Gods voorzienigheid (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
12 december 1998

Samenvatting: (toon)

In deze inleiding op de serie over Gods voorzienigheid definieert John Ritenbaugh voorzienigheid als de beschermende zorg van God. Hij suggereert dat de voorzienigheid van God ook betrekking heeft op de pijn en het lijden van vervolgingen. Voor de uitverkorenen die God van te voren kende (of voorbestemde) werken alle dingen – of ze nu plezierig of onplezierig zijn – mede ten goede (Romeinen 8:28). Tragische gebeurtenissen, rampen, beproevingen, angst, kwaad en vloek overkomen ook de christen, evenals zegeningen; het doel van deze allemaal is om gevormd te worden naar de heerlijkheid van Gods beeld. Zoals Christus leerde van de dingen die Hij leed (Hebreeën 5:8), moeten ook wij geduld ontwikkelen, afzien van murmureren en beseffen dat "tijd en toeval" niet langer van toepassing zijn op hen die God heeft geroepen. Wat het ook mag kosten om Gods doel tot stand te brengen, we moeten nederigheid, gehoorzaamheid en geloof om te aanvaarden ontwikkelen.


In de hedendaagse maatschappij wordt niet veel aan God gedacht, behalve in het gebruik van vloeken. Onder hen die meer religieus zijn wordt ook niet veel aan Hem gedacht, behalve in tijden van grote beproeving. Dan beginnen ze in hun benauwdheid God aan te roepen.

Ik begon reeds voor het Feest over dit onderwerp van voorzienigheid na te denken; mogelijk zou ik er op het Feest een of meer preken over kunnen geven, maar ik zette het aan de kant, omdat ik besloot het onderwerp "de vreze des Heren" te behandelen. Ik zette het aan de kant en dacht er niet meer serieus over na tot na het Feest, toen ik mediteerde over het thema van de preek die John Bulharowski tijdens het Feest gaf. Het hoofdthema van zijn preek was, dat ervaringen en gebeurtenissen die oppervlakkig bezien een vloek zijn, in feite vermomde zegeningen kunnen zijn. Hij gebruikte de ervaringen van Job, zoals die in het boek Job zijn beschreven, als zijn belangrijkste voorbeelden.

Ik denk dat het concept waarover hij het had, juist is en dat het niet iets is dat algemeen wordt begrepen, en het is nog veel moeilijker om het aanvaarden. Maar gemeente, we moeten God leren kennen. We weten dat we Hem moeten vrezen. We weten dat we Hem moeten liefhebben. We weten dat we Hem moeten gehoorzamen. We weten dat we Hem moeten verheerlijken. Dat is niet altijd gemakkelijk om te doen, in het bijzonder als ons geloof gering is.

Ik hoop dat we door deze serie meer begrip van God zullen gaan krijgen als onze Schepper, Die bezig is naar Zijn doel toe te werken, in ons als groep en in ons als individuele personen; dat ons geloof zal toenemen en dat we er ook nederiger door zullen worden. Ik hoop dat we de principes die van dit onderwerp deel uitmaken, kunnen gebruiken om een vollediger perspectief te krijgen op wat er in ons leven gebeurt, wat er in het grotere geheel van de Kerk van God in haar verstrooide staat gebeurt en wat er in veel algemenere zin, in een veel ruimer verband, met de gehele wereld gebeurt en tijdens haar bestaan is gebeurd. De meesten van ons zijn zo vertrouwd met de uittocht van het volk Israël uit Egypte, dat we soms niet echt nadenken over sommige van de gebeurtenissen die daarbij plaatsvonden, met name de geweldige omvang van alles wat daarbij betrokken was.

Misschien hebben sommigen van u toegang tot het internet, onderhoudt u contacten met tal van E-mail adressen en zenden allerlei mensen u van alles wat ze op het internet tegenkomen, daar ze weten dat u misschien geïnteresseerd bent. Misschien is datgene wat ik u ga vertellen, of waarvan ik in ieder geval een korte samenvatting geef, wel iets dat u reeds onder ogen hebt gehad. Denkt u eens aan wat ik u ga vertellen in termen van de voorzienigheid van God, want de auteur van dit artikel had zeer zeker de voorzienigheid van God en de uittocht van het volk Israël uit Egypte in gedachten, toen hij dit schreef.

Dit artikel werd opgesteld door iemand waarvan ik de indruk heb [misschien heb ik het wel bij het verkeerde eind] dat hij het hoofd is van een op militaire leest geschoeide christelijke academie. Alles op deze 'militaire' academie is gebaseerd op een christelijke filosofie, deze bepaalt hun manier van denken en hun manier van handelen.

Hij schatte dat het aantal Israëlieten dat hierbij betrokken was ergens tussen de drie en drieënhalf miljoen lag. Wij zijn over 't algemeen wat conservatiever geweest in onze schattingen en kwamen dan op zo'n twee tot tweeënhalf miljoen. Zijn doel was ons enig besef bij te brengen van de voorzienigheid van God.

Als er bijvoorbeeld tussen de drie en drieënhalf miljoen Israëlieten waren, wat betekent dat dan voor ons denken over het splijten van de Rode Zee? Is het misschien iets dat leek op wat u zag in de film "De Tien Geboden", waar Mozes zijn staf ophief en het water spleet en dat het pad wat u toen zag, leek op een brede boulevard, die we als hoofdweg in een grote stad zien?

Deze man berekende dat als er tussen de drie en drieënhalf miljoen Israëlieten waren en God het water spleet zodat ze met zijn tweeën naast elkaar konden lopen, dat dit een stoet van zo'n 1300 km zou zijn geweest. Zo'n stoet kon onmogelijk binnen de aangegeven tijd er doorheen zijn getrokken, daar ze er maar één dag voor hadden: de zevende Dag der Ongezuurde Broden.

Hij berekende dus dat als al die mensen er binnen de tijd die God hun gaf, er doorheen zouden moeten trekken, dat God het water zo ver moest splijten dat er wel zo'n 5000 mensen naast elkaar konden lopen. Ze hadden erg veel vee en behalve de mensen moesten er ook veel wagens en karren door. Ze hadden daarvoor niet een hele week de tijd. Dat gebeuren was dus veel grootser dan waarvan Charlton Heston ooit had kunnen dromen toen ze dat uitvoerden.

De wonderen eindigen daar niet mee. Want als we gaan denken over het voedsel dat nodig is om de magen van drie tot drieënhalf miljoen mensen te vullen, laten we zeggen met twee, misschien wel drie, maaltijden per dag, dan zijn daarvoor volgens zijn berekening wel drie treinen van één kilometer lang nodig. God zorgde daar elke dag voor, wel veertig jaar lang.

Als we dan ook het water nog mee gaan rekenen, waarbij we slechts acht liter rekenen per persoon per dag, de dieren niet meegerekend, dan zouden daarvoor ook enkele treinen van één kilometer lang nodig zijn, om in al dat water dat de mensen nodig hadden, te voorzien. En alweer, God zorgde hiervoor, dag aan dag, jaar na jaar. Iedere nacht hadden ze om hun kamp op te slaan een gebied nodig ter grootte van de helft van de staat Rhode Island (1650 km2, het twintigste deel van Nederland).

Gemeente, dit is niet de manier waarop we meestal denken aan Gods voorzienigheid, dat Hij Zijn gaven, Zijn zegeningen, zo heel overvloedig uitgiet. Miljoenen mensen profiteerden ervan. Misschien helpt het ons om een iets duidelijker beeld te krijgen, als we gaan denken aan de stad waarin we wonen.

Evelyn en ik wonen in Charlotte, North Carolina. Het stedelijk gebied van Charlotte wordt door zo'n anderhalf miljoen mensen bewoond. We zijn hier in Saint Louis en ik denk dat de bevolking van Saint Louis ongeveer even groot is. Denk er eens aan hoeveel supermarkten er in zo'n stad zijn, waar de mensen iedere dag voor hun voedsel heen gaan. God Zelf bracht dat voedsel dagelijks op de grond. Denk er eens aan hoeveel treinen en vrachtwagens er dagelijks zo'n stad binnenrijden om die stad van voedsel te voorzien.

Voorzienigheid heeft van doen met wat we eenvoudig zouden kunnen definiëren als de beschermende zorg van God. Ik wil dat we hierover nadenken zonder ons er druk over te maken hoe dat nou in elkaar zit, want daarop zal deze serie zich gaan richten: Gods voorzienigheid ongeacht hoe die nu in elkaar zit. De reden hiertoe is, zoals we zullen gaan zien, dat Gods voorzienigheid ook raakvlakken heeft met pijn en het lijden in vervolging. Ze heeft raakvlakken met geloof en Zijn soevereiniteit. Ze heeft te maken met de af en toe gewelddadige en onverklaarbare sterfgevallen, van bijvoorbeeld Nadab en Abihu, zoals we tijdens het Feest zagen.

Ik geloof dat Gods voorzienigheid het onderwerp is waar in feite het gehele boek Job over gaat. Ze heeft van doen met de zegeningen in het leven en met al onze dagelijkse behoeften. Ze is diep betrokken bij ons oordeel over zaken, die in zowel ons leven als het leven van anderen plaatsvonden. Ze heeft van doen met dat wat we "de gewone problemen van het leven" zouden kunen noemen. Ze heeft van doen met het overwinnen en groeien als zoon van God, evenals met vrede en tevredenheid en ons perspectief op het leven, de manier waarop we naar alles kijken. Gemeente, het is een complex onderwerp.

Al vanaf het allereerste begin wil ik u bekennen, dat ik niet veel pasklare antwoorden heb, die in bepaalde omstandigheden gelden. Ook ik kijk door een spiegel. Ik zie een aantal algemeenheden, maar niet een even groot aantal specifieke punten.

Gods openbaring van Zichzelf en Zijn doel in de Bijbel is een proces dat almaar door gaat. Er zit een bepaalde mate van voortgang in. Ze begint in Genesis waar Hij de schepping tot stand brengt en Zichzelf al in het allereerste begin als de Schepper kenbaar maakt. Volgens mij zit daar een diepe betekenis in. Hij is Schepper. Maar allerlei stukjes en beetjes van de kennis over Hem, van Zijn openbaring van Zichzelf en Zijn doel, komen geleidelijk aan. Er is een beetje hier en een beetje daar.

We hebben de geschiedenis met Abraham, waarin duidelijk wordt gemaakt dat hij de "vader der gelovigen" is. We hebben Isaak en daarna Jakob en allerlei zaken die met hun leven van doen hebben. We hebben Mozes en alles waar hij doorheen ging. We hebben Samuël en David. In dat alles komt beetje bij beetje naar voren wat Hij is en wat Hij aan het doen is. Het moet wel zo zijn, omdat we niet alles tegelijk kunnen leren. Het is een natuurlijk proces voor ons om "beetje bij beetje" te leren. We doorlopen op de basisschool de verschillende groepen. Daarna gaan we klas voor klas door de middelbare school, eventueel gevolgd door nog meer leerniveaus in hoger of universitair onderwijs.

Gods voorzienigheid in het Oude Testament is heel duidelijk gekoppeld aan "gehoorzaamheid" en "ongehoorzaamheid". Misschien wordt dit wel het duidelijkst onder woorden gebracht in Leviticus 26 en Deuteronomium 28. "Indien u Mij gehoorzaamt, zal Ik u zegenen. Indien u Mij niet gehoorzaamt, zal Ik vloek over u brengen." We zien dit op heel veel plaatsen door het gehele Oude Testament heen, behalve in het boek Job. Het lijkt wel of dat uit de toon valt.

In het Nieuwe Testament ziet het er heel anders uit en is Gods voorzienigheid niet heel nauw verbonden aan gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, maar veeleer aan de "nieuwe" schepping [dat is een groot verschil], waarbij u en ik betrokken zijn. Hij schept ons in "Christus Jezus" en voorzienigheid moet door ons voornamelijk binnen dat perspectief worden bekeken.

Ondanks de afwijkingen die we in samenhang met voorzienigheid zien, deels omdat ons begrip ervan beperkt kan zijn, is het van groot nut om het nader te bekijken. We gaan beginnen in Romeinen 8, omdat dit het onderwerp is dat als een onzichtbare draad door Romeinen 8 loopt; dit wordt heel duidelijk als we meer aan het einde van dat hoofdstuk komen.

Romeinen 8:18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.

Lijden. Heerlijkheid. Paulus gebruikt het woord "lijden", alsof het vast staat dat het gaat gebeuren. Waar is God terwijl we lijden? Maakt lijden een onlosmakelijk deel uit van Zijn voorzienigheid? Is het werkelijk een zegening in vermomming?

Romeinen 8:19-20a Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. [Daar is het doel.] 20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid [nutteloosheid] onderworpen, ...

Is het leven soms schijnbaar nutteloos? Glipt het ons bij tijden zomaar door de vingers?

Romeinen 8:20b-22 ... niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.

Romeinen 8:24-25 Want in die hoop zijn we behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.

Hoe kunnen we meer geduld hebben? Dat hangt samen met dit onderwerp.

Romeinen 8:28-32 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?

Voor deze preek dient de nadruk te worden gelegd op dat kleine woordje "alle". "Wij weten dat alle dingen ..." Hij wil ons vrijelijk alle dingen geven. Tot welk doel? Gemeente, het moet wel zijn tot de dingen die Paulus hier in deze context aan de orde heeft gesteld: het deelhebben aan verheerlijking. Zien we het in samenhang met pijn, lijden, verval, nutteloosheid, ijdelheid? Maakt dat deel uit van Gods voorzienigheid? Wij zullen dat voor onszelf moeten beantwoorden, want anders is het heel goed mogelijk dat wij niet in staat zullen zijn met het leven om te gaan, of zelfs met dat wat er momenteel binnen de kerk gaande is.

Had John Bulharowski het bij het rechte eind, dat dingen die een vloek schijnen te zijn in feite zegeningen zijn? Dat is wat we hier in overweging nemen. Betekent het dat alles onder voorzienigheid valt? Er zijn hier twee nadere kwalificaties. Ze worden allebei in vers 28 gegeven. "Alle dingen werken mee ten goede voor hen, die God liefhebben [kwalificatie nummer 1], die volgens zijn voornemen geroepenen zijn [kwalificatie nummer 2]." Paulus zegt niet dat alles ten goede meewerkt voor iedereen, maar dat het ten goede meewerkt voor hen die God liefhebben en tevens "de geroepenen" zijn. Aan deze twee kwalificaties moet worden voldaan.

We gaan nu de kwalificatie van geroepen zijn er nog hechter aan koppelen, omdat er in vers 29 staat: "Want die Hij [God de Vader] tevoren gekend heeft." Omdat dit verbonden is aan de geroepenen en aan hen die verheerlijkt zullen worden, weten we dat degenen die Hij van tevoren kende "de geroepenen" zijn. In vers 33 worden ze "de uitverkorenen" genoemd. Door het gebruik binnen deze context weten we dat "van tevoren kennen", niet betekent dat God alleen maar een oppervlakkige kennis van hen heeft; het betekent veeleer dat God sommige mensen tot een heel intieme relatie met Hem heeft getrokken, net zoals in "Adam (be)kende zijn vrouw Eva." Hier wordt over dat soort relatie gesproken.

Degenen die aan de kwalificaties voldoen, zijn degenen die God van tevoren kende, die Hij tot een relatie met Hem trok. Zij zijn degenen, die Hij voorbestemde gelijkvormig te worden aan het beeld van Zijn Zoon, opdat zij geboren zouden worden als broers en zusters van de Eerstgeborene, Jezus Christus. Alle dingen werken hun mee ten goede.

Ziet u hoe de rimpelingen zich uitbreiden, zodat wat er ook maar in uw leven gebeurt, indien u God liefhebt en indien u geroepen bent, één van de uitverkorenen bent, dat dan alles wat er in uw leven gebeurt samengaat met iets goeds?

Om er zeker van te zijn dat we begrijpen waar hij op uit is, gaat Paulus verder in vers 33 met:

Romeinen 8:33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; [Hij heeft het overzicht over alles dat er gaande is.] 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking [vloek of zegen] of benauwdheid [vloek of zegen], of vervolging [vloek of zegen] of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard [dood]?

Dit is een onderwerp dat ons werkelijk raakt en als de grote God met ons werkt, dan kunnen we verwachten dat er zulke dingen gaan gebeuren en dat Hij verwacht, dat we dat begrijpen en ons mentaal zullen aanpassen aan de situatie waarin we ons dan zullen bevinden. Kunnen we dat? Dat is één van de grote uitdagingen van onze roeping: of we in staat zullen zijn zo'n mentale aanpassing uit te voeren ten opzichte van wat er in ons leven gebeurt. Daarom zei ik wat eerder dat het heel veel te doen heeft met ons oordeel over wat er in ons leven en in het leven van anderen gebeurt.

Laten we naar Job 13, vers 1, gaan, zodat we iets gaan proeven van de context. Mijn Bijbel vermeldt aan het begin van dit hoofdstuk: Job verdedigt zijn integriteit.

Job 13:1-3 Zie, alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en in zich opgenomen. 2 Wat gij weet, weet ik ook, ik doe voor u niet onder. 3 Maar toch, ik wil tot de Almachtige spreken, ik wens mijn zaak te bepleiten bij God.

Job 13:13 Hoort mij zwijgend aan, dan wil ik spreken, overkome mij wat wil!

Waar ging hij doorheen? Een verschrikkelijke beproeving. "Overkome mij wat wil!"

Job 13:14 Ik neem mijn vlees tussen mijn tanden en leg mijn leven in mijn hand.

Hij zei in feite: God, doe maar met me wat U wilt.

Job 13:15 Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen; ja, mijn wandel wil ik voor Hem rechtvaardigen.

Vers 15 is ongetwijfeld een uitdrukking van onuitblusbaar geloof. Deze tweede zin zegt: "Maar ik wil mijn wandel rechtvaardigen, verdedigen." Hij zegt dat hij zijn standpunt wil verdedigen in de discussies die tussen hem en zijn drie vrienden werden gevoerd. De reden dat Job dit zei is niet dat hij noodzakelijkerwijs zichzelf als iets bijzonders beschouwde. In het geheel niet. Zijn drie vrienden namen voetstoots aan dat zonde de oorzaak was van Jobs probleem. Maar dat was niet zo. Het allereerste hoofdstuk van Job maakt heel duidelijk dat Godzelf Job beoordeelde als "vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad". Job wist hoe hij zijn leven leefde. Hij vreesde God. Dat deed hij in alle oprechtheid en hij was er sterk van overtuigd dat hij geen zondig leven leidde. Maar, ... en dit is een heel groot 'maar' en dit is waar de les van het boek Job in tot uiting komt ... hij had er erg veel moeite mee om te accepteren waar hij doorheen ging, omdat hij niet kon begrijpen waarom dit allemaal gebeurde.

Herinnert u zich nog dat ik iets eerder zei, dat het boek Job hier in het Oude Testament uit de toon valt, omdat de voorzienigheid van God, Zijn zegeningen, gekoppeld zijn aan gehoorzaamheid. En Job wist dat hij gehoorzaam was. Hij wist niet dat er iets mis was met hem. Zelfs God gaf toe dat Job een gehoorzaam iemand was, wijkende van het kwaad. Job kon er niet de vinger op leggen, waarom hij al die verschrikkelijke pijn moest ondergaan, die hij als gevolg van die ziekte had, waarom zijn gezin werd uitgeroeid en waarom al zijn voorspoed was verdwenen. Zouden het soort dingen waar Job doorheen ging, moeten worden beschouwd als deel uit te maken van "alle dingen" van Romeinen 8:28?

Wij waren gewoon er over te preken dat Job schuldig was aan zelfrechtvaardiging. Maar gemeente, dat is niet het punt waarom het hier draait. Daartoe hebben we een zeer sterke aanwijzing op het moment dat Job zich bekeerde. Laten we hoofdstuk 42 opslaan en daar lezen wat Job zelf zegt.

Job 42:1-3 Toen antwoordde Job de HERE: 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt [alles wat U maar wilt], en dat geen uwer plannen wordt verijdeld. 3 'Wie is het toch, die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?' [Job heeft het hier over zichzelf.] Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep.

Hij belijdt zijn gebrek aan begrip. Wat begreep hij niet? Ten eerste, hij begreep niet dat God alles kan doen wat Hij wil (vers 2), dat God alles kan doen wat Hij wil, ongeacht wie het betreft. Hij kan iedereen wat voor omstandigheden dan ook maar laten ondergaan.

Job 42:4-5 'Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht' 5 Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. [Nu snap ik het.]

Wat zeggen deze verzen over Jobs bekering? Job bekeerde zich van zijn gebrek aan begrip. Hij bekeerde zich ervan dat hij God niet echt kende. Hij bekeerde zich ervan heel veel dingen te hebben gezegd, waarvan hij wenste ze niet te hebben gezegd. Hij bekeerde zich van zijn geklaag en het niet geduldig met begrip accepteren van zijn toestand. Hij zag het niet als onderdeel van Gods scheppende activiteiten. Nu deed hij dat wel.

Eén van de dingen in mijn verantwoordelijkheid als dienaar, waarvoor ik altijd bang ben geweest sinds de eerste keer dat ik dit vele, vele jaren geleden moest doen, is de begrafenis van een jong kind. Het doet er niet toe of het een baby is, een kind van vijf of een tiener. Als tweede is dat de dood van een jonge moeder. Dat zijn heel moeilijke gebeurtenissen, omdat we zo weinig begrijpen van de omstandigheden, maar de realiteit van de dood is er, daar kunnen we niet aan ontkomen. Aan een jong leven, zo vol belofte en hoop, is een einde gekomen. Er zijn daarbij allerlei waarom's, allerlei losse einden en er zijn geen bevredigende antwoorden.

We moeten ons van deze dingen bewust zijn, omdat dat het soort dingen is waar Job doorheen ging, alleen de zijne waren een gigantisch grote beproeving. Zijn hele gezin, met uitzondering van zijn vrouw, was omgekomen. Hij zei: "Want waarvoor ik vrees, dat overvalt mij." U kunt ervan verzekerd zijn dat wat hij in het leven vreesde, het verlies van zijn gezin was. Hij vreesde het verlies van zijn voorspoed, zijn geld en dat zijn eigen gezondheid zou verdwijnen. Al die dingen verdwenen in een zeer kort tijdsbestek.

Ik kan me herinneren, dat toen ik nog in de staalfabriek werkte, een jongeman me eens zei: " Weet je wat ik het meest beangstigende vers in de Bijbel vind?" Ik zei: "Nee." Ik geloof dat hij Job 3:25 aanhaalde: "Want waarvoor ik vrees, dat overvalt mij." Hij zei tegen mij: "Wees niet bang, ... want anders overkomt het je." Maar het overkwam Job en het kan ook ons overkomen.

Laten we nu naar 1 Corinthiërs gaan om verder te gaan met het leggen van de basis voor dit onderwerp.

1 Corinthiërs 10:13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking [test, beproeving] te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen [toelaten], dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

We kunnen niet aan de realiteit van het principe waar Paulus het over heeft, ontkomen. Tragische gebeurtenissen, crises, tests, verzoekingen, beproevingen en rampen overkomen ook de Christen. In heel veel opzichten zijn het dezelfde dingen die de mensen in de wereld overkomen. Ze overkomen ons, omdat we behoren tot hen die God liefhebben, hen die geroepen zijn. Ik ben er zeker van dat God van ons te weten wil komen wat wij hebben geleerd van onze relatie met Hem.

Het is zoiets als Job moest leren. God kreeg Job zover dat hij ging analyseren wat hij had geleerd van de relatie met Hem. Wat Job in principe deed, in die discussies, was het stellen van de volgende vraag: "Waar is God in dit alles?" Wij doen dat ook, daar ben ik zeker van. Wij kunnen vragen: "Indien Hij almachtig is en me liefheeft, waarom laat Hij dan toe dat deze dingen gebeuren? Hoe is het mogelijk dat die geweldige beproeving waar ik doorheen ga, deel uitmaakt van Zijn voorzienigheid?"

David ging door iets soortgelijks. Dat kunnen we lezen in 2 Samuël 11 en 12. Hij veroorzaakte dat zelf.

2 Samuël 11:27 Nadat de rouw [om Uria] voorbij was, liet David haar [Batseba] naar zijn huis halen. Zij werd hem tot vrouw en baarde hem een zoon. Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN.

We kennen het verhaal. David begeerde deze vrouw, pleegde overspel met haar en smeedde daarna een complot om haar man te doden, om zo uit zijn moeilijkheden te komen.

2 Samuël 12:7-11 Daarop sprak Natan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HERE, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël en u gered uit de macht van Saul. 8 Ik heb u gegeven het huis van uw heer, en de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ik heb u gegeven het huis van Israël en Juda. En indien dat te weinig geweest was, dan had Ik u nog wel meer gegeven. 9 Waarom hebt gij het woord des HEREN veracht, en gedaan wat kwaad is in zijn ogen? De Hethiet Uria hebt gij door het zwaard verslagen; zijn vrouw hebt gij u tot vrouw genomen, hemzelf hebt gij door het zwaard der Ammonieten gedood. 10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis nimmermeer wijken, omdat gij Mij hebt veracht, en de vrouw van de Hethiet Uria genomen hebt, opdat zij u tot vrouw zou zijn. 11 Zo zegt de HERE: Zie, Ik zal over u een kwaad doen komen, uit uw eigen huis; Ik zal uw vrouwen voor uw ogen weghalen en aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen op klaarlichte dag.

Ik wil dat u begrijpt dat Gods aanklacht tegen David het duidelijk maakt dat al deze zegeningen hem ten deel vielen als gevolg van Gods voorzienigheid. "Ik maakte u koning over Israël. Ik gaf u het huis van uw heer. Ik gaf u de vrouwen." Enzovoort, enzovoort. God deed dit en God deed dat.

We weten dat God David vergiffenis schonk, maar Hij sprak ook een pijnlijk, tijdelijk vonnis over hem uit. Maar zelfs in dat vonnis zien we ook genade, omdat God David kon hebben gedood. Hij had daartoe het volste recht, maar Hij deed het niet, zelfs alhoewel David twee zware misdaden tegen God had begaan. De Bijbel stelt in vers 10 ook duidelijk dat het zwaard nimmer van zijn huis zou wijken en in vers 15 staat er dat God het kind sloeg.

We hebben er geen moeite mee de dingen die aan de oppervlakte aangenaam en plezierig zijn, als zegeningen van God aan te merken. "Nou zeg, we kregen salarisverhoging!" "Fijn, we kregen extra vrij!" "Mooi, eindelijk hebben we goede buren!" "Gelukkig, we zijn binnen de familie allemaal weer met elkaar verzoend." We kunnen beslist heel wat van die dingen opnoemen, maar wat doen we met omstandigheden en gebeurtenissen die pijnlijk zijn en bezorgdheid teweeg brengen?

Daar we bezig zijn het terrein af te bakenen, wil ik nog iets anders aan wat we al hebben, toevoegen. Dat staat in het boek Jesaja.

Jesaja 45:5 Ik ben de HERE en er is geen ander; buiten Mij is er geen God. Ik gordde u, ...

Dit is een uitspraak die laat zien dat God zegt: "Ik gaf u wat u voor het leven nodig had." God gaf leven en adem, kleding, voedsel, bescherming en wat al niet meer. Hij spreekt in zijn algemeenheid tot Jacob, duidend op Israël.

Jesaja 45:5 ... Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet.

"Ik voorzag u van alles ondanks dat u vijandig tegen Me waart." Mattheüs 5:42-43 zegt "Onze vijanden lief te hebben." God doet dat.

Jesaja 45:6-7 Opdat men het wete waar de zon opgaat en waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niemand is; Ik ben de HERE, en er is geen ander, 7 die het licht formeer [symbolisch: het goede] en de duisternis [het slechte] schep, die het heil [het goede] bewerk en het onheil [het slechte] schep; Ik, de HERE, doe dit alles.

Dit is heel interessant. God schept rampspoed. Zoals we in deze preek reeds hebben gezien, schiep God rampspoed voor Job, Zijn dienaar die oprecht was, onberispelijk, God vreesde en week van het kwaad. Job was een gehoorzaam mens. God schiep rampspoed. God schiep verwarrende, angstaanjagende, pijnlijke gebeurtenissen. Is God ook betrokken bij ziekte en dood? Ligt dat binnen de scope van het scheppen van rampspoed?

Het Christendom is geen dualistische godsdienst. In een dualistisch systeem zijn God en Satan gelijkwaardige en tegengestelde krachten, gedoemd tot een eeuwigdurende strijd. God wint nooit. Alles eindigt onbeslist.

Het Christendom is niet dualistisch, zoals de godsdiensten die zo iets geloven. De Bijbel laat God zien als soeverein over Zijn schepping. Dat houdt ook het ondergeschikte gebied van Satan in, want anders zou God niet soeverein zijn. Het is het een of het ander. Indien Hij niet soeverein is en als de dualisten het bij het juiste eind hebben, dan zijn we allemaal verloren.

Kunnen wij accepteren wat de Bijbel over God zegt, dat Hij soeverein is over Zijn schepping, dat Hij zowel het goede als rampspoed schept, dat Hij zowel zegeningen schept als de dingen die we zien als vloek? We kunnen tot slecht één conclusie komen, als we gaan geloven wat de Bijbel zegt, dat God de Heer is van pijn, ziekte en dood, evenals van leven, zegeningen en welvaart.

Toen ik u aan het begin zei, dat dit een heel complex onderwerp is, meende ik wat ik zei. Als we eenmaal de stukjes over dit onderwerp bijeenbrengen, krijgt ons denken het zwaar te verduren. Ik geloof dat we echt kunnen zeggen dat een van de belangrijkste zaken van onze God bestaat uit lijden. Zegt de Schrift niet van onze Zaligmaker in Jesaja 53:3, dat onze God nooit zondigde? Jezus Christus zondigde nooit en toch was Hij een man van smarten en vertrouwd met ziekte. Niet alles was voor Hem rozengeur en maneschijn. Hij zegt in het boek Openbaring, in de brieven aan de gemeenten: "Ik overwon." Er staat in Hebreeën 5:8: "Hij leerde uit hetgeen Hij heeft geleden."

Ziet u wat ik bedoel, als ik zeg dat Gods voorzienigheid in het Oude Testament in het algemeen verbonden is met gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid? Gehoorzaamt u God, dan wordt u gezegend. Gehoorzaamt u God niet, dan wordt u vervloekt. In het Nieuwe Testament verandert dat, zodat we gaan begrijpen dat Zijn voorzienigheid is gekoppeld aan Zijn schepping. Zijn schepping is dat Hij Zichzelf in ons aan het scheppen is. Als dat vereist dat we lijden om te worden zoals Hij, dan zal Hij ons laten lijden. Een vraag: Is het eindresultaat het niet waard? Daarom is het lijden een zegening en in het geheel geen vloek.

Jezus had kunnen zeggen: "Daar Ik geen zondaar ben, waarom moet Ik dan toch lijden?" Maar in tegenstelling tot Job, accepteerde Hij de wil van Zijn Vader volkomen. Zelfs aan het eind, waar we zouden kunnen spreken over enige aarzeling — Hij zei dat Hij het niet wilde doen, maar toch Hij ging door de folterende pijn van die schandelijke vorm van de dood — "Desondanks, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede."

Als we op een heel simplistische manier over het Christendom denken, in de zin van "rechtvaardigheid brengt altijd zegen voort en zonde brengt vloek voort", dan blijven we in andere gebieden van het leven zitten met een aantal niet tevreden stellende antwoorden. Waarom lijden de goeden en worden de kwaden gezegend? Dat is een vraag waar Salomo, in al zijn wijsheid, moeite mee had. Ziet u, in de tijd dat Salomo leefde, waren delen van Gods openbaring nog niet geopenbaard. Hij schreef over zaken op een hoog niveau van begrip, maar er waren zaken die zijn begrip te boven gingen, daarom zei hij dat die dingen ijdelheid waren. Hij kon geen antwoord bedenken. We kunnen heel gelukkig zijn dat God soeverein is over Zijn schepping. Hij is liefde, Hij is goed en Hij regeert. Als het niet zo zou zijn, zouden we veroordeeld zijn om voor eeuwig in chaos te leven, met zowel onze handen als die van onze Vader voor eeuwig gebonden. We zouden altijd onderworpen zijn aan de grillen van het noodlot, omdat goed en kwaad gelijkwaardige en tegengestelde krachten zijn. Omdat God is wat Hij is, daarom overwint het goede altijd.

Ik herinner de heer Armstrong diverse keren te hebben horen zeggen, dat hij bijna elk gebed, bijna direct aan het begin, begint met God te danken dat Hij God was, omdat ondanks hoe de dingen eruit zien, het uiteindelijk toch op zijn pootjes terechtkomt. Hij placht een grapje te maken door te zeggen: "Ik heb het eind van het verhaal gelezen: wij winnen!" Maar ondertussen moeten we er wel doorheen.

Op dit punt aangekomen, hebben we een aantal vragen. Eén heb ik er reeds gesteld, maar ik zal hem herhalen. Zijn Gods oordelen ook voorzienigheid? Maken Gods oordelen ook deel uit van Zijn beschermende zorg?

We gaan weer terug naar het boek Job, omdat Job in dit opzicht het juiste idee scheen te hebben.

Job 1:20-22 Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop wierp hij zich ter aarde, boog zich neer 21 en zeide: Naakt ben ik uit de schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd. 22 In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe.

Job 2:10 Maar hij zeide tot haar [zijn vrouw]: Zoals een zottin spreekt, spreekt ook gij; zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

In feite zei Job, dat we bereid moeten zijn rampspoed te aanvaarden als komende van God, evenals de dingen waar we geen moeite mee hebben, om die als zegeningen te zien.

In de staat Arkansas vond er in dit opzicht een interessant iets plaats. De wetgevende macht in deze staat nam een wet aan betreffende schadeclaims bij verzekeringen die werden ingediend op basis van "acts of God" (handelingen van God). Dat is precies de manier waarop het onder woorden werd gebracht "acts of God". Ze stuurden de wet ter tekening naar de gouverneur, maar de gouverneur wilde niet tekenen, tenzij de wetgevers de woorden "acts of God" veranderden in "natuurrampen". De gouverneur van Arkansas is toevallig een Baptistenpredikant, dat maakt het voorval des te interessanter.

Het was de bedoeling van de gouverneur, dat God niet aansprakelijk werd gesteld voor deze vernietigende krachten, die soms heel kostbaar zijn in termen van het verlies van levens en bezit. Eén lid van het Congres voelde zich geroepen commentaar te geven. Blijkbaar was deze man voorstander van de wet. "Zeggen dat God geen tornado's schept, is hetzelfde als zeggen dat Hij geen voorjaarsregens schept. Als God het heelal niet schiep met al de krachten daarin, dan weet ik niet wie het wel deed." Voor zover ik weet bleven de woorden "acts of God" in de wet gehandhaafd.

Aangezien we God hierbij betrokken hebben, wil ik Hebreeën 1, vers 3, opslaan, waar gesproken wordt over onze Zaligmaker, waar Hij wordt beschreven.

Hebreeën 1:1-3 Nadat God eertijds vele malen [bij diverse gelegenheden] en op vele [verschillende] wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, 2 die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. 3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.

Het sleutelwoord voor dit moment is "die alle dingen draagt". Jezus Christus draagt alle dingen. Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht. Die woorden geven de indruk, dat het iets is dat constant wordt uitgevoerd, het is een actie die plaatsvindt. Het geeft de indruk van een voortdurende actie en daarom ook voortdurende betrokkenheid. Hij draagt alle dingen. Dat vereist een voortdurende betrokkenheid.

Jezus deed in dit opzicht diverse uitspraken. In Johannes 5:17 zegt Hij: "Mijn Vader werkt en Ik werk." In feite zei Hij: "Mijn Vader werkt tot nu toe [tot op dit moment] en Ik werk ook." In Colossenzen 1:17 staat: "Alle dingen hebben hun bestaan in Hem." In modern Nederlands betekent dit: "Door Hem worden alle dingen in stand gehouden." Dit bevestigt wat er in Hebreeën 1:3 staat. Hij is voortdurend betrokken bij wat er hier op aarde gaande is. Dat heeft zowel betrekking op goed, als op wat wij als kwaad zouden beschouwen.

De naam van Thomas Jefferson is recent in het nieuws geweest, maar niet voor datgene wat ik hier wil noemen. Hij staat erom bekend voor wat betreft dit onderwerp het "deus principe" aan te hangen. Deze mensen zijn geen "dualist". Zij zijn "deus". De "deus" geloven dat God in principe functioneert als een klokkenmaker die de klok schiep, hem opwond en wegwandelde om hem zijn eigen gang te laten gaan. De klok vertegenwoordigt het universum.

We kunnen zien dat ze het echt niet begrijpen. Hebreeën 1:1-3 slaat die overtuiging aan stukken, evenals Colossenzen 1:17 en Johannes 5:17 en nog vele andere teksten. Duizenden teksten laten zien dat God betrokken is, heel nauw betrokken, bij alles dat er gaande is. Hij draagt alle dingen. Hij houdt alles bij elkaar. Dat betekent niet alleen de schepping van de fysieke dingen, maar het slaat ook op Zijn betrokkenheid bij mensen, die Hij eveneens draagt en ondersteunt.

Het "deus" idee laat toe dat de natuurwetten onafhankelijk werken, zonder enige interventie van God. De benadering van het Christendom, gebaseerd op de gehele Bijbel, geeft de natuurwetten ruimte, maar ziet ze altijd ondergeschikt aan de soevereine heerschappij van God.

Het Christendom ziet de natuurwetten alleen maar als de normale manier waarop God regeert. Het Christendom geeft dus ruimte voor Gods interventie om ze te gebruiken, zoals Hij dat nodig acht. Als Hij dus wil, kan Hij de Rode Zee splijten. Als Hij wil, kan Hij een aardbeving doen ontstaan. Als Hij wil kan Hij in de normale gang van zaken tussenbeide komen en iemand voor de dood weghalen. Als Hij wil, kan Hij, terwijl iemand al dood is en het lichaam al in een gevorderde staat van ontbinding verkeert, alles weer herstellen en die persoon weer tot leven brengen.

Hij kan tussenbeide komen. Wat Zijn wil ook maar is, Hij is in staat het te doen. Het Christendom geeft God de ruimte tot interventie om de natuurwetten te gebruiken zoals Hij dat nodig acht. Wat wij moeten doen, is zoeken naar ware en bevredigende antwoorden op de vraag of God soeverein is en actief, of dat de dingen die gebeuren alleen maar toevallig zijn. Met andere woorden zijn degenen die geroepen zijn en die God liefhebben werkelijk aan "tijd en toeval" onderhevig? Dat geeft ons denken heel wat te verduren.

Nu we zo langzamerhand aan het einde van deze preek komen, gaan we nog iets aan dit samenstel toevoegen. Dit moet in overweging worden genomen, omdat het deel uitmaakt van de heilige schrift. Dit punt, gemeente, maakt ons echt nederig. We gaan naar het boek Richteren en ik hoop dat dit ons een beter perspectief op onszelf zal geven in relatie met onze medemens en natuurlijk ook met God.

Richteren 4:1-3 Nadat Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN. 2 Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-haggojim woonde. 3 En de Israëlieten riepen tot de HERE, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten wreed verdrukt, twintig jaar.

Israël ligt werkelijk onder een vloek als gevolg van hun zonden. Met die 900 ijzeren strijdwagens hadden de Kanaänieten een geweldig technologisch voordeel op de Israëlieten. In onze tijd staat dat gelijk met het bezit van de waterstofbom tegen Mexico als onze vijand, terwijl zij niets zouden hebben dat er ook maar in de buurt van kwam. Als wij dan in de plaats van de Mexicanen zouden zijn, zouden we ons overweldigd voelen. Zo voelden de Israëlieten zich ten opzichte van hen die hen onderdrukten.

Richteren 4:14 Toen zeide Debora tot Barak: Breek op, want dit is de dag, dat de HERE Sisera in uw macht gegeven heeft: is niet de HERE vóór u uitgetogen? En Barak daalde af van de berg Tabor en tienduizend man achter hem.

De commentatoren zeggen dat tienduizend waarschijnlijk een druppel in een emmer was in vergelijking met het aantal Kanaänieten. Ze hadden niet alleen superieure technologie, maar ze waren ook veruit superieur in aantallen. Als we het verhaal lezen, zien we dat er slechts twee stammen bij betrokken waren, Naftali en Zebulon. De andere tien gingen hun eigen gang. Ze wilden niet worden lastig gevallen.

Richteren 4:15 En de HERE bracht Sisera met al zijn wagens en zijn gehele leger door de scherpte des zwaards in verwarring vóór Barak, zodat Sisera van zijn wagen klom en te voet vluchtte.

U kent het verhaal. Uiteindelijk geraakte Sisera totaal uitgeput, kwam in de tent van Jaël en toen hij in slaap was gevallen, ramde Jaël een tentpin pal door zijn slaap en nagelde hem zo aan de grond. Het einde van Sisera.

Nu gaan we verder in hoofdstuk 5, want daar krijgen we een poëtisch en meer gedetailleerde uitleg van wat er plaatsvond.

Richteren 5:2-5 Omdat men zijn lokken los liet hangen in Israël, omdat het volk vrijwillig zich aanbood, prijst de HERE! 3 Hoort, gij koningen! Leent het oor, gij machthebbers! Ik wil, ja, ik wil voor de HERE zingen, psalmzingen voor de HERE, de God van Israël. 4 HERE, toen gij uittoogt uit Seïr, toen Gij voortschreedt uit de velden van Edom, beefde de aarde [Was dat een aardbeving? Misschien. Misschien ook niet, daar we iets anders zullen zien dat mogelijk de aarde deed beven.], ook dropen de hemelen, ook dropen de wolken van water; 5 de bergen wankelden voor de HERE, zelfs de Sinai voor de HERE, de God van Israël.

Hier wordt een subtiele vergelijking gemaakt met wat er bij de Sinai gebeurde, toen God op de berg Sinai neerdaalde om de wet te geven. Debora vergelijkt wat er gebeurde op de berg Karmel en de berg Tabor met wat er gebeurde op de berg Sinai, om onze aandacht te vestigen op wat er op de berg Sinai gebeurde, zodat we zullen begrijpen wat er op de berg Tabor gebeurde.

Richteren 5:19-21 Koningen kwamen en streden, toen streden de koningen van Kanaän bij Taänak, aan de wateren van Megiddo; geen stuk zilver maakten zij buit! 20 Van de hemel streden de sterren [engelen], vanuit haar banen streden zij tegen Sisera. 21 De beek Kison sleurde ze mee de aloude beek, de beek Kison - ga voort, mijn ziel, met kracht!

Nu zien we hoe God de technologische superioriteit van de Kanaänieten uitschakelde. Er ontstond precies op tijd een geweldige wolkbreuk. Het moet werkelijk gestortregend hebben, het regende pijpenstelen, het water viel met bakken uit de hemel. Het Hebreeuws dat vertaald is met "de bergen wankelden", kan er ook op duiden dat de bergen klets en kletsnat waren, dat het water er in stromen naar beneden kwam zetten en zich stortte in de beek Kison. De beek Kison trad buiten zijn oevers en de grond in de omgeving veranderde in modder, in drijfzand. Dat was niet zo best voor de ijzeren strijdwagens; ze verzonken in de modder. De zware paarden zakten ook weg in het water en de modder; ze waren absoluut onbruikbaar.

Het kan zijn dat het dus geen aardbeving was, die de Kanaänieten uitschakelde. Het was hoogstwaarschijnlijk de ergst denkbare onweersbui, waarin de bliksem aan alle kanten oplichtte zonder tijd te geven even op adem te komen, de ene bliksem na de ander, met geweldige donderslagen, waardoor de grond en de huizen en letterlijk alles heen en weer schudde. De Kanaänieten werden totaal uitgeschakeld. Er staat in dit verhaal: "Niet één bleef er over." Degenen die niet door het zwaard werden gedood, verdronken. Dit was een geweldige handeling van voorzienigheid van de kant van God.

Nu moeten we een vraag stellen. Hoe staat het met de Kanaänieten? Waar staan zij in dit plaatje? God is liefde. Hij oordeelt zonder aanzien des persoons. Was Zijn voorzienigheid die als zegen werd gegeven aan de Israëlieten, ook voorzienigheid voor de Kanaänieten, zelfs alhoewel ze zo op het eerste oog slachtoffer waren van een verschrikkelijke vloek? Denk daar eens over na.

We gaan nu nog een voorbeeld opslaan en wel in Psalm 18. Dit gaat over David.

Psalm 18:8 Toen dreunde en beefde de aarde en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.

Dit komt bekend voor, is het niet? David had hulp nodig. God kwam tussenbeide. Het kan zijn dat dit een aardbeving was.

Psalm 18:9-12 Rook steeg op uit zijn neus, [Was er een vulkaanuitbarsting? Ik weet het niet. Het is poëtische taal.] verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand. 10 Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten, 11 Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind. 12 Hij stelde het duister tot zijn omhulsel, tot zijn beschutting rondom Zich: duistere wateren, wolkengevaarten.

Psalm 18:20 Hij leidde mij uit in de ruimte. Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had.

God kwam tussenbeide in de natuurlijke gang van zaken, maar deze keer ten gunste van David. Maar ook hier de vraag, hoe stond het met Davids vijanden die werden verslagen? Was Davids voorzienige zegen van God een voorzienige vloek voor de vijand?

Laten we nog een Psalm opslaan, Psalm 77. Daarna stoppen we ermee en blijft u met die vraag zitten.

Psalm 77:14-16 O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? 15 Gij zijt de God, die wonderen werkt, Gij hebt onder de volken uw macht doen kennen. 16 Gij hebt uw volk met machtige arm verlost, de zonen van Jakob en Jozef. Sela [Denk hier over na.]

De psalmdichter wil dat we nu nadenken over de uittocht van de kinderen Israëls uit Egypte.

Psalm 77:17-21 De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij sidderden, zelfs de diepten beefden. 18 De wolken goten water uit, het zwerk deed de donder horen, ook vlogen uw pijlen rond. 19 Het gedreun van uw donder rolde voort, de bliksemen verlichtten de wereld, de aarde sidderde en beefde. 20 Uw weg was in de zee, uw pad in grote wateren, zodat uw voetsporen niet werden gekend. 21 Gij leiddet uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.

Dit is een poëtische beschrijving van het splijten van de Rode Zee door God, om de Israëlieten er door te laten trekken om aan hun Egyptische achtervolgers te ontkomen. Schiep God een ontzagwekkende tornado [een wervelwind] om de initiële splijting tot stand te brengen, gevolgd door een sterke wind om de scheiding in stand te houden? Dat is zeer zeker mogelijk, maar hoe dan ook het was een geweldige handeling van voorzienigheid.

Was het voorzienig voor de Egyptenaren om te sterven? Ook zij zijn naar het beeld Gods gemaakt en het enige principiële verschil tussen hen en ons is datgene, wat God ons heeft gedaan. "Alleen maar door Gods genade, ben ik wie ik ben." We moeten, als we Gods voorzienigheid willen begrijpen, in overweging nemen hoe volledig, hoe zorgvuldig, hoe gedetailleerd, hoe liefhebbend Hij is in het uitwerken der dingen in ons leven, met als doel dat we worden als Hij. Kunnen we dat accepteren, het kwade tezamen met het goede? Wat betekent dat voor onze relatie, voor de manier waarop we kijken naar het perspectief van andere mensen, niet-bekeerde mensen wier geest Hij nog niet heeft geopend? Hier zijn wij, de bezitters van kennis die voor hen verborgen is en God werkt in ons leven op een manier waarop Hij dat niet in hun leven doet. Gemeente, er zullen tijden zijn dat wij worden gezegend en dat zij ervoor moeten betalen, zodat wij die zegen kunnen ontvangen. Dat zullen we allemaal in overweging moeten nemen.

De volgende keer dat ik spreek, zo God het wil, zullen we hier verder gaan en eerst eens gaan kijken naar Jozef, een heel interessant leven. We zullen gaan zien waar hij doorheen ging en hoe hij, als Gods dienaar, een ontzagwekkende prijs moest betalen, zodat zijn broers en zijn vader konden worden gezegend.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)