De soevereiniteit van God (Deel 3)

Door John W. Ritenbaugh
9 maart 1996

Samenvatting: (toon)

In deze derde aflevering in de serie over de soevereiniteit van God waarschuwt John Ritenbaugh dat zij die een verbond met God hebben gesloten, verleid of besmet kunnen worden, tenzij ze een weloverwogen inspanning leveren om God te kennen. God kennen betekent beseffen dat God het recht en de macht heeft met ons te doen wat Hij wil. Toen Johannes de Doper zijn invloed zag afnemen, stemde hij nederig en zonder terughouding in met Gods verlangen, daar hij besefte wie de touwtjes in handen had. Evenals David en Christus zich in Psalm 22:7 metaforisch vergelijken met wormen, moeten wij nederig onze onbelangrijkheid erkennen, evenals onze dankbaarheid voor onze roeping.


We beginnen deze preek in Daniël 11, vers 32. Ik heb dit vers, geloof ik, ook in de eerste preek van deze serie gelezen. Dit vers behoort tot de langste, zich tot een onderwerp beperkende, profetie in de gehele Bijbel.

Daniël 11:32 - En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen.

Aan het begin van deze preek wil ik hier nog eens naar kijken, omdat de man, waarover hier wordt gesproken, bij het "tot afval bewegen", historisch bekend werd als Antiochus Epiphanes. We geloven nu, dat hij het historische type is van het beest in de eindtijd uit het boek Openbaring. Dit vers profeteert drie dingen:

1) Het beest zal zich onder andere bedienen van vleierijen.

Ik denk dat dat betekent dat hij niet alleen iemand met grote politieke wijsheid en macht zal zijn, maar ook iemand die overtuigend en charmant is. Op dit punt is het goed te bedenken wat er in Spreuken 31:30 staat (u kunt dat thuis opzoeken als u deze preek nog eens bestudeert). Daar wordt een waarschuwing gegeven dat "charme" (bevalligheid) bedriegelijk kan zijn. Onthoud dat, want hier zien we een voorbeeld waar charme heel bedriegelijk zal zijn en voor sommigen misschien wel dodelijk. Dit vers in Spreuken zegt, dat maar al te vaak charme niets meer is dan een public relations vaardigheid, die voor eigen voordeel wordt gebruikt. Met andere woorden het kan niets meer zijn dan oneerlijke vleierij om de medewerking van iemand te verkrijgen om een verborgen doel te bereiken. Dit is niets anders dan manipulatie en controle middels vleierij; iemand het gevoel geven te willen meewerken omdat men wordt geprezen. Maar de persoon die prijst manipuleert de ander voor zijn eigen doeleinden. In de politieke wereld wordt dit "verraad" genoemd. Dit is het eerste dat in dit vers tot uiting komt.

2) Degenen die een verbond met God hebben gemaakt kunnen tot afval bewogen worden (of zoals sommige vertalingen het weergeven: "verleid worden").

Dat hangt natuurlijk samen met de vleierijen. Als we dit vers in de context van de eindtijd plaatsen, zijn "wij" degenen die een verbond hebben gemaakt. Het wordt dan interessant om naar dat woord "afval" te kijken. Ik deed dat in de Reader's Digest Dictionary en dat woordenboek geeft enkele vormen van gebruik die u ook wel interessant zult vinden. Het betekent: de trouw bederven, de trouw of de integriteit bederven, zoals bijvoorbeeld door omkoping. Het betekent ook: het vernietigen van moreel besef, verstoren, ruïneren, het origineel veranderen, verlagen, besmetten.

Als we deze eerste twee punten samen nemen: de charme en de corruptie, moeten we mentaal kunnen zien, dat God met de gele kaart zwaait; Hij laat ons zien dat we in de buurt van een gevarenzone komen, waarvoor we erg voorzichtig moeten zijn. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat we, omdat we nu eenmaal zijn wie we zijn, ons in dezelfde politieke, sociale, economische of militaire kringen zullen bewegen als het Beest. Zijn persoonlijke charme, zijn vleierijen, zullen voor ons niet in een intieme relatie, waarop Spreuken 31:30 doelt, tot uiting komen. Deze zullen tot uiting komen in zijn openbaar politiek handelen. Deze man zal iemand van de wereld zijn, een niet bekeerd iemand, maar hij zal menselijk zo bekwaam zijn als enig mens maar kan zijn. Er is alle reden om aan te nemen dat deze man volledig onder controle van Satan zal staan. En er is niemand op aarde gewiekster dan Satan. Hij doet zich voor als een engel des lichts. Deze man zal zich dus voordoen als een weldoener der mensheid. Hij zal politiek zeer goed zijn onderlegd; menselijk zal hij een krachtige persoonlijkheid zijn en zijn politieke ideeën en strategieën kunnen ons heel goed verstrikken. Daar hij is wie hij is en wat hij is, zullen zijn strategieën voornamelijk "een beroep doen" op onze natuurlijke verlangens. Hij zal een beroep op ons doen ons geloof op te geven en hem medewerking te verlenen, hem te vertrouwen en loyaal aan hem te zijn, door ons te onderwerpen aan zijn politiek programma en zijn openbaar politiek handelen. Hij zal dat doen door ons een gevoel van fysieke zekerheid te beloven, evenals vrede en veiligheid. Er zullen fantastische beloften worden gedaan van voorkeur en beloning. Maar onthoud dit: als de vleierijen mislukken, zal er vervolging plaatsvinden.

3) Zij die hun God kennen, zullen sterk zijn.

Dat betekent dat zij standvastig zullen zijn. De vleierijen, de duidelijke aantrekkingskracht, zullen hen niet in verleiding brengen. Zij zullen de onoprechtheid doorzien. Zij zullen de valkuilen zien die achter het publieke optreden van deze man verborgen liggen. Zij zullen standvastig zijn en ze zullen "daden doen". Dit wordt ons gegeven om ons te laten zien hoe we niet bedrogen kunnen worden door zijn vleierijen: dat is door God te kennen. De sleutel hiertoe is het in staat zijn om zijn politieke gechicaneer te doorzien, omdat God ons eeuwige waarheden geeft. Het beest zal bedriegen door een combinatie van duidelijke leugens, gedeeltelijke waarheden en waarheden die slechts tijdelijk waar zijn. De mensen die zijn sluwe woorden doorzien, omdat ze Gods waarheid kennen, zullen dan sterk zijn en ze zullen eer aan God geven. Dit zullen mensen zijn die liever het risico lopen hun leven te verliezen dan de eer van God te verloochenen. Voor die sterkte is voorbereiding nodig, omdat die onze vastbeslotenheid en ons gevoel voor het hebben van een doel versterkt. Deze serie, waar ik nu aan begonnen ben, is bedoeld om ons te helpen Gods alles te boven gaande soevereiniteit vanuit het perspectief van de Bijbel te begrijpen.

Vorige week zagen we dat Gods heerschappij Hem openbaarde iets te doen of niet te doen, en wel op basis van Zijn doel en wil. Ik gaf u daarvan heel wat voorbeelden. God laat de muren van Jericho omvallen, maar herhaalt dat wonder nooit meer voor Israël. Hij laat toe dat Stephanus wordt gestenigd en sterft, maar kiest ervoor Johannes in de kokende olie te laten werpen en er volledig ongeschonden en levend uit te komen en daarna blijkbaar een vredige dood te sterven als hij om en nabij de 100 jaar oud is. God geneest Hizkia, maar Hij geneest Paulus niet. Hij kiest ervoor iemand te genezen, die — zoals we in Johannes 5 zagen — er niet eens om vroeg, die op geen enkele manier ook maar enig geloof tot uiting bracht, en Hij loopt een ander zomaar voorbij. Wat we moeten begrijpen is: "Hij runt de show". Hij is soeverein over Zijn schepping. Ons geloof in Hem moet dat begrip in zich hebben, in het bijzonder daar we het bloed van Jezus Christus hebben aanvaard en Zijn slaven zijn geworden. Hij heeft alle recht met ons te doen wat Hij geschikt acht en Hij zal ons te allen tijde gaan gebruiken voor Zijn heerlijkheid.

Dat is de voorwaarde die we accepteren als we worden gedoopt. We beloven plechtig trouw aan deze God Die nooit verandert. Hij zal altijd Zijn vermogen, Zijn kracht, Zijn wijsheid gebruiken om Zijn doel tot stand te brengen, niet alleen voor ons individueel, maar Zijn gehele doel voor de gehele mensheid. Het punt is dus: Hij runt de show en Hij heeft de macht en het recht met ons en met ieder ander te doen wat Hij maar wil, wanneer Hij maar wil. De vraag voor ons is dan: Zijn we bereid daar mee te leven? Het ontbreekt ons niet aan een overvloed aan bewijs dat Hij ons heeft geleverd, dat Hij diepgaand en intiem, met grote zorg, betrokken is bij ons leven. Zijn we bereid op Zijn perspectief, Zijn macht, Zijn wijsheid en Zijn liefde te vertrouwen, en beseffen we dat alle facetten van ons leven van het antwoord op deze vraag afhangen? Dit antwoord bepaalt de omvang en het enthousiasme van onze medewerking met Hem; deze medewerking bepaalt op zijn beurt de mate van onze groei en of we God werkelijk zullen gaan kennen.

Voor de rest van deze preek zal ik meer voorbeelden gaan aanhalen, waarin we zullen zien hoe de Bijbel de soevereiniteit van God definieert. Daarna, tegen het eind, zullen we beginnen met een ander aspect van ditzelfde onderwerp — Gods soevereiniteit — maar op een ander gebied dat heel belangrijk is voor ons begrip.

Laten we nu Johannes 3, de verzen 25 tot 27 opslaan. Johannes 3 is het hoofdstuk dat ons leert dat "we wederom geboren moeten worden". Het is ook het hoofdstuk dat de tekst bevat "dat God de wereld zo liefhad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gaf". Iets verder op in vers 25 staat dan het volgende:

Johannes 3:25-26 - Er rees dan geschil tussen de discipelen van Johannes met een Jood over de reiniging. 26 En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem.

Johannes' antwoord is heel interessant.

Johannes 3:27 - Johannes antwoordde en zeide: Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn.

Johannes 3:30 - Hij moet wassen, ik moet minder worden.

Denk eens na over deze situatie. Jezus getuigde later Zelf dat van alle mensen uit vrouwen geboren, niemand, zelfs niet één persoon, groter was dan Johannes de Doper. Ik weet niet of er ooit iemand, een normaal menselijk wezen, heeft geleefd die zo'n geweldige lof van onze Schepper ontving. Niemand was groter. Misschien waren anderen op hetzelfde niveau, maar de bewoordingen die werden gebruikt, leken nooit ook maar enigszins op de woorden die gebruikt werden voor de neef van Jezus, Johannes de Doper. We hebben het hier dus over iemand die werkelijk groot was! Deze man had heel wat aandacht getrokken. Ik heb het over Johannes de Doper. Naar het schijnt werd hij overal door menigten gevolgd en het scheen dat zij aan zijn lippen hingen. We krijgen de indruk van iemand met een grote ijver voor God, maar tegen de tijd dat we bij het derde hoofdstuk van Johannes aankomen, zien we dat zijn leerlingen versteld staan dat die wispelturige menigten Johannes verlaten om naar een andere stem te luisteren; sommigen van hen gaan die Ander ook volgen. Om het probleem nog ingewikkelder te maken, het was Johannes zelf die Jezus aanprees: "Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt!" Iemand die zo groot was, dat deze man die tot de grootsten behoorde die ooit leefden, uit vrouwen geboren, zei dat hij niet waardig was om zelfs maar Zijn schoenen vast te maken. Hij prees zijn neef, Jezus van Nazareth, aan en het lijkt er op dat hij zelf een heel grote rol speelde om de exodus van zijn volgelingen naar Jezus in gang te zetten.

Sommige van deze mensen bleven echter heel trouw aan Johannes de Doper in hun frustratie dat ze niet wilden zien dat Johannes de tweede plaats ging innemen. Zij begonnen een debat met anderen in de buurt. Daarbij kwam die vraag over reiniging aan de orde en de vraag was (als ik het zo mag zeggen), dat die andere kerel (Jezus) groot werd en u (Johannes) kleiner werd. Hoe komt dat? Hebt u het contact verloren? Wat heeft die andere kerel wat u niet heeft? Ik kan u zeggen, dat de reactie van Johannes heel veel laat zien over zijn karakter en waarom Jezus hem zo erg prees. Hij was echt een nederig mens. Hij was niet jaloers, aanmatigend, afgunstig of bitter. We zien in zijn antwoord geen enkele rancune. We zien in plaats daarvan een groothartige geest. Hij wist wie de show runde. Hij verheugde zich in de rol die hij kon spelen als de voorloper van Christus. Hij zei, in meer algemeen taalgebruik: "Ik moet werken en tevreden zijn met wat God me geeft. Hij is de baas. Jezus neemt mij mijn discipelen niet af." (Ik parafraseer hier.) "Hij groeit in aanhang omdat God ze Hem geeft."

Deze gedachte is een van de belangrijkste redenen dat de Church of the Great God zo werkt als ze werkt. Wij zoeken geen aanhang onder de leden van de andere Churches of God. We hebben mensen die bij de Worldwide Church of God waren, of een van de groepen die daaruit voortkwamen, niet uitgenodigd om bij ons te komen, met een aanmatigende tactiek van wij en alleen wij zijn de enigen die het werk van God doen, of dat wij de enige Philadelphiërs zijn, en dat je je daarom maar beter bij ons kon voegen. Ik kan niet zeggen, dat ik dit even goed of even nederig begreep als Johannes de Doper, toen de Church of the Great God begon. Maar ik begreep in ieder geval wel dat je geen schapen gaat ritselen onder die van je broeder. We moeten beseffen Wie ons bezit. Dat zijn de Vader en de Zoon, niet de dienaar. Ik vind het heel interessant dat God in Jeremia 23 mensen ten laste legt dat zij "liepen", maar Hij zegt dat Hij hen niet had gezonden. Als de Vader ons dus mensen wil geven om mee te werken, die we kunnen helpen, of die ons kunnen helpen te doen wat we doen, dan zal het zo zijn. We zijn dan heel gelukkig om hen te kunnen ontvangen. Gemeente, er is geen andere manier binnen Gods wil, die met succes zal werken om God te verheerlijken. We moeten Hem volgen, niet voor Hem uitlopen en van Hem verlangen dat Hij het op onze manier doet.

Laten we nu Gods soevereiniteit op een ander gebied bekijken. Hij is soeverein in het uitoefenen van Zijn liefde. Enige maanden geleden probeerde ik op mijn manier iets uit te leggen, dat, naar ik begrijp, velen nogal radicaal overkwam. Voor mij was het ook radicaal, maar er begon me een en ander duidelijk te worden waaraan ik nog nooit had gedacht, of waarvoor ik bang was geweest om aan te denken, en dat is dat God niet iedereen even liefheeft. Er zijn in feite zelfs sterke aanwijzingen, dat er mensen zijn die Hij helemaal niet liefheeft. Laten we maar beginnen met Satan. Denkt u dat God Satan liefheeft en wat hij heeft gedaan? Satan die al die ellende heeft veroorzaakt? Die het leven van mensen kapot maakt? Die een groot deel van Gods schepping verwoestte, zodat deze herschapen moest worden voordat menselijk leven mogelijk werd? Kunt u ook maar één eigenschap van Satan noemen waarvan je zou kunnen houden? Het is heel moeilijk om iets te bedenken, zijn karakter kennend.

We zouden nu kunnen redeneren: Wel, ik kan begrijpen waarom God Satan niet liefheeft, want we zeggen altijd, kijk eens hoe slecht hij is. Laten we even over iets nadenken. We gaan inzien dat dit misschien alleen maar een rechtvaardiging kan zijn, dat onze ijdelheid ons opblaast te gaan denken dat we beter zijn dan Satan. Als we beter zijn dan Satan, dan is het alleen maar in bepaalde mate. Bedenk echter, dat God zelf zegt, dat het loon van de zonde de dood is. Eén zonde. Als we al na één zonde de dood hebben verdiend, kunnen we ons de volgende vraag stellen: Hoeveel beter zijn we dan Satan? Dat is een vraag om eens over na te denken. Zoals ik reeds eerder zei, het is alleen maar in bepaalde mate.

Laten we nu Psalm 139 opslaan. Wat David hier zegt is in dit opzicht heel interessant. Hier staat het, in de Bijbel. Ik ben er bijna zeker van dat David, toen hij dit schreef, niet dacht: Dit komt in Gods woord te staan. David was echt een man naar Gods hart. Het staat in de Bijbel en zoals we nu kunnen begrijpen, schreef hij dit onder inspiratie van God. David zegt daar:

Psalm 139:21-22 - Zou ik niet haten, HERE, wie U haten, niet verafschuwen wie tegen U opstaan? 22 Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

Daarna zegt hij, God, doorgrond mij om te zien of daar iets verkeerds mee is. Dit is een sterke aanduiding dat God zei dat er niets mis mee was. Dit maakt deel uit van Gods geïnspireerde woord, daarom moet ik dus tot de conclusie komen dat God, onder bepaalde omstandigheden, een zondig mens het recht geeft te haten. Als het dus juist is voor een zondig mens onder bepaalde omstandigheden te haten, dan is het zeker juist dat de volmaakte God dit doet. Conclusie: God heeft niet iedereen lief. Er staat in feite ook in Psalm 5:5: Gij [God] haat alle bedrijvers van ongerechtigheid.

Nu naar het Nieuwe Testament, Romeinen 9, de verzen 10 tot 13. Hij zegt in vers 13: "Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat." Ik wil dat we dat in de context zien, omdat het nogal consequenties met zich mee brengt.

Romeinen 9:10-13 - Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van een man, onze vader Isaak. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan (opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep), 12 werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, 13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.

God verkoos de ene boven de andere, zelfs voor hun geboorte, voordat ze iets hadden gedaan: goed, slecht, maakt niet uit wat. Hun daden hadden daarom niets uit te staan met Gods keus. Paulus laat hier zien dat God Zijn soevereiniteit hanteert — om over de een liefde uit te storten en de ander te vervloeken. God had alle recht om geheel en al naar Zijn wil te handelen, en Hij nam daartoe de beslissing.

Weet u een en ander over de nakomelingen van Ezau? In de Bijbel staat dat Ezau Edom is. Weet u waar de Edomieten zijn? Weet u waar ze verblijven? Weet u ook maar iets van hun geschiedenis? Degenen onder u die dit weten: vergelijk hen eens met Jacob, Israël. Wie heeft God gezegend? Wie woont er in de beste gebieden van de aarde? Wie is er gezegend met Gods woord: Jacob of Ezau? Deed Hij dit omdat Jacob beter was dan Ezau? Niet volgens het zojuist gelezen vers. Hij deed dit omdat Hij God is! Hij deed dit omdat Hij Zijn soevereiniteit uitoefende ten gunste van ons, mede-Israëlieten. Degenen onder u die geen Israëlieten van geboorte zijn, zijn gezegend door te leven, geboren te worden, of te zijn geëmigreerd naar dit land dat onder Gods gunst staat. We hebben niets gedaan om dit ook maar te verdienen. God stortte al deze zegeningen uit en Hij gebruikte hierbij Zijn soevereiniteit.

Er is een heel interessante uitspraak in het boek Deuteronomium, in hoofdstuk 7, de verzen 7 en 8. We beginnen in vers 6:

Deuteronomium 7:6-8 - Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. 7 Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbondenen, u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. [En dan komt nu de reden waarom Hij Israël verkoos.] 8 Maar, omdat de HERE u liefhad.

Hadden de Israëlieten, deze slaven in gevangenschap, ook maar iets aan God te bieden? Dat is te lachwekkend om ook maar over na te denken. Ze hadden niets voor God gedaan, waardoor Hij hen zou moeten gaan liefhebben, maar God oefende Zijn soevereiniteit uit. Hij zei dus:

Deuteronomium 7:8 - Maar, omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HERE u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte.

Hier staat het, in Zijn woord. Voelt u zich daardoor beledigd, dat Hij de ene kiest en de andere niet? Dat is een ernstige vraag. De heer Armstrong kwam in moeilijkheden met mensen in de Worldwide Church of God omdat hij dit onderwees; sommigen vonden hem een racist.De heer Armstrong kon daar niets aan doen. God is Degene die koos, maar omdat hij dit verder vertelde, vertelde wat God zei, begonnen sommigen een boosheid en vijandschap tegen hem te voelen. Maar daar staat het, in Gods woord. Voordat we hier mee verder gaan, moeten we dit evenwichtig kunnen benaderen. We gaan dit heel persoonlijk maken door naar het boek Efeziërs in het Nieuwe Testament te gaan.

Efeziërs 1:3-5 - Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons [Hij schrijft hier aan een heidense gemeente] met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil.

In liefde. Net als Hij met de Israëlieten onder het Oude Verbond deed. Hij bestemde ons voor (predestineerde ons) naar het welbehagen van Zijn wil. Staat er, dat Hij ons voorbestemde op basis van wat Hij voorzag dat we zouden worden? Staat er, dat Hij ons koos, omdat we deel uitmaakten van een bepaalde ethnische groep, of dat Hij ons koos op basis van een uitzonderlijke vorm van intelligentie, karakter, uiterlijk, athletisch vermogen, zangstem of wat voor andere kwaliteit we ook maar mogen hebben ontwikkeld? Nee. Het was het welbehagen van Zijn wil. Wij, ongeacht wie we zijn, wij zijn degenen die Zijn keus ten deel valt. Dit is hetzelfde principe als wat in Deuteronomium 7 onder woorden wordt gebracht. Dat wil niet zeggen dat we geen goede kwaliteiten hadden, of vaardigheden hadden ontwikkeld, en dergelijke, toen Hij ons eruit plukte en ons opriep voor Hem te verschijnen. Maar dat was niet de reden. Die liefde was iets dat geheel en al in Hem ontstond. Behoud is door genade.

U weet wat er in 1 Corinthiërs 1 staat: "Dat niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken zijn geroepen." Beseft u, dat hij daar zegt dat wij de verachtelijken van de wereld zijn? O ja, we moeten grinniken om de manier waarop Richard Plechet dit placht te zeggen. Hij zei dat we het "beste van het vuil" zijn. Misschien zijn we niet eens het beste van het vuil. Misschien zijn we gewoon het vuil. Heh! Heh! [John lacht hier.] Misschien blaast dat ons wel op. Dat woord verachtelijk betekent "minder dan niets". Dat zegt Paulus daar in 1 Corinthiërs 1, dat we minder dan niets zijn. Dat is nogal vernederend. Maar we hebben werkelijk niets dat ons bij God aanbeveelt, evenmin als de Israëlieten. Maar in genade oefende Hij Zijn heerschappij uit en besloot ons te kiezen.

Laten we weer naar het Oude Testament gaan, weer naar het boek der Psalmen, deze keer naar Psalm 22. Laten we onszelf nu eens vergelijken enerzijds met een enkel mens en anderzijds met een gehele natie, zoals God daar tegenaan kijkt. Hier in Psalm 22 staan enkele woorden die door Christus werden uitgesproken toen hij aan het kruis hing. Let eens op wat Hij hier zegt.

Psalm 22:7-9a - Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk. 8 Allen die mij zien, bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd: 9 Wentel het op de HERE.

Of u dit nu wilt beschouwen als de woorden van David of die van Christus, allebei waren grote mensen — de één een man naar Gods hart en de ander zo immens veel groter dat Hij zei dat als u Hem had gezien, dat u dan de Vader had gezien. Toch staat er, dat ze ondanks hun grootheid, zeggen, dat ze wormen zijn. Heh! Heh! Dat is iets dat we maar al te graag onder tafel vegen. Onze ijdelheid heeft juist de neiging ons op te blazen, zodat we van onszelf denken dat we echt iets bijzonders zijn; toch beschouwden David en Christus zich als verachtelijke voorwerpen — iets dat anderen minachtten. We zijn niet zo happig op wormen. Ze zijn slijmerig. We pakken ze dus echt niet graag op. Een schitterende schepping, maar het zijn slechts wormen.

Nu naar Jesaja 41, te beginnen in vers 8 en dan door tot vers 15.

Jesaja 41:8-9 - Maar gij, Israel, [God spreekt hier] mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, 9 gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad.

Let er eens op hoe Hij de nadruk legt op Zijn soevereiniteit, om te doen zoals Hij wil. Hij koos ons dus en zelfs toen Jacob, als de natie Israël, afschuwelijk zondigde, zei God: "Ik heb u verkoren en u niet versmaad." We zien dat hieraan gekoppeld is dat dat deels ook kwam door Abraham, die Hij met "Mijn vriend" aanduidt. Toch stonden ze voor het punt dat ze vreselijke dingen zouden gaan zien. Hij zei:

Jesaja 41:10-11 - Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. [Ik zal u nooit begeven; Ik zal u nooit verlaten.] Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand. 11 Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om.

Denk hier eens over na. Ondanks het gedrag van Israël, dat ze om zo te zeggen de hoer speelden, de hoer met de andere volken, en de God verwierpen Die hen uit de slavernij had verlost, omdat Hij hen liefhad. Ondanks dat gedrag (die hoererij) heeft Hij zich ertoe gezet hen te willen redden, zal Hij voor hen de strijd aanbinden en zal Hij met hen zijn.

Jesaja 41:12 - Gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren.

Waarom? Omdat God ten gunste van hen tussenbeide kwam.

Jesaja 41:13-14a - Want Ik, de HERE, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. 14 Vrees niet, gij wormpje Jakob.

Heh! Heh! Hier hebben we Jezus Christus, de Schepper God Die mens wordt en aan het kruis hangend tot God zegt: "Ik ben een worm." Hier in het Oude Testament zegt deze machtige God tot de gehele natie Israël dat zij een "worm" zijn. Waar passen wij nu in dit scenario? Als de gehele natie een worm is gezien vanuit Gods perspectief, wat zijn wij dan als een enkel menselijk wezen?

Jesaja 41:14-15 - Vrees niet, gij wormpje Jacob, gij volkje Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord des HEREN, en uw Verlosser is de Heilige Israëls. 15 Zie, Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dorsslede met dubbele sneden; gij zult bergen dorsen en verbrijzelen, en heuvelen zult gij tot kaf maken.

De gehele natie Israël is dus als een worm voor God. Dus wij, als individuen, moeten zeker ook wel wormen zijn. Maar weet u? Wij zijn wormen die Hij liefheeft, en dat maakt een heel groot verschil. Hij gaat van ons, wormen, krachtige instrumenten maken. Dat betekent, dat God in de soevereine uitoefening van Zijn genade, samen met ons zal volharden en ons zal behouden; naar het schijnt zelfs bijna tegen onze wil, maar dat zal niet zo zijn. Hij zal heel wat medewerking verlangen, maar Hij heeft wegen om ons tot die medewerking te bewegen en die zal Hij benutten. Hij heeft wegen om ons "Ja, Heer!" te doen zeggen. Sommige van die wegen kunnen nogal pijnlijk zijn, maar we zullen het gaan zeggen, omdat er staat: "Iedere knie zal zich voor Hem buigen." Waarom maken we het niet gemakkelijker en gaan op vrijwillige basis meewerken? Dat is onze verantwoordelijkheid.

Genade, in de meest uitgebreide Bijbelse zin, is gunst getoond aan hen die het niet verdienen. Genade is de volkomen tegenstelling van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid vereist het onpartijdig toepassen van de wet. Rechtvaardigheid vereist dat iedereen krijgt wat hem wettelijk toekomt. Rechtvaardigheid verleent geen gunsten; doet absoluut niet aan aanziens des persoons. Daarom kent rechtvaardigheid geen medelijden en geen barmhartigheid. Laten we eens kijken naar iets in het boek Romeinen, iets dat ons nu veel meer zal zeggen. In Romeinen 5, de verzen 20 en 21, helemaal aan het einde van een lange uitleg, zegt Paulus:

Romeinen 5:20-21 - Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden, 21 opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here.

Nu zal ik in duidelijker taal zeggen wat Paulus zei. Hij zei, dat genade absoluut heerst over zonde, rechtvaardigheid en dood. Omdat God genadig is, omdat Hij de absolute Soeverein is over Zijn schepping, omdat Hij als Gever van de wet daar boven staat, omdat Hij kan opwekken wie Hij wil, omdat het aan Hem is vrijelijk genade te geven zoals het Hem behaagt en omdat genade absoluut boven al dat andere staat omdat God dat zo heeft gewild, daarom geeft Hij het aan wie Hij verkiest. Dat heeft Hij met u gedaan. Deze grote God oefende Zijn genade uit. Als wij rechtvaardigheid zouden willen, als wij alleen maar fair behandeld wilden worden [Heh! Heh! Dat wilt u niet, zeker niet van God]. Zijn genade gaat uit boven Zijn rechtvaardigheid omdat Hij barmhartig is. Krijg nooit het idee dat we het op de een of andere manier waard zijn of het verdienen, omdat we zo goed zijn. Omdat genade een gave is, kunnen we het niet eisen. We kunnen er echter wel om vragen, we behoren er om te vragen, maar we kunnen het niet eisen. Hierin ligt een verschil in houding. Daarom moet behoud komen door genade, het kan niet anders. En omdat dat zo is, is zelfs de grootste zondaar niet buiten het bereik van Gods barmhartigheid. Omdat behoud uit genade is, kan er geen sprake zijn van opscheppen of ijdelheid.

Sommige van de voorbeelden die ik vorige week gaf in samenhang met Gods liefde, kunnen ook worden gebruikt in samenhang met Zijn genade. Bijvoorbeeld, Isaak ontvangt genade. Ismaël wordt buitengeworpen, samen met zijn moeder. Jacob ontvangt de erfenis en de zegen. Ezau — met welke intenties en bedoelingen dan ook — wordt vervloekt. De geboorte van Christus is in dit opzicht erg interessant. Voor een bepaalde reden verkoos God dat Hij geboren moest worden in het kleine plaatsje Bethlehem en niet in de hoofdstad of vlakbij de tempel. God zou engelen hebben kunnen zenden om Zijn geboorte in iedere hoofdstad op aarde aan te kondigen en daar te zeggen dat ze moesten komen om Zijn Zoon eer te bewijzen. We zouden kunnen denken dat Hij het tenminste aan het Sanhedrin in Jeruzalem zou hebben laten weten, tenminste aan de religieuze leiders van Zijn eigen volk. In plaats daarvan, koos Hij ervoor het aan eenvoudige herders te verkondigen en aan vreemdelingen — de wijzen uit het Oosten. Zij waren apart gezet voor deze bijzondere eer. Waarom deed God dat? Ik weet het niet. Hij doet bepaalde dingen die ons denken te boven gaan en gewoonlijk denken we dan: Tsjonge, tsjonge! Dit is de grootste gebeurtenis die op aarde plaatsvindt sinds de schepping! God komt aan op aarde in de vorm van een menselijk wezen — en Hij wordt onopgemerkt door de wereld geboren. Wij doen geheel anders. Als er bij ons een kind wordt geboren dan verkondigen we dat luid en duidelijk. Er is een erg interessante conclusie verbonden aan een gelijkenis in Mattheüs 20 die dit benadrukt. De gelijkenis begint in het eerste vers.

Mattheüs 20:1-2 - Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren. 2 Toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een schelling 's daags zond hij hen in zijn wijngaard.

De rest van de gelijkenis vervolgt deze gedachte, daar de heer des huizes in het verloop van de dag doorgaat te proberen arbeiders te huren. We pakken de draad weer op in vers 11. Hij gaat hen uitbetalen.

Mattheüs 20:11-12 - Toen zij die ontvingen, morden zij tegen de heer des huizes, 12 en zij zeiden: Deze laatsten hebben één uur gewerkt en gij hebt hen met ons gelijkgesteld, die een zware dag en de hitte hebben doorstaan.

Luister nu naar het antwoord van God in het vlees.

Mattheüs 20:13 - Maar hij antwoordde een van hen en zeide: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een schelling?

Pas dit eens toe op uzelf en uw doop. Sloten wij een overeenkomst met God? Vergeving van zonde, Zijn Heilige Geest, in Zijn familie geplaatst worden, de garantie op eeuwig leven en dat allemaal in ruil voor vergeving van zonde en het opheffen van de doodstraf? Hij zei dat Hij hier niets verkeerds deed.

Mattheüs 20:14-15a - Neem het uwe en ga heen; ik wil deze laatsten hetzelfde geven als u. 15 Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil?

Dat is het punt waar het in deze preken om draait.

Mattheüs 20:15-16 - Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? 16 Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.

Ik weet niet of ik u vandaag nog een andere kijk op dit onderwerp heb gegeven, of gedachten die u vroeger hebt gehad, nieuw leven heb ingeblazen. Hoe dan ook, dit is een onderwerp dat heel goed begrepen dient te worden en in praktijk gebracht als we een goede relatie met God willen hebben. God is Schepper. Hij is soeverein Heerser en wij zijn Zijn dienaren, die Hij heeft gekozen uit de goedheid van Zijn doel naar het welbehagen van Zijn wil. Dit heeft ons in een positie geplaatst die aan de ene kant vernederend is en aan de andere kant ontzagwekkend eervol. Het is iets, dat we niet graag buiten ons bereik willen laten komen, nu God dit zo genadig heeft aangeboden. We gaan nu het volgende kort in beschouwing nemen, tenminste we beginnen het in beschouwing te nemen. Dat is het punt hoe God Zijn soevereiniteit in Zijn schepping tot uiting brengt. Dit leidt op zijn beurt naar Zijn bestuur van de planeet Aarde. Dit heeft meer met fysieke zaken van doen dan met geestelijke, maar het heeft zijn invloed op ons geestelijk functioneren, als we eenmaal beginnen te begrijpen hoe diep God betrokken is bij de werking van Zijn schepping. Laten we daarvoor gaan naar het boek Openbaring, hoofdstuk 4. Ook dit is een vers dat we al eerder in deze serie hebben gebruikt; ik wil het herhalen als inleiding op dit deel van de serie.

Openbaring 4:11 - Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen.

Het Boek geeft dit vers als volgt weer: "En zij zeggen: Here, onze God, U bent alle lof, eer en macht waard, omdat U alles gemaakt hebt. Alles is ontstaan en gemaakt, omdat U het wilde."

De West Amplified Translation of the New Testament geeft het als volgt weer (dit is geen gebruikelijke vertaling): "En omdat U het zo wilde, bestonden zij en werden ze geschapen."

Probeer eens te denken aan de tijd voordat er ook maar iets was geschapen en de Vader en de Zoon met de planning bezig waren. Zelfs in die periode was de Vader soeverein. Hij zou op de ene of de andere manier kunnen scheppen. Ik bedoel, Hij zou een miljoen werelden kunnen scheppen of maar één. Hij zou één wezen kunnen scheppen, waarvan elk exemplaar helemaal identiek was aan het andere, of miljoenen wezens met een grote diversiteit. Hij zou een organisme kunnen scheppen, dat zo klein was dat het slechts door de allersterkste microscoop kon worden gezien, of een universum zo immens groot dat we de grenzen daarvan nooit zouden kunnen ontdekken, als het al grenzen had. Ziet u, Hij is vrij te doen wat Hem behaagt, omdat Hij alles heeft geschapen door het uitoefenen van Zijn wil. Paulus doet een opmerkelijke uitspraak in 1 Corinthiërs 15, een uitspraak die u onmiddellijk zult herkennen, maar het illustreert dit principe. In 1 Corinthiërs 15:40-41 zegt hij:

1 Corinthiërs 15:40-41 - Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. 41 De glans der zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de andere in glans.

Waarom is dit zo? Omdat God Zijn soevereiniteit uitoefende om ze op deze manier te maken. God koos ervoor in grote verscheidenheid te scheppen en met grote tegenstellingen in natuur en functie. Zo hebben we aan de ene kant leeuwen en aan de andere kant lammeren. Is er een groter verschil denkbaar? We hebben honden en katten. We hebben de reusachtige olifant en de kleine muis. We hebben het lelijke, vies ruikende en soms kwaadaardige varken, dat volgens mensen die dit bestuderen, tot de meest intelligente dieren schijnt te behoren — hoe lelijk het ook is. Aan de andere kant hebben we het krachtige, slanke en prachtige paard dat tot de domste, minst intelligente dieren schijnt te behoren. De leeuw en de tijger zwerven met grote vrijheid door het oerwoud, terwijl de arme ezel, in zijn verschillende vormen, een voortdurend geestdodend leven als lastdier leidt. Er is een dier, zoals het luipaard dat snelvoetig is geschapen, maar aan de andere kant is er ook de schildpad waar totaal geen opschieten in zit, en toch heeft het een heel lang leven en een bepantserd lichaam, dat practisch ondoordringbaar is voor elke vijand. Waarom zou het dan vreemd zijn dat God ervoor kiest de ene mens vijf talenten te geven en een ander maar één? Dat de een als zwarte wordt geboren en de ander als blanke en weer een ander oosters en ook nog anderen van gemengd ras? Er is een grote verscheidenheid aan families waarbinnen men kan worden geboren. Ziet u, God heeft Zijn soevereiniteit uitgeoefend in grote verscheidenheid.

Spreuken 16:4a - De HERE [begrijp dit goed] heeft alles gemaakt voor zijn doel.

Het kan plezierig voor ons zijn — ik bedoel al die verscheidenheid die Hij heeft geschapen. We kunnen ons erin verheugen dit allemaal te bestuderen en het kan een bron van verwondering zijn. Zo behoort het ook te zijn. Maar Spreuken 16:4 is een uitdieping van Openbaring 4:11 — dat Hij deze dingen voor Zijn wil schiep, wetend dat wij voordeel en plezier zouden ontvangen vanuit Zijn wil. Het laatste deel van dat vers is interessant.

Spreuken 16:4 - De HERE heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads.

Dat is een verbazingwekkende uitspraak! Dit is een basiswaarheid van het Christendom waarover we weinig meer horen en die we ook niet vaak in overweging nemen, omdat het voor de mens erg populair is geworden zichzelf te verheerlijken, denkend dat hij de show runt. [Heh! Heh!] Dan is het interessant Psalm 2 eens te lezen over al die woelende naties die zich in slagorde scharen tegen hun Schepper. En wat doet die Schepper? Hij lacht ze vierkant uit en bespot ze. De gehele mensheid moet deze les leren, dat Hij de allerbeste Baas is Die iemand maar kan hebben, de allerbeste Heerser, de meest groothartige Vader, het meest gevende Wezen, het meest genadige en barmhartige Wezen, dat ooit heeft geleefd. Maar het punt vanaf het begin bij Adam en Eva, ja, reeds eerder bij Satan, is dat wij verantwoordelijk zijn te kiezen of we onder Zijn soevereiniteit willen leven in wat Hij heeft geschapen. Als we daarvoor kiezen, dan slaan we met ons leven de juiste richting in.

Sla nu Psalm 135 op, de verzen 3 tot 6. Gemeente, het is erg moeilijk ons hieraan aan te passen; daarom geeft God ons zoveel tijd. Laten we beginnen in vers 1.

Psalm 135:1-6 - Halleluja. Looft de naam des HEREN, looft, gij knechten des HEREN, 2 gij, die staat in het huis des HEREN, in de voorhoven van het huis van onze God. 3 Looft de HERE, want de HERE is goed, psalmzingt zijn naam, want die is liefelijk, 4 want de Here heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot zijn eigendom. 5 Ja, ik weet, dat de HERE groot is, dat onze Here boven alle goden is. 6 De HERE doet al wat Hem behaagt in de hemel en op de aarde, in de zeeën en alle waterdiepten.

Wie is de Baas? Wie kan God uitdagen in Zijn voorrecht te doen zoals Hij zegt? Is er iemand die het beter kan dan Hij? Een van de redenen dat we zo kritisch zijn jegens andere mensen, een van de redenen dat we mopperen, is iets dat bijna ingesleten schijnt te zijn in ons Israëlieten. We kunnen duizenden redenen vinden om te klagen. Weet u dat een van de hoofdredenen dat we klagen, is, omdat we God van ons denken uitsluiten — Hij is niet in beeld. Beseffen we dat werkelijk alles onder Zijn controle staat? Jezus ging zo ver te zeggen dat zelfs geen mus ter aarde valt, tenzij God dit laat gebeuren. Dat vind ik nu echt een oplettende zorg! Ik bedoel dat dat verbazingwekkend is! Mijn armzalige hersenen kunnen dat niet bevatten, maar ik moet dat geloven. Denkt u dus dat Hij niet op de hoogte is van uw problemen? Hij is dat zeer zeker. Ze zijn niet aan Zijn aandacht ontsnapt. Daarom beschouwt de Bijbel mopperen als regelrechte rebellie, omdat wat we dan doen is, God uitdagen in Zijn voorzienige zorg voor Zijn schepping, alsof Hij op de een of andere manier niet weet wat er aan de hand was. Er is niets mis mee om God te vragen 'waarom'. Het verschil zit hem in de houding. Als de houding kritisch is, betwist die Zijn wijsheid en Zijn regering over Zijn schepping. We willen nooit vergeten wat Jesaja in hoofdstuk 40, de verzen 17 en 18 schreef, waar Hij zei: "Met wie wilt u Mij vergelijken?" Er is niemand waarmee Hij vergeleken kan worden.

Nu is het eenvoudig te zien, dat God alles in de natuur in grote verscheidenheid heeft geschapen, maar zijn er ook niet wat we gewoonlijk de wetten der natuur noemen, die van kracht zijn en alles onder controle houden? Is het voor God werkelijk nodig om Zijn schepping actief te managen en te regeren? Dit is een vraag waar ik u tot de volgende keer mee laat zitten. Het is inderdaad iets wat grondig in overweging moet worden genomen. Overigens ben ik in mijn notities op een punt aangeland, dat als ik doorga, ik veel meer tijd zal nodig hebben dan die er nog is. We hebben dus een geschikt punt gevonden om er mee op te houden, maar u kunt over die vraag nadenken: "Is het voor God werkelijk nodig om Zijn schepping actief te managen en te regeren, daar Hij toch wetten in werking heeft gesteld, waarvan we denken dat die alles laten voortgaan te draaien zoals dat is bedoeld." Doen ze dat echt? We zullen dat de volgende keer dat ik spreek, proberen te beantwoorden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)