De soevereiniteit van God (Deel 10)

Door John W. Ritenbaugh
8 juni 1996

Samenvatting: (toon)

In dit tiende deel van de serie over de soevereiniteit van God begint John Ritenbaugh de houdingen samen te vatten die wij met betrekking tot dit levensbelangrijke onderwerp zouden moeten ontwikkelen. Vijf dingen of inzichten die een begrip van soevereiniteit zouden moeten voortbrengen zijn: (1) een vrees voor God, (2) impliciete gehoorzaamheid zonder discussie, (3) overgave aan Zijn wil, (4) dankbaarheid en eer, en (5) een bewonderende eerbied voor Hem. Evenals Job moeten we groeien in onze overgave aan Gods wil en aan Gods doel met ons leven, beseffend dat zowel plezierige als afschuwelijke tijden meewerken aan onze uiteindelijke geestelijke groei en ontwikkeling.


In deze serie over "de soevereiniteit van God" zijn we inmiddels bij deel 10 aanbeland en het wordt tijd dat we enkele duidelijke conclusies gaan trekken. Ik denk dat het wel twee preken zal vergen om dit te doen, namelijk de preek van vandaag en, indien God wil, de preek van de volgende keer dat ik spreek.

De preek van vandaag heeft te maken met wat onze houding ten opzichte van de soevereiniteit van God behoort te zijn. Ik wil graag dat wij dit in het bijzonder begrijpen, daar het betrekking heeft op de praktische toepassing op onszelf van de waarheid in Gods woord met betrekking tot Zijn soevereiniteit over Zijn schepping en Zijn doel.

Het is mijn vurige hoop dat de dingen die wij geleerd hebben, niet alleen maar een zekere vruchteloze nieuwsgierigheid bevredigen, maar dat zij tot lering strekken, in de zin dat ze ons opbouwen. Zij dienen ons te inspireren om zover te komen, dat wij gemotiveerd worden iets te doen. Ik heb deze serie niet alleen maar gegeven als uitleg van de basis van John Ritenbaughs denken over de regering van God. Integendeel, ik hoop dat een echte erkenning van Gods soevereiniteit ons nederig maakt, ons misschien zelfs versteld doet staan en een schok veroorzaakt tot een grotere en intensere overgave, zodat wij onze eigen wil wat meer [misschien veel meer] laten varen; zodat wij zelfs genoegen scheppen in die overgave, wetend dat ons leven, onze bestemming, vorm wordt gegeven door de eeuwig levende, altijd opmerkzame, grootste intelligentie, het machtigste Wezen, het meest liefhebbende karakter dat in het gehele universum bestaat.

Zonder een duidelijke erkenning van de soevereiniteit van God kunnen wij niet echt vrede hebben. We kunnen dan niet werkelijk vertrouwen hebben. We kunnen dan angst niet overwinnen. We kunnen dan niet werkelijk naar het beeld van God groeien, omdat het "eigen ik" en de eigen omgeving zich constant zo sterk opdringen, dat Gods doel en Gods roeping van secundair belang worden in ons leven. Daarom is het goed dat wij begrijpen dat dit onderwerp van de soevereiniteit van God méér inhoudt dan alleen maar het uitoefenen van Zijn bestuur. Het houdt alles in dat Hem tot God maakt. Het gaat over Zijn Godheid, Zijn wezen. Dat is de reden waarom Darryl een aantal preken geleden [ongeveer twee maanden geleden] zei, dat op het moment dat u vat krijgt op dit onderwerp, u de soevereiniteit van God door de gehele Bijbel heen tot uitdrukking ziet komen. U ziet het dan bijna op elke pagina.

Het woord "soeverein" deed zijn intrede in de Nederlandse taal vanuit het Frans, maar het stamt in werkelijkheid uit het Latijn. Het woord soeverein [Latijn: superanus] is een samenstelling van twee woorden. Het voorvoegsel "super" betekent: zich boven bevinden. En "anus" betekent: autoriteit uitoefenen, domineren. Het betekent dus letterlijk bovenmachtig, als wij alleen maar op de basiswoorden afgaan. Maar er zijn betere toepassingen die verhelderender werken. Als we de twee woorden samenvoegen, betekenen ze: "van de meest verheven soort", "alles overtreffende kwaliteit", "onbetwiste dominantie", "ongelimiteerd in reikwijdte". Mijn woordenboek zegt dat het synoniem voor soeverein "onbeperkt onafhankelijk" is. Misschien helpt het u beter te begrijpen als ik u zeg wat het antoniem van het woord soeverein is. Dat is afhankelijk. Wanneer wij zeggen dat God soeverein is, betekent dat, dat Hij van niets afhankelijk is, van geen enkel wezen. Van niets. Er is niets dat Hem beperkt datgene te doen wat Hij wenst. Hij is totaal vrij.

Pas dat nu eens op uzelf toe. Als u eerlijk tegenover uzelf bent, weet u dat u niet geheel vrij bent, maar dat u onderworpen bent aan vele dingen. Maar waar we het meest aan onderworpen willen zijn, is de Soevereine God van de gehele schepping. "Soevereiniteit" is de toestand in een dergelijke positie van onafhankelijkheid te zijn. De toestand in een dergelijke positie van onafhankelijkheid te zijn.

Interessant [voor mij in ieder geval], of misschien beter uitgedrukt, onthullend, is het te zien wat er gebeurde toen sommigen van de grote figuren in de Bijbel hier persoonlijk mee in aanraking kwamen. Dat waren er nogal een aantal. We gaan er slechts een tweetal onder de loep nemen. De eerste is Job. Ik wil slechts één vers in hoofdstuk 1 lezen, namelijk vers 8, over Gods eigen evaluatie van deze man.

Job 1:8a - Toen zeide de Here tot de Satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij.

Niemand als hij! Dit was een uniek menselijk wezen. "Er is niemand op aarde als hij."

Job 1:8b - Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van [mijdende] het kwaad.

We gaan nu helemaal naar het einde van het boek, naar hoofdstuk 42. Terwijl u dat opslaat, herinnert u zich misschien Ezechiël 14, vers 14, waar Ezechiël Job omschrijft als één van de meest rechtvaardige personen die ooit heeft geleefd. Ezechiël brengt Job in verband met Noach en Daniël. In de eindtijd, wanneer de laatste dagen [de Verdrukking] voor ons zijn aangebroken, zouden deze mannen, op basis van hun rechtvaardigheid, slechts zichzelf kunnen redden. We hebben het hier over iemand die heel erg dicht bij God stond en die deze nabijheid tot God omzette in gehoorzaamheid. God zei dat er niemand was zoals hij. Dit betekent niet dat Job onberispelijk was. Het betekent niet dat hij perfect was en niet verder moest groeien. Het niveau dat hij bereikt had, was in Gods ogen zeer goed, maar er was iets samengaand met zijn leven waarvan God wilde dat Job het zou begrijpen.

We gaan daar niet verder op in, maar het had betrekking op Gods soevereiniteit. Het had betrekking op het recht van God alles te doen wat Hij maar wilde doen, met wie dan ook en wanneer dan ook. In Job, het 38e hoofdstuk, begint God in de eerste persoon te spreken en blijkbaar richtte Hij zich woordelijk tot Job. Als u wilt kunt u later uitzoeken dat Hij Job 83 vragen stelde, die Job niet kon beantwoorden. Er was veel dat Job niet wist en nog veel meer waar Job geen macht over had. "Ja, Job. Waar was je toen Ik de aarde ophing in het niets?" "Waar was je toen de morgensterren juichten?" "Waar was je toen Ik het meetsnoer over de aarde spande?" God gaat almaar door, 83 vragen lang, met slechts een korte pauze [ik geloof na de 59e], waarna Job uiteindelijk sprak: "Ik houd mijn mond". Daar kwam het in feite op neer. Hij werd rechtstreeks geconfronteerd met werkelijke perfectie, werkelijke heiligheid, werkelijke rechtvaardigheid, met intelligentie van de hoogste vorm, met onbegrensde barmhartigheid, met medeleven in onvoorstelbare omvang. In hoofdstuk 42, vers 1, zegt hij:

Job 42:1 - Toen antwoordde Job de Here: 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen uwer plannen wordt verijdeld. 3 "Wie is het toch, die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?" [Wel, het was Job of iemand anders die in die categorie past.] Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. 4 "Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht." 5 Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.

Aanschouwde hij Hem letterlijk? Ik denk niet dat hij Hem werkelijk zag. Maar zelfs al zou dit zo zijn, was het niet dát wat indruk op hem maakte. In dit geval maakte het denken van God indruk op hem. Kijk naar wat er met Job gebeurde. Zo groot als hij was, zo rechtvaardig als hij was ..

Job 42:6 (Statenvertaling) - Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.

De zwakke plek in het begrip van Job was het recht van God om mensen te gebruiken zoals het Hem goeddacht. Natuurlijk begrijpen wij, dat om het even wanneer Hij mensen gebruikt, in welke omstandigheid dan ook, het voor hun welzijn is, zelfs als zij daarbij pijn moeten lijden, zoals Job. Dat was iets dat Job op dat moment niet begreep. Zelfs ofschoon hij een zeer rechtvaardig man was, had God toch dat recht, was Hij toch vrij om dat te doen, was Hij niet onderworpen aan Jobs rechtvaardigheid. Hij was vrij met Job te doen zoals het Hem goeddacht. Gemeente, omdat Hij Job op deze manier gebruikte, is hieruit voor ons allemaal een kostbare les ontstaan. Ik weet zeker dat God daaraan dacht. Hij dacht aan degenen die na Job zouden komen en zouden kunnen leren van de ervaringen waar Hij Job doorheen liet gaan. Dat kan bijdragen aan ons begrip. Als u door een diepe beproeving gaat, betekent dat niet dat u zondigt, of zondig bent, of onrechtvaardig bent. Onvolmaakt, ja; maar het betekent niet dat God tegen u is. Het kan betekenen dat Hij werkelijk vóór u is. Werkelijk, echt vóór u.

We gaan naar een ander voorbeeld kijken in Jesaja, hoofdstuk 6.

Jesaja 6:1 - In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2 Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.

Nu naar vers 5 — na dit ontzagwekkende visioen.

Jesaja 6:5 - Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; - en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien.

Dit was een andere situatie dan waar Job zich in bevond, maar het resultaat was hetzelfde. U kunt geen betere manier bedenken dan deze om Jesaja met zijn opdracht van start te laten gaan. Realiseert u zich wat er aan de hand was toen dit gebeurde? Jesaja dateert het: "In het sterfjaar van koning Uzzia." Koning Uzzia was een rechtvaardige koning, totdat zijn trots bezit van hem nam. Hij trachtte te offeren, hetgeen een taak van de Levieten en priesters was en God sloeg hem met melaatsheid vanwege zijn respectloos handelen. Hij liet zich met iets in waarmee hij zich nooit had moeten inlaten. Maar over het algemeen, was hij een goede koning, daarover bestond geen twijfel.

Ofschoon Uzzia een goede koning was, had hij de laatste paar jaren geen grip meer op zijn regering en waren de zaken in de handen van zijn zoon aan het verslechteren. Uzzia kon niets doen. Weet u waarom? Omdat hij melaats was mocht hij zich niet in het openbaar vertonen. Mensen konden ook niet naar hem toekomen. En hij kon niet naar hen toegaan. Dus kon hij niet regeren. Hij werd afgezonderd, zoals andere patiënten die melaats waren. Alles ging snel bergafwaarts in de handen van een zoon, die bij lange na niet zo'n relatie met God had als Uzzia. Uzzia, die het ergste vreesde, besefte dat de situatie ging verslechteren, dat de verdorvenheid snel om zich heen zou grijpen en dat de mensen in Juda het contact met God aan het verliezen waren.

God liet vervolgens Jesaja zien: "Ik heb een grote taak voor u, daarom ga Ik u voorstellen aan de werkelijke regeerder van het universum, de werkelijk regeerder van Juda." Er is dus geen twijfel dat, ofschoon hetgeen Jesaja zag, waar hij getuige van was, hem zeer nederig maakte, hij daardoor ook zeer werd versterkt, omdat hij wist dat ongeacht wat er nadien zou gebeuren, zich toch alles in de machtige hand van God bevond. Dat stelde hem in staat zijn geloof uit te oefenen, in het besef dat God met hem zou zijn. Door getuige te zijn van de heiligheid van God voelde Jesaja zich vuil, dat maakte hem nederig, net zoals de ontmoeting met God Job nederig maakte.

Is nederigheid alles wat God verlangt om in staat te zijn een zekere mate van de soevereiniteit van God te herkennen? Is er nog méér dat daaruit tot ontwikkeling zou moeten komen? Dienen er nog andere karaktertrekken tot ontwikkeling te komen op basis van nederigheid, door een erkenning van Zijn bestaan? Het antwoord daarop is bevestigend. Het zijn zeer belangrijke kwaliteiten voor onze geestelijke, morele en ethische groei. Ongetwijfeld is de eerste in belangrijkheid die hieruit dient voort te komen, de vreze Gods. Waarom zijn mensen méér liefhebbers van genot dan liefhebbers van God? Waarom staan mensen zo onverschillig tegenover hun eigen welzijn? Waarom is de Bijbel in veel huisgezinnen niet meer dan een stoffige band in de boekenkast? Waarom is er zo veel openlijk verzet tegen de hemel en zo weinig bezorgdheid over zonde?

Slaat u met mij op Romeinen, hoofdstuk 3. Paulus haalt hier in Romeinen 3, vers 10, David aan. Als er een betere opsomming bestaat van wat de mens is, zou ik graag weten waar die staat. Paulus zegt door David aan te halen:

Romeinen 3:10-17 - gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet.

Kijk nu eens naar vers 18.

Romeinen 3:18 - De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

Het lijkt mij dat dit laatste vers bedoeld is als een samenvatting van al het voorgaande. Beantwoord het volgende nu eens voor uzelf. Onderwijzen de kerken vandaag de dag, zoals u het ervaart, de vreze Gods? Zijn zij in hun onderwijs niet overgestapt op een god als zachte, knusse teddybeer? God zegt in Zijn eigen Woord: "De vreze des Heren is het begin van wijsheid." Toch schijnen vele van deze dienaren al het mogelijke te doen om de kracht van het woord vreze af te zwakken, terwijl het in het Hebreeuws exact hetzelfde betekent als in het Nederlands.

Het woord beslaat alles van onwillig respect tot uitgesproken aandacht. Kijk naar wat er gebeurde toen Jesaja God vreesde. Kijk naar wat er gebeurde toen Job God vreesde in de erkenning van Zijn soevereiniteit. Gods eigen woorden maken het duidelijk: "De vreze des Heren is het begin van wijsheid." Pure angst resulteert niet in een goede relatie, nietwaar? Evenmin leidt nauwelijks waarneembaar respect tot opbouw van een goede relatie. Weet u waarom? Omdat geen van deze extremen in staat is de andere persoon voor zich te winnen. Dus welk nut heeft het als God ons angst inboezemt? Beurt ons dat op? In het geheel niet. Ook plaatsen we God niet op de juiste plaats wanneer we slechts een nauwelijks waarneembaar en onwillig respect voor Hem hebben. Er dient balans te zijn.

Dus wat verlangt Hij? Hij verlangt een diep, blijvend [dat betekent levend, voortdurend] respectvol ontzag voor Hem, omdat God méér is dan iemand die alleen maar de macht heeft tot vernietiging. Hij is ook goed, vriendelijk, liefhebbend, genadig, betrokken en wijs.

Wij, Amerikanen in het bijzonder, zijn gewend erg eigen en oppervlakkig met elkaar om te gaan. Ongelukkigerwijze uit zich dat ook in onze houding en relatie tot God. Het is een benadering van "Ik ben net zo goed als jij." Maar daar draait het niet om. Die benadering slaat de plank geheel mis. Maar hieruit komt wel een niet respectvolle houding voort, zelfs een weerstrevende houding. Deze houding wordt ook overgebracht op onze relatie met God. Als u het woord "weerstrevend" te sterk vindt, kunt u beter maar denken aan wat Hij zegt over de menselijke geest die vijandschap is tegen Hem. Dat is "weerstrevend". Dat is Zijn eigen getuigenis van ons. Zijn wij even goed als anderen? Wat zegt de Bijbel daarover? Laten we eens kijken in Filippenzen, hoofdstuk 2. In Filippenzen 2, vers 3, zegt Paulus u en mij:

Filippenzen 2:3 - zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid [nederigheid] achte de een de ander uitnemender dan zichzelf.

Dat is een advies van God. Het is niet: "Ik ben net zo goed als jij." Weet u waarom? Omdat een houding van "Ik ben net zo goed als jij." geen eenheid teweegbrengt. Het brengt niet de juiste soort omgang met elkaar tot stand. Onze benadering in onze omgang met elkaar dient te zijn "de ander is beter dan ik", omdat dat in ons de bereidheid tot dienen doet ontstaan. Dus niet: "Ik ben net zo goed als jij, vriend." Dan slaan we de plank mis.

Sla nu op 1 Petrus, hoofdstuk 2, vers 17. Daar staat de instructie van Petrus:

1 Petrus 2:17a - Eert allen.

Als u iemand eert, respecteert u hem. De etymologie van dit woord eer is zeer interessant. In feite betekent het "waarde hechten aan". Als u iemand eert, hecht u een waarde aan hem die meer is dan uw eigen positie in het leven. Anders zou u hem geen eer geven. Petrus stemt exact overeen met Paulus, omdat dat hetgeen is wat Jezus hun onderwees.

1 Petrus 2:17 - Eert allen, hebt de broederschap lief.

Als wij denken dat we beter zijn dan iemand anders, is dat dan liefde? Nauwelijks. Maar hoe is dat ten opzichte van God? U VREEST God! Dat plaatst Hem in een totaal andere categorie. Een categorie waarvoor we diep en blijvend ontzag hebben. U eert mensen, maar voor God is er ontzag uit respect voor Zijn heiligheid, uit respect voor Zijn genade, betrokkenheid en medelijden, uit respect voor Zijn autoriteit als Schepper en Zijn autoriteit als Hoofd van Zijn gezin. U eert de koning op dezelfde manier als u andere mensen eert. Hebt u vóór uw bekering veel in preken gehoord dat aanleiding gaf ontzag te hebben voor de majesteit van God? Een beetje misschien, maar ik denk beslist niet veel. Is de vreze Gods volgens ons alleen maar iets dat de onbekeerde nodig heeft? Laten we even logisch denken. Spreuken 1:7 zegt: "De vreze des Heren is het begin van wijsheid." Wijsheid [de definitie of het gebruik vanuit de Bijbel in zijn eenvoudigste vorm] betekent "juiste toepassing". Ziet u, wijs zijn is de juiste dingen doen, ongeacht de omstandigheden. Het begin van wijs zijn, het begin van de juiste dingen doen, is vreze, de vreze Gods. We beginnen een logische opeenvolging te zien. Nederigheid leidt tot de vreze Gods, die op haar beurt leidt tot wijsheid. De een volgt op de ander. Als u God vreest, neemt u Zijn advies, Zijn instructie, aan. U doet dat omdat u Hem vreest. U respecteert wat Hij zegt met zodanig ontzag dat u gewillig bent het te doen. Ziet u, dat is wijs zijn, ongeacht wat mensen doen.

Is de vreze des Heren iets wat alleen de niet bekeerde mensen nodig hebben op weg naar hun bekering? Nee. Er is niemand die het méér nodig heeft dan wij, Zijn eigen kinderen! Wij hebben de vreze Gods nodig. Het dient een onderdeel te zijn van die opeenvolging die leidt tot een juiste relatie met Hem. Eerbiedig ontzag staat aan het begin. Dat is het fundament voor wijsheid omdat het ons tot gehoorzaamheid brengt.

We gaan opnieuw naar het Nieuwe Testament, naar Filippenzen, hoofdstuk 2, alleen deze keer naar vers 12. Paulus schrijft hier:

Filippenzen 2:12 - Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven.

Behoud wordt bewerkt door vreze, die tot wijsheid leidt, die tot gehoorzaamheid leidt. Zijn er geen tijden geweest, gemeente, dat wij iemand van wie wij wisten dat hij in God geloofde "godvrezend" noemden? Toen waren het niet de onbekeerden die de "vreze Gods" nodig hadden. Het betrof bekeerde mensen die reeds "godvrezend" waren. Waarom noemde men hen zo? Omdat dat hun relatie met God kenmerkte en men zien kon dat die persoon God vreesde. Zij respecteerden Hem werkelijk.

Laten we een vers in Psalm 103 opslaan, een schitterende Psalm. Slechts één bepaald vers. Wilt u dat God u genadig is? Wilt u dat God zich over u ontfermt? Vers 13 zegt:

Psalm 103:13 - Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de Here over wie Hem vrezen.

We willen allemaal graag dat God met ons meeleeft en Zijn medeleven uitgaat naar degenen die een diep en eerbiedig ontzag voor Hem hebben.

Ons wordt gezegd in de voetstappen van Christus te wandelen. Hij geeft het voorbeeld waarnaar wij moeten leven. Wij dienen Hem te imiteren. Werd vrees ooit in verband met Hem en Zijn relatie met God gebruikt? Zeer zeker. In Hebreeën, hoofdstuk 5, staat:

Hebreeën 5:7 - Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit [vanwege] zijn angst (Statenvertaling: vreze).

Wat is de les hiervan? Willen we dat God onze gebeden hoort? Vrees Hem. Beginnen we te zien waar een erkenning van de soevereiniteit van God in het geheel past? Het is een belangrijke factor in onze groei en behoud. Het is een belangrijke factor in het behagen van God. Het is een belangrijke factor in de ontwikkeling van een goede relatie met God. Niet dat wij jammerende slaven aan Zijn voeten zijn. Integendeel wij respecteren Hem plichtsgetrouw en omdat we dat doen, zijn wij bereid ons leven, zoals we dat leven, aan Hem te onderwerpen en in Zijn hand te geven.

Laten we dit alles nog eens op een rijtje zetten. Het begint met de vreze Gods. De vreze Gods leidt tot wijsheid. Wijsheid is juiste toepassing. Juiste toepassing is gehoorzaamheid. Jezus Christus gehoorzaamde God op een perfecte manier. Zijn vreze was dus niet een incidenteel iets zoals dat gewoonlijk bij ons het geval is, maar in tegendeel het was iets dat gedurende Zijn hele leven werd opgebouwd. Het moest wel op die manier gebeuren, omdat naarmate Jezus ouder werd, de testen, de beproevingen, de verleidingen intenser werden.

Onze perceptie van Gods soevereiniteit verwekt [schenkt het leven aan] goddelijke vrees, die op haar beurt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid voortbrengt. Maar hier lopen we tegen een probleem aan wegens ons gevoel van eigen belangrijkheid. Kortweg gezegd: trots en rebellie. Maar dit kan gecorrigeerd worden, als wij in staat zijn onszelf te zien in relatie tot volmaaktheid, tot God. Denk daar eens over na. Dit was voor Jesaja aanleiding zich op de grond te werpen en te zeggen "Ik ben onrein". Dit was voor Job aanleiding te zeggen: "Ik verfoei mijzelf". Het zichzelf verfoeien was niet een psychologisch iets. Het kwam uit het allerdiepste van hun wezen voort en was een gebalanceerde evaluatie van zichzelf tegenover God en van een vergelijking met God.

Er zijn mensen met psychologische problemen die zichzelf haten. Daar heb ik het niet over. Dat is een mentale ziekte waarbij zij overladen zijn met schuldgevoel. Iedereen die God kent en God liefheeft en Hem gelooft, weet dat zijn zonden vergeven zijn en is derhalve niet met schuldgevoel overladen. Hij weet en beseft dat hij weet, dat zijn zonden vergeven zijn. Hij gelooft God op Zijn woord. Daar hebben wij het dus helemaal niet over. Het is onze perceptie van Gods soevereiniteit die goddelijke vrees verwekt, die op haar beurt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid voortbrengt. Dus de corrigerende factor hierin is in staat te zijn onszelf in relatie tot God te zien. Dit is belangrijk, want we eren God of onszelf. We leven om Hem te dienen of onszelf. Vindt u dat ik te ver ga? Jezus zei dat geen mens twee heren kan dienen, hij zal de ene lief hebben en de andere haten, de ene aanhangen en de andere verlaten. Wij kunnen niet twee heren dienen.

Raak alstublieft niet ontmoedigd, aangezien dit iets is waarin wij dienen te groeien. Toen Jesaja en Job door hun ervaringen heen gingen, waren zij zogezegd zeer volwassen "in het geloof". Normaal krijgen wij, als wij bekeerd zijn en in de jaren van groei daarna, slechts een kleine glimp van Gods heiligheid te zien. Het is dus iets dat in intensiteit en duidelijkheid moet toenemen. God geeft ons volop de tijd. Hij is geduldig met ons, zodat wij kunnen groeien in ons begrip van Zijn reinheid, Zijn macht en al Zijn andere eigenschappen.

We kunnen hier op dit punt een conclusie trekken. Eerbied voor God leidt tot gehoorzaamheid, gehoorzaamheid produceert goddelijk karakter en schept ons naar het beeld van God, wanneer wij onze vrije wil gebruiken om ons aan God te onderwerpen.

Wat gebeurt er dan door gebrek aan eerbied? Dat zal ongehoorzaamheid voortbrengen. Hiervan staat een goed voorbeeld in Exodus, hoofdstuk 5, de verzen 1 en 2.

Exodus 5:1-2 - Daarna kwamen Mozes en Aäron tot Farao en zeiden tot hem: Zo zegt de Here, de God van Israël: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren. 2 Maar Farao zeide: Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de Here niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan.

Ik denk dat wij bijna zover kunnen gaan te zeggen dat het antwoord van Farao niet alleen gebrek aan eerbied toonde, maar dat het ook sarcastisch was, bijna beledigend. Voor Farao was de God van Mozes slechts één van de vele goden. Neem hierbij in overweging, dat de Israëlieten reeds vele honderden jaren in Egypte verbleven en Farao niet pas kort voor deze gebeurtenis geboren was. Hij was op de hoogte van de geschiedenis van Egypte. Hij was op de hoogte van de geschiedenis van Israëls verblijf in Egypte en hoe zij daar gekomen waren. Hij was op de hoogte van Jozef. Die dingen waren voor die mensen beschikbaar. Hij was op de hoogte van de God van Jozef. Hij was op de hoogte van de God van het volk Israël. Hij was niet in een vacuüm geboren en was niet in zijn positie geplaatst zonder kennis van wat er zich in zijn eigen natie afspeelde. Het was dus niet zo dat Farao Gods naam niet gehoord had. Met zijn antwoord bedoelde hij, dat hij Gods autoriteit niet erkende. Anders gezegd, hij erkende Gods soevereiniteit niet. In dat antwoord zette Farao de toon voor alles wat daarop volgde.

Het is interessant wanneer u Jesaja, hoofdstuk 19, leest, dat God aan het einde van het hoofdstuk zegt: "Israël Mijn erfdeel; Egypte, enz." Verder zegt Hij: "Te dien dage zal Egypte Mij kennen." God vergat niet wat Farao zei. "Wie is de Here?" En God zal, zoals alleen Hij kan doen, er voor zorgen dat de Egyptenaren hem op een zeer speciale manier gaan kennen. Al die plagen die op Egypte neerkwamen, hadden hun oorsprong in het antwoord van Farao: "Wie is de Here?" God liet hem zien "wie de Here is". Ik verzeker u dat toen het voorbij was, Farao respect voor God had. Hij was niet bekeerd, maar respecteerde Hem wel. Zoals Yul Brenner zei: "De God van Mozes is God". Een toepasselijke opmerking. Als dus gebrek aan eerbied ongehoorzaamheid voorbrengt, dan zal ware eerbied gehoorzaamheid voortbrengen of bevorderen. Daarom is groeien in het kennen van God zo belangrijk. "Dit is het eeuwige leven", zei Jezus in Johannes 17:3, "dat zij U kennen, de enige waarachtige God." Dit is dus een belangrijke stap op weg naar het karakter van God.

De Bijbel, "Het Boek", samen met Gods Heilige Geest, zijn belangrijke elementen in het bevorderen van onze kennis van Zijn denken en Zijn wil.

We gaan naar die schitterende Psalm 119. We zullen daaruit een aantal verzen lezen.

Psalm 119:18 - Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet.

"Ontdek mijn ogen, opdat ik in staat ben ze te zien." Het staat in de Bijbel, Gods Woord: uit Zijn wet, uit Zijn instructie, uit Zijn onderwijs komt de kennis van God. De Bijbel beschrijft Hem in detail, beschrijft Zijn karakter en Zijn genade. De Bijbel geeft ons inzicht in wat Hij bereid is te doen, wil doen en wat Hij met ons leven zal gaan doen. Dat is de manier waarop we Hem leren kennen.

Maar wat doet nu de Geest? Die leidt ons in alle waarheid. Als wij die waarheid willen, kan dat niet uitsluitend door ervaring. Veel te veel mensen trachten kennis van God te verwerven middels de ervaring van het leven. Dat is prima, maar het dient ook gepaard te gaan met een gedegen studie van Gods woord, omdat daardoor de hoeveelheid tijd die nodig is om God werkelijk te leren kennen aanzienlijk zal worden verkort. Ons leven is tekort om Hem in staat te stellen ons door alle ervaringen te laten gaan die wij ook uit Zijn Woord kunnen opnemen. Daarom zegt de Psalmist: "Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet." Aan de andere kant kunnen we de kennis van God ook niet uitsluitend laten voortkomen uit de studie van zijn woord. Het dient samen te gaan. We gaan nu naar vers 33.

Psalm 119:33-34, 36 - Onderwijs mij, Here, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten einde toe. 34 Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden. ... 36 Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag.

Deze Psalm legt, misschien meer dan andere, een groot aantal directe verbanden tussen de kennis van God en gehoorzaamheid; soms wordt ook de vreze des Heren genoemd. God wil dat wij begrijpen, dat de gehele Bijbel gericht is op iedereen persoonlijk. Het is niet juist dat wij de favoriete schriftgedeelten eruit kiezen en de andere, bijvoorbeeld de geslachtsregisters, laten voor wat ze zijn. Die zijn heel saai, maar ze zijn opgenomen voor een reden. Ik weet niet welke, maar ze staan er wel. Het geheel is voor ons bestemd en ik voor mijzelf weet dat deze schriftgedeelten saai zijn om te lezen, maar eens in de zoveel tijd dwing ik mijzelf ertoe enkele daarvan te lezen. Maar ik moet toegeven dat ik mijzelf ertoe moet dwingen ze te lezen. Geslachtsregisters lezen is niets voor mij. Maar voor bepaalde redenen zijn die wel opgenomen en maken dus deel uit van Gods instructie. We kunnen dus niet onze favoriete passages uitkiezen, omdat ons dat beperkt aangaande Gods denken en in het werkelijk kennen van Hem. Wij leven bij elk woord van God, omdat ze allemaal iets over God openbaren en hoe beter we Hem kennen, des te groter is de kans op gehoorzaamheid. Onwetendheid brengt gebrek aan eerbied voort, wat leidt tot ongehoorzaamheid. Kennis brengt eerbied voort, wat tot gehoorzaamheid leidt.

Laten wij opnieuw naar ons voorbeeld kijken. Staat Jezus bekend om Zijn onderwerping aan Gods wil? Wij zijn nu feitelijk op het tweede punt aangekomen, namelijk dat de soevereiniteit van God de vreze des Heren voortbrengt en tevens onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Dit gebeurt niet allemaal in één keer. Het is iets waarin wij groeien, maar het zal onvoorwaardelijke gehoorzaamheid voortbrengen, dat is gehoorzaamheid zonder terughoudendheid, niet met tegenzin.

We gaan naar Filippenzen, hoofdstuk 2, vers 8. Ik koos dit vers om te laten zien hoe ver de gehoorzaamheid van Jezus ging. Ik bedoel de gehoorzaamheid aan de wil van de Vader.

Filippenzen 2:8 - En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Zijn onderwerping aan de wil van God ging helemaal tot de dood. Zijn gehoorzaamheid was een bewuste, intelligente keuze. Ik ga u vanuit Zijn eigen woorden in Johannes, hoofdstuk 10, de verzen 17 en 18, bewijzen dat dit een bewuste, intelligente keuze was.

Johannes 10:17a - Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen.

Let hier op de formulering.

Johannes 10:17b-18a - omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af.

Hij legde Zijn leven af op basis van Zijn eigen vrije wil. Zijn gehoorzaamheid was een bewuste, intelligente keuze. Hij deed die dingen niet zomaar blindelings. Hij was geen acteur op het levenstoneel. Hij koos er bewust voor die richting uit te gaan, gemotiveerd door de vreze des Heren. Natuurlijk had Hij God lief. Dit begint ook andere aspecten te omvatten. Maar Hij vernederde Zichzelf helemaal tot de dood toe, ofschoon Hij Degene was door Wie de schepping tot stand kwam.

Johannes 10:18b - Ik heb macht het af te leggen [hebben wij ook] en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.

Jezus was geen zombie, die zich voortsleepte door het leven. Wat Hij deed, deed Hij met gevoel. Dat kunnen we op bepaalde plaatsen in de Bijbel zien. Een van de meest duidelijke is in de Hof van Gethsémane, in Lukas 22, waar staat dat Hij als het ware grote druppels bloed zweette. Zo intens waren Zijn gevoelens tijdens de gebeden die Hij daar naar God opzond. Daarbij dient u te begrijpen dat toen Hij daar doorheen ging, Hij in de kracht van Zijn leven was, Hij in perfecte gezondheid verkeerde en ongetwijfeld gehoord of gelezen had over kruisigingen. Misschien is Hij zelfs getuige geweest van een kruisiging omdat deze vorm van straf van tijd tot tijd door de Romeinen werd toegepast.

Hij was zeker op de hoogte hoe iemand zich zou voelen door het lijden van een gewone kruisiging. Maar Hij had ook een zeer helder begrip van Jesaja 52, vers 14, waar staat dat Hij zou gaan lijden en meer geslagen zou worden dan ooit iemand anders. Alvorens Hij aan die paal werd genageld, zou Hij praktisch onherkenbaar zijn als menselijk wezen. Er was in dat zeer actieve, intelligente verstand een enorm grote anticipatie van waar Hij doorheen zou gaan. U weet dat Hij het soort gevoel had dat u en ik zouden hebben, dat Hij daarvan weg wilde lopen om er niet doorheen te gaan; dit niet alleen vanwege de fysieke pijn, maar ook vanwege de vernederingen samengaand met de bespottingen. Dit zou nog worden versterkt door het besef dat Hij totaal onschuldig was, waardoor misschien wel iedere cel in zijn lichaam zou schreeuwen om rechtvaardiging: "Jullie doden de verkeerde man! Ik ben onschuldig!" Dat is beslist niet verwonderlijk. Wij kunnen denken en wij kunnen in paniek raken over iets dat staat te gebeuren. Maar met al Zijn intelligentie en inzicht, Zijn goed ontwikkelde gevoel en kennis van het woord van God, moet datgene waar Hij doorheen ging zeer intens zijn geweest. U weet dat Hij aan het einde van dat gebed zei: "Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede." Zijn besluit tot onderwerping werd bewust genomen, een intelligente beslissing, waarmee ik bedoel dat Hij die nam met alle feiten tot Zijn beschikking. Hij was geen wandelende zombie. Wat Hij deed, deed Hij uit vrees, een diep eerbiedig ontzag, voor God, alsmede uit Zijn liefde voor de Vader.

Er bestaat nog een andere kwaliteit die dient voort te komen uit een erkenning van Gods soevereiniteit en enkelen van u hebben daar naar mij toe reeds gewag van gemaakt. Misschien niet in deze bewoordingen, maar u begrijpt waar het om gaat en dat is, dat het een complete en algehele berusting is in de wil van God; dat wat het ook is, u zich schikt naar wat God toestaat in uw leven te gebeuren. Goede tijden. Slechte tijden. Beseft u dat dit het punt was in het boek Job? Job had zich nog niet neergelegd bij het recht van God met hem te doen wat God juist achtte. Denk aan wat er met Job gebeurde en of ook u daar doorheen zou kunnen gaan zoals hij. In één dag verloor hij al zijn rijkdom. Hij verloor zeven zonen en drie dochters. Zijn huis werd vernield.

Toen ik in de staalfabriek werkte, zei een van de werknemers die wist dat ik in de Bijbel geïnteresseerd was, tegen mij: "Weet je wat de meest afschrikwekkende woorden in de Bijbel zijn?" Ik dacht dat hij mij een strikvraag stelde. Ik ging er niet op in, omdat ik niet wist wat hij zou gaan zeggen. Ik was alleen maar verbaasd. Naïef. Hij zei dat het Job 3:25 was. Job zei daar: "Waarvoor ik vrees, dat overvalt mij." Wat vreesde Job, gemeente? Hij vreesde het verlies van zijn rijkdom. Hij vreesde het verlies van zijn gezin. Hij vreesde het verlies van zijn gezondheid. Wat zei hij in feite? Hij bepaalde de grens. "Tot zover God en niet verder. Neemt U mijn rijkdom weg, o God, dan is het tot ziens God. Neemt U mijn kinderen weg, ..." Hij had zich niet neergelegd bij de wil van God. Ik zeg u, te langen leste kwam Job er met vlag en wimpel doorheen. Hij kreeg voor de test een "10". Wat was zijn eerste reactie? Hij zei: "De Here geeft, de Here neemt. Gezegend is de naam des Heren." Hij prees Hem, maar toch bracht hij veel argumenten naar voren en moest tot het inzicht worden gebracht dat alles wat God doet, voor ons eigen bestwil is.

Hij kwam er goed uit. Hij had berouw. Hoe staat het met ons in dit opzicht? Leggen wij ons neer bij de wil van God? Ik geef u een manier aan waarop u dat kunt ontdekken. Beantwoordt nu de volgende vraag. Niet hardop zeggen. Antwoord voor uzelf. Noem mij een tweetal zaken waar de Israëlieten bekend om zijn in de Bijbel. Ik kan u bijna verzekeren dat ongeveer negentig procent van u zal gaan zeggen: "Zij waren hardnekkig." Okay, een is er al goed. De tweede is dat wij de grootste klagers in de wereld zijn, we mopperen en klagen over van alles en nog wat. Niets is goed. "Het is te warm." "Het is te koud." Mijn buren wonen te dicht op mij." "Er is teveel lawaai op straat." "Het is hier op het platteland te rustig." Zo kunnen we eindeloos doorgaan. Waarom? Beantwoordt dat voor uzelf. Waarom zijn wij zo ontevreden?

Ik zal u zeggen waarom. We geloven echt niet dat God in ons leven is en dat alles wat Hij toestaat voor ons eigen bestwil is. Kunnen we dat leren? Zelfs de slechte dingen, de dingen die wij als slecht beschouwen? Denken wij werkelijk dat Hij aan het roer staat, dat Hij over ons waakt? Ons geloof begeeft het, nietwaar, en wij vertrouwen het niet. Ik zeg u, hier komen we bij diepgaande zaken. Ik bedoel niet dat ze moeilijk te begrijpen zijn. Ik bedoel moeilijk voor groei in geloof en overwinnen van onze angst. Met deze kennis, met deze verantwoordelijkheid moeten we geconfronteerd worden. God wachtte tot Job erg volwassen was vóór Hij hem daarmee confronteerde. Dit is een zéér belangrijk punt. Kunnen wij ons neerleggen bij de wil van God? Jezus wel. Hij zei: "Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede." Interessant is, dat dit zo'n belangrijk punt is, dat Hij ook tot aan het einde van het leven van Christus wachtte vóór het werkelijk aan de orde kwam. Ik bedoel, werkelijk een belangrijk punt, bijna alsof het de laatste test was die moest worden afgelegd.

Er is nog een belangrijk iets dat tot stand dient te komen. We zullen daar niet teveel tijd aan besteden. En dat is, het feit dat we in staat zijn te begrijpen, God te erkennen, Zijn soevereiniteit te erkennen, dat behoort in ons oneindige dankbaarheid tot stand te brengen dat Hij God is, dat Hij in Zijn genade, op de een of andere wijze, om welke reden dan ook [wij weten het niet, dat is iets dat in Zijn denken en redeneren is opgesloten] Zichzelf aan ons openbaarde. Misschien komen we zelfs zover als Job, dat ook wij Hem voor de slechte dingen kunnen danken. "Gezegend is de Naam des Heren." Zoals ik zei, we komen bij diepgaande zaken. Het is zo gemakkelijk om wanneer wij op reis gaan en wij op onze knieën gaan of misschien zittend aan een tafel of waar dan ook, ons hoofd buigen en God vragen ons een veilige reis te geven, Hem later te bedanken als wij veilig zijn aangekomen. Maar wat als we tijdens onze reis te maken kregen met een vreselijk ongeluk? Keek God de andere kant op? Sloot Hij Zijn ogen? "Oh, zij hebben een ongeluk gekregen." Dan komt het! Wee mij! Waar was God toen? Een goede vraag om over na te denken. Hoorde Hij uw gebed niet toen u aan die reis begon? Jawel. Maar ziet u, Zijn wil was in dit geval anders dan die van u. Kunnen wij ons daarbij neerleggen en Hem toch danken? Zoals ik zei, we komen hier bij diepgaande zaken. Het antwoord hierop luidt: Ja, we kunnen zover komen. We hebben geen doel gekregen dat onmogelijk te bereiken is, maar het is iets voor diegenen die volwassen zijn.

Hier kunnen wij veel uit opmaken. Ik wil vier punten herhalen en er een vijfde aan toevoegen, een punt dat we niet verder verklaren omdat ik denk dat het voor zichzelf spreekt.

Vier dingen die tot stand zouden moeten komen vanuit een erkenning van Gods soevereiniteit zijn:

De vreze des Heren.

Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Een algehele overgave aan Zijn wil.

Dankbaarheid en Hem verheerlijken als deel van ons leven.

Het laatste punt dat tot stand dient te komen [we komen bijna weer bij het begin terug], is een vererende aanbidding van Hem.

Ik begin steeds meer te begrijpen waarom de heer Armstrong nagenoeg elk gebed begon met God te danken dat Hij God was.

Ik wil vandaag eindigen met een gedicht, geschreven door een dame waarvan ik nooit eerder gehoord had tot ik het gedicht vond. Eerst even wat achtergrond gegevens over haar. Blijkbaar werd zij voor iets vervolgd. Zij zat in de gevangenis vanwege haar geloof. Men had deze arme dame gedurende tien jaar opgesloten in een kerker. Deze kerker was beneden de begane grond. Zij had absoluut geen licht van buiten. Tien jaar lang was zij verstoken van natuurlijk licht. Ze mocht een kaars branden tijdens het ontbijt, de lunch en het diner. Zij kreeg niet veel voedsel, maar telkens wanneer die karige maaltijden gebracht werden, werd haar toegestaan een kaars te branden, zodat zij niet in het pikdonker zou zijn en in staat was te kunnen eten. Zij schreef dit gedicht tijdens die tien jaar. Op de een of andere manier kwam dit naar buiten en werd bewaard. Luister naar de acceptatie daarin van Gods wil. De berusting die hieruit blijkt. Zij zegt:

"Ik ben een kleine vogel
Afgesloten van het luchtruim.
Ik zit in mijn kooi en zing
Tot Hem die mij daar plaatste. [Denk hier over na]
Gelukkig een gevangene te zijn
Omdat het U, mijn God, behaagt.
Niets anders heb ik te doen,
Ik zing de gehele dag.
En Hij die ik het liefst behaag
Zegt, Luister naar mijn lied.
Hij ving mij en sloot mij op,
Maar toch buigt Hij zich om mij te horen zingen.
Mijn kooi sluit mij rondom in,
Ik kan niet wegvliegen.
Maar ofschoon mijn vleugels worden beperkt,
Is mijn hart in vrijheid.
De muren van de gevangenis kunnen de vlucht niet tegenhouden,
De vrijheid van mijn ziel.
Ah! Het is goed uit te stijgen
Boven deze banden en grendels
Naar Hem wiens doel ik bemin.
Wiens voorzienigheid ik liefheb.
En in Uw machtige wil te vinden,
De vreugde, de vrijheid van de geest."

Dit is het einde van deze preek.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)