Gods voorzienigheid (Deel 5)

Door John W. Ritenbaugh
13 februari 1999

Samenvatting: (toon)

In dit vijfde deel in de serie over Gods voorzienigheid herinnert John Ritenbaugh ons eraan dat het niet Gods bezigheid is om te martelen, maar dat Hij bezig is met scheppen, waarbij Hij binnen Zijn scheppend handelen gebruik maakt van rampen. Als Jakobs geestelijke afstammelingen of het Israël van God (Galaten 6:16) bezitten we enkele van dezelfde ongelovige neigingen als Jakob voor zijn worstelwedstrijd waarin God de overhand had. De verstrooiing van het grotere geheel van de kerk van God is tot stand gebracht door nonchalante onverschilligheid, bedrog, en uiteindelijk geestelijk overspel (afgodendienst); dit leidde tot een fatale achteruitgang van de eerste liefde. Evenals Jakob die in eerste instantie toegaf aan zwak geloof en angst, moeten ook wij, als Jakobs geestelijke zaad, doen wat hij deed en ons bekeren van onze verminderde toewijding aan God en Zijn doel.


We gaan vandaag weer verder met de serie over Gods voorzienigheid. Laten we eerst nog even stilstaan bij ons uitgangspunt, namelijk dat we de gebeurtenissen in ons leven, die we normaliter als een vloek of een tegenslag zouden beschouwen, moeten beschouwen als iets waarin God voor ons ten goede heeft voorzien. De bijbelse basis hiervoor is Romeinen 8:28, waarin duidelijk staat vermeld dat "alle dingen ten goede werken". Maar er waren twee kwalificaties. De eerste: dat ze ten goede werken voor hen die geroepen zijn. God zegt niet dat alles voor iedereen ten goede werkt; het werkt ten goede voor de geroepenen. De tweede: voor hen die God liefhebben.

We zagen ook dat Job totaal in het duister verkeerde, waarom die kwade rampen hem overkwamen. Maar hij verdedigde zich krachtig tegen zijn vrienden, die hem beschuldigden van verborgen zonden. In dit geval was Job inderdaad zonder schuld, zoals God ons aan het begin van het boek verzekert. De rampen die Job overkwamen, werden door God aangesticht. Dat is een sleutel voor ons uitgangspunt. God brengt rampen teweeg in het leven van de mens en die rampen werken ten goede voor Zijn volk. Die rampen kunnen dus niet op de normale manier worden beschouwd als rampen die ons willen vernietigen, ze zijn in feite ten goede bedoeld.

De rampen die Job overkwamen, werden aangesticht door God via Satan, met beperkingen hoe ver Satan mocht gaan. Die rampen waren in feite een test van Jobs loyaliteit aan God en ze hadden een tweeledig doel: een sterke toename van zijn begrip evenals van het onze, daar wij van zijn ervaringen kunnen leren. Aan het einde had Job diep berouw over het spreken van dingen die hij vroeger niet begreep, maar nu wel. Hij riep uit dat hij slechts van horen zeggen over God had gehoord, maar nu, door deze rampen, zag hij God heel duidelijk. Daarin ligt het nut besloten.

Het is goed een Arabisch spreekwoord te onthouden: "Alleen maar zonneschijn brengt een woestijn tot stand." We moeten ook bedenken dat lijden in zichzelf geen enkele waarde heeft. Alleen maar als het lijden begrip, wijsheid of goede karaktereigenschappen voortbrengt, heeft het een positieve waarde. We kunnen lijden en het kan een totale verspilling van tijd zijn, het continu besteden van energie, een geweldig opbouwen van bezorgdheid en stress; op die manier brengt het niets goeds voort. Maar ik garandeer u, dat als God in ons leven betrokken is, we één van de geroepenen zijn en we Hem liefhebben, dat het dan iets goeds in ons leven teweegbrengt, ongeacht de stress en de bezorgdheid waar Hij ons schijnbaar doorheen doet gaan. God is niet bezig ons te martelen. God is bezig te scheppen en deze rampen, deze dingen die we als zware tegenslagen kunnen beschouwen, maken in feite deel uit van Zijn scheppingsproces, als we Hem dat toelaten.

We moeten altijd in gedachten houden, dat van de tijd af dat Hij ons wil roepen en in Zijn familie brengen, Hij echt nooit meer uit ons leven verdwijnt. Hij is een altijd aanwezige realiteit. Hij is altijd op de een of andere manier in de context van elke gebeurtenis in ons leven betrokken. Waar Hij ons doorheen laat gaan heeft altijd positieve bedoelingen. Zijn doel is iets in ons te scheppen dat deel uitmaakt van Zijn beeld.

Daarna besteedden we het grootste deel van twee preken aan één gebeurtenis waarin God in het leven van Jakob voorzag. Net als bij Job, was het van uitermate groot belang voor het verdere verloop van Jakobs leven en ook dit heeft als tweede doel ons begrip te geven voor onze tijd. God brak Jakobs twistende, manipulerende, beheersende wil door, vreemd genoeg, voor hem te voorzien in een worstelwedstrijd. Dit liet Jakob zien dat zijn bedriegelijk, manipulerend twisten met de mens om te krijgen wat hij in het leven wilde hebben, in werkelijkheid een worstelen was tegen Gods wil voor hem. Het is nooit Gods wil voor ons om zelfgericht dingen te verwerven door Zijn geboden te overtreden. Zijn manier van werken is altijd een samenwerkend dienen.

God zegende Jakob door zijn heup te ontwrichten als een voortdurende, nederig houdende en ietwat pijnlijke herinnering, zodat hij vanaf die tijd bij iedere stap die hij in zijn leven zette, werd herinnerd aan de worstelwedstrijd die hij verloor. Daarna zegende Hij hem nog door zijn naam in Israël te veranderen; die naam betekent "God heeft de overhand" of "God regeert".

Dat voorvalt markeert het moment waarop Jakobs wil uiteindelijk werd gebroken, omdat hij toen een veel duidelijker beeld van alles kreeg. Ik zei in die preek dat we soms de neiging hebben te denken dat wij maar een zwakke wil hebben. Maar we moeten altijd bedenken, dat de vleselijke geest vijandschap is tegen God en onze wil is in dit opzicht dus niet zo zwak.

Vorige week gingen we vrij gedetailleerd door Hosea 12 om te laten zien dat Jakobs nakomelingen, Israël, zij die ook een verbond met God hebben gesloten, als natie door een aantal van dezelfde karakteristieken werden geplaagd als Jakob als mens. Er is nog een niveau van toepassing, nog een parallel, waarop ik vandaag wil ingaan. Als kerk, maar ook als individueel kind van God, moeten we hiernaar kijken voor instructie, omdat wij Jakobs geestelijke nakomelingen zijn en daardoor ook het Israël van God.

Tussen de kerk en de natie Israël is één duidelijk verschil. Met de kerk gebeuren de dingen veel sneller dan ze met de natie Israël gebeurden. De tijd wordt samengeperst. We leven in de eindtijd. De wederkomst van Jezus Christus is nabij. Herbert Armstrong zei: "Maak de kerk gereed." Wij moeten ons gereedmaken.

Laten we opnieuw het tijdselement in het boek Hosea bekijken. U zult zich nog wel herinneren, dat ik zei dat Hosea een jongere tijdgenoot van Amos was. Amos profeteerde twee jaar voor de grote aardbeving. Archeologen hebben die aardbeving gedateerd op 762 voor Christus. Dat was (interessant genoeg) veertig jaar voordat Assyrië Israël veroverde en in ballingschap voerde. Het leek er wel op alsof die aardbeving de sociale en culturele verwoesting aankondigde die kort daarop zou plaatsvinden.

Hosea profeteerde kort na Amos, maar nog enkele tientallen jaren voordat Israël door de Assyriërs in ballingschap werd gevoerd en zo'n 140 jaar voordat Juda in ballingschap werd gevoerd door de Babyloniërs.

Laten we een beetje omschakelen. De kerk had zo zijn eigen geestelijke aardbevingen. In de zeventiger jaren waren er enkele en zij mondden in januari 1979 uit in de juridische aanval door de staat Californië. De staat stelde de kerk voor korte tijde onder een curator. U herinnert zich nog wel dat Herbert Armstrong ons daarna opriep naar het juiste spoor terug te gaan. Nadat hij stierf, probeerde Joseph Tkach (naar ik aanneem) minstens voor korte tijd de opdracht die Herbert Armstrong hem gegeven had, uit te voeren. Zijn lijfspreuk was: "Wij zijn een gezin." We werden verondersteld één van zin te zijn en als een gezin steeds meer één te worden in onze benadering van het Koninkrijk van God.

Ik moet bekennen dat ze er niet in slaagden. Er was een bepaalde mate van bekering nog tijdens het leven van Herbert Armstrong. Er werden enige veranderingen doorgevoerd, maar Herbert Armstrong stierf en het begon duidelijk te worden (zo zie ik het nu ik terugkijk, toen realiseerde ik het me lang niet zo helder, alhoewel ik in de tachtiger jaren er al wel iets van aanvoelde) dat God had geoordeeld dat de veranderingen alleen maar aan de oppervlakte hadden plaatsgevonden. Mijn bewijs van Gods oordeel is dat we zijn verstrooid. We konden niet bij elkaar blijven. Als we werkelijk veranderingen hadden doorgevoerd, waren we niet verstrooid, omdat de liefde er zou zijn geweest. Ik bedoel de liefde van God. Zijn Geest in ons zou sterk zijn geweest en we zouden bijeen zijn gebleven, als een eenheid. Alleen al het feit dat we werden verstrooid, zoals vermeld in Leviticus 26, is een aanduiding dat we de geboden van God overtraden. Dat is een straf, één van de twee ergste waarover God de beschikking heeft. De tweede is het zwaard.

Het is niet alleen dat we zijn verstrooid, maar de verstrooiing wordt steeds maar erger. Ik denk dat het al maar duidelijker wordt, dat God geen behagen in ons heeft als vergadering van Zijn volk. In Hosea 12 zegt Hij (u weet dat nog wel): "Ik heb een rechtsgeding met u." Ik denk dat het bewijs dat we om ons heen zien, ervan getuigt dat Hij een rechtsgeding met ons heeft, net zoals Hij een rechtsgeding had met Jakob en een rechtsgeding met de natie Israël.

Laten we Mattheüs 10 opslaan en daar vijf of zes verzen lezen. We beginnen in vers 16. Jezus is de spreker.

Mattheus 10:16-18, 22-23 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. 17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; 18 gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. ... 22 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 23 Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt.

Houdt dit in gedachten nu we naar Handelingen 8 gaan.

Handelingen 8:1 En Saulus stemde in met zijn [Stefanus'] terechtstelling. En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen.

Geen van de dingen die in deze verzen worden genoemd, overkomt ons. We worden niet van de ene stad naar de andere stad opgejaagd; we worden niet met het zwaard vervolgd; de regering gooit ons niet in de gevangenis; we worden niet door onze buren vervolgd. Er is geen vervolging van buitenaf tegen de kerk, die ons alle kanten uit verstrooit, en toch zijn we verstrooid.

Ik moet u bekennen dat er wel een bron is, zonder daar in detail op in te gaan. Beginnende in Leviticus 26, het hoofdstuk over "zegen en vloek", zien we dat een verstrooiing die niet het gevolg van vervolging is, zijn oorsprong vindt bij God. Hij deed het. Hij verstrooide ons omdat Hij geen behagen in ons heeft. Lees het maar voor uzelf. Hij heeft een rechtsgeding met ons en verstrooiing is een straf die een goed resultaat als doel heeft. Deze is bedoeld om ons tot denken aan te zetten en te analyseren waarom we in zo'n toestand zijn terechtgekomen. Waarom verkeert de kerk in deze toestand? Wat kan eraan worden gedaan? Is het mogelijk dat ik de oorzaak ben of deel uitmaak van de oorzaak? Kan het zijn dat ik deel kan uitmaken van wat eraan kan worden gedaan?

Er zijn positieve antwoorden op deze vragen. Wij moeten vluchten voor ons geestelijk leven om dat in stand te houden. De boodschap in Hosea 12, gecombineerd met een aantal plaatsen in Openbaring, Jeremia 3 en Genesis 28, laten volgens mij zien wat we moeten doen met deze verstrooiing en waarom deze heeft plaatsgevonden.

De principes die staan in elk van deze passages die ik ga gebruiken, zijn een moderne toepassing op ons. Ik denk dat u wel ziet dat ik deze passages niet naar mijn hand zet, als ik ze zo toepas. Laten we eerst weer naar het boek Genesis gaan. Daar begint het fundament. Het is alweer een startpunt voor Jakob.

Genesis 28:13-15 En zie, de HERE stond bovenaan [bovenaan de ladder die van Jakob tot in de hemelen liep] en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht [zaad] geven. 14 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.

Hier staan de beloften die aan de vaderen werden gedaan, Abraham, Isaak en nu aan Jakob, die later door Jezus Christus werden bevestigd. Wij vallen onder die beloften, omdat wij met hen erfgenamen zijn. We gaan nu naar het boek Galaten om dat duidelijk te zien.

Galaten 3:16 Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.

We gaan hier naar toe om te zien wie het zaad is, zodat we kunnen zien dat hetgeen Hij tegen Jakob zei, ook op u en mij van toepassing is.

Galaten 3:26-29 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Als wij van Christus zijn, als wij geroepen zijn, dan zijn we één lichaam met Hem. Hij is het hoofd, wij zijn het lichaam en de belofte werd gedaan aan dat ene instituut, dat instituut dat een eenheid vormt. Hier komt het zaad [nageslacht] vandaan dat in Genesis 28 wordt genoemd. Ik doel op de meest serieuze kant van het zaad, omdat wij het geestelijke zaad van Abraham, Isaak en Jakob zijn. Velen van ons zijn bovendien ook fysieke nakomelingen van hen.

Nu we toch in het Nieuwe Testament zijn, gaan we naar Romeinen 9 om daar een paar verzen te lezen. Daar wil ik u laten zien dat het zaad van Abraham door God in twee duidelijk aparte delen werd gesplitst.

Romeinen 9:6-7a Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, 7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, ...

Laten we Galaten 3 daarmee in verband brengen. Wie zijn de kinderen? De echte kinderen zijn zij die van Christus zijn en hij zegt hier dat het feit dat we fysieke nakomelingen van Abraham zijn nog niet betekent dat we ook deel uitmaken van het echte zaad.

Romeinen 9:7 ..., en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.

Isaak was voor Abraham de zoon der belofte. Wij zijn de kinderen der belofte.

Romeinen 9:8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.

Ik weet niet hoe God dit nog duidelijker had kunnen zeggen. Het zaad, waarover Hij het in Genesis 28 heeft, is de kerk. De kinderen der belofte worden gezien als het zaad en de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob zijn verdeeld in twee aparte groepen. De natuurlijke groep, die nog steeds de natie Israël wordt genoemd. De andere groep, die hier de kinderen der belofte wordt genoemd. Op andere plaatsen worden zij de uitverkorenen genoemd of de kerk en door Paulus in Galaten 6:16 het Israël van God.

Er zijn dus twee aparte Israëls: de fysieke natie en de geestelijke natie. Er is één Israël waar God van scheidde en dat Hem niet langer toebehoort. Zij was Zijn vrouw, maar toen Hij van haar scheidde, behoorde ze Hem niet langer toe. Maar er is ook een Israël dat Hem toebehoort, het Israël van God. Het woord 'van' duidt op bezit. Het Israël dat God toebehoort, is de kerk.

Nu weer terug naar Genesis 28. Ik lees die verzen opnieuw. Let daarbij specifiek op de belofte.

Genesis 28:15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.

Dit werd eerst in Betel rechtstreeks tot Jakob gezegd en daarna deed Jakob een gelofte. Hij ging een verbond aan met God. Niet het oude verbond, maar desalniettemin ging hij een verbond aan met God.

Toen God dit tot Jakob zei, was het niet alleen maar bedoeld als een bemoedigende geruststelling. Veel belangrijker was, dat het bedoeld was om Jakob te laten zien dat God hem zou leiden, bewaren, onderwijzen en corrigeren, waar hij ook maar heen mocht gaan, zodat Gods doel met hem zou worden volbracht.

Laten we naar Hebreeën 13 gaan. Ik wil u een nieuwtestamentische kijk laten zien op ditzelfde principe van "Ik zal u behoeden waar gij gaat". Jezus zegt in vers 5 tegen de nieuwtestamentische kerk:

Hebreeën 13:5-6 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?

We moeten die gedachte goed vasthouden, want die had grote invloed op wat er met Jakob gebeurde. Vandaag gaan we zien waar de werkelijke fout in Jakobs karakter lag.

Laten we naar Deuteronomium 31 gaan; daar lezen we enkele verzen die hetzelfde principe beschrijven. Dit staat in feite in een sectie die gaat over Israël dat op het punt staat het land binnen te gaan en het land Kanaän in bezit te gaan nemen.

Deuteronomium 31:5a De HERE zal hen aan u overleveren, ...

Dit zijn instructies voor de Israëlieten. Het is een goed idee om waar we het woord Israëlieten zien of horen, te denken "mij" of "ik". Ik ben een Israëliet. Ik ben een kind van God.

Deuteronomium 31:6, 8 Weest sterk en moedig, vreest niet en siddert niet voor hen [Hebreeën 13:6 Ik zal niet vrezen wat een mens mij zal doen, omdat de Here met mij is], want de HERE, uw God, zelf gaat met u; Hij zal u niet begeven en u niet verlaten. ... 8 Want de HERE zelf zal vóór u uit trekken, Hij zelf zal met u zijn, Hij zal u niet begeven en u niet verlaten; vrees niet en word niet verschrikt.

Nu weer terug naar het Nieuwe Testament, deze keer Filippenzen 1:6, een heel bekend, bemoedigend schriftgedeelte, waar Paulus tegen die mensen zegt:

Filippensen 1:6 Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.

Naast het woord 'voortzetten' staat in mijn Bijbel een klein cijfer 1 en er staat in de marge 'voltooien'. Hij zal het voltooien.

Laten we dit nog eens samenvatten.

Genesis 28:15a En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land,

Het zaad waar hier over gesproken wordt, zijn u en ik. Hij zei het tegen Jakob. "Jakob, Ik ben met u, waar gij ook gaat." Jezus Christus zei het tegen u en mij. "Ik ben met u, waar gij ook gaat." Het is daarbij echter vereist, dat we door de rampen zullen moeten gaan die Hij af en toe voor ons voordeel teweegbrengt. Hij zegt dan ook: "Wees niet bang! Vrees niet! Ik ben met u!"

Wat was Jakobs probleem dan wel? Ondanks dat hij fysiek zeer sterk was en door God van vele talenten voorzien, was hij bang in geloof te leven. Hij zette er zich toe naar zijn eigen wil te leven om te krijgen wat hij hebben wilde, zelfs al betekende dat het overtreden van de geboden. Hij werd door vrees aangedreven. Hij was bang. Hij bezat een sterke drang tot wedijver. Hij was bang dat anderen beter af zouden zijn dan hij. Hij was bang dat mensen hem zouden gebruiken. Hij was bang dat Esau meer zou krijgen dan hij. Hij was bang dat de complotten smedende Laban dingen zou krijgen die hij dan niet zou krijgen. Zo verborg hij dus zijn eigen inzichten in selectieve voortplanting. Hij verborg ze voor Laban, zodat Laban daar niet, evenals hij, de vruchten van zou plukken, inzichten die hem ongetwijfeld door God waren geopenbaard, zodat hij er zijn voordeel mee kon doen.

God zei Jakob daar in Genesis 28:15 in feite: "Ik zal Mijn beeld in jou compleet maken. Ongeacht waar je heengaat, Ik zal je hier terugbrengen en Mijn werk in jou zal voltooid worden." Echt heel geruststellend, maar het kan af en toe ook beangstigend zijn.

Laten we teruggaan naar Hosea 12:5. We zullen daar zien dat het feit dat God met ons is, beslist niet betekent dat we niet verward kunnen raken, of bang, of dat er zich geen spanning in ons kan opbouwen, zodat we stressniveaus bereiken die ons te hoog schijnen te gaan. Hier in Hosea wil ik uw aandacht vestigen op iets waar ik ook vorige week al de aandacht op vestigde.

Hosea 12:5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade. Te Betel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons.

Laten we nog eens naar die voornaamwoorden kijken. Eerste voornaamwoord "hij". Dat is Jakob. Tweede zin "hij weende". Dat was Jakob die weende. "Te Betel vond hij Hem." Dat is ook Jakob. Wie vond hij in Betel? God, omdat God Zichzelf daar aan hem openbaarde. De volgende "hij" is God en daar sprak Hij met ons, niet Jakob sprak met ons. Dat is echt interessant. Waarom zei Hij ons? Bedenk dat Hosea zo'n twintig jaar voordat Israël in ballingschap ging, profeteerde. De "ons", toen Hosea het oorspronkelijk zei, waren de fysieke Israëlieten tegen wie hij sprak. Hij zei het op die manier, omdat hij wilde duidelijk maken dat hetgeen van te voren door Mozes in het boek Genesis was geschreven, bedoeld was voor de Israëlieten van zijn (Hosea's) tijd.

Wat heb ik zojuist gedaan? Het van toepassing gemaakt op de 20e eeuw A.D. Wij zijn het echte zaad van Genesis 28, het zaad van Jakob. God spreekt tegen u en mij.

Let erop dat God te Betel sprak. De plaats van het eerste deel van dat vers is niet Betel, maar Mahanaïm, dat geloof ik in Manasse ligt. De worstelwedstrijd vond plaats te Mahanaïm. Maar Hosea schakelde snel om van de worstelwedstrijd naar het moment waarop God Zich aan Jakob openbaarde. Hij paste dat spreken toe op Jakob, op de Israëlieten van zijn tijd en op u en mij. Zo moeten we dat doen. Anders kunnen we elk deel van de Bijbel dat ons niet aanstaat, verklaren niet op ons van toepassing te zijn.

Hosea 12 is gericht tot de kerk. Iedere keer dat de kerk zich in een toestand bevindt, die een parallel heeft in de Bijbel, moeten we de instructies halen uit wat God voor die situatie heeft laten optekenen, zodat wij de oplossingen kunnen vinden en misschien eerst wel de oorzaken. Als we eenmaal de oorzaken kennen, dan zijn de oplossingen, hoe hard ze ook zijn, niet meer zo hard dan als we de oorzaken niet zouden kennen.

We moeten bij ieder woord van God leven. Dat is de enige manier. Dat is voor ons geschreven. Wij zijn het zaad.

Dit wordt gezegd tegen iedere nakomeling van Abraham, Isaak en Jakob, wanneer hij dan ook maar mag leven. Of het nu in de 1e eeuw A.D is of in de 20e, we verkeren in een toestand waar God duidelijk een rechtsgeding met ons heeft. Daar Hij trouw is aan Zijn belofte: "Ik zal u nooit begeven en u nooit verlaten, Ik zal u leiden, uw Gids zijn, Ik zal u corrigeren, Ik zal alles doen dat maar nodig mag zijn om u in het beloofde land, het Koninkrijk van God, te brengen." Wegens Zijn trouw aan Zijn belofte, komt Hij in actie om ons te corrigeren, evenals Hij in actie kwam om Jakob en Israël te corrigeren.

Jakob slikte de correctie. Hij had berouw. Hij weende en smeekte om genade. Dat betekent dat hij berouw had en dat hij bij God pleitte om vergeving. Maar, ongelukkigerwijs, deed Israël dat niet en zij gingen in ballingschap.

Wij hebben nu, op dit moment, een geweldig grote worstelwedstrijd met God; wij allemaal, in meerdere of mindere mate. Het doel daarvan is zeker te maken dat onze relatie met Hem is wat hij behoort te zijn. Niet van welke organisatie maak ik deel uit, maar hoe is mijn relatie met God? Wat is de kwaliteit van die relatie?

Dat gebeurde er in de worstelwedstrijd tussen God en Jakob. Jakob maakte zijn relatie met God in orde. Maar God moest daar echt heel wat voor doen, want eerlijk gezegd, Jakob was een stevige kerel.

Laten we nu naar Jeremia gaan.

Jeremia 3:8 Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde, ...

Dat was 120 jaar later, maar toch gebeurde het.

Jeremia 3:9 ..., en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout.

Dit vers 9 is nog steeds tegen Israël gericht. Vers 10 richt zich op Juda.

Jeremia 3:10 En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des HEREN.

Ik wil hier aan drie punten aandacht schenken. Het eerste is dat er een specifieke zonde van Israël wordt genoemd. Overspel met steen en hout. Dit is geestelijk overspel met vreemde goden omdat Israël door het verbond met God getrouwd was. In werkelijkheid is het in feite afgodendienst in de vorm van wereldlijkheid, maar overspel wordt als beeld gebruikt vanwege de huwelijksrelatie tussen de twee. De feitelijke zonde is afgodendienst. Israël had een onweerstaanbare drang om syncretistische religies te ontwikkelen; ze keken altijd naar hoe de heidenen hun goden dienden en pasten die gewoonten toe binnen de eredienst van de ware God. Dat gebeurde al met het gouden kalf. Ze namen iets vanuit Egypte en riepen een feest uit voor de Eeuwige. Israël scheen dit nooit uit zijn denken te kunnen uitbannen. Nu hebben we boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme, allerlei oosterse religies. Onlangs las ik een artikel hoe oosterse religies in feite het protestantisme en katholicisme verwaterden.

Dat was het eerste punt, Israëls zonde. Het tweede en derde punt zijn specifieke woorden. Het woord 'lichtvaardig' in vers 9 en de woorden 'in schijn' in vers 10. Beide duiden op houdingen die van invloed zijn op hun manier van gehoorzaamheid. Moderne vertalingen vervangen 'lichtvaardig' door 'nonchalant'. De Revised English Bible geeft het weer als 'nonchalante hoererij'. De Amplified Version zegt "ongepaste frivoliteit'. Het is een manier van zeggen die erop duidt dat men zonde niet zo ernstig vond.

Laat me u enkele andere mogelijkheden geven voor dit woord 'nonchalant' of 'lichtvaardig'. We hoeven hier alleen maar een goed woordenboek voor op te slaan.

Onverschillig, ongeregeld, onnadenkend, blasé, onbezorgd, koel, afstandelijk, apathisch, ontspannen (we willen ons zo graag informeel gedragen), 't zal me een zorg zijn, gedachtenloos, zonder onderscheid, ongeïnteresseerd.

Ik vraag me af of één van deze woorden u deed denken aan Openbaring 3:16. Israëls zonde bestond eruit dat ze God als vanzelfsprekend aannamen. Nonchalant, onnadenkend.

Wat kunnen we zeggen van 'in schijn', Juda's zonde? In de Revised English Bible en de New International Version staat er 'doen alsof'. De Living Bible is heel duidelijk. Daar staat: "Haar berouw was slechts gespeeld." De Amplified Bible zegt: "Juda keerde niet oprecht naar Mij terug en niet met haar gehele hart, maar in pure huichelachtigheid." In schijn betekent dus simuleren, voorwenden of doen alsof.

Ik denk dat op dit moment in de tijd vrij eenvoudig kan worden gezien dat de zonden van die twee naties, vlak voordat Juda aan de Babyloniërs ten prooi viel, in twee algemene categorieën uiteenvielen, die in feite in veel opzichten veel van elkaar weg hebben.

Israëls zonde werd overheerst door een houding van nonchalante onverschilligheid, waardoor een synchretistische godsdienst ontstond, die wat God betrof in feite niet veel meer was dan pure afgoderij. Maar tegelijkertijd hadden ze schijnbaar een grote welvaart en werden er dus toe misleid te denken dat God er op een of andere manier mee instemde. Dat is erg belangrijk als we dit willen toepassen op de Worldwide Church of God. In het laatst van de zeventiger jaren en het begin van de tachtiger jaren bereikte het inkomen van de Worldwide Church of God het niveau van $200 miljoen per jaar. De kerk was schijnbaar erg voorspoedig en daardoor was het voor de mensen gemakkelijk om als volgt te denken: "Wij dragen ons deel bij aan die voorspoed en ons leven verloopt schijnbaar heel gladjes, dus moet God wel op de een of andere manier met alles instemmen." Nee, Hij stemde er niet mee in. De economische toestand van iemand is niet hetzelfde als zijn geestelijke toestand. Misschien wel, maar misschien ook niet. Geld is neutraal.

Juda wekte de indruk alsof het hun werkelijk ernst was met het dienen van God, maar dat was niet meer dan een huichelachtige onoprechtheid, die hun de gelegenheid bood gewoon door te leven zoals ze altijd hadden gedaan. Dit is echt belangwekkend omdat Juda in de tijd dat ze die eigenschappen tentoonstelden, werd geregeerd door mogelijk de beste koning die Juda of Israël ooit had gehad. Die koning heette Josia. God liet toe dat hij op het hoogtepunt van zijn macht werd gedood. Ondanks dat hij geestelijk in goede conditie was en een goede relatie had met God, nam God hem blijkbaar weg, omdat hij iets heel doms deed; daarna kwam de huichelachtigheid van het volk duidelijk aan het licht. Zij hadden zich verborgen achter Josia's geestelijke conditie.

Is het mogelijk dat we de naam Josia zouden kunnen vervangen door Herbert W. Armstrong ? "De tempel, de tempel, de tempel van God is hier en ik ben in de kerk." Maar ondertussen gaat de relatie met God steeds verder achteruit door zelfbedrog en een nonchalante houding.

De kerk is naar mijn mening in meer of mindere mate behept met deze twee problemen en we moeten allemaal onszelf in het licht hiervan evalueren nu we dichter bij het Pascha komen. Beide openbaren een grotere of kleinere mate aan vermindering van toewijding aan God en Zijn doel.

Ons probleem is deels doctrinair. Maar het is grotendeels een kwestie van houding. In termen van doctrine is er geen groot verschil tussen United, Global, Living, Church of the Great God en Philadelphia. Maar op basis van mijn ervaringen kan ik u wel zeggen dat er verschillen zijn in houding. Volgens mij is dat het grote probleem tussen ons en God. We hebben Hem lief als het op het houden van de geboden aankomt, maar we hebben Hem niet lief met ons gehele hart! De toewijding is verminderd. En God is niet zo zeker van ons waar we staan in termen van onze toewijding.

Laten we naar Openbaring 2 gaan om naar twee van de kerken te kijken. Om te beginnen wil ik u zeggen dat ik deze verzen benader met het uitgangspunt dat aangezien alle zeven kerken tegelijkertijd bestonden in de 1e eeuw, er absoluut geen reden is waarom alle zeven kerken ook niet tegelijkertijd kunnen bestaan in de 20e eeuw. Bijna elk van deze zeven brieven heeft betrekking op problemen in houding. We gaan er twee bekijken omdat die het duidelijkst zijn.

Openbaring 2:1 Schrijf aan de engel der gemeente te Efeze: Dit zegt Hij, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt:

Tussen twee haakjes, de verzen 2 en 3 zijn heel complimenteus.

Openbaring 2:4 Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt.

Let erop wat hier staat!. Er staat niet: "U hebt de liefde verloren." De liefde is er nog steeds, maar Hij bedoelt dat die niet wordt uitgeoefend. We werken er onvoldoende aan om die liefde tot Hem tot uitdrukking te brengen. Zouden wij met iemand willen trouwen, die niet echt geïnteresseerd is in een relatie met ons? Iemand die nonchalant met ons omgaat, onverschillig is en ongeïnteresseerd? Ik denk van niet. Het probleem met Efeze is dat ze de liefde niet langer actief gebruikten. De liefde is er nog wel, maar wordt niet actief gebruikt.

Openbaring 2:5 Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.

Ik zeg u, dat dit het dreigement is van iemand die van streek is. Dat is een vrij harde waarschuwing. Volgens mij bedreigt Hij de andere kerken niet hiermee: het dreigement om de kandelaar weg te nemen. Als Hij een mens was, zouden we zeggen dat Gods gevoelens zijn gekwetst. Na alles wat Hij heeft gedaan, na alle liefde die Hij heeft getoond, behandelen we Hem op een nonchalante manier.

Openbaring 3:15-17 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! 16 Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. 17 Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte.

Dit is ook heel duidelijk. Het is een zaak van houding die ook samengaat met een geweldige trots. Je hebt nergens behoefte aan. Daarmee zeg je tegen God: "Ik ben goed zoals ik ben." Het komt er bijna op neer dat je zegt: "Ik ben zonder zonde. Ik heb zelfs geen vergeving nodig." Dat is behoorlijk trots. De trots heeft hen zo verblind dat ze niet beseffen dat ze blind en naakt zijn. Dat is een behoorlijke goede woordkeus om ons een idee te geven hoe Hij erover denkt.

Als u wilt kunt u nogmaals Hosea 12, vers 9, opslaan, waar Efraïm bijna hetzelfde zegt. "Ik ben rijk." Ze gaan in feite zelfs zover dat ze zeggen dat er geen ongerechtigheid in hen te vinden is. Bedenk, dat Efraïm daar de leidende stam was van Israël en in feite een type is van de kerk. Dat is nogal trots. God zegt verder dat er overal in Gilead afgoden zijn te vinden. Weet u waar Gilead lag? Dat lag in Manasse. We hebben hier dus de twee leidende stammen van Israël in de dagen van Hosea en ook in de dagen van de 20e eeuw, de eindtijd, die het leeuwendeel van Gods aanklacht krijgen te verdragen. Twee van de rijkste naties op aarde. Misschien kunt u zich nog herinneren dat ik twee preken geleden Het Boek aanhaalde om te laten zien dat zij in hun vertaling van een deel van die verzen tot uiting lieten komen dat rijkdom niet opweegt tegen zonde. God gaat door en zij zullen nederig in tenten wonen evenals tijdens het Loofhuttenfeest.

Wij moeten beslist eens onderzoeken hoe serieus en hoe toegewijd wij zijn in onze inspanningen om iets te bereiken als we denken dat we het reeds hebben. Hoop is een van de grootste motivators die er zijn. "Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek." Wat is in praktische termen Gods beschuldiging aan de Laodiceeërs? Ze zoeken Hem niet langer. Ze hebben Hem niet langer nodig.

In het bestaan van de kerk zijn we in een heel moeilijke periode aanbeland. In werkelijkheid worstelen we, net als Jakob, in deze periode met God. We kunnen dat fysiek op geen enkele manier winnen. Het enige dat we kunnen doen is, net als Jakob, ons bekeren en ons onderwerpen. Jakob doorstond een situatie die beslist enerverend en emotioneel uitputtend moet zijn geweest. Het is interessant op te merken dat hij niet ongedeerd uit die strijd te voorschijn kwam. Ik denk niet dat we moeten denken dat wij ongedeerd uit die worsteling te voorschijn komen. Hij werd gezegend met mankheid, om hem nederig te houden, als een voortdurende herinnering aan de strijd die hij zowel won als verloor.

Ik denk dat wij in de strijd verwondingen zullen oplopen. Ik hoop niet dat we te vermoeid worden om te blijven strijden. Bedenk dat God zegt: "Ik zal tot het allerlaatste einde met je zijn." De reden daarvoor is om Zijn doel in ons te voltooien.

Hebreeën 10:36-37 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil Gods doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. 37 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, ...

Hier komt onze opdracht:

Hebreeën 10:38 ..., en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.

Ik zei eerder al dat ik denk dat we hiermee tot Jakobs echte probleem zijn doorgedrongen. Het was een zaak van een zwak geloof. Zoals we allemaal op wereldse manier doen, gebruikte hij alles binnen zijn creatieve vermogen, zijn intelligentie en zijn gaven van God om dingen voor zichzelf te bereiken. Hij bereikte heel wat. Hij sloot een overeenkomst met God, maar, net als bij ons allen, wankelde zijn geloof van tijd tot tijd. Hij verloor de visie en hij zwierf rond. Hij gebruikte bedrog en het manipuleren van anderen om voordeel van hen te hebben, om te krijgen wat hij hebben wilde. Hij was bang dat als hij niet deed wat hij nodig vond, zij hem in elkaar zouden slaan en hij de controle zou verliezen. Jakobs probleem was in diepste essentie een gebrek aan geloof. Hij was bang om bij geloof te leven. Hij geloofde God niet werkelijk zoals hij zou moeten.

Wij moeten doen wat hij deed en ons bekeren. Jakob begreep waarom het ging. Hij ging verder en God laat ons in het voorval met Jozef zien dat Jakob zijn les had geleerd. Het is belangwekkend dat dat zo belangrijk was, dat als we in Hebreeën 11 kijken, de galerij der gelovigen, Hij Jakob maar één keer noemt. Dat was in samenhang met het voorval waaruit bleek dat Jakob zijn les had geleerd. Hij geloofde God nu met geheel zijn hart. Dat voorval bewees het. Dat was toen hij Efraïm en Manasse zegende. Voor de eerste keer luisterde Jakob niet naar de wil van een mens. Weet u wie de wil van een mens tot uitdrukking bracht? Bijna niet te geloven, maar dat was Jozef, zijn meest godgerichte zoon. Ik ben er zeker van dat Jozef dat niet op bedriegelijke manier deed. Hij deed dat omdat hij dacht dat zijn vader zich vergiste. Maar zijn vader vergiste zich niet. Hij kende de wil van God en hij voerde die uit, zonder rekening te houden met de enige persoon op aarde die hem mogelijk had kunnen overreden het op een andere manier te doen. Jakob verwierp dus de woorden van Jozef. Dat liet God in Hebreeën 11 opnemen. Jakob had zijn les geleerd. Hij geloofde nu wat God zei. Hij toonde dat uitdrukkelijk en daarna stierf hij.

Dit lijkt me een goede plaats om er voor vandaag mee te stoppen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)