De vereisten voor het garfoffer en Jozua 5

Door John W. Ritenbaugh
10 maart 2001

Samenvatting: (toon)

Zich richtend op een bedrieglijke neiging van de menselijke natuur om "een losse steen te vinden om een leerstelling te ontkrachten" weerlegt John Ritenbaugh afleidingsargumenten die zogenaamd aantonen dat de gebeurtenissen van Jozua 5 een uitzondering verschaffen op de regel of het patroon dat in Leviticus 23:11 werd vastgesteld. De gehele inhoud van Leviticus 23 geeft een chronologische lijst van de sabbatten (wekelijkse en jaarlijkse) en niets in de volgende hoofdstukken van de bijbel verandert de tijden of data van deze sabbatten die gehouden moeten worden. Naast de duidelijke waarneming dat er in het gehele vijfde hoofdstuk van Jozua 5 niets staat dat in de verte duidt op een garfoffer, zouden de Israëlieten als ze – toen ze het land binnentrokken – daartoe graan van vreemdelingen zouden hebben gebruikt, Leviticus 22:25 op schandelijke wijze hebben overtreden. De condities voor een garfoffer bestonden pas in Jozua 22, zeven jaar na de gebeurtenis van Jozua 5. De andere "losse steen" in Lucas 6:1 "de tweede eerste sabbat" (Statenvertaling) is gebaseerd op een tekst die niet authentiek is.


We beginnen deze preek met Lucas 10:29.

Lucas 10:29 Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?

U weet waarschijnlijk wel dat dit voorafgaat aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De woorden waarop ik hier wil ingaan zijn "zich rechtvaardigen".

Laten we nu Lucas 16:14-15 opslaan.

Lucas 16:14-15 Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem [Jezus]. 15 En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.

Hier hebben we alweer mensen die voor rechtvaardig willen doorgaan. Hebt u ooit bij uzelf waargenomen dat de menselijke natuur heel flexibel en vindingrijk is om uitzonderingen voor zichzelf te creëren? Dit komt meestal op gang als iemand te maken krijgt met een regel of een omstandigheid waarmee hij zichzelf, in ieder geval op dat moment, niet comfortabel voelt. Iemand die zich in zo'n situatie bevindt, zegt dus: "Dat geldt niet voor mij."

Dat gebeurt voortdurend met snelheidsbeperkingen in het verkeer. Zelf heb ik heel vaak te worstelen met deze neiging en de snelheidsbeperking kan dan heel gemakkelijk verworden tot niet meer dan een suggestie in plaats van een gebod. En sneller dan het knipperen van het oog heeft mijn denken een rechtvaardiging gevonden om sneller te gaan dan het gebod zegt. Mijn denken zegt: "Ik ben te laat," of "Ik heb haast," of "Dit gebod is alleen maar op andere tijden van kracht, als er meer verkeer op de weg is," of "De politie kijkt niet zo precies, een kleine tien kilometer sneller is geen probleem."

We doen dit schijnbaar voortdurend als we eten, voor wat betreft wát we eten en hoevéél we eten. Ons denken zegt: "Ik weet dat ik dit niet moet eten, maar ?," of "Ik ben al vol," of "Ik weet dat ik niet meer moet eten, maar ik ben jarig," of "Ja maar, ik vier een grote order die ik zes maanden geleden wist binnen te halen," of "Alleen deze ene keer nog en daarna doe ik het niet meer." Maar we gaan ons daarna toch opnieuw te buiten.

U herinnert zich misschien nog wel het voorbeeld dat Herbert Armstrong gebruikte, toen hij zijn dochter verbood nog langer romans vanuit de bibliotheek mee te nemen. Niet lang daarna zag hij haar weer een roman lezen. Toen hij haar daar op aansprak, antwoordde ze dat ze het boek niet uit de bibliotheek had gehaald, maar had geleend van een vriendin. Ze had dus een uitzondering gecreëerd.

In het geheel der dingen zijn de voorbeelden die ik gebruikte, niet zo belangrijk als de gebieden van moraliteit in onze relatie met God en naaste, maar ze illustreren de sterke neiging van de menselijke natuur om uitzonderingen te bedenken om allereerst zichzelf tegemoet te komen.

Op het terrein van religie beseffen de pastors in de kerk dit heel goed, omdat het een redelijk consistent patroon is, dat iemand denkt dat hij de grote uitzondering heeft gevonden, waardoor een specifieke doctrine ongeldig wordt gemaakt. De gedachte is gewoonlijk, dat als dit vers, of de betekenis van dit woord, of een speciale gedachte die bij hem opkwam, in relatie met alle schriftgedeelten wordt gebracht waarop de doctrine is gebaseerd, dat dan het hele bouwwerk van die doctrine in elkaar zal storten.

Ik wil niet zeggen dat dit met kwade opzet wordt gedaan. De menselijke natuur is gewoon bedrieglijk boven alles en er altijd op uit iets in eigen voordeel, voor eigen gemak, voor eigen bevrediging te vinden, hoe klein dat op zichzelf ook moge zijn. Dit is iets waar iedereen zich van bewust moet zijn en waar iedereen mee om moet gaan.

Deze gedachte kwam bij me op, toen ik over de zaak met Pinksteren waarmee we dit jaar te maken hebben, nadacht, omdat het Pascha op een wekelijkse sabbat valt. Sommigen denken dat het dan noodzakelijk wordt, de manier waarop Pinksteren consequent wordt geteld als het Pascha op een maandag, woensdag of vrijdag valt, te veranderen. Ik kan het niet helpen, maar ik moet hierbij denken aan wat de wereld heeft gedaan met de sabbat.

Laten we Deuteronomium 5 opslaan, waar de geboden worden gegeven. Ik lees de eerste regel van het vierde gebod.

Deuteronomium 5:12 Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft.

Hier wordt in principe hetzelfde gezegd als in Exodus 20, waar staat: "Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt." De sabbat moet apart worden gezet. Kan er iets rechtstreekser zijn dan het vierde gebod? De sabbat is de zevende dag van de week, niet de eerste. Jezus hield de sabbat. Moeten wij niet in Zijn voetsporen treden, Zijn voorbeeld volgen en doen wat Hij deed? Dat niet alleen, maar behalve Jezus hielden ook de apostelen de sabbat. Bovendien hielden zij ook de heilige dagen en ze deden dit ook nog na de dood en opstanding van Jezus.

Maar er is door de menselijke natuur een heel rookgordijn van uitzonderingen bedacht om te voorkomen dat men dat eenvoudige gebod moet gehoorzamen, en op die manier bevredigt men dus de eigen verlangens om te geloven en te doen wat men wil. Ze hebben dus gerationaliseerd dat Jezus de sabbat alleen maar hield omdat Hij een Jood was. Of ze zeggen dat de wet is afgeschaft, of dat de sabbat slechts een ceremonieel karakter heeft en dat elke dag van de week evengoed is, of dat God niet zo onredelijk zal zijn om in deze moderne tijden van de mensen te verlangen dat ze stoppen met werken, of dat de tien geboden deel uitmaken van het Oude Verbond en dat is vervangen door het Nieuwe.

Maar gemeente, de werkelijkheid is dat er na Exodus 20 niets is veranderd ten aanzien van wanneer de sabbat moet worden gehouden, of in het gebruik ervan zoals door God ingesteld. Ook voor wat betreft de andere geboden is er niets veranderd. Ik geloof dat er in de kerk iets soortgelijks wordt gedaan met betrekking tot Pinksteren. Een betrekkelijk eenvoudige uitspraak betreffende de juiste tijd om het te houden wordt buiten alle proporties ingewikkeld gemaakt om uitzonderingen te bewerkstelligen.

Laten we Leviticus 23:10-16 opslaan.

Leviticus 23:10-16 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen, 11 en hij zal de garve voor het aangezicht des HEREN bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen. 12 Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt, een gaaf eenjarig schaap de HERE ten brandoffer bereiden, 13 met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE, en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. 14 Tot op die dag zult gij geen brood, geen geroosterd of vers koren eten, totdat gij de offergave van uw God gebracht hebt: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. 15 Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn; 16 tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de HERE brengen.

We moeten dit ten eerste binnen de context van het gehele hoofdstuk in beschouwing nemen. We hebben in dit hoofdstuk een chronologische opsomming van de feesten van God. Naar ik meen wordt ons juist in dit hoofdstuk precies verteld wanneer we elk feest dienen te houden, inclusief Pinksteren. Daar zit niets mysterieus aan noch iets dat uitzonderlijk moeilijk is.

We gaan nu naar het Nieuwe Testament, naar Johannes 10:35. Dat gaat over een twist tussen de Farizeeën en Jezus.

Johannes 10:34-35 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? 35 Als Hij hen goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden,

De Schrift kan niet terzijde worden geschoven alleen maar omdat sommigen vinden, dat het hun ongemakkelijk wordt gemaakt in de manier waarop zij denken. De Schrift kan niet worden behandeld alsof ze niet bestaat.

Heeft God de tijd van het houden van één der andere feesten veranderd ten opzichte van wat er in Leviticus 23 staat? Is het Pascha veranderd? Zijn de dagen der ongezuurde broden veranderd? Of het trompettenfeest, of de verzoendag, of het loofhuttenfeest, of de laatste grote dag? Niet één van hen is veranderd. Niets na Leviticus 23 heeft ook maar enige datum veranderd van waarop ze gehouden moeten worden. Sommige dingen die op zo'n dag werden gedaan kunnen veranderen, maar niet de datum.

Net zo min als er iets na Exodus 20 de wekelijkse sabbat heeft veranderd — dat wil zeggen wanneer die moet worden gehouden — net zo min wordt er na Leviticus 23 iets gezegd dat Pinksteren zal veranderen. Maakt God Zich schuldig met Zijn geboden de ene keer dit en de andere keer dat te bedoelen? Als Hij dat doet, verandert dat dan niet de consequente patronen die Hij voor ons geloof heeft vastgesteld? God doet zulke dingen niet. Hij stelt patronen vast die altijd hetzelfde blijven.

Laten we weer naar Leviticus 23 gaan.

Leviticus 23:11 en hij zal de garve voor het aangezicht des HEREN bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen.

Het garfoffer moet na de sabbat worden bewogen, niet op de sabbat. Dit geeft ons niet de toestemming het op de sabbat te doen. Om welke sabbat gaat het? Want God zegt heel specifiek: "Na de sabbat." Het bepaalde lidwoord "de" staat (net zoals in de NBG) ook in het Hebreeuws. Dat is een aanwijzing dat Hij het heeft over een wekelijkse sabbat. Dit is niet beslissend, maar wel een aanwijzing.

Toen we nog in de Worldwide Church of God waren, zag ik in één van hun artikelen over Pinksteren, dat als deze combinatie van woorden voorkwam, dat het bepaalde lidwoord "de" werd gevolgd door het woord "sabbat", dat dit dan in 95% van de gevallen duidde op de wekelijkse sabbat. Er waren maar enkele uitzonderingen. Dat waren de statistieken die zij gaven. Daarom zeg ik dat het een aanwijzing is. Het is niet beslissend, maar wel een aanwijzing.

Moeten we daar gewoon geen aandacht aan schenken en ook niet aan andere schriftgedeelten, als die niet overeenkomen met ons denken? Over welk denken heb ik het hier? Ik ontving een artikel van iemand die zei dat dit vers geen regel was. Kunt u dat begrijpen, gemeente? Als het geen regel is, dan wil ik wel eens weten wat wèl een regel is. Schuift deze persoon het eenvoudig aan de kant, ontkent hij dat het een regel is, alleen maar om zichzelf de legale ruimte te verschaffen om een uitzondering tot stand te kunnen brengen? Door Gods eigen duidelijke woord is het woord sabbat de basis om te bepalen wanneer met tellen te beginnen. Het tellen begint nadat het garfoffer is gebracht en dat moet gebeuren "op de morgen na de sabbat". Dat is een regel.

Dit is een sabbat die binnen de context van de twee vorige feesten valt met als doel het derde feest, Pinksteren, te kunnen vaststellen. Pascha is geen sabbat, al is het een feest. Dat elimineert het Pascha dus als mogelijke basis van waaruit we elk jaar opnieuw Pinksteren kunnen vaststellen. Het is geen sabbat. Dat beperkt het zoeken om welke sabbat het gaat tot drie mogelijkheden: twee sabbatten die ook heilige dagen zijn en één wekelijkse sabbat; al deze drie sabbatten vallen binnen de dagen der ongezuurde broden.

Laten we nu eens kijken naar de verzen 15 en 16.

Leviticus 23:15-16 Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn; 16 tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de HERE brengen.

Tellen is absoluut noodzakelijk, of we nu weken tellen of individuele dagen. Dat doet er niet toe. Het zijn negenenveertig dagen plus één. Het is zeven weken plus één dag. Dat is wat er volgens deze twee verzen moet worden gedaan.

Als we vanaf een sabbat met een vaste datum tellen, zoals de twee heilige dagen binnen ongezuurde broden, dan is er geen noodzaak tot tellen om Pinksteren vast te stellen, omdat tellen vanaf een startpunt met een vaste datum Pinksteren altijd doet uitkomen op dezelfde datum in de maand Sivan.

Als we tellen vanaf de eerste dag der ongezuurde broden, dan zal Pinksteren altijd op de 6e van de maand Sivan vallen. Als we tellen van de laatste dag der ongezuurde broden, dan zal Pinksteren altijd op de 12e van de maand Sivan vallen. Dan is er geen noodzaak om ieder jaar opnieuw te tellen. Maar het is nodig om ieder jaar opnieuw te tellen als we uitgaan van de wekelijkse sabbat tijdens de dagen der ongezuurde broden, omdat die sabbat elk jaar op een andere datum valt, afhankelijk van de dag waarop het Pascha valt. Het gebod om te tellen dwingt iemand om de wekelijkse sabbat te gebruiken om Pinksteren op de juiste manier vast te stellen. We zijn Leviticus 23 nog niet uit en we weten al wanneer Pinksteren moet worden gehouden.

Als we de wekelijkse sabbat tijdens de dagen der ongezuurde broden niet gebruiken, dan verliest het gebod te tellen zijn basis en wordt er een uitzondering gecreëerd met als gevolg een inconsequentie in het tellen voor Pinksteren. Dat is belangrijk. Het gevolg is een inconsequentie in het tellen voor Pinksteren.

Als God niet wilde dat het tellen consequent gebeurde, waarom zou Hij dan zo'n uitspraak doen als er in Leviticus 23:15 staat? Hij zegt: "Tel van de dag na de sabbat." Die regel is daar specifiek geplaatst, zodat het tellen voor Pinksteren ieder jaar opnieuw consequent op dezelfde wijze zou gebeuren. Tellen vanaf welke sabbat we binnen de dagen der ongezuurde broden ook kiezen, leidt zeer zeker tot consequentheid, maar niet iedere sabbat is juist. Er is maar één sabbat die juist is. Dat is de wekelijkse sabbat tijdens de dagen der ongezuurde broden. Dat is de enige die juist is.

In Leviticus 23:1 staat:

Leviticus 23:1-2 De HERE sprak tot Mozes: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: De feesttijden des HEREN, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden.

"Uitroepen" of "vaststellen". Wordt het uitroepen of vaststellen van één der andere feesten op een inconsequente manier gedaan? Net zo min gebeurt dat voor Pinksteren. De bedoeling van het gebod in Leviticus 23:15 is om "te tellen". Consequentheid verenigt. Inconsequentheid brengt verdeeldheid tot stand en uiteindelijk verwarring. Voorzover ik weet is er nooit iemand — totdat de Worldwide Church of God dat in 1974 begon te doen — begonnen te tellen vanaf een andere dag dan een sabbat binnen de dagen der ongezuurde broden.

Waarom zag iedere andere groep duidelijk dat de sabbat binnen de dagen der ongezuurde broden moest vallen? Dit betekent niet dat er niemand binnen die groepen was die schriftelijk uiting gaf aan zijn denken dat de sabbat buiten de dagen der ongezuurde broden kon vallen, omdat er inderdaad mensen waren die dat deden. We kunnen die dingen vinden in geschriften zoals de Talmud, maar de sekte of groep bracht de meningen van die mensen niet in de praktijk, zelfs al waren ze geschreven op de manier waarop deze mensen dat tot uiting brachten.

We kennen allemaal het gezegde: "De duivel zit in de details." Het zit in de details van de dingen na Leviticus 23 waardoor sommige gelovigen hetgeen zo duidelijk in Leviticus 23 staat, gaan veranderen. Ik geloof dat het de Spaanse filosoof Santayana was, aan wie de volgende toespraak wordt toegeschreven: "Zij die de lessen van de geschiedenis niet willen leren, zijn gedoemd die te herhalen." Er zijn momenteel diverse mensen en groepen die pogingen in die richting doen, die zeggen dat de geschiedenis niet van belang is, dat alleen de Schrift telt. Dat is iets dat op het eerste gehoor goed klinkt, maar bij nader onderzoek verliest het heel wat van zijn kracht.

Moeten we Gods woord volledig ontkoppelen van de wereldlijke geschiedenis? Is God niet betrokken bij de wereldlijke geschiedenis? God stelt toch de koningen aan? God bepaalt toch hoe sterk, hoe machtig en hoe rijk de naties zullen zijn? Hij brengt de mensen toch in beweging tot massale migraties van de ene plaats op aarde naar de andere? Hij brengt tot stand wat ook maar Zijn doel is. God is betrokken bij de geschiedenis en vele van deze dingen zijn opgeschreven. Toegegeven, dat gebeurde niet vanuit een goddelijk oogpunt, maar vanuit een menselijk oogpunt. Maar ontkoppel God nooit volledig van de geschiedenis.

Heeft God niets van doen met wat onze voorvaderen — de Israëlitische volken — ons hebben nagelaten alsof ze in het geheel geen religie hadden, of wat ze dan wel hadden in de praktijk totaal gespeend was van elke waarheid? Worden we verondersteld te geloven dat wat via de geschiedenis tot ons is gekomen van elke waarheid gespeend is? Ik geloof dat zo'n benadering op zijn zachtst gezegd gevaarlijk is, in het bijzonder als we in ogenschouw nemen dat de bijbel zelf een verslag is van gebeurtenissen uit het verleden, hoofdzakelijk van de Israëlitische volken. Maar wat in de ene bijbelvertaling wordt gezegd, kan wel afwijken van wat er in de andere bijbelvertaling staat.

Met andere woorden niemand heeft het originele manuscript en daarom kan niemand beweren dat de versie die hij gebruikt absoluut nauwkeurig is. Heeft de bijbel een grotere mate van nauwkeurigheid dan de wereldlijke geschiedenis? Absoluut! Betekent dit dat de wereldlijke geschiedenis geen waarde heeft en het altijd bij het verkeerde eind heeft? Dat is een ander uiterste. Absoluut niet. Wat zo interessant is, is dat juist de mensen die zeggen dat we geen aandacht aan de wereldlijke geschiedenis moeten schenken, die bij andere gelegenheden wel gebruiken om hun argumenten over andere zaken te ondersteunen.

Met het woord geschiedenis bedoel ik onder andere de geschriften van Josephus; de Mishnah en de Gemara, de twee gedeelten waarin de Talmud uiteenvalt; en ook de werken van vele moderne commentatoren en van bekende geleerden zoals Gibbon en Durant en nog vele anderen.

Waarom is de wereldlijke geschiedenis speciaal voor wat betreft dit onderwerp van enig belang? De reden zou u kunnen schokken. Er is geen historisch verslag — zelfs niet in de bijbel — dat de Israëlieten echt het garfoffer brachten. Wat laat dan de wereldlijke geschiedenis zien voor wat betreft het tellen tot Pinksteren? Die laat zien dat iedere Joodse groep, inclusief de Sadduceeën, de Farizeeën, de Falasha's, de Karaïeten en de Essenen, alle het Oude Testament gebruikten als de basis van hun religie. Ze waren alle echt vertrouwd met de taal van de bijbel en leefden duizenden jaren dichterbij de oude tradities van het Israëlitische volk en toch gebruikten ze nooit consequent een andere sabbat dan die binnen de dagen der ongezuurde broden viel, om te voorkomen dat het garfoffer op een andere sabbat zou worden gebracht.

Hoe kunnen die mensen die beweren dat geschiedenis niet van belang is, negeren wat de wereldlijke geschiedenis laat zien? Heel eenvoudig door te beweren dat degenen wier geschiedenis is opgeschreven en zij die dat opschreven, allemaal onbekeerd waren, en dat daardoor alles van hen automatisch onjuist is. Volgens dezelfde manier van redeneren zouden ze ook moeten zeggen, dat het voorbeeld van de moderne Joden en de zevendedagsadventisten en de Messiasbelijdende Joden in het houden van de sabbat en de heilige dagen ook niet geschikt is als een praktijk van waarheid, omdat die mensen, naar hun zeggen, onbekeerd zijn. Bij de Joden, speciaal de Sadduceeën en de Farizeeën, vinden we een duidelijk bewijs dat ze altijd een sabbat binnen de dagen der ongezuurde broden gebruikten, ongeacht op welke dag het Pascha viel.

Hebt u ooit een overzicht gemaakt van de vereisten die de bijbel geeft voor het brengen van het garfoffer? De meeste mensen hebben dit nooit gedaan. Ik bedoel echt opgeschreven. Chronologisch beginnen ze niet in Leviticus 23, maar veeleer in Exodus 23. Laten we daarheen gaan.

Exodus 23:14-15 Driemaal in het jaar zult gij Mij een feest houden. 15 Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, op de bepaalde tijd van de maand Abib, want daarin zijt gij uit Egypte getrokken; maar men zal niet met ledige handen voor mijn aangezicht verschijnen.

Op de heilige dagen moeten we dus met een offer in de hand voor God verschijnen. Dat is de betekenis van dit vers. We gaan het hier hebben over offeranden. Het garfoffer is een offerande.

Exodus 23:16-19 Ook het feest van de oogst [Pinksteren], der eerstelingen van uw vruchten, die gij op de akker zaaien zult; en het feest der inzameling aan het einde des jaars, wanneer gij uw vruchten van de akker ingezameld hebt. 17 Driemaal in het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Here HERE verschijnen. 18 Gij zult het bloed van mijn slachtoffer [dat is het Pascha] niet met iets gezuurds offeren, noch zal het vet van mijn feestoffer de nacht overblijven tot de morgen. 19 Het beste der eerstelingen [het garfoffer] van uw bodem zult gij in het huis van de HERE, uw God, brengen. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

We kijken hier naar enkele van de vereisten. Om duidelijk te maken dat we het hier hebben over het garfoffer, wil ik nu Deuteronomium 26 opslaan.

Deuteronomium 26:1-2, 10 Wanneer gij komt in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont, 2 dan zult gij van de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij zult inzamelen van het land, dat de HERE, uw God, u geven zal, nemen, en in een mand doen en naar de plaats gaan, die de HERE, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen. ? 10 En nu, [dit moeten we zeggen als we dit doen] zie, ik breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat Gij, HERE mij gegeven hebt. Gij zult ze neerzetten voor het aangezicht van de HERE, uw God; gij zult u voor het aangezicht van de HERE, uw God, neerbuigen,

Exodus 22:29 Gij zult niet talmen, van uw graan- en van uw wijnoogst te geven. De eerstgeborene van uw zonen zult gij Mij geven.

Wat hebben we tot nu toe gevonden? We hebben de volgende punten:

Punt 1:

Exodus 23 laat zien dat het offer moest voortkomen uit hun eigen werk. "Ook het feest van de oogst, der eerstelingen van uw vruchten, ?" [vers 16]. En dan om er dubbel zeker van te zijn dat ze het begrepen, zegt Hij: "?, die gij op de akker zaaien zult." Dat is nogal duidelijk.

We zouden dit kunnen afwimpelen door te zeggen dat dit geen regel is, maar dat doen we niet. Excuseer mijn sarcasme.

Punt 2:

Als we hier de omstandigheden van Jozua 5 mee vergelijken, dan wordt het duidelijk dat deze offerande van de eerstelingen moest zijn, niet van de buit buit [zoals oorlogsbuit]. De offerande moest van het eigen land plaatsvinden, van de eigen oogst.

Leviticus 23:10 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen,

Punt 3:

Alles wat we tot nu toe hebben doorgenomen maakt één ding duidelijk, dat ze, toen ze in de woestijn waren, deze offerande niet brachten. Ze konden aan geen enkele van de vereisten voldoen.

Punt 4:

Het garfoffer moest zowel vóórdat de oogst echt begon en vóórdat ervan gegeten werd, bewogen worden.

Deuteronomium 16:9 Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen te tellen.

Leviticus 23:14 Tot op die dag zult gij geen brood, geen geroosterd of vers koren eten, totdat gij de offergave [sprekende over het garfoffer] van uw God gebracht hebt: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.

Punt 5:

Het garfoffer moest vergezeld gaan van de in Leviticus 23:12-13 speciaal aangeduide offergaven. Het werd niet geheel op zichzelf gebracht. Het werd vergezeld van deze offeranden op het altaar.

Leviticus 23:12-13 Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt, een gaaf eenjarig schaap de HERE ten brandoffer bereiden, 13 met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE, en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn.

Punt 6:

Iets dat geofferd wordt, kan niet van een vreemdeling afkomstig zijn; ook moet het geheel gaaf zijn, zonder gebrek. Sommigen zeggen dat dit niet op het garfoffer van toepassing is. Dat is grote nonsens. Het principe is op alle offeranden van toepassing. We kunnen geen uitzonderingen maken voor andere offeranden. God krijgt altijd het beste.

Leviticus 22:17-25 En de HERE sprak tot Mozes: 18 Spreek tot Aäron en zijn zonen en tot al de Israëlieten en zeg tot hen: Ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen in Israël, die zijn offergave brengt, overeenkomstig al de geloften en vrijwillige offers, die zij de HERE als brandoffer willen offeren: 19 het moet, zo gij welgevallig wilt zijn, gaaf wezen, van het mannelijke geslacht van het rundvee, van de schapen en van de geiten. 20 Niets dat enig gebrek heeft, zult gij offeren; want het zou u geen welgevallen doen vinden. 21 Ook wanneer iemand de HERE een vredeoffer brengt, om een gelofte te vervullen of als een vrijwillig offer van runderen of van kleinvee, dan zal het gaaf wezen, opdat het welgevallig zij: geen enkel gebrek zal het hebben. 22 Wat blind is of gebroken of een wond, buil, uitslag of huidziekte heeft, dat zult gij de HERE niet offeren en daarvan zult gij de HERE geen vuuroffer op het altaar geven. 23 Maar een rund of schaap met te lange of te korte leden [in dit geval betekent dit dat er iets mis is met de ledematen, misschien zelfs teveel of te weinig ledematen], dat moogt gij als vrijwillig offer toebereiden, maar als gelofte zal het niet welgevallig zijn. 24 Wat echter door kneuzen, stoten, uitrukken of snijden verminkt is, zult gij de HERE niet offeren; dat zult gij in uw land niet doen. 25 Ook uit de hand van een vreemdeling zult gij niets van dat alles uw God als spijze [een algemeen symbool voor alles wat aan God wordt geofferd] offeren, want zij zijn geschonden, er is een gebrek aan; het zal u niet welgevallig doen zijn.

Punt 7:

Dit punt is iets ingewikkelder. Grotendeels doordat we wat van de ene plaats naar de andere moeten heen en weer springen. Maar het kan nog steeds gemakkelijk begrepen worden. Laten we Deuteronomium 12 opslaan en naar de instructies die daar staan, luisteren. Bedenk, terwijl ik deze verzen lees, wat Deuteronomium is. Deuteronomium vertegenwoordigt de laatste instructies, geschreven in de laatste maand voordat ze het land binnentrokken, die daarna doorgegeven werden aan de kinderen Israëls.

Deuteronomium 12:4-14 Niet alzo zult gij de HERE, uw God, dienen. 5 Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6 Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee. 7 Daar zult gij eten voor het aangezicht van de HERE, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft. 8 Gij zult geenszins doen wat wij hier thans doen: ieder geheel naar eigen goeddunken. 9 Want gij zijt nog niet gekomen tot de rustplaats en het erfdeel, dat de HERE, uw God, u geven zal. 10 Maar wanneer gij de Jordaan zult zijn overgetrokken en woont in het land dat de HERE, uw God, u zal doen beërven, en Hij u rust geeft van al uw vijanden aan alle kanten, en gij veilig woont; 11 dan zult gij naar de plaats, die de HERE, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen, alles brengen, wat ik u gebied: uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en wijgeschenken en de gehele keur der geloften, die gij de HERE doen zult; 12 gij zult u verheugen voor het aangezicht van de HERE, uw God, gij, uw zonen, uw dochters, uw dienstknechten en uw dienstmaagden, en de Leviet, die binnen uw poorten woont, want hij heeft bezit noch erfdeel met u. 13 Neem u ervoor in acht, dat gij uw brandoffers niet brengt op elke willekeurige plaats; 14 maar op de plaats die de HERE in het gebied van één uwer stammen verkiezen zal, daar zult gij uw brandoffers brengen, en daar zult gij doen alles wat ik u gebied.

Toen ze het land binnengingen, veranderden de geboden betreffende de eredienst van God voor wat betreft de procedure. Daarom zei ik iets eerder in de preek dat de data nooit veranderen, maar dat sommige van de manieren waarop ze werden gehouden, wel veranderden. Dat is de strekking van deze mededeling. De manier waarop de dingen worden gehouden en de plaats waar ze worden gehouden, veranderde. Waar het hier om gaat is het instellen van een hoofdkwartier en de centralisatie van de ceremonies die uitgevoerd werden bij de eredienst van God, met uitzondering van het Pascha dat een ceremonie bleef die thuis werd gehouden. Alle andere delen van het ritueel werden eerst beperkt tot de tabernakel en later natuurlijk tot de tempel. Hieronder vallen alle offeranden die in Numeri 28 en 29 worden vermeld en daarom ook de offeranden die samengingen met het garfoffer. Er waren geen uitzonderingen voorzover we te maken hebben met de nationale offeranden. Het garfoffer is een nationale offerande.

Het gebod in vers 5 van hoofdstuk 12 luidt, dat ze de plaats moesten zoeken waar God Zijn naam had gevestigd als Zijn woonplaats. Dat kan nergens anders zijn dan in het land Israël, waar de tabernakel werd gevestigd en later de tempel werd gebouwd. Dit principe verbood niet een gelegenheidsoffer bij een bijzondere gebeurtenis, zoals dat bij de berg Ebal [Jozua 8:30] gebeurde, toen ze het verbond vernieuwden.

In vers 10 van Deuteronomium 12 kwalificeert Hij wanneer ze vrij zouden zijn om te doen wat Hij hier gebiedt. Dat zal zijn als Hij hun rust in het land gegeven zal hebben; niet alleen maar in het land zijn, maar in het land met "rust van uw vijanden aan alle kanten en gij veilig woont." Dat is heel duidelijk, als we maar bij elk woord van God willen leven.

De Israëlieten waren in het land toen ze eenmaal de Jordaan overgestoken waren, maar ze hadden het nog niet in bezit. Iemand anders had het in bezit en zij moesten het van hen afnemen. Laten we nu Numeri 32:2-7 gaan lezen en we zullen daar wat ik zojuist heb gezegd, bevestigd zien.

Numeri 32:2 Toen kwamen de Gadieten en de Rubenieten en zeiden tot Mozes en tot de priester Eleazar en tot de hoofden der vergadering:

Ze nemen dan een hele lijst van dingen door (namen van steden of mensen) en in vers 5 verzoeken zij om het bezit van het land dat ten oosten van de Jordaan ligt. Dit vond plaats voordat ze de Jordaan naar de westkant waren overgestoken.

Numeri 32:5-7 Voorts zeiden zij: Indien gij ons genegen zijt, laat dan dit land aan uw knechten als bezitting worden gegeven; doe ons niet over de Jordaan trekken. 6 Maar Mozes zeide tot de Gadieten en de Rubenieten: Zullen uw broeders ten strijde trekken en zult gij hier blijven? 7 Waarom wilt gij nu het hart der Israëlieten afkerig maken om over te trekken naar het land, dat de HERE hun gegeven heeft?

Mozes vergelijkt hier wat er in het tweede jaar na de uittocht uit Egypte gebeurde met wat er in de verzen 8 tot 15 staat vermeld. We pakken de draad weer op in vers 16.

Numeri 32:16-23 Maar zij traden op hem [Mozes] toe en zeiden: Wij willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderen, 17 maar wijzelf zullen ons toerusten, ons voortspoedende in de voorhoede van de Israëlieten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben; onderwijl zullen onze kinderen in de vestingsteden wonen wegens de inwoners des lands; 18 wij zullen naar onze huizen niet terugkeren, totdat ieder van de Israëlieten zijn erfdeel verworven heeft; 19 want wij willen met hen geen erfdeel verwerven aan de overzijde van de Jordaan en verder, wanneer ons erfdeel ons ten deel valt over de Jordaan, aan de kant, waar de zon opgaat. 20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij dit zult doen, indien gij u voor het aangezicht des HEREN ten strijde zult toerusten, 21 en ieder van u, die toegerust is, voor het aangezicht des HEREN over de Jordaan zal trekken, totdat Hij zijn vijanden van zijn aangezicht verdreven heeft, 22 zodat het land voor het aangezicht des HEREN ten onder gebracht is, en gij daarna terugkeert, dan zult gij vrij staan tegenover de HERE en tegenover Israël, en dan zal dit land voor u zijn tot een bezitting voor het aangezicht des HEREN. 23 Maar doet gij aldus niet, zie, dan zondigt gij tegen de HERE, en gij zult gewaar worden, dat uw zonde u vinden zal.

"Wij zullen niet terugkeren totdat ieder van de Israëlieten zijn erfdeel verworven heeft." Hoe lang duurde dat nog nadat ze de Jordaan waren overgestoken en dat gebeuren in Jozua 5 tot stand hadden gebracht?

Laten we nu Jozua 18 opslaan. Bedenk dat Hij in Deuteronomium 12 zei, dat er uiteindelijk een plaats zou zijn waar Hij Zijn naam zou vestigen en dat ze daar de tabernakel zouden opbouwen. De plaats is kenbaar gemaakt. Jozua 18 is dertien hoofdstukken na Jozua 5. We komen nu pas aan bij een situatie waar de offeranden gebracht kunnen worden. We zijn er nog niet helemaal, maar we komen er dichterbij.

Jozua 18:1 En de gehele gemeente der Israëlieten werd samengeroepen te Silo, waar zij de tent der samenkomst oprichtten, aangezien de streek onderworpen was en te hunner beschikking stond.

Maar alles is nog niet helemaal gereed.

Jozua 18:2-3 Toen waren er onder de Israëlieten zeven stammen over, die hun erfdeel nog niet gekregen hadden. 3 Daarom zeide Jozua tot de Israëlieten: Hoelang zult gij traag blijven, om het land in bezit te nemen, dat de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?

Laten we nu Jozua 21 opslaan, want ze gingen aan het werk.

Jozua 21:43-45 Zo heeft de HERE aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. 44 En de HERE gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de HERE in hun macht. 45 Niet één van alle goede beloften, die de HERE aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen.

We zullen het niet gaan lezen, maar Jozua 14 bevat de informatie die we nodig hebben om te zeggen hoe lang het duurde voordat de situatie van Jozua 21:43-45 bestond. Dat was zeven jaar na Jozua 5. Pas nu stond het hun vrij het garfoffer met de daarbij behorende offeranden te brengen en alle andere offeranden die God bevolen had, omdat de tabernakel en zijn altaar en zijn wasvat en zijn gehele inrichting en het priesterschap nu in orde was. De dienst van God is gecentraliseerd en ze kunnen dus van start. Dit was zeven jaar na Jozua 5.

Laten we nu naar Jozua 5:10 gaan.

Jozua 5:10-12 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.

Het eerste waar ik u op attent wil maken is, dat er totaal geen sprake is van een garfoffer. Er wordt in het geheel niet gesproken over offeranden, van welk type dan ook. Dit verslag noemt er niet één. Als u dat wilt, dan kunt u dat met een concordantie nazoeken. Met uitzondering van één keer wordt er in het boek Jozua niet over offeranden gesproken tot Jozua 22. Dat was na het oprichten van de tabernakel. De ene uitzondering was die speciale gebeurtenis in Jozua 8 toen ze het verbond vernieuwden, toen ze eenmaal in het land waren. Al wat ze deden was: ze bouwden een altaar en brachten daarop enkele offeranden; meer was het niet. Begrijp goed dat speciale gebeurtenissen de oorspronkelijke geboden niet veranderen. Ik wil u een heel duidelijk voorbeeld laten zien dat God in Zijn woord liet opnemen. Dit staat in 2 Kronieken 30.

2 Kronieken 30:2-3, 15, 21-23 En de koning [Jechizkia], zijn oversten en de gehele gemeente te Jeruzalem overlegden, dat zij het Pascha zouden vieren in de tweede maand, 3 want zij konden het op de gewone tijd niet vieren, omdat zich niet voldoende priesters geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem samengekomen was. ? 15 Daarna slachtten zij het Pascha op de veertiende der tweede maand. Toen schaamden zich de priesters en de Levieten, zij heiligden zich en brachten brandoffers in het huis des HEREN. ? 21 Zeven dagen lang vierden de Israëlieten die zich te Jeruzalem bevonden, het feest der ongezuurde broden met grote vreugde [in de tweede maand]. De Levieten en de priesters loofden de HERE dag op dag onder begeleiding van instrumenten tot lof van de HERE. 22 Jechizkia sprak tot het hart van al de Levieten, die grote kundigheid getoond hadden in de dienst des HEREN. Zij aten het feestoffer zeven dagen lang, slachtten vredeoffers en loofden de HERE, de God hunner vaderen. 23 Toen kwam de gehele gemeente overeen, om nog zeven dagen feest te vieren, en zij vierden nog zeven dagen feest, met vreugde.

Dat zij het Pascha en de dagen der ongezuurde broden veertien dagen lang hielden veranderde niets met betrekking tot het oorspronkelijke gebod.

Gemeente, ze brachten in Jozua 5 geen garfoffer. Ze brachten het niet omdat ze geen koren hadden dat kwalificeerde om voor God aanvaardbaar te zijn. Er staat specifiek dat ze van de opbrengst van het land aten en die opbrengst was niet gekwalificeerd voor het brengen van een garfoffer aan God. Ten eerste kwam het uit de hand van een vreemdeling; daarom kleefde er het gebrek van die vreemdeling aan. Dat kunnen we in Leviticus 22:25 vinden.

Leviticus 22:25 Ook uit de hand van een vreemdeling zult gij niets van dat alles uw God als spijze offeren, want zij zijn geschonden, er is een gebrek aan; het zal u niet welgevallig doen zijn.

Ten tweede kwam die opbrengst niet voort uit zaad dat zij hadden gezaaid en bewerkt. Het was niet voortgekomen uit grond die zij in bezit hadden, toen het werd gezaaid en geoogst. Dit zien we in Exodus 23:16.

Exodus 23:16 Ook het feest van de oogst, der eerstelingen van uw vruchten, die gij op de akker zaaien zult; en het feest der inzameling aan het einde des jaars, wanneer gij uw vruchten van de akker ingezameld hebt.

Ik wil u nog een principe laten zien dat hier past; dat staat in 1 Kronieken 21:24. Dit betrof koning David en de aankoop van het land van Ornan; op deze plaats werd uiteindelijk de tempel gebouwd.

1 Kronieken 21:24 (Statenvertaling) En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor den HEERE niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere.

Als Israël het garfoffer had gebracht met iets dat hun niets kostte, dan zou God het niet hebben geaccepteerd. Er zijn daar vier dingen die hen diskwalificeerden om het garfoffer te brengen. Ze konden het niet brengen binnen het kader van de wet.

Er is nog een andere reden. Weet u welke dat is? De offeranden van Leviticus 23:12-13 moesten het garfoffer vergezellen. Die brachten ze ook niet, omdat die bij de tabernakel moesten worden gebracht.

Er is nog een reden. Wat stelt het garfoffer voor? Is het niet de reine, zondeloze, opgestane Christus, die opstijgt naar de rechterhand van Zijn Vader om ons bij Hem te vertegenwoordigen? Als het garfoffer zou worden gebracht vanuit de verontreinigde hand van de vreemdeling — iemand die niet eens het verbond met God heeft gesloten — dan zou dat specifieke garfoffer voorstellen dat de Messias voortkwam uit de verdorven heidenen en niet vanuit het heilige verbondsvolk Israël. Denk daar eens over na. Wat een gruwel zou dat zijn geweest voor Jozua om toen het garfoffer te brengen!

Gemeente, Jozua 5 kan niet worden gebruikt om bij een Pascha op zaterdag het garfoffer op de zondag daarna te brengen. Er staat daar niets waarop zo'n bewering kan worden gebaseerd. Die bewering is niets meer dan een kaartenhuis dat gebouwd is op de ene veronderstelling na de andere. De bewering van een Pascha op zaterdag met een garfoffer op zondag kan niet worden bewezen, vanwege het gebrek aan geloofwaardig bewijs uit de bijbel zelf, dat het garfoffer in Jozua 5 ooit werd gebracht. Er is geen autoriteit om een uitzondering te maken op de manier waarop het tellen ieder jaar wordt gedaan. Het tellen begint op de zondag volgende op de wekelijkse sabbat die binnen de dagen der ongezuurde broden valt.

Laten we Maleachi 1 opslaan en beginnen te lezen in vers 6.

Maleachi 1:6-10 Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die mijn naam veracht. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij uw naam? 7 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des HEREN tafel, zij is verachtelijk. 8 Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 9 Welnu, tracht maar God te vermurwen, dat Hij ons genadig zij! Uwerzijds is zo gehandeld; zal Hij dan iemand van u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 10 Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken! Ik heb geen welgevallen aan u, zegt de HERE der heerscharen, en in een offer van uw hand schep Ik geen behagen.

Waarom? Dezelfde omstandigheid zou zich hebben voorgedaan als Jozua zo'n offerande in Jozua 5 had gebracht.

Maleachi 1:11-14 Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de HERE der heerscharen. 12 Maar gij ontheiligt hem door te zeggen: De tafel des HEREN, zij is minderwaardig, en wat zij oplevert, haar spijs, is verachtelijk. 13 En dan zegt gij: Zie, wat is het een moeite! Gij haalt er de neus voor op, zegt de HERE der heerscharen; gij brengt het geroofde, het kreupele en het zieke. Als gij dat offer brengt, zou Ik het uit uw hand met welgevallen aannemen? zegt de HERE. 14 Vervloekt is ook de bedrieger, die in zijn kudde een mannelijk dier heeft en die dat wel belooft, maar de HERE toch een ondeugdelijk dier ten offer brengt! Want een groot Koning ben Ik, zegt de HERE der heerscharen, en mijn naam is geducht onder de volken.

Op het laatste loofhuttenfeest gaf ik u — tijdens één van de aankondigingen voor de offerande — Gods waarschuwing en Zijn vereisten door om Hem te behagen met reine offeranden. Is er iemand onder ons die denkt dat Jozua zo'n houding zou hebben dat hij God iets anders zou geven dan het beste om aan Zijn heilige vereisten te voldoen? Ik denk het niet, gemeente; dat past niet bij de lof die hem in Gods woord wordt toegezwaaid en hoe hoog in achting hij ons wordt voorgehouden.

Het meest recente punt dat iemand gebruikt om mensen te overtuigen, wordt ontleend aan Lucas 6. Daar zullen we dan ook mee eindigen.

Lucas 6:1 (Statenvertaling) En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.

Lucas 6:1 maakt niets duidelijk met betrekking tot Pinksteren. Het is in elk opzicht even vaag, in elk opzicht even twijfelachtig als Jozua 5:10-12. De sleutel is volgens deze man een Grieks woord dat in de Statenvertaling is vertaald met "tweeden eersten sabbat". Het bewuste woord in het Grieks is deuteroprotos. Het betekent letterlijk tweede eerste: deutero [tweede]; protos [eerste].

Allereerst moeten we beginnen met God te begrijpen, dat Hij geen tegenstrijdigheid zou introduceren met wat Hij reeds eerder duidelijk in het Oude Testament heeft laten zien. Ten tweede begon ik diverse referentiewerken op dit vers na te slaan en weet u wat ik vond? Verwarring! Maar ik vond tenminste eerlijkheid in de werken van de wereldlijke geleerden. Zij geven toe dat ze gewoon gissen naar wat deuteroprotos betekent.

Ik sloeg acht referentiewerken op, de één na de ander. Sommigen zeiden er niets over, maar ik vond ook vier of vijf verschillende gissingen. Dat is precies wat ze zeiden. "Dit zijn gissingen, speculaties." Ze lieten me ook zien dat ze heel goed op de hoogte zijn van de verschillende manieren om tot Pinksteren te tellen als dit al iets met Pinksteren had te maken. Het zou eenvoudigweg kunnen betekenen "de tweede sabbat na de eerste die in Lucas werd genoemd." Ik zocht het op en inderdaad is het de "tweede sabbat na de eerste." De eerste sabbat die in Lucas 4 wordt genoemd, is interessant genoeg Pinksteren. Het zou kunnen betekenen "de tweede sabbat van de eerste orde," omdat protos duidt op "eerste in rang". Het zou kunnen betekenen "de tweede sabbat van de eerste orde" en daarom kunnen duiden op de laatste dag der ongezuurde broden. Mogelijk. Dat is alles. Mogelijk.

Het zou kunnen betekenen "de tweede sabbat in de telling naar Pinksteren", wat een paar weken na de dagen der ongezuurde broden is. Maar als dit ook maar iets met ongezuurde broden en tellen tot Pinksteren te doen had, waarom daagden de Farizeeën Jezus dan niet op dat punt uit?

Er is hier niets te vinden dat deze sabbat rechtstreeks verbindt met of ongezuurde broden, of Pinksteren. Wat de mensen doen is slechts gissen, veronderstellen, extrapoleren en op basis van hun gissingen over chronologie zeggen: "Dit zou ergens in de buurt van de lente van dat jaar kunnen zijn."

A.T. Robertson, lid van de Southern Baptist Convention, een zeer conservatief geleerde en één der meest gerespecteerde Griekse taalgeleerden, denkt van deuteroprotos, dat het "ongetwijfeld niet echt" is, dat het niet authentiek is. Het hoort daar niet thuis. Het gaat gewoon over een sabbat, dat is alles.

Gemeente, de Church of the Great God heeft het niet bij het verkeerde eind door ieder jaar opnieuw consequent op dezelfde manier naar Pinksteren te tellen, ongeacht wanneer het Pascha valt. Er staat absoluut niets in de Schrift dat ons op enige manier de autoriteit geeft om een uitzondering te maken op wat God in Leviticus 23:10-16 laat zien.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)