De soevereiniteit van God (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
2 maart 1996

Samenvatting: (toon)

De religies van de wereld beelden God af als een hulpeloos, verwijfd, overdreven sentimenteel, handenwringend iemand, die er wanhopig opuit is de wereld te redden en daarbij herhaaldelijk door Satan gefrustreerd en gedwarsboomd wordt. John Ritenbaugh brengt echter het juiste plaatje van God scherp in beeld: God als bestuurder, manager en controleur van alle naties, in zowel de grote zaken als in de kleinste details. God heeft zeer gedetailleerde plannen en mechanismen gereed om problemen op te vangen en te herstellen. Niets en niemand kan God dwarsbomen. Niemand van ons, binnen of buiten het lichaam van Christus, heeft enige controle over de gaven en vermogens die Hij ons geeft, of de ervaringen en gebeurtenissen waar Hij ons doorheen laat gaan. We moeten het geloof ontwikkelen om ons aan Hem over te geven en ons als klei in de handen van de pottenbakker aan Zijn wil aan te passen.


Vandaag ga ik verder met de serie waarmee ik vorige week ben begonnen. En ik begin in het boek Haggaï omdat ik deze boodschap wil verbinden aan de boodschap die Darryl ons twee weken geleden heeft gegeven. We gaan naar Haggaï, hoofdstuk 1. Misschien herinnert u zich nog het thema van de boodschap van Darryl, dat Haggaï de verantwoordelijkheid werd gegeven het volk op te roepen tot het bouwen van de tempel en dat het volk zijn tijd besteedde aan de zorg voor eigen zaken in plaats van aan de zorg voor de tempel van God. Natuurlijk staat de tempel van God symbolisch voor de kerk van God. In vers 13 van Haggaï, hoofstuk 1, staat het volgende:

Haggai 1:13 — En Haggai, de bode des Heren, zeide, krachtens de boodschap des Heren, tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des Heren.

Zoals u weet, is mijn "modus operandi" om onderwerpen in series te brengen. Het schijnt zo te zijn, dat wanneer ik naar een onderwerp kijk, ik veel meer ontdek dan ik in één preek kwijt kan. Soms zelfs tot een absurde omvang — zoals de serie van negenentwintig preken over het Verbond. Dat was de langste van al de series waaraan ik ooit begonnen ben. Ongeacht hoe lang sommige series ook zijn geweest, ik geloof toch (dat is althans mijn opinie) dat deze serie over Gods soevereiniteit de belangrijkste is die ik ooit in mijn leven heb gegeven. En ik denk dat de daaropvolgende belangrijke serie, de serie is over de "Heiligheid van God" en die is tot op heden nog niet afgerond. Gedurende een aantal maanden heb ik er niet verder aan gewerkt. Deze twee series zijn naar mijn mening belangrijk, omdat de ene serie ons vertelt wat God is en de andere ons vertelt wat we dienen te worden. Want naar mijn gevoel kan er op dit moment in ons leven niets belangrijker zijn dan voorbereid te worden op het Koninkrijk van God, — dat wil zeggen, ons deel uit te voeren in het bouwen van Gods tempel nu vlak voor de terugkeer van Jezus Christus. U weet dat ik het over de geestelijke tempel van God heb. Het is zeer interessant in de boodschap van Haggaï dat, ofschoon hij op de allereerste plaats Zerubbabel en Jozua moest aansporen, het gehele volk deel moest nemen in datgene wat zij aan het uitvoeren waren. Zij waren de leiders, maar het volk moest zijn deel doen, want anders zouden de leiders de verantwoordelijkheid voor de bouw van de tempel niet kunnen nakomen. Zij dienden te weten dat de Here met hen was. In Haggaï, hoofdstuk 2, vers 5, (dit is enige tijd later) zegt Haggaï tot Zerubbabel:

Haggai 2:5 — Maar nu, wees sterk, Zerubbabel, luidt het woord des Heren, en wees sterk, Jozua, zoon van Josadak, hogepriester, en wees sterk, al gij volk des lands, luidt het woord des Heren, en gaat aan het werk, want Ik ben met u, luidt het woord van de Here der heerscharen.

Het werk waartoe God ons heeft geroepen, vergt heel veel geloof. Ik heb het niet over het monumentale soort geloof dat mensen misschien nodig hebben ten tijde van het martelaarschap, maar over het soort geloof dat mensen nodig hebben gedurende het alledaagse leven — we dienen te weten dat God met ons is. Want weet u wat er anders met ons gebeurt? Dan verprutsen we onze tijd en voor we het weten is alles voorbij. Ik ben in de kerk sinds 1959. Dat lijkt zo vreselijk kort, de tijd is als een flits voorbij gevlogen! Het is bijna 40 jaren geleden dat ik gedoopt werd en terugkijkend is het zo snel gegaan, dat het haast niet meer lijkt dan één ogenblik. Er is in mijn leven zoveel gebeurd, dat ik mij zelfs niet eens alles meer kan herinneren. Ik weet wel dat mijn leven heel anders is gelopen dan ik ooit had gedacht en ik denk dat op dezelfde manier ook uw leven heel anders is gelopen dan u ooit had gedacht. Ik denk dat diegenen onder ons die al wat ouder zijn, terugkijkend moeten constateren, dat de tijd zo snel voorbij gevlogen is, dat men zich er over verbaast. Degenen die van mijn leeftijd zijn, hebben ooit kleine kinderen gehad en kijk nu eens. Nu hebt u kleinkinderen. Waar is de tijd gebleven? Geloof me, er is "geloof" nodig om God al die tijd in gedachten te houden. "Ik ben met u", zegt Hij. "Ik ben niet ver weg gegaan. Ik ben Mij van u bewust. Ik ben op de hoogte van wat er in uw leven gebeurt."

We gaan nu naar Jesaja, hoofdstuk 46, de verzen 3 tot 5; vervolgens 8 tot 10; en dan 12 en 13. We beginnen in Jesaja 46 verzen 3 tot 5.

Jesaja 46:3 Hoort naar Mij [Luistert naar mij], huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël, die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan, opgenomen van de moederschoot af.

Let op de woorden van God — de ouder. Ja, Hij droeg ons vanaf de moederschoot.

Jesaja 46:4-5 — Tot de ouderdom ben Ik dezelfde en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen; Ik heb het gedaan en Ik zal dragen, Ik zal torsen en redden. 5 Met wie wilt gij Mij vergelijken en gelijkstellen, aan wie Mij gelijk achten, dat wij elkander zouden gelijk zijn?

Jesaja 46:8-10 — Denkt hieraan en vermant u; gij overtreders, neemt het ter harte. 9 Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; 10 Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.

Onthoud het volgende — "Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen." Zijn wij genegen daarmee te leven? Zijn wij genegen te leven met datgene wat God "welbehaagt"? Denk aan datgene wat ik in de preek van vorige week heb gezegd, namelijk dat dit onderwerp waar we het nu over hebben, er een is dat we intellectueel gezien gemakkelijk accepteren, maar soms als er dingen gebeuren, kunnen dat tragische dingen zijn, dingen die ons diep raken. Het kan zijn dat ze in onze allernaaste omgeving gebeuren. Wij kunnen er bij betrokken zijn. Zijn wij dan op basis van geloof bereid te accepteren wat Zijn raadsbesluit is voor ons leven, ook in deze tragische omstandigheden? Dat is meestal niet gemakkelijk. Wie is de baas? Wie is onze soevereine heerser? Is het in werkelijkheid God, of is het God slechts intellectueel gezien, — een concept dat wij met ons meedragen (zeggende): "O ja, God is de heerser". Daar bestaat geen twijfel over.

Jesaja 46:12-13 — Hoort [Luistert] naar Mij, gij trotsen van hart, die ver van gerechtigheid zijt. 13 Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israël mijn luister.

Daar staat Zijn wil. Daar staat Zijn welbehagen. Hij voert het uit. Wie houdt Hem tegen, wie stopt Hem in datgene wat Hij zegt te willen uitvoeren? Hier beginnen wij met deze verklaring van God, om ons er aan te herinneren, dat Hij God is. We dienen in gedachten te houden wat Hij in het verleden heeft gezegd en dat alles precies zo heeft plaatsgevonden als Hij zei dat het zou gebeuren. Bedenk dat de afgoden die we creëren, niet in staat zijn aan onze verlangens te voldoen, omdat zij geen leven in zich hebben, laat staan de macht om die dingen te laten gebeuren. Wij dienen in gedachten te houden, dat wat ook Zijn raadsbesluit of Zijn welbehagen is, dat dat zal plaatsvinden. Niets, — nog tijd [omdat Hij eeuwig leeft], noch enig ander wezen [omdat Hij de Schepper is], is machtiger en wijzer dan Hij. Niets kan Hem tegenhouden in wat Hij Zich heeft voorgenomen te doen. Dus de vraag voor ons is, (niet dat we er intellectueel mee instemmen, maar) leven we ernaar? Hoe gebruikt u uw geloof? Dit is een vraag die we echt moeten beantwoorden. In Romeinen, hoofdstuk 6, na de inleiding hierop in hoofdstuk 5, stelt Paulus in vers 1 de vraag:

Romeinen 6:1-2 — Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?

Denk er aan, dat alle zaken in het leven die te maken hebben met ware spiritualiteit, moraal, ethiek en karakter, op één ding neerkomen, hetzelfde punt waarmee Adam en Eva in de hof van Eden geconfronteerd werden. Dat is niet moeilijk in termen van begrip, laten we maar eens kijken wat de verzen 11 tot 13 ons daarover duidelijk maken.

Romeinen 6:11-13 -- Zo moet het ook voor u [christenen, broeders] vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. 12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, 13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden [ogen, oren, neus, mond, tong, begeerten, het denkproces] als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.

Is God op die manier realiteit voor ons? Is ons geloof zo krachtig dat dat dagelijks zo is, elke dag opnieuw? Of is er voor God slechts een beperkt deel van onze tijd vrijgemaakt, zoals bij diegenen, die op zondagmorgen een uur voor Hem reserveren, maar Hem de rest van de week naar de achtergrond schuiven, alsof Hij toch niet betrokken is, alsof Hij er niet bij is als zij gaan winkelen, niet bij hen thuis aanwezig is, niet betrokken is bij hun huwelijk en kinderopvoeding. Geloof me, als wij het soort geloof bezitten dat God van ons verlangt, dan is God nooit uit onze gedachten. Niet dat wij God dan als een soort boeman zien, Die altijd aanwezig is — een vormloos iemand die als een dreiging boven ons zweeft. Ik doel helemaal niet op dat soort relatie, maar op een relatie met een liefdevol, vriendelijk, edelmoedig en goed iemand, die altijd met ons is. Ons leven komt in feite neer op iets heel eenvoudigs, iets dat niet moeilijk is uit te leggen. Staan wij de soevereine Schepper toe de Heer en Meester te zijn over ons leven? Dat is gemakkelijk gezegd, maar de toepassing daarvan is niet zo eenvoudig.

Oppervlakkig gezien schijnt dit geen probleem te zijn. Iedereen moet heel gemakkelijk met het juiste antwoord kunnen komen, maar ik denk dat een ieder van ons lang genoeg in de kerk is geweest om te beseffen, dat toepassing in de praktijk niet zo eenvoudig is. Dat dienen we onder ogen te zien, omdat de ervaringen in ons leven laten zien, dat wij ofwel niet geloven dat God boven alles staat in Zijn schepping, of dat we niet weten wat te doen, of dat wij te zwak zijn om te handelen naar wat we weten te moeten doen, of dat we tot op zekere hoogte zijn misleid, of misschien verward, of zo eigenzinnig dat het ons niet raakt, of dat we besluiten te gokken op Gods genade. Het cruciale aspect in dit alles is het gebruik van geloof. Weten we waarom? Omdat God dat zo heeft gewild. Hij is Degene Die de normen vaststelt. Hij zegt: "De rechtvaardige zal door geloof leven". Dat is Zijn wil. Hij zegt: "Mijn raad zal bestaan". Niemand houdt Hem daarvan af en kan daar aan voorbijgaan door niet op basis van geloof te leven. Daar gaat het om en daarom zei ik ook aan het begin van deze preek, dat ik denk, dat dit de belangrijkste serie is die ik ooit heb gegeven. Dit onderwerp is niet alleen de grondslag van het geloof. Het is de grondslag van het Christelijke leven, omdat, zoals ik vorige week al zei, dit de factor is die geloof activeert en levend maakt. Want zonder dit is het alleen maar een intellectueel concept waar we achter staan. Het is een goed begin, maar het dient geactiveerd te worden op basis van de realiteit dat "Ik u niet begeven, noch verlaten zal. Ik ben met u in elk aspect van het leven." Daarom is deze preek gewijd aan het meer in detail definiëren van de soevereiniteit van God en hoe dat in Gods woord specifiek tot uitdrukking komt.

We gaan naar een schriftgedeelte waar we heel bekend mee zijn, in het boek Daniël. Daniël, hoofdstuk 4, beschrijft de periode nadat Nebukadnessar de zeven jaren van waanzin had doorgemaakt. Ik denk dat dat de beste omschrijving is, omdat hij nagenoeg als een dier leefde. Waarschijnlijk had hij wel enig idee van wat er gebeurde, maar was niet in staat in zijn leven een relatie met God te onderhouden, totdat die zeven jaren voorbij waren. Nadat deze jaren achter de rug waren, zien we dat Nebukadnessar in die periode heel wat vernederingen had ondergaan, wat erop duidt, dat hij gedurende die periode wel nadacht, ondanks het feit dat hij zich enigszins als een dier gedroeg. Hij zegt zelf in vers 34:

Daniël 4:34 - Maar na verloop van de gestelde tijd sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen op naar de hemel, en mijn verstand keerde in mij terug. Toen prees ik de Allerhoogste en roemde en verheerlijkte ik de eeuwig Levende, omdat zijn heerschappij [luister naar de manier waarop Nebukadnessar God omschrijft] een eeuwige heerschappij is en zijn koningschap van geslacht tot geslacht.

Geloofde Nebukadnessar dat God oppermachtig is en soeverein is over alles in Zijn schepping? Begrijpen wij, dat wij, net als Nebukadnessar, ook zover moeten komen?

Vers 35 — Ja, alle bewoners der aarde [allemaal bij elkaar wel miljarden mensen] worden als niets geacht; Hij doet naar zijn wil met het heer des hemels [met de engelen] en de bewoners der aarde: en niemand is er, die zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij?

Hebben wij ooit dergelijke gedachten gehad? Ook niet de afgelopen tien jaar? Zo van: "Wat gebeurt er toch in de kerk?" Is dat niet hetzelfde als te opperen: "Wat doet God toch?" Denken wij dat het zomaar aan Gods aandacht ontsnapte? "Ach, kijk wat zij daar beneden toch doen!" [Het gehoor lacht]. Wij roepen God verschrikkelijk vaak op het matje. Past ons dat? Hoe dan ook, God is soeverein. En Nebukadnessar, een heidense koning, die niet het voordeel had in Israël te zijn opgegroeid met het woord van God en de profeten van God, kwam tot deze erkenning. Hij kwam er achter, dat niemand op aarde het recht heeft God met de nodige kritiek op het matje te roepen. Begrijp me niet verkeerd. Ik zeg niet, dat het voor Gods kinderen verkeerd is om Hem op een vriendelijke en respectvolle manier te vragen naar bepaalde gebeurtenissen. "Open mijn ogen opdat ik zie." Begrijpt u, wat ik bedoel? Hij verwacht dergelijke vragen van Zijn kinderen, maar de houding daarbij maakt een wereld van verschil. Nebukadnessar moest tot een nederige houding worden gebracht, zodat hij in staat was te zien, dat hij daarvóór God op een kritische manier ter verantwoording had geroepen — een houding die het ijdele denken van een ongetwijfeld groot mens aan het licht bracht. Maar in vergelijking met God was hij minder dan een worm. Dat zullen we zo meteen gaan zien.

Psalm 115:1-3 — Niet ons, o Here, niet ons, maar uw naam geef eer, om uw goedertierenheid, om uw trouw. 2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is toch hun God? 3 Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

Wat betekent het wanneer we zeggen dat God de soevereine Heerser over de gehele aarde is? Ten eerste brengen we daarmee tot uitdrukking dat God de Almachtige is, dat Hij alle macht bezit in hemel en op aarde en dat niemand Zijn plan kan verijdelen of Zijn wil kan weerstaan. Niemand, geen groep mensen, geen enkel individu, noch alle engelen die God heeft geschapen — noch Gods schepping — alles bijeen genomen en met al hun kracht, zij zijn niet in staat God tegen te houden in wat Hij wil uitvoeren. Hij is de soevereine God in hemel en op aarde. Hij is de Almachtige. In Psalm 22, vers 29, staat het volgende:

Psalm 22:29 — Want het koninkrijk [David schreef dit] is des Heren, Hij is heerser over de volken.

Het is goed om in gedachten te houden dat een heerser regeert. Een heerser controleert. Toen ik nog jong was, begin 20, was mijn eerste baan in de staalfabriek operator van de machines die de zeer krachtige, hete luchtstroom voor de hoogoven maakte. Vijf van die machines werden aangedreven door gas — afvalgas dat vrij kwam bij het maken van cokes. Twee van die machines waren stoommachines — enorme gevaarten! Groter dan welke locomotief die wij ooit gezien hebben. En alles wat daarmee geproduceerd werd was de zeer krachtige, hete luchtstroom voor de hoogoven. Elk van deze stoommachines had een geweldig groot vliegwiel. En ik bedoel heel groot! Elk zo'n 6 tot 8 meter in doorsnee. Zij waren van ongeveer 45 tot 60 cm dik massief gegoten staal en werden door deze grote stoommachines aangedreven. Als u enige kennis van stoommachines hebt, dan weet u dat ze nagenoeg een ongelimiteerde hoeveelheid stoom kunnen produceren. Het is afhankelijk van de hoeveelheid stoom hoe snel ze gaan. Er waren ook veiligheidssystemen in aangebracht. Het eerste had betrekking op het regelen van de hoeveelheid stoom, die naar de stoommachine werd gevoerd om de machine aan te drijven, om vervolgens het wiel in beweging te zetten, dat de turbines weer aandreef om die luchtstroom te kunnen produceren. Daarnaast was er nog een systeem dat in feite alles beheerste — dit regelde de snelheid van de machine zodanig, dat deze niet over een vastgestelde snelheid heenging. En waar bestond dit uit? Uit drie stalen ballen die geplaatst waren op een draaiende schacht, die werd neergelaten in de machine. Hoe sneller de machine draaide, hoe sneller de schacht draaide en hoe verder deze stalen ballen door de middelpuntvliedende kracht van de schacht werden weggetrokken. Hoe verder ze er vanaf werden getrokken, hoe meer ze de stoom afsloten. Als ze eenmal in een rechte hoek op de schacht stonden, dan werd de stoom in zijn geheel afgesloten om te voorkomen dat het vliegwiel door te grote snelheid zou afbreken. En dat was maar een kleine regelaar in vergelijking met de enorme omvang van de machine. God is de Heerser. Hij regeert. Hij controleert alle naties. Onthoud die woorden "regeren" en "controleren".

David zei het zo simpel. "Hij is heerser over de volken." We kunnen daarom het principe oppakken dat Daniël een beetje verderop nader toelicht. We zullen dat niet opslaan. "Daarom is het God die koninkrijken vestigt. Hij is het ook die koninkrijken omverwerpt." Aan de andere kant vestigt Hij dynastieën, zoals die van David. En los van het feit hoe het bij de mens overkomt, Hij zorgt op de achtergrond voor het voortbestaan van die dynastie, maar verliest die nooit uit het oog. Hoe zit dat met Zadok, de priester? Hij werd door God gezegend met een eeuwigdurend priesterschap! Zadok en zijn nageslacht zijn voor dat priesterschap aangesteld. God zal daar voor zorgen. Wie kan Hem daarin tegenhouden? God regelt alles. God controleert. God regeert. Hij is Degene Die de reikwijdte van regeringen bepaalt. Het maakt niet uit hoe machtig zij op aarde schijnen te zijn. Als God zegt verdwijn, dan verdwijnen zij. Niemand houdt Hem tegen.

In 1 Timotheüs, hoofdstuk 6, schrijft Paulus het volgende aan een jonge evangelist. In vers 12 zegt hij:

1 Timotheüs 6:12-16 — Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel voor God, die alle leven wekt, [alle leven komt van God] en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk [zonder blaam] handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus, 15 welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, 16 die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.

Gemeente, wij hebben slechts een begin gemaakt met wat God over Zichzelf openbaart met betrekking tot dit onderwerp, in het bijzonder het belang voor het Christelijke leven en de groei daarin. Ik meen dat dit heel erg nodig is, omdat de God van deze Christelijke wereld gezien wordt als een armzalig figuur — een bespottelijk karikatuur van de waarheid. Veel van dat beeld blijft in ons denken hangen als de onzichtbare bron die ons leven dirigeert. De God van deze Christelijke wereld wordt gezien als een hulpeloos, verwijfd en sentimenteel iemand, die naarstig tracht de mensheid te redden. Ik zeg u, als Hij is, zoals Hij in het populaire Christendom wordt weergegeven, dan moet Hij constant teleurgesteld, ontevreden en ontmoedigd zijn, omdat Hij met succes wordt dwarsgezeten door de schepselen waarvan verondersteld wordt dat die door Hem geschapen zijn. Klopt dat? Hij stelt zich ten doel u te behouden. Kan Hij dat? Kunt u, zelfs met al uw rebellie, als Hij besluit dat Hij u liefheeft, denken dat Hij u gedurende zeven jaren kan veranderen in een dier (zoals Hij met Nebukadnessar deed, om hem uiteindelijk tot een nederige houding te brengen), tenslotte zeggen: "Ja Here, U bent de baas." We willen niet de richting van Nebukadnessar uitgaan, nietwaar? Het doet alleen al pijn als wij daaraan denken. Ik denk dat wij moeten bedenken, dat wij niet in die richting willen gaan. Het is toch veel gemakkelijker de juiste weg te kiezen.

In 1 Petrus, hoofdstuk 1, vers 20, staat een erg belangrijk principe, dat wij onder ogen moeten zien. Om te zien wat het onderwerp is, beginnen we in vers 19:

1 Petrus 1:19-20 — maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. 20 Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u.

Houd deze zinsnede: "Hij was van tevoren gekend vóór de grondlegging der wereld." in gedachte, bij het lezen van Efeziërs, hoofdstuk 1, de verzen 3 en 4. Zo net lazen we het verslag van de apostel Petrus. Maar hier is het verslag van een andere apostel, Paulus.

Efeziërs 1:3-4 — Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.

Merk op dat het onderwerp ietwat verschillend is, maar dat beide schriftgedeelten spreken over: "Vóór de grondlegging der wereld". Ik wil dat u dit begrijpt, omdat beide gevallen laten zien, of het nu Jezus betreft Die sterft voor de zonde, of dat Hij er voor kiest Zijn werk te laten uitvoeren door een kerk, dat God dit heeft bepaald vóór de grondlegging der wereld. Weten we wanneer de grondlegging van deze wereld heeft plaatsgevonden? Dat was niet het moment van zondigen door Adam en Eva, waardoor zij het beeld bepaalden van een wereld zonder God. Dit betekent, dat God wist dat zij zouden gaan zondigen. Niet dat Hij dat wilde. Begrijp me niet verkeerd. Het was hun eigen keuze. Dus toen zij zondigden, was het voor God geen verrassing. Hij had alles al van tevoren doordacht. Zo van, doen zij dit, dan treedt plan A in werking. Doen zij dat, dan is plan B aan de beurt. In ieder geval was alles vanaf het begin al doordacht. Gemeente, Hij wordt door niets verrast. Wij zijn niet in staat Hem in Zijn denken te overtreffen. Alle alternatieven zijn door Hem in kaart gebracht, zodat ofschoon Hij de mens een vrije wil geeft, Hij duidelijk voor ogen heeft dat als zij dit doen, doe Ik dit en doen zij dat, dan doe Ik weer iets anders. Wat is het doel achter al dit denken? Dat is om ons te behouden, om u en mij zover te brengen, dat wij op basis van vrije wil met Hem willen samenwerken en Hem kiezen als de soevereine Heerser in ons leven — onze Heer en Meester in alles, omdat dan, alleen dan, wij het leven zullen gaan leiden dat Hij ons graag in zijn volle omvang wil laten ervaren. Dus om zelfs maar te veronderstellen dat het oorspronkelijke plan van God werd gedwarsboomd [gedwarsboomd door de zonden van Adam en Eva; gedwarsboomd door de zonden van Satan], is het degraderen en onttronen van het denken van onze grote God. Te opperen dat Hij verrast werd door datgene wat er in de hof van Eden gebeurde, is hetzelfde als te beweren dat God niets meer is dan een fouten makend, sterfelijk wezen. Gelet op Gods oneindige wijsheid, is er geen enkele reden om te veronderstellen, dat Hij deze mogelijkheden niet had voorzien, zelfs nog vóór Hij de engelen schiep; Hij voorzag dus ook de mogelijkheid dat de engelen zouden zondigen.

Het is heel erg interessant dat God wegen heeft gevonden waardoor zelfs onze zonden Hem zullen gaan verheerlijken. We gaan opnieuw naar de Psalmen en dit keer naar Psalm 76, vers 7.

Psalm 76:7 — Voor uw dreigen, o God van Jakob, verzonken zo wagens als paarden in diepe slaap.

Weet u waar dat op slaat? Dat slaat op de uittocht uit Egypte.

Psalm 76:8-11 — Gij, geducht zijt Gij; wie kan bestaan voor uw aangezicht, wanneer uw toorn ontbrandt? 8 Uit de hemel deedt Gij het oordeel horen, de aarde vreesde en werd stil, 10 toen God opstond ten gerichte om al de ootmoedigen op aarde te verlossen. Sela. [Denk daar eens aan, zei David.] 11 Waarlijk, de grimmige mensen moeten U loven, Gij beteugelt de rest der grimmigen.

Vervolgens komt voor u en mij in vers 12 het advies.

Psalm 76:12 — Doet geloften en betaalt ze de Here, uw God; [Advies van David: houdt u jegens God aan uw woord.] allen rondom Hem moeten gaven brengen aan de Geduchte.

Vers 11 verklaart, dat zelfs de razernij en de oorlogen van de mens tegen God, zullen bijdragen tot Zijn heerlijkheid, omdat door deze gebeurtenissen en Zijn oordelen duidelijk zal worden, dat Hij rechtvaardig, wijs en genadig is in de manier waarop Hij handelde in de uitvoering van Zijn geweldig plan.

Laten we dit gedeelte afsluiten door naar Openbaring, hoofdstuk 4, de verzen 10 en 11, te gaan, waar wij een glimp kunnen opvangen van de hemel, de troon van God, en wij de vierentwintig oudsten horen zingen.

Openbaring 4:10-11 — De vierentwintig oudsten zullen zich nederwerpen voor Hem, die op de troon gezeten is en Hem aanbidden, die tot in alle eeuwigheden leeft, en zij zullen hun kronen voor de troon werpen, zeggende: 11 Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen.

De soevereiniteit van God is absoluut, onweerstaanbaar en oneindig. En op basis van ons geloof, dat we door onze manier van leven laten zien, bevestigen wij het recht van God om het universum te regeren voor Zijn heerlijkheid en voor Zijn genoegen. Hij heeft daar alle recht toe, want alles behoort Hem toe. Dat lijkt allemaal zo eenvoudig, maar in onze ijdelheid denken wij, dat wij zo heel erg belangrijk zijn. Hij heeft de macht over de klei — u en mij, om met ons te doen zoals Hij wil. Hij kan een ieder vormen zoals het Hem goeddunkt — de ene tot eer, de ander tot oneer, zelfs van dezelfde klomp klei, zoals Jakob, zoals Esau. Met dit in gedachten gaan we naar Romeinen, hoofdstuk 9, beginnend in vers 9. We lezen dat in zijn geheel door tot vers 24.

Romeinen 9:9-21 — Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. 10 Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan — opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, 12 werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, 13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat. 14 wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet! 15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. 16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, [Wie is de baas?] maar van God, die Zich ontfermt. 17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. 18 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?

Zijn wij bereid dat te accepteren, gemeente?

Romeinen 9:22-24 - En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft — 23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? 24 En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

We dienen te begrijpen waar Paulus hierover spreekt, want anders heeft onze relatie met God de verkeerde basis. Dan zal die basis aanleiding zijn tot opstandigheid en leiden tot het koesteren van wrok bij bepaalde gebeurtenissen. Wij dienen te begrijpen dat God niet onder een bepaalde regel of wet staat, behalve Zijn eigen wil of natuur, dat God Zichzelf tot wet is en dat Hij onder geen enkele verplichting staat om aan iemand verantwoording af te leggen over datgene wat Hij uitvoert, zelfs niet over datgene wat Hij met ons doet. God is soeverein in de uitvoering van Zijn macht en die macht wordt uitgevoerd zoals Hij wil, wanneer Hij wil en waar Hij wil. Wij dienen altijd in herinnering te houden, dat Hij handelt volgens Zijn doel, vanuit Zijn zienswijze [niet die van ons], volgens Zijn plan en volgens Zijn tijdschema. Laat ik u enkele voorbeelden geven. De Bijbel is het enige directe licht — een raam dat uitzicht biedt op het denken van God en Zijn handelen. En zelfs daarbij moet God openbaren, de bedekking van ons denken wegnemen om zicht te geven op sommige mysteries die zich daarin bevinden.

Wat zien wij nu met betrekking tot de uitvoering van Zijn macht, dat voor Paulus de aanleiding vormde om datgene te schrijven wat hier in Romeinen 9 staat? Laat mij u eerst een overzicht geven van wat ik bedoel en u zult zien dat alles wat ik hier zeg, verbonden is aan zaken die hoofdzakelijk in het Oude Testament staan. We zien dat gedurende langere tijd de macht van God latent aanwezig is, alsof God ergens anders naar toe is gegaan en Hij geen aandacht schenkt aan wat er gebeurt. Er zitten soms honderden jaren tussen bepaalde personen en gebeurtenissen, zoals tussen Noach en Abraham en vervolgens Mozes. Honderden jaren tussen gebeurtenissen zoals de vloed en de Exodus — tussen de acht- en negenhonderd jaar, zoals wij dat naar ons beste weten ten aanzien van dit voorbeeld kunnen berekenen. En dan de vorming van de natie Israël onder David — weer een drie- tot vierhonderd jaar na de Exodus.

In Egypte oefende God Zijn macht uit en werd Israël bevrijd van haar wrede opzichters en werden deze gedood. Maar let nu op het volgende. Slechts enkele dagen nadat Israël uit Egypte trok (in die tijd de machtigste natie op aarde), waarbij zelfs geen hond blafte, bracht Hij hen naar de Rode Zee en deed daar een van de meest verbazingwekkende wonderen: het splijten van de zee, zodat zij konden oversteken, zonder ook maar over een modderige bodem te hoeven lopen! Aan de overkant beland, vermorzelden honderden miljoenen tonnen [water] hun vijanden en wordt Israël rijk door de plundering van alles wat aan de oppervlakte komt aandrijven. Dit is een deel van de gebeurtenissen.

Maar bedenk nu eens wat er enkele weken later gebeurde. Israël trekt verder en de Amalekieten vielen hen van achteren aan (Op een Sabbatdag geloof ik. Ik ben dat niet exact nagegaan, dat had ik misschien wel moeten doen.) Ze voerden een lafhartige aanval uit op de staart van de stoet, de achterblijvers. Waar was God toen dat gebeurde? Kwam Hij tussenbeide om de Amalekieten te vernietigen? Nee, Hij deed dat niet. Het scheen alsof Hij op dat moment weer was gaan slapen, omdat in vers 16 van Exodus 17 staat: "En hij zeide: De hand op de troon des Heren! De Here heeft een strijd tegen Amalek, van geslacht tot geslacht." God voerde in Zijn wijsheid Zijn wil uit en Hij zegt dat Hij de Amalekieten niet zal verdelgen. Hij staat hen toe daar te blijven en misschien moet elke generatie hen wel bevechten. Is dat niet grappig? We zouden er op die manier naar kunnen kijken. Maar ziet u, voor u en mij lijkt dit alles in het geheel niet zinvol. Hij deed dit wel met Egypte, waarom dan niet met de Amalekieten? Alleen Hij weet dat, maar de Israëlieten hadden er mee te leven en de Amalekieten waren een "doorn" in het vlees van Israël, zelfs tot op vandaag de dag. Ziet u, God bepaalde dit.

Vervolgens trekken de Israëlieten verder de wildernis door. De eerste stad die ze moesten veroveren om het Beloofde Land te kunnen binnen trekken, is Jericho. Wat vertelt Hij hun te doen? Hij vertelt hun elke dag één keer om de stad te marcheren tot de Sabbatdag. Op die dag moesten zij zeven keer rond gaan en vervolgens op hun trompetten blazen, waarbij de muren instortten. Hé! Dat is prima! God vecht nu voor ons, nietwaar? Ja, dat doet Hij! Hij deed het daarna nooit meer op die manier. Het gebeurde slechts één keer in de geschiedenis van de mensheid, want vervolgens dienden zij elke andere stad met de scherpte van het zwaard te veroveren. Dat was Zijn beslissing.

Wie trekt er dus aan de touwtjes? Israël of God? U en ik, of God? Beginnen we de strekking hiervan te zien? God ontfermt zich over wie Hij Zich wil ontfermen. Hij maakt ons dat duidelijk, omdat Hij wil dat wij begrijpen, dat als wij op basis van geloof leven, wij beter voorbereid kunnen zijn op enkele verrassingen, omdat Hij Degene is Die aan de touwtjes trekt. Hij weet hoe alles zal uitwerken. Hij manipuleert de zaken zo, dat zij het beste passen binnen Zijn plan en niet dat van ons. Kunnen wij hiermee leven? Als wij daarmee willen leven, dan is het mijn verantwoordelijkheid u te vertellen dat er een tijd kan komen waarin het heel erg pijnlijk kan zijn om Zijn beslissingen te aanvaarden. Zijn wij bereid te accepteren wat ij beslist? Hij beslist? Doen wij dat niet, dan zullen we grote moeilijkheden krijgen. Want dan strijden wij met God, terwijl wij zeggen dat we geloven dat Hij de Soeverein is.

Hetzelfde principe wat ik u zojuist duidelijk maakte, is net zo goed van toepassing op onze individuele bevrijding. Sommigen verkiest Hij te genezen; anderen niet. Het is interessant dat het woord van God daarover melding maakt. Laten we dat eens gaan bekijken in Hebreeën, hoofdstuk.11.

Hebreeën 11:33-39 — Die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, 34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen. 35 Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. 36 Anderen [Hier komen de kleine lettertjes!] weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap. 37 Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling 38 — de wereld was hunner niet waardig — zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde. 39 Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen.

Waarom? Waarom worden sommigen bevrijd en anderen niet? Waarom is er geen eenduidigheid? Waarom wordt toegestaan dat Stefanus wordt gestenigd, maar wordt Petrus uit de gevangenis bevrijd? Waarom wordt in een later stadium Petrus volgens de overlevering ondersteboven gekruisigd, Paulus buiten Rome onthoofd, maar wordt aan de andere kant Johannes (ofschoon beweerd wordt dat hij in een pot met kokende olie is gegooid en er ongeschonden uit kwam) meer dan 90 jaar oud (misschien zelfs ouder dan 100) en sterft hij in vrede? Waarom? Kan ons geloof met dergelijke beslissingen leven? Er vond een heel interessante gesprek plaats tussen Petrus en Jezus. Laten we maar eens kijken hoofdstuk 21 van Johannes. Nadat Petrus werd opgedragen "Weid mijn schapen", zei Jezus in vers 18:

Johannes 21:18-22 — Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen gij jonger waart, omgorddet gij uzelf en gij gingt, waar gij wildet, maar wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt. 19 En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij God verheerlijken zou. En dit gezegd hebbende, sprak Hij tot hem: Volg Mij. 20 En Petrus, zich omwendende, zag de discipel [doelend op Johannes de apostel] volgen, dien Jezus liefhad, die zich bij de maaltijd aan zijn borst geworpen had en gezegd had: Here, wie is het die U verraadt? [Johannes zei dat, niet Petrus.] 21 Toen hij deze zag, zeide Petrus tot Jezus: Here, maar wat zal met deze gebeuren? [Kijk nu eens naar het antwoord van God.] 22 Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, [al leeft hij tweeduizend jaar] wat gaat het u aan? Volg gij Mij.

Wie is de baas? Dat is wat Jezus zei. Het was een vriendelijke manier van Jezus om aan te geven dat Hij het hoofd van het lichaam is en als Hij er voor kiest de een het ene te laten doen en de ander het andere, wat gaat u dat aan? "Bemoei je daar niet mee, Petrus. Dat is Mijn verantwoordelijkheid". Zijn wij bereid God op die manier te volgen?

We gaan naar Deuteronomium, hoofdstuk 8, waar een principe tot uitdrukking wordt gebracht dat in dit onderwerp past. Mozes zei:

Deuteronomium 8:18 — Maar gij zult aan de Here, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft — zoals dit heden het geval is.

God is soeverein in het delegeren van Zijn macht. Hij geeft de ene macht dingen te doen die Hij niet aan een ander geeft. Aan Simson geeft Hij grote fysieke kracht. De overigen van ons hebben normale kracht, alhoewel sommigen zwakker zijn dan normaal. Aan de mensen vóór de vloed gaf Hij de kracht om honderden en honderden jaren te leven — in sommige gevallen bijna een millennium lang. De overigen van ons nu leven ruwweg 70 jaar. Mozes zei in Psalm 90: "indien wij sterk zijn leven we 80 jaren".

Het is God die Assyrië uitkiest om de roede van Zijn toorn tegen Israël te zijn. Maar Egypte maakte Hij de geringste onder de naties, zoals dat zelfs heden ten dage nog het geval is. Dat doet Hij omdat God soeverein is en doet wat Hem goeddunkt en wij moeten, wij moeten ons denken daaraan aanpassen. Hebben wij het recht om Hem ter verantwoording te roepen of in een slechte houding te geraken, omdat Hij toestaat of bewerkstelligt dat ons leven een kant opgaat, die we niet graag willen? Kunnen wij leven, zelfs in moeilijke tijden, in het geloof dat Hij aanwezig is? Beseffen wij dat het dát is wat onderscheid maakt tussen de groten en de minder groten? Denk aan wat er over Mozes wordt gezegd in Hebreeën, hoofdstuk 11: "Hij (Mozes) bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke". Dat zegt nog al iets.

Laten we dit nu eens wat persoonlijker maken. We gaan opnieuw naar de brieven van Paulus. Bedenk, dat het God is Die ons in staat stelt rijk te worden. En ga alstublieft deze rijkdom niet beperken tot geld, maar laten we het wat ruimer zien, namelijk dat het God is Die ons de kracht geeft ons deel te doen binnen het lichaam. Hij is het Die ons genade geeft. Hij is het Die ons gaven geeft en wat zegt Hij in 1 Corinthiërs 12? Dat Hij aan een ieder gaven geeft tot het welzijn van allen. We gaan nu kijken in 1 Corinthiërs, hoofdstuk 4, omdat Paulus daar iets inbrengt wat leidt tot datgene wat staat in 1 Corinthiërs 12. We gaan niet weer terug naar 1 Corinthiërs 12. Er loopt een rode draad door het gehele boek. In hoofdstuk 3 beschuldigt Paulus deze mensen ervan nog vleselijk te zijn. Zij waren bekeerd, maar zij dachten nog steeds vleselijk. Zij waren zwak, ofschoon zij een kerk vormden die met gaven begiftigd was. God gaf deze groep mensen vele gaven en Paulus zegt in vers 6 van hoofdstuk 3:

1 Corinthiërs 3:6 — Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom.

In vers 5 zegt hij, dat hij en Apollos de dienaren waren door wie zij tot geloof waren gekomen. Nu vers 1 van hoofdstuk 4:

1 Corinthiërs 4:1 — Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd.

Als hij het hier over "dienaren" heeft, dan heeft hij het opnieuw over Apollos en zichzelf. Maar ik wil dat u ziet, dat hij daarin verder gaat, door uiteindelijk een ieder van ons daarin te betrekken. Het woord "dienaar" dat hier wordt gebruikt, is niet het normale woord dat Paulus ook op andere plaatsen gebruikt. Dit is de enige plaats waar Paulus dit specifieke woord gebruikt. In algemene zin betekent het een "knecht". Ik wil dit nog wat specifieker maken. Het betekent een bediende — iemand die een ander bedient en die "ander" is de Meester. Dat plaatst het geheel midden in de context. Paulus zegt, dat Apollos en hij bedienden waren, in dienst van een meester, en hun Meester was Christus. De manier waarop zij dienden was in de gemeente.

1 Corinthiërs 4:2-4 — Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken. 3 Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld word. Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet. 4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here.

1 Corinthiërs 4:6-7a — Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons (voorbeeld) zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze. [En kijk nu eens naar vers 7.] 7 Want wie onderscheidt u?

Hier zijn we aanbeland bij het werkelijke punt, tot de essentie — tot waar het om gaat ten aanzien van onze positie binnen het lichaam. Staat er niet in 1 Corinthiërs 12 dat God ons in het lichaam plaatst zoals het Hem goeddunkt?

1 Corinthiërs 4:7 — Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

Welke ruimte is er om te pochen? Die is er niet. Er is slechts ruimte om nederig te zijn, ontzag te hebben, waardering te hebben, diepe dankbaarheid te betonen. Hij heeft ons zelfs geopenbaard wat het doel van het leven is. Daarboven heeft Hij ons in de groep geplaatst die Hij naar Zijn beeld aan het vormen is. Hij geeft dus gaven en Hij geeft die gaven om te worden gebruikt voor het welzijn van het lichaam. Paulus sprak daar al eerder over. Het is niet de allereerste keer, maar in Romeinen, hoofdstuk 12, vers 3, zegt hij het volgende:

Romeinen 12:3 — Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u [Hij heeft het tegen de kerk.]: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld.

Wie onder ons, die slechts klei zijn, heeft het recht God te vragen: "Waarom hebt U mij zo gemaakt?" In een ieder van ons zit het verlangen alles onder controle te hebben, zodat wij onszelf veilig kunnen voelen. Maar bedenk dit, dat wanneer wij alles onder controle zouden hebben, er geen noodzaak tot geloof zou zijn. Geloof houdt vertrouwen op God in. Dat betekent, dat niet wij de controle hebben, maar dat Hij, die deze geweldig zuivere liefde, macht en wijsheid bezit, de touwtjes in handen heeft en dat wij Zijn gebruik van die macht vertrouwen. Dat is wat geloof is. Die God zegt dus, dat Hij genadig is wie Hij genadig wil zijn, en Hij zegt dit, om ons er aan te herinneren dat Hij alles bepaalt.

Daarom zei ik vorige week met betrekking tot diegenen, die zeggen nooit meer een ander mens te willen volgen, dat deze mensen in de verkeerde richting kijken, omdat de enig werkelijke belangrijke factor voor hen in dit opzicht is, te bepalen of die man een dienaar van God is. De reden waarom ik dat zei is, omdat God in Zijn woord laat zien dat het Zijn wil is, dat het Zijn welbehagen is dat er altijd iemand zal zijn, die belast is met de verantwoordelijkheid Gods volk te leiden. Daarom zei Jezus: "Aan hun vruchten zult gij hen kennen." Daar begint het mee. Kijk naar de boodschap en kijk of ze er zelf naar leven. Het is goed daarmee te beginnen.

God schenkt Zijn genade aan wie Hij wil, wanneer Hij wil en wanneer het Hem goeddunkt. Daar kunnen we vele voorbeelden van aanhalen. Ik zal er u snel een tweetal geven. Er zijn niet veel mensen die een groter dienaar van God waren dan Mozes. Dat is een gegeven. Toch ging ook Mozes eens in de fout. Aan wie veel gegeven is, van hem wordt veel verlangd. Mozes smeekte God in Deuteronomium 3: "Laat mij alstublieft al het goede van het land zien." Weet u wat God tegen hem zei? Mozes geeft dat weer: "Hij wilde het mij niet laten zien om uwentwege" — Israël. Maar ook terwille van ons. Mozes kon van veraf een kijkje op het beloofde land nemen. Misschien zou onze gedachte zijn: "Kom op, God, alles wat hij had te doen was een kilometer verder lopen." Nee hoor! "Dit was toch een geweldig man, een groot mens. Kijk toch eens hoe hij u diende." [God zei tegen Mozes], "Ik zeg het niet meer. Nee." Ziet u?

Dan ongeveer vijf- à zeshonderd jaar later, passeert een andere man de revue. Ook een goed persoon, maar naar mijn opinie niet de klasse van Mozes. Ik heb het dan over Hizkia. Hizkia smeekt God en God zegt: "Oké. Ik zal aan uw levensdagen nog vijftien jaar toevoegen." Dat was Gods keuze.

Laten we eindigen met een voorbeeld in Johannes, hoofdstuk 5. Dat spreekt over de mens geworden God. Wat denkt u, handelde Hij niet als God? Natuurlijk deed Hij dat. Hij handelde zoals de Vader. We beginnen in vers 2:

Johannes 5:2-9 — Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Betesda draagt, met vijf zuilengangen. 3 Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden [die wachtten op de beweging van het water. 4 Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.] 5 En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. 6 Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zeide Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? 7 De zieke antwoordde Hem: Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander vóór mij af. 8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en wandel. 9 En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs. Nu was het sabbat op die dag.

Twee punten. Ten eerste, er bevond zich daar een grote menigte. Ten tweede, Jezus had iedereen kunnen kiezen. Hij koos echter iemand uit die Hem zelfs niet gevraagd had om genezing. Hoe moeten we dat zien? In feite legde Jezus het contact. Hij handelde net als Zijn Vader. Wie weet wat er zich precies in Gods gedachten afspeelt? Dat weet niemand. Het resultaat hiervan is dan ook, dat wij op basis van geloof dienen te leven. Het is Zijn wil, dat wij geschapen worden naar Zijn beeld door middel van het proces te vertrouwen, dat Hij weet wat het beste voor ons is. Hij weet waar Hij ons hebben wil. Zei Johannes niet, dat wij zonen van God zijn, maar nog niet weten wat we zullen zijn, behalve dan, dat wij zullen zijn zoals Hij is. Johannes zei, dat wij niet precies weten wat er van ons zal worden. Daarmee bedoel ik, in welk deel van het gezin we zullen worden gebruikt, als God uiteindelijk Zijn koninkrijk hier op aarde zal vestigen. Maar één van de karaktertrekken die al Zijn kinderen zullen bezitten, is dat zij allen in hun leven getoond zullen hebben dat zij onvoorwaardelijk vertrouwen op datgene wat Hij zegt — zonder vragen. Op die manier, gemeente, zal er nooit een verschil van mening ontstaan in het Koninkrijk van God. Maar dat dienen we nu te bewijzen. Zo steekt het in elkaar. Is God soeverein, of betreft het alleen maar een intellectueel concept waar we het mee eens zijn? Staan wij toe dat dit de drijvende kracht in ons leven is?

Hier eindigen we voor vandaag, doch indien God wil, zullen we de volgende keer dit onderwerp voortzetten.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)