De soevereiniteit van God (Deel 5)

Door John W. Ritenbaugh
30 maart 1996

Samenvatting: (toon)

In dit vijfde deel van de serie over de soevereiniteit van God richt John Ritenbaugh zich op Gods nauwgezette leiding van alle levende schepselen, inclusief insecten, dieren, mensen, engelen en demonen. Allen voegen zich naar Zijn uiteindelijke geestelijke doel, dat alle andere belangen te boven gaat. Een bekeerd iemand die Gods soevereiniteit aanvaardt, en die aanvaardt dat God speciale zorg aan Zijn verwekte kinderen besteedt, beseft dat zowel zegen als vloek, zowel voorspoed als tegenspoed, beschouwd moeten worden als hulpmiddelen in de werkplaats van de Schepper, waardoor een groots geestelijk doel tot stand kan worden gebracht. Dit inzicht dat niet iedereen ter beschikking staat, zou ons moeten doordringen van een diepgaande vrede en een diepgaand vertrouwen en geloof.


We gaan weer verder met de serie over Gods soevereiniteit over Zijn schepping. De laatste keer hadden we het over het principe, dat Zijn handelen binnen Zijn schepping heel erg precies is getimed. We kunnen van de bewegingen van de hemellichamen, zoals de sterren, de maan en de planeten, inclusief de aarde, leren appreciëren dat dit zo is. Ik bedoel dat Hij in Zijn fysieke schepping een manier van werken laat zien, die Hij ook toepast in Zijn geestelijke schepping. Op dezelfde manier laat de Bijbel zien dat God Zichzelf uiterste tijdslimieten stelt in Zijn handelen met ons en Hij zorgt ervoor dat die precies op tijd worden bereikt, in overeenstemming met Zijn agenda, alhoewel dat niet noodzakelijk in overeenstemming is met die van ons. Wegens dat verschil moeten we heel vaak ons vertrouwen in Hem tot uiting laten komen.

We zagen in de vorige preek ook dat de aarde beheer nodig heeft, daarom gaf God de mens in beperkte mate heerschappij om dat uit te voeren. We zagen ook, dat terwijl er natuurwetten zijn die het leven [in grote mate] beheersen, dat — wegens het over 't algemeen genomen menselijke wanbeheer, met daaraan toegevoegd de geestelijke zonden — God heel direct betrokken is in het gadeslaan van de mensheid en regelmatig ingrijpt in het belang van Zijn doel.

Aan het einde van die preek waren we bezig om te onderzoeken wat de Bijbel laat zien over Gods betrokkenheid in de onbezielde elementen van Zijn schepping, zaken zoals het weer en aardbevingen. Vandaag gaan we daarmee verder, maar we gaan het ook uitbreiden om uiteindelijk uit te komen bij Zijn soevereiniteit over de bezielde elementen.

Wilt u Psalm 147 opslaan? Met die psalm gaan we beginnen. Het gaat met name om de verzen 15 tot 20, maar laten we beginnen in vers 12, daar dit vers een regel bevat die u zich wel zult herinneren vanuit een van de welbekende gezangen.

Psalm 147:12-14 - Jeruzalem, roem de HERE, Sion, loof uw God. 13 Want Hij maakt de grendels van uw poorten sterk, Hij zegent uw kinderen in uw midden; 14 Hij geeft uw gebied vrede, Hij verzadigt u met het vette der tarwe.

Dat zou reeds moeten laten zien dat God erbij betrokken is. Dit staat in de eerste persoon enkelvoud — Hij doet dit, Hij doet dat. Nu verder met vers 15.

Psalm 147:15-20a - Hij zendt zijn bevel op de aarde, zijn woord loopt zeer snel; 16 Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit de rijp als as, 17 Hij werpt zijn ijs als stukken; wie kan bestaan voor zijn koude? 18 Hij zendt zijn woord en doet ze smelten, Hij doet zijn wind waaien; daar vloeien de wateren. 19 Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. 20 Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan.

Probeer alstublieft de betekenis te begrijpen, omdat de psalmist zegt dat God heel intens en actief betrokken is bij Israël. " Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan." U herinnert zich nog wel wat er in het derde hoofdstuk van Amos staat. Hij zegt: "U alleen heb ik uit alle geslachten op aarde gekend." Hij kent al die andere naties zeer zeker wel, maar dat woord "kennen" duidt op een bepaalde mate van intimiteit. "Alleen met u ben ik intiem geweest." We zijn erg betrokken bij iets of iemand waarmee we intiem zijn. We kunnen niet zeggen intiem met iets te zijn als we er afstandelijk tegenover staan, of het slechts vanuit de verte bekijken.

Psalm 147:20 - Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja.

Als dat al werd gezegd met betrekking tot het volk Israël, hoeveel te meer is Hij betrokken bij Zijn kerk, die bestaat uit de door Zijn Geest verwekte kinderen? We zien in deze verzen Zijn betrokkenheid in termen van weersomstandigheden, iets onbezields. Als we de gehele psalm lezen, zien we dat wat we zojuist in de verzen 15 tot 20 hebben gelezen alleen maar een microkosmos was, een voorbeeld, van wat er in de rest van de psalm staat beschreven. De gehele psalm laat God zien in het uitoefenen van Zijn soevereiniteit en wel op een manier die de indruk geeft dat het een dagelijkse bezigheid is. Adam Clark zei het volgende over de laatste vijf verzen, de verzen die we zojuist hebben gelezen:

"Gods Woord wordt gepersonificeerd en blijkt heel actief rond te gaan in de uitvoering van de doelstellingen van Zijn wil."

Dat is de essentie waarover deze preken over de soevereiniteit van God gaan. Als we binnen de context van deze psalm naar Gods soevereiniteit kijken, zien we dat God niet alleen betrokken is bij de grote rampen, gebeurtenissen die we "een ingrijpen van God" noemen, alhoewel God daarbij zeer zeker betrokken is. Deze psalm geeft de indruk dat elementen, zoals het weer, een zaak zijn van enerzijds vaste wetten en anderzijds God Die de zaak in de gaten houdt en waar Hij nodig vindt ingrijpt. Laten we naar het boek Amos gaan, dat ik enkele minuten geleden reeds noemde. We gaan lezen in hoofdstuk 4 en we gaan daar beginnen, waar staat: "Bereid u om uw God te ontmoeten."

Amos 4:6 - Ik echter, Ik heb u gegeven reinheid van tanden [duidend op hongersnood] in al uw steden en broodgebrek in al uw woonplaatsen. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN.

Wat staat daar? Laat het niet zien dat God actief betrokken is om de houding van de mensen te veranderen, om hun aandacht te vestigen op Hem en wat Hij doet? Als ze al zouden gaan denken: "Waarom hebben we deze afschuwelijke weersomstandigheden?", zouden ze misschien ook gaan denken: "O, God is soeverein en God zei, dat Hij ons zou zegenen, maar we worden niet gezegend. Misschien is er iets mis met ons." Hier zien we echter dat het zo niet uitwerkte.

Amos 4:7a - En Ik, Ik heb u de regen onthouden, toen het nog drie maanden vóór de oogst was; en Ik liet het regenen op de ene stad, maar op de andere stad liet Ik het niet regenen.

We kunnen natuurlijk heel menselijk denken: het is maar net hoe de dobbelsteen valt. De wolken trokken daar over, maar ze kwamen niet hier; daarom kregen zij de regen. Zij kregen toevallig dat weer en wij niet. Maar God zegt dat we Hem niet buiten ons denken moeten houden. Er kan een reden zijn waarom het daar regent en niet hier.

Amos 4:7b-13 - De ene akker werd beregend, en de andere, waarop geen regen viel, droogde uit. 8 En twee, drie steden wankelden naar één stad om water te drinken, maar zij werden niet verzadigd. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN. 9 Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw, uw hoven en wijngaarden heb Ik doen verdorren; uw vijgebomen en olijfbomen vrat de sprinkhaan op. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN. 10 Ik heb onder u de pest gezonden, zoals in Egypte. [Was God betrokken bij het vernietigen van Egypte?] Ik heb uw jonge manschappen met het zwaard gedood bij het buitmaken van uw paarden. En de stank van uw legerplaats deed Ik opstijgen in uw neus. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN. [Ik denk dat de stank hier verwijst naar de geur van stervende en verterende mensen.] 11 Ik heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur gerukt. [Met andere woorden, ze stonden in brand! Dat is er aan de hand met een stuk hout dat uit het vuur wordt gegrepen. Het staat in brand!] Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN. 12 Daarom zal Ik aldus met u doen, o Israel. Omdat Ik dan dit met u doen zal, — bereid u om uw God te ontmoeten, o Israël. 13 Want zie, Hij, die de bergen formeert en de wind schept, en de mens te kennen geeft wat zijn overleg is, die de dageraad tot donkerheid maakt [als het eigenlijk licht moet worden], en voortschrijdt over de hoogten der aarde; HERE, God der heerscharen, is zijn naam.

Gemeente, wat denkt u? Is God erbij betrokken of niet? Hij doet deze dingen om de aandacht van Zijn volk te trekken. Omdat Hij Zich aan Zijn volk heeft geopenbaard, vindt Hij dat zij verantwoordelijk zijn om de juiste relatie te leggen tussen wat er in hun leven gebeurt en de mogelijkheid dat Hij hen met zegen of vloek treft.

Laten we dit scenario nog wat verder uitwerken. Daarvoor gaan we naar het boek Genesis en wel hoofdstuk 27, vers 28; daarna gaan we naar het boek Deuteronomium. Hier volgt dan de zegen die Isaak over Jacob uitspreekt.

Genesis 27:28 - God zal u geven van de dauw des hemels [duidend op regen] en van de vette streken der aarde [duidend op minerale en agrarische rijkdom], en overvloed van koren en most.

Daar staat "God zal u geven". Ons begrip van de zegen die Jacob verkreeg, is dat God Jacob boven Ezau verkoos en dat God daarna verkoos Jacob te zegenen. Met andere woorden, Hij zou ervoor zorgen dat Jacob gezegend zou worden. Nu naar Deuteronomium, hoofdstuk 28, de verzen 7 tot 13. Dit is het "zegen en vloek" hoofdstuk. We gaan de verzen 7 tot 13 lezen. Daarna gaan we naar het begin van het hoofdstuk.

Deuteronomium 28:7-13 - De HERE zal uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u overleveren. Langs één enkele weg zullen zij tegen u optrekken, maar langs zeven wegen voor u vluchten. 8 De HERE zal over u de zegen gebieden in uw schuren en in alles wat gij onderneemt; Hij zal u zegenen in het land dat de HERE, uw God, u geven zal. 9 De HERE zal u als zijn heilig volk bevestigen, zoals Hij u gezworen heeft, indien gij de geboden van de HERE, uw God, onderhoudt en in zijn wegen wandelt. 10 Dan zullen alle volken der aarde zien, dat de naam des HEREN over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen. 11 Ook zal de HERE u overvloedig het goede schenken, in de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw vee en de vrucht van uw bodem; in het land, waarvan de HERE aan uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het u geven zou. 12 De HERE zal zijn rijke schatkamer, de hemel, voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen. 13 De HERE zal u stellen tot een hoofd en niet tot een staart, gij zult enkel opgaan en niet neergaan, wanneer gij luistert naar de geboden van de HERE, uw God, die ik u heden opleg om die naarstig te onderhouden.

Laten deze verzen niet zien hoe nauw God betrokken is bij de onbezielde aspecten van Zijn schepping? De strekking van die verzen laat zeker niet zien dat de natuur gewoon automatisch grote zegeningen voortbrengt gebaseerd op natuurwetten. Denk over dat principe na. Als dat zo was, als de natuurwetten deze grote zegeningen voortbrachten, dan zouden vaste wetten "soeverein" zijn en niet de Schepper God. God zou dan ook tegen ons liegen als Hij zegt dat "Hij dit deed" of "Hij dat deed". Laten we nog eens kijken, in nog meer detail, hoe God laat zien dat Hij de "actieve" oorzaak is van Israëls zegeningen. Daarvoor lezen we de verzen 1 en 2.

Deuteronomium 28:1-2 - Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de HERE, uw God, en al zijn geboden, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zal de HERE, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde. 2 De volgende zegeningen zullen alle over u komen en uw deel worden, indien gij luistert naar de stem van de HERE, uw God:

Het is een feit, dat de zegeningen waarover we het hier hebben, conditioneel zijn. Dit feit, dat die zegeningen conditioneel zijn, laat zien dat God wat er gebeurt gadeslaat, dat Hij waakt en dat Zijn reactie hierop die zegeningen voortbrengt. Nu weer naar de verzen 7 en volgende.

Deuteronomium 28:7 - De HERE zal overleveren.

Deuteronomium 28:8 - De HERE zal gebieden.

Deuteronomium 28:9 - De HERE zal bevestigen.

Deuteronomium 28:11 - De HERE zal u overvloedig schenken.

Deuteronomium 28:12 - De HERE zal zijn rijke schatkamer voor u openen.

Voor de numerologen onder ons, er staat vijf keer (het getal dat met genade samenhangt) dat Hij zegt dat de Here dit of dat zal doen. Vijf verschillende keren en vijf is het Bijbelse getal voor genade, dat duidt op iets dat is "gegeven". Dat is dus nogal duidelijk. Hij is actief betrokken bij het geven van zegeningen; zij komen niet voort uit natuurwetten. Er zijn inderdaad natuurwetten en vaste wetten, maar God is de Baas en grijpt in waar Hij dat nodig vindt. Hij gaf Israël voordelen en zegeningen die de resultaten van die natuurwetten, die vaste wetten, verre te boven gingen. Laten wij nog een tekst bekijken die ons allemaal bekend is, daar wij kennis en begrip hebben van het Loofhuttenfeest. In het boek Zacharia zien we dit in verband met een vloek.

Zacharia 14:16 - Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren.

Iedereen weet, iedereen binnen het bereik van mijn stem, dat we het hebben over iets dat zal gaan gebeuren tijdens het millennium. De naties zullen het Loofhuttenfeest gaan houden, of anders!

Zacharia 14:17-18 - Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, 18 en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen [regen] valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de HERE de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.

Is dat selectief, of niet? Dat gebeurt niet in overeenstemming met vaste wetten, dat de ene natie wordt afgezonderd van alle andere naties om een plaag te ondergaan vanwege hun ongehoorzaamheid. Deze verzen laten dus duidelijk zien, dat een plaag wordt uitgekozen die ongehoorzame naties moeten ondergaan. We gaan nog ergens anders kijken over iets aangaande het millennium en wel in Ezechiël, hoofdstuk 34, de verzen 23 en 26. Ik wil vers 23 hier ook bij betrekken, opdat u de strekking van de context zult begrijpen.

Ezechiël 34:23 - Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.

David is dood. Hij ligt in zijn graf. Hij moet worden opgewekt om deze positie te kunnen vervullen. We hebben het hier dus over een tijd nadat David is opgewekt. Hij zal worden opgewekt bij de wederkomst van Christus, bij de zevende trompet. We weten dat hij koning zal zijn over de natie Israël. Dit is die tijdsperiode, waarover we het hier hebben. Nu verder in vers 26.

Ezechiël 34:26 - Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn.

Hij laat hier God ook zien als selectief kiezend om de naties die zich aan Hem onderwerpen te zegenen. Dat wil niet zeggen dat de natuurwetten zijn uitgeschakeld, maar de Bijbel laat veeleer zien dat het een zaak is van vaste wetten in combinatie met de toestand van een relatie, die in grote mate bepaalt of Hij [God] zegeningen of vloeken zal teweegbrengen. Zelfs dit is niet het gehele plaatje [begrijp dat alstublieft] vanwege Gods geestelijke doel. Gods geestelijke doel schuift zonodig alles aan de kant. Daar is Hij op gericht. Het schuift zonodig alles terzijde omdat Hij de Soeverein is over alles; daar [op dat doel] is Zijn aandacht gevestigd. Daarom, om deze reden, Gods geestelijke doel, is het heel goed mogelijk dat iemand gehoorzaam is aan Gods wil, een goede relatie heeft met God en toch lijden moet ondergaan of dat het ogenschijnlijk toch niet zo goed met hem gaat als men normaal zou verwachten.

Misschien is een van de meest in het oog springende voorbeelden in de gehele Bijbel wel het voorbeeld van Job. Zelfs God gaf toe dat Job een rechtvaardig man was. Bijna niemand is ooit door zoveel pijn en lijden heengegaan als hij, maar God was bezig iets in Jobs leven tot stand te brengen, zodat wij allemaal ons voordeel zouden kunnen doen met het voorbeeld van Job.

Het uiterste geval van dit is wel Jezus Christus, daar Hij hier op aarde een zondeloos leven leidde. Hij verdiende het niet te sterven. Hij was volmaakt in geheel Zijn doen en laten en toch werd dat allemaal door Gods geestelijke doel aan de kant geschoven, daardoor stierf Hij voor ons allemaal. Men zou hieruit kunnen concluderen dat God gehoorzamen niet beloont. Let er eens op hoe goed Jezus was, toch stierf Hij. Hij stierf niet alleen, maar Hij leed ook verschrikkelijk voordat Hij stierf. Er staat geschreven dat Hij meer kapot werd gemaakt dan enig ander mens. Hij moest veel pijn lijden, veel martelingen ondergaan, in de korte tijd voorafgaande aan Zijn dood.

Het is dus goed om deze dingen eens goed te doordenken en niet al te haastig te zijn in ons oordeel over iemands geestelijke conditie, omdat iemand inderdaad in een goede geestelijke conditie kan zijn, maar dat God aan iets bezig is, waarvan het einde [ik bedoel niet de conclusie, maar als het over zal zijn], geheel verschillend zal zijn van wat we zouden verwachten. Het komt vaak voor, gemeente, dat iemand anders moet lijden voor ons bestwil.

Een ander goed voorbeeld hiervan is de apostel Paulus. Drie keer deed hij een beroep op God om hem van zijn kwaal te genezen, maar hij begon te begrijpen dat hij niet werd genezen om hem nederig te houden. Maar bleef hij trouw aan God? Zeer zeker! Was er iemand in de nieuwtestamentische kerk die meer moeilijkheden onderging dan de apostel Paulus? Misschien gingen ze allemaal [de originele twaalf] wel door dezelfde soort problemen heen als Paulus, maar alleen die van Paulus zijn opgeschreven en die van de anderen niet. Het is dus goed om Jezus' aansporing om traag te zijn om een ander te oordelen ter harte te nemen, omdat Gods geestelijke doel belangrijker kan zijn. Het is niet verkeerd te vragen. Het is niet verkeerd te begrijpen dat iemand geestelijke problemen kan hebben en dat het hem daarom niet goed gaat. Maar aan de andere kant moeten we ook begrijpen dat Gods geestelijke doel dat allemaal te boven gaat. Daarom is iemand die het slecht gaat niet noodzakelijkerwijs in slechte geestelijke conditie.

Wij moeten daarbij ook het volgende begrijpen. [Laat ik dat in de vorm van een vraag stellen.] Zijn we bereid te accepteren dat wat ik zojuist heb uitgelegd: dat we in feite een goede geestelijke conditie kunnen hebben, terwijl er ogenschijnlijk een vloek op ons rust? Zijn we bereid dat te accepteren, in het vertrouwen dat de trouwe God er weet van heeft en dat Zijn doel, om toe te laten dat wij door die moeilijkheden heen moeten, zal resulteren in een veel beter iets dan als wij onze zin hadden gekregen en die moeilijkheden waren weggenomen? We zouden kunnen zeggen, dat dat de kern is van de zaak in geloof. Paulus zei, naar ik dacht: "De gehele dag lijden we omwille van Zijn zaak [Gods zaak, Gods doel]." Als we dat maar echt kunnen accepteren. Als we Gods soevereiniteit echt kunnen accepteren dan kunnen we een leven leiden dat vervuld is van grote vrede. Dat bedoelde Jezus, toen Hij zei: "Mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik die u." Ziet u, een echt bekeerd iemand zal accepteren dat God betrokken is bij zijn leven, hij weet precies wat er in zijn leven omgaat en dat alles onder controle is.

Vorige week lazen we dat vers, of die serie verzen, uit Marcus, waar Zijn discipelen samen met Hem in de boot waren. De boot stampte zwaar in de storm, vulde zich met water. Sommigen van hen die aan boord waren, waren als visser vertrouwd met het meer van Galilea, zij kenden dat type hevige storm dat op dat meer kon opsteken. En wat deed Jezus? Hij sliep! Zo veilig voelde Hij Zich. Hij wist dat God Hem niet zou laten sterven voordat Zijn taak was volbracht. Jezus verzocht God niet, maar Hij wist dat Zijn leven in de hand van Zijn Vader was; Zijn leven was vervuld van vrede omdat God soeverein is. Nu, gemeente, komen we langzamerhand echt aan bij waar het bij geloof om gaat en waarom we moeten begrijpen dat God soeverein is over alles. Hij regeert niet alleen maar, maar Hij regeert met grote, specifieke bewogenheid met letterlijk elk van Zijn kinderen. We zullen straks ook Zijn betrokkenheid met de niet-bekeerden gaan zien; het wordt echt verbazingwekkend.

De Bijbel openbaart ook dat God soeverein is over de dieren. We gaan nu over naar de bezielde wereld. Laten we opnieuw het boek Genesis opslaan en wel hoofdstuk 2. De mens is in staat dieren te gebruiken. Dieren, zoals paarden, muilezels en honden, voegen zich naar zijn wil. Is het dan niet logisch, dat de Bijbel laat zien dat de Schepper ze ook gebruikte, zelfs in veel grotere mate, en zeker met een veel groter doel erachter; op die manier Zijn vermogen illustrerend om zelfs een dier te gebruiken voor de uitvoering van Zijn doel?

Genesis 2:19 - En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten.

We zien Adam hier de heerschappij toepassen die God hem gaf. We zien ook dat God de dieren tot hem bracht. God stuurde ze daarheen. Adam ging er niet met een lasso op uit om ze een voor een te vangen; nee, God liet ze allemaal langs hem trekken. Hij plaatste een klein "computervirus" in hun hoofd dat hen zei langs Adam te trekken. Ze kwamen plichtsgetrouw en vormden een lange rij, zodat Adam ze kon zien en een naam kon geven. Nu verder in hoofdstuk 6, vers 19.

Genesis 6:19-20 - En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. 20 Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden.

Ook Noach behoefde er niet op uit te gaan om ze allemaal een voor een te gaan vangen. God bracht ze daar. Hij gaf aan de dieren die Hij in de ark wilde hebben, het bevel naar Noach te gaan.

Verder in hoofdstuk 9, vers 2. Dat is een belangwekkende tekst. De vloed is voorbij en God zegt Noach de ark te verlaten en de aarde te vervullen.

Genesis 9:2 - En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven.

"De schrik voor u." Ik denk dat hierin besloten ligt dat God iets in hun kleine hersenen veranderde, zodat er nu een vijandschap heerste tussen mens en dier. God deed dat, niet Satan. God deed het. We zien hier dus een aanduiding van een verandering in de relatie tussen mens en dier. God deed in hen iets ontstaan om de relatie die voorheen bestond te veranderen. Maar dit betekent niet dat de houding van Satan, of de houding van de mens die schrik niet kan versterken, of in het geval van een demon, een dier kan bezitten om het voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. Maar de oorspronkelijke schrik, de oorspronkelijke vrees, was iets dat God deed ontstaan.

Een van Gods hoofddoeleinden met Zijn vernietiging van Egypte was aan alle betrokkenen te laten zien dat Hij de Soevereine Heer is. Laten we Exodus 7 opslaan, te beginnen in vers 4.

Exodus 7:4-5 - Doch Farao zal naar u niet luisteren. Daarom zal Ik mijn hand op Egypte leggen en mijn legerscharen, mijn volk, de Israelieten, uit het land Egypte leiden onder zware gerichten. 5 En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Hij bedoelt dat zij zullen weten dat God soeverein is over de aarde. "Ik ben de Baas", is een botte manier om het te zeggen. Israël zou op deze manier natuurlijk ook een en ander daarover te weten komen.

Exodus 10:2 - En gij aan uw kind en kleinkind kunt vertellen, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan en welke tekenen Ik onder hen verricht heb, opdat gij weet, dat Ik de HERE ben.

Hij doet die uitspraak [voordat Israël uiteindelijk Egypte verliet] minstens nog twee keer. Hij deed dit bij enkele van de plagen toen Hij sommige van de Egyptische goden in een vloek veranderde. Ik denk dat de meesten van u voldoende op de hoogte zijn met de Egyptische geschiedenis. U hebt wel afbeeldingen gezien van Egyptische goden; in diverse opzichten leken deze op elkaar. Gewoonlijk was er het torso en de benen van een mens en het hoofd van een dier. Een van de eerste goden van Egypte die God "afbrak", was de "kikvors"god. Tussen twee haakjes, de kikvorsgod was een vrouw, vrouwelijk. In de geschiedenis wordt zij Heket genoemd en volgens de Egyptische religieuze traditie, was ze de vrouw van een god die Khnum heette. Heket wordt afgebeeld met een vrouwenlichaam en de kop van een kikvors. [Tsjonge! Zou u een kikvors willen kussen?] Het interessante is echter dat die Khnum wordt afgebeeld als een pottenbakker en we zien hem dan ook zitten achter een pottenbakkerswiel terwijl hij schepselen vormt vanuit het stof der aarde. Terwijl hij schepselen op zijn pottenbakkerswiel vormde uit het stof der aarde, blies zij [Heket] hun de adem des levens in. Zij gaf dus leven aan de schepping van Khnum. Welke Egyptische god pakte God dus als eerste aan? Wie is Degene Die echt leven geeft? Hij geeft dat! Hij is niet alleen de Gever van leven, Hij is ook de Pottenbakker. Hij liet dus miljarden kikvorsen uit de rivieren komen en hun huizen binnendringen. Overal moesten ze dus door die beesten heen baggeren — op hun god stappen! Hun god werd een vloek.

Als u het verhaal leest, is het interessant te lezen, dat Mozes Farao de keus gaf hoe lang die plaag zou duren. Uiteindelijk maakte Farao er een eind aan door te zeggen "genoeg is genoeg" — misschien wel toen de kikvorsen uit zijn beker sprongen. Later, in hoofdstuk 8, de verzen 21 en 22, komen we een plaag van vliegen tegen. Mozes zegt daar:

Exodus 8:21-22 - Want indien gij mijn volk niet laat gaan, dan zal Ik tegen u, uw dienaren, uw volk en uw huizen steekvliegen loslaten, zodat de huizen der Egyptenaren, ja zelfs de bodem, waarop zij zich bevinden, vol steekvliegen zijn. 22 Maar op die dag zal Ik het land Gosen, waar mijn volk verblijf houdt, uitzonderen, dat daar geen steekvliegen voorkomen; opdat gij weet, dat Ik, de HERE, in het land ben.

Het belangrijke element hier is dat God Zijn heerschappij toepaste door niet toe te laten dat Gosen door deze zwermen vliegen werd geplaagd. Hetzelfde gebeurde met de veepest [dit doet denken aan de gevreesde "gekke koeienziekte" die nu in Engeland heerst]. In dit geval sloeg de veepest wel toe in Egypte, maar niet in Gosen. Het vee der Israëlieten bleef gezond. God paste Zijn heerschappij toe. Hij had de macht deze pest tegen te houden en te zeggen "tot hier toe en niet verder". Ziet u, Hij koos er voor om het ene volk te plagen en het andere niet — terwijl beide volken pal naast elkaar leefden! Kunt u zich voorstellen dat God die vliegen onder controle had? En toch was het zo.

Er zijn diverse van deze gebeurtenissen. Een van de meer opmerkelijke is het voorval in Numeri 22, waar de ezel van Bileam tot zijn meester sprak en Bileam hem antwoordde. Het drong blijkbaar niet tot hem door dat ezels niet kunnen spreken! Maar deze ezel wel en zij hadden een aanvaring. Maar er zijn er nog meer die interessant zijn om Gods aanwezigheid te laten zien met betrekking tot dieren. Herinnert u zich de periode waarin de Filistijnen last hadden van builen en muizen, omdat zij de ark des verbonds in bezit hadden? De waarzeggers en de priesters, de wijze mannen der Filistijnen, kwamen er uiteindelijk achter dat dit hen trof omdat de ark daar was; daarom zetten ze een test op voor God. De test was dat ze twee melkkoeien namen, ze voor een nieuwe kar spanden, de ark op die kar zetten met vijf gouden muizen en de builen erin. Daarna lieten ze die melkkoeien hun gang gaan om te zien of ze naar Bethshemesh zouden gaan. Als de koeien daar direct heen zouden gaan zonder naar links of rechts af te buigen, dan zouden ze weten dat deze plagen hen troffen omdat de ark in hun bezit was. Ze deden alzo en God stuurde de ark rechtstreeks naar Bethshemesh. Er staat in die geschiedenis ook vermeld dat de koeien noch naar rechts, noch naar links afbogen. Ze gingen regelrecht op Bethshemesh af. We weten allemaal, dat koeien niet de slimste dieren zijn en er was geen mens die hun iets in het oor fluisterde. Er waren geen Israëlieten in de buurt. Het was God die hun iets in het oor fluisterde en Hij zei: "Ga die weg en wijk daarvan niet af." En zij deden dat; ze gingen precies daarheen waar God hen wilde hebben.

In 1 Koningen 17, de verzen 2 tot 6, lezen we dat Elia door raven werd gevoed. In 2 Koningen 2 lezen we dat God twee berinnen stuurde om tweeënveertig belagers van Gods profeet Elisa te verscheuren. In Daniël 6 sloot God de muil van de leeuwen toen Daniël in de leeuwenkuil werd geworpen. Hij zorgde voor een grote vis om Jona op te slokken, hem op de kust uit te spuwen, zodat hij naar Ninevé zou gaan. In Mattheüs 17, waar we straks naar toe zullen gaan, liet God een vis een muntstuk naar Petrus brengen, zodat daarvan de belasting voor zowel Jezus als Petrus betaald kon worden.

Laten we dit deel afsluiten met Maleachi 3. Daar staat een doctrine die de mensen vandaag de dag echt op de proef stelt, die gaat over tienden. Voor veel mensen is het erg moeilijk om God echt te vertrouwen, daarom hebben we deze belofte van God met betrekking tot het geven van tienden.

Maleachi 3:10 - Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de HERE der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.

Ik heb artikelen gelezen van mensen met een Kerk van God achtergrond, die beweren dat dit niet waar is.

Maleachi 3:11 - Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij, zegt de HERE der heerscharen.

We moeten dat begrijpen binnen een agrarische context, begrijpen dat het op deze manier is opgeschreven omdat hun economie totaal agrarisch was geörienteerd. Voor de meesten van ons is dit niet langer het geval. We werken in een industriële maatschappij, die snel aan het veranderen is in een informatie-maatschappij; desalniettemin werken we voor een salaris voor anderen die geen rechtstreekse band met de landbouw hebben en het principe blijft waar. Er staat: "Ik zal de afvreter dreigen [dat is datgene dat al het geld, het inkomen zou verslinden] u ten goede." Hij zal persoonlijk tussenbeide komen ten gunste van ieder mens die Hem ook in dit opzicht vertrouwt. Aan de ene kant kunnen we dit zien als het selectief toepassen van Zijn autoriteit om het een gehele natie, of ook individuele mensen, wel te doen gaan, en anderen juist weer niet, als er in een bepaald gebied een algemene noodtoestand heerst. Dat is in zekere zin echt een uitdaging voor God. Maar niets is Hem te moeilijk.

Er is veel in de relatie tussen God en Zijn schepping wat we maar al te gemakkelijk geneigd zijn als vanzelfsprekend aan te nemen. Er zijn dingen die we accepteren, maar waarschijnlijk slechts hoogst zelden in Zijn woord onderzoeken. Eén ervan zou de relatie met Zijn engelen kunnen zijn. Denk eens aan de relatie van de mens met God en hoe de mens zich in allerlei mentale bochten wringt om zich maar niet aan God te hoeven onderwerpen. We hebben de subtiele neiging te denken dat het bij de engelen allemaal vanzelf gaat. Dat komt gedeeltelijk, denk ik, door het feit dat de tijd van hun grote test reeds achter hen ligt, maar het zijn nog steeds schepselen met een vrije keuze. Het zijn niet alleen schepselen met een vrije keuze, het zijn ook wezens met veel meer macht dan wij, met veel grotere mentale capaciteiten, met veel meer kennis van Gods wetten en hoe die te gebruiken of te manipuleren. Daarnaast zijn ze onsterfelijk. De Bijbel zegt in Hebreeën 2 dat wij lager zijn dan engelen; zij zijn dus groter dan wij. In het verleden begon éénderde van hen een oorlog tegen God, toen ze voor de keus stonden hoe ze verder zouden gaan met hun leven. De Bijbel laat consequent zien dat God engelen beveelt, of ze gebruikt om bepaalde taken te vervullen binnen Zijn beheer van het project aarde.

De reden dat ik dit als inleiding gebruik is, omdat ik heb gehoord, ja echt, dat zij werden vergeleken met tot huisdier gemaakte beesten, maar dan in de geestelijke wereld. Dat is nogal een kleinering van die machtige wezens. Toen Daniël Gabriël zag, viel hij onmiddellijk flauw! Zo'n ontzag had hij voor wat hij zag, voor slechts "een engel". Deze machtige engel verklaarde Daniël dat hij had moeten vechten om bij hem te kunnen komen. Hij had moeten vechten met de prins van Perzië om er te kunnen komen, ook had hij Michaël te hulp moeten roepen om deze prins van Perzië te kunnen overwinnen om naar Daniël te kunnen gaan. Hier is Daniël dan, blijkbaar al drie weken vastend, wachtend op een antwoord. Gabriël zat niet lekker op zijn achterste duimen te draaien, en gras te kauwen zoals een of ander huisdier. Hij moest een zware koninklijke strijd voeren om daar [bij Daniël] te komen.

Hij (de engel) is in nederigheid onderworpen aan God en hij voert taken uit die God hem wil laten uitvoeren binnen Zijn bestuur van de aarde. Het woord engel, u weet dat wel, betekent letterlijk "boodschapper". Een boodschapper is iemand die wordt gezonden om een taak uit te voeren; het sleutelwoord hier is "gezonden". De meerdere heerst en zendt en gebruikt de mindere. Laten we naar het Oude Testament gaan, 1 Kronieken, hoofdstuk 21, de verzen 15 en 27. Ik wil eerst vers 15 lezen zodat u de betekenis kunt begrijpen.

1 Kronieken 21:15 - Ook zond God een engel naar Jeruzalem om dat te verdelgen [Blijkbaar één engel. Let eens op de macht die hier wordt ontplooid.], maar zodra hij daarmee begon, zag de HERE het, en het onheil berouwde Hem; Hij zeide tot de verderfengel: Genoeg! Laat nu uw hand zinken. De engel des HEREN stond toen bij de dorsvloer van de Jebusiet Ornan.

Dit gebeurde nadat David had gezondigd door een volkstelling in Israël te houden. Ik geloof niet dat het voor David verkeerd was een volkstelling te houden. De reden dat het hier zonde was, moet wel zijn dat David die volkstelling om de verkeerde reden liet uitvoeren. Op andere plaatsen geeft God Zelf opdracht het volk te tellen, een volkstelling te houden. David had blijkbaar opdracht gegeven tot een volkstelling omdat hij weer een oorlog wilde gaan voeren; hij wilde dus weten over hoeveel mankracht hij zou kunnen beschikken. God had reeds beslist: David, zo is het genoeg. De grenzen van Israël zijn zo als Ik ze wil hebben. Ik wil niet dat je opnieuw ten oorlog trekt. Het houden van een volkstelling deugt daarom niet.

1 Kronieken 21:27 - Toen gaf de HERE de engel bevel, zijn zwaard in de schede te steken.

Maar ondertussen waren er 70.000 mensen gestorven omdat God er één engel op uit had gestuurd om Zijn opdracht uit te voeren. Dat was nog eens kracht, om één engel zoveel mensen in zo korte tijd te laten doden. Dat was het soort kracht dat de mensheid niet heeft gezien tot de kernenergie. We vinden in het Nieuwe Testament, Marcus 13, een voorbeeld, dat op de "tijd van het einde" Jezus een heel leger engelen zal uitzenden om Zijn volk van de uiteinden der aarde bijeen te verzamelen. Dat is de eindtijd. Maar het laat alweer zien dat God het leger der heerscharen leidt en ze bevelen geeft om uit te voeren. Over de manier waarop God de goede engelen gebruikt, valt nog veel meer te vertellen.

Maar laten we eens kijken hoe Hij de slechte engelen, de demonen, gebruikt. Daarvoor gaan we naar Richteren 9. De context is vlak na de dood van Gideon en nadat Abimelek (één van de zeventig zonen van Gideon) al zijn broers en stiefbroers, op één na, had gedood. Eén ontsnapte er, de jongste, een jongen met de naam Jotham.We zien hier dat God begint om wraak te nemen.

Richteren 9:22-24 - Toen Abimelek drie jaar over Israël had geheerst, 23 zond God een boze geest tussen Abimelek en de burgers van Sichem, zodat de burgers van Sichem ontrouw werden aan Abimelek, 24 opdat de misdaad, begaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl [Gideon], het vergieten van hun bloed, vergelding zou vinden, doordat Hij dit deed neerkomen op hun broeder Abimelek, die hen had gedood, en op de burgers van Sichem, die hem gesteund hadden bij het doden van zijn broeders.

God veroorzaakte een rivaliteit, een naijver tussen de mensen van Sichem en Abimelek. Die twee groepen waren voordien verenigd, maar "dieven en moordenaars kennen geen eer". God zond een boze geest en stookte de een tegen de ander op; binnen de kortste keren waren ze druk bezig om elkaar te doden.

Nu naar 1 Koningen 22. Dit voorbeeld is bijna humoristisch. De context is een ontmoeting tussen de rechtvaardige Josafat, koning van Juda, en de heel onrechtvaardige Achab van Israël. Ze bespraken zaken van gemeenschappelijk belang; namelijk de oorlog tegen Syrië. God kwam tussenbeide om Achab in die oorlog te betrekken, zodat hij zou worden gedood, maar Hij liet Josafat ontkomen.

1 Koningen 22:19 - [Micha] zeide: Daarom, hoor het woord des HEREN. Ik zag de HERE op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels [de engelen] aan zijn rechterhand en aan zijn linkerhand stond.

Degene die hier spreekt is een echte profeet van God, met de naam Micha. De reden dat hij spreekt is, omdat Josafat (nadat hij het getuigenis van vierhonderd Baälsprofeten had gehoord, dat ze rustig de strijd konden aangaan) enige wijsheid toonde en zei: "Wacht eens even. Je hebt hier vierhonderd Baälsprofeten. Is er niet ergens in Israël een ware profeet van God?" Achab zei: Ja, er is er hier één, maar ik ben niet enthousiast over hem. Hij profeteert altijd kwaad over mij, maar als je erop staat, laat ik hem hierkomen." Aldus werd Micha gehaald en hij luisterde naar het getuigenis van de Baälsprofeten en zag wat deden. Daarna werd hem de vraag gesteld: "Moeten we de strijd aanbinden?" Dat is dus deze situatie. We weten precies wat Micha zei, maar we weten niet precies met welke stembuiging of nadruk hij dat zei. Ik kan alleen maar concluderen, dat wat hij zei zo sarcastisch werd gezegd, dat Achab onmiddellijk wist dat Micha de draak met hem stak, omdat Micha zei: "Zeker, u moet optrekken." [Ik parafraseer dit.] Daarna kwam hij met de waarheid naar voren, in de verzen 17 en 18. Nu dan vers 20. Na de inleiding om het beeld duidelijk te maken door het visoen te vertellen dat God hem had laten zien, zei Micha:

1 Koningen 22:20-23 - En de HERE zeide [tot het ganse heer des hemels]: wie zal Achab verleiden, zodat hij optrekt en sneuvelt te Ramot in Gilead? De een zeide dit en de ander dat. [God vroeg advies aan engelen] 21 Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de HERE en zeide: ik zal hem verleiden. De HERE vroeg hem: waarmede? [Hoe? Op welke manier?] 22 Hij antwoordde: ik zal heengaan en een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen zeide Hij: gij moet hem verleiden, en gij zult er ook toe in staat zijn; ga heen en doe het. 23 Nu dan, zie, de HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u, en de HERE heeft onheil over u besloten.

Op die manier gebruikt God slechte engelen. We weten natuurlijk, dat Satan zelf, de heerser over alle slechte engelen, volledig onder controle van God staat. In de hof van Eden moest hij daar staan luisteren naar zijn vonnis en hij deed zijn mond niet open. In het boek Job kon hij Job niet meer aandoen dan God toestond. Ook toen kon hij niet verder gaan dan de grenzen die God hem had gesteld; hij kon Job dus niet doden. In Mattheüs, hoofdstuk 4, vers 11, zegt Jezus tijdens Zijn confrontatie met Satan, het volgende tegen Satan: "Ga weg vanhier!" [Maak dat je wegkomt!] Wie ging er weg? Satan, natuurlijk. Bij het einde is hij het, die in de poel des vuurs wordt geworpen.

De Bijbel laat heel duidelijk Gods soevereiniteit zien over de onbezielde aspecten van Zijn schepping, de bezielde aspecten in termen van dieren, in termen van goede engelen en in termen van slechte engelen.

Hoe staat het dan met de mens? We moeten hieraan denken in samenhang met onze vrije wil. Hoe staat het dan met de mensheid in het algemeen? Er zijn tijden dat wij denken dat alles volledig uit de hand loopt. Is de mens zo pervers, zo machtig, zo oncontroleerbaar dat hij niet onder Gods controle staat? Heeft de zonde de geest van de mens zo vervreemd, zo vervreemd van God, dat we nu buiten de jurisdictie van God vallen? Overweeg dit eens. Als wat ik zojuist heb gezegd waar is, dan is de mens soeverein en niet God. Of God regeert, of Hij is buitenspel gezet. Dat zijn de alternatieven. Zijn we, gelet op onze vrije wil, volledig vrij te doen wat we willen? Is de mens zo'n rebel tegen Gods heerschappij dat God Zijn doel niet via hem kan vervullen? Hiermee bedoel ik niet dat God alleen maar het menselijk handelen ontkracht, omdat de Bijbel, zelfs voordat u in het tiende hoofdstuk bent aangekomen, reeds duidelijk laat zien dat God dat soms doet. Kijk maar wat Hij deed ten tijde van de toren van Babel. Wat ik bedoel is, dat God echt door iemand kan werken en iemand zover kan krijgen dat hij Zijn wil uitvoert, zonder dat die persoon daar weet van heeft. Wat denkt u van Farao? Er staat dat God zijn hart verhardde. Er staat nergens in Gods woord dat Farao zei, dat God zijn hart had verhard en dat hij daarom deed wat hij deed. Nee, hij wist in die situaties niet dat God door hem werkte. Toch werkte God in dat geval Zijn wil door hem uit. Hier hebt u iets om over na te denken! Wat denkt u van Judas Iscariot? Denk daar eens even over na. Laat de schrift zien dat Judas van het begin af aan met het idee in zijn hoofd rondliep om Jezus te verraden? De schrift duidt daar in het geheel niet op. Toch staat er in Johannes 6, aan het eind van het hoofdstuk, dat Jezus van den beginne reeds wist wie Hem verraden zou. Hij zei in feite zelfs: "Eén van u is een demon." Daarvoor moest ik toch even op mijn hoofd krabben. Dat is toch wel interessant. U weet wie de demon was. Het was Judas. Hij zei niet: "Eén van u heeft een demon." Dat maakt het zo interessant. Hij zei: "Eén van u is een demon." Ik denk niet dat Judas het zelf wist, omdat de schrift daar niets over zegt. U ziet dus, dat God soeverein is om iedereen op wat voor manier dan ook te gebruiken. God werkte Zijn doel uit door Judas, ondanks Judas. Ik zal u een tekst laten zien die in dit opzicht verbazingwekkend is. Dit is een vers uit Handelingen 17. Het gaat niet over Judas. Het gaat hier over een algemener onderwerp. Paulus is de spreker en hij spreekt tot de mensen op de Areopagus.

Handelingen 17:26 - Hij heeft uit een enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald.

Dat is iets dat heel duidelijk in het boek Deuteronomium wordt gezegd, dat de naties een plaats op aarde kregen toegewezen naar het aantal van de kinderen Israëls.

Handelingen 17:27-28 - Opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. 28 Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht.

Let speciaal op "leven wij, bewegen wij ons en zijn wij". Let er ten eerste op tegen wie dit wordt gezegd. Tegen Israëlieten? Nee. Tegen bekeerde Christenen? Nee. Het werd gezegd tegen onbekeerde heidenen. Sinds de schepping van Adam hebben er, in de zesduizend jaar menselijke geschiedenis, miljarden van die heidenen geleefd. Gemeente, wat voor God is dat, Die wij dienen? Dit betekent niet dat de mens alleen maar zijn leven te danken heeft aan Gods scheppend handelen, maar ook dat al zijn handelen in zijn leven, ja, van ieder mens individueel en persoonlijk, door God wordt bestuurd, zoals Hij dat nodig vindt. Deze mensen worden door dezelfde almachtige God gestuurd om Hem te zoeken en uiteindelijk eeuwig leven te hebben; dat allemaal natuurlijk in de volgorde die God heeft bepaalt. Ziet u wat Paulus hier laat doorschemeren? Dat God hun leven manipuleert, dat God bepaalt op welke tijd hun behoud zal worden aangeboden en dat alles waar ze doorheen gaan in hun leven een rol zal spelen in hun bekering; in heel veel gevallen zelfs een heel belangrijke rol.

Voor mij is dit veel wonderbaarlijker dan de uitspraak van Jezus, dat zelfs geen musje valt zonder dat God daar weet van heeft, omdat we hier niet te maken hebben met redeloze wezens, maar met mensen die met rede zijn begiftigd, gemaakt zijn naar het beeld van God, die voldoende macht hebben om hun eigen conclusies te trekken en te proberen hun eigen gang te gaan. Ik zal u daar één individueel voorbeeld van geven. Daarvoor gaan we naar het boek Daniël, hoofdstuk 5, vers 23. Weet u wat daar in Daniël 5 gebeurde? "MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN." Het handschrift op de muur toen Belsassar zijn grote feest hield en daarbij de heilige vaten uit de tempel gebruikte. Nu dan vers 23. Daniël, om zo te zeggen, spreekt Gods oordeel uit.

Daniël 5:23 - Maar gij [Belsassar] hebt u tegen de Heer des hemels verheven: men heeft het gerei uit zijn tempel voor u gebracht, en gij en uw machthebbers, uw gemalinnen en uw bijvrouwen hebben daaruit wijn gedronken; gij hebt de goden geroemd van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien of horen of kennis hebben, maar de God, in wiens hand uw adem is en die al uw paden beschikt, Hem hebt gij niet verheerlijkt.

Ziet u dat? De koning van Babel en toch al uw paden, allemaal. Laat me dit heel duidelijk maken. God manipuleerde de geschiedenis van Babel! Hij beïnvloedde het denken van de koning, zodat door de koning bepaalde dingen gebeurden. We moeten, als we dit allemaal met elkaar in verband brengen, begrijpen dat dat niet de enige persoon was die God manipuleerde en stuurde. God manipuleerde en stuurde hun leraren, de mensen die de economie bestuurden, de mensen die het onderwijssysteem controleerden, omdat Gods doel uitgewerkt wordt en omdat Hij de gehele mensheid uiteindelijk tot een bepaalde conclusie laat komen en omdat Hij dingen voorbereidt, zodat deze mensen tot bekering kunnen komen en deel kunnen gaan uitmaken van Zijn gezin. Met andere woorden, ze waren niet vrij om te doen wat ze maar wilden. Waarom denkt u dat Hij in het boek Jesaja zegt dat Assyrië de roede is van Zijn toorn? Hij zei dat het niet uit zijn (dat van de Assyriërs) hart kwam, maar dat hij het toch zal doen! Hij zal het doen, omdat God aan een groot doel werkt en wil dat Zijn mensen binnen dat doel zullen leven. Hij wil dat Zijn mensen begrijpen dat er een groot en ontzagwekkend iets onderhanden is en dat wij onze keus, onze vrije wil, moeten gebruiken om in de juiste richting te gaan, de juiste keuzes te maken, wijsheid te gebruiken, dit allemaal te doen in het geloof dat Hij naar een groot doel toewerkt. Ik zal u laten zien dat dit nog veel verder gaat. Laten we daarvoor het boek Spreuken opslaan, hoofdstuk 21. Daarmee zullen we voor vandaag eindigen.

Spreuken 21:1a - Het hart van de koning is in de hand des HEREN.

Denk aan wat Paulus daar in Handelingen zei en wat Daniël tegen Belsassar zei. "Al de paden van de koning."

Spreuken 21:1 - Het hart van de koning is in de hand des HEREN als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.

Wie regeert de aarde, gemeente? Wie is de Soeverein over Zijn schepping? Wie manipuleert gebeurtenissen om de omstandigheden te creëren waarin Zijn mensen hun vrije wil kunnen oefenen om voor het juiste en het goede te kiezen? Heel interessant. Het denken van God is zo ontzagwekkend, zo fantastisch, zo groot in wat het tot stand brengt [in weet ik hoeveel miljarden jaren], in wat het allemaal van te voren heeft doordacht. Wij weten alleen maar iets over zesduizend jaar. Maar vanuit Gods woord kunnen we deze principes halen en zien dat Hij naar een doel toewerkt, waardoor de mens deel zal gaan uitmaken van Zijn gezin, naar Zijn beeld wordt gevormd. Wie trekt aan alle touwtjes? Wie stuurt het hart van de koning? Dat betekent allemaal, dat God het denken kan manipuleren van allen die aan de macht zijn, die de leiding vormen. De meesten van ons gaan al in die richting. De meesten van ons, die de waarheid kennen, behoeven niet de richting van het kwade uit te gaan. Wij kunnen in geloof naar de waarheid leven, omdat we de hand en het denken van God zien. U kunt ook nog Spreuken 23:7 neerschrijven; daar staat wat de zaken van het leven, wat het karakter van iemands leven, bepaalt: "Want als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo is hij." Verbind dit dan met Spreuken 4:23. Als we deze drie gedachten met elkaar in verband brengen, Spreuken 21:1, 4:23 en 23:7, dan zien we dat God de mens stuurt om bepaalde dingen te laten gebeuren. De regeerders van de mens staan volledig onder controle van de Almachtige.

Spreuken 21:1 - Het hart van de koning is in de hand des HEREN als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.

Spreuken 4:23 - Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.

Spreuken 23:7 - Want als iemand die zijn eigen plannen maakt, zo is hij.

Hier stoppen we voor vandaag en, als God het wil, zullen we na de dagen der ongezuurde broden, als ik weer op een gewone sabbat spreek, met dit onderwerp verder gaan.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)