De soevereiniteit van God (Deel 6)

Door John W. Ritenbaugh
20 april 1996

Samenvatting: (toon)

In dit zesde deel in de serie over de soevereiniteit richt John Ritenbaugh zich op Gods bestuur over de mens. God heeft Zijn schepping consequent in de richting van haar uiteindelijk doel gestuurd, waarbij Hij de grenzen van de volkeren bepaalde en het denken van hun heersers leidde (Spreuken 21:1) om een bepaalde loop van gebeurtenissen te bewerkstelligen, soms tegen hun wil in. Het is Gods wil dat we ons onderwerpen aan bestuurlijke autoriteit (wettig of onwettig), maar daarbij natuurlijk God meer gehoorzamen dan mensen (Handelingen 5:29), in de zin dat we door goed te doen een goed voorbeeld geven en de dwaze beschuldigingen van de mens hun kracht ontnemen. God heeft een zeer klein aantal zwakke individuen gekozen, hen uit de macht van Satans opstandig denken verlost (Efeziërs 2:1-3) om hen te vormen tot gehoorzame en onderworpen werktuigen tot heerlijkheid.


De preek gaat vandaag opnieuw over de soevereiniteit van God, maar deze keer hoofdzakelijk over de mensheid in het algemeen. Aan het einde van de preek gaan we het specifiek hebben over iets dat ons allemaal zeer persoonlijk raakt. We gaan beginnen in Deuteronomium, hoofdstuk 30, de verzen 15 tot 20. Deze serie verzen gebruikte ik in mijn tweede preek over "IJdelheid" op de Laatste Dag van Ongezuurde Broden, maar toch begin ik hier opnieuw mee, omdat ik voor ons allen het belang van deze soevereiniteitskwestie in ons leven wil benadrukken. Adam en Eva struikelden over deze kwestie, sindsdien struikelt de gehele mensheid hier voortdurend over en ik weet dat ook wij hier voortdurend over struikelen. Laten we deze verzen in Deuteronomium 30 opnieuw gaan lezen.

Deuteronomium 30:15-20 - Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: 16 doordat ik u heden gebied de Here, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Here, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemen. 17 Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden nederbuigt en hen dient, 18 dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit gaat nemen. 19 Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, 20 door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Here uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou.

Denk bij het bestuderen van Gods Woord altijd aan het principe, dat God in het boek Genesis, het boek van het begin, de fundamentele elementen van Zijn plan weergeeft, de zaken die praktisch ons hele leven een hoge prioriteit zullen hebben. Meteen vanaf het begin stelt Hij vast dat Hij de Schepper is en dat het leven, het doel van het leven en zijn gehele potentieel, zijn begin heeft in Hem en dat het van Hem uitgaat. Derhalve zijn wij zonder excuus in de wetenschap dat de Schepper de centrale figuur is in al het leven. Niet Satan, niet wij, niet andere mensen, niets anders, omdat onze relatie met Hem centraal staat in Zijn doel met de schepping van ons. Dat is het eerste feit waar we op terechtkomen als wij het boek openslaan om te lezen. De Schepper wordt aangeduid als de bron van alle goed in het leven. Zelfs nog voor het einde van hoofdstuk 1, heeft Hij reeds in algemene termen aangegeven dat het Zijn plan is de mens naar Zijn beeld te scheppen. Dus zelfs voor we het eerste hoofdstuk verlaten, zien we de twee belangrijkste zaken voor het leven, namelijk dat de Schepper de centrale figuur in al het leven is en tevens wat Zijn plan is.

In hoofdstuk 2 stelt Hij het huwelijk en het gezin in als fundament om te leren hoe menselijk gezien één te worden, met de bedoeling dat het gezin de basis is in de voorbereiding één met Hem te worden. Laat dat alstublieft duidelijk zijn.

In hoofdstuk 3 openbaart Hij de soevereiniteitskwestie, namelijk dat iedereen gedurende zijn leven moet kiezen wie men gaat gehoorzamen. Dat bepaalt het karakter, de kwaliteit van het leven, naar wiens beeld men gevormd zal worden en wie men als soeverein zal aanvaarden.

Natuurlijk staan al deze zaken niet in de hoofdstukken 1, 2 en 3 en ik hoop dat u begrijpt dat ik zaken vanuit andere delen van het boek toevoeg. Niettemin, nog vóór u bij vers 5 in hoofdstuk 3 bent aanbeland, zijn reeds vier belangrijke fundamentele basiselementen met betrekking tot de weg van God vastgesteld.

Ook Satan wordt reeds aan het begin van het derde hoofdstuk geïntroduceerd en hij overtuigde Adam en Eva op een subtiele manier dat zij als God zouden worden. Hierbij is inbegrepen dat zij het recht zouden hebben hun eigen standaarden vast te stellen en vrij zouden zijn om te kiezen. Op een subtiele manier verborg hij echter voor hen dat zij door hem zouden worden beïnvloed en dat die beïnvloeding aanleiding zou zijn tot het vaststellen van die standaarden en in het maken van die keuzes waarbij hij, de god van deze wereld, soeverein zou zijn, gehoorzaamd zou worden en wij vervolgens naar zijn beeld geschapen zouden worden. Vijf belangrijke zaken nog vóór we vijf verzen in het derde hoofdstuk hebben gehad. Dit is van grote betekenis in verband met Deuteronomium 30. Alvorens we in gedachten terug gaan naar Deuteronomium 30, gaan we allereerst naar Efeziërs, hoofdstuk 2, de verzen 1 tot 3, omdat Satan in hoge mate succes heeft gehad met zijn list.

Efeziërs 2:1-3 - Ook u, hoewel gij [u en ik] dood waart door uw overtredingen en zonden, 2 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 (trouwens, ook wij allen [iedereen van ons] hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns).

Wij hebben Satan geïmiteerd en op het moment dat God ons roept, zijn wij grondig naar zijn [Satans] beeld gevormd. Deze verzen bewijzen dat. Het woord van God bewijst dat. Wij allen wandelden overeenkomstig de loop dezer wereld, volgens de geest die nu werkt overeenkomstig de overste van de macht der lucht. Van nature zijn wij of waren wij kinderen des toorns. Hij verborg voor hen — ook op een subtiele manier — dat deze vrijheid om eigen standaarden vast te stellen en de vrijheid zelf te kiezen, een enorme diversiteit zou creëren. De vrucht zou een constant gezeur, zorg, verwarring en verdeeldheid zijn. Wanneer daaraan ook nog ijdelheid wordt toegevoegd, mondt het uit in scheiding in het gezin, sociale problemen, inclusief moord in de gemeenschap en bloedige oorlogen op nationaal niveau. De mensheid heeft een enorme prijs voor dit privilege betaald waarvoor we niet zijn toegerust om het te hanteren. God heeft reeds vanuit Zijn natuur van liefde en wijsheid bepaald wat juist en goed is. Als wij Zijn doel met ons willen bereiken en naar Zijn beeld willen zijn, is onze vrije wil beperkt tot het kiezen of we ons al dan niet willen onderwerpen aan de standaarden die Hij reeds heeft vastgesteld. Deze standaarden hebben betrekking op elk aspect van het leven. Wat God hier in Deuteronomium 30, de verzen 15 tot 20, doet, is zo duidelijk. Hij dringt er bij ons op aan serieus en weloverwogen te kiezen. Hij maakt ons duidelijk dat wat de moraal betreft, wij ons in niets neutraal kunnen opstellen. In grote lijnen is alles scherp gedefinieerd: gehoorzaamheid - ongehoorzaamheid; leven - dood; goed - kwaad. Deze kenmerken [en nog meer] zijn tegengesteld aan elkaar en ons wordt opgedragen, van ons wordt geëist, dat we ons daartoe verplichten en de daarmee samenhangende beslissingen te nemen. Hij maakt heel specifiek duidelijk dat Hij afgodendienst niet zal tolereren. Afgoden stellen niets voor.

We blijven in het Nieuwe Testament en gaan naar 2 Petrus, hoofdstuk 3, de verzen 1 tot 6, om dit specifiek te koppelen aan de soevereiniteitskwestie.

2 Petrus 3:1-6 - Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf; in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden, 2 om aan de woorden te denken, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan het gebod uwer apostelen van de Here en Heiland. 3 Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen [daar bevinden wij ons in] spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten [hun eigen hartstochten] wandelen, 4 en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. 5 Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, 6 waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water.

Petrus maakt hier duidelijk dat God, omdat de Schepper God werkelijk soeverein is, constant in Zijn schepping [inclusief ons] stappen onderneemt om het einddoel te bereiken dat Hij vanaf het begin heeft vastgesteld. Hij [Petrus] bevestigt dat niet alles blijft zoals het was. Dat is een leugen die de spotters verspreiden. Petrus zegt dat God intervenieert; dat Hij aanpassingen maakt, aanpassingen in de loop der gebeurtenissen zowel op nationaal als persoonlijk niveau. Het is God die de grenzen van de volkeren bepaalt. Hij bepaalt hun tijd en Hij maakt ons in Deuteronomium duidelijk dat Hij dat doet overeenkomstig het aantal kinderen van Israël. Opnieuw terugkijkend naar Genesis zien we, dat nog voor we het tiende hoofdstuk hebben gehad, de zondvloed reeds heeft plaatsgehad, alsmede de toren van Babel: twee levendige, vroege voorbeelden van Gods ingrijpen in de gebeurtenissen van mens. Daarom haalt Petrus dit hier aan zodat wij kunnen terugkijken naar het begin van het boek. Dit is slechts een voorbeeld. Dat is alles wat hij zegt. Het gebeurt nagenoeg voortdurend. God bestuurt. God regeert Zijn schepping.

Toen we de voorgaande preek over soevereiniteit beëindigden, liet ik u zien hoe de Bijbel bevestigt dat God gebeurtenissen beïnvloedt om binnen Zijn doel te passen. Wij gaan dat opnieuw bekijken vanuit Spreuken, hoofdstuk 21.

Spreuken 21:1 - Het hart van de koning is in de hand des Heren als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.

Hij leidt het hart [het verstand, het denkproces van de koning] waar Hij wil, waar God wil. Het Boek vertaalt dit vers als volgt:

"Het hart van de koning ligt in de hand van de Here; als een waterloop kan het naar alle kanten worden gebogen, zodat de koning precies doet wat de Here wil."

Een water irrigatiesysteem is voorzien van een schuif. Alles wat de boer heeft te doen om het water de juiste richting uit te sturen, is de schuif in een dusdanige stand brengen, dat het water naar dat land vloeit waar hij wil. Deze spreuk zegt dat God zo met de koning doet. Hij beweegt de koning tot het nemen van beslissingen om een gehele natie in een bepaalde richting te leiden. We voegen hier Spreuken 4, vers 23, aan toe.

Spreuken 4:23 - Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

Hij leidt het hart van de koning. Hoe gaat dat met ons hart? Waarom is het belangrijk dat wij ons hart behoeden? Omdat daaruit de oorsprongen des levens zijn. Het oorspronkelijke Hebreeuws duidt daar op de drijfveren die de natuur van iemands leven beïnvloeden en bepalen. Vandaag de dag hebben we het dan over houdingen, neigingen, driften. Deze driften, deze houdingen en deze neigingen motiveren ons een bepaalde richting uit te gaan. Salomo maakt ons duidelijk ons hart te behoeden, te bewaken, zodat daar de juiste dingen uit voortvloeien. We voegen hier verder Spreuken 23, vers 7, aan toe.

Spreuken 23:7 - Want als iemand [dat kan de koning zijn, dat kunnen wij zijn, dat kan iemand anders zijn] die zijn eigen plannen [waaruit de oorsprongen des levens komen, de motivaties, de neigingen, de houdingen, de drijfveren] maakt, zo is hij; "eet en drink!' zegt hij tot u, maar zijn hart is niet met u.

Als wij deze drie gedachten [spreuken] samenvoegen, wat krijgen we dan? Als het hart van de koning [de hoogste en invloedrijkste persoon in de natie] in de hand van de Heer is en Hij [God] zijn beslissingen beïnvloedt zoals het Hem goeddunkt, is het dan niet duidelijk dat alle menselijke regeerders geheel ondergeschikt zijn aan de bestuurlijke controle van de Almachtige? Absoluut. Nu betekent dit niet dat God elke gedachte van hen stuurt. Het betekent ook niet dat God elke beslissing van hen stuurt, maar daar waar God het van belang acht, beïnvloedt Hij die wel, omdat God de zaken zo stuurt, zoals Hij heeft gepland. En als Hij verlangt dat Zijn schepping een bepaalde richting uitgaat, dan zal het die richting uitgaan. Geen enkele koning is krachtig genoeg om Hem daarin tegen te houden.

Denk eens na over het concept dat alle bestuurlijke controle in handen is van de Almachtige. Ik weet niet in hoeverre u op de hoogte bent van het soeverein burgerconcept dat in beweging is gezet en de publieke opinie bespeelt in bepaalde elementen van deze natie. Nog belangrijker is het groeiende gevaar voor sommigen in de Kerk van God, omdat leden misleid worden tot onbewuste tegenwerking van Gods regering door deel uit te gaan maken van die beweging. We gaan naar Mattheüs, hoofdstuk 17.

Mattheüs 17:24-27 - Toen zij te Kafarnaum kwamen, traden de ontvangers van het hoofdgeld op Petrus toe en zeiden: Betaalt uw Meester het hoofdgeld niet? [We hebben hier te maken met belastingen.] Hij zeide: Zeker wel. 25 En toen hij thuiskwam, was Jezus hem vóór met de vraag: Wat dunkt u, Simon? Van wie heffen aardse koningen rechten of belasting? Van hun zonen of van de vreemden? 26 Toen hij zeide: Van de vreemden, sprak Jezus tot hem: Zo zijn dus de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga gij naar de zee, werp een vishaak uit en de eerste vis, die bovenkomt, grijp die. En wanneer gij zijn bek opendoet, zult gij een zilverstuk vinden. Neem dat en geeft het hun voor Mij en voor u.

Bekijk dit eens in het licht van het soeverein burgerschap, waarbij deze mensen weigeren hun inkomstenbelasting te betalen, naast de vele andere dingen die zij doen. Het directe onderwerp hier in dit voorbeeld van onze Heer, Verlosser en Schepper is, dat elke Jood boven de twintig een halve sikkel per jaar moest betalen, tempelbelasting genoemd. Dit verklaart waarom Jezus aan Petrus deze vraag over de koningen der aarde stelde, omdat Hij de Schepper was en bovendien de Heer was, de Eigenaar van de tempel. Die was van Hem. Petrus antwoordde Hem correct. Zijn de kinderen van de koning vrij van het betalen van belasting? Natuurlijk zijn ze dat, omdat hun vader koning is en hij hun het privilege geeft om in het geheel geen belasting te betalen. Degenen die niet zijn kinderen zijn, betalen belasting. Diezelfde redenering paste Jezus toe op de tempel en zei: "Zijn de leden van Mijn gezin niet vrij van het betalen van de tempelbelasting, aangezien Ik Heer, Meester en Eigenaar ben. Daarom Petrus, behoeven jij en de andere leerlingen, als Mijn kinderen, Mijn gezin, ..., geen tempelbelasting te betalen. Desondanks, opdat wij hen geen aanstoot geven, betaal het voor ons beiden."

Ik breng dit naar voren, omdat Jezus in het geheel niet onbekend was met onwettige regeringen. De aanhangers van soeverein burgerschap beweren dat de regering van de Verenigde Staten onwettig is en, geloof het of niet, zij hebben het redelijk goed onderbouwd. Maar wie bezit de macht? De aanhangers van soeverein burgerschap denken dat de regering van de Verenigde Staten onwettig is. Kijk naar Jezus. Hij bevond zich onder een onwettig bestuur ten aanzien van de tempel, omdat die van Hem was en Zijn autoriteit "was wederrechtelijk in bezit genomen" door degenen die daar geen recht op hadden. Degenen die niet bevoegd waren in die tempel, waren daarin geplaatst door de regeringsautoriteit [de politieke regeringsautoriteiten van de natie], die onrechtmatig was, die ook een onwettige regering was. Dus was er aan de ene kant een onwettig religieus bestuur en aan de andere kant een onwettig politiek bestuur, omdat de Romeinen zich daar bevonden door middel van militaire onderwerping. Het was niet hun land. Zij namen het in bezit. God had het de Israëlieten gegeven en deze toekenning door God werd door de Romeinen genegeerd en zij namen het gewoon in. Wat deed Jezus? Jezus keek verder dan een wettig technisch detail en keek naar de ware bestuurder — de Vader. Het is Zijn aarde. Aangezien God ongetwijfeld had laten doorgaan wat daar in Judea gebeurde, zowel betreffende de tempel als het land zelf [we mogen zelfs zover gaan om te zeggen dat Hij het veroorzaakte als onderdeel van Zijn totale plan], keek Jezus verder dan dat en onderwierp zich aan God; niet aan de Romeinen; niet aan Kajafas en Annas, die zitting hadden in de tempel. Sla nu 1 Petrus 2, vers 19, op.

1 Petrus 2:19—23 - Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt [het betalen van belasting], dat hij ten onrechte lijdt. 20 Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, [en hier komt het belangrijke punt] maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.

1 Petrus 2 betreft niet exact dezelfde context als Mattheüs 17. Het is niet exact dezelfde context, maar het principe is toepasbaar op ons reageren op onheuse bejegening door bestuurlijke autoriteiten. Jezus trotseerde hen niet, noch poogde Hij hen ten val te brengen. Daar is een verklaring voor - een zeer duidelijke verklaring voor het waarom - en die wordt tot uitdrukking gebracht in Johannes, hoofdstuk 19. We lazen zojuist dat Jezus Zichzelf overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt en dat ligt aan die andere zaken ten grondslag. Zijn geloof, Zijn vertrouwen was in God, niet in mensen. Nu naar Johannes, hoofdstuk 19, de verzen 10 tot 11.

Johannes 19:10-11 - Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? [Met andere woorden, waarom houdt u zich stil?] Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.

God gaf aan Pilatus de autoriteit om op de hoogste troon in het land te zitten. En ofschoon het technisch gezien onwettig was omdat de Romeinen daar door verovering waren gekomen, onderwierp Jezus Christus Zichzelf aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Hij begreep dat God toestond of misschien zelfs veroorzaakte dat de Romeinen in die tijd die macht, die bestuurlijke autoriteit, bezaten. Het is beslist heel duidelijk te zien, dat Jezus het alles overheersende plan van God als eerste prioriteit beschouwde. Hij wilde Zichzelf niet in een positie brengen om dat te weerstaan, zelfs al zou Hem dat het leven kosten. Zodra wij deze principes beginnen te zien is het niet zo moeilijk te begrijpen waar Paulus de concepten vandaan haalde die hij in Romeinen 13, de verzen 1 tot 7, onder woorden bracht, of hoe Mozes heel duidelijk begreep dat de acties van Korach en zijn groep een rebellie tegen Godzelf betrof. Zij zeiden: "Wie heeft u als koning en heerser over ons aangesteld?" Mozes gaf hun niet direct antwoord, maar God wel. De poging Mozes ten val te brengen, was dus een poging om het besluit van de almachtige God ongedaan te maken. U weet wat er met hen gebeurde. Zij werden door de aarde opgeslokt. De aarde opende zich en verslond hen. Jezus wilde niet de strijd met God aangaan, als God de Romeinen toestond daar te zijn en als God Kajafas en Annas toestond om het Hogepriesterschap te bekleden en als het ware vanuit de tempel te regeren [natuurlijk onder toezicht van de Romeinen].

We gaan naar een duidelijke bevestiging hiervan in 1 Samuël 8, vers 7.

1 Samuël 8:7 - De Here zeide tot Samuel: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.

Voor een zoon van God maakt het niet uit of de regering van zijn land wettig is, of laten we zeggen feitelijk wettelijk, of [formeel] onwettig is. Waar het op aankomt is, dat de Christen de soevereiniteit van God erkent en beseft dat als het zich voordoet, God niet heeft geslapen. God keek niet de andere kant uit. Hij is volledig op de hoogte van wat er gebeurde en Hij stond het toe. En als Hij het toestond [Degene die zelfs het vallen van een mus waarneemt], dan liet Hij het gebeuren of bracht het rechtstreeks tot stand vanwege Zijn plan [het plan dat Hij aan het uitwerken is] en daar draait het allemaal om. God bestuurt Zijn schepping en dat moeten wij hieruit leren. Hierin faalden Adam en Eva. Hierin hebben zo velen gefaald. Wij moeten ons vertrouwen stellen in God die soeverein is over Zijn schepping.

Laten we hier nog eens wat verder op doorgaan in het boek Handelingen. Allereerst gaan we naar Handelingen 4, vers 19.

Handelingen 4:19 - Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven.

Ik lees dit vers [niet vanwege enig specifiek belang hier, maar] alleen als een soort fundament alvorens we een aantal andere verzen gaan lezen over hoe vaak deze gedachte over de soevereiniteit van God op kwam in de jonge kerk. Het was een belangrijk punt en ontzettend belangrijk voor de kerk in de eerste eeuw; daarom brachten zij het zo vaak naar voren. Nu naar een vers dat u onmiddellijk zult herkennen en dat is Handelingen 5:29.

Handelingen 5:29 - Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.

Opnieuw soevereiniteit. U kunt er verzekerd van zijn, dat zij erkenden dat God soeverein was over Zijn schepping. Dit zei degene die schreef wat er staat in 1 Petrus, hoofdstuk 2. We gaan daar naar terug, maar nu om te lezen wat daaraan in 1 Petrus 2 voorafging. We gaan de verzen 13 tot 17 lezen.

1 Petrus 2:13a - Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen.

Kijk nu naar de volgende zin die iets verderop staat.

1 Petrus 2:15-17 - Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. 17 Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.

Gemeente, staat er ergens in Gods woord dat wij de koning dienen te gehoorzamen, de koning dienen te eren, ons aan de koning dienen te onderwerpen, uitsluitend als het wettelijk is? Dat staat er niet. Uiteindelijk is het wettelijk, omdat God zegt dat het wettelijk is. Hij liet het doorgaan. Deze mensen geven het Christendom een slechte naam. Ik ben er absoluut zeker van dat zij onbewust vervolging van regeringswege op de ware Christenen brengen door het principe "schuldig door associatie". Wanneer u ook Christen bent en u loyaal bent aan God, dan moet u net zoals die andere mensen zijn die tegen de regering rebelleren. Dat drukt een stempel op ons. Wij worden ook zo afgeschilderd. Maar er is bemoediging. Ik denk heel veel bemoediging in enkele verzen uit Spreuken 21, de verzen 30 en 31.

Spreuken 21:30 - Er is geen wijsheid en geen verstand, geen raad is er tegenover de Here.

Er is niets dat Zijn talent, Zijn wijsheid, Zijn liefde, Zijn plan kan overtreffen. Er bestaat geen raad tegen God die stand kan houden.

Spreuken 21:31a - Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd.

Er kunnen allerlei soorten militaire voorbereidingen zijn.

Spreuken 21:31b - maar de zege is van de Here.

Daniël dacht dat. Sadrak, Mesak en Abednego dachten dat. Zo dacht Jezus Christus en dat is de manier waarop al deze mensen handelden. Zij waren bereid hun leven te geven voor een God Die zij niet konden zien, maar geloofden dat Die soeverein was. Soeverein over landen, soeverein over bulderende vuren, soeverein over kruisiging. Daar gaat het om. Het soevereiniteitsvraagstuk is het vraagstuk geweest dat het leven op deze aarde heeft gedomineerd, tenminste in termen van Gods plan. Maar de zege is bij de Here.

We gaan naar het boek Job, hoofdstuk 23. Ik ga hier doorheen, omdat ik niet wil dat wij op de een of andere manier meegesleurd worden in de sensatie van wat deze aanhangers van soeverein burgerschap aan het doen zijn, en eindigen in het bestrijden van God als Hij in bepaalde mate een regeringsverandering aanbrengt. We weten niet hoe groot die verandering zal gaan worden. Wij weten alleen dat Gods profetieën aantonen dat er een grote verandering in de regeringen van de wereld zit aan te komen en dat de dingen die wij zien, slechts voorbodes zijn van wat te gebeuren staat. In Job, hoofdstuk 23, vers 8, zegt Job: "Zie, ga ik naar het oosten, Hij is er niet". Die "Hij" is God, ... en dit is een klacht die de verbaasde Job uitte naar aanleiding van de situatie waarin hij zich bevond. Zijn leven werd ineens op de kop gezet. Hij zegt:

Job 23:8-9 - Zie, ga ik naar het oosten, Hij is er niet; en naar het westen, ik bespeur Hem niet; 9 werkt Hij in het noorden, ik aanschouw Hem niet; keert Hij Zich naar het zuiden, ik zie Hem niet.

Job vroeg zich af waar God in dit alles was? Maar hiervan was hij wel overtuigd [tenminste intellectueel gezien] ...

Job 23:10 - Want Hij weet, hoe mijn wandel is; toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn.

Dat begreep Job maar al te goed, maar toch was hij hoogst verbaasd over waar hij doorheen ging.

Job 23:11-14 - Mijn voet bleef vast in zijn spoor, ik hield zijn weg zonder af te buigen; 12 het gebod zijner lippen deed ik niet wijken, in mijn binnenste verborg ik de woorden van zijn mond. 13 Maar Hij blijft Zichzelf gelijk; wie kan Hem keren? [Niemand] Wat Hij begeert, voert Hij uit. 14 Want Hij zal volbrengen wat over mij beschikt is, en vele dergelijke dingen heeft Hij in de zin.

Job bezat een bepaalde mate van vertrouwen dat God nog steeds op Zijn troon zat, ofschoon hij hoogst verbaasd was over waar hij doorheen ging en waarvan hij hoogte trachtte te krijgen: "Waarom gebeurt mij dat?" Vervolgens zegt hij in het eerste vers van hoofdstuk 24 iets dat op u en mij van toepassing kan zijn. Het kan van toepassing zijn op iedereen die observeert, laten we zeggen, wat kerkleden aan het doen zijn. Hij zegt:

Job 24:1 - Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeelstijden voorbehouden, en zien zij die Hem kennen [Wie kent God? Zijn zoon dient Hem te kennen.], zijn gerichtsdagen niet?

God is uniek. Wie kan Hem doen veranderen? "Wie kan Hem keren?", zegt Job. Oordeelstijden in vers 1 betekent "de gebeurtenissen des levens".

Aangezien de gebeurtenissen des levens de Almachtige voorbehouden zijn, zien zij [in dit geval Christenen] die Hem kennen dan niet, dat deze dingen voor God [niet] verborgen zijn? En waarom zondigen zij nog steeds, zij aan wie God Zich heeft geopenbaard, omdat net zo zeker als de zon elke morgen opkomt, deze dingen GEOORDEELD zullen worden.

Spreekt ons dat aan? Mij wel. In feite zegt hij, dat als wij God kennen, waarom laten wij ons dan door de zonde meeslepen, want God zal deze te Zijner tijd oordelen. Natuurlijk begrijpen wij dat God zal trachten berouw te bewerkstelligen alvorens Hij ons moet straffen. Onze handelingen, onze houdingen, ontsnappen niet aan Zijn aandacht. Dat is wat Job hier zegt. Waarom doen wij deze dingen, alsof God niet soeverein is en alsof God het niet waarneemt.

Herinner je enkele dingen uit Gods woord die laten zien dat Hij aan het roer staat en dat niemand Hem kan tegenhouden in de uitvoering van Zijn plan. Nimrod poogt een toren te bouwen en de mensheid onder één regeringssysteem te verenigen. God veegt het heel gemakkelijk van tafel door middel van spraakverwarring. Hij maakt communicatie te moeilijk. Een zeer persoonlijk iets voor Jakob was, dat Ezau in woede tegen hem ontstak; maar als zij elkaar de volgende keer ontmoeten, slaakt Ezau bij het weerzien van zijn broer een kreet van vreugde. Wie bracht deze verandering tot stand? Bileam wordt opgeroepen om Israël te vervloeken, maar God dwingt hem te zegenen. Haman bouwt een galg voor Mordechai, maar wordt er zelf aan gehangen. Jona verzette zich tegen Gods wil, maar kijk wat er met hem gebeurde. God heeft mogelijkheden ons denken te veranderen naar Zijn denken. Laten we maar eens naar een heel specifiek voorbeeld kijken. Ik weet dat allen die al langere tijd in de kerk zijn, bekend zijn met het thema dat staat in het 10e hoofdstuk van Jesaja. Laten we er maar eens naar kijken.

Jesaja 10:5-8 - Wee Assur, die de roede van mijn toorn is en in welks hand mijn gramschap is als een stok. 6 Tegen een godvergeten volk [Juda] zal Ik die koning [Assyrië] zenden, en tegen de natie waarover Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden om buit te behalen en roof te plegen en om het volk te vertrappen als slijk der straten. 7 Doch hij zelf bedoelt dit niet zo en zijn hart beraamt het niet zo, want hij heeft in de zin te verdelgen en talloze volken uit te roeien. 8 Want hij denkt: Zijn mijn vorsten niet altegader koningen?

Voor we verder gaan eerst nog wat uitleg. We hebben hier een profetie met betrekking tot Israël waarbij God de intentie heeft Assyrië te gebruiken om Israël te straffen. We hebben hier een voorbeeld hoe God tussenbeide komt in de aangelegenheden van de mens om Zijn plan te verwezenlijken. In vers 7 profeteert Hij zelfs dat Assyrië niet met Hem wil samenwerken. We gaan naar vers 12.

Jesaja 10:12-14 - Doch het zal geschieden, wanneer de Here zijn ganse werk op de berg Sion en in Jeruzalem voleindigd heeft, dat Ik de vrucht der hooghartigheid van de koning van Assur bezoeken zal en de trots van zijn hovaardige ogen [zijn trots], 13 omdat hij gedacht heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; daarom wis ik de grenzen der volken uit, plunder hun voorraden en stoot als een stier de inwoners neer. 14 Ja, mijn hand greep naar het vermogen der volken als naar een vogelnest, en zoals men verlaten eieren opraapt, raapte ik de ganse aarde weg, en er was niet een die een vleugel verroerde, de snavel opendeed of piepte.

Zij waren het niet van plan, maar nadat zij het gedaan hadden, streken ze de eer voor zichzelf op. "Wij hebben het gedaan", zoals God voorspelde dat zij zouden zeggen. Vervolgens komt Gods oordeel.

Jesaja 10:15 - Zal een bijl zich beroemen tegen hem die ermee hakt? Zal een zaag pochen tegen hem die ze hanteert? Alsof een stok zwaait wie hem opneemt; alsof een staf opneemt hem die geen hout is! 16 Daarom zal de Here, de Here der heerscharen, een tering zenden in zijn welgedaanheid, en onder zijn heerlijkheid zal een brand branden als de brand van een vuur.

De les die we hieruit kunnen leren is, dat zij, zoals God zegt, Israël slechts konden overwinnen, omdat Hij hen daartoe in staat stelde en zij zich daarvoor niet op de borst dienden te kloppen. Op die manier komt Hij tussenbeide om Zijn wil uit te voeren. Hij oefent op individuen en naties druk uit om die bepaalde richting te gaan. Zoals ik reeds eerder zei, betekent dat niet, dat elke activiteit van de leider van zo'n natie door God wordt bepaald [God intervenieert alleen maar als dat nodig is]. Als het noodzakelijk is, dan heeft God vanuit Zijn soevereine positie zeer zeker de macht hem te laten doen wat Hij wil. Zelfs niet de machtigste persoon van een natie [de opperbevelhebber van strijdkrachten die uit miljoenen mensen kunnen bestaan en van allerlei soorten uitrusting zijn voorzien], kan Hem weerhouden van wat Hij wil uitvoeren. Zijn wil zal geschieden.

Psalm 2:1-7 - Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? [dat is dom, nietszeggend, nutteloos] 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt.

Zijn advies voor u en mij staat in vers 12:

Psalm 2:12 - Kust de zoon, [onderwerp u aan Hem] opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!

De zege is van de Here. Gods wil zal geschieden. God staat oneindig ver boven alle machtige verbonden en samenzweringen en de meest extensieve en krachtige pogingen om de plannen van de Almachtige omver te werpen, zullen weggeblazen worden als stof. God lacht om de nietige pogingen van de mens te regeren zonder met Hem rekening te houden, God, hun Schepper, in Wie zij leven, bewegen en hun ontstaan hebben.

Enkele preken hiervoor heb ik gesproken over Gods soevereiniteit in wie Hij tot Zijn gezin en tot behoud roept. Ik wil dit echter opnieuw aan de orde stellen, opdat wij ons nog bescheidener opstellen ten aanzien van wat Hij ons gegeven heeft, wat ons helpt de geest van Pascha gedurende het gehele jaar te blijven behouden.

In Jona, hoofdstuk 2, vers 9 [dat ga ik niet opslaan], staat: "De redding [bevrijding] is des Heren." Maar waarom roept Hij sommigen wel en anderen niet? Waarom roept Hij één persoon uit een gezin en niet het hele gezin? En op een ander moment schijnt het dat Hij wel een heel gezin roept en niet slechts één persoon uit dat gezin? We hebben allemaal de neiging ons over die dingen te verwonderen en misschien denken we wel dat zij te verdorven zijn of dat zij de roeping van God niet nodig hebben. De apostel Paulus zei in 1 Timotheüs, hoofdstuk 1, vers 15, dat hij [Paulus] de eerste plaats innam onder de zondaren. God nam dat in Zijn woord op. Ik veronderstel dat het juist is, maar toch werd hij door God overwonnen. God wist [als het ware] op welke knop Hij bij Paulus moest drukken, zodat Paulus zich op nederige wijze aan Hem onderwierp. God kan de allerslechtste mensen naar Zijn hand zetten en heeft manieren op hun knoppen te drukken waardoor Hij hen keuzes laat maken ten gunste van de Schepper. In het boek Job, hoofdstuk 21, de verzen 14 en 15, zegt Job:

Job 21: 14-15 - Maar tot God zeiden zij: Wijk verre van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust. [Zondaren doen dit.] 15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen, en wat baat het ons, dat wij bij Hem zouden aandringen?

Is het omdat sommige mensen een te versteend hart hebben, zodat God hen op de een of andere manier niet kan bereiken? God zegt in Ezechiël dat Hij het stenen hart uit de mens zal verwijderen en dat Hij het zal vervangen door een vleselijk hart, een hart en verstand dat meegaand is. Er was een tijd dat u, zonder dat u het wist, zei: "Ik wil niet dat Deze over mij regeert." Maar dat is veranderd, nietwaar? U wist niet dat u dat zei, maar toch was dat zo, net als met Korach of wie dan ook, omdat uw hart vijandig was jegens God. Als dat nu met u gebeurde, waarom kan dat niet met iedereen gebeuren? Ik zal u vertellen waarom. We gaan hiervoor een viertal indrukwekkende schriftgedeelten bekijken. We gaan naar 1 Corinthiërs, hoofdstuk 15 [het opstandingshoofdstuk], vers 10. Paulus heeft dit geschreven en hij zegt:

1 Corinthiërs 15:10a - Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben.

Wat was hij? Hij was een apostel, een dienaar van de kerk, een slaaf van de Almachtige God, een man wiens hart, wiens verstand, wiens levensrichting, naar het schijnt 180 graden draaide, nagenoeg in één ogenblik. Zijn denken begon te veranderen. "Door de genade van God ben ik wat ik ben." Wij kunnen hier iets aan ontlenen. Genade heeft iets van doen met waarom u hier zit te luisteren en waarom uw hart voor Hem openstaat.

1 Corinthiërs 15:10b - en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is.

Hij begint ons te vertellen dat alles wat hij had gedaan, alles wat hij had bereikt, gedaan was door de genade van God in hem. Laten we nog eens naar een andere tekst kijken.

1 Corinthiërs 15:22 - Want evenals in Adam allen sterven [iedereen], zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.

Belangrijk met betrekking tot deze specifieke preek over de soevereiniteit van God en waarom u hier zit, waarom sommigen hier zijn en anderen niet, is dat wij reeds zijn begonnen in te zien dat de genade van God de apostel Paulus maakte tot wat hij is. We ontdekken dat iedereen in contact komt met de genade van God volgens zijn eigen plaats in de rangorde. Wie bepaalt die rangorde? De soevereine Schepper bepaalt die. Laten we nog eens opnieuw kijken. Hetzelfde boek, hoofdstuk 4, vers 7.

1 Corinthiërs 4:7a - Want wie onderscheidt u?

Waarom bent u bekeerd en uw partner niet? Waarom bent u bekeerd en uw kinderen niet? Waarom bent u bekeerd en uw ouders niet? Waarom bent u bekeerd en uw buren niet?

1 Corinthiërs 4:7ab - Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?

Hij vraagt dit aan kerkleden.

1 Corinthiërs 4:7c - En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

U hebt uzelf niet in deze positie gebracht. Het was de genade van God [1 Corinthiërs 15:10], - iedereen in zijn eigen rangorde. Die rangorde is door de Schepper bepaald. "Wie maakte dat onderscheid?" Hij bedoelt, wie onderscheidde u geestelijk? "Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?"

We gaan naar 1 Johannes, hoofdstuk 5, de verzen 19 en 20.

1 Johannes 5:19-20 - Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt. 20 Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven.

Ik zeg u, gemeente, dat wij voor God geen been hebben om op te staan. God maakte de keuze voor ons in zekere zin zo gemakkelijk, door ons te laten zien dat dit de enige weg was die wij konden gaan. Wij kozen en het is goed dat wij dat deden. Hij heeft ons begrip gegeven opdat wij Hem, Die waarachtig is, mogen kennen en wij zijn in Hem Die waarachtig is, zelfs in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de ware God en eeuwig leven. Maar laten we hier nog wat aan toevoegen. 2 Thessalonicenzen, hoofdstuk 3, vers 2.

2 Thessalonicenzen 3:1—2 - Voorts, broeders, bidt voor ons, dat het woord des Heren snelle voortgang hebbe en verheerlijkt worde, evenals bij u, 2 en dat wij bewaard blijven voor de wargeesten en slechte mensen; want trouw vindt men niet bij allen.

Nu is het zeer duidelijk dat sommigen geloven en anderen niet, zelfs binnen de kerk. Als er al een boek is dat dat duidelijk laat zien, dan is het wel het boek dat we zojuist hebben verlaten, namelijk 1 Corinthiërs. Ik ben daar om verscheidene redenen van overtuigd. Laten we eens naar een ander schriftgedeelte kijken dat zeer belangrijke consequenties heeft voor dit onderwerp. We gaan naar Handelingen, hoofdstuk 13, vers 48. We beginnen te lezen in vers 44.

Handelingen 13:44-46, 48 - En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen. 45 Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd. 46 Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. ... 48 Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwige leven, kwamen tot geloof.

Begrijpt u waar dat over gaat? De enigen die kunnen GELOVEN zijn degenen die God KIEST om te geloven! Bestemd betekent aangewezen, of voorbeschikt, en dat komt perfect overeen met Romeinen 8, de verzen 28 en 29, en met Efeziërs 1, vers 5. Laten we hier nog eens wat meer schriftgedeelten mee in verband brengen. Allereerst 1 Timotheüs. We gaan naar 1 Timotheüs, hoofdstuk 1, vers 2.

1 Timotheüs 1:2 - Aan Timoteus, mijn waar kind in het geloof: genade, barmhartigheid en vrede zij u van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Here.

Wat staat er in dit vers dat invloed heeft op dit onderwerp van onze roeping, dat invloed heeft op ons voorbestemd zijn? Dat is een drie letterwoord. Het is het woord "het". Het lidwoord het. "Mijn waar kind in het geloof." Een zeer specifiek, welomlijnd geloof. Nu gaan we enkele pagina's verder naar Titus, hoofdstuk 1, vers 1.

Titus 1:1 - Paulus, een dienstknecht van God, een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods en de erkentenis van de waarheid, die naar de godsvrucht is.

"Naar het geloof." Nu naar vers 13.

Titus 1:13 - Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.

Hoe staat het nu met 2 Thessalonicenzen 3:2 dat we zojuist hebben gelezen? De NBG zegt: "want trouw vindt men niet bij allen". De Statenvertaling daarentegen zegt: "want het geloof is niet aller". In het Grieks staat het ook zo. Het geloof. Dat betekent met betrekking tot de soevereiniteit van God, dat slechts diegenen die God uitverkiest om de ogen te openen, geloven tot behoud. Met andere woorden, zelfs het geloof dat behoudt is een gave van God. Zonder dat zouden we nooit geloven tot behoud. Al u dit verder wilt bestuderen, dan kunt u dat doen en u zult opmerken, dat er aan de ene kant geloof is en aan de andere kant, zoals ik u liet zien vanuit enkele plaatsen in de brieven van Paulus, het geloof. Dat is een uitzonderlijk geloof. Het is een geloof dat vertrouwt en uiteindelijk als het groeit, zal het God tot de dood toe vertrouwen. Er is een geloof dat alleen maar "gelooft" en dat door Jakobus wordt omschreven als "zijnde dood" en er is het geloof, gegeven aan diegenen die voorbestemd zijn voor behoud, dat niet slechts gelooft, maar ook werkt, omdat het vertrouwt. Het steunt op de waarheid van de boodschap van behoud en Gods plan. We moeten ons de vraag te stellen: "Is God fair?" Weet u dat Paulus hieraan drie hoofdstukken in Romeinen besteedde? Romeinen, de hoofdstukken 9, 10 en 11. We gaan kijken naar één specifieke plaats in Romeinen 9, beginnend in vers 19.

Romeinen 9:19-21 - Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? [Is God fair?] Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp?

Merk op: uit dezelfde klomp. Een pottenbakker kan een klomp klei nemen en daaruit een vat maken dat mooi is en een ander vat dat lelijk is, uit dezelfde klomp klei. Pas dat toe op waar Paulus hierover spreekt. Wij zijn allemaal van vlees en bloed en als wij heel specifiek willen worden, kan dezelfde klomp dezelfde familie zijn. En derhalve is moeder bekeerd, maar vader niet. Dat is wat hij zegt. Is God fair als Hij dat doet? Heeft de Pottenbakker niet het recht om met Zijn schepping te doen wat Hij wil? Dat is wat Paulus aanvoert. Eén uit een huis. Eén uit een gezin. Misschien één uit een natie.

Romeinen 9:20-23 - Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? 22 En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft; 23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?

Dat zijn u en ik! Gemeente, dit is overweldigend! Nu stellen we de vraag, die we ons allemaal wel eens gesteld hebben: "Waarom ik en niet hij?" Ik weet het niet! En er is niemand die dat weet, omdat dit het punt is waar het hierom gaat. God maakt de keuze op basis van Zijn eigen wil en Hij geeft heel duidelijk aan dat Hij ons niet gaat vertellen waarom Hij ons koos. Weet u waarom? Omdat wanneer Hij dat deed, het voor ons ongetwijfeld een reden zou zijn om over op te scheppen, ook al zijn we het uitschot van de aarde. We zouden dan zeggen: "God koos mij omdat ik tot het uitschot behoorde". Dit ga ik u bewijzen. In 1 Corinthiërs, het 1e hoofdstuk. De menselijke natuur wil altijd weten waarom. De menselijke natuur is zo ingenomen met zichzelf dat het iets afstotends verandert in iets moois, omdat het de ijdelheid streelt.

1 Corinthiërs 1: 26-30a - Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren [dat is de tweede keer] om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren [dat is de derde keer], dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt...... ["maar uit Hem" een complete en totale handeling van Gods ontferming, van Zijn genade.]

Maakt u zich dus niet druk om daarover na te denken. U zult het antwoord nooit weten. Misschien als wij in Zijn Koninkrijk zijn, wanneer wij het verstand zullen bezitten dat in staat is het te bevatten en te begrijpen en wij daarover niet verwaand, niet opgeblazen, geraken, misschien dat Hij ons dán zal vertellen waaróm Hij ons koos. Maar we zullen het nu nooit weten. Wat verlangt Hij in plaats daarvan dat wij doen? Hij verlangt van ons dat wij eenvoudigweg roemen in wat Hij ons gegeven heeft. Ik bedoel niet roemen in de zin van verwaand zijn. Ik bedoel roemen in de zin van nederig en dankbaar zijn. Wij die niets zijn, hebben de grootste gift ontvangen die een mens kan worden gegeven. Er bestaat niets groters dat een menselijk wezen gegeven kan worden ... tot het moment van de verandering aanbreekt en wij de verwezenlijking daarvan zullen zien.

Indien God wil, zullen we dit onderwerp vervolgen. Ik hoop dat we hieruit beginnen te begrijpen dat ons een mogelijkheid is gegeven die maar weinig mensen gegeven is — de mogelijkheid tot verootmoediging voor de Schepper en vrijwillig ons leven aan Hem te geven door het maken van keuzes die noodzakelijk zijn voor onderwerping in het volgen van de juiste weg, die Hij ons reeds heeft laten zien. Doen wij dat, dan zullen we door Zijn kracht naar Zijn beeld worden gevormd en zullen wij door onze onderwerping en door Gods genade een zoon van God in Zijn Koninkrijk zijn.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)