De soevereiniteit van God (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
24 februari 1996

Samenvatting: (toon)

In deze inleiding op de serie over de soevereiniteit van God benadrukt John Ritenbaugh het belang van luisteren, dat uitgaat boven alleen maar horen. Hij suggereert dat we alleen op basis van Gods woord kunnen weten wie de zaken op aarde werkelijk regelt en welke waarheid we moeten geloven. Terwijl de schriften Gods soevereiniteit bewijzen, verzekeren ze ons ervan dat Israëls geschiedenis geen toeval was, dat de kerk Israël niet toevallig opvolgde, en dat onze roeping in de kerk geen toeval was. Zelfs al zijn Gods gedachten [nog] niet onze gedachten en kunnen we Zijn oordelen niet doorgronden, toch hebben we de verzekering dat juist omdat er schrikaanjagende, onverklaarbare dingen in ons leven plaatsvinden, God nog steeds soeverein is. We moeten kinderlijk geloof ontwikkelen om Hem voor de oplossing te vertrouwen.


Ik dacht dat het goed was om over te schakelen naar een serie over een onderwerp dat hopelijk onze waardering voor God — de God die we proberen te dienen — aanzienlijk zal doen toenemen. Ik kwam voor het eerst echt in aanraking met dit onderwerp in de jaren '60, toen ik een boekje las met de titel "Your God is Too Small" [Uw God is te klein], geschreven door J.B. Phillips, de auteur van de Phillips vertaling van de Bijbel. Sindsdien heb ik andere commentaren gelezen die aan hetzelfde onderwerp waren gewijd, zoals "The Attributes of God" [De kenmerken van God] door A.J. Toser. Ook heb ik het boek van Arthur Pink over "The Sovereignty of God" [De soevereiniteit van God] gelezen. Door sommigen wordt dit boek als hyper-Calvinistisch beschouwd. Ik weet niet of u begrijpt wat dat betekent; het betekent dat zij vinden dat Pink zegt, dat alles is voorbestemd en dat daardoor de vrije wil een eigenschap van weinig of geen waarde is. Maar het resultaat van deze studies was mijn preek "Ziet u God?"; de preek die ik persoonlijk beschouw als kenmerkend voor mijn benadering in al mijn preken.

Deze serie zal veel dieper gaan dan "Ziet u God?", in het bijzonder op het punt hoe diepgaand God betrokken is in het functioneren van Zijn schepping. In deze eerste preek zal ik niet veel meer doen dan het leggen van een fundament voor de details die in de volgende preken aan de orde zullen komen. Een groot deel van deze preek zal gaan over één van onze verantwoordelijkheden jegens God, een belangrijke verantwoordelijkheid. De soevereiniteit van God is een onderwerp dat in intellectueel opzicht gemakkelijk wordt geaccepteerd. Maar ik garandeer u dat er in de toekomst tijden zullen komen, zoals er reeds tijden in uw leven zijn geweest, waarin het heel moeilijk zal zijn de soevereiniteit van God te accepteren, waarin deze niet te bevatten zal zijn in de realiteit van uw leven, in het bijzonder als die realiteit heel dicht bij huis tot gestalte komt in heel moeilijke, misschien zelfs tragische omstandigheden. Hoe past God daarin? Heeft Hij geen rechten op, kan Hij geen eisen stellen aan, dat wat Hij schiep? Het is voor ons heel gemakkelijk de mens te groot af te schilderen en God te klein, in het bijzonder als God altijd uit het oog is. Ik denk dus dat het hoog tijd is enige balans te brengen in mijn onderwijs door wat meer te openbaren over de Vader en wat Hij doet vanuit Zijn soevereine positie als Schepper.

Laten we beginnen met een ogenschijnlijk eenvoudige vraag. Wie regelt de gang van zaken op aarde? Is dat God? Is dat de Duivel, of is het de mens? Als we er niet op letten zullen we bijna automatisch "God" de hoogste rol in de hemelen toekennen, maar Satan die op aarde. Dat kan ons eenvoudig overkomen, want zegt de Bijbel niet, dat de aarde de eerste woonplaats is van de gevallen engelen en dat Satan de god van deze wereld is? Daar evolutie in de wereld, waar we allemaal uitkomen, zo'n populaire religie is, wordt in de wereld niet alleen ontkend dat God alles door eigen directe actie schiep, maar zijn er ook slechts enkelen die Hem enige betrokkenheid toeschrijven in het regelen van alles wat er gebeurt. Zij zullen zeggen dat bijna alles wordt geregeld in overeenstemming met de abstracte natuurwetten. "O, het gebeurde zo maar!" "Het gebeurde zo maar op die manier, omdat de natuurwetten zo in elkaar zitten." Is dat een juiste veronderstelling?

Als de persoonlijke verantwoordelijkheid in het geding komt, denken we bijna altijd aan onze eigen vrije wil. En toch zullen we bijna altijd Satan de schuld in de schoenen schuiven voor wat in feite voortkwam uit ons eigen boze hart, alsof we in het geheel geen verantwoordelijkheid dragen. Het kan zijn dat we het niet zeggen, maar het maakt deel uit van ons denken dat "de duivel me ertoe aanzette het te doen". De menselijke natuur heeft een zeer sterke neiging zichzelf te zien als het slachtoffer van externe omstandigheden. We redeneren daardoor dat we niet werkelijk schuld dragen.

Aan het begin van deze preek wil ik een paar schriftgedeelten lezen die duidelijk laten zien dat dit een rechtvaardiging is die God zal accepteren — maar slechts gedeeltelijk. We moeten dit onderwerp van soevereiniteit zien vanuit het perspectief van onze verantwoordelijkheid, omdat de Bijbel duidelijk laat zien dat we gedwongen worden te kiezen voor degene die we als soeverein heerser beschouwen. Wie zal dat worden?

We gaan nu naar Marcus 7, de verzen 21 tot 23, en daarna vers 9. Jezus is degene Die daar spreekt en Hij zegt:

Marcus 7:21a - Want van binnenuit, uit het hart der mensen, ...

Let erop waar Hij de schuld legt. Let erop waar Hij de verantwoordelijkheid legt.

Marcus 7:21b-23 - ... komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord, 22 echtbreuk, hebzucht, boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand. 23 Al die slechte dingen komen van binnen uit naar buiten en maken de mens onrein.

Marcus 7:9 - En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden.

Dat is nogal duidelijk binnen die context. Jezus legt de schuld duidelijk bij de mens. Laten we nu Mattheüs 13 opslaan, het begin van een lange serie gelijkenissen over het Koninkrijk van God. In Mattheüs 13, de verzen 14 en 15, is opnieuw Jezus aan het woord en Hij zegt:

Mattheüs 13:14a - En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien ...

Laat die woorden goed tot u doordringen.

Mattheüs 13:14 - ... Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken.

In vers 15 zegt Hij waarom dat zo is.

Mattheüs 13:15 - want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.

Het is nogal duidelijk dat Hij de keus, de beslissing, het oordeel om deze dingen te doen, niet op Satans schouders legt, maar op die van de mens — de mens behoort voldoende te weten om de impulsen van Satan tot het doen van deze dingen te weerstaan. Wie houdt God dus verantwoordelijk voor deze dingen, om Hem te gehoorzamen? Het is waar dat we in Openbaring 12:9 lezen, dat de duivel de gehele wereld heeft misleid, maar als we deze andere factoren hieraan toevoegen zien we dat God toch ieder verantwoordelijk houdt voor wat hij heeft gedaan. Hij houdt Satan verantwoordelijk voor zijn deel en Hij houdt de mens verantwoordelijk voor zijn deel. Het moet zo zijn, want wat zou anders de vrije wil voor betekenis hebben? Die zou geen enkele betekenis hebben. God, vanuit Zijn positie, ziet ons dus niet als vrij van schuld omdat we door Satan zijn gedupeerd. We kunnen terugkijken naar een heel eenvoudig voorbeeld van Gods oordeel betreffende Adam en Eva. Hij laat zien dat ieder — alle drie betrokkenen — zijn eigen deel van de schuld krijgt toebedeeld.

Dit is voor ons uitermate belangrijk om te begrijpen, omdat de Bijbel geschreven is voor degenen die een verbond met God hebben gemaakt. Hij is in directe zin niet voor de wereld geschreven. Voor hen is hij slechts in indirecte zin geschreven. Hij is gegeven aan hen wie de ogen geopend zijn — aan hen aan wie God Zichzelf heeft geopenbaard. Daarom heeft God ons in een positie geplaatst die veel overeenkomst heeft met die van Adam en Eva. God openbaarde Zichzelf vanaf het begin aan Adam en Eva. Zij waren in een positie waarin ze God kenden en waarin ze een keuze moesten maken, een keuze die anderen waarschijnlijk niet behoefden te maken — ik bedoel anderen die na hen kwamen, omdat die niet dat initiële contact met God hadden. Maar wij zijn in deze tijd in een positie geplaatst waarin God Zichzelf aan ons openbaarde en daar Hij dat heeft gedaan zijn wij in een positie vergelijkbaar met die van Adam en Eva. De verzen die ik heb gelezen zijn veel meer op ons van toepassing dan op wie ook maar in de wereld. We kunnen dus absoluut niet onder onze verantwoordelijkheid uit om te kiezen, wie we gaan dienen. Zal dat de soevereine Schepper zijn of Satan, een gevallen engel? Wie is soeverein in uw leven?

We gaan nu verder in 2 Timotheüs 3, vers 1. Ik wil dit eerste vers lezen, zodat we weten wat de context is van de volgende verzen.

2 Timotheüs 3:1 - Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen.

Dit plaatst wat nu volgt in onze tijd.

2 Timotheüs 3:13 - Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid.

We kunnen hier 1 Johannes 2, de verzen 14 tot 16 aan toevoegen, waar hij in feite zegt de wereld niet lief te hebben, noch de dingen van de wereld. We zullen deze verzen dus in samenhang met elkaar bekijken. De wereld oefent voldoende druk uit, zodat we, als we onverschillig zijn in het uitvoeren van onze verantwoordelijkheden, onszelf heel gemakkelijk zullen toelaten de wegen van Satan te volgen, zoals dat door de wereld gebeurt. Er is heel wat in de wereld dat aantrekkelijk is voor onze menselijke natuur en ook voor echte Christenen. We zien dan ook dat, ondanks tweeduizend jaar van prediking door de kerk, er nog heel wat aantrekkelijks is in de brede weg die door de overgrote meerderheid wordt gevolgd. Als we naar de wereld kijken, lijkt het erop dat het Christendom een afschuwelijke mislukking is — zoiets als een altruïstische ervaring die spaak is gelopen. De wereld geeft van alle kanten de indruk dat God, ofwel ver weg op reis is gegaan, of dat Zijn gehele schepping niets meer is dan een kosmische grap. De volgende woorden zijn ook echt gebruikt, dat God er in feite niets om geeft en dat de schepping niets meer is dan een speeltje voor Hem met geen enkel positief, weldadig doel voor ons. Met zo'n benadering kan de wereld, als we onverschillig zijn, heel overtuigend overkomen. Voor een niet bekeerd iemand is het heel gemakkelijk, om al kijkend naar het verloop van de christelijke geschiedenis, tot de conclusie te komen, dat God Iemand is met goede bedoelingen, maar Die heel vaak teleurgesteld is omdat Satan Hem te slim af is, of dat de mens Hem dwarsboomt; God moet daarom dan ook wel gefrustreerd raken bij alles wat Hij probeert te doen. Het is alsof Hij zegt de mens te willen zegenen, maar ze laten het Hem niet toe. Wie kan God serieus nemen als je er op deze manier naar kijkt? Dat maakt het erg eenvoudig te denken of te leven alsof God niet echt soeverein is in Zijn schepping.

Dit zijn naar mijn mening vragen en gedachten die we serieus moeten nemen en toch denk ik, dat als ik ze u rechtstreeks zou voorleggen, zoals ik nu doe, dat u gaat antwoorden, dat u niet op die manier denkt. U denkt dat God volledige en totale controle heeft, dat Hij Zijn schepping regeert. Ik hoop oprecht dat dat waar is. Maar ik heb ontdekt, ook in mijn eigen leven, dat we, al zeggen we dat dan ook, soms leven en praten alsof we in feite denken zoals de wereld denkt. Ik kan u echter zeggen wie niet op die manier denken en ook niet op die manier leven. Dat zijn zij die werkelijk vanuit geloof leven. Wat betekent dat "leven vanuit geloof"? Dat betekent dat we toestaan, dat onze gedachten door Gods woord worden gevormd en daarom ook ons gedrag, omdat geloof ontstaat door het horen. Het betekent, dat geloof ontstaat door het horen en horen door het woord van God.

Onlangs las ik in een commentaar dat het meest herhaalde gebod, of opdracht, of aansporing van Jezus Christus tijdens Zijn leven op aarde, tot één woord kan worden teruggebracht — Luister! Weet u hoe vaak dat woord voorkomt in Christus' woorden tot de kerk van de eerste eeuw? Achttien keer! Wat bedoelt Hij daarmee? Hij bedoelde: "Luister naar de boodschap!" — omdat u gaat zien, zodra u erover na gaat denken, dat dit nu precies is wat de mensheid niet heeft gedaan. Geloof ontstaat door het horen. Dat betekent dat geloof ontstaat door het luisteren naar het woord van God. Hoeveel geloof zien we vandaag de dag op aarde? Niet echt veel! Er is zo weinig dat Jezus profeteerde door het stellen van de vraag: "Als de Zoon des mensen wederkomt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?" Ik kan u garanderen dat Hij niet erg veel zal vinden, omdat er niet veel mensen zijn die denken, dat God de soevereine Heerser is over Zijn schepping. Zo eenvoudig liggen de zaken! Ze kunnen denken dat ze het geloven, maar dat komt niet tot uiting in hun leven. Als het in hun leven tot uiting zou komen, zou dat laten zien dat ze echt luisterden naar het woord van God.

We gaan nu kijken naar iets dat in zekere zin schokkend is voor de kerk in de eindtijd, de kerk waar wij deel van uitmaken; dat vinden we in het boek Openbaring, de hoofdstukken 2 en 3. U weet dat we daar de brieven aan de zeven kerken vinden. Laten we vers 7 uit hoofdstuk 2 lezen. Jezus Christus is de Spreker.

Openbaring 2:7 - Wie een oor heeft, die hore.

Dat is alleen maar een andere manier om te zeggen "luister!"

Zijn belangrijkste opdracht aan de kerk in de eindtijd is "luister!" Is Hij bang dat Zijn volk in de eindtijd niet zal luisteren? Ja, dat is Hij! De reden daarvoor is dat er zoveel afleidingen zijn en omdat Satan de dingen in zijn wereld zo heeft gearrangeerd, zo aantrekkelijk voor de menselijke natuur, zo verleidelijk, zo afleidend van het echte luisteren naar het woord van God. We komen daardoor op een zijspoor en we leven niet meer naar dat woord alhoewel we het met de mond nog wel belijden. Nu verder met vers 11.

Openbaring 2:11 - Wie een oor heeft, die hore.

Alweer: luister!

Openbaring 2:17 - Wie een oor heeft, die hore.

Openbaring 2:29 - Wie een oor heeft, die hore.

Dit gaat, zoals u wel weet, door in hoofdstuk 3 voor de kerken die daar worden genoemd. Laat me u een voorbeeld geven uit het Oude Testament ter illustratie hoe belangrijk dit is. We gaan naar Jeremia, hoofdstuk 25, de verzen 3 en 4, en daarna de verzen 7 en 8.

Jeremia 25:3-4 - Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag, drieentwintig jaren lang, is het woord des Heren tot mij gekomen en heb ik tot u gesproken vroeg en laat, doch gij hebt geen gehoor gegeven; 4 ook heeft de Here al zijn knechten, de profeten, tot u gezonden, vroeg en laat, doch gij hebt geen gehoor gegeven noch uw oor geneigd om te horen.

Jeremia was de profeet van God in die tijd. Juda stond op het punt om in ballingschap te gaan. We zouden kunnen zeggen dat Jeremia Gods laatste grote profeet was — de laatste die Hij zond om op die mensen een beroep te doen alvorens hun maatschappij, hun beschaving, tot een einde kwam. Wat was de klacht van Jeremia? "Ik spreek al 23 jaar tot u en u wilt niet luisteren." Omdat u niet wilde luisteren [tegen de tijd dat we dit lezen in Jeremia 25] was de natie alreeds verslagen en was deze groep mensen op de vlucht om het vege lijf te redden. Jeremia maakte het dus heel duidelijk. "U wilde niet luisteren."

Jeremia 25:5 - Bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en van de boosheid uwer handelingen, dan blijft gij in het land dat de Here u en uw vaderen gegeven heeft van eeuw tot eeuw;

Jeremia 25:7-9 - Maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven, luidt het woord des Heren, om Mij te krenken door het maaksel van uw handen, u ten verderve. 8 Daarom, zo zegt de Here der heerscharen: Omdat gij naar mijn woorden niet gehoord hebt, 9 zie, Ik laat alle geslachten van het Noorden komen ...

Dit is typisch de reden dat Jezus ons aanspoorde tot luisteren. Zij hoorden, maar ze luisterden niet. Het directe resultaat was de pijn van oorlog en al de verstoringen in de maatschappij voordat de oorlog werkelijk uitbrak — het soort dingen waar onze maatschappij, onze cultuur vandaag de dag mee worstelt — dingen die gelijksoortig zijn aan wat er in de drugswereld plaatsvindt, aan alle moorden die er in het land plaatsvinden, allerlei soorten ziekte, enz. God zei, dat als ze zich alleen maar bekeerden, Hij hen zou genezen. Ze luisterden niet. Ze bekeerden zich niet. Ze werden niet genezen. In plaats daarvan raakten ze in oorlog en gevangenschap. Hier zijn ze dan: op de vlucht voor hun leven. God zegt in deze situatie wat bijna iedere ouder ook zou doen tegen een kind in soortgelijke omstandigheden. Een ouder zou zeggen: "Ik zei je dat niet te doen, maar je wilde niet luisteren." Hoe vaak hebt u dat tot uw kinderen gezegd? Waarom luisterde Juda niet? Ik zal u zeggen waarom; echt het antwoord is niet moeilijk. Omdat voor hen (zij die het woord hoorden) het woord dat Gods profeten spraken, niet samenging met autoriteit. God zei dat zelfs, maar zij wuifden het als onbelangrijk terzijde, als iets waaraan geen consequenties vastzitten. Die woorden hadden geen autoriteit omdat de mensen geen geloof hadden in Gods soevereiniteit. Toch kan ik u garanderen, dat als u deze mensen had gevraagd, of zij in God geloofden, dat zij — omdat ze een verbond met God hadden gesloten en onderwezen waren door één van Gods profeten — gezegd zouden hebben: "Ja, wij geloven in God". Maar de werkelijkheid van alledag was, dat ze geen geloof hadden in God, dat ze geen besef hadden dat Hij aanwezig was in hun leven. Ze hadden geen geloof, dat Hij de macht had te doen wat Hij zei, of dat Hij voldoende om hen gaf om het ook te doen. Zij hadden dus geen levend geloof.

Waarom is het eigenlijk zo belangrijk om naar Gods boodschap te luisteren? Omdat God Zijn oproep aan de mensheid doet via hen die luisteren en de boodschap geloven; door hen voert God Zijn werk uit. Laten we nu naar Johannes 6 gaan, vers 29. U hoort mensen beweren dat zij het werk van God doen. Hier geeft God een eenvoudige definitie van Zijn werk. We kijken in Gods woord en God zegt ons wat Zijn werk is. In Psalm 74, zegt Hij: "God werkt verlossing in het midden der aarde". Dit vers hier in Johannes 6 is zo duidelijk. Hij zegt:

Johannes 6:29 - Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, [Hier wordt het zo eenvoudig onder woorden gebracht.] dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft.

Het woord van God, de Bijbel, is het woord van de Zoon, evenals dat van de Vader. We gebruiken een belangrijk deel van dit hoofdstuk tijdens de Paschadienst, omdat Jezus daar verder gaat met te zeggen, dat Hij het brood des levens is en dat wij Zijn vlees moeten eten en Zijn bloed moeten drinken. Aan wat Hij zegt zijn symbolische en zeer belangrijke geestelijke aspecten verbonden. Maar in vers 63 zegt Hij:

Johannes 6:63-64a - De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven.

Zij geloofden niet wat Jezus zei. Dat waren discipelen. Het kan zijn dat ze voor een bepaalde tijd hadden geloofd, dat Jezus de Messias was, maar ze geloofden niet wat Hij zei, in het bijzonder toen Hij die moeilijk te accepteren dingen zei, dat Hij het brood was dat van de hemel was nedergedaald en dat de mensen Zijn vlees moesten eten en Zijn bloed drinken — dat was iets dat ze gewoonweg niet wilden horen. Ze hoorden die woorden, maar ze luisterden er niet echt naar; er staat dan ook dat Jezus van den beginne wist, wie het waren die niet geloofden en wie Hem zou verraden, vandaar vers 66:

Johannes 6:66-69 - Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods.

Zij luisterden in veel sterkere mate dan degenen die weggingen en zij waren bereid met Hem te wandelen. Zij geloofden wat Hij zei. Waarom is dit belangrijk voor u en mij? Niet alleen omwille van de directe toepassing van dit onderwerp in hoofdstuk 6, maar omdat in het vervolg van deze preek aan de orde komt, dat we alleen maar door Gods woord te weten kunnen komen wie de zaken op aarde regelt en wat de waarheid is die we dienen te geloven. "De woorden die Ik tot u spreek zijn geest en leven." Wat ervoor zorgt dat de weegschaal (als ik het zo mag zeggen) in de juiste richting doorslaat, is, of we horen, luisteren, begrijpen en het omzetten in practische toepassing, omdat het woord genoeg autoriteit heeft in ons denken dat we het gaan doen. Dit punt van autoriteit, in termen van de Bijbel, is erg belangrijk. Om een illustratie te geven — waarom denkt u dat bepaalde pharmaceutische bedrijven in hun advertenties zetten dat een bepaald percentage doktoren een bepaald medicijn voorschrijft? Zij gebruiken de autoriteit van de medische wereld om te onderstrepen wat zij beweren over hun product. Waarom willen fabrikanten van fitness apparatuur zo graag een positieve reactie van een of andere athletische grootheid? Omdat dat autoriteit verleent aan wat zij over hun product beweren. Waar denkt u dat het woord "mister" vandaan komt? Het komt van het woord "master", wat laat zien dat deze persoon meer autoriteit heeft dan een andere persoon die geen "master" is. We verlenen titels aan mensen om hun de autoriteit van dat bepaalde woord te geven. Bijvoorbeeld de titel van "supervisor"; als de supervisor iets zegt heeft zijn woord meer autoriteit dan als een of ander gewoon iemand hetzelfde zegt. Dat is het principe dat hier werkt. Als we God werkelijk zien als de soevereine Heerser over alles in de schepping en dat Hij diepgaand betrokken is in ons leven, dan is het hoogstwaarschijnlijk dat als Hij iets zegt, we gaan luisteren. Dat is het principe. Dit punt van soevereiniteit is een heel belangrijk punt voor ons geloof.

Nu naar de brief van Judas (zoek het maar vast op terwijl ik nog een vraag stel). Alle hoofdzaken van het leven draaien om de vraag of we geloven wat God zegt. Laten we dit eens toepassen op wat er vandaag de dag gaande is binnen de kerken van God. Wat is het grootste strijdpunt nu na het uiteenvallen van de WCG? Dat is bestuur. Kijk nu in Judas, vers 8. Terwijl u ernaar kijkt en ik het voorlees, wil ik, dat u nadenkt over de tijd waarin dit werd geschreven. Er is een goede reden, dat de brief van Judas zich bevindt waar die zich bevindt: direct na de brieven van Jacobus, Petrus en Johannes en rechtstreeks een inleiding vormend op het boek Openbaring (het eindtijdboek). Die reden is, gebaseerd op wat ik in staat was te zien in de inleidingen tot die verschillende brieven, dat de brief van Judas één van de brieven was die later werd geschreven; hij rapporteert over wat er gaande was aan het einde van de eerste eeuw en u zult gedeelten vinden die zoveel lijken op 2 Petrus, dat u bijna zou gaan denken dat het door een en dezelfde persoon werd geschreven. Dezelfde God inspireerde het, alhoewel — voorzover ik begrijp — de brief van Judas zo'n 15 tot 20 jaar later werd geschreven dan 2 Petrus, maar binnen de kerk vonden nog steeds dezelfde dingen plaats als waar Petrus over schreef, alleen gebeurde het in sterkere mate. Judas schrijft dus:

Judas:8 - Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees, verwerpen wat heerschappij heet en lasteren de heerlijkheden.

Hier zien we dus, na het uiteenvallen van de kerk van de eerste eeuw tengevolge van infiltratie, voornamelijk door gnostici, dat deze mensen die de kerk binnendrongen en uiteen lieten vallen, heerschappij verwierpen. De omschrijving van het advies dat de brief van Judas geeft, is vandaag net zo van toepassing als toen. Welk advies gaf Judas dan? Hij zegt ons in vers 3 terug te gaan — te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is. Als u dat advies wilt ondermijnen, hoe pak je dat dan aan? Ik zal u zeggen hoe ze dat aanpakten, want het is opgeschreven in het boek! De aanpak is, de reputatie van de boodschapper te vernietigen, zodat u de autoriteit van wat hij zegt ondermijnt. Wie werd er in deze tijd gebruikt om het geloof aan de heiligen over te leveren? Toch lijkt het erop, als we vandaag sommigen over Herbert Armstrong horen praten, dat hij in zijn leven nooit iets goeds heeft gedaan, ondanks het feit dat, direct of indirect, bijna iedereen van ons zijn relatie met God te danken heeft aan het werk dat God door hem deed. Er zijn mensen die hem bekritiseren, alsof ze zelf het toppunt zijn van een volmaaktheid zonder zonde; vervuld van zelfrechtvaardiging kijken ze in minachting op hem neer. Van welke vooraanstaande personen denkt u dat deze bezoedelde dromers in de brief van Judas kwaad spraken? Het eerste hoofdstuk van 1 Johannes maakt dat duidelijk — dat waren de apostelen uit de eerste eeuw. "Wij hebben Hem gezien. Onze handen hebben Hem getast — het Woord des levens." Als u dus de autoriteit van de boodschap wilt ondermijnen, vernietigt u de reputatie van de boodschapper. Vandaag de dag spreken ze dus kwaad van de apostel die God gebruikte om zijn kerk in de eindtijd op te richten. Daarmee stopt het niet. Ze zeggen: "Ik zal nooit meer iemand volgen", alsof het volgen van iemand op zichzelf verkeerd is. Deze mensen spreken, of uit onwetendheid over Gods woord, of opzettelijk om te vernietigen en een aanhang voor zichzelf te krijgen; terwijl ze daarmee bezig zijn, verliezen ze echter Gods soevereiniteit over Zijn schepping uit het oog. Denk daar eens over na. Weet u van enig tijdperk in Gods woord, waarin er niet iemand stond tussen God en mens, behalve bij Adam en Eva? God heeft altijd mensen gebruikt als Zijn boodschapper, mensen zoals: Mozes, Jesaja, Amos, Johannes, Paulus en Judas, noem ze maar op. Al die mensen werden door God gebruikt, daarnaast vele priesters, dienaren en opzieners. Al die mannen, ook al vervulden ze een heel hoge positie door dicht bij God te staan en ook al werden ze bij tijden direct door Hem geïnspireerd, bouwden toch voort op wat hun was overgegeven door de mannen die aan hen vooraf gingen. Zij waren dus volgelingen van de mannen die God voorafgaande aan hen had aangesteld. Zij volgden dus mensen. Deze kwaadsprekende mensen zullen ook zeggen: "Wel, ik ben niet minder dan hij (doelend op de dienaar). Mijn intelligentie is zelfs beter dan die van hem. Ik kan dezelfde bronnen lezen en gebruiken als hij. Zonder hem kan ik ook leren. Ordinaties stellen niets voor. Ik ben veel langer in de kerk dan hij. Mijn huwelijk is beter dan het zijne. Enz., enz., enz., tot in het oneindige." Maar gemeente, begrijp dit. Het draait niet om deze rationalisaties. Het punt waarom het draait is de soevereiniteit van God. Heeft God die persoon in een positie geplaatst een kudde te hoeden? Dat is het punt. Een herder leidt. Een kudde volgt.

Er gebeurt veel in de wereld en in de kerk, waarvan we op onzorgvuldige wijze zouden kunnen aannemen, dat het moet hebben plaatsgevonden toen God net de andere kant uitkeek, of dat het Hem niet interesseerde. Het is eenvoudig om gebeurtenissen op die manier af te doen, maar is het een juist oordeel, een juiste conclusie, in overeenstemming met de Bijbel? Laten we de brief aan de Efeziërs opslaan, het eerste hoofdstuk, vers 11:

Efeziërs 1:11 - in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil,

God bewerkt alles naar de raad van Zijn wil. De gedachte in vers 11 gaat terug op iets dat in het boek Deuteronomium staat — en wel in Deuteronomium 32, de verzen 9 en 10. Die ga ik u nu voorlezen.

Deuteronomium 32:9-10 - Want des Heren deel is zijn volk, Jakob het Hem toegemeten erfdeel. 10 Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als zijn oogappel.

We gaan hier nog een paar andere verzen mee combineren.

Deuteronomium 7:7-8 - Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de Here Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. 8 Maar, omdat de Here u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de Here u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte,

Laten we deze verzen eens nader bekijken. Let ten eerste eens op Israëls 'roots', zoals die in deze verzen staan beschreven, hun geographische plaats en hun geschiedenis. Ze waren een slavenvolk. Ze woonden in een land dat niet het hunne was en toch werden ze uit die slavernij bevrijd zonder een revolutionaire oorlog. Ze begonnen toen aan een reis die 40 jaar zou duren, door een gebied waarin ze — volgens wat is opgetekend — geen oogst konden zaaien en binnenhalen, ook was er geen ruimte voor grote kudden dieren; toch werd er tijdens die reis in al hun behoeften voorzien, tenminste de basisbehoeften van het leven: manna en water. Als ze werden aangevallen, werden ze verdedigd. Maar toen die 40 jaar voorbij waren, werden ze een ander land binnengevoerd, een land dat ook niet het hunne was, het werd al bewoond door een ander volk, eigenlijk zeven volken die groter, machtiger en sterker waren dan zij; zelfs in die zin dat de Israëlieten zeiden: "We zijn als sprinkhanen in hun ogen", en ze waren bang om binnen te trekken. Maar ze werden dat land binnengevoerd en net als 40 jaar daarvoor werd het land hun relatief gemakkelijk in handen gegeven. Ze zouden gemakkelijk verslagen kunnen worden door het volk van wie ze het land overnamen.

Let nu eens op de geographische ligging van dat land. Het land lag tussen sterkere en grotere naties, namelijk: Assyrië, Babylonië, Egypte, de Edomieten, de Moabieten, de Ammonieten, de Syriërs. Ze werden aan alle kanten omringd en al die landen begeerden het land waarin zij nu leefden, vanwege de strategische positie. Het lag in een positie waar ze schatten en schatten aan geld konden verdienen; het was een brug tussen al deze naties — een handelsbrug waarvan ze rijk konden worden. Er werd voortdurend om het land gevochten. Maar op de een of andere manier overleefden ze. Zelfs vandaag, duizenden jaren later, bestaan ze nog steeds, alhoewel de wereld denkt dat ze in feite verdwenen zijn. Denk eens aan al deze dingen, omwille van wat Paulus daar in de context van Efeziërs 1:11 zegt, dat de geschiedenis van Israël geen toeval is. Maak het daarna eens meer persoonlijk, omdat hij dat voorbeeld gebruikt om te laten zien dat het geen toeval is, dat de kerk de voortzetting is van Israël als Gods erfgenaam. In deze context wordt impliciet ook gezegd, zonder dat het direct wordt gezegd (maar dat wordt in ander schriftgedeelten gedaan), dat het geen toeval is dat u, persoonlijk en individueel, deel uitmaakt van de kerk, daar God hier vanaf het begin naar toe heeft gewerkt en wat God wil, dat geschiedt. Paulus zegt hier dus, zonder het direct te zeggen, dat God soeverein is over Zijn schepping.

Breid nu even dat "alles" in Efeziërs 1:11 uit naar andere gebieden van het leven; dat woord "alles" maakt dit onderwerp heel belangrijk in het licht van Jezus' uitspraak dat zelfs geen mus kan vallen zonder dat God hiervan op de hoogte is. Dat is nogal een opmerkzame aandacht. Neemt God alles onder de loep dat er plaatsvindt? Jezus sloot af met te zeggen: "Gij gaat vele mussen te boven". Dat is echt bemoedigend. Deze gedachte heeft tot doel ons te doen begrijpen, dat als God aandacht schenkt aan een mus, Hij zeer zeker aandacht zal schenken aan u! Is Hij echt ver weggegaan? Misschien kunnen we aantonen, dat er sommige dingen in de wereld gebeuren die van geen enkel belang zijn voor Gods doel. Maar wat denkt u van Zijn kerk? Wat denkt u van de "appel van Zijn oog", het middelpunt van Zijn aandacht? Zulke vragen passen precies bij de context van wat Paulus hier in Efeziërs 1 schrijft. Weet God niet wat er gebeurt? Kan het Hem niet schelen wat er met Zijn kinderen gebeurt, zodat er dingen gebeuren zonder dat Hij het merkt, zonder dat Hij het onder de loep neemt, zonder Zijn oordeel over wat Hij zou moeten doen? Is God werkelijk de Almachtige? Bedenkt dit: of God regeert, of Hij wordt aan de kant geschoven en door Satan overheerst. Of Zijn wil moet geschieden, of Hij wordt dwars gezeten door wat Hij heeft geschapen. Of Hij is de enige Koning der koningen, Die een volmaakte visie heeft, onbeperkte macht, of Hij is alleen maar God in naam. Er is geen andere mogelijkheid. Er is voor dit onderwerp geen middenweg.

Misschien neemt u dit onderwerp als vanzelfsprekend aan, omdat u tegen u zelf zegt, dat u er geen twijfel over hebt dat God Zijn schepping regeert. Onlangs gaf ik een serie preken over motivatie, waarin ik diverse keren zei, dat geloof elk van die factoren onderbouwt, maar gemeente, levend geloof wordt zelf weer onderbouwd, ondersteund, versterkt door een heel belangrijke factor die ons in staat stelt goede werken te doen. Herinnert u zich dat werkwoord "kennen" nog? Eeuwig leven is het kennen van God. We hebben dat in het verleden diverse malen gezegd. In het Hebreeuws is het yada. In het Grieks is het genosco en in het Nederlands kennen.

Ik wil u iets laten zien in het boek Daniël. Zodra u dit ziet, zult u zeggen: "Ja, dat is het!" Daniël, hoofdstuk 11 en vers 32. Iedereen weet dat Daniël 11 het slot is van de langste profetie in de gehele Bijbel. Hier, bijna aan het einde, vinden we het principe waar het mij om gaat.

Daniël 11:32 - En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen.

Dit woord "kennen"yada, genosco, duidt op een combinatie van hechte, warme en zelfs gepassioneerde intimiteit, die samengaat met een intellectuele kennis, die een scherp inzicht produceert, die iemand in staat stelt op God te vertrouwen en tegelijkertijd te beseffen wat God bezig is te doen. Als ik het zo mag zeggen, is dit de factor die ervoor zorgt dat Gods woord autoriteit voor ons heeft. We kennen Hem. Hij is niet zo maar een oppervlakkige kennis. Deze factor vormt de basis van een echte relatie die werkt. Gemeente, stel uzelf eens de volgende vragen. Geloven we echt dat God heilig is en dat daarom Zijn toorn brandende is jegens zonde; dat Hij rechtvaardig is en dat daarom Zijn oordelen voltrokken zullen worden over hen die rebelleren; dat God trouw is en dat daarom Zijn beloften van aan de ene kant zegeningen en aan de andere kant vloeken absoluut vaststaan; dat God almachtig is en dat daarom niemand Hem kan weerstaan; dat God alwetend is en dat er daarom geen enkel probleem is waarvan Hij niet op de hoogte is, of dat Hij niet de baas kan? Omdat God is wat Hij is, zien we de profetieën betreffende het einde van dit tijdperk vervuld worden in de wereld en in de kerk; gemeente, dat resulteert in tumultueuze, moeilijke en soms bange en zelfs verwarrende tijden voor ons.

Hebreeën 11:27 - Door het geloof heeft hij [Mozes] Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke.

Waarom was Mozes in staat te doen wat hij deed? Hij kende God. En omdat hij God kende, was hij sterk en verrichte hij grote werken. De dingen waarover ik in de context van deze preek spreek — de profetieën, enz. — kunnen alleen gezien, begrepen en doorstaan worden door de ogen van het geloof, zodat we doorgaan te groeien. Geloof, gemeente, hangt altijd samen met God en daarom is deze serie zo belangrijk voor ons leven. Geloof stelt u in staat sterk te zijn en grote werken te doen en teleurstellingen in de mysteries van het leven te verdragen: 1) omdat u weet, dat, omdat u bent wie u bent en God is wie Hij is, Hij erbij betrokken is en Hij meester is over elke situatie; 2) omdat u Zijn karakter kent, dat Hij te wijs is om Zich te vergissen, dat Hij te liefhebbend is en te bezorgd over de afloop van ons leven, om u totaal ten onder te laten gaan; 3) omdat u weet en u gelooft dat Romeinen 8:28 nog steeds in de Bijbel staat; 4) omdat u weet dat, daar Hij Zijn schepping regeert, Hij er is en dat u daarom door deze tijden heen zult komen en zult voortgaan te groeien en dat met een vrede die elk begrip te boven gaat. Daar behoud een zaak is van genade door geloof, zie ik, als pastor, het als mijn — door God gegeven — verantwoordelijkheid u te voeden met kennis die geloof opbouwt en tegelijkertijd een motivatie verschaft om wat God zegt in ons dagelijks leven op een praktische manier toe te passen. Juist hier zie ik een groot probleem — misschien wel het hoofdprobleem tussen God en mens — dit wordt in Jesaja 55 de verzen 7 tot 9 op een heel eenvoudige manier onder woorden gebracht. Dit zijn verzen die we uit het hoofd zouden moeten kennen.

Jesaja 55:7-9 - De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. 8 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren. 9 Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.

Omwille van wat Hij hier zegt, deze factor, dat onze gedachten niet Zijn gedachten zijn en Zijn wegen niet onze wegen, zijn we nog niet naar Zijn beeld. We kunnen niet zeggen zoals Jezus: "Als u Mij hebt gezien, hebt u de Vader gezien". God heeft in Zijn wijsheid gewild, dat we "naar Zijn beeld" worden gevormd door het uitoefenen van geloof — dat is Hem vertrouwen, vertrouwen op wat Hij zegt, ondersteund door wat Hij over Zichzelf in Zijn schepping openbaart.

Het fundamentele verschil tussen de gelovige en de ongelovige wordt geopenbaard in de verschillende manier waarop ze de dingen beoordelen. De ongelovige is van de wereld en daarom beoordeelt hij de dingen op basis van wereldse standaards, door zijn zintuigen en de tijd waarin hij leeft. Wereldse mensen zijn gewoonlijk erg ongeduldig. Ze willen zichzelf iets niet te lang ontzeggen. Ze willen onmiddellijke bevrediging. Aldus worden de dingen beoordeeld door de zintuigen en tijd waarin men leeft. De gelovige, daarentegen, betrekt God overal bij en ziet daardoor alles vanuit Gods perspectief — dat is gebaseerd op Gods waarden — en hoe een activiteit, welke dat ook maar mag zijn, een gebeurtenis, een ding eruit ziet in termen van eeuwigheid, niet door de tijd waarin men leeft, maar eeuwigheid. Om dit te doen vraagt bij tijden echt heel wat van iemands vertrouwen, omdat zelfs de Bijbel zegt, dat Gods oordelen onnaspeurlijk zijn en Zijn wegen onbegrijpelijk. Met andere woorden er zullen tijden zijn, waarin ons vertrouwen op God het zwaar te verduren zal krijgen; maar omdat we niet denken zoals Hij, omdat we niet het juiste perspectief hebben, of niet in de positie zijn om het geheel vanuit Zijn perspectief te bezien, zullen we niet precies weten wat er gaande is. Maar als we beseffen dat Hij werkelijk de soevereine Heerser is van dit universum, dan zullen we weten, dat zelfs al gebeuren er heel wat angstige dingen, dat dat onvoldoende betekenis heeft in termen van de feiten waarover we beschikken en zullen we Hem geduldig vertrouwen.

Herinnert u zich nog dat u op de lagere school zat? Hoe stond u tegenover de informatie die de onderwijzer u gaf? Ik zal u dat precies vertellen. U accepteerde wat de onderwijzer u vertelde zonder dat ter discussie te stellen. Als de onderwijzer zei dat 2 bij 2 opgeteld 4 was, nam u dat aan als een absoluut gegeven. In dit geval was het ook absoluut en blijft het absoluut. Maar onze houding jegens de informatie die de onderwijzer gaf, ongeacht het onderwerp, was dezelfde, of dat nu geschiedenis betrof, of aardrijkskunde, of maatschappijleer, of wat dan maar ook. We zogen de informatie die ons werd gegeven, op als een spons; maar met het voortschrijden van de tijd ontvingen we ook informatie van andere bronnen, die vaak tegenstrijdig was, en bij het ouder worden, bij het opgroeien, wisten we niet precies wat we ermee aan moesten. Maar tegen de tijd dat we in onze tienerjaren kwamen, begonnen we de informatie die de leraar ons gaf serieus ter discussie te stellen. We hadden niet langer het kinderlijke vertrouwen dat we daarvoor hadden. Dat komt doordat we in al die jaren genoeg informatie vanuit andere bronnen hadden verworven, waardoor we ook minder en minder zeker wisten wat juist was. Aldus begonnen we vaker onze mening te vormen op basis van het verwerven van kennis en ervaring; vaak bracht dat ons in conflict met anderen die precies hetzelfde deden. Na de middelbare school werd dat nog moeilijker, omdat het onderwijs daarna zelfs aanmoedigt de leraar, de huidige kennis en het systeem uit te dagen. Tegen de tijd dat God ons roept, is onze manier van denken, om het op onze eigen manier te doen, zo ingesleten, dat alleen de almachtige Schepper in staat is het te doen verdwijnen, zodat we terugkeren naar enkele van de basisregels van geloof die we als kind van nature hadden. "Tenzij u wordt als een kind", zei Jezus, "kunt u het koninkrijk der hemelen niet binnengaan". Gemeente, op de een of andere manier moeten we terug naar de positie, waar we naar God en Zijn kennis kijken in overeenstemming met het principe, dat we vroeger volgden jegens onze onderwijzers op de lagere school. Deze serie preken dient ertoe om ons te helpen dit te doen, door ons te laten zien hoe diep, hoe gedetailleerd, God betrokken is bij de gang van zaken op de planeet Aarde — niet alleen maar in de grote zaken, zoals de toekomst van een natie, of een groep van naties, of zelfs de kerken; nee, Zijn betrokkenheid gaat echt tot in de kleinste details van iemands dagelijks leven. Ik wil u laten zien, dat ons leven in geen enkel opzicht simpel en gewoon kan worden genoemd, indien er iets heeft plaatsgevonden dat ons apart zet van ieder ander. Paulus zegt in:

Filippenzen 3:14-15 - maar een ding [doe ik]: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen voor mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. [Laten we allemaal jagen naar het doel.] En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren;

In Hebreeën 3:1 schrijft de auteur iets dat daarmee samenhangt, iets soortgelijks. Hij zegt:

Hebreeën 3:1 - Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus,

Nooit is er iemand een hogere, grotere verantwoordelijkheid gegeven dan die wij ontvangen hebben. Iemand kan niets groters ontvangen dan wat wij ontvangen hebben. Het is onze verantwoordelijkheid, datgene wat wij ontvangen hebben aan te nemen en ermee te werken. Maar we moeten dat doen volgens de loop die God in Zijn woord laat zien, en we moeten daarbij leven vanuit geloof. Dat is niet gemakkelijk. Jezus zei dat die weg moeilijk is. We kunnen in het boek Hebreeën zien, dat — van het begin van de Bijbel tot aan het eind — degenen die ons voorafgingen, vele, vele beproevingen moesten ondergaan. Paulus zei tegen Timotheüs, dat "we door veel verdrukkingen het Koninkrijk van God zullen binnengaan". De enige weg om dat met succes te bereiken is te doen zoals God ons onderwijst. Om dat te doen moeten we absoluut zeker weten, dat Hij de gehele weg met ons is en dat aan Zijn woord de grootste autoriteit binnen het universum is verbonden. We zullen ervoor moeten kiezen ons geloof te gebruiken. Daar gaat het boek Hebreeën over.

Laten we deze preek nu afsluiten door nog enkele verzen uit Jesaja te lezen en wel uit hoofdstuk 46, de verzen 9 en 10, gevolgd door 12 en 13.

Jesaja 46:9-10a - Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; [Laten we terugkijken in Gods woord en wat Hij reeds heeft opgetekend over de dingen die Hij heeft gedaan.] Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; 10 Ik, die van den beginne de afloop verkondig ...

Moet je niet almachtig zijn, eeuwig levend, van alles bewust, om "van den beginne de afloop" te verkondigen en het te doen plaatsvinden? Precies! zoals u zegt, ondanks de vijandelijke legerscharen die tegenover u staan.

Jesaja 46:10 -- Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen;

Jesaja 46:12-13 - Hoort naar Mij [Luister!], gij trotsen van hart, die ver van gerechtigheid zijt. 13 Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israel mijn luister.

Dat is mijn doel met deze serie — ons Bijbels bewijs te geven dat God inderdaad soeverein is over Zijn schepping en zolang we niet rebelleren, zal Hij ons leven tot een succesvol einde brengen in Zijn Koninkrijk. Wij geloven wat deze woorden hier in Jesaja 46 zeggen. Sommigen kunnen ze misschien wel uit het hoofd citeren. Maar het is nu de tijd dat we ze in actie omzetten. Deze serie zal zich dus bezighouden met de soevereiniteit van God.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)