Gods voorzienigheid (Deel 4)

Door John W. Ritenbaugh
6 februari 1999

Samenvatting: (toon)

In dit vierde deel in de serie over Gods voorzienigheid haalt John Ritenbaugh het spreekwoord "de appel valt niet ver van de boom" aan en hij suggereert dat de natie Israël en het Israël van God (Galaten 6:16) dezelfde aggressieve, overheersende en twistende geest hebben als hun voorvader Jakob; ze moeten leren God in de zegeningen te laten voorzien in plaats van ze door sluw gemanipuleer voor zichzelf te pakken. Zoals Jakob moest betalen met een kreupele heup, zo kan het zijn dat zijn nageslacht ontberingen zal moeten lijden, verstrooid zal worden en de trots van hun macht gebroken zal worden en uiteindelijk in gevangenschap zal gaan, totdat ze leren dat Israël betekent "God heeft de overhand" en dat het God is die het leven bestuurt.


Dit wordt deel vier van de serie over "Gods voorzienigheid". De vorige preek richtte zich op de betekenis en de praktische toepassing van het woord "voorzienigheid". We zagen dat voorzienigheid letterlijk betekent "van te voren zien" of "vooruit zien". Maar zoals het in verband met God wordt gebruikt, houdt het ook in waarin Hij voorziet, alsmede de timing daarvan. God heeft laten zien dat Hij voorziet in dingen zoals voedsel en kleding, of tussenbeide komt in het weer, of voor wat betreft gunst in iemands ogen en bescherming. Maar Hij voorziet ook in gebeurtenissen en omstandigheden om te beproeven, te ontwikkelen en Zijn kinderen te corrigeren in voorbereiding op Zijn Koninkrijk. Al deze dingen zijn onlosmakelijk verbonden aan het begrip voorzienigheid.

Ik wil nu naar Mattheüs 6 gaan. We zullen daar snel doorheen gaan. Wegens dit onderwerp van Gods voorzienigheid zijn we daar in vorige preken al eerder doorheen gegaan.

Mattheüs 6:24 Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon.

We gebruikten deze tekst in samenhang met voorzienigheid en deze heeft daar ook rechtstreeks mee te maken, omdat er in vers 25 staat:

Mattheüs 6:25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten [of drinken], of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?

De bedoeling is duidelijk. We moeten God vertrouwen binnen datgene waarin Hij voorziet. In vers 28 herhaalt Jezus:

Mattheüs 6:28-29a En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: 29 zij arbeiden niet en spinnen niet; ...

De bedoeling is heel duidelijk. Waarom zouden we bezorgd zijn over de dingen waarin God voor Zijn kinderen zo overvloedig voorziet? Als Hij voorziet voor de dieren en de bloemen van het veld, dan zal Hij zeker voor ons voorzien; we kunnen Hem beslist vertrouwen. Dan herhaalt Jezus dit voor de derde keer in de verzen 31 en 32.

Mattheüs 6:31-32 Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32 Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. [Heidenen staat hier voor allen die geen verbond met God hebben gemaakt.] Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft.

Er is geen alternatief. We moeten op God vertrouwen binnen wat Hij voorziet, of dit nu een ding is, een omstandigheid of een gebeurtenis. Er is geen alternatief, omdat we niet tegelijkertijd zowel God als Mammon kunnen dienen. De les voor ons is, dat bezorgdheid over deze dingen ons tot stilstand brengt in het uitvoeren van onze verantwoordelijkheden. Wat is onze verantwoordelijkheid binnen de context van dit hoofdstuk, waarin Zijn voorzienigheid het onderwerp is? "Zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u bovendien geschonken worden."

Het wonderlijke in dit alles is dat God niet alleen maar voorziet, maar in Zijn vooruitzien en voorzien ook waakt. We gebruikten het voorbeeld hoe goed Hij over Israël waakte tijdens de uittocht uit Egypte, dat Hij in een toestand voorzag waarin zelfs geen hond blafte. We moeten begrijpen dat Hij voornamelijk voorziet binnen de grenzen van Zijn doel, dat kunnen we niet genoeg benadrukken. Hij voorziet binnen de grenzen van Zijn doel, datgene wat Hij in Zijn hoofd heeft en niet dat waarvan wij denken dat er in voorzien zou moeten worden. Maar waar Hij in voorziet, dat is altijd voldoende. In Psalm 37 doet David in dit opzicht een heel belangrijke uitspraak.

Psalm 37:25-26 Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden, maar — een rechtvaardige heb ik niet verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood; 26 te allen tijde ontfermt hij zich en leent uit, en zijn nageslacht is tot een zegen.

God zal altijd voorzien. Paulus zei het in Filippenzen 4:19 als volgt: "Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus." Het is onze verantwoordelijkheid vertrouwen te hebben.

Nadat we met dat deel gereed waren (we zijn nog steeds de derde preek in de serie aan het samenvatten), gingen we weer naar Jakob, als voorbeeld van waarin God voor hem voorzag om geconfronteerd te worden met een probleem dat hij in zijn karakter had. Dat was het voorval waarbij God zijn naam in Israël veranderde en ik zei u dat Israël in de meeste bijbels slecht vertaald is met "iemand die de overhand heeft op God". Maar ik vertelde u dat Bullinger schreef dat Israël betekent dat "God de overhand heeft, of God regeert, of God beveelt, of God regelt de dingen." Als we het woord Israël in Strongs concordantie opzoeken, zien we dat het nummer 3478 is en dat het afgeleid is van nummer 8280 en 410. Nummer 410 is El, één van de namen van God, die "de Almachtige" betekent. Nummer 8280 is Sara. Herkennen we dat woord Sara? Daar de Hebreeën geen klinkers schreven (die lieten ze weg) wordt het in het Engels gewoonlijk weergegeven als sar. Dit woord sar betekent "de overhand hebben of macht hebben (zoals een vorst)." Waarom? Omdat een vorst beveelt, een vorst regelt de dingen en ik vermeldde dat sar op verschillende manieren wordt vertaald: overste, opzichter, vorst of prins. Dit zijn allemaal mensen die toezicht houden, bevelen geven of dingen regelen.

Eén van de basiswoorden in Israël is sar, maar dat is een werkwoord. Als een werkwoord met El (de naam van God) wordt gecombineerd, dan is God Degene Die de actie uitvoert. El is God, zo hebben we dus woorden zoals Daniël. Het woord el komt aan het einde. Dan is een werkwoord dat "oordelen" betekent. Als el aan het einde wordt geplaatst dan is "God Degene Die oordeelt". Natanaël — el staat achter Natan. Natan betekent "hij die geeft". God geeft dus. Hij voert de actie uit. Israël betekent "God beveelt", "God heeft de macht", "God regelt de dingen", enzovoort. Niet de mens Jakob. Die worstelwedstrijd draaide er alleen maar om dat hij zou uitmonden in een naamsverandering, omdat daar iets gebeurde dat Jakob moest leren. Het gehele doel van die worstelwedstrijd was Jakob te leren dat God regeert!

We zien Jakobs karakter in de Bijbel als een krachtig, begaafd iemand die zeer energiek, maar op een bedrieglijke manier botste en streed met mensen en God om te krijgen wat hij uit het leven wilde hebben. Hij blijkt een regelaar bij uitstek te zijn geweest door op slimme manier allerlei plannen te smeden. Hij moest een zeer belangrijke les leren en wel, dat het binnen Gods doel God is, Die de gang van zaken in het leven regelt. God geeft de bevelen en regelt de dingen en wij moeten leren ons zonder bezorgdheid aan Zijn wil te onderwerpen.

Gemeente, de naam Israël identificeert hen die zich in hun leven aan Gods heerschappij onderwerpen. Als wij de naam Israël aanvaarden, het Israël van God, dan betekent dat dat wij uitdragen dat God in ons leven heerst. Daarom gaf God Jakob die naam. Wij zijn de geestelijke kinderen van Israël en Jakob, de man die zo'n regelaar was, de man die zo intelligent, begaafd en hard werkend was, moest de les leren dat er één persoon was die hij niet kon manipuleren. Dat was God. Er was één persoon waarmee hij niet kon twisten, die hij op geen enkele manier kon verslaan.

De les voor u en mij is dus, gemeente, dat wij onze doelen in het leven moeten bereiken zonder liegen, zonder stelen, zonder begeren, zonder onze ouders te beschamen, zonder enige vorm van afgodendienst, zonder het overtreden van Gods sabbat, zonder enige zonde of opeenvolging van zonden, hetgeen allemaal gedaan wordt door het uitoefenen van onze eigen wil om te winnen en een voordeel voor onszelf te behalen. Denk daar eens aan. Is dat niet de reden waarom we zondigen? We zondigen om voordeel voor onszelf te behalen. We oefenen onze wil in die richting uit om te krijgen, te beschermen, te bereiken en gebeurtenissen te manipuleren opdat wij kunnen slagen in het bereiken van onze doelen.

De les die Jakob moest leren, binnen Gods doel wel te verstaan, is dat we moeten overwinnen door ons aan God te onderwerpen. Het beeld van God kan niet door zonde worden geschapen. Het beeld van God kan niet worden geschapen door alleen maar het evangelie van het Koninkrijk van God op intellectuele manier te geloven en ondertussen door te gaan om de dingen in het algemeen op dezelfde manier en met dezelfde houding te doen als de wereld. Jakob moest dus leren op God te vertrouwen en zijn eigen wil te overwinnen! Dat was een strijd voor hem! En, gemeente, ik denk dat u het wel met me eens bent, dat we kunnen denken dat we niet zo'n sterke wil hebben, maar dan worden we door onze menselijke natuur bedrogen. Op sommige gebieden van ons leven hebben we een heel sterke wil om Gods manier te weerstaan. We worstelen daarmee om ons te onderwerpen.

Ook voor Jakob was dat een worsteling en geestelijk was hij in werkelijkheid in zijn twisten met zijn medemens aan het worstelen tegen Gods wil. Want Gods wil voor Jakob was niet dezelfde als Jakobs wil voor Jakob.

Hoe vaak komt dit niet bij ons voor? God voorzag Jakob van een pijnlijke en vernederende worstelwedstrijd, die Jakob doorstond, maar hij overwon God niet. In één opzicht won Jakob wel, omdat het een belangrijk keerpunt in zijn leven was. Hij verzette zich niet langer tegen Gods wil. Hij kwam uit die worstelwedstrijd te voorschijn met het begrip dat God de dingen in het leven regelt en dat Jakob, als hij deel wilde uitmaken van Gods Koninkrijk, zich van harte, in geloof, moest onderwerpen aan de manier waarop God de dingen doet. Jakob had niet de overhand op God, maar hij had de overhand met God, omdat hij de overhand kreeg op zijn eigen wil. Hij overwon zichzelf. Dat gebeurde allemaal binnen datgene waarin God voorzag: een worstelwedstrijd. De belangrijkste les hieruit is, als we Jakobs leven en karakter combineren met die worstelwedstrijd waarin God voorzag, dat niemand, zelfs niet iemand die door God zo werd bemind als Jakob, in Gods Koninkrijk zal zijn en zijn eigen gang zal kunnen gaan om de dingen van het leven onder controle te hebben. God regelt de dingen van het leven. God is de Schepper. God weet het doel dat Hij met ons voorheeft, veel beter dan wij zelfs ook maar kunnen gissen. Als we naar Zijn beeld zullen worden, dan moeten we ons leren onderwerpen.

Nu we echt met deze preek gaan beginnen, gaan we het centrale punt uit Jakobs worstelervaring overbrengen naar twee andere toepassingen. Zo'n 800 jaar na die worstelwedstrijd met Jakob, inspireert God Hosea om de lessen daarvan in een andere situatie toe te passen. Laten we dus Hosea opslaan en gaan lezen in hoofdstuk 12. Ik zal dit twee keer door lezen. Ik heb graag dat u meeleest. We lezen heel hoofdstuk 12 eerst vanuit de NBG en daarna lezen we het nog eens, maar dan uit Het Boek, omdat ik vind dat de vertaler daarvan op treffende manier de essentie heeft samengevat van wat daar wordt gezegd. Maar eerst lezen we dus de NBG.

Hosea 12:1 Met leugen heeft Efraïm Mij omringd, met bedrog het huis Israëls — terwijl Juda zich voortdurend bandeloos gedraagt tegenover God en tegenover de Hoogheilige, die getrouw is. 2 Efraïm weidt wind, en jaagt de gehele dag de oostenwind na, het vermeerdert leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assur, en er wordt olie naar Egypte gebracht. 3 De HERE heeft een rechtsgeding met Juda; Hij gaat Jakob straffen voor zijn wandel, naar zijn daden zal Hij hem vergelden. 4 In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn mannelijke kracht streed hij met God. 5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade. Te Betel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons, 6 namelijk de HERE, de God der heerscharen, wiens naam HERE is. 7 Gij dan, keer tot uw God terug, bewaar liefde en recht en wacht bestendig op uw God. 8 Kanaän — in zijn hand is een bedrieglijke weegschaal, afpersen is zijn lust. 9 Maar Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn. 10 Maar Ik ben de HERE, uw God, van het land Egypte af. Ik zal u weer doen wonen in tenten als in de dagen der samenkomst. 11 En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal veel gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken. 12 Was Gilead boosheid, zij zijn tot louter niets geworden; heeft men in Gilgal stieren geofferd, ook hun altaren zullen als steenhopen worden in de voren van het veld. 13 Jakob vluchtte naar het veld van Aram, en Israël diende om een vrouw en om een vrouw was hij veehoeder. 14 Door een profeet heeft de HERE Israël uit Egypte gevoerd, en door een profeet werd het gehoed. 15 Bitter krenkend heeft Efraïm gehandeld, maar zijn HERE zal zijn bloedschuld op hem doen neerkomen, en hem zijn smaad vergelden.

Als we over dit hoofdstuk gaan mediteren, het grondig bestuderen, gaan we inzien dat dit een aanzienlijke verduidelijking is van de worstelwedstrijd in Genesis 32, doordat dit laat zien dat het evenzeer of zelfs nog in grotere mate een geestelijke worsteling was dan een fysieke. Het kan helpen te weten dat Hosea vlak voordat Israël in ballingschap ging, profeteerde en zo'n 140 jaar voordat Juda ook in ballingschap ging. Hosea en Amos blijken in dezelfde tijd te hebben opgetreden, ze waren tijdgenoten. Amos trad iets eerder op dan Hosea. Het lijkt er wel op dat Hosea het stokje van Amos overnam, nadat die niet langer profeteerde. Ze concentreerden zich echter op verschillende onderwerpen. Hosea heeft geprofeteerd in de jaren 750-740 voor Christus.

We gaan nu dit hoofdstuk lezen vanuit Het Boek.

Hosea 12:1-15 (Het Boek) Israël heeft Mij omringd met leugens en Mij bedrogen. Maar Juda is weifelachtig tegenover de heilige God, Die Zelf trouw blijft. 2 Israël hoedt de wind en jaagt de hele dag de droge oostenwind na. Om hulp te krijgen, geeft zij geschenken aan Assyrië en Egypte, maar in ruil daarvoor ontvangt zij alleen maar waardeloze beloften. 3 Maar de HERE gaat ook tegen Juda een proces beginnen. Jacob zal eveneens een terechte straf krijgen voor zijn wandaden. 4 Bij zijn geboorte vocht hij met zijn broer en als volwassen man streed hij tegen God. 5 Ja, hij worstelde met de Engel en won. Onder tranen smeekte hij Hem om Zijn zegen. Daar in Bethel heeft hij God ontmoet. En God sprak met hem. 6 De HERE, de God van de hemelse legers, Die HERE heet, sprak met hem. 7 Ga toch terug naar God. Laat uw leven leiden door het principe van de liefde en rechtvaardigheid. En verwacht altijd veel van Hem, Die uw God is. 8 Maar, nee, mijn volk gedraagt zich als een slimme handelaar, die valse gewichten gebruikt. Afpersen is hun lust en leven. 9 Israël verklaart trots: 'Kijk eens hoe rijk ik ben! Allemaal eigenhandig verdiend!' Maar rijkdom kan geen tegenwicht vormen voor uw zonden. 10 Ik ben dezelfde HERE, dezelfde God Die u verloste uit de slavernij in Egypte. En Ik zal u weer in tenten laten wonen, zoals u elk jaar doet tijdens het Loofhuttenfeest. 11 Ik stuurde mijn profeten om u te waarschuwen door visioenen en gelijkenissen. 12 Maar de zonde van Gilgal tiert nog welig. Lange rijen altaren, opgesteld als voren in een veld, worden gebruikt om te offeren aan de afgoden. En ook Gilead is vol dwazen, die afgoden aanbidden. 13 Jakob vluchtte naar Syrië en kreeg zijn vrouw door te werken als schapenhoeder. 14 Daarna leidde de HERE Zijn volk uit Egypte door een profeet die hen aanvoerde en beschermde. 15 Israël heeft de HERE diep gekrenkt en daarom zal de HERE haar bloedschuld niet wegnemen, als vergelding voor haar zonden.

We gaan nog eens door dit hoofdstuk, maar nu gedetailleerd, vers na vers. Terwijl we dat doen moeten we eraan denken hoe de ervaringen van de mens Jakob parallel liepen aan die van de natie Jakob, want daar vestigt God hier onze aandacht op. Jakob en zijn nakomelingen, want zijn nakomelingen gedroegen zich net als Jakob. De appel valt niet ver van de boom. Zo vader, zo zoon. We moeten dus de vraag stellen: Zal Israël doen zoals Jakob deed? Dat zullen we zien.

Hosea 12:1 Met leugen heeft Efraïm Mij omringd, met bedrog het huis Israëls — terwijl Juda zich voortdurend bandeloos gedraagt tegenover God en tegenover de Hoogheilige, die getrouw is.

God zegt dat de natie Israël Hem omringt met leugens en bedrog. Denk eens aan de mens Jakob. Het was hem niet te min om een sluwe, manipulerende leugenaar te zijn om te krijgen wat hij hebben wilde. Hij wist munt te slaan uit een situatie waarin Esau niet op zijn best was en na een tocht door de wijde omgeving een vreselijke honger had, op sterven na dood was. Jakob sloeg munt uit die situatie en slaagde erin hem het geboorterecht te ontnemen. Later was het hem ook niet te min om samen met zijn moeder te liegen om de zegen die voor Esau was bestemd, te bemachtigen door zijn eigen vader te bedriegen. Is het mogelijk dat Israël in sterke mate op dezelfde manier handelde?

Hosea 12:2 Efraïm weidt wind, en jaagt de gehele dag de oostenwind na, het vermeerdert leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assur, en er wordt olie naar Egypte gebracht.

Ik wil hier even aan de orde stellen dat we hier kunnen terugdenken aan Darryls preek van vorige week, omdat die hier van toepassing is. Hij trok toen de analogie, dat Israël een type was van de Worldwide Church of God en Juda een type van de afsplitsingen. Met alles wat we momenteel zien, kunnen we concluderen dat de WCG het diepe is ingegaan, net als Israël. Juda is echter nog getrouw, maar heeft te maken met tal van problemen. In een preek van ongeveer een maand geleden liet Darryl zien dat Efraïm ook op twee manieren kan worden gebruikt. Het is de naam [de codenaam] die God soms gebruikt voor de tien noordelijke stammen, maar op andere momenten gebruikt God Efraïm in feite om de kerk aan te duiden. Deze typen zijn op verschillende manieren van toepassing.

Direct op het eerste gezicht zien we dus een duidelijke waarschuwing dat wat Israël, de natie, deed even nutteloos was als te proberen de wind te weiden en te beheersen. Kan iemand dat? God zegt in feite dat dat ronduit gevaarlijk is, omdat de wind die God gebruikt om te illustreren, een heel warme, droge sirocco wind is die met grote snelheden vanuit de woestijn waait. Sommigen van ons in het zuiden van Californië zijn bekend met Santa Anna. Deze wind lijkt op Santa Anna, de wind die soms vanuit de woestijn met orkaankracht waait en soms zelfs tornado's teweegbrengt. Kunnen wij ons een mens of een natie voorstellen die probeert de wind onder controle te houden? Zo ernstig was de situatie in Israël geworden. Wat zij probeerden te doen was zo vervuld van zonde, dat het werd vergeleken met het pogen om de wind onder controle te houden. Niemand kan dat.

Hosea 12:3 De HERE heeft een rechtsgeding met Juda [een type van de afsplitsingen]; Hij gaat Jakob straffen voor zijn wandel, naar zijn daden zal Hij hem vergelden.

Jakob was toen al dood, maar hier wordt Jakob gebruikt in referentie naar Israël, de noordelijke tien stammen. Zij droegen die naam. De natie Juda droeg de naam van Juda, de voorvader van David. De noordelijke tien stammen droegen de naam van Israël, Jakob, de vader. We zien dus in dit vers dat ze allebei worden aangesproken, zowel Juda als Israël. Juda wordt aangesproken via de naam Juda en Israël via de naam Jakob. Hij laat hier zien dat God een rechtsgeding heeft met de afsplitsingen. De manier waarop dit wordt omschreven duidt erop dat Gods rechtsgeding met de afsplitsingen, Juda, niet zo ernstig was als dat met Israël. Voor wat betreft Israël, Jakob, de noordelijke tien stammen, heeft Hij namelijk behalve een rechtsgeding ook straffen in gedachten.

Hosea 12:4 In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn mannelijke kracht streed hij met God.

Laten we nog even terug gaan naar vers 3, want mijn oog viel op een notitie die ik heb overgeslagen. En wel dat de details van wat God tegen Israël had niet dezelfde zijn als die tegen Juda. Jakob, Israël, speelde een gevaarlijk spel voor de zonen van God, zij die een verbond met God hadden gesloten. Ze zouden zo'n spel niet moeten spelen. Ze behoorden beter te weten dan te leven en te handelen op de manier die ze deden. Het volk leefde in sterke mate zoals Jakob had geleefd; ze probeerden hun eigen bestemming onder controle te houden door bedrieglijk manipuleren en, zoals zij het zagen, het voorzichtig toepassen van diplomatieke, economische en militaire macht. Bedenk dat we het hebben over een natie aan de ene kant en een individu aan de andere kant. Het individu, Jakob, is een type van de gehele natie, daarom worden Assyrië en Egypte genoemd. De handelingen van een natie, het uitoefenen van diplomatieke, economische en militaire macht, werd niet gedaan op de manier waarop God wilde dat ze het zouden doen.

Nogmaals, breng dit in verband met de worsteling die God in Genesis 32 had met de mens Jakob. God had een dubbel doel in gedachten met waar Hij daar voor Jakob in voorzag. Hij wilde Jakob een lesje geven voor alles wat hij in zijn leven had gedaan en tegelijkertijd een gebrek in Jakobs karakter repareren.

We gaan nu echt beginnen aan vers 4.

Hosea 12:4 In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn mannelijke kracht streed hij met God.

Dit vers moet wat worden aangepast daar het de subtiele indruk geeft dat Jakob God overwon en als winnaar uit de worstelwedstrijd te voorschijn kwam. Maar nogmaals, als we dat woord "de overhand hebben" in Strong opzoeken, zien we dat het verscheidene betekenissen heeft. Wat Jakob deed was dat hij met de engel of met God streed en volhield. Dat is één van de betekenissen van dat woord. Wat Jakob deed, wordt hier de Israëlieten voorgehouden als iets dat hem positief wordt toegerekend. Herinnert u zich nog wat ik eerder zei? Dat was een belangrijk keerpunt in het leven van Jakob. God kijkt daar op terug. Hij wordt in dit geval aangehaald als een voorbeeld dat de natie zou moeten volgen, omdat ze, of ze het nu beseften of niet, dezelfde weg gingen als die Jakob destijds ging. Zij worstelden met Gods wil voor hen en dat uitte zich in het patroon dat ze voortdurend zondigden.

Jakob kwam uit deze ontmoeting met God als een veel beter mens te voorschijn. Maar het was nog maar de vraag of Israël er beter uit te voorschijn zou komen. Jakob kwam schijnbaar als overwinnaar uit zijn worstelwedstrijd te voorschijn, maar hoe?

Hosea 12:5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade. Te Betel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons.

Onder tranen smeken. Dringend vragen en pleiten zijn niet de handelingen van iemand die overwint. Het is duidelijk dat Jakob de worstelwedstrijd met God verloor en werd overwonnen. Wat we hier zien zijn de handelingen van iemand die zich bekeert. In die worstelwedstrijd bekeerde Jakob zich! Hij begreep waarom God met hem twistte, omdat hij zich niet onderwierp! Hij smeekte hier onder tranen om vergeving. In dit opzicht had Jakob zijn overwinning, want God vergaf hem!

De natie Israël werd dus Jakobs voorbeeld voorgehouden, hoe hij schijnbaar tenslotte met God won. Jakob had de overhand, maar niet op God. Hij had de overhand mèt God omdat Jakob de overhand over zichzelf kreeg, hij kreeg de overhand op zijn eigen wil door zichzelf te vernederen en zich te bekeren. Hij won door zich te bekeren, door zich te onderwerpen. God zegt hun dus: "Waarom doen jullie niet als Jakob en bekeren jullie je niet. Jullie spelen een gevaarlijk spel, net als Jakob destijds." Jakob leerde een bittere en vernederende les; God gaf hem een blijvende herinnering door Jakobs heup te ontwrichten en zijn naam in Israël te veranderen. Jakob droeg de rest van zijn leven die herinnering aan zijn verlies en ook de herinnering aan zijn overwinning met zich mee. Hij verloor de worstelwedstrijd en God ontwrichtte zijn heup, opdat hij altijd nederig zou blijven; hij liep daarna nooit meer normaal. Iedere stap die hij daarna in zijn leven zette, was een herinnering aan wat er gebeurde tijdens de worsteling met God. Ook zijn naam werd veranderd om hem er voortdurend aan te herinneren dat God regeert, niet Jakob! God regelt de dingen in het leven van Zijn kinderen. God geeft de bevelen. God regelt de zaken in het leven van Zijn uitverkorenen.

Terug naar vers 5, want ik wil de verandering in voornaamwoorden onder de aandacht brengen.

Hosea 12:5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem [de engel] om genade. Te Betel vond hij [Jakob] Hem, en daar sprak Hij met ONS.

Waren Jakobs nakomelingen daar in Betel waar God Zich aan Jakob openbaarde? Zij waren niet daar. Zij waren nog steeds in Jakobs lendenen. Maar ik wil dit onder de aandacht brengen, omdat we hier te maken hebben met een belangrijk principe van interpretatie van de Bijbel, dat het mogelijk maakt dat de Bijbel voor alle tijden van toepassing is op de kinderen van Jakob. God zegt door Hosea, dat hetgeen Hij destijds tegen Jakob zei, ook van toepassing is op de kinderen van Jakob.

Houdt uw vinger hier bij Hosea, want we komen hier terug, maar we gaan nu eerst naar Genesis 28.

Genesis 28:13 En zie, de HERE stond bovenaan en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven.

Dat is zo duidelijk. God spreekt daar tot ons, niet alleen maar tot de kinderen Israëls in de dagen van Hosea, omdat wij in geestelijk opzicht de kinderen van Jakob, Israël, zijn. Hij spreekt daar tot u en mij.

Genesis 28:14-15 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.

Dat was toen van toepassing op Israël en het is ook van toepassing op ons in deze tijd. Daarom veranderde Hosea de voornaamwoorden. God is getrouw in de manier waarop Hij handelt met degenen met wie Hij het verbond sluit. Dat is de enige manier waarop de Bijbel op een consistente manier op alle mensen door alle tijden heen kan worden toegepast. Jakob was de uitverkorene van God. De natie Israël, Jakobs fysieke nakomelingen, waren Gods uitverkorenen onder de termen van het oude verbond en wij zijn de geestelijk uitverkoren nakomelingen van Jakob. Weer terug naar Hosea.

Hosea 12:6 (Statenvertaling) Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.

U herinnert zich nog wel dat Jakob aan het einde van die worstelwedstrijd de engel om zijn naam vroeg. Hosea maakt u en mij hier duidelijk dat Gods naam Zijn gedenknaam [gedenkteken] is. Een gedenkteken wordt opgericht ter ere van iemand of van een gebeurtenis die belangrijk is, opdat de natie nooit zal vergeten wat die persoon of die gebeurtenis heeft betekent voor hen die daarna leven.

Wij hebben een gedenkteken voor Lincoln, voor Jefferson en voor Washington. Er is ook een gedenkteken voor Vietnam. We hebben ook een gedenkteken voor de mariniers die de vlag plantten op Iwo Jima. Er zijn straten naar mensen genoemd. Zo is er in bijna elke stad van de Verenigde Staten wel een Martin Luther King straat, boulevard of avenue. We gedenken Martin Luther King. Maar met God is Zijn naam Zijn gedenkteken. Het gaat daarbij niet om de fonetische uitspraak. Het gaat er niet om hoe het woord dat Hem identificeert klinkt, het gaat daarbij om de betekenis van de naam. Hij is de Almachtige God, de HERE, de God der heerscharen en geen enkele nietige Israëliet zal van Hem kunnen winnen. Jakob moest die les leren. Hij moest leren dat we ons hebben te onderwerpen aan de HERE God, de Almachtige.

Wilde Israël zich onderwerpen? In vers 7, nadat hij heeft gezegd: "Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam", nadat hij de aandacht heeft gevestigd op de macht die inherent verbonden is met Zijn naam, lezen we:

Hosea 12:7 Gij dan, keer tot uw God terug [want dat deed Jakob, hij keerde terug tot God], bewaar liefde en recht en wacht bestendig op uw God.

We treffen hier twee grote gebieden aan waarop ze zich moesten bekeren. De NBG is hier niet echt duidelijk in zijn vertaling. Het zou beter zijn geweest als de vertaling had geluid "trouw en rechtvaardigheid" in plaats van "liefde en recht". Trouw aan het verbond en rechtvaardigheid (duidend op een faire, rechtvaardige manier van omgang met anderen). Het kan ook vertaald worden met "goedheid en rechtvaardigheid". Natuurlijk omvat liefde het houden van de geboden en het op rechtvaardige manier handelen. We hebben het al kort en algemeen gehad over enkele van de dingen die zij deden. Maar hun agressieve en twistzieke houding wordt hier opnieuw naar voren gebracht, als hun wordt gezegd "wacht bestendig op uw God". Hosea zegt hun dat ze God de gelegenheid moeten geven hen te zegenen, in plaats van dat ze het zelf proberen te bereiken door sluwe plannen en het zich toeëigenen van de dingen van anderen. Jakob deed het op die manier en Israël deed het ook op die manier. Misschien is het ook wel goed om hier eens in een moderne samenhang over na te denken.

De Verenigde Staten zijn nooit militair ten oorlog getrokken om andere naties aan zich te onderwerpen. Maar we hebben economische oorlogen gevoerd waarbij we de macht van onze door God gegeven rijkdom hebben gebruikt om andere naties economisch aan ons te onderwerpen zodat zij als gevolg daarvan economisch van ons afhankelijk zijn. We zien hier dat God dat helemaal niet op prijs stelt. Wij gebruiken de rijkdommen waarmee Hij ons heeft gezegend op een totaal verkeerde manier. Vers 8 laat ons dat duidelijk zien.

Hosea 12:8 Kanaän [dit woord betekent koopman en doelt op het volk Israël] — in zijn hand is een bedrieglijke weegschaal, afpersen is zijn lust.

Net als Jakob waren de Israëlieten sluwe kooplieden, die rijk werden door leugen en bedrog. Israëls handelen met andere naties was doortrokken van bedrog. Kort samengevat, ze overtraden de geboden. Ze waren heel goed in het vinden van de mazen in hun contractuele verplichtingen. Ze waren er heel goed in om tot het uiterste te gaan en nog net binnen de grenzen van de wet te blijven. Ze wisten heel goed hoe ze hun economische macht moesten gebruiken om anderen te intimideren. Ze waren heel goed in het herdefiniëren van de algemeen geaccepteerde betekenis van woorden om bedrieglijk hun eigen gang te gaan.

Hosea 12:9 Maar Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn.

Door hun onbetrouwbare manieren van zakendoen waren ze rijk geworden. Zij oordeelden dat hun rijkdom blijk gaf van Gods zegen en dus vonden ze zichzelf zonder schuld en dat ze geen enkele vorm van straf verdienden. Ze dachten dat ze volledig voor zichzelf konden zorgen en dat ze God niet nodig hadden. Gemeente, zien we een herhaling van wat eerder gebeurde? Zoals ik reeds zei, de appel valt niet ver van de boom.

Hosea 12:10-12 Maar Ik ben de HERE, uw God, van het land Egypte af. Ik zal u weer doen wonen in tenten als in de dagen der samenkomst. 11 En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal veel gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken. 12 Was Gilead boosheid, zij zijn tot louter niets geworden; heeft men in Gilgal stieren geofferd, ook hun altaren zullen als steenhopen worden in de voren van het veld.

Weet u wat God hier doet? Hij herinnert Israël eraan dat Hij hun God is geweest sinds ze uit Egypte kwamen, dat Hij hun gehele geschiedenis kent en dat het nodig is dat ze worden herinnerd aan wat er in Deuteronomium 8:10-20 staat. Weet u wat daar staat? Houdt uw vinger bij Hosea en laten we naar Deuteronomium 8 gaan. Weet u, een van de wonderlijke dingen met David was, dat God zei dat hij een man was naar Zijn hart. We kunnen veel van de dingen die David zei, lezen en alhoewel hij de koning van Israël was, tot grote hoogte was verheven, vergat David nooit waar hij vandaan kwam. Hij wist dat hij van heel nederige komaf was en dat hij de positie die hij had verkregen, te danken had aan Gods zegen en hij waardeerde dat op nederige wijze.

Deuteronomium 8:10 Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf.

Denk hier eens aan in termen van wat Paulus de Corinthiërs voorhield, toen hij zei: "Wat hebt gij, dat u niet gegeven is?" Efraïm zei: "Ik ben zonder zonde. Mijn rijkdommen zijn het bewijs dat God me zegent. U zult geen ongerechtigheid bij mij vinden." Wat een verschil.

Deuteronomium 8:11 Neem u ervoor in acht, dat gij de HERE, uw God, niet vergeet door zijn geboden, zijn verordeningen en zijn inzettingen, die ik u heden opleg, te verwaarlozen [die hadden ze echt vergeten — bedrieglijke, onbetrouwbare manieren van zaken doen], 12 opdat, wanneer gij eet en verzadigd wordt, goede huizen bouwt en die bewoont, 13 uw runderen en kleinvee zich vermenigvuldigen en uw zilver en goud zich vermeerderen, ja, al wat gij hebt, zich vermeerdert, 14 uw hart zich niet verheffe [had Israël zijn hart verheven?], en gij de HERE, uw God, vergeet [God zegt: "Wacht eens even, Israël. Ik heb u gekend reeds voor u uit Egypte kwam"], die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft, 15 die u deed gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, 16 die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen. 17 Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. [Dat staat nu precies in Hosea 12.] 18 Maar gij zult aan de HERE, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft — zoals dit heden het geval is. 19 Maar het zal geschieden, indien gij de HERE, uw God, te enen male vergeet en andere goden achterna loopt, hen dient en u voor hen nederbuigt — ik betuig heden tegen u, dat gij voorzeker zult omkomen; 20 evenals de volken, die de HERE doet omkomen om uwentwil, zult ook gij omkomen, omdat gij naar de stem van de HERE, uw God, niet wildet luisteren.

Weer terug naar Hosea 12. Hij waarschuwt hen, daar ze Hem in hun welvaart vergeten, dat Hij hen opnieuw in tenten zal doen wonen. Dat betekent ontberingen lijden, de trots van hun macht breken, hen over de gehele aarde verstrooien. Hij herinnert hen eraan dat Hij de ene profeet na de andere gezonden heeft om hen te waarschuwen om op hun wegen terug te keren, maar ze bleven halsstarrig doorgaan met hun talrijke afgoderijen.

Hosea 12:13-15 Jakob vluchtte naar het veld van Aram, en Israël diende om een vrouw en om een vrouw was hij veehoeder. 14 Door een profeet heeft de HERE Israël uit Egypte gevoerd, en door een profeet werd het gehoed. 15 Bitter krenkend heeft Efraïm gehandeld, maar zijn HERE zal zijn bloedschuld op hem doen neerkomen, en hem zijn smaad vergelden.

God komt hier alweer terug op Jakobs ervaringen door te refereren naar de ontberingen die hij leed, waarna er weer gerefereerd wordt naar de ontberingen van de slavernij in Egypte. Het ging erom hen eraan te herinneren dat die ervaringen niet moesten worden vergeten, dat ze dienden als herinnering om hun ijdelheid binnen de perken te houden en hun nederige komaf niet te vergeten en om nederig te blijven.

Ik zei aan het begin dat Hosea, niet al te ver voorafgaande aan hun ballingschap, tegen Israël, de tien noordelijke stammen, profeteerde. Maar in plaats van zich te bekeren, werd Israël almaar slechter en daarom zou God hun de rekening voor hun zonden tegen Hem laten betalen en zouden ze opnieuw vernederd worden door heel pijnlijke ontberingen.

Nu moeten we tot de uiteindelijk conclusie komen. God verweeft de geschiedenis van de mens Jakob met Zijn (Gods) latere rechtsgeding tegen de natie die uit Jakob voortkwam. Ter verdediging van Jakob wil ik aanvoeren dat hij lang zo slecht niet was als zijn nakomelingen. Wat Jakob betreft kwam het erop neer, dat hij lang niet zo goed was als God wel wilde. Het ging om "aan wie veel is gegeven, van hem wordt veel verlangd". Jakob voldeed niet aan de verwachtingen die samenhingen met wat hem gegeven was. Maar hij is een schitterend voorbeeld voor hen, in hun tijd, maar ook voor Israël in onze tijd, omdat ik denk dat gemakkelijk kan worden aangetoond dat het Israël van vandaag dezelfde weg begaat als het oude Israël, misschien nog wel veel erger. Het Israël van toen ging in ballingschap. Het Israël van deze tijd geeft evenmin tekenen van bekering als het oude Israël. Zij deden niet wat Jakob deed. Dus wijst alles erop dat het Israël van vandaag in ballingschap zal gaan.

Ik denk dat dit een mooi punt is om te eindigen. De volgende stap die ik wil nemen is dit rechtstreeks van toepassing te brengen op de kerk van vandaag, omdat het heel duidelijk slaat op alles wat er binnen het grotere geheel van de kerk van God plaatsvindt. Als ik daar nu aan begin, gaat dat voor vandaag veel te lang duren. Dus, zo God wil, zullen we volgende week daarmee beginnen in het volgende deel van de serie preken over "Gods voorzienigheid".


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)