Gods voorzienigheid (Deel 7)

Door John W. Ritenbaugh
17 april 1999

Samenvatting: (toon)

In de afsluiting van de serie over Gods voorzienigheid benadrukt John Ritenbaugh dat zowel Jezus als Abraham boven hun emoties uitstegen door een levend geloof te beoefenen – een geloof gebaseerd op een fundament van steeds meer handelingen van gehoorzaamheid. Levend geloof kan nooit van werken worden losgemaakt, ook kan het niet op zichzelf staan of stilstaan zoals in een vacuüm. Jacobus wijst erop dat zoals het lichaam zonder geest een levenloos lijk is (Jacobus 2:26), geloof zonder werken op dezelfde manier dood is. Gods Heilige Geest (gegeven als onderdeel van het Nieuwe Verbond) voorziet in de voornaamste drijvende kracht of de motivatie voor gehoorzaamheid (goede werken) die Hem behagen, waardoor wij als een nieuwe schepping worden beschouwd.


De vorige keer dat ik over dit onderwerp sprak, sprak ik over het geloof van Abraham, Sara en Isaak, zoals dat tot uiting kwam toen God Abraham beval Isaak te offeren. Het punt waar het om ging was, of ze door geloof in staat zouden zijn boven hun emoties en gevoelens die hierbij betrokken waren, uit te groeien en God te gehoorzamen.

De Bijbel brengt nadrukkelijk tot uiting dat Abraham Isaak liefhad, opdat wij zouden begrijpen dat Abraham geen "heilig boontje" zonder gevoel was. Hij was niet iemand die als een robot gewoon zou uitvoeren, zoals een machine die geprogrammeerd is om te doen wat hem bevolen wordt. Dat gevoelselement vertegenwoordigt de kracht van 'leven bij wat we zien'. Dat bracht ongetwijfeld een geweldige druk op zijn denken tot stand, zodat het allerlei rechtvaardigingen bedacht, waarom hij niet zou doen wat God hem bevolen had. Het kan zijn dat hij dacht: "God moet me maar nemen zoals ik ben" of "Dit is werkelijk absurd, echt absurd. Is Hij niet de God van de levenden?" Hij kan ook hebben gedacht: "Wat voor logica zit daar nu in om dat te doen?"

We kijken hier naar een keuze die gepaard gaat met veel intensere gevoelens dan de zorgen die wij kunnen hebben over het verliezen van een baan wegens het houden van de sabbat of het betalen van tienden. We kijken hier naar hun leven als een klassiek voorbeeld van de uitoefening van de vrije wil binnen het raamwerk van een gebeurtenis waarin God rechtstreeks voorzag. Een buitengewoon onmogelijke situatie en Abrahams gedachten trokken hem voor enige tijd zeer zeker in beide richtingen. Als hij voor God koos, raakte hij Isaak kwijt. Als hij ervoor koos Isaak te behouden, raakte hij God kwijt. Afgaande op zijn gevoelens zat hij volkomen klem.

In Mattheüs 26:36-39 krijgen we hier zicht op vanuit het oogpunt van het Lam.

Mattheüs 26:36-39 Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. 37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. 39 En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

We zien Jezus hier worstelen in de hof Getsemane en als we beide gevallen met elkaar vergelijken, zien we dat zowel Jezus als Abraham door geloof boven de krachten van hun emoties uitrezen. Zoals Jezus tegen Zijn Vader zei: "Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."

Dit is in principe dezelfde keuze waar wij voor staan in onze tests van ons geloof inzake morele en ethische keuzen. Net als zij moeten ook wij kiezen aan wie we loyaal zullen zijn.

Laten we opnieuw het schriftgedeelte lezen dat we de vorige keer lazen.

Hebreeën 11:17a (Lutherse Vertaling) Door het geloof offerde Abraham, toen hij beproefd werd, Isaak, ...

Let erop dat "offerde" in de verleden tijd staat (de Lutherse Vertaling volgt hierin het Grieks). Hij bracht hem ten offer, omdat tegen de tijd dat Abraham aankwam bij de berg Moria, hij zijn besluit had genomen. Hij zou het bevel opvolgen en Isaak was zo goed als dood.

Hebreeën 11:17b-19 (NBG) ..., en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, 18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, 19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen.

Abraham kwam tot zijn besluit door de dingen bij elkaar op te tellen. Hij kende Gods belofte. Hij wist dat Isaak een gedeeltelijke vervulling was van een belofte. Hij kende Gods karakter. Hij wist daarom, dat als de rest van de belofte vervuld moest worden, God of Isaak tot leven moest terugbrengen of Isaak in leven moest laten. Abrahams geloof, zijn vertrouwen in God, steeg uit boven zijn gevoelens en zodoende handelde hij volledig in overeenstemming met Gods bevel.

Onze keuzes schijnen niet plaats te vinden in zo'n dramatische context als het offeren van één van onze geliefde en gekoesterde kinderen. Maar precies dit feit kan een subtiele val zijn voor ons, omdat we kunnen gaan denken dat de keuzes die wij van dag tot dag moeten maken er niet veel toe doen. We kunnen denken dat aangezien de inzet zo ver verwijderd is (ik heb het over geboren worden in het Koninkrijk van God, dat is de inzet) en zo groot, dat dit kleine bedrog, of deze kleine diefstal, of deze kleine lust, of deze kleine, moorddadige gedachte, of dat kleine beetje teveel drinken of eten niet van veel belang zijn in het gehele plaatje en dat God het eenvoudigweg over het hoofd zal zien. Hoe weten we dat? Hoe kunnen we daar het antwoord op krijgen?

De houding die met die benadering gepaard gaat is voldoende voor mij om die vraag te stellen. Als u leraar zou zijn in een onderwerp of vak, hoe zou u dan denken over studenten die niet echt geïnteresseerd zijn? Denkt u dat u op hun toewijding kunt vertrouwen? Of in termen van onze relatie met God, dat Hij Zichzelf in ons aan het scheppen is, denkt u dat Hij op onze overgave kan vertrouwen? Kan God vertrouwen op onze overgave aan Zijn wil, zodat die schepping voltooid kan worden? Kan God van ons zeggen, zoals Hij van Abraham zei: "Nu weet Ik"? Ik weet niet of God het op die manier zei, maar ik ben er zeker van dat Hij geweldig verheugd was over wat Abraham deed, om zulke woorden uit te spreken: "Nu weet Ik!" Denkt u dat God kan vertrouwen op de toewijding van mensen die zich het ene moment snel naar Hem voegen en het andere moment zich halsstarrig verzetten?

Toen ik les gaf op Imperial School, gaf ik net als alle leraren tests. Leuke testjes aan het begin van de les. Wekelijkse tests, maandelijkse test, tests voor de rapporten en voor de overgang. Elk van die tests telde in een bepaalde mate mee. De mate kan klein zijn geweest, maar hij speelde mee in het gehele plaatje. Klein of groot, ze maken allemaal deel uit van het patroon van ons leven.

Laten we verder gaan, want we gaan nog iets anders van deze Abraham leren. We zagen in de vorige preek, dat Paulus Abrahams ervaringen met God gebruikte om tot de conclusie te komen, dat rechtvaardiging voortkomt uit geloof, omdat Abraham rechtvaardigheid werd toegerekend door God op basis van zijn geloof, veertien jaar voordat hij zich gehoorzaam liet besnijden.

Romeinen 4:1-3 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Dat schriftgedeelte komt in Genesis 14 voor. Paulus haalde het woordelijk aan. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Romeinen 4:6-8 Gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken: 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.

Paulus stelt dan de volgende vraag:

Romeinen 4:9, 21-24 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene [de heiden]? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. ... 21 in de volle zekerheid, dat Hij [God] bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22 Daarom [ook] werd het hem [Abraham] gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft.

Daar hebben we de conclusie van Paulus. Wat God voor Abraham deed, zal Hij ook voor ons doen. Of we nu Israëliet zijn of heiden, we zullen gerechtvaardigd worden op basis van ons geloof in Jezus Christus. Dat lijkt rechtvaardiging dus duidelijk te definiëren, totdat Jacobus op het toneel verschijnt.

Jacobus 2:20-21 Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt? 21 Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar legde?

Schijnbaar een tegenstelling. Paulus zegt dat geloof de basis is van rechtvaardiging. Jacobus lijkt te zeggen dat het werken zijn en gebruikt daarbij dezelfde man als voorbeeld.

Jacobus 2:22-23 Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; 23 en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.

Hetzelfde vers werd door Paulus aangehaald als bewijs dat we gerechtvaardigd worden door geloof en hier gebruikt Jacobus het om te beweren dat we door werken worden gerechtvaardigd.

Jacobus 2:24 Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.

Dat is een flinke aanwijzing hier. Er is een kerk, waar we kort geleden uitkwamen, die zegt bij geloof alleen. Deze serie verzen was de aanleiding voor Maarten Luther om te zeggen dat de brief van Jacobus slechts "stro" was. Hij bedoelde daarmee "niet essentieel". Die brief kan niet worden vertrouwd. Je bouwt geen huis van stro, want anders komt de grote, boze wolf en blaast het omver. Dat bedoelde hij. De brief van Jacobus kon niet worden vertrouwd, omdat hij niet overeenstemde met zijn ideeën over geloof.

We krijgen niet het gehele plaatje, noch van Paulus noch van Jacobus. Dat is het antwoord. Die brieven vullen elkaar aan en spreken elkaar niet tegen. Het doel van Jacobus is anders dan dat van Paulus. Jacobus vat onze behoefte samen dat we moeten begrijpen dat er twee soorten geloof zijn. Hij noemt ze levend en dood. We zouden ze ook oprecht en voorgewend [belijdend] kunnen noemen.

Het soort geloof dat iemand heeft wordt geopenbaard (zegt Jacobus hier), of we kunnen zeggen volmaakt of voltooid, door het soort werken dat het geloof voortbrengt. We zullen later duidelijker gaan zien, dat Abraham God reeds gehoorzaamde toen hij werd gerechtvaardigd door geloof, reeds lang daarvoor. Wat Jacobus nu duidelijker maakt is het soort geloof dat Abraham had, dat maakte het verschil uit en dat bracht rechtvaardiging voort.

Nu terug naar de brief aan de Romeinen, omdat ik u middels een eenvoudige tekst wil laten zien, dat Paulus het met Jacobus eens is.

Romeinen 2:13 Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet [doen is werken] zullen gerechtvaardigd worden.

Levend geloof, het soort geloof waar Jacobus over sprak, kan niet los worden gezien van werken. Geloof staat niet op zichzelf, maar het is wel erg belangrijk.

2 Corinthiërs 5:6a Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ...

"Wij" verwijst rechtstreeks naar hem en de andere dienaren die bij hem waren, maar in een uitgebreidere interpretatie is het van toepassing op iedereen die in feite doet wat Paulus zegt.

2 Corinthiërs 5:6b-7 ..., ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 — want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen — ...

Dat wordt van een Christen verwacht. Dat identificeert in zekere zin een Christen. Als we niet in geloof wandelen, dan zijn we geen Christen. Zo eenvoudig is dat. Dat is nu precies wat Paulus zegt. Wij zijn degenen die wandelen in geloof.

2 Corinthiërs 5:8-9 ... — maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. 9 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.

Het woord "eer" is Strongs nummer 5389, een woord dat duidt op werken, ergens naar streven, iets dat inspanning vereist. Zo zien we dus, dat Paulus leefde uit geloof, maar zo werkte dat hij God welgevallig zou zijn. Bedoelt hij daar niet mee, dat als hij niet zou werken, dat hij dan niet welgevallig aan God zou zijn, zelfs al had hij geloof? Dat is inderdaad precies wat hij zegt. Geloof en werken gaan samen. Ze staan niet los van elkaar. We gaan dat nog verder uitdiepen.

2 Corinthiërs 5:9-10a Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, ...

Daarom werkte hij. Ondanks zijn geloof werkte hij, omdat hij voor de rechterstoel van Christus moest verschijnen.

2 Corinthiërs 5:10b ..., opdat een ieder [inclusief hijzelf] wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft [als we werken dan verrichten we iets en krijgen we iets gedaan], naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Hebreeën 10:38 ..., en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.

Dat is een opdracht, maar het is tevens een feitelijke uitspraak.

Het geloof waarover Paulus het heeft, is hetzelfde geloof dat Jacobus aanduidde als levend geloof. Daarmee bedoelde Jacobus dat het actief is, werkt, iets voortbrengt. Begrijp dit alstublieft: dode dingen (en er is ook dood geloof) zijn inactief. Ze zijn bewegingloos, doen niets. Maar in relatie met God is dood geloof niet letterlijk inactief, zelfs al wordt het in de Bijbel dood genoemd. We zullen dit hierna uitleggen. God beschouwt het als dood omdat het inactief is ten opzichte van de dingen van God. Het zijn werken van een bepaalde soort en kwaliteit die de Christen van de wereld scheidt, uiting gevend aan in wie en wat ze geloven.

We zijn in Christus Jezus geschapen tot goede werken. Dit wordt nog belangrijker als we hierop verder gaan. Het is belangrijk in wie en wat iemand gelooft, en dat in samenhang met iemands overtuiging betreffende deze dingen. Geloof in God, niet afgaan op wat men ziet, dat is belangrijk. Dat is de basis die iemands gedrag zal bepalen, omdat iedereen handelt in overeenstemming met wat hij gelooft. Het doet er niet toe of iemand Chinees, Japanner, Canadees, Amerikaan, hindoe, boeddhist, katholiek, protestant, aanhanger van de New Age, atheïst, agnostisch, mannelijk, vrouwelijk of kind is. Iedereen handelt in overeenstemming met wat hij gelooft. Maar het verschil in gedrag ligt in, in wie en wat hij gelooft. Iedereen handelt op basis van een zekere mate van geloof in iets. Maar Abraham, samen met alle andere geloofshelden die in Hebreeën 11 worden genoemd, geloofde God! Die factor bepaalde de werken en hun kwaliteit. Er zijn ontstellend veel mensen die God belijden, maar Hem niet echt geloven.

Jozua 24:1 Daarna vergaderde Jozua alle stammen van Israël te Sichem. Hij ontbood de oudsten van Israël, zijn oversten, zijn rechters en zijn opzieners, en zij stelden zich voor het aangezicht Gods.

Dat is wat we op de sabbat doen. We stellen ons voor het aangezicht van God. Voor degenen onder ons die via de telefoon luisteren, die zijn, voorzover het de Church of the Great God betreft, aanwezig in hun woonkamer, maar nemen ook deel aan een sabbatdienst. We hebben omgang met God. We stellen ons voor het aangezicht van God. Niet de omvang van de groep telt, maar met wie we omgaan en in wie we geloven, dat telt.

Jozua 24:2-3 En Jozua zeide tot het gehele volk: Zo zegt de HERE, de God van Israël: aan de overzijde der Rivier hebben oudtijds uw vaderen gewoond, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, en zij hebben andere goden gediend. 3 Maar Ik nam uw vader Abraham van de overzijde der Rivier, en leidde hem door het gehele land Kanaän; Ik maakte zijn nakomelingschap talrijk en schonk hem Isaak.

Ik haal dit schriftgedeelte aan, zodat we weten dat Abraham geen voordeel op ons had. De overzijde van de rivier betekent de andere kant van de Eufraat; dat wordt duidelijk gemaakt door het noemen van zijn vader Terach, zijn oom Nachor en Abraham zelf, die allemaal van de overzijde van de rivier kwamen. En ze waren allemaal afgodendienaars, allemaal.

Abraham groeide niet op binnen de kerk. Abraham groeide op in de wereld en zijn ouders waren afgodendienaars en hij was een afgodendienaar. Hij groeide niet op in Gods gezin. Hij had geen voordeel op ons, maar het lijkt erop dat toen God hem riep, hij nooit meer terugkeek. Ik bedoel niet dat hij zonder zonde leefde, maar hij deed het uitzonderlijk goed. Zo God het wil, zouden we in de buurt van zijn niveau moeten komen.

Hebreeën 11:8-9, 17 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; ... 17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren.

Let erop dat vers 8 zegt, dat Abrahams gehoorzaamheid aan God onmiddellijk begon. (Dat was veertien jaar voor zijn besnijdenis.) Zijn geloof begon onmiddellijk goede werken voort te brengen. Waarom? Omdat het het juiste geloof was in de juiste Persoon. Het bracht de juiste reactie voort. Het is interessant dat er over de meeste mensen die in dit hoofdstuk worden genoemd, maar één ding wordt genoemd. Maar van Abraham worden drie dingen genoemd en er worden meer verzen (ik denk wel acht tot tien) aan hem besteed. Werkelijk, als vader der gelovigen zette hij een schitterend voorbeeld voor degenen onder ons die zijn geestelijke kinderen zijn.

Ik zeg dit allemaal, deels omdat ik wil dat we begrijpen, dat ze waarschijnlijk worden vermeld op de manier waarop ze worden genoemd, omdat God wil dat wij besef krijgen van de lange periode waarover Hij Abraham door verschillende omstandigheden liet gaan en dat Abraham op de juiste manier reageerde. Gedurende een periode van honderd jaar, van zijn 75e jaar tot hij stierf op de leeftijd van 175 jaar, was hij trouw aan God op een manier zoals maar weinigen dat zijn. Het patroon van werken gedurende deze periode was gebaseerd op kennis en begrip. Het was niet zomaar een voorbijgaande gril, maar dingen die door hem echt werden beschouwd als uitzonderlijk belangrijk. Zo belangrijk dat hij bereid was zijn diepgeliefde zoon te offeren. Dat is ontnuchterend.

In vers 8 verliet Abraham zijn familie zonder ze te kunnen zeggen waar hij heen ging. Zit daar een les in voor ons? Zeer zeker! God zegt ons daarmee dat als we levend geloof willen gebruiken, dat er dan tijden zullen zijn dat we sleutelelementen niet weten, niet begrijpen, van hoe, wanneer en waar dingen zullen gebeuren. Als we geloof gebruiken, geloof in God, dan zullen wij op de niet-geroepenen overkomen als onwetend, dom of dwaas. Het kan zelfs zijn dat ze in hun frustratie over ons boos worden, omdat ze God niet in het plaatje zien. Hun geloof is anders. Daarom kan het ook niet de werken Gods werken. Bent u bereid dat te verdragen? Abraham was daartoe bereid. Hij liep daarvan weg om zodoende te bewijzen dat zijn geloof levend was en op God gericht.

Het volgende punt is evenwel, dat twee van de beloften gegeven aan Abraham, tijdens zijn leven niet door hem werden ontvangen. Hij heeft naast de begraafplaats voor Sara en hemzelf nooit een vierkante meter in het beloofde land in bezit gehad. En wat te denken van een machtig volk, nakomelingen ontelbaar als het zand van de zee? Hebben deze dingen ons iets te zeggen in het gebruik van ons geloof? Zeer zeker. We zullen met het feit moeten leven, dat ook al heeft God iets beloofd, dat nog niet wil zeggen dat we in leven zullen blijven om het in ons leven te ontvangen.

Wat hier belangrijk is te begrijpen, is dat geen van deze dingen Abraham ervan weerhield te gehoorzamen. Er staat niet dat zijn geloof ooit wankelde. Wegens de Persoon in Wie het geloof was, was het er niet afhankelijk van of hij de vervulling ervan zag. Hij geloofde in Gods karakter. Het blote feit dat God de belofte deed, was goed genoeg voor hem.

Hoe staan wij ertegen over als we gezalfd worden voor genezing? Wat als God ervoor kiest niet te genezen, alhoewel Hij het heeft beloofd? Of wat als Hij de genezing voor lange tijd uitstelt? Wat met het betalen van tienden? We geloven zeer zeker dat God het de betaler van tienden zal doen welgaan. Maar wat als Hij dat niet doet? Wat als Hij alleen maar voorziet in onze minimumbehoeften? Is ons geloof afhankelijk van voorspoed of genezing? Dat is dood geloof. Dat brengt niet de juiste dingen voort.

Ik heb mensen uitspraken horen doen, die erop neerkwamen dat ze zeiden: "Als ik genoeg geloof heb in God, dan is God verplicht me te geven wat ik wil." Nee, gemeente, dat is niet waar. Dat is verkeerd. Niemand dwingt God tot iets. God is wijzer dan de gehele mensheid bij elkaar en Hij weet onder alle omstandigheden wat juist en wijs is voor iedereen die erbij betrokken is. Hij liet toe dat de grote geloofshelden stierven. Maar zullen ze worden genezen? In de opstanding zullen ze worden genezen, omdat ze Hem geloofden. Genezing in een menselijke gedaante van vlees en bloed was niet iets dat zij als noodzakelijk punt aanvoerden voor hun geloof in God.

Lucas 14:26-28 Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. 27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen?

Gemeente, onze houding moet zijn dat we geloven wat God zegt. We handelen op basis van dat geloof en we accepteren alle consequenties die ermee samenhangen. Dat is geloof. Daarom zei Jezus, wat Hij zei. We worden verondersteld de kosten te berekenen voordat we worden gedoopt. Moeten we niet onthouden, dat God zegt dat Hij altijd trouw is om ons nooit boven ons vermogen te beproeven? Als we ons werkelijk aan Hem hebben overgegeven en we Hem geloven, dan zal dat geloof de juiste werken voortbrengen en zullen we geduldig wachten.

We gaan hier nog iets anders aan toe voegen, iets betreffende geloof, dat ik recent zag in E.W. Bullingers commentaar op Hebreeën 11. Dat commentaar heeft als titel "De grote wolk van getuigen." Ik wil dit aan u doorgeven, omdat ik denk dat het belangrijk is. Waar hij aan refereert komt twee keer voor in de brief aan de Romeinen, eenmaal aan het eind en eenmaal aan het begin.

Romeinen 16:26 Maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken.

Dat is de zin waar we hier naar gaan kijken. Het evangelie werd bekendgemaakt voor de gehoorzaamheid des geloofs.

Romeinen 1:5 Door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen.

In de uitdrukking 'gehoorzaamheid des geloofs' gebruikte Paulus de stijlfiguur 'enallage'. Deze stijlfiguur doet het volgende: "Zij verandert het zelfstandige naamwoord geloof in een bijvoeglijk naamwoord in de overtreffende trap, dat wordt toegevoegd aan een ander zelfstandig naamwoord (in dit geval gehoorzaamheid)." We hebben dus deze twee zelfstandige naamwoorden, maar geloof wordt door deze stijlfiguur die Paulus gebruikt, een bijvoeglijk naamwoord. Op deze manier gebruikt identificeert het of karakteriseert het de soort gehoorzaamheid en verandert de zin dus in "geloof gehoorzaamheid". (Denk aan de brief van Jacobus. Twee soorten geloof. Nu zijn er ook twee soorten gehoorzaamheid.) Misschien begrijpt u het beter als "geloofsgehoorzaamheid".

Zoals Bullinger in dat commentaar duidelijk maakt, zijn er vele mogelijke motieven voor gehoorzaamheid. Sommige mensen gehoorzamen uit vrees, sommigen uit plichtsbesef, sommigen door dwang, sommigen gehoorzamen vanuit de wens te behagen, sommigen uit liefde. Hiermee wil ik niet zeggen dat deze vormen verkeerd zijn. Dat is niet de bedoeling van Paulus. Hij benadrukt geloofsgehoorzaamheid, omdat hij wil dat wij begrijpen dat de voornaamste drijfveer, het fundament, het begin van gehoorzaamheid, geloof is. Vanuit geloof komt al het overige voort.

Denk aan de definitie van geloof, die Paulus in Hebreeën 11:1 gaf. Geloof is de zekerheid (NBG), een vaste grond (St.Vert.). Ook "geloof is de basis" of "geloof is het fundament" zouden goede vertalingen zijn. Het Griekse woord hupostasis is een samenstel van twee woorden: hupo en stasis. Hupo betekent onder en stasis steunen. Geloof ondersteunt dus, net als een fundament of de vaste grond steun geeft. Een basis dient om op te staan en ondersteunt. Geloof ondersteunt dus de dingen waar we op hopen.

Dit leidt tot een intrigerend netwerk van mogelijkheden als we eenmaal begrijpen, dat los van geloof alle werken van nature zondig zijn. Ik pauzeer even, omdat dit inderdaad ontstellende mogelijkheden opent.

Romeinen 14:23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

Dit vers heeft een bredere toepassing dan velen van ons in het verleden hebben geloofd. Het zegt eenvoudigweg precies wat het bedoelt. Alles wat niet uit geloof is, is zonde. Dat zegt ons hoe belangrijk geloof is, hoe belangrijk levend geloof is. In het verleden hadden we het bij het verkeerde eind door dit vers slechts te beperken tot de onmiddellijke context. Het is precies van toepassing zoals het zegt. Al wat niet uit geloof is, is zonde.

Waar het hier in de context van Romeinen 14 om gaat, is gehoorzaamheid. Dat is een werk. Dat betreft iemands overtuiging of een handeling goed of slecht is. Paulus leert ons hier, dat we niet tegen een begrip dat iets verkeerd is, moeten ingaan. Als we ons schuldig zouden voelen door iets te doen, dan zegt Paulus doe het niet, doe het niet, want dan handel je tegen je geloof en begeef je je op de weg van het teweegbrengen van verwarring en het vernietigen van karakter. Verwarring voor je eigen denken. Hij impliceert dat we moeten wachten tot ons begrip verandert, dan kunnen we met overtuiging handelen, anders gezegd met geloof. De toepassing hiervan is echter nog algemener. Er wordt ook gezegd, dat elke handeling die niet uit geloof in God voortkomt, zonde is.

Gemeente, ons leven moet zo in God opgaan dat dat mogelijk wordt. Ik denk dat we dit beter kunnen begrijpen als we even de best bekende definitie van zonde opzij zetten. Die definitie is uit 1 Johannes 3:4 (Leidse Vertaling): "De zonde is de wetsovertreding." Dat is de wettelijke definitie van zonde. In plaats daarvan hebben we hier in Romeinen een algemener concept in de zin van gewoon een handeling die tekort schiet, die niet aan het doel beantwoordt. Die handeling mist het doel en wijkt dus terzijde af van het doel. Het algemene concept van zonde door de gehele Bijbel is, dat het een handeling is die mislukt. Mislukt in wat? Dat maakt Paulus duidelijk. Hij zegt dat we allemaal hebben gezondigd en tekort schieten in de heerlijkheid Gods. De heerlijkheid Gods in die context is de manier waarop Hij leeft. Niet de manier waarop Hij uitstraalt, maar de manier waarop Hij leeft. Dat is de gehele context waarbinnen Paulus schrijft. Dus in zijn meest algemene betekenis zondigen we, als we er niet in slagen te handelen zoals God zou doen.

De wereld begrijpt hier iets van. Er is een populaire slogan: "Wat zou Jezus doen?" Dat is een goed concept. Op die manier vermijden we zonde. Als we ons leven richten op wat Jezus zou doen, dan is het bijna onmogelijk te zondigen en dan komt iedere handeling voort uit geloof. Echter als we daar niet in slagen, dan zondigen we.

Gods is bezig om ons naar Zijn beeld te scheppen. Een volmaakt beeld zou een exacte weergave van Hem zijn, zoals we in een spiegel zouden zien. We zouden dan alles, moreel en ethisch, op precies dezelfde manier doen als Jezus deed. Daarom kon Hij eerlijk zeggen: "Als u Mij hebt gezien, hebt u de Vader gezien."

We begijpen allemaal wel, dat we nog een lange weg hebben te gaan. Zo kunnen we ook beter begrijpen waarom genade absoluut nodig is. God wil, Hij verlangt, dat letterlijk iedere handeling die we uitvoeren zijn basis heeft in geloof in Hem, anders schieten we tekort in een exacte weergave. Dan zouden we nog te veel werken op basis van de oude natuur, werelds.

We zullen hier nog iets aan toevoegen en daarna gaan we het allemaal afronden.

De Bijbel laat zien, dat er in het denken van God drie soorten werken zijn. Laten we Colossenzen 1:21 opslaan en we zien daar het eerste soort werken, boze werken.

Colossenzen 1:21 Ook u [Christenen], die eertijds vervreemd en vijandig gezind waart blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weder verzoend.

Titus 1:15a Alles is rein voor de reinen, maar [ik lees dit vers omdat ik de aandacht op een woord wil vestigen] voor hen, die besmet en onbetrouwbaar [St. Vert.: ongelovigen; hier komt geloof dus op in zijn denken] zijn, is niets rein.

Zien we dat? De ongelovigen kunnen in Gods ogen niets reins doen. Gemeente, liggen zijn standaards hoog of niet?

Titus 1:15b-16 Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet. 16 Zij belijden wel, dat zij God kennen [hier komt dat belijdende geloof aan de orde, maar hun werken zijn onrein], maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.

Deze twee verzen zijn als donderslagen bij heldere hemel in samenhang met dit onderwerp.

Het tweede soort werken dat God ziet, zijn goede werken. We zagen dat zojuist in Titus 1:16.

Efeziërs. 2:8-10 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme. 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Deze verzen beperken de definitie van goede werken echt tot alleen maar de gehoorzaamheid van het geloof. Dat is het resultaat van de schepping van de goddelijke natuur in ons. Bedenk dat we zojuist in Titus 1:15-16 lazen, dat de ongelovigen geen goede werken kunnen doen. Goede werken beginnen niet totdat, voorzover het God betreft, er iets gebeurt. Het zijn werken van gehoorzaamheid gedaan na bekering. Als we eenmaal begonnen zijn in Hem, de ware God, en Zijn Zoon, Jezus Christus, te geloven door de kracht van Gods heilige geest in ons, dan bestaan goede werken alleen maar uit de dingen waartoe we door God zijn voorbereid.

Daar we zijn geschapen voor goede werken, kunnen er voor de bekering geen goede werken zijn geweest, voordat het echte geloof in Christus kwam, voordat God Zijn wonder door Zijn geest in ons denken tot stand bracht.

Er is nog een ander soort werken en dat is dode werken.

Hebreeën 6:1 Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God.

Dit zijn de werken van de menselijke natuur. Ze komen niet voort uit Gods heilige geest in ons. Er is, zoals ik eerder zei, activiteit, maar God erkent die niet als goed vanwege de bron en de geest waar hij uit voortkomt.

Laten we nog een punt toevoegen.

Efeziërs 2:1a Ook u, hoewel gij dood waart ...

Weten we wat dat betekent? We zijn tot leven gebracht! In het denken van God waren we voor onze bekering dood. Dode mensen kunnen geen goede werken voortbrengen.

Efeziërs 2:1-3 Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, 2 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 — trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns.

Hoe zou God iets dat door dode mensen is voortgebracht goed kunnen noemen? Ze kunnen goed schijnen voor de mens en de mens kan ze goed noemen en met grote waardering spreken over hen die deze dingen doen, maar God verklaart ze dood, omdat ze niet door Zijn levengevende geest zijn voortgebracht.

Laten we Romeinen 3 opslaan om verder te gaan met de afronding van deze preek. Kijk eens naar deze aanklacht vanuit Gods standpunt.

Romeinen 3:10-12 Gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.

Maar toch waren er mensen, zoals Abel en Henoch en Noach en Sem en Abraham en Isaak en Jakob en Samuël en David en Mozes en Jozua, die door God werden bekeerd en Hem geloofden. Zij deden goede werken. Nu ligt de bal bij ons. Maar zij waren net als de mensen die in Romeinen 3:10-12 worden beschreven, net als wij, totdat God in Zijn genade ons denken opende, zodat Hij ons gerechtigheid kon toerekenen, ons Zijn geest geven en ons in staat stellen goed te doen.

God definieert wat goed is. Hij houdt het paslood in de hand en Hij zegt, dat al wat niet uit geloof is, zonde is. Al wat niet uit geloof is, schiet tekort voor Zijn heerlijkheid. Geeft dit ons enig idee wat er gedaan moet worden in deze tijd van verstrooiing van de kerk? We moeten ons geloof in God hervinden. Gemeente, wat veroorzaakte in het begin de scheiding tussen Adam en Eva en God? Zij geloofden Hem niet! Dat is de oorzaak van elke scheiding van God en ook de scheidingen binnen Zijn kerk. Wij hebben ons geloof verloren. Het viel in stukken uiteen door verkeerde doctrine, maar zelfs daarvoor was het reeds aan het verzwakken.

We gaan terug naar een eerdere gedachte, dat God hen die Zijn geest niet hebben als dood beschouwd en hun werken als dode werken. We zullen gaan zien dat God, al vanaf het allereerste begin, de basis legde in een parallel voor ons begrip.

Laten we teruggaan naar Genesis 2. Net zoals Adam en Eva een fundamenteel voorbeeld waren van wat scheiding teweegbrengt, zo vinden we hier ook dat Adam een patroon is voor iets geestelijks.

Genesis 2:7 Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.

Adam was niets anders dan een levenloos lichaam. Hij was dood, totdat God hem de levensadem inblies. Zolang hij de levensadem niet had, kon hij niets voortbrengen, niets dat God zou behagen. Dat kon pas nadat hij de geest had gekregen. Dat is wat dat vers zegt. Kijk het maar na in het Hebreeuws. Het betekent windstoot, een tot leven brengende adem, goddelijk inspiratie, intelligentie, sterke luchtstroom, adem, inspiratie, ziel, geest. Dit zijn allemaal vertalingen van dat woord.

Hier zien we een fysieke parallel van wat er geestelijk gebeurt. Adam was een levenloos lichaam, totdat God hem de levensadem inblies.

Jacobus 2:26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is [net als bij Adam], zo is ook het geloof zonder werken dood.

Hier zien we de fysieke parallel bevestigd en daarna gekoppeld aan een ander onderwerp waarop het principe van toepassing is. Zonder de geest, dat is zonder wind of adem, zijn we fysiek dood. Op dezelfde manier is geloof zonder werken dood. Echt geloof is een levend geloof en het zal de juiste werken voortbrengen. Op dezelfde manier zijn werken zonder de heilige geest dode werken. Er is dood geloof en er zijn dode werken. Op dezelfde manier is er levend geloof en zijn er goede werken, maar er zijn alleen maar goede werken samen met levend geloof. Levend geloof is de geest die leven geeft aan de werken en ze in Gods ogen goed maakt.

We gaan nu naar één van de mooiere hoofdstukken in de Bijbel, 2 Corinthiërs 3. Hier zien we dat Paulus ditzelfde principe gebruikte om het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond te beschrijven. We ontdekken, dat veel van de schoonheid die ontstaat uit het begrijpen van dit wondermooie hoofdstuk, wordt ontleend aan de toepassing van dit principe.

2 Corinthiërs 3:3-10 Daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten. 4 Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God. 5 Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, 6 die ons [Paulus en de dienaren] ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt [is zelf dood], maar de Geest maakt levend [zodat er gewerkt kan worden]. 7 Indien nu de bediening des doods [deze kon geen leven geven, omdat deze zelf al geestelijk dood was], met letters op stenen gegrift, gepaard ging met zulk een heerlijkheid, dat de kinderen Israëls de blik niet op het aangezicht van Mozes konden vestigen om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die toch verdwijnen moest, 8 hoe zal niet nog meer de bediening des Geestes in [veel meer] heerlijkheid zijn? [Het zal leven voortbrengen en de juiste werken.] 9 Want indien de bediening, die veroordeling brengt, heerlijkheid was, veel meer is de bediening, die rechtvaardigheid brengt, overvloedig in heerlijkheid. 10 Immers, zelfs hetgeen verheerlijkt was, is in zoverre niet verheerlijkt, als déze heerlijkheid het te boven gaat.

Als we de twee verbonden vergelijken, zien we dat er geen heerlijkheid is in het oude verbond.

2 Corinthiërs 3:15-18 Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, 16 maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft [in geloof; dat moet zo zijn, want dat is de enige manier als God eenmaal de ware God openbaart], wordt de bedekking weggenomen. [Dan zal er leven binnenkomen.] 17 De Here nu is de Geest [die leven geeft aan het nieuwe verbond, die leven geeft aan ons]; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid [vrijheid van zonde, vrijheid van de dood]. 18 En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.

Evenals Adam vanuit de dood het leven inging toen hem de levensadem werd gegeven, zo gaan wij vanuit de geestelijke dood het geestelijke leven in door het ontvangen van de geest van God. Christus is die geest. Christus in ons, de hoop op heerlijkheid. Het duidt hier op alles wat Christus vertegenwoordigt. Hijzelf ontbrak aan het oude verbond. Vergeving door Zijn bloed ontbrak. De volheid van het evangelie, die tot levend geloof zou leiden, ontbrak. De heilige geest was nog niet gegeven, dus ook die ontbrak. Het oude verbond was heel goed, maar in vergelijking met het nieuwe verbond was het als Adam, dood, totdat God hem de levensadem inblies.

Levend geloof is, zoals we zojuist bij Jacobus zagen, de geest, de motivatie, de energie-gever die er de oorzaak van is, dat onze werken door God als goed worden beschouwd. Ze zijn goed omdat de geest van Hem is. Ze zijn het voortbrengsel van een nieuwe schepping en dus, zoals Bullinger zegt, is het absoluut onmogelijk goede werken te scheiden van het levende geloof dat ze voortbracht.

Ik denk dat dit een mooi moment is om te stoppen. Ik weet niet of ik met deze serie verder ga. Dat hangt ervan af, of ik nog meer kan vinden om eraan toe te voegen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)