De soevereiniteit van God (Deel 7)

Door John W. Ritenbaugh
27 april 1996

Samenvatting: (toon)

In dit zevende deel van de serie over de soevereiniteit van God toont John Ritenbaugh de relatie aan tussen Gods wil, predestinatie en keuze (of vrije wil). Hij gebruikt de analogie van een kind dat door een ouder wordt opgedragen zijn kamer op te ruimen om aan te tonen dat de talmende, klagende en andere handelingen van ongehoorzaamheid niet voorbeschikt zijn en ook geen deel uitmaken van Gods wil. Handelingen 13:48 en Romeinen 8:29-30 duiden erop dat predestinatie (een vastgestelde goddelijke afspraak) deel uitmaakt van het bekeringsproces. Gelet op onze roeping (1 Corinthiërs 1:26-27) als zwakke, laagstaande en dwaze mensen, moeten we de juiste, nederige erkenning ontwikkelen van wie en wat we in relatie tot de Soeverein zijn en moeten we leren keuzes te maken op basis van de waarde die we hechten aan Gods liefde en Zijn openbaring aan ons.


We beginnen met een schriftgedeelte, dat we ook hebben gelezen toen ik de laatste keer over dit onderwerp soevereiniteit sprak. Dat schriftgedeelte is uit Handelingen 13. We beginnen met een stukje achtergrond, dat uitmondt in dat heel belangrijke onderwerp in vers 48. Maar in Handelingen 13, te beginnen met vers 14, lezen we dat Paulus en Barnabas in Antiochië in Pisidië waren. Paulus begon daar tot de mensen in de synagoge te prediken. Zoals zijn gebruikelijke werkwijze was, ging hij eerst naar de synagoge om tot de Joden te prediken, en als er ook heidenen aanwezig waren, dan hoorden ook zij wat Paulus had te zeggen. In vers 27 zegt hij:

Handelingen 13:27a - Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend.

Hij heeft het hier over Jezus. Ik lees dit vers alleen maar, omdat ik wil dat u zich dit vers wat verderop in de preek zult herinneren, daar het van belang is voor iets dat verderop volgt. "Zij hebben Hem niet erkend." We hebben al een en ander gezegd over dit "(er)kennen van God".

Handelingen 13:27 - Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld.

Daarna ontstond daar een hele opschudding, omdat de Joden verwierpen wat Paulus te zeggen had; er staat in vers 44 dan ook:

Handelingen 13:44-45 - En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen. 45 Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd.

Toen gingen Paulus en Barnabas de dingen echt rechttoe, rechtaan zeggen. Ook wat ze toen zeiden werd verworpen. Er staat in vers 48:

Handelingen 13:48 - Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwige leven, kwamen tot geloof.

We gaan wat tijd besteden aan dat woord "bestemd". Niet zo heel veel tijd, maar toch wil ik wat meer achtergrond voor dit woord geven, omdat ik vind dat het belangrijk is dit onderwerp "soevereiniteit" te begrijpen en onze relatie met God als gevolg van Zijn soevereiniteit en deze (voor)bestemming die we hier zien. Het woord bestemming betekent "aangesteld". Zo wordt het door de meeste moderne Bijbels vertaald. Hier volgt een aanhaling uit de Expositor's Commentary over deze zin.

"Die bestemd waren kwamen tot geloof, suggereert dat geloof in Christus geen zaak van iemands eigen menselijk geloof is, maar voornamelijk een gevolg is van goddelijke aanstelling."

Die uitspraak is niet geheel correct, maar erkent tenminste dat er iets meer dan geloof betrokken is bij wat we vandaag zijn. Let er maar eens op wat wij zijn vandaag en wat er met deze mensen gebeurde, toen deze dingen in Antiochië plaatsvonden. De soevereiniteit van God is betrokken bij wat we zijn in de vorm van een voorbestemd zijn om te worden wat we zijn geworden: Christenen. Handelingen 13:48 komt precies overeen met Romeinen 8, de verzen 29 en 30. Laten we die verzen opslaan.

Romeinen 8:29-30 - Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Eén commentator zegt over dit vers, Handelingen 13:48, dat het woord vertaald met "bestemd" of "aangesteld", "aangepast" of "golflengte" betekent. Hij zei dat, omdat hij niets van doen wilde hebben met het concept van voorbestemming (predestinatie). De Bijbel openbaart, zoals we zullen gaan zien, wie ons denken aanpaste aan eeuwig leven, als we dat woord willen gebruiken. Als u enig onderzoek doet over dit woord, zult u vinden dat het woord letterlijk betekent "in een bepaalde volgorde zetten". We kunnen zeggen "aanpassen" aan een bepaalde situatie. Het betekent ook "samengesteld zijn uit". Het betekent "aanstellen". Het wordt volgens Strong en Zodhiates op die laatste manier gebruikt. Ieder commentaar dat ik erop nasloeg en op dit vers commentaar gaf, stemt daarmee in, behalve dat ene dat zei dat het woord "aangepast" betekende. De commentaren zeiden soms ook dat dit punt controversieel was, omdat er een zekere mate van predestinatie in besloten ligt.

Maar gemeente, het betekent echt precies wat het zegt over het onderwerp predestinatie. Denk nog eens terug aan Romeinen 8, de verzen 29 en 30. Spreekt vers 30 ook niet over predestinatie, samen met rechtvaardiging, waarvan we ook vast geloven dat God het geeft en dat het deel uitmaakt van het proces tot behoud? En gaat dit proces niet door tot het uitmondt in verheerlijking? We hebben dus: predestinatie, rechtvaardiging en verheerlijking. Als we dus geloven dat we door het bloed van Jezus Christus worden gerechtvaardigd en dat dit proces van rechtvaardiging helemaal door loopt tot aan de verheerlijking, waarin we veranderd worden, dan moeten we ook het feit accepteren, dat dit vers zegt dat ook predestinatie deel uitmaakt van dit proces. God kende ons van tevoren, dat wil zeggen dat Hij ons kende voordat we werden geroepen, Hij stelde van tevoren vast dat Hij ons wilde rechtvaardigen en dat Hij ons wilde verheerlijken. We kunnen niet een van deze begrippen verwijderen, zonder de andere twee te beschadigen. We moeten consistent zijn. Rechtvaardiging, verheerlijking en predestinatie [of goddelijke aanstelling] maken alle deel uit van dit proces.

Zoals we in Handelingen 13:48 zagen, geloofden alleen maar degenen die tot het eeuwige leven waren bestemd. God deed iets in hen dat hen in staat stelde te geloven. God deed dat in hen omdat Hij hen voorbestemde. Hiermee bedoel ik beslist niet dat iedere handeling in iemands leven is voorbestemd, maar dat God sommigen tot Hem roept en anderen niet. Dat is duidelijk op basis van Handelingen 13:48. Sommigen worden door Hem geroepen, anderen niet. U weet dat uit eigen ervaring. Iemand kan precies dezelfde boodschap horen als u, maar het betekent voor hen niet hetzelfde als voor u. God roept sommigen op tot behoud. Anderen die niet behouden zullen worden, roept Hij daartoe niet op. Duidt het woord "geroepen" en het sterkere woord "opgeroepen" [wat een juridische bijklank heeft en dus sterker is] niet op een afscheiding van iemand van diverse anderen of zelfs vele anderen?

Ouders, denk eens na over het volgende. Als uw kind buiten speelt met andere kinderen en u gaat naar buiten om het te roepen, laten we zeggen het op te roepen, is dat roepen dan niet speciaal op uw kind gericht? En is het resultaat niet dat het daardoor wordt apart gezet van de groep waarmee het speelt? Nadat u uw kind hebt geroepen, gaat u het duidelijk maken waarom u het riep. Waarom u het afzonderde van de groep. U zei misschien wel: "Kom, ga je handen wassen; het is tijd voor het avondeten." Of: "Het is bedtijd." Of: "Je moet even een boodschap voor me doen." Of: "Je moet je kamer nog opruimen." Of u zegt alleen maar: "Ik wilde even weten of het allemaal goed met je was."

Dat lijkt heel veel op onze roeping door God. Hij roept ons, op bovennatuurlijke wijze, door Zijn Geest en begint ons dan af te scheiden van anderen. Terwijl Hij dit doet, begint Hij ook Zichzelf en Zijn weg aan ons te openbaren. Zijn weg, maar ook Hijzelf, moet worden geopenbaard. Hij doet dit niet aan iedereen. Dat doet ook de ouder niet die voor dat hij zijn kind roept, vaststelt welk kind hij wil roepen. God moet dit doen, omdat we zo misleid zijn en daardoor niet weten waar we moeten kijken. We zouden Hem nooit kunnen vinden. Daarenboven zijn we zo druk met onze eigen bezigheden [gewoonlijk maar wat aanrommelen, net als kinderen], dat het ons zelfs niet interesseert. Zelfs alhoewel Hij Zichzelf openbaart, kost het ons toch nog heel wat tijd om Hem werkelijk te leren kennen.

Een van de redenen dat deze omstandigheid controversieel is, is dat de menselijke natuur het niet fijn vindt vernederd te worden, om te gaan begrijpen dat behoud veel meer een handeling is van God dan iets dat we hebben verdiend. Want we zijn zo goed geweest en zo sterk en zo rein en zo wijs en zo trouw en we hebben God zo innig liefgehad en zo grondig naar Hem gezocht. De menselijke natuur zit zo krom in elkaar, dat zelfs in dit geval, met zoveel bewijs van het tegendeel, de menselijke ijdelheid waardering wil ontvangen, voor iets waarvoor het totaal geen waardering heeft verdiend.

Kijk eens naar wat God in al zijn naakte realiteit laat zien in het voorbeeld van de kinderen Israëls die gekozen worden als Zijn verbondsvolk, bevrijd worden uit Egypte, door de woestijn trekken en tenslotte in het beloofde land aankomen. De enige reden dat Israël er aankwam, was omwille van wat God deed. Als God niet voor Israël had gewerkt, dan hadden ze alleen maar kunnen dromen van wat bereikt had moeten worden en kunnen klagen over de situatie waarin ze verkeerden. Ze zouden nooit zijn aangekomen in het land dat een beeld van het Koninkrijk van God is.

In principe werkt God met ons op precies dezelfde manier. Heeft God dan iedere handeling in iemands leven van te voren gepland ofwel gepredestineerd? Als dat zo is, waar is dan de vrije wil? Als dat zo gis, waarom hebben we dan geloof nodig? Als dat zo is, wordt de noodzaak voor gebed aanzienlijk minder, zo niet overbodig. Als dat zo is, dan zouden we niets anders zijn dan poppen aan een touwtje.

Laten we 2 Petrus, hoofdstuk 3, vers 9, opslaan om verder te gaan met dit onderwerp van predestinatie en vrije wil.

2 Petrus 3:9 - De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.

God wil niet dat iemand omkomt, maar dat we allemaal tot bekering komen. Hij zegt niet dat er niemand zal omkomen. Hij zegt, dat het Zijn wil is dat ze niet zullen omkomen. We weten echter dat er een poel des vuurs is. Bedenk, dat Hij niet wil dat er iemand omkomt — maar er is wel een poel des vuurs. En Openbaring 20 maakt het heel duidelijk dat er minstens twee mensen zullen zijn die daarin zullen omkomen. Is er hier sprake van een tegenstelling? Er is alleen maar een tegenstelling als iedere handeling reeds gepland is. God maakt het heel duidelijk dat het Zijn wil is dat we Zijn geboden onderhouden. Maar dwingt Hij ons ze te houden? Helemaal niet. Dat is onze keus. Maar het is Zijn wil dat we ze houden. Op dezelfde manier is het Zijn wil dat er niemand omkomt en toch weten we uit Gods woord dat sommigen zullen omkomen. Hij heeft dus beslist niet iedere handeling die iemand zal doen voorbestemd. Laten we dit nog duidelijker maken.

Hebreeën 4:1-2 - Laten wij daarom op onze hoede zijn, [zegt Hij] dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.

Als alles reeds voorbestemd is, waarom zouden we dan nog op onze hoede zijn? Het antwoord is, dat alles niet is voorbestemd. Hij wil niet dat we omkomen, maar ons wordt gezegd op onze hoede te zijn, opdat we niet tekort schieten — opdat het er zelfs maar niet op lijkt dat we tekort schieten. De les voor ons wordt hier ontleend aan de kinderen Israëls. God wilde hun het land Kanaän geven dat Hij hun vaderen had beloofd. Velen van het volk verkozen echter door hun ongehoorzaamheid te sterven in de woestijn. Ze moesten daar niet sterven. Hij was volledig bereid ... Hoort u dat woord? Volledig bereid hen aan het einde van het tweede jaar in het Beloofde Land te brengen, maar zij kozen voor iets anders. Zij kozen ongehoorzaam te zijn en niet op Zijn bevel binnen te trekken, omdat ze geen geloof hadden. En omdat ze geen geloof hadden, waren ze bang voor de bevolking van het land en besloten dat het te angstaanjagend was om binnen te trekken. Hun angst werkte hun dus tegen. Als resultaat beoordeelde God hun handelwijze en zei dat ze allemaal in de woestijn zouden sterven en dat ze het land niet zouden binnen trekken, totdat de generatie die ongehoorzaam was, was gestorven. Zoals hier nogal letterlijk staat, werden hun lijken over de gehele woestijn verstrooid, omdat ze ervoor kozen in de woestijn te sterven.

De les voor ons is [tenminste in het licht van het onderwerp predestinatie], dat alhoewel God heeft gewild dat we eeuwig leven hebben en God heeft gewild dat we in het Koninkrijk van God zijn, we toch een vrije wil hebben. Daarom moeten we op onze hoede zijn voor de soort keuzes die we maken, omdat niet iedere handeling is voorbestemd. Alleen het eindresultaat is gewenst; dat is wat God uiteindelijk wil. Natuurlijk zijn er sommigen die Hij ongetwijfeld roept [misschien wij allemaal wel] om bepaalde verantwoordelijkheden op zich te nemen in het lichaam van Christus. Vooruitziend naar het Koninkrijk van God en Zijn voorbereidingen daartoe, is Hij ook ons daarop aan het voorbereiden. "Ik ga heen om u een plaats te bereiden." Hij besteedt de tijd waarin wij door de woestijn trekken, als het ware om ons daarop voor te bereiden. De kinderen Israëls stierven omdat ze ervoor kozen te zondigen met het gouden kalf, met Korach te rebelleren tegen Mozes, overspel te plegen met de dochters van Moab. God had niet voorbestemd dat ze dat zouden doen. Dat was hun keus. Als God iets toelaat, moeten we niet denken dat God dat heeft voorbestemd. Als Hij iets toelaat te gebeuren in ons leven, moeten we niet veronderstellen dat Hij het voorbestemde. Hij liet het zeer zeker toe. De Bijbel ondersteunt die kijk op voorbestemming niet. De Bijbel duidt er hoogstens op dat Hij besluit zo'n gebeurtenis te gebruiken om te zien hoe wij ermee omgaan, niet dat Hij dat wilde. God heeft altijd alternatieven. Als we kiezen de ene weg te gaan in plaats van de andere, dan schakelt Hij over naar plan B. Misschien maken we dan wel een omweg, voordat Hij ons weer terug heeft op het juiste spoor. We maken het dus alleen maar moeilijk voor onszelf.

Laten we opnieuw denken aan onszelf en aan onze kinderen, aan die analogie dat we onze kinderen riepen uit een groep andere kinderen. Als we onze kinderen roepen, hebben we daar gewoonlijk een bepaalde reden voor. Laten we zeggen dat we willen dat ze (hij of zij — wat het ook maar is) hun kamer opruimen. Dat is wat u voorbestemde om hen te laten doen. Er is in principe geen verschil tussen ons en God. Het is uw wil dat ze die opdracht uitvoeren. Niet iedere stap die nodig is om de kamer op te ruimen is door u voorbestemd. U laat het aan het kind over hoe het de kamer in orde brengt en in welke volgorde het wil doen wat daartoe nodig is. U hebt ongetwijfeld een idee in uw hoofd, een voorstelling van de standaard die het kind zou moeten hanteren om die kamer op te ruimen. Maar wat gebeurt er bij kinderen? Ze beginnen eraan, maar sommigen lummelen maar wat aan, worden afgeleid door de radio of de TV. Ze besluiten nog maar wat te spelen, zich te vermaken met een of ander spel of boek. Anderen beginnen er gehaast aan te werken, gooien alles wanordelijk in de laden, of stapelen het wanordelijk op in een kast, terwijl ze helemaal vergeten het bed op te maken en het meubilair af te stoffen. Het was door u niet voorbestemd dat ze het op die manier deden. Dus u controleert ze. U gaat af en toe bij hen kijken om te zien wat ze doen. En wat doet u dan? Sommige dingen zijn aanvaardbaar, maar andere dingen zijn niet zo aanvaardbaar en u corrigeert ze. Was datgene wat niet aanvaardbaar was, door u voorbestemd? Zou u niet liever hebben dat uw kind alles goed deed, in overeenstemming met de standaard die u in het hoofd had? Geloof me, gemeente, God wil dat ook. Maar Hij laat het aan ons over te bepalen hoe en hoe goed we de weg naar het Koninkrijk van God zullen gaan. Omdat Hij wilde dat we daar zijn, is Hij voortdurend bij ons, kijkt Hij naar ons, corrigeert Hij ons, zet Hij de dingen recht, geeft Hij ons bevelen, zet Hij ons weer op het juiste spoor, zegt Hij dat dit aanvaardbaar is, maar het andere niet, zegt Hij dat dit de manier is waarop Hij wil dat het wordt gedaan. Hopelijk zijn we niet als de Israëlieten, die weigerden het te doen; want als we dat doen, moeten we misschien wel hetzelfde lot ondergaan en komen we tot de ontdekking dat de weg naar het Koninkrijk van God bezaaid ligt met onze lijken.

In deze analogie hebt u een doel voorbestemd en gewild, een doel dat u wilde dat bereikt zou worden. Maar hoe het wordt bereikt en hoe snel het wordt uitgevoerd, hangt in grote mate af van hoe het kind op iedere stap langs de weg reageert. Ik hoop dat u begrijpt, dat ik wat er in ons leven in een lang proces plaatsvindt, sterk heb vereenvoudigd. Waar wij bij betrokken zijn, is veel en veel moeilijker dan wat ik zojuist beschreven heb, maar ik wil dat we zien wat de algemene principes zijn die hierbij werken: wil, voorbestemming en keus. Dat is echt niet ingewikkeld.

Laten we nu naar de brief aan de Filippenzen gaan, hoofdstuk 2, de verzen 12 en 13. Paulus schrijft daar:

Filippenzen 2:12-13 - Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, 13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

Dit vers beeldt ons uit in de positie van het kind. De analogieën zijn iets veranderd. Wij zijn niet langer de ouder [dat is God nu], wij zijn nu het kind dat instructie van de ouder krijgt. De instructie van de ouder is: "Bewerk uw behoudenis met vreze en beven". Het komt overeen met tegen het kind te zeggen: "Ik wil dat je je kamer opruimt en je hebt zelf het recht te beslissen hoe je dat gaat doen."

"Bewerk uw behoud" betekent niet "werk voor behoud". Daar is een groot verschil tussen. Als het betekende "werk voor behoud", dan zou dat betekenen dat we behoud gingen verdienen. Het betekent niet "werk voor behoud". Het betekent, dat we wat God ons heeft gegeven tot zijn logisch einde moeten brengen.

God gaf Israël vrijheid van Egyptische slavernij, maar die bevrijding was niet volledig totdat ze door de woestijn waren getrokken en het Beloofde Land in bezit hadden genomen. Wat moesten ze dus doen? Ze moesten erheen lopen. Zij bewerkten daarmee het behoud dat God had mogelijk gemaakt. Vers 13 legt uit dat God ons zowel het verlangen geeft om gemotiveerd te zijn en het vermogen te doen wat God behaagt. Begrijp dat alstublieft. Hij geeft ons het verlangen en het vermogen Zijn wil tot uitvoering te brengen.

We gaan weer terug naar de analogie over het kind. Als het kind werkelijk van zijn vader en moeder houdt, dan heeft het ook het verlangen om eraan te werken en de opdracht uit te voeren, vader en moeder een plezier te doen. Het principe is beslist niet anders. De enige reden dat wij God liefhebben is, dat Hij ons eerst liefhad. Dat staat zo duidelijk in de Schrift. Omdat Hij ons liefheeft, gaan wij reageren. Hoe reageren we? We geven ons aan Hem over en doen wat Hij zegt. Een andere manier waardoor Hij ons laat reageren en ons dat verlangen geeft, is het element van vrees. Vrees kan in die zin werken dat we bang zijn om uit de gratie van onze ouders te geraken, we houden zoveel van hen dat we willen dat ze nog meer van ons gaan houden; daarom willen we hun een plezier doen. Aan de andere kant is er ook een negatief aspect, dat we bang zijn voor de pijn die ze ons kunnen aandoen. Maar er is ook dat verlangen. Hoe we er ook tegen aan willen kijken — er is verlangen. Dat verlangen komt echter van God. Hij geeft ons dat verlangen, maar God gaat dan nog veel verder dan wat een ouder kan doen. Hier gaat de analogie echter mank. God stelt ons in staat te doen wat er gedaan moet worden. Hij doet dat door de gaven van Zijn Geest. In principe doet een ouder hetzelfde. Als de ouder zo toegeeflijk is geweest, dat hij nooit echt van het kind heeft verlangd bepaalde verantwoordelijkheden uit te voeren, dan geeft zo'n ouder in feite niets aan het kind, behalve gevoelens van misbruik en haat. Als de ouder echter geleidelijk aan een diep gevoel van verantwoordelijkheid bij het kind doet ontstaan, dan stelt de ouder het kind in staat tot het doen van dingen. Geloof me, God is niet zo toegeeflijk als wij. Hij mist geen enkele kans om er zeker van te zijn dat we uitgroeien tot verantwoordelijke wezens naar Zijn beeld. We moeten hierbij ook beseffen dat Hij ons het vermogen geeft Zijn wil uit te voeren — niet onze pleziertjes. Er is een groot verschil tussen die twee.

Vreze en beven is hier in vers 12 toegevoegd, wegens de onzekerheid wat in de toekomst van ons gevraagd zal worden op onze weg naar het Koninkrijk. Laat me u een voorbeeld geven uit de brief aan de Filippenzen. Toen deze mensen, aan wie Paulus de brief aan de Filippenzen schreef, hun kruis opnamen [U weet dat dit in Lucas 14:26 staat?], wisten ze niet zeker wat de toekomst voor hen in petto had. Wij weten dat ook niet. Als ik een dooponderhoud met iemand heb, neem ik heel vaak die verzen in Lucas 14 door, de verzen 25 tot 27, opdat de mensen begrijpen dat ik, John Ritenbaugh, niet weet wat er voor hen, die gedoopt willen worden, in het verschiet ligt. Er staat daar "Neem uw kruis op en volg Mij", maar ik weet niet hoe zwaar dat kruis zal zijn. Soms waarschuw ik dat Jezus Christus hun het leven kan kosten. Zult u loyaal genoeg zijn om uw leven te geven? Hij zegt daar, in die verzen, dat "Wie Mij niet meer liefheeft dan dezen [duidend op vader, moeder, zuster, broer] is Mij niet waardig en kan Mijn discipel niet zijn." We moeten dus ons kruis dragen. Dat staat vast. De mensen aan wie hij in Filippenzen schreef, waren gedoopt onder soortgelijke omstandigheden als wij. Zij wisten ook niet wat er voor hen in het verschiet lag. In Filippenzen, hoofdstuk 1, vers 30, schrijft Paulus:

Filippenzen 1:30 - ... in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.

Met andere woorden, zij gingen door dezelfde moeilijkheden als waar Paulus doorheen was gegaan. [U weet wel door welke moeilijkheden Paulus heen was gegaan, in termen van vervolging.] Dat bedoelt hij hier, in vers 30, met het woord "strijd". Wat denkt u van hoofdstuk 2, vers 8?

Filippenzen 2:8 - En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Dat lag op de weg van Jezus Christus. Hij moest letterlijk Zijn kruis dragen. Wat denkt u van vers 17? Paulus zegt daar:

Filippenzen 2:17 - Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.

Wat lag er op de weg van Paulus, wat was zijn kruis? Martelaarschap. Dat moest hij ondergaan. Wat denkt u van vers 20, van wat daar over Timotheüs wordt gezegd?

Filippenzen 2:20 - Want ik heb niemand die zó eens geestes met u is, om uw belangen getrouw te behartigen.

Voor Timotheüs was het een kostbare dienst en opoffering voor de kerk.

Filippenzen 2:27 - Hij [Epafroditus] is ook ziek geweest, de dood nabij, maar God heeft Zich over hem ontfermd, en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben.

Ziekte, op het randje van de dood, lag op de weg van Epafroditus.

Is God fair in de manier waarop Hij met mensen omgaat? Terug naar die analogie. Is een ouder fair om zijn kinderen te belasten met de verantwoordelijkheid om hun huiselijke verantwoordelijkheden uit te voeren? Paulus bespreekt dit onderwerp in Romeinen 9, de verzen 18 tot 24.

Romeinen 9:18-23 - Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt ? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? 22 En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft; 23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?

Ziet u dat? We komen weer terug bij het onderwerp predestinatie.

Romeinen 9:24 - En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

Is God fair? Dit onderwerp wordt in veel meer detail behandeld in het boek Job. Die vraag ligt in bijna elke vraag, elke uitspraak, van Job besloten. "Waarom moet ik hier doorheen?" "Wat heb ik gedaan om dit te verdienen?" "God is niet fair in wat Hij doet." Op die manier rechtvaardigt Job zich voortdurend. En inderdaad, gemeente, Job was niet schuldig. De les is dat God het recht heeft om met wie dan ook maar te doen wat Hij wil; zelfs met iemand die zo oprecht en rechtvaardig was als Job. Job verdiende niet waar hij doorheen ging. Toch bleven zijn vrienden hem maar zeggen dat hij een groot zondaar was. En Job bleef maar zeggen dat hij dat niet was en hij gaf een uitvoerig verslag van alle goede daden die hij anderen had bewezen. Job was een buitengewoon mens. God onderwierp hem aan die geweldig zware beproeving. Zo groot was het vertrouwen van God in Job. Hij gaf Job over in handen van Satan, zodat Satan met Job kon doen wat hij wilde, behoudens hem doden, om te proberen Job te breken. Job brak niet, maar hij vroeg zich beslist af waartoe dat allemaal diende.

Die ervaringen zijn opgetekend, opdat wij zouden begrijpen dat de vraag of God fair is, de verkeerde vraag is, omdat God het absolute recht heeft om dat te doen. De principiëlere vraag voor ons is, of God wel het recht heeft te doen wat Hem behaagt. Dat is de vraag. Dat is een positieve vraag. God schiep ons. Hij gaf ons het leven. Ons leven wordt in stand gehouden door wat Hij deed, nog steeds doet en overvloedig geeft. Daarnaast bevrijdde Hij ons van onze geestelijke slavernij, vergaf ons door het bloed van Christus, gaf ons Zijn Geest en gaf ons toegang tot Hem. Wij behoren Hem toe. Soms gemeente, schijnt het dat we weinig of geen begrip hebben van wat het in de praktijk van alledag inhoudt de slaaf, de knecht van God te zijn [of zoals Paulus in Romeinen 6 zegt: een slaaf of knecht der gerechtigheid].

Neem die preek van Harold Way over slavernij nog eens door. Denk er eens aan wat u over slavernij weet en de relatie tussen meester en slaaf. Er was een heel goede reden dat de apostelen het woord dat duidt op "slavernij" gebruikten; het Griekse doulos [Strong 1401]. Ze wilden dat de mensen aan wie ze schreven, beslist zouden begrijpen dat onze relatie met God niet alleen die van Zijn kinderen is, maar in termen van de ernst van onze verantwoordelijkheid te gehoorzamen, ligt de analogie dichter bij die van een slaaf. Veronderstel eens dat een meester een slaaf oproept hem iedere zevende dag te ontmoeten voor instructie en omgang, dat de slaaf weigert en zegt dat hij iets belangrijkers te doen heeft. Ik bedoel niet noodzakelijk voor betaling werken. Veronderstel dat de meester zegt dat de slaaf tien procent van zijn inkomen moet terugbetalen, maar dat de slaaf zegt dat hij eerst andere rekeningen die hij heeft ontvangen, moet betalen. Denkt u dat die meester dat zal begrijpen? Ja, hij begrijpt dat hij een kind heeft, dat niet in de eerste plaats loyaal is aan de degene aan wie hij zijn leven te danken heeft.

Laten we dit iets uitdiepen. Als u begrijpt waar ik op uit ben, zult u begrijpen wat er binnen de WCG plaatsvond bij hun overhaaste duik in het Protestantisme. Ze hebben heel sluw de rollen in de relatie omgedraaid; ze hebben de slaaf tot soevereine meester gemaakt en hem de bevoegdheid gegeven te beslissen wat wel wet is en wat geen wet is, alsmede vastgestelde prioriteiten te veranderen. Dus het is niet langer een keuze om te besluiten, of hij, de slaaf, zal gehoorzamen wat God als wet heeft ingesteld, of hij zal erkennen wie soeverein is en wie er slaaf is; dat was het punt dat Paulus hier in Romeinen 9 aansneed. Dit te begrijpen [en het te vertalen in een liefdevolle onderwerping aan God] is essentieel in de relatie met God en daarvoor is het absoluut nodig Hem te vertrouwen. Daarbij is geloof absoluut nodig.

We gaan nu voorbeschikking (predestinatie) en geloof aan elkaar koppelen, zoals in Handelingen 13:48 is gedaan. Er zijn hierbij twee principes betrokken. Als geloof echt praktisch geloof is, dat werkelijk in het leven van alledag wordt toegepast, dan staat of valt het met deze twee factoren.

We erkennen de ware God van de Bijbel absoluut als Soeverein over Zijn schepping.

De mensen die zeggen dat ze God dienen, brengen dat niet in praktische toepassing in hun leven. Ze zeggen wel dat ze geloven dat God soeverein is, maar deze twee principes moeten samengaan.

We geloven dat Hij geïnteresseerd is en persoonlijk en individueel in ons werkt.

Als we deze twee punten niet laat samengaan, dan is het naar mijn mening onmogelijk om gedurende langere tijd geloof toe te passen.

Romeinen 11:28-29 - Zij [de Joden] zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. 29 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

Met andere woorden God heeft het gewild. En de gaven en roeping in relatie met Israël zullen niet worden ingetrokken. God heeft hen niet vergeten.

Romeinen 11:30-31 - Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, 31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden.

Wat zegt hij hier? Hij zegt dat God op termijn barmhartigheid aan deze mensen zal betonen. Denk hier aan in termen van voorbeschikking. Dan gaat u iets heel duidelijk zien, namelijk dat u voorbestemd was om in deze tijd tot geloof te komen, geloof te hebben en behoud te ontvangen. Zij hebben dat nog niet. Zo eenvoudig is dat. [Ik ga u straks, tegen het einde van de preek, een vers voorlezen, dat in dit opzicht heel duidelijk is.]

Romeinen 11:32-36 - Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. 33 O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! 34 Want: wie heeft de zin des Heren gekend ? Of wie is Hem tot raadsman geweest ? 35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

Dit punt van gaven en roeping is evenzeer van toepassing op de kerk als op Israël, maar gemeente, volgens 1 Corinthiërs 15:22-23, elk in zijn eigen rangorde. Teneinde Hem te kunnen vertrouwen, moet God ons de gave van geloof geven, zodat we kunnen zeggen: "Ja, Heer." Dit heeft interessante praktische consequenties. Als Hij ons de gave van geloof heeft gegeven, hebben we geen excuus als we tegen Hem zeggen dat we niet kunnen overwinnen. We hebben zojuist in Filippenzen 2:13 gelezen dat Hij ons kracht geeft en die kracht komt door geloof.

Laten we nu Handelingen 18, vers 27, opslaan. Ook hier is de hoofdfiguur een evangelist. In dit geval is dat Apollos. Hij was een Jood, geboren in Alexandrië. Hij was een welbespraakt man, goed onderlegd in de schriften. Hij kwam in Efeze, een heidense stad, en hij begon te prediken. Priscilla en Aquila merkten op dat hij niet van alles op de hoogte was. Ze namen hem dus terzijde en onderwezen hem grondiger, vollediger.

Handelingen 18:27 - En toen hij naar Achaje wilde oversteken, moedigden de broeders hem daartoe aan en schreven aan de discipelen, dat zij hem vriendelijk moesten ontvangen. Deze, daar aangekomen, was door Gods genade van veel nut voor hen, die geloofden.

Dit komt volledig overeen met Handelingen 13:48. Het komt volledig overeen met Romeinen 11:28-29. We geloven alleen maar omdat God ons de GAVE van geloof gaf, om ons in staat te stellen te geloven, wat op zijn beurt ons DE KRACHT GEEFT om te overwinnen. We hebben hier een perfecte parallel. Handelingen 13:48 zegt: "En allen, die bestemd waren [geroepen waren] ten eeuwige leven, kwamen tot geloof." Ons geloven is het gevolg van, niet de oorzaak van, Gods handelen om ons te roepen. Het is ook duidelijk dat slechts een beperkt aantal is voorbestemd tot eeuwig leven. Er waren mensen die minachtend moesten lachen om de heer Armstrong, [Ik heb het niet over mensen in de kerk, maar over mensen buiten de kerk.] als hij de eenvoudige terminologie gebruikte dat God geboorte-beperking toepaste. God beperkte Zijn gezin. De heer Armstrong had dat absoluut bij het juiste eind! De mensen die minachtend moesten lachen, wisten niet waarover ze het hadden. God beperkt echt Zijn gezin. Hij bestemt sommigen voor het eeuwige leven. De grote meerderheid bestemt Hij niet voor. Hij geeft hun niet de genade te geloven. Hij geeft hun geen geloof. Laten we dit koppelen aan Efeziërs 2, vers 3, omdat ik dit rechtstreeks wil terugvoeren op Romeinen 9:21.

Efeziërs 2:3 - (trouwens, ook wij [Christenen, wij die deel uitmaken van de kerk] allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns).

Romeinen 9:21 zegt dat we allemaal zijn gemaakt van dezelfde klomp klei, dezelfde menselijke massa. En uit die klomp bestemt God [Hij predestineert] sommigen tot eeuwig leven en tot verheerlijking, maar anderen niet. We werden dus vanuit dezelfde menselijke massa genomen als waarin die niet-bekeerde mensen nog steeds zijn. God riep ons, God riep ons op, God predestineerde ons, God bestemde ons voor; maar Hij deed dat niet met hen, anders zouden ze op dezelfde manier als wij geloven. Daarom moeten we concluderen dat degenen die Hij het eeuwige leven toewijst, geloof hebben; de anderen hebben het niet. Het is geheel en al Gods handelen.

Laten we nu weer teruggaan naar Romeinen 11, want daar staat een voorbeeld dat Paulus geeft. Het staat midden in de context van datgene waar ik het over heb. Hij geeft dat voorbeeld om die mensen, maar ook u en mij, te helpen begrijpen dat God handelt om er zeker van te zijn dat Zijn werk voortgaat en met succes tot een einde komt.

Romeinen 11:2-8 - God heeft zijn volk [Israël] niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in de geschiedenis van Elia, als hij Israel bij God aanklaagt: 3 Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. 4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem ? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade. 6 Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer. 7 Wat dan? Hetgeen Israel najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard, 8 gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.

Niet het voorval dat hier beschreven wordt, is belangrijk voor deze preek. Het voorval is wel erg belangwekkend en het geeft blijk van enkele principes die ik hieraan ontleen. De woorden "zo is er dan" in vers 5 zijn bedoeld om onze aandacht te vestigen op Gods roeping en verkiezing. In Elia's tijd hield bijna geheel Israël zich bezig met afgodendienst. Hij zei toch: "Hoe lang blijft u op twee gedachten hinken? Als God God is, dien Hem, maar als Baäl god is, dien hem." Elia moest ook strijden tegen de Baälpriesters. Daarnaast had hij Izebel tot een hooggeplaatste [en naar het schijnt] persoonlijke vijand; deze vijandschap liep zo hoog dat hij meende te moeten vluchten om het vege lijf te redden. Elia geraakte geheel ontmoedigd, hij voelde zich geheel alleen staan in die strijd ten gunste van God. Maar God antwoordde hem: "Elia, je staat niet alleen. Ik heb nog zevenduizend mensen voor Mijzelf bewaard." God was niet beperkt om alleen maar door Elia te werken. God had nog andere ijzers in het vuur, waarvan Elia in het geheel niet op de hoogte was. God had Elia's hulp echt niet nodig. Ik heb er geen idee van wie die zevenduizend waren, die door God waren geroepen. Het is niet belangrijk. Ik wil wedden dat dat nogal vernederend was voor Elia. "Ach, ik sta helemaal alleen. Nee, ik sta helemaal niet alleen. God heeft me niet nodig. En ik ben nog wel zo vurig en ijverig geweest. God, U bent me toch wel iets schuldig. Nee, U bent me niets schuldig. Ik kan me beter voor U neerbuigen. U bent Degene Die soeverein is." Die gebeurtenis prikte Elia's ballon lek en bracht hem terug in een toestand waarin hij op een manier gebruikt kon worden die beter in Gods doel paste.

Ziet u het punt waarom het draait? Zelfs in de tijd van Paulus, maar ook in deze tijd, is er een overblijfsel dat God, naar Zijn genadige verkiezing, voor Zichzelf heeft bewaard. Nogmaals, dat gebeurt niet op basis van wat dat overblijfsel te bieden heeft, het is puur en alleen Gods invloed en Zijn werking. Er is nergens ook maar enige aanwijzing dat God ons koos, omdat we reeds geloof hadden, of een andere kwaliteit die daarvoor belangrijk was.

Laten we weer naar 1 Corinthiërs 1 gaan en die schriftgedeelten vanuit dit licht gaan bezien.

1 Corinthiërs 1:26-29 - Ziet slechts, broeders [overblijfsel], wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God.

Wilt u een parallel schriftgedeelte? Dat kan, en wel een parallel uit Deuteronomium 7. God zei dat Hij Israël niet koos omdat ze groot en machtig waren, de belangrijkste onder de volken, de sterksten en de besten. Hij koos hen omdat ze de zwaksten waren. God volgt altijd dat patroon. En dus staat hier in 1 Corinthiërs 1 twee keer, in vers 27 en nog eens in vers 28, heel specifiek dat God heeft gekozen. We stelden ons niet als vrijwilliger beschikbaar. Let er op hoe duidelijk Hij maakt dat Hij ons niet koos op basis van enige kwaliteit die we bezaten. "Niet vele wijzen, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken." In plaats daarvan predestineerde God welbewust de dwazen, de onaanzienlijken, de verachten: mensen die niets voorstellen. We zijn maar een bij elkaar geraapt zootje! God heeft Zich echt niet omringd met de elite om Zichzelf enig voordeel te geven in de strijd tegen Satan, in de strijd tegen de wereld, of in de strijd tegen onszelf.

Bedenk hierbij, hoe Jezus in Zijn gebed in Johannes 17:3, eeuwig leven beschreef als God kennen. We begrijpen dat dat kennen duidt op een intense, intieme liefde voor God. Bent u er zich van bewust, dat er verzen zijn, waarin staat dat er mensen zijn die God niet kent en anderen die Hij wel kent? Dat is gewoon de andere kant van de medaille. Ik geef u drie korte voorbeelden:

1 Corinthiërs 8:3 - Maar heeft iemand God lief, dan is deze door Hem gekend.

God kent die persoon. Wat denkt u van Galaten 4, vers 9, waar Paulus schrijft:

Galaten 4:9 - Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken?

U kunt de volgende tekst opschrijven: Amos 3:2, waar God tot Israël zegt: "U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk."

Al deze verzen duiden er in hun context op dat onze liefde voor Hem alleen maar een reactie is op Gods initiatief in onze relatie met Hem. Ik wil u nog een tegenstelling laten zien die erg interessant is; deze staat in Mattheüs 7, de verzen 21 tot 23.

Mattheüs 7:21-23 - Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

Dat is gewoon een andere manier van zeggen van: "Ik heb u nooit liefgehad. Ik heb nooit een intieme relatie met u gehad." Een erg interessant voorval, maar ik hoop dat ik u in de hoek drijf om te begrijpen dat we absoluut niets hebben — geen enkel blijk, geen bewijs, geen Bijbelse teksten, niets — waar we op kunnen terugvallen om te staven dat God ons om een andere reden riep dan alleen maar iets dat bij Hem lag.

Laten we nu 1 Petrus 2, de verzen 7b tot 10, lezen.

1 Petrus 2:7b - ... en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, ...

Kijk eens naar de laatste paar zinnen.

1 Petrus 2:8 - voor hen [de onbekeerden], die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn.

Ik zei u eerder in deze preek, dat ik u een vers zou laten zien dat aantoont dat God soeverein is in Zijn schepping, dat Hij uitzoekt en uitkiest. Evenals Hij sommigen voorbestemd, gepredestineerd, heeft om deel uit te maken van Zijn gezin, zo heeft Hij ook anderen ertoe bestemd om te struikelen. Let er op dat ik niet zei dat Hij hen ertoe bestemd heeft om te komen. Kijk in dat licht naar vers 9.

1 Petrus 2:9a - Gij [Christenen] echter zijt een uitverkoren geslacht.

Let op de tegenstelling. U bent niet geroepen om te struikelen. God wil u in Zijn Koninkrijk hebben. Hij heeft u tot eeuwig leven voorbestemd. Hij heeft u gepredestineerd daar te zijn. Alles wat er voor ons over blijft te doen, is ons behoud uit te werken, ervoor te kiezen Zijn wil te doen.

1 Petrus 2:9-10 - Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom [Als Gods eigendom springt u er duidelijk uit, bent u voor iedereen herkenbaar, omdat u uit de toon valt van wat in de wereld gangbaar is.], om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

Als die tekst in vers 8 de enige was die we hadden, dan zouden we een sterk punt hebben om te beweren dat God sommigen heeft voorbestemd om voor eeuwig verloren te gaan in de poel des vuurs. Maar dit betekent in werkelijkheid dat degenen die nu struikelen, in deze tijd alleen maar zijn overgeslagen. Zij zijn bestemd om een ander deel van Gods plan dat Hij nu aan het uitvoeren is, in te vullen. Hebben we geen weet van de tweede opstanding? Er zijn schriftgedeelten die zeggen, dat God niet wil dat er iemand verloren gaat, dat ieder tot een eigen rangorde behoort. Er zijn een geweldig aantal schriftgedeelten die zeggen, dat dit niet de enige dag van behoud is. We hebben Openbaring 20 en de tweede opstanding, Ezechiël 37, Zacharia 14, Mattheüs 11 en 12, Jesaja 2, Micha 4, Romeinen 9 tot 11. Maar we moeten weten en ook beseffen dat we weten, dat er buiten Gods wil geen enkele andere oorzaak is die Hem ertoe aanzette om ons nu in deze tijd het speciale voorwerp van Zijn liefde te maken. Bedenk nogmaals, dat de menselijke natuur altijd een of ander motief binnen onszelf zoekt, dat volgens ons denken de aanleiding was dat God ertoe bracht ons uit te zoeken en uit te kiezen. Er zijn mensen die zeggen: "Ik heb God altijd al liefgehad." Hoe kan de menselijke natuur dat zeggen, als het eerste dat we moeten doen is ons bekeren, ons bekeren van het overtreden van Gods wet en de Bijbel liefde omschrijft als het onderhouden van Gods wet? We moeten ons er dus van bekeren dat we Hem niet liefhebben? Ik zeg u, dat als we Hem werkelijk liefhadden, we ons niet behoefden te bekeren. Het is een leugen als u mensen hoort zeggen dat ze God altijd hebben liefgehad.

1 Petrus 1:18 - wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die u van de vaderen overgeleverd is.

Gemeente, wat we liefhadden was een besef van God dat voortkwam uit de traditie waarin we opgroeiden. Het was iets waar we zelf een zekere invulling aan konden geven. Als we echt de werkelijkheid daarvan willen erkennen, dan geven we toe dat het, dat de god die we zochten, dat de god die we liefhadden, dat het een afgod was die we zelf hadden gemaakt. In principe was het niet verschillend van het neerbuigen voor beelden, hetgeen de heidenen in de oudheid deden.

De God van de Bijbel openbaart in Zijn woord, dat er letterlijk niemand is geweest die Hem heeft gekend, totdat God ervoor koos Zich aan hem te openbaren. Er was niemand die ook maar wist waar hij naar uit moest kijken, totdat God Zichzelf openbaarde. Hij zegt: "Er is niemand die God zoekt, zelfs niet één." De menselijke natuur houdt ervan van zichzelf te denken dat ze zekere deugden bezit. Ze zal zeggen: we waren edelmoedig, we waren vriendelijk, we hadden een evenwichtig humeur, of, we waren oprecht; daarom zag God ons en wilde Hij ons aan Zijn kant hebben. Nogmaals we kunnen daarvoor geen enkele ondersteuning in de Bijbel vinden. Wie spreekt de waarheid? God, Die zegt: "Er is niemand goed, zelfs niet één", of degenen die de zojuist genoemde dingen zeggen? Ik wil echt niet ontkennen, dat er mensen zijn met deugdzame kwaliteiten, maar dat is niet de reden dat God hen riep. Die reden, of die redenen, zijn verborgen binnen Godzelf. Sommigen mensen zeggen ook graag dat ze altijd in God hebben geloofd. Maar waar zij in geloofden, was een afgod, een syncretistische god, een mengsel van Bijbels waarheid en heidendom. Als wat die mensen beweren waar is, wat zegt dat dan van Handelingen 18:27? Wij geloven omdat het ons is gegeven. Geloof is een gave van God. We hebben wat we hebben alleen maar omdat we het voorwerp van Zijn keuze zijn. Hij koos degenen die Hij koos, gewoon maar omdat Hij hen koos; meer kunnen we er niet over zeggen. We hebben in dit opzicht geen enkel recht op waardering. Integendeel, het zou ons nederig moeten maken, in feite ons verbijsterd moeten doen staan in een overvloed aan lof, dankbaarheid en gehoorzaamheid, met net zoveel enthousiasme en vurige ijver als we maar kunnen opbrengen, omdat ons zoveel is gegeven voor zo weinig, omdat we totaal niet verdienden wat we hebben ontvangen.

Gemeente, nederigheid ontstaat als we een juiste erkenning hebben van wie en wat we zijn in relatie tot de soevereine Schepper. Bovendien draagt nederigheid ook bij aan het verbeteren van onze relatie met onze medemensen, zowel geroepenen als niet-geroepenen. Nederigheid uit zich in de keuzes die we maken en onze keuzes zullen grotendeels worden beïnvloed door onze vrijwillige erkenning van de ontzagwekkende waarde van Gods openbaring van Zichzelf aan ons en van de grote liefde die hieruit spreekt.

Dit is het einde van deze preek; zo God het wil, zal ik over enkele weken weer tot u spreken.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)