De soevereiniteit van God (Deel 11)

Door John W. Ritenbaugh
22 juni 1996

Samenvatting: (toon)

In dit elfde deel van de serie over de soevereiniteit van God benadrukt John Ritenbaugh de waarde van een begrip van soevereiniteit als een basisleerstelling, die voorziet in een schakel tussen kennis en praktijk, en ook voorziet in een motivatie om zich over te geven en zich aan te passen aan Gods doel met ons. Het begrijpen van soevereiniteit (1) vergroot de superioriteit van God en onze verering van Hem, (2) vernietigt elke mogelijkheid tot behoud door werken, (3) geeft ons een diep gevoel van nederigheid, (4) voorziet in een stevige basis voor ware religie, (5) voorziet in absolute zekerheid, en (6) helpt ons in sterke mate om ons te voegen naar Gods wil.


We gaan deze preek beginnen in 2 Kronieken, hoofdstuk 7. Dit speelt zich af na de inwijding van de tempel. Nadat die inwijding had plaatsgevonden, verscheen God aan Salomo. In 2 Kronieken, hoofdstuk 7, vers 12, staat dan ook:

2 Kronieken 7:12 - De HERE verscheen aan Salomo des nachts en zeide tot hem: Ik heb uw gebed gehoord en deze plaats voor Mij tot een huis der offeranden verkoren.

Ik denk dat het in het bijzonder nuttig is dit op de kerk toe te passen. Dat is dan ook de echte reden dat ik dit vers aanhaal. Ik ben op dit moment niet geïnteresseerd in de tempel, die oude tempel, die als fysiek gebouw de plaats was waar God woonde. Ik denk in dit opzicht meer in termen van de kerk als de tempel waarin God woont.

2 Kronieken 7:13 - Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend.

Dat behoort ons al een aanduiding te geven, dat Hij het heeft over "indien Zijn volk gaat zondigen" en de dingen de verkeerde beginnen kant uit te gaan, dat God dan begint hun aandacht te trekken om zich te bekeren. Hij zegt verder:

2 Kronieken 7:14 - En mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.

Ik koos ervoor hier te beginnen, omdat twee weken geleden mijn preek was toegespitst op de houdingen die ontwikkeld dienden te worden als gevolg van een erkenning van Gods soevereiniteit. De vijf punten die ik u in de loop van die preek gaf, waren:

De vreze des Heren.

Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Algehele overgave.

Dankbaarheid en verheerlijking.

Een vererende aanbidding van God.

Elk van deze punten is een facet van nederigheid; in ieder geval hebben ze een sterke tendens het bestaan van nederigheid te versterken. Dit is erg belangrijk omdat deze verzen, speciaal vers 14, impliceren, dat nederigheid een heel belangrijke rol speelt in het proces dat leidt tot groei en het veranderen naar Gods beeld en ook in behoud op zichzelf. Let er eens op hoe nederigheid als eerste wordt genoemd. Let er ook op dat Zijn mensen Zijn aangezicht dienen te zoeken. Denk hierbij nog eens aan de twee preken in deze serie over gebed. God weet al, voordat we ook maar tot Hem komen, wat we nodig hebben. We vertellen Hem niets nieuws, maar toch verlangt Hij van ons dat we ons bewust worden van wat we nodig hebben, dat we Zijn aangezicht zoeken voor alles wat we nodig hebben. Het begint dus met nederigheid. We moeten Zijn aangezicht zoeken, zelfs terwijl Hij het reeds weet. Hij verlangt dat we ons bewust worden van wat we nodig hebben en dat we dat bij Hem zoeken. Let er ook op hoe dit vers gehoorzaamheid in beeld brengt als onderdeel van dat proces. Ik zeg dit omdat ik in de loop van die preek zei, dat er een proces is, dat erg duidelijk is, dat het met nederigheid begint, dat het daarna verder gaat met onderwerping als een volledig bewust aanvaarden van Gods wil, en dan komt gehoorzaamheid als actie. Tenslotte komt daarna de eer, of op een andere manier gezegd: verhoging. In deze specifieke context wordt dat uitgedrukt als "herstel van het land". Zonder een erkenning van Gods soevereiniteit, zal dat proces zelfs niet eens op gang komen.

Reeds heel vroeg in deze serie over de soevereiniteit van God, zei ik ... [Ik weet niet meer of het in de eerste of de tweede preek was. Het was in een van die twee, toen, in ieder geval bij mij, het belang van deze doctrine stapje voor stapje begon duidelijk te worden en ik me begon te realiseren waar dit op zou gaan uitdraaien.] Ik zei dat ik dacht dat dit de belangrijkste serie zou worden die ik als dienaar van God ooit gegeven had. De reden dat ik kan zien, dat deze doctrine centraal staat in de toepassing van al de andere, is dat de heer Armstrong placht te zeggen dat als iemand niet door God wordt geregeerd, hij ook niet in het Koninkrijk van God zal zijn. Het begrijpen van deze doctrine, de doctrine van Gods soevereiniteit, geeft iemand een veelheid aan redenen om zich aan God te onderwerpen. Als we ons onderwerpen, zullen er daarna andere dingen gaan gebeuren. Alles gebeurt in een bepaalde volgorde. Als de volgorde niet deugt, zal het resultaat niet in die mate en van die kwaliteit zijn als God wil.

Laten we een erg bekend schriftgedeelte opslaan en wel 2 Timotheüs 3, de verzen 16 en 17.

2 Timotheüs 3:16-17 - Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.
N.B.: De Statenvertaling zegt dit duidelijker: "Al de Schrift is van God ingegeven, ..."

De soevereiniteit van God is een doctrine. Doctrine betekent onderricht. In de manier waarop deze dingen staan beschreven, geeft Paulus een sterke aanwijzing dat onderricht (doctrine) als eerste komt. Onderricht staat als eerste omdat het de basis is van alles wat daarop volgt. Als er geen fundament is van het onderwijzen van doctrine, waar moet je dan mee werken? Natuurlijk gaan we er op dit punt van uit dat we het hebben over ware doctrine. Als we geen ware doctrine hebben, hebben we niets om in relatie met God mee te werken. Wat ik hier wil zeggen is dat speciaal de doctrine van de soevereiniteit van God zelfs de basis is van al het andere. Deze doctrine is fundamenteel voor alle andere. Door het onderricht, ofwel de doctrines, van de Bijbel worden alle aspecten van de werkelijkheid van God bekendgemaakt; dit zijn: onze relatie met Hem, onze bestemming, Christus, genade, rechtvaardiging, heiliging, behoud, de Heilige Geest. Doctrine [onderricht], in samenwerking met de Heilige Geest, stelt ons in staat te groeien, te overwinnen, opgebouwd te worden.

Laten we hier nog een andere factor aan toevoegen, een belangrijk principe. Hiervoor gebruiken we een vers uit het boek Spreuken, hoofdstuk 23, de verzen 6 tot 8. Het vers waar het om draait is vers 7, maar om de context mee te krijgen is het goed de verzen er omheen mee te lezen.

Spreuken 23:6-8 - Eet niet het brood van wie boos van oog is, begeer zijn lekkernijen niet; 7 want als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo is hij; 'eet en drink!' zegt hij tot u, maar zijn hart is niet met u; 8 de bete die gij gegeten hebt, zult gij uitspuwen, en uw vriendelijke woorden hebt gij verspild.

Deze woorden "als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo is hij", is zowel van toepassing op de rechtvaardige als de onrechtvaardige. Ze staan toevallig in een context waarvan boosheid [kwaad] het onderwerp is. In deze context doen de woorden "zijn eigen plannen maken" denken aan een zekere mate van bedrog, dat die persoon een dubbel spel speelt. De waarschuwing van alle drie de verzen samen is tegen mensen die gebruik van anderen maken. Het is een waarschuwing tegen mensen die aan de touwtjes willen trekken en dat op een slinkse manier doen. Ze manipuleren je door op een aangename manier met je om te gaan; ze spreken aangename woorden. God zegt ons hier dat we beter maar voldoende onderscheidingsvermogen kunnen hebben om te zien wat er achter zit. Mij gaat het momenteel om die woorden "als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo is hij." Deze woorden zijn belangrijk voor deze preek.

Er is een onlosmakelijk verband tussen onderricht en praktijk. We kunnen niet echt iets in praktijk gaan brengen totdat we er onderricht in hebben gekregen. Er zijn dingen die we vanuit onze cultuur kunnen opdoen, omdat de mensheid niet alles verkeerd doet. De mensheid weet, het lijkt wel stom toeval, af en toe toch wel iets goed te doen. Daarom heeft Paulus het in Romeinen 2 over het geweten van hen die niet bekeerd zijn. Er is toch nog wel iets, hoe weinig ook, in een cultuur dat in harmonie is met God en Zijn weg. Dus, zoals iemand die zijn eigen plannen maakt, zoals hij is opgevoed te denken, zo is hij werkelijk.

Doctrine wordt hier belangrijk, omdat we niet echt Gods weg kunnen gaan, binnen het kader van Zijn doel, totdat we de waarheid onderwezen krijgen. Vergeet alstublieft niet de gedachte aan de soevereiniteit van God, omdat er iets moet zijn dat ons in beweging brengt. Er is iets dat de toepassing praktisch moet maken en ons in beweging brengt. Hoe je 't ook wendt of keert, ons denken moet met de juiste kennis worden gevuld, zodat ons denken het juiste zal voortbrengen als levenswijze. Daar is God op uit en daarom is doctrine zo belangrijk. Daarom is ware doctrine zo belangrijk. Daarom zegt God: "Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken." Dat betekent niet dat zo'n kind niets verkeerds zal doen, maar Hij zegt dat zo'n kind de basistraining nooit helemaal kwijt zal raken. Als een kind vanaf het begin in de juiste richting wordt gestuurd, dan geldt "zoals de twijg gebogen wordt, zo groeit de boom" (een Amerikaanse uitdrukking). Het is een algemeenheid, maar een ware algemeenheid. We hebben de waarheid nodig. We hebben de doctrines nodig, maar op de juiste wijze met elkaar in verband gebracht, zodat ze ons in de juiste richting leiden, de richting die samenhangt met Gods doel. Het komt erop neer dat het draait om het gedachtenmateriaal waar iemand mee werkt; de middelen, het voedsel, het materiaal waar iemand zijn eigen plannen mee maakt en op baseert. Als iemand geen waarheid heeft, zal hij niet de juiste dingen voortbrengen.

Laten we naar het Nieuwe Testament gaan, naar een ander heel bekend schriftgedeelte, in Johannes 8, vers 32. We namen dit vers, hier in Charlotte, ook al door in de korte preek.

Johannes 8:32 - en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.

Maar wat als iemand de waarheid nooit ontvangt? We moeten op basis van dit vers dan concluderen dat ze nooit de vrijheid zullen ervaren waar Jezus hier over spreekt. De waarheid hier is het woord van God. Het betekent niet dat het specifieke onderwerp waar Jezus over sprak alle waarheid bevat, maar alweer het algemene principe is van toepassing. Hier heeft Hij het specifiek over het woord van God. Het gaat hier om dat wat in de Bijbel staat. De gehele schrift, elk schriftgedeelte, is door God geïnspireerd. Het vindt zijn oorsprong in God. Ook Jezus, zoals gezegd, was waarheid. "Ik ben de weg, de waarheid en het leven." De Bijbel, de waarheid die daarin staat, heeft voornamelijk van doen met de relaties in het leven. Als iemand op een of andere manier de waarheid wordt ontzegd, zal hij nooit van een leven zonder vooroordelen kunnen genieten, vrij van de listen van Satan, vrij van de macht van het kwaad en vrij van de onwetendheid over Gods doel. God begint dit proces door middel van Zijn roeping. De macht om ons vrij te maken zit in de combinatie van twee hoofdfactoren: geloof en bekering. Maar toch zal er zonder de andere doctrines geen vrijheid worden bereikt, omdat de waarheden van de Bijbel gevat zijn in de doctrines; ze fungeren als halteplaatsen langs de weg. Denk nog eens aan 2 Timotheüs 3:16 — "Elk van God ingegeven schriftwoord [Statenvertaling: "Al de Schrift is van God ingegeven." Dus het gehele woord van God.] is ook nuttig om te onderrichten, [daarmee begint een proces] te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid." Ziet u het doel? Opdat de mens Gods volkomen zij toegerust.

Wat is het eerste dat God ons moet leren? Dat Hij bestaat, omdat geloof de basis is van alles. Waar komt geloof vandaan? Geloof komt door het horen en horen door het woord van God. Geloof vindt zijn oorsprong in de openbaring van God, van Zijn woord over Zichzelf. Het staat allemaal in het Boek. De soevereiniteit van God is ook een aspect van geloof, maar het is meer dan dat, omdat het naast geloof ook de andere stappen in het proces van behoud ermee in verband brengt. Een erkenning van Gods soevereiniteit is die kwaliteit die gewoon geloof, een alleen maar accepteren of een intellectueel instemmen, verandert in praktisch, levend geloof. Hoe dieper het begrip [ik bedoel het begrip van Gods soevereiniteit], hoe groter de motivatie om iemands begrip om te zetten in praktisch handelen. Beide aspecten zijn nodig. Ik bedoel de intellectuele kennis en een erkenning van en onderwerping aan de soevereiniteit van God. De een zonder de ander laat iemand verzwakt achter. Wat doet kennis met iemand als er geen motivatie is om die toe te passen? Dat is dood geloof. Zo iemand gelooft, maar er is geen motivatie verder te gaan dan dat. Erkenning van Gods soevereiniteit, zonder een gebalanceerd begrip van doctrine, laat iemand in grote verwarring achter; al zijn acties worden gedaan zonder een daarmee samengaand begrip van het waarom. Ik kan u een groep mensen noemen die zo functioneren: de Pinkstermensen. Ze zijn allemaal geweldig enthousiast en uiten dat met vele woorden, maar ze hebben geen daarmee samengaand begrip van het "waarom" van hun religie. Gebaseerd op [dat is mijn mening] wat er gebeurde toen de WCG zoveel van haar doctrines zo drastisch veranderde, denk ik dat ook velen van onze mensen de neiging hebben onder die categorie te vallen. Heel veel mensen schenen de doctrinaire veranderingen niet te begrijpen, evenals waarheen degenen die die doctrines volgen, op weg zijn. Als we vandaag de dag dus rondkijken op het toneel buiten [ik bedoel het toneel van de kerk van God], dan zijn er nog steeds heel veel mensen die in grote verwarring verkeren over wat ze verondersteld worden te geloven. Dit maakt de kerk [ik heb het over het grotere geheel van de kerken van God] tot een lichaam dat praktisch hulpeloos is om tegenstand te bieden aan het toenemende tij van immoraliteit, omdat er zo weinig diepgaande overtuiging is.

We waren in 2 Timotheüs 3. Laten we nu naar 2 Timotheüs 4 gaan, de verzen 1 tot 5.

2 Timotheüs 4:1-5 - Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: 2 verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. 3 Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4 dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. 5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.

Ik denk dat we in een van die tijden leven waarin de mensen geen gezonde leer willen verdragen. Heel velen zoeken naar wat in feite niet meer is dan een geestelijke en morele rust, waarin zij zich comfortabel voelen en niet uitgedaagd; ze voelen zich daarbij alsof ze thuis komen in plaats van op een zware, veeleisende reis te zijn op weg naar volmaaktheid en het Koninkrijk van God. Het punt van de soevereiniteit van God is daarbij superbelangrijk. Ik gebruikte die woorden al eerder: het brengt dat wat alleen maar intellectueel is "in verband met" de praktische toepassing daarvan. Weet u waarom dat zo is? Omdat het een onderwijs is dat het hart raakt, het zet onze emoties aan het werk naar dezelfde conclusie die God heeft getrokken.

Een auteur, Arthur Pink, werd nogal bloemrijk in zijn beschrijving toen hij het belang van deze doctrine samenvatte. Ik ga een redelijk lange paragraaf voorlezen, waarin hij schrijft wat hij over deze doctrine denkt.

"De doctrine van Gods soevereiniteit ligt aan de basis van de Christelijke theologie en in belangrijkheid staat deze alleen maar onder de goddelijke inspiratie van de Schrift. Het is het centrum van de zwaartekracht in het systeem van Christelijke waarheid, de zon waaromheen de minder belangrijke hemellichamen zijn gegroepeerd. Het is de gouden mijlpaal waarheen elke hoofdweg van kennis leidt en van waaruit ze alle uitwaaieren. Het is het koord waarop alle andere doctrines zijn bevestigd als even zovele parels; het houdt ze op hun plaats en geeft hun eenheid. Het is het paslood waarmee iedere geloofsbelijdenis dient te worden gemeten, de balans waarmee elk menselijk dogma moet worden gewogen. Het is ontworpen als het werpanker voor onze zielen temidden van de levensstormen. Het is ontworpen en aangepast om de affecties van het hart te vormen en de juiste richting te geven aan ons gedrag. Het brengt dankbaarheid in welvaart voort en geduld in tegenspoed. Het verschaft comfort voor het heden en een gevoel van veiligheid in samenhang met de onbekende toekomst. Het is, doet alles en nog veel meer dan we hebben gezegd, omdat het God de eer geeft die Hem toekomt en het schepsel op de juiste plaats voor Hem neerzet, in het stof."

Vandaag gaan we specifieker kijken naar de waarde van deze doctrine. De vorige preek ging over de houdingen die jegens deze doctrine dienen te worden voortgebracht, maar deze zal gaan over de waarde die we aan deze doctrine hechten. In de loop van deze preek zal ik diverse punten aanstippen die in vorige preken werden behandeld. Ik ga mondeling een variëteit aan punten de revue laten passeren, door voor elk van hen een kernachtige beschrijving te geven, gevolgd door enkele schriftgedeelten en misschien een korte verdere uitweiding. Ik wil hiermee bereiken dat u iets heeft waarop u in de toekomst kunt terugvallen en dat u misschien als basis kunt gebruiken om er in eigen studie veel dieper op in te gaan dan ik in dit korte overzicht kan doen.

Waarde van de doctrine over de soevereiniteit van God

I. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat deze de absolute suprematie van God ten hoogste verheft en daarmee onze verering van Hem.

A. God staat boven alles omdat Hij de Schepper is en op basis daarvan alle rechten heeft.

We slaan nu 1 Corinthiërs 8, vers 6, op voor een bondige uitspraak over God. Paulus schrijft daar:

1 Corinthiërs 8:6 - Voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem.

God is de Schepper en niemand kan Hem in die positie uitdagen. We gaan nu naar Handelingen, hoofdstuk 17. Dit gaat over Paulus' toespraak in Athene. We lezen de verzen 23 tot 31.

Handelingen 17:23 - Want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u.

Let nu op deze uitspraak:

Handelingen 17:24a - De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, ...

Hij is de Schepper. Alles behoort Hem toe en daar Hij alles heeft geschapen, kan Hij alles doen wat Hij maar wil doen, met iedereen en dat ook nog eens te allen tijde. Dat slaat ook op gehele naties of de gehele schepping. Zo is het, de schepping is van Hem.

Handelingen 17:24-25 - De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, 25 en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.

Hij schept niet alleen alles, Hij houdt ook alles gaande. Alles!

Handelingen 17:26 - Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald.

Hij plaatst naties en volken waar Hij ze wil hebben en wanneer Hij ze daar wil hebben. We moeten begrijpen dat niemand Hem kan uitdagen in wat Hij Zich voorneemt te doen. Het probleem is echter, dat de mens altijd met God wil gaan argumenteren.

Handelingen 17:27-31 - Opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. 28 Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd : Want wij zijn ook van zijn geslacht. 29 Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht. 30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; 31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.

Ik vind deze tweede referentie in het bijzonder belangwekkend, omdat deze is gericht tot niet bekeerde heidenen die niet vertrouwd waren met het Oude Testament. Paulus richt zich tot hen met het uitgangspunt dat God de Schepper is en soeverein betrokken is bij alle menselijke aangelegenheden, zelfs bij die van hen met wie Hij geen verbond heeft gesloten. Als we ooit het idee krijgen dat God niet betrokken is in ons leven, of dat Hij niet weet wat er zich in afspeelt, of dat Hij niet op de hoogte is van de problemen waar we doorheen gaan, dan moeten we dat op zeer korte termijn maar eens opnieuw gaan overdenken. Hij weet wat er gaande is, zelfs tot op het niveau van een mus die ter aarde valt.

B. De soevereiniteit van God is van waarde omdat het Gods rechten tot uitdrukking brengt op basis van het feit dat Hij de Pottenbakker is.

Hij is de Pottenbakker, niet alleen maar de Schepper. Hij is de Pottenbakker Die alles vorm geeft.

Laten we nu Openbaring 4, vers 11, opslaan.

Openbaring 4:11 - Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen.

De Pottenbakker kan alles doen wat Hij maar wil. Ziet u nu in wat de strekking van deze doctrine is? Deze plaatst alles in de relatie tussen God en mens in het juiste perspectief, zodat wij een gezonde basis hebben om de dingen die Hij van ons verlangt, de dingen waar we verantwoordelijk voor zijn, ook te gaan doen.

Nu naar het bekende schriftgedeelte in Romeinen 9, waar Paulus hier nog wat dieper op ingaat.

Romeinen 9:15 - Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.

Alles gebeurt in overeenstemming met Zijn wil.

Romeinen 9:16-17a - 16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. 17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen ...

Dat was Zijn wil.

Romeinen 9:17b - ... en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde.

Alweer dat is Zijn wil. Daarom ontfermt Hij Zich over wie Hij Zich wil ontfermen, en verhardt Hij die Hij wil verharden. Dat laatste is iets waar we niet graag aan denken.

Romeinen 9:19-21 - Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt ? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?

Ik vraag me af of Hij hier Jacob en Ezau in gedachten had. Van dezelfde klomp. Zelfs voor hun geboorte had Hij reeds de een boven de ander verkozen. Wie kan een argument met God aangaan?

Romeinen 9:22 - En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft;

Dat is nog iets waar we in relatie met God niet graag aan denken, dat Hij echt mensen ten verderve toebereid.

Romeinen 9:23-26 - juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? 24 En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, 25 gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. 26 En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden : zonen van de levende God.

Dit is van speciaal belang voor ons, omdat, tenzij we begrijpen dat we geen enkel recht hebben om Hem ter verantwoording te roepen voor wat Hij doet of toelaat en tenzij we ons eerbiedig aan Hem onderwerpen, we nooit Zijn soevereiniteit zullen accepteren en Hem nooit echt zullen vereren en nooit in vrede met Hem zullen leven. We zullen altijd op een of andere manier ontevreden zijn. We zullen bijna voortdurend windmolens bevechten, evenals Don Quichotte; we zullen ongeduldig zijn, kritisch jegens anderen, bij woordenwisselingen betrokken raken, beledigd zijn, klagen en ons gelijk zoeken. De wereld om ons heen en alles wat daarmee samenhangt, zal heel belangrijk schijnen, omdat de mens niet echt denkt dat God soeverein is in alles en dat werkelijk alles onder Zijn controle staat. Denk daar eens goed over na.

C. De soevereiniteit van God is van waarde omdat het de onomkeerbaarheid van Zijn wil duidelijk maakt.

Laten we Handelingen 15, vers 14, opslaan. Dit is een opmerkelijke uitspraak. Deze werd gedaan toen Jacobus alles nog eens samenvatte en de conclusie weergaf van de discussies die daar op die conferentie in Handelingen hadden plaatsgevonden. In vers 14 zegt Jacobus:

Handelingen 15:14-18 - Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: 16 Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, 17 opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, 18 welke van eeuwigheid bekend zijn.
Statenvertaling: 18 Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.

Laat dat eens bezinken. "Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend." Gemeente, dat is een concept dat ons versteld doet staan. Het is voor mijn beperkte verstand niet te bevatten. Ik kan niet beschrijven hoe Hij ook maar kon weten wat Hij allemaal zou willen doen in een tijdsbestek van 7000 jaar menselijke geschiedenis, daarbij lettend op de miljarden mensen die in die periode hebben geleefd. We kunnen hier alleen maar een heel klein beetje van bevatten. Als wij iets gaan maken — iets gaan bouwen — dan maken we van te voren plannen. We maken bouwtekeningen en we proberen de dingen op een rijtje te krijgen, zodat we het proces dat we willen doorlopen om ons project tot een goed einde te brengen, stapje voor stapje gaan begrijpen. Op die manier hopen we het product te kunnen maken dat we willen maken. Dat is allemaal nog maar een nietig gebeuren in vergelijking met Gods handelen met misschien wel 40 tot 50 miljard mensen. Dat geeft ons misschien enig idee; dat is de enige manier waarop ik in staat ben er iets van te begrijpen. Als ik het wat meer concreet kan maken, kan ik het een beetje begrijpen. Maar ik heb het erg moeilijk als de aantallen zo groot gaan worden en de interacties tussen al die mensen zo complex. Laten we het daar maar bij laten. Ik schreef een notitie voor mezelf, misschien is die wel juist. Ik schreef dat als ik hier ook maar iets van wil begrijpen, dat ik dan moet gaan redeneren dat de Bijbel niet echt bedoelt wat er geschreven staat. Maar als ik dat doe, ben ik niet trouw aan Gods woord. Hoe kunnen wij het denken van iets dat zo groot is, veranderen? Dat bestaat niet!

Nu naar Efeziërs 1, we beginnen te lezen in vers 3.

Efeziërs 1:3-5, 9-11 - Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil. ... 9 Door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder een hoofd, dat is Christus, samen te vatten, 11 in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil.

Dat geeft ons in ieder geval een beetje zicht op de dingen; dat Hij de wereld voor dit doel heeft geschapen. Hij vormde de mens en wist dat de mens zou zondigen, omdat er in een van de brieven van Petrus staat dat Christus reeds vóór de grondlegging der wereld was voorbestemd. Ze hadden dat samen reeds uitgewerkt. We laten dit onderwerp nu maar vallen, want het begint te groot en te complex te worden.

Nu punt D. Dit punt gaat hand in hand met punt C.

D. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat het de onnaspeurlijkheid van Gods wijsheid openbaart.

Jesaja 55, de verzen 8 en 9, geven hier wat meer inzicht in.

Jesaja 55:8-9 - Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des HEREN. 9 Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.

Laten we nu weer naar Romeinen gaan en wel hoofdstuk 11, vers 33.

Romeinen 11:33 - O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!

Onnaspeurlijk betekent "ondoordringbaar". Het betekent "onbegrijpelijk", "onpeilbaar". Hier zegt de Bijbel, geïnspireerd door God, dat Zijn wegen onnaspeurlijk zijn. Ze gaan ons boven de pet. Het betekent dat er facetten verbonden zijn aan de manier waarop Hij de dingen doet die we met ons beperkte verstand op een slechts ontoereikende manier kunnen beantwoorden. Terwijl de Bijbel laat zien dat God onberisplijk is in Zijn heiligheid, liet Hij desondanks toe dat het kwaad Zijn schepping binnendrong. We moeten ons dan ook afvragen: "Waarom?" Waarom denkt Hij op die manier?

Zelfs alhoewel God almachtig is, laat Hij toe dat Satan oorlog voert tegen Zijn doel. Alhoewel Hij de God is van alle genade en barmhartigheid, perfect is in liefde, spaarde Hij toch niet Zijn enige Zoon. Alhoewel Hij zegt dat Hij niet wil dat er iemand omkomt, laat de Bijbel toch zien dat er mensen zullen worden verbrand in de poel des vuurs. Er zijn dingen die ons boven de pet gaan; dit soort dingen die hun invloed hebben op ons persoonlijk leven. En als we over dit soort zaken gaan nadenken, blijft ons niets over dan te vragen "Waarom?" en ons te verbazen. Dat is het beste dat we gewoonlijk kunnen doen. Dat kan op zo'n moment echter nogal onbevredigend zijn en de specifieke redenen worden misschien wel nooit geopenbaard tot ver na onze dood. Misschien zullen we veel van wat ons overkwam gewoon niet weten en begrijpen totdat de tweede opstanding plaatsvindt — dan pas zullen we weten. Maar er is genoeg geopenbaard dat we ervan verzekerd kunnen zijn dat op Gods manier veel meer goeds wordt bereikt dan er ooit bereikt zou worden als het op de manier zou gebeuren waarvan wij denken dat die goed is. Als het op onze manier zou gaan, volgens onze wil, zouden de dingen niet op de juiste manier uitwerken. Als we Gods soevereiniteit begrijpen, dan zullen we dat accepteren, doorgaan en tevreden zijn.

E. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat het Gods genade verheerlijkt.

Er kan veel worden gezegd om genade veel specifieker te definiëren dan de Bijbel eigenlijk bedoelt, maar ik denk dat een toereikende korte definitie erop neer komt dat het "onverdiend" betekent, "onverdiende gunst". Deze doctrine leert ons dat we bij God nergens aanspraak op kunnen maken. Een simpele manier om dat te zeggen is: "Hij is ons niets schuldig." Het juiste begrip is eigenlijk dat wij Hem alles schuldig zijn. Hij kan bij ons aanspraak maken op alles. Omdat het zo in elkaar zit, dit de werkelijkheid is, daarom is genade gratis. Omdat genade gegeven wordt aan hen die het totaal niet waard zijn, is genade soeverein. Wat leert genade ons dan? Deze doctrine over genade leert ons dat God die geeft aan wie Hij wil. Daarom is alles wat Hem ertoe beperkt, alles wat Hem ertoe aanzet, alles wat Hem [we zullen deze term gebruiken] ertoe dwingt, Hem ertoe motiveert om die ene persoon te kiezen en niet die andere — alles dat Hem beperkt om die onverdiende genade uit te storten ligt geheel en al besloten in Hemzelf. Met andere woorden we kunnen er niet naar kijken alsof Hij ons riep omdat Hij ons nodig had. Wie van ons dan ook. Het interesseert me niet wie. Hij had Petrus niet nodig. Er kunnen wel miljarden Petrussen en Paulussen hebben rondgelopen. Snapt u hoe het in elkaar zit? Hij heeft niemand nodig en openbaart nooit waarom Hij iemand roept. Hij laat alleen maar weten dat wij nodig hebben wat alleen Hij in staat is te geven. Dat is het enige dat Hij ons openbaart en dus geeft Hij het op vrijwillige basis. Dat maakt genade gratis. Het wordt vrijwillig gegeven. In dit opzicht ligt alles geheel bij Hem. Hij heeft vastgesteld — dat is duidelijk doordat er een poel des vuurs is en doordat de Bijbel laat zien dat er mensen in verbrand zullen worden — dat sommigen bestemd zijn tot dat lot. Dat is moeilijk te aanvaarden. God geeft genade en trekt mensen tot een relatie met Hem en tot Zijn Koninkrijk als een gedenkteken voor Zijn [ik zal dit woord nogmaals gebruiken] ondoorgrondelijk gunst. Het is onbegrijpelijk. Soevereiniteit openbaart dus dat God de tegenwerking van onze natuur verbreekt en onze vijandschap onderwerpt, omdat Hij ons eerst liefhad. Dat moeten we in gedachten houden. De enige reden dat wij Hem liefhebben, is dat Hij ons eerst liefhad.

II. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat deze elke mogelijkheid van behoud door werken vernietigt.

Dit is het gevolg van het vorige punt, maar hierin wordt tot uitdrukking gebracht dat de soevereiniteit door het gehele proces heen werkt, waar tegenover staat dat onverdiende genade kan gezien worden in termen als dat Hij Zichzelf aan ons openbaart en ons op de juiste weg zet. Maar in deze gedachte werkt het door het gehele proces heen.

Ik geef u een vers dat we waarschijnlijk allemaal wel kennen. Spreuken 14:12, waar staat: "Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood." De weg die voor wat betreft "behoud" voor de menselijke natuur recht schijnt, is dat we het door onze inspanningen verdienen. De menselijke natuur werkt met het idee dat God ons iets schuldig is. Dit idee staat de menselijke natuur toe zichzelf bij praktisch iedere gelegenheid te verhogen. We hebben Romeinen 9:16 al gelezen. Ik heb dit in mijn aantekeningen staan, maar we gaan het niet opnieuw opslaan. In dat vers zegt Paulus: "Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt." Ik wil het hier hebben over dat woord "lopen", omdat "lopen" de gedachte wegtrekt van alleen maar een roeping door God en de aandacht vestigt op de rest van het proces als we op weg zijn in onze pelgrimstocht naar het Koninkrijk van God. Werken behouden ons niet, maar ze zijn nodig in de "mix" van dingen, omdat ze een totaal ander doel dienen. Daar gaan we nu niet dieper op in.

Laat me u een vraag stellen. Waarom denkt u dat God Israël naar het Beloofde Land bracht door de woestijn? Hij bracht hen in een verlaten gebied dat verstoken was van alle middelen om op langere termijn in hun onderhoud te voorzien. Ze zouden daar gestorven zijn, ware het niet dat God met hen was. Wat deed God dan wel? Hij liet iets in het Boek opschrijven over hun ervaringen, zodat u en ik, toen wij op het toneel verschenen, toen de kerk werd gevormd, zouden begrijpen dat Israël — nadat ze uit Egypte en hun slavernij waren bevrijd — de gehele weg op weg naar hun erfenis door de woestijn trok en dat God hun gedurende die gehele tocht genade gaf. Als ze afhankelijk waren geweest van hun eigen werken, zouden ze daar allemaal gestorven zijn! De reden dat er in die woestijn niemand leefde, was dat de woestijn geen leven in stand kan houden. Daarom bracht God hen daar. Hij wil in uw en mijn denken inprenten dat Hij de mensen die Hij in Zijn kerk roept, niet alleen genade geeft bij hun bevrijding, maar de gehele weg door tot in Zijn Koninkrijk, tot in de erfenis. We zouden niet overleven zonder alles waarin Hij voorziet. Hij gaf hun gedurende hun gehele reis water. Hij gaf hun voedsel: manna. Hij streed hun veldslagen, is het niet? Hij gaf hun Zijn wet — de manier om te leven. Enzovoort, enzovoort. Schreef Paulus niet in 1 Corinthiërs 10 dat al deze dingen ons tot voorbeeld dienen, ons over wie het einde der eeuwen gekomen is? Dat is de les voor ons. Begrijpt u dat dit in het Oude Testament de grote les is voor het Loofhuttenfeest? Lees het voor uzelf. Ondanks de geestelijke conditie waarin zij verkeerden, bleef God in hun behoeften voorzien. De loofhutten [de tenten] stelden hun verzwakte positie voor. Ze hadden niets dat hen kon beschermen en ze zouden weldra gestorven zijn.

Er is een gezegde dat God helpt die zichzelf helpen. Maar dat gezegde slaat de plank volkomen mis met betrekking tot behoud. God helpt ongetwijfeld hen die verantwoordelijk genoeg zijn om hun gave te gebruiken Hem te gehoorzamen, maar in termen van behoud helpt God hen die niet in staat zijn zichzelf te helpen. Ik wil dat u hier eens ernstig over nadenkt. Konden zo'n 2,5 miljoen mensen het in die woestijn hebben overleefd? Ik bedoel ongeacht hoe hard ze werkten? Als ze in de woestijn waren, zou die hen dan in leven hebben kunnen houden? Gemeente, al na drie dagen schreeuwden ze om water! Valt het kwartje? Er is geen enkele weg, er is niets dat wij kunnen doen om behoud te verdienen, omdat wij, gemeente, nu in de woestijn vertoeven. Tenzij Hij doet wat we nodig hebben, zullen we niet overleven. En Hij zal doen wat we nodig hebben. Ik zal u zeggen wat dit is. In zekere zin drijft het de menselijke natuur tot wanhoop, omdat het erg oncomfortabel is om geheel en al overgeleverd te zijn aan de genade van een ander. Voor de menselijke natuur is dit gewoon een andere vorm van slavernij waaraan ze niet onderworpen wil zijn. Dat is precies het punt waar het om gaat. Pas als de Heilige Geest ons er totaal van overtuigt dat er geen hulp bij onszelf te vinden is, pas dan keren we ons tot God om te onderzoeken wat Hij ons kan geven. We kunnen er dus beslist niet zelf uitkomen en als we erkennen dat we totaal verloren zijn, dan zullen we ons onvoorwaardelijk overgeven. En Hij zal hen helpen die zichzelf niet kunnen helpen. Als we ons in Zijn armen werpen, ons aan Zijn soevereine barmhartigheid overgeven, dan zullen de dingen inwendig, in het hart, in ons denken, op de juiste manier gaan verlopen. Als iemand dat doet zal het schuldgevoel gaan verdampen, het gevoel van hopeloosheid zal oplossen en het wordt vervangen door een door God geïnspireerde visie. Angst wordt vervangen door vertrouwen. Een rusteloos, ontevreden, kritisch, negatief denken wordt vervangen door vrede en blijdschap. Hoe weet ik dit allemaal? Omdat Psalm 23 dit zegt: "De HERE is mijn herder. Ik heb me aan Hem overgegeven. Mij zal niets ontbreken [ongeacht waar ik ben]. Hij leidt mij, Hij voert mij ..." We moeten dus leren dat niet onze werken als volgeling van de Herder, maar datgene waarin de Herder voorziet, ons die zekerheid en veiligheid geeft.

Nu het derde punt. Dit is een punt waar we al vaker doorheen zijn gegaan. Het is één van de grootste waarden van deze doctrine over de soevereiniteit van God.

III. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat deze ons diep verootmoedigt.

We weten allemaal wat 1 Corinthiërs 1 in de verzen 26 tot 31 zegt, maar aan het eind staat er dat God dit doet "opdat geen vlees zou roemen voor God". Roemen bevordert de goede relatie met God niet en als we geen goede relatie met Hem hebben, kunnen we niet groeien, kunnen we niet overwinnen, omdat we niet nederig zullen worden. Hij zegt dat Hij naar zulke mensen [nederigen] kijkt.

De kwestie van Gods soevereiniteit fungeert, als we die goed begrijpen, als een stormram voor de menselijke trots. De geest van deze tijd is er één als nooit tevoren, de mens is echt trots op wat hij heeft bereikt. "We zijn in staat om naar de maan te gaan!" Zulk soort kreten worden geslaakt, kreten waarin de wetenschap wordt verheerlijkt. De hele wereld staat in aanbidding in de tempel van de menselijke verworvenheden. Maar deze doctrine laat zien wie er echt aan de touwtjes trekt, in het bijzonder laat deze zien wie de touwtjes in handen heeft van het belangrijkste aspect in het leven, in ieders leven. Laten we Johannes opslaan, hoofdstuk 1.

Johannes 1:12-13 - Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Niets dat samenhangt met de wil van de mens heeft ook maar iets van doen met deze macht die we hebben gekregen. Maar nogmaals, de menselijke natuur wil, door haar ijdelheid, het gevoel hebben alsof ze ook iets heeft bijgedragen aan de prijs der verlossing, zodat ze daar prat op kan gaan. We kunnen dit niet eerlijk voor God erkennen. Er is een schitterende Psalm en wel Psalm 87. Ik wil de laatste regel uit vers 7 aanhalen; de gehele Psalm mondt uit in die laatste regel waar de psalmist zegt:

Psalm 87:7 - Al mijn bronnen zijn in u!

Bronnen is de metafoor die wordt gebruikt voor hulpmiddelen. Een bron is normaal de oorsprong van water. De psalmist zegt dat al de oorsprongen van leven en vreugde bij God liggen, zowel fysiek als geestelijk. We kunnen gewoon nemen van waarin Hij voorziet. Op andere plaatsen verwijst God naar Zichzelf als de "fontein des levens". Er is ook in het boek Jesaja een kort hoofdstuk, hoofdstuk 12, de verzen 1 tot 6, waarin Hij ook naar Zichzelf verwijst als een "bron" waaruit we kracht kunnen putten. Laten we nu Psalm 115, vers 1, opslaan.

Psalm 115:1 - " Niet ons, o HERE, niet ons [mensen], maar uw naam geef eer, om uw goedertierenheid, om uw trouw.

Bedenk dit eens. Als we van nature kinderen des toorns zijn [Efeziërs 2:3] en door ons handelen rebellen tegen Gods bestuur blijken te zijn [Romeinen 8:7], dan hebben we gewoon de vloek der wet verdiend. Het loon der zonde is de dood. God heeft geen enkele verplichting ons te redden van wat we verdienen; toch gaf Hij Zijn Zoon voor ons. Hoe zou dat op ons moeten uitwerken? Het zou — als we werkelijk denken en geleid worden door God en Zijn Geest — ons hart moeten doen smelten en ons moeten dwingen te zeggen: "Door de genade van God ben ik wat ik ben." Bedenk echter dat de menselijke natuur dit niet eerlijk onder ogen wil zien. Deze zal te allen tijde op een bedriegelijke manier blijven vechten.

IV. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat deze voorziet in een stevig fundament voor ware religie.

Ik denk dat we dit zouden behoren te begrijpen, omdat als de doctrine van Gods soevereiniteit zijn rechtmatige plaats in ons denken inneemt, het alle andere doctrines met elkaar in verband gaat brengen en ze de kracht geeft ons in beweging te brengen, om uit de dode hoek te komen, omdat we Zijn grootheid beginnen te erkennen. Niet alleen Zijn grootheid, maar dat we om wat voor reden dan ook, die geheel bij Hem ligt, door Hem zijn uitverkoren! Waarom? Dat weten we niet. Dat is onnaspeurlijk. Maar ziet u, als die doctrine eenmaal op de juiste plaats zit, dan verschaft het het fundament om door te gaan. Wat is onze bestemming? Dat is om naar het beeld van Zijn Zoon te worden gevormd. Zijn Zoon, onze oudste Broer, zei dat het Zijn "spijze" was de wil van God te doen. Dat gaf Hem energie. Dat is wat Hem ondersteunde, evenals voedsel ons ondersteunt. Religie kan worden gedefinieerd als "een manier van leven" en Zijn [Jezus'] manier van leven was altijd de dingen te doen die Zijn Vader behaagden. Wij moeten in Zijn voetstappen willen treden. Daar draait het om. Als religie een manier van leven is, dan wordt het leven van Jezus het model. Daarom moet onze religie, onze manier van leven, zijn: doen wat Hij deed. Hij erkende Gods soevereiniteit door altijd te doen wat de Vader behaagde.

V. De doctrine over de soevereiniteit van God geeft een gevoel van absolute zekerheid.

Vindt u ook niet dat dit een beangstigende wereld is? Het wordt er almaar beangstigender. Maar besef dat God oneindige macht vertegenwoordigt! Er is niets, niemand die Zijn wil of het uitwerken van Zijn wil kan tegenhouden. Laat me een woord, een voornaamwoord, toevoegen aan die uitspraak dat God oneindige macht vertegenwoordigt. Probeer zelf maar eens uit te vinden welk. Kunnen we zeggen: "Mijn God vertegenwoordigt oneindige macht."? We kunnen er nog meer toevoegen. We kunnen ook zeggen: "Mijn God vertegenwoordigt oneindige wijsheid." "Hij vertegenwoordigt oneindige gerechtigheid." "Hij vertegenwoordigt oneindige liefde." "Hij vertegenwoordigt oneindige barmhartigheid en goedheid." Inderdaad we kunnen Hem oneindig noemen in alles dat goed is. In Deuteronomium, hoofdstuk 33, vers 26, staat een prachtige uitspraak van Mozes:

Deuteronomium 33:26-27 - Daar is niemand als God, o Jesurun [Israël]; Hij rijdt langs de hemel als uw helper en in zijn hoogheid over de wolken. 27 De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Omdat Hij de vijand vóór u verdreef en zeide: Verdelg!

Absoluut oneindige zekerheid. Dit soort gedachten bracht de psalmist ertoe om in Psalm 91 al die wonderlijke dingen, die beloften zijn, op te schrijven. U kunt die Psalm zelf wel opslaan en de verzen 1 tot 9 lezen. Ik denk dat we kunnen begrijpen dat daar wel enige overdrijving [hyperbool] in zit, zonder ons geloof te verliezen. De beloften daar moeten beslist niet in absolute zin worden genomen, omdat het kan zijn dat het niet Gods wil is u op ieder willekeurig moment te verlossen. Gods wil voor ieder persoonlijk moet hier voor iedere situatie aan worden gekoppeld. God wil dat wij begrijpen dat Hij met ons is door dik en dun, dat Zijn belangrijkste zorg is om ons aan het eindpunt van Zijn voorbereidingen met ons te krijgen, niet het eindpunt dat wij graag willen, of het eindpunt dat het volgens ons behoort te zijn, maar het eindpunt van Zijn voorbereidingen met ons. Hier staan we dus, schapen zonder verstand, en toch zijn we veilig omdat we in handen zijn van de Herder Christus en alle macht in hemel en op aarde Hem toebehoort. In 2 Timotheüs 1, vers 12, kunt u lezen dat Hij almachtig is.

Hier is dan het laatste punt, maar ik ga daar niet verder op in. U kunt het opschrijven.

VI. De doctrine over de soevereiniteit van God is van waarde omdat deze ons geweldig helpt de wil van God te aanvaarden.

Ik wil dat u begrijpt dat als ik het over aanvaarden heb, ik het niet heb over een fatalistische berusting, omdat we volgens Romeinen 12, vers 2, moeten bewijzen wat de goede, welgevallige en volkomen wil van God is. Er staan volop voorbeelden in de Bijbel. We kunnen de een na de ander vinden. Sommige van de grote mannen en vrouwen van het verleden hebben de wil van God aanvaard. Zij bewezen dat het Gods wil was dat een of ander plaatsvond. Als ze eenmaal het plaatje zagen, dan accepteerden ze het. Ze klaagden in het geheel niet. Een duidelijk voorbeeld is Aäron in Leviticus 10, toen zijn twee zonen werden gedood. Er staat: "En Aäron zweeg." Hij wist dat zijn zonen het verdienden. Hij jammerde, murmureerde en klaagde niet tegen God. Hij aanvaardde het. Hetzelfde kan worden gezegd van David. In II Samuel 15, toen zijn eigen zoon Absalom tegen hem in opstand kwam en hem verdreef, kwam Zadok met de ark en vroeg David: "Wat zal ik hiermee doen?" David zei: "Breng hem terug. De ark behoort in Jeruzalem." David zei dat, terwijl hij niet wist of hij hem ooit weer zou zien, of hij ooit weer in Jeruzalem zou terugkeren, of hij ooit de tabernakel zou weerzien, omdat hij niet wist hoe deze zaak met zijn zoon zou aflopen. Wij weten hoe het afliep. Op dat moment zei David, blijkbaar zonder enig voorbehoud: "Breng hem terug. Laat Gods wil geschieden." Als militair leider en koning had David kunnen zeggen: "Geweldig! Als we de ark hebben is het voor elkaar! Dan zullen we beslist zegevieren!" Maar David wist dat dat alleen maar bijgeloof zou zijn, dat als het niet Gods wil was dat zij zouden winnen, dat het er helemaal niet toe deed of ze die ark daar zouden hebben. Het begrijpen van Gods wil was belangrijker dan het hebben van de ark. David zei dus: "Ik weet niet hoe het afloopt, maar de ark behoort in Jeruzalem te blijven." Hij deed er dus afstand van. Anderen die niet bekeerd waren hadden kunnen zeggen: "Joepie! We hebben de ark. Laten we die in ieder geval houden!" Maar David handelde niet zo.

We zouden nog veel meer voorbeelden kunnen aanhalen, maar ik wil tot slot de genoemde punten van waarde van de doctrine over de soevereiniteit van God nog eens herhalen:

I. Deze verheft de suprematie van God en daarmee onze verering van Hem.

II. Deze vernietigt elke mogelijkheid van behoud door werken.

III. Deze verootmoedigt ons diep.

IV. Deze voorziet in een stevig fundament voor ware religie.

V. Deze geeft absolute zekerheid.

VI. Deze helpt ons op geweldige wijze de wil van God te aanvaarden.

Dat was het dan weer voor vandaag.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)