuit 1 Petrus 2 behoren te weten) dat wij de stenen van de tempel zijn. Zullen we zo ernstig verdeeld geraken dat we als stof worden weggeblazen? Als God dat wil (omdat het goed voor ons zal zijn), dan zal het zo zijn. Maar ik voel een verantwoordelijkheid — als herder — te doen wat ik kan om dat te voorkomen (te doen wat God me toestaat te doen). Hij heeft ons in deze richting geleid. Natuurlijk hoop en bid ik dat ik het juiste doe en dat ik niemand misleid, omdat ik dat zeer zeker niet wil doen.

Goed, laten we onszelf een vraag stellen. Wat is het geestelijke fundament van ons leven? Ik heb u het antwoord reeds gegeven. Dat is geloof. Wat staat er in Hebreeën 11:1? Daar staat: "Geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt." In de Statenvertaling staat: "Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt." Geloof is dus de basis waarop men dingen kan gaan bouwen! Geloof is "het fundament". Geloof zet aan om iets te doen. Het brengt ons in beweging. Het is datgene waarin we geloven. Daar komt ons geloof vandaan. Het is datgene waarin we geloven. Geloof is dus het element dat steun geeft aan de gehele structuur, aan de gehele bovenbouw die er te zien is. (Die bovenbouw zijn u en ik en waarin we geloven.)

Ik ga u nu twee dingen vertellen die mij en Evelyn achterin de tachtiger jaren overkwamen. Het zijn persoonlijke dingen, maar ik kan er nu op terugkijken als iets dat [toen] een belangrijke rol in ons leven speelde en gedeeltelijk ook in wat we nu doen. Het eerste voorval vond aan het eind van 1987 of het begin van 1988 plaats, toen Evelyn en ik ons (reeds) zorgen begonnen te maken over wat er gaande was. De aanleiding hiertoe was de eerste uitgave van het nieuwe boekje over GENEZING die zij het licht deden zien.

De mensen op het hoofdkwartier wisten reeds dat Evelyn en ik niet gelukkig waren met de dingen die er in de kerk gaande waren. Dat was niet omdat wij dit allemaal ronduit in de gemeente bekendmaakten en ook niet omdat we in stilte anderen hierover inlichtten. Er zijn hier mensen uit de gemeenten van North Hollywood en Glendale en zij kunnen u vertellen dat ik zoiets nooit heb gedaan (en Evelyn heeft ook nooit zoiets gedaan). We uitten ons ongenoegen op geen enkele manier voor de gemeente — zelfs al begonnen we verontrust te worden door hetgene waarvan we ons bewust werden (en wat we waarnamen). We vroegen ons af waar dat op uit zou draaien.

Die eerste heruitgave van het boekje over GENEZING las ik in mijn auto terwijl ik op Evelyn zat te wachten. Ik weet niet meer wat zij aan het doen was, maar toen ze terug kwam, was mijn eerste commentaar: "Tsjonge! Ze hebben de heer Armstrong nodig om voor hen te schrijven." Het kwam allemaal niet echt logisch op mij over. Er ontbrak iets. Ik kon niet precies de vinger leggen op wat het was. Evelyn was degene die het opmerkte, die inzag wat het werkelijke probleem met dat boekje was. In ieder geval ze begonnen ons naar het kantoor te ontbieden en met ons te praten. Dat ging niet op een boze manier. Ze waren niet boos op ons. Ik geloof oprecht dat ze probeerden ons te helpen "de dingen vanuit hun perspectief te zien". (En wij konden "de dingen niet vanuit hun perspectief zien".) We kwamen ook in gesprek met twee mannen die dicht bij de top zaten (als ik hun namen zou noemen, zou u die onmiddellijk herkennen) en in de loop van dat gesprek (dat over het boekje over GENEZING ging) deed één van hen een ongelooflijke uitspraak. U moet daar eens over nadenken. Hij zei tegen ons: "Ik kan alles wat u over genezing zegt, ontzenuwen." En hij meende het. Wat een ijdelheid! Hij bedoelde dat als ik bijvoorbeeld de bijbel zou oppakken en zeggen: "Er staat in de bijbel dat God geneest", dat hij dat dan onderuit kon halen, omdat hij in die dingen was getraind (argumenteren, debatteren). Hij bedoelde "kronkelredeneringen".

Maar dat was nog niet het ergste. Iets later zei Evelyn heel duidelijk: "Wat ons met dit nieuwe boekje over GENEZING niet aanstaat is, dat geloof er niet meer in voorkomt." En toen deden ze de meest ongelooflijke uitspraak. De andere persoon antwoordde: "Dat is omdat wij niet wilden dat geloof erin voorkwam." Die mensen waren vertegenwoordigers van Jezus Christus en van de kerk van God; en zij wilden niet dat er in dit boekje over geloof in God werd gesproken. Ik zeg u dat dat werkelijk onze gedachten deed rondtollen.

Het was waarschijnlijk ongeveer een jaar later dat mij iets anders overkwam. Evelyn was er in het geheel niet bij betrokken. Ik geloof dat dit aan het eind van 1988 of aan het begin van 1989 gebeurde. Ik weet het niet precies meer, maar het was ongeveer in die tijd. Ik kreeg een ongewoon levendige droom. Mijn dromen zijn gewoonlijk van het soort dat absoluut absurd is, waarin alles door elkaar heen gebeurt, waarover het totaal geen zin heeft om over na te denken. Maar deze droom was ongewoon levendig; daarin verscheen heel kort iemand anders die ook op het hoofdkwartier werkt. (Gewoon pffft! en weg was hij weer.) Nu ik er diverse jaren later op terugkijk, kan ik begrijpen waarom hij daarin even ten tonele verscheen. Deze man had de rang van evangelist en hij is tot op de huidige dag nog bij de Worldwide Church of God. Hij speelde helemaal geen hoofdrol in mijn droom. Ik zag in mijn droom Magic Mountain, een pretpark net buiten Los Angeles aan de Interstate 5, waar die buiten de stad naar het noorden gaat. In het bijzonder zag ik de achtbaan. Ik keek omhoog naar Magic Mountain. Omdat het op een hoogte ligt keek ik naar omhoog. Plotseling vloog een karretje van de achtbaan uit zijn spoor en vloog op een serpentine-achtige manier door de lucht (zoals het langs de achtbaan zou hebben voortbewogen). Het vloog zo over een aanzienlijke afstand, terwijl het helemaal vol met mensen zat, zoals meestal gebruikelijk is. Maar plotseling boog het af in dalende lijn en sloeg het kapot tegen de hoek van een licht zeemkleurig (of geelkleurig) gebouw waarvan de muren met tegels waren bekleed. Dat gebouw leek precies op het gebouw waarin de gemeenten uit Norfolk, waarvan ik zes jaar pastor was, bijeenkwamen. Het karretje van de achtbaan dat daarin kapotsloeg, sloeg een groot gat in de hoek van de structuur en het gehele gebouw schudde fors. Het bleef echter staan, maar er zat nu een groot gat in.

Ik begreep niet alles direct. Ik vertelde Evelyn er 's morgens over, omdat het zo fascinerend was. Ik denk dat zij het op haar beurt weer doorvertelde aan Barrie Armitage. In ieder geval begonnen we er heel wat meer aandacht aan te schenken — daar we dachten dat er misschien toch iets mee werd bedoeld. Ik wist niet dat het me emotioneel zo aangreep en ik begreep (bijna onmiddellijk) dat waar de kerk doorheen ging een emotionele en zware tijd zou worden. We kwamen er geruime tijd niet achter dat de hoek van het gebouw geloof voorstelde. Er zou een grote inspanning worden geleverd om de hoeksteen van Gods geestelijke gebouw te vernietigen — en dat is geloof. Het gebouw zou blijven staan, maar het zou door een periode gaan waarin het flink op zijn grondvesten zou schudden. Erop terug kijkend denk ik dat u het ermee eens kunt zijn dat dat inderdaad gebeurde. En nu zijn we dan hier, naar alle kanten verstrooid.

Ik geloof dat wat we moeten gaan doen (als allereerste) is, naar Gods aandeel gaan kijken in dit alles. Laten we dus Mattheüs 10:29-30 opslaan.

Mattheüs 10:29-30 Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. 30 En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld.

Denk nu even aan het onderwerp van Psalm 139, waar wordt uiteengezet hoe sterk Gods aandacht op u en mij is gericht. De psalmist zei dat als hij zelfs op de bodem der zee zou zijn, God Zich bewust van hem zou zijn. Hij kon nergens op aarde naar toe gaan zonder dat God Zich daar bewust van zou zijn. God kent onze gedachten van verre. Op een andere plaats staat dat wij "Zijn oogappel" zijn. En dus moeten we de vraag stellen: "Is God soeverein over Zijn schepping en Zijn kerk?" Verrassen de dingen die in de kerk gebeuren, Hem? Hij is Zichzelf toch zelfs bewust dat er een musje valt; een musje kan toch niet vallen zonder Zijn toestemming? Dat gaat ons verstand ver te boven! Dat is verbazingwekkend! Ik kan zo'n denken niet bevatten — een denken dat zich zo 'bewust' is van alles dat zelfs vogeltjes er niet aan ontsnappen, waar ze ook zijn. Zelfs al zijn ze aan de andere kant van de aarde (ergens in Australië), dan is Hij Zich bewust van wat er gebeurt! Denkt u dat er iets in 'de kerk' zou kunnen gebeuren ("Zijn oogappel", waar Zijn aandacht in het bijzonder op is gericht) zonder dat Hij Zich er bewust van is? Of dat op de een of andere manier Satan heimelijk binnensloop en de kerk vernietigde? Of dat op de een of andere manier Joseph Tkach heimelijk binnensloop? En God zei: "Nee, hem wilde Ik niet, maar wat moet Ik nu doen? Hij is binnen."

Als we aan zulke dingen denken, dan hebben we niet het juiste beeld van God. 'Reageert' God alleen maar? Reageert Hij op wat Satan of op wat Zijn kinderen doen? Gemeente, Hij is de Schepper. Hij leidt de gang van zaken. Hij is degene die 'vorm en gestalte geeft'. Hij weet wat er gaande is. Niet de schepping laat Hem iets doen. Hij brengt tot stand wat er binnen Zijn schepping moet gebeuren. Laten we Hem Zijn baan niet ontnemen! Satan dwong God niet tot handelen, ook legde hij Hem zijn wil niet op.

Ik denk dat God reeds van verre kon zien waar de kerk heendreef. En (net zoals bij Job) gaf Hij Satan 'de gelegenheid' te doen wat hij deed. (Misschien deed Satan de suggestie, maar God had er reeds aan gedacht.) Heb u opgemerkt hoe hoog God tegen Satan opgaf over Job? "Wat denk je over Mijn knecht Job?" Weet u wat God zei, wat niet opgeschreven is? Hij zei: "Ik wed dat je Job niet kunt breken." En ik geloof dat dat nu de kerk overkomt. Ik geloof dat God zei: "Ik denk niet dat je Mijn kinderen kunt 'breken'. Ze hebben hun zwakheden, maar het zijn echt Mijn kinderen — ze zullen trouw blijven." God zal ons daarbij helpen. Het staat vast dat Job echt iets moest doorstaan. Zijn geloof werd zwaar op de proef gesteld en hij werd gelouterd door hetgeen waar hij doorheen ging. Maar hij kwam er met vlag en wimpel doorheen. Hij was niet volmaakt. Hij moest dingen leren. Wij moet ook dingen leren, maar alle dingen werken ten goede voor hen die God liefhebben en voor hen die de geroepenen zijn. Maar ik denk dat we moeten begrijpen dat God de kerk uit elkaar blies. Er gebeurt niets binnen Gods schepping zonder dat Zijn uitdrukkelijke wil het toestaat (of het doet). Bedenk wat er in Psalm 74 staat: "God is in het midden der aarde [staat dus middenin de dingen die gebeuren] en bewerkt verlossing."

Dus Hij bracht ons in deze situatie. Wij moeten eruit zien te komen. Het is nu ons probleem. Hij is met ons, maar desondanks wil Hij zien wat wij gaan doen. Zullen we als Job reageren? Ik hoop het. (Misschien zelfs beter.) Zag u dat God 'een lijn trok' en tegen Satan zei: "Tot hier toe en niet verder"? God beproeft ons nooit boven ons vermogen. Hij voorziet altijd in een ontsnappingsweg. Maar gemeente, wij moeten ons geloof toepassen. We moeten ons tot Hem wenden om die kracht. Het doel van deze beproeving, gemeente, is ons terug te drijven zodat we God zien. We kunnen God niet zien als we slapen. (Ik zal daar later nog op terugkomen.) We verloren het zicht op Hem.

Laten we weer het boek Prediker opslaan, nu hoofdstuk 8. Dit is iets waar we mee hebben om te gaan — een heel belangrijk principe.

Prediker 8:11 Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen.

Ik wilde dit vers alleen maar aanhalen als basis voor een principe om iets te versterken dat ik kort geleden zei, en dat was dat God geen "loze waarschuwingen" uit. Als God iets zegt, dan (zoals Jesaja 55 zegt): "Het woord dat Mijn mond uitgaat, zal niet ledig tot Mij wederkeren." Als God dus een waarschuwing geeft, dan wordt die ook uitgevoerd tenzij aan de voorwaarden wordt voldaan. We lazen de voorwaarden. Hij zei: "Betert uw handel en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen. Dan wil Ik u in het land uwer erfenis laten wonen." We hebben dus enkele veranderingen. We willen begrijpen dat er [bij God] geen "loze waarschuwingen" voorkomen. Eén van de meest schrijnende voorbeelden hiervan is het voorval met Adam en Eva in de hof van Eden. God zei hun: "Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven." Oppervlakkig gezien zei God hun niet de waarheid, maar stierven ze? Dat was zeer zeker het geval. We kunnen dat dus opvatten als ten dage dat je daarvan eet, ben je zo goed als dood. Zij overtraden Zijn gebod. Ze aten. En ze stierven (net zoals Hij had gezegd). Het was geen "loze waarschuwing". Menselijk gezien hadden ze kunnen zeggen: "Hé, ik heb van dat ding gegeten en er gebeurde niets. Ik ging niet dood." We moeten voorzichtig zijn dat we de menselijke natuur niet toestaan ons te bedriegen. We kunnen zondigen en — omdat de straf schijnbaar niet onmiddellijk volgt — gaan we denken dat God de andere kant uitkeek, of dat het Hem niet uitmaakte, of dat Zijn woord niet echt de autoriteit heeft die Hij zegt dat het heeft. (Maar het heeft die autoriteit wel.)

Laten we nu even kijken naar hoe God oordeelt (sommige aspecten van dat oordeel bekijken) door eerst 1 Petrus 1:17 op te slaan.

1 Petrus 1:17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap.

God oordeelt zonder "aanzien des persoons". Dit betekent dat zonde zonde is, of je nu wel of niet bekeerd bent. Zonde is zonde, zonde, zonde. Het doet er niet toe of iemand wel of niet bekeerd is. Het doet er niet toe of deze door een tiener of een vijfentachtig jaar oud iemand wordt begaan. Het loon der zonde is de dood. In dat geval is Zijn oordeel zonder aanzien des persoons. Het doet er niet toe of de koning of de dienaar van de koning deze begaat. Zonde is zonde. Zonde brengt de dood voort — ongeacht wie het betreft. God heeft (in Zijn genade) "patronen waarbinnen Hij werkt" bekendgemaakt, zodat wij Zijn hand kunnen zien in wat er gaande is. Laten we eens naar enkele van die patronen kijken. Eén ervan ontlenen we aan Jacobus 3:1.

Jacobus 3:1 Laat niet zovelen uwer leraars zijn, mijn broeders; gij weet immers, dat wij er des te strenger om geoordeeld zullen worden.

Zelfs al oordeelt God zonder aanzien des persoons, op sommigen wordt 'zorgvuldiger gelet' dan op anderen. In dit geval (kunnen we begrijpen) dat Gods onderzoek van mij grondiger zal zijn dan Zijn onderzoek van u, omdat Hij mij in deze positie heeft aangesteld en Hij mij alles heeft gegeven wat nodig is om deze te vervullen. Ik moet dus voldoen aan die verantwoordelijkheid; een deel van de daaraan verbonden 'kosten' is dat ik meer verantwoordelijk wordt gehouden dan anderen. Dat is van toepassing voor het gehele lichaam. Als het goed is voor de dienaren dan is het ook goed voor anderen. God neemt dat in overweging, zodat we zullen begrijpen.

In Lucas vinden we (wat ik zou willen noemen) 'een variatie' op ditzelfde patroon.

Lucas 12:45-48 Maar als die slaaf in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft lang uit, en hij zou beginnen de slaven en slavinnen te slaan, en te eten, en te drinken en dronken te zijn, 46 dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht en op een uur, dat hij niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der trouwelozen doen delen. 47 Die slaaf nu, die de wil van zijn heer kende en geen toebereidselen getroffen heeft, of niet gedaan heeft naar de wil van zijn heer, zal vele slagen ontvangen. 48 Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.

Dat is heel duidelijk. "Aan wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist." Dit plaatst ons (als kerk, als lichaam) in een enigszins precaire positie, vanwege wat God ons in termen van technologie (de drukpers, de radio, de televisie, de telefoon — allemaal middelen van massa- en persoonlijke communicatie) ter beschikking heeft gesteld. Bovendien gaf Hij ons een apostel waardoor Hij de eindtijdkerk stichtte om een werk te doen; daarnaast voorzag Hij in een veelheid van dienaren. Er ontstonden bovendien over geheel de Verenigde Staten en Canada verspreid en verder op tal van andere plaatsen op aarde gemeenten. Ik geloof dat ons meer kennis (van belangrijkere geestelijke dingen) is gegeven dan enige andere vergelijkbare groep mensen sinds minstens de eerste eeuw. Nu volgt een vraag. Hoe intens zal het onderzoek dat wij krijgen, dan wel niet zijn? Dat is iets dat we ernstig in beschouwing zullen moeten nemen in termen van bekering. We hebben veel ontvangen. Misschien is 'het voedsel' in de laatste jaren niet goed geweest, maar er stonden (voor de meesten van ons) volop dingen ter beschikking uit de jaren waarin ons geestelijk niveau heel hoog was — uit de vijftiger en zestiger jaren, en zelfs uit een groot deel van de zeventiger jaren. Het materiaal dat in grote hoeveelheden door de dienaren van God werd uitgebracht was [toen] van een heel goede kwaliteit, zelfs al waren wij (wij zelf) 'nogal een wild stelletje' — in vergelijking met de manier waarop we er fysiek uitzagen toen we in de tachtiger en negentiger jaren aankwamen. Het lijkt erop alsof hoe meer de kerk er materieel op vooruitging, des te meer ze geestelijk achteruitging. Dat leidt rechtstreeks naar Laodiceanisme, waarop ik in de volgende preek zal ingaan.

De tijd voor vandaag is op. Maar ik wil u eraan herinneren (omdat "wij veel hebben ontvangen" en omdat "God geen loze waarschuwingen uit"), dat de vloek van Leviticus 26 en Deuteronomium 28 in de loop der jaren in toenemende mate 'over de kerk kwam', totdat we uiteindelijk verstrooid werden. Ik wil niet dat u zich "down" gaat voelen — omdat God deed wat goed voor ons is. Hij heeft ons niet in de steek gelaten. Hij is met ons en Hij deed deze dingen voor ons bestwil.

Of we het hem nu wel of niet als een verdienste willen toerekenen, de heer Tkach deed (ondanks wat er gebeurde) iets dat ons ten goede kwam. Het was er de oorzaak van dat we (in de eerste plaats) onze overtuigingen opnieuw in beschouwing namen, gevolgd door hoe die overtuigingen in ons leven uitwerkten. Daarvan zal de zegen van God komen, omdat (als we onze wegen veranderen) Hij ons zal zegenen. Hij zal ons ook deze dingen niet onthouden.

Mijn volgende preek zal de laatste in deze serie zijn. We zullen zover komen dat ik heel duidelijk zal kunnen beschrijven wat Laodiceanisme werkelijk is en ons dit heel levendig voor ogen kan stellen — waaruit u in staat zou moeten zijn te kunnen opmaken waar we moeten veranderen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)