De twee getuigen (Deel 4)

Door Richard T. Ritenbaugh
29 juni 2002

Samenvatting: (toon)

In deze preek legt Richard Ritenbaugh de symboliek uit van de zeven gouden kandelaren (Zacharia 4:2; Openbaring 1:20) als zeven kerken die door een overvloed aan olie (een symbool van Gods Geest, Zacharia 4:6) kracht ontvangen hebben, welke tot uiting komt in werken of vrucht. Zerubbabel die de fysieke tempel voltooide, dient als een type van Christus die de geestelijke tempel voltooit. De zeven sterren, lampen en ogen blijken uitwisselbaar te zijn. Ze vertegenwoordigen de kerken, de engelen der gemeenten of de geest van de kerken (Openbaring 1:16, 20; 5:6).


Om te beginnen wil ik herhalen dat ik niet geloof, dat het nodig is dat we de profetieën volledig begrijpen voordat ze in vervulling gaan. Bedenk dat ik dit in de eerste preek van deze serie diepgaand heb uiteengezet. We zagen toen, toen we door die schriftgedeelten heengingen, dat we pas volledig doorgronden hoe God die profetieën in vervulling deed gaan en wat ze echt betekenen, nadat ze hebben plaatsgevonden. Ons begrip ervan zal op zijn best onvolkomen zijn tot aan de tijd dat ze feitelijk in vervulling gaan. We kunnen een algemeen begrip hebben van wat er zou kunnen gebeuren. Maar we zullen ze in hun totaliteit niet volledig begrijpen tot ze zijn vervuld — en misschien pas heel lang daarna — als we eindelijk alle stukjes samen zien.

Volgens mij is het belangrijker om door het kennen van de details van de profetieën zelf, ons bewust te worden van de mogelijke manieren waarop ze in vervulling kunnen gaan. Dat bereiken we door de profetieën in detail door te nemen en te bekijken wat ze zouden kunnen betekenen, zonder te proberen er dogmatisch over te zijn in de zin van: "Zo zal het gaan." en "Daar moeten we naar uitkijken." Het is veel beter als we zien wat de profetieën zeggen, om daarna het wereldnieuws te volgen, de dingen die in de kerk gebeuren te volgen, en te zien of iets daarvan overeenkomt met de details die we in de profetieën hebben gezien — en dan erin te vertrouwen dat God ze op de manier die het beste is, tot stand zal laten komen.

Nu even een korte samenvatting van waar we in de vorige preek doorheen gingen. In die preek concentreerden we ons op Openbaring 11:2-3. Deze verzen zeggen ons diverse dingen, onder andere dat het werk van de twee getuigen in eerste instantie elke vorm van meten van de naties erbuiten zal laten (of verwerpen, of negeren). U herinnert zich nog wel dat er stond: "Maar laat de voorhof die buiten is, erbuiten ... want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad tweeënveertig maanden lang vertreden."

De twee getuigen zullen dus — in de eerste fase van hun werk, voordat ze in feite "de twee getuigen" genoemd worden (want dat gebeurt pas in vers 3, pas daar wordt speciaal gezegd dat ze de twee getuigen zijn) ... In de eerste fase van hun werk moeten ze de tempel meten, die symbool staat voor de gehele kerk; het altaar, dat symbool staat voor de manier waarop de eredienst plaatsvindt; en ook nog de aanbidders zelf, die natuurlijk symbool staan voor de individuele mensen. Het zal dus algemeen zijn, namelijk het gehele gebied van de kerk en de richting waarin de kerk gaat. Daarnaast natuurlijk de manier waarop men de eredienst uitvoert en het proberen om die terug te voeren tot de manier waarop dat zou moeten gebeuren en die God zou verheerlijken. En tot slot zullen natuurlijk de individuele aanbidders aan bod komen om de weg te volgen die ze moeten volgen. Dat meten verloopt dus van algemeen naar specifiek.

Daarna kwamen we aan de periode van tweeënveertig maanden en de 1260 dagen. We zagen, na het doornemen van enkele schriftgedeelten, dat de meest letterlijke en eenvoudigste interpretatie daarvan is dat het dezelfde periode betreft — de grote verdrukking. Ze worden alleen maar met andere woorden aangeduid. Ik heb geen idee waarom God de ene aanduidde met "tweeënveertig maanden" en de andere met "1260 dagen". Ik weet niet of dat echt belangrijk is. We weten dat het precies dezelfde periode is als 3½ jaar. Tweeënveertig maanden van dertig dagen komt precies uit op 1260 dagen en het lijkt er dus op dat we hier dan precies dezelfde periode hebben. Dit lijkt de meest aannemelijke uitleg.

Deze periode van tweeënveertig maanden is de tijd dat het beest de stad Jeruzalem zal vertreden. En de 1260 dagen — dezelfde tijdsperiode — vertegenwoordigt de tijd dat de twee getuigen hun verkondiging doen.

Ik heb sommige mensen heel spitsvondig over die 3½ dag horen redeneren; zij zeiden dat de grote verdrukking en de dag des Heren zullen eindigen als Christus wederkeert, maar dat de twee getuigen 3½ dag daarvoor zullen sterven. Ik geloof dat dat slechts spitsvondig redeneren is, omdat ze zeker zullen getuigen door 3½ dag dood te zijn. Daarna zal ook hun opstanding een getuigenis voor God zijn. Ze behoeven dus echt niet te leven om een getuigenis te geven. Ze kunnen getuigen doordat hun dode lichamen op straat liggen, omdat dat precies is wat er volgens de bijbel zal plaatsvinden. Dat hun dode lichamen 3½ dag op straat zullen liggen, zal profetie vervullen (waarmee God wordt verheerlijkt en verwezen wordt naar de waarheid van Zijn woord).

We zagen ook dat God de twee getuigen zal voorzien van alles wat ze nodig hebben om de hun gegeven taak uit te voeren. Ik zei dat macht hier, zoals we in de Statenvertaling kunnen zien, schuingedrukt staat. Misschien zou het woord autoriteit beter zijn. God zal hun in principe de autoriteit geven om te doen wat gedaan moet worden. In zekere zin zouden we kunnen zeggen dat God hun carte blanche geeft om met Zijn macht te doen wat ze willen.

Als we naar de verzen 5 en 6 kijken om te zien wat ze met die macht doen, dan zien we dat dat dingen zijn die niet meer gedaan zijn sinds de profeten dat zo'n twee- of drieduizend jaar geleden deden. Ik kan geen profeet bedenken die vuur uit de mond spuwde, maar de twee getuigen is toegestaan dat te doen. Zij doden mensen zonder zich daar schijnbaar iets van aan te trekken.

Dit zijn twee mensen die — om een getuigenis op aarde te geven — de vrije hand zullen hebben in het gebruik van Gods macht. Maar we weten dat deze twee het karakter zullen hebben — de in banen geleide ijver waarover ik het in een paar van de vorige preken had — om op een goddelijke en juiste manier van deze macht gebruik te maken. Ze zullen dit (gewoon het vernietigen van mensen en dingen) niet op een onvermijdelijke manier doen. Er zullen goede redenen zijn om dat te doen, waarop we waarschijnlijk in de volgende preek zullen ingaan.

In vers 3 namen we ook het in zakken gekleed zijn door en we zagen dat dat diverse dingen kon betekenen. In zakken gekleed gaan kan duiden op rouw. Het kan duiden op berouw. Het kan duiden op soberheid en het kan ook duiden op armoede. Voor wat betreft de laatste mogelijkheid geloof ik dat dat het beste kan worden gezien als geestelijke armoede — dat betekent arm van geest zijn (zoals Jezus Zelf dat was). Klaarblijkelijk geeft God iemand die arm van geest is, macht omdat hij de juiste manier van denken heeft en de juiste houding om die macht te gebruiken. Ik stem dus op armoedearm van geest zijn, maar het kan ook die andere dingen betekenen. Als we het erg algemeen willen maken, zouden we kunnen zeggen dat de zakken erop duiden dat deze twee mannen godvrezend zijn. Zij hebben het juiste karakter, dat op het karakter van Christus lijkt, en dat voor de taak nodig is.

Daarna kwamen we in vers 4 en ik wil dat opnieuw lezen. De rest van de preek zal over dit vers gaan en over Zacharia 4. Dus nadat we hier vers 4 hebben gelezen, zullen we Zacharia 4 lezen en daar de meeste tijd aan besteden.

Openbaring 11:4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan.

Het is heel, heel duidelijk (als we enige kennis van het Oude Testament hebben) dat dit vers heel specifiek naar Zacharia 4:14 verwijst. Het is niet echt een parafrase. Het is niet echt een aanhaling. Maar het verwijst er op duidelijke manier naar. En dan worden de dingen ingewikkeld, omdat Zacharia 4 GEEN gemakkelijk hoofdstuk is om te interpreteren.

Maar voor we dat gaan doen, wil ik nog iets anders vermelden. Als we in sommige commentaren kijken, dan zien we dat die zeggen dat de twee getuigen geen mensen zijn. Zij zeggen bijvoorbeeld dat ze typen zijn van Zerubbabel en Jozua. Zerubbabel vertegenwoordigde daarbij de staat (omdat hij de gouverneur was) en Jozua vertegenwoordigde de religieuze kant van de zaak, de kerk (omdat hij de hogepriester was). Zij zeggen dus dat dit betekent dat er op een of andere manier één vertegenwoordiger van de kerk en één van de staat zullen kunnen getuigen.

Maar het heeft totaal geen zin om te denken dat de twee getuigen iets anders zouden zijn dan mensen. Daar zijn verschillende redenen voor. Bijvoorbeeld Openbaring 11:10 noemt hen "deze twee profeten". Bij profeten of profetessen denken we alleen maar aan mannen of vrouwen — menselijke wezens. Deze twee moeten dus mensen zijn. Zacharia noemt hen de "gezalfden". "Gezalfden" duidt op dienaren, dus mensen.

In vers 7 staat dat ze worden gedood. Vers 8 zegt dat hun dode lichamen op straat zullen liggen — dit duidt erop dat ze lichamen hebben. Daarbij denk je toch niet dat een kerk of een staat een lichaam heeft — één lichaam of in deze betekenis vele lichamen. Hij heeft het hier over mensen. Vers 11 zegt dat ze kunnen worden opgewekt. De gemakkelijkste interpretatie hiervan is, dat ze precies zijn wat de bijbel zegt ze te zijn — twee menselijke wezens (profeten) die een lichaam hebben, in staat zijn deze wonderen te doen en dit getuigenis te geven. Ik wilde hier nog even vlug doorheen gaan, zodat we begrijpen dat ik aan niets anders denk dan aan twee letterlijke mensen in de eindtijd.

Nu naar Zacharia 4, zodat we kunnen proberen dat te interpreteren volgens de exacte betekenis [als er staat] dat ze de twee olijfbomen zijn en de twee kandelaren. We gingen daar deels al doorheen, maar ik wil er opnieuw doorheen gaan. Er waren enkele vragen, omdat ik er in de vorige preek zo snel doorheen ging. Misschien kan ik er deze keer iets meer detail in leggen.

Zacharia 4:1 De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt.

Dit zijn interessante bewoordingen, gelet op Mattheüs 25 en de tien maagden. Ze sliepen. De engel komt en moet de profeet uit zijn slaap wakker maken. Kan er hier een of andere parallel zijn? Ik laat die beslissing aan u over. Maar het is heel interessant, dat de profeet zelf op dit moment uit zijn slaap moet worden wakker gemaakt. Houdt dat dus in het achterhoofd. Misschien is dat (in zekere zin) een sleutel tot het bepalen van het tijdstip van de openbaring van deze twee getuigen, enzovoort.

Zacharia 4:2-5 Hij [de engel] zeide tot mij [de profeet]: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; 3 en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. 4 Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? 5 Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer.

De engel dacht dat het nogal duidelijk was, wat deze dingen voorstelden. Maar de profeet, misschien nog wat slaapdronken, begreep het niet. Hij kon het verband niet leggen. Het eerste wat we hier dus moeten doen, is een idee krijgen hoe de kandelaar eruit zag.

Zoals ik in de vorige preek zei, is dit een soort menora — de kandelaar met de zes armen met elk een lamp en nog één aan de top, die in het heilige van de tempel stond. (Niet het heilige der heiligen, maar het heilige, waar de priesters mochten komen en waar de toonbroden en het reukofferaltaar waren.)

Deze kandelaar is niet exact hetzelfde. Hij heeft enkele interessante afwijkingen. Ten eerste heeft hij een centrale oliehouder aan de top van de kandelaar, die de andere menora (de menora in de tempel of de tabernakel) niet had. Het was een grote gouden oliehouder, die gewoon bevestigd was op de top van de centrale zuil van de kandelaar.

Er waaieren zeven armen vanuit de centrale zuil — de centrale stijl. Elk van hen had een kleine oliehouder aan zijn uiteinde. Ik geloof dat ik het plaatje gebruikte van een model van het zonnestelsel met de zon in het centrum en de negen planeten met draadjes, of wat dan ook, bevestigd op hun juiste positie ten opzichte van de centrale zon. Misschien kunnen we wel aan zo iets denken. Het is niet echt nodig dat alle zeven oliehouders in één vlak lagen. Ze konden net zo goed geheel rondom de centrale zuil hebben gelegen.

Ik probeer hieraan te denken in termen van Openbaring 1, waar Christus "temidden" van de zeven kandelaren staat, die in een cirkel rondom Hem heen staan. Dat lijkt mij in ieder geval de meest logische manier om te kijken naar wat er in Openbaring 1 gebeurt. Misschien wordt dat in Zacharia 4 nagebootst — behalve dan dat er geen aparte kandelaren rondom zijn, maar zeven armen aan één kandelaar.

We hebben dus de centrale stijl, de oliehouder er bovenop, de zeven lampen die middels zeven armen aan de centrale stijl zijn verbonden, die elk een oliehouder aan het uiteinde hebben. Hier bracht ik, geloof ik, enkele mensen in verwarring, toen ik zei dat er geen zeven slangetjes, of zeven pijpjes zijn. Er zijn er negenenveertig. Er komen negenenveertig pijpjes uit de oliehouder aan de top en er gaan er zeven naar elke oliehouder aan de uiteinden van de armen.

Nu was er iemand die me vroeg hoe ik wist dat er negenenveertig waren en niet gewoon één voor elke lamp. Daarvoor moet ik terugvallen op het Hebreeuws. Er staat NIET dat er "zeven pijpjes naar de zeven lampen" waren (zoals er in de New King James staat). Er staat dat er zeven en zeven pijpen waren naar de lampen [zie Statenvertaling].

Als u en ik rekenen, dan denken we bij "zeven en zeven" aan veertien (niet aan "zeven keer zeven"). Maar ik zocht dit op in het commentaar van Keil & Delitzsch en daar werd het heel duidelijk gemaakt dat deze bewoording duidt op een distributieve verdeling. Elk van de zeven lampen had zeven pijpjes. Daar werd ook het voorbeeld aangehaald van een tekst waar gesproken wordt over een reus "en zijn vingeren waren zes en zes", in totaal vierentwintig [1 Kronieken 20:6, Statenvertaling]. Wij zouden nu zeggen dat "zes en zes" zesendertig is en niet vierentwintig. Maar de zes daar zijn gedistribueerd over vier aanhangende ledematen. Er gaan er dus zes en zes naar de eerste twee en zes en zes naar de tweede twee aanhangende ledematen; in totaal dus vierentwintig.

Dit is voor ons een vreemde manier van denken. Wij denken niet op die manier. Wij zijn geen Hebreeërs. We spreken geen Hebreeuws. Wij vermenigvuldigen niet op die manier. Maar het is duidelijk dat het op die manier in elkaar zit. We hebben hier dus zeven lampen en we hebben zeven pijpjes naar elk van die lampen. Als we dat nu uitrekenen, komen we op negenenveertig pijpjes.

Dat betekent (en ik geloof dat dat erg veelzeggend is) dat God elk van Zijn gemeenten niet slechts één pijpje gaf om te worden gevoed. Hij gaf elk van hen zeven pijpjes — dat duidt erop dat er een geweldige overvloed aan olie is die voor elk van de zeven gemeenten beschikbaar is. Het ontbrak hun aan niets dat van Gods Geest zou komen.

Ik wil nog één ding toevoegen, waarom het niet veertien is. Dus waarom er niet twee pijpjes zijn voor elke lamp. De reden daarvoor is dat de Hebreeërs, als zij veertien hadden bedoeld, ook gewoon veertien zouden hebben geschreven. Maar om de kandelaar met de lampen, de armen en wat er nog meer bijhoorde, uit te beelden, te beschrijven, moesten ze deze formule van zeven en zeven gebruiken om te laten zien dat er zeven pijpjes gingen naar elk van de lampen. (Het is moeilijk om al deze termen uit elkaar te houden — lampen, kandelaars, stijlen, oliehouders, pijpjes, slangetjes, enzovoort.) Deze geweldige overvloed aan olie voorziet de lampen dus voortdurend in hun behoefte; dit beeldt de volmaakte overvloed uit die van God komt. God onthoudt de kerk niets. Het is er allemaal, net zoveel als er nodig is. Ik geloof dat dat heel bemoedigend is.

Ik wil nog één paragraaf lezen uit het commentaar van Keil & Delitzsch, om in zekere zin op te sommen wat de lampen betekenen; waarom de symboliek van de lampen wordt gebruikt.

"De brandende lampen waren een symbool van de kerk of van de natie van God, die het licht van hun geest of hun kennis van God voor de Here lieten schijnen en het in het duister van een van God vervreemde wereld lieten stralen. Evenals de discipelen van Christus als lichten der wereld werden geroepen (Mattheüs 5:14), om hun licht als lampen (Lucas 12:35) of als sterren (Filippenzen 2:15) in de wereld te laten branden en schijnen, zo was de kerk van het Oude Testament dat ook. De juistheid van deze uitleg van de betekenis van de kandelaars staat boven elke twijfel wegens Openbaring 1:20, waar de zeven luchni'ai [het Griekse woord voor kandelaar], die Johannes zag voor de troon van God, worden uitgelegd als de zeven ekkleesi'ai [gemeenten], die het nieuwe volk van God vertegenwoordigen, dus de christelijke kerk."

Keil & Delitzsch begrijpen hier dus heel duidelijk de symboliek. Omdat Openbaring 1:20 ons heel duidelijk laat zien dat de zeven kandelaren de gemeenten van God zijn, is dit visioen in Zacharia 4:1-5 zo'n beetje een kopie van hetzelfde. De profetie hier in het Oude Testament kijkt vooruit naar de christelijke kerk en de zeven gemeenten. Zo past het allemaal heel goed in elkaar. Het wordt dus heel duidelijk door Openbaring 1:20. Waarom gaan we daar niet heen om te zien dat de bijbel zijn eigen symbolen interpreteert?

Openbaring 1:12-20 En ik [Johannes spreekt hier] keerde mij om, ten einde de stem te zien, die met mij sprak. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren, 13 en te midden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel; 14 en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam; 15 en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren. 16 En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht. 17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, 18 en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. 19 Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal. 20 Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten.

Dat is heel duidelijk. God heeft ons de interpretatie van deze symbolen niet onthouden. De zeven lampen — of de zeven kandelaars — zijn de zeven gemeenten van God, waarover Hij het hier in Openbaring 2 en 3 heeft. We zien dat Jezus in hun midden staat. Het plaatje hier heeft een doel dat een beetje anders is dan in Zacharia 4. Dat kunnen we zien omdat Jezus hier werkend onder de zeven gemeenten wordt afgebeeld. Hij is heel actief bij hun werk betrokken. We weten uit Colossenzen 1:18 (waarschijnlijk de beste tekst over dit specifieke onderwerp) dat Hij het Hoofd is van het Lichaam, de gemeente. Hij is het Hoofd. Hij is erbij betrokken. Hij werkt door hen alle. Hij is sterk betrokken bij alles wat ze doen. Jezus wordt hier dus afgebeeld in Zijn heerlijkheid, terwijl Hij volop aan het werk is.

Zoals ik de vorige keer zei, vroegen sommigen zich af of de kandelaar in Zacharia 4 Christus voorstelt. Het lijkt er duidelijk op dat Hij in Openbaring 1 de centrale stijl vervangt, omdat ze rondom Hem zijn gegroepeerd. Ik geloof dus inderdaad, dat Hij de centrale stijl van de kandelaar voorstelt, maar Hij wordt NIET voorgesteld door de oliehouder. Hij ondersteunt die. In de symboliek zit de oliehouder (om zo te zeggen) op Zijn hoofd. Als we verder gaan naar Zacharia 4:10-14, zullen we zien wat de oliehouder voorstelt.

Nu terug naar Zacharia 4:6. Dit vers is vrij bekend in de kerk. Hier staat het antwoord dat de engel Zacharia geeft over wat dit allemaal betekent. Dat antwoord lijkt bijna net zo raadselachtig als de symboliek.

Zacharia 4:6 Hij antwoordde mij: Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen.

De heer Armstrong haalde dit vers vaak aan als hij sprak over het doen van het werk. En dat is inderdaad een juist principe — een correct geestelijk principe. Als God iets doet, wordt het niet door fysieke kracht gedaan. Het is interessant dat kracht en geweld letterlijk wapenen zijn (dat is wat "kracht" betekent) en geweld is fysieke activiteit. Het werk van God wordt niet gedaan door wapenfeiten, of militaire overwinningen, of iets dat verwant is met vechten of twisten. Het wordt ook niet gedaan door enige vorm van haastige, fysieke activiteit.

Hoeveel werk en inspanning mensen er ook in zullen steken, dat zal er NIET voor zorgen dat het op de juiste manier wordt gedaan. Het helpt zeer zeker, omdat God door mensen werkt en mensen moeten zich inspannen om Gods wil te doen. Maar dat is niet waardoor het werk wordt gedaan. Hij zegt hier heel duidelijk dat alle verdienste naar Zijn Geest gaat. God is aan het werk! En wij onderwerpen ons. Wij doen de dingen die gedaan moeten worden. Daarin stuurt de Geest ons. Maar God zal degene zijn die de eer krijgt, niet wij. Wij konden niets van dit alles doen in eigen kracht.

God geeft ons dus de bekwaamheid. Hij geeft de inspiratie. Hij geeft de kracht. Hij geeft ons het vermogen tot volharding. Hij opent deuren. Hij voorziet in de mankracht. Hij voorziet in het geld en de middelen om door die geopende deuren te gaan. Hij voorziet in gunst, zodat de deuren geopend kunnen worden en wij er doorheen kunnen gaan om het werk te doen.

In zekere zin zouden we kunnen zeggen dat Gods werk een handeling van genade is. Het is een paradox. Het is een oxymoron om te zeggen dat het werk wordt gedaan door genade. We denken altijd dat werk en genade twee uitersten zijn, maar dat is niet het geval! Wat komt er eerst? De genade komt eerst. God geeft gunst. God geeft gaven. En dan wordt het werk gedaan. Waar ligt dan de heerlijkheid? Die ligt in de genade. De werken komen erna en daardoor wordt het werk gedaan.

Laten we dit wat nader bekijken. Laten we daarvoor Johannes 3 opslaan. Dit kan een vreemde plaats lijken om naar toe te gaan. Dit gaat natuurlijk over het gesprek tussen Jezus en Nicodemus, maar Jezus stelt hier met Nicodemus een punt aan de orde dat hij volgens Hem had moeten begrijpen. Dit vindt plaats pal nadat Nicodemus zei: "Moet ik terugkeren in de schoot van mijn moeder om opnieuw geboren te worden?"

Johannes 3:5-8 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. 6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. 7 Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is.

Net zoals wind is geest onzichtbaar. We kunnen het niet zien. We kunnen het niet zien bewegen. We kunnen het niet zien werken. We kunnen niets van de Geest zien. Maar we kunnen zien wat de Geest doet. We kunnen zijn invloed op dingen zien — net als de wind die door een boom vol met bladeren gaat. We kunnen de wind niet zien. We hebben de wind nooit gezien. Maar we hebben gezien dat de bladeren van de boom door de wind in beweging werden gebracht. We hebben de beweging van de takken gezien. We hebben misschien wel gezien dat een krachtige wind een nest uit die boom blies, of bladeren van die boom afrukte, of een tak van die boom zien afbreken. Maar we hebben de wind nooit gezien. Zo is het precies met de Geest. De Geest beweegt en dan zien we de mensen reageren. De mensen doen dingen. Er wordt een werk gedaan. We zien niet dat de Geest aan het werk is, maar we zien de vrucht van de Geest.

Laten we naar 1 Corinthiërs 12 gaan, waar Paulus schrijft:

1 Corinthiërs 12:4, 7 Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; ... 7 Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest [We zien de Geest niet, we zien de openbaring van de Geest.] gegeven tot welzijn van allen.

Let er nu op hoe hij zich openbaart.

1 Corinthiërs 12:8a Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, ...

Hoe werkt dit? God geeft Zijn Geest aan iemand en uit zijn mond vloeien dan woorden van wijsheid. Het is niet de Geest zelf die iets doet, die woorden van wijsheid uitspreekt. Maar het is de Geest die op het denken van die persoon inwerkt, waardoor die persoon dan zelf woorden van wijsheid spreekt. Maar wie krijgt de eer? God — door via Zijn Geest te werken!

1 Corinthiërs 12:8-11 ..., en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; 9 aan de één geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; 10 aan de één werking van krachten, aan de ander profetie; aan de één het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. 11 Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil.

Wat we hier hebben gezien is, dat we de Geest niet de gemeenten zien binnenstromen om individuele personen te leiden en te sturen. Wat we wel zien is, dat zijn de werken die door de Geest worden voortgebracht als hij de gemeenten en individuele personen binnenstroomt. We zien dingen zoals preken en artikelen die geschreven worden. We zien genezingen. We zien mensen handelen in geloof — bijvoorbeeld door te accepteren dat ze worden ontslagen wegens het houden van de sabbat, in geloof wetende dat God in hun behoeften zal voorzien. We zien mensen die in staat zijn hun gave van talen te gebruiken om anderen te helpen de waarheid te begrijpen — bijvoorbeeld door het in andere talen te vertalen. Of door in een taal te schrijven waardoor mensen die die taal spreken kunnen begrijpen. Of wat het ook mag zijn dat voor het welzijn van de kerk wordt gebruikt, om het begrijpen van mensen te verbeteren en om mensen voor te bereiden op het Koninkrijk van God.

Dat zijn allemaal openbaringen van Gods Geest. En er staat heel duidelijk dat zelfs al zijn er zoveel verschillende manieren waarop de Geest werkt, ze alle van één God komen. Hij is het die wil dat ze zich in ieder van die individuele personen openbaren. Ik heb hier een punt onder de aandacht te brengen. Laten we naar Johannes 6 gaan.

Johannes 6:63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven.

De reden dat ik hier naar toe ging is, omdat ik één van de belangrijkste openbaringen van Gods Geest wilde laten zien. Woorden. De gehele openbaring van God die we voor ons hebben, op onze schoot, bestaat uit woorden. En als dit geen openbaring van Gods Geest is, dan weet ik niet wat wel! Veel van deze woorden zijn de woorden van God Zelf. Veel van de woorden — heel wat minder, maar toch veel — zijn woorden van de dienaren van God, die tot vermaning van ons zijn neergeschreven. Maar alles komt in zekere zin neer op woorden, omdat de weg van God bestaat uit een verzameling ideeën. Deze ideeën zetten we met woorden op papier, of als we spreken, brengen we ze middels woorden tot uiting. We kunnen ze niet op een andere manier dan middels woorden begrijpen.

De dienaar van God kan ook andere werken doen. Hij kan genezen, wat zich niet middels woorden behoeft te openbaren — al zijn er wel vaak woorden betrokken bij een genezing. Dat is dan in het bijzonder een gebed. Het uitwerpen van demonen werkt op dezelfde manier. Ook dat gaat gewoonlijk gepaard met een gebed. Er zijn wonderen en vaak gaan wonderen gepaard met woorden die worden uitgesproken. Maar de werken zelf — de genezingen, het uitwerpen van demonen en de wonderen — zijn geen woorden, maar ze zijn openbaringen van de Geest. De hoofdtaak van een dienaar van God is echter om woorden te spreken of te schrijven die mensen van Gods waarheid overtuigen. Hij geeft dus een getuigenis voor God in het spreken van woorden of in het schrijven van woorden.

Per slot van rekening, als we het in detail bekijken, bestaat de getuigenis van de twee getuigen uit woorden. Zij zullen een bewijs geven van God. Maar waarom sprak ik hierover? Waarom ging ik precies hier op dit zijpad? Dat heeft van doen met de olie. We hebben reeds lang geweten (en de wereld weet dit ook) dat de Geest van God vaak wordt gesymboliseerd door olie. Daar in Zacharia 4:6 legt een engel aan Zacharia het werk van de Geest uit. Gods Geest die stroomt en werken voortbrengt (of resultaten, of zichtbare tekenen van Gods inspiratie en betrokkenheid in de activiteiten van Zijn dienaren), wordt hier uitgebeeld als de kerk binnenstromend.

Hier wil ik nog een korte aanhaling doen uit Keil & Delitzsch.

"Olie ... wordt in de Schriften gebruikt als een symbool van de Geest van God [Dat klopt; maar ik wil dat u de kwalificatie opmerkt die zij eraan toevoegen.], niet in zijn transcendente essentie, ..."

Kwam dit over? Niet in de vorm waarin deze, laten we zeggen, in God Zelf verschijnt. Niet in zijn ruwe vorm. Ik wil die aanhaling uit Keil &Delitzsch nog eens lezen.

"Olie ... wordt in de Schriften gebruikt als een symbool van de Geest van God, niet in zijn transcendente essentie, maar voor zover deze werkt in de wereld en binnen de kerk aanwezig is."

Begrijpt u wat ze hier willen zeggen? Ze zeggen dat de olie die door deze pijpjes vloeit NIET Gods Geest in ruwe vorm is. Het is Gods Geest aan het werk. Dat betekent in de manieren waarop hij wordt geopenbaard. Vat u het verschil? We zien niet noodzakelijkerwijs Gods Geest als Gods Geest. We zien Gods Geest zoals hij zich voornamelijk in woorden openbaart, maar ook in dingen als wonderen, genezingen, het uitwerpen van demonen, handelingen van geloof, enzovoort. Het is heel interessant. Als we bij Zacharia 4:11-14 aankomen, zullen we zien dat het nog interessanter wordt.

Zacharia 4:7 Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!

De engel probeert hier nog steeds de verzen 1 tot 5 aan Zacharia uit te leggen. Deze woorden "grote berg" kunnen twee dingen betekenen. De eerste is dat het niets in het bijzonder betekent, en dat is de betekenis waarop veel commentatoren zich hebben vastgelegd. Zij zeggen dat het gewoon staat voor de berg van obstakels waar iedere dienaar van God voor komt te staan bij de uitvoering van Gods werk. Het is dus een algemene term die duidt op beproevingen die zich voordoen om te pogen Gods werk tegen te houden. De engel zegt hier dat deze beproevingen voor Gods dienaren geen "grote bergen" zullen zijn, maar dat ze tot een vlakte zullen worden gemaakt en ze zullen er gewoon overheen lopen, INDIEN ze Gods Geest volgen.

De andere betekenis is wat interessanter. Bergen symboliseren in de bijbel regeringen. Als we naar Jesaja 2:2 kijken, zien we dat als Christus wederkeert, Hij Zijn Koninkrijk als de hoogste der bergen zal oprichten. Dat betekent dat Hij boven alle regeringen van deze wereld zal staan. Maar laten we naar Daniël 2 gaan, daar zien we het in een soortgelijke betekenis, maar op een andere plaats. Dit speelt zich af in Nebukadnessars droom. Herinnert u zich het grote beeld? Zijn hoofd was van goud, met armen en borst van zilver, buik en lendenen van koper, benen van ijzer, voeten deels van ijzer deels van leem.

Daniël 2:35 toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde.

We gaan nu verder met vers 44, waar de uitleg volgt.

Daniël 2:44-45 Maar in de dagen van die koningen [duidend op de tenen van ijzer en leem] zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, 45 juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar.

Deze steen werd uit een berg uitgehouwen en groeide zelf uit tot een berg. Hij vulde de gehele aarde. Ik geloof dan ook dat deze "grote berg" meer van doen heeft met het in botsing komen van regeringen. Zerubbabel had in het bijzonder problemen met de Samaritanen (mensen die hem van het bouwen wilden weerhouden) en met de gouverneur aan de andere kant van de rivier. En ze moesten voor een bepaalde tijd de bouw stilleggen, omdat er vragen waren of de Joden in feite wel toestemming hadden om de tempel te bouwen. Dat werd heel eenvoudig opgelost door een brief terug te sturen naar Perzië. Ze vonden de brief van Cyrus, waarbij ze waren geautoriseerd om te bouwen. En er kwam een antwoord terug van Darius: "Zeker wel, zij zijn gemachtigd om dit te bouwen." En ze gingen ermee door en het werd voltooid.

Ik geloof dus dat deze woorden "grote berg" in Zacharia 4:7 staatsmacht symboliseren. Als we dit projecteren naar de tijd van de twee getuigen, dan zien we dat dat opnieuw als probleem voor de twee getuigen naar voren zal komen. De twee getuigen zullen de macht van God hebben en ze zullen hun werk doen door de Geest. Dit is een bemoediging voor hen: "Ook de staatsmacht zal voor u geen probleem zijn." God rekent daar wel mee af. Ze zullen 3½ jaar de tijd hebben om te getuigen. En voordat die tijd om is, kunnen ze niet worden tegengehouden. Het zal net zijn als het wandelen over een vlakte, zonder oneffenheden. Ze kunnen wat probleempjes hebben, maar er zal geen enkel obstakel zijn dat hen zal tegenhouden.

Nu komen we bij de kroon op het werk (de gevelsteen). Let erop dat het vertaald is als gevelsteen. Sommigen hebben gedacht dat dit een steen in het fundament was, maar dat is het niet. Het is heel duidelijk de gevelsteen. We hebben het over de afbouw van de tempel (niet het begin ervan). Dit is dus NIET de hoeksteen. Dit is de steen die de bouw voltooit — de allerlaatste steen. Deze wordt ook wel gewelfsteen genoemd — de steen die in het centrum van het gewelf komt en het gewelf voltooid. Zoals ik al zei, het is een symbool van voltooiing.

In dit geval duidt het erop dat de tempel voldoende gereed is om God tot woning te dienen; het begrip hiervan zou heel duidelijk moeten zijn. We hebben het hier over de voorbereiding van de kerk op Gods Koninkrijk. Dit is een bemoediging — niet slechts voor Zerubbabel, dat hij de tempelbouw zou voltooien, maar het is ook een bemoediging voor de twee getuigen, dat hun taak van het meten van de tempel, het altaar en de aanbidders met succes zal worden uitgevoerd. En het zal — zoals hier wordt gezegd — gebeuren met een gejubel van "heil, heil" (dubbel heil).

Laten we dat "heil, heil" nader bekijken. In het Hebreeuws betekent dit letterlijk gunst. Misschien nog letterlijker schoonheid. Als we in de psalmen kijken, zien we dat er enkele zijn die het hebben over de schoonheid van heiligheid. Dit kan hier enigszins mee samenhangen; maar dit is een herhaling, daar er in vers 6 staat dat het werk alleen maar door Gods gaven en gunst kan worden uitgevoerd.

In het Hebreeuws komt dat vaak voor. Het herhaalt zichzelf — in iets andere bewoordingen, parallel, zodat we kunnen begrijpen hoe de dingen in elkaar zitten. Dit betekent dat door Gods genade — door Zijn Geest, door Zijn gunst, door Zijn gaven (hoe we het ook willen noemen) — de tempel voltooid zal worden en gereed zal worden gemaakt ter bewoning door God. Zerubbabel behoefde voor niets bang te zijn. Het zal geschieden.

Maar bedenk dat we dit altijd in verband met de kandelaars rondom de centrale zuil moeten zien. Dit gaat verder dan Zerubbabel. Dit gaat door in de nieuwtestamentische kerk — in het bijzonder in de eindtijd. Aan het einde van het hoofdstuk komen we aan bij de twee getuigen — de twee gezalfden. En bijna net als in Openbaring 10 en 11 begint het met een eerste werk en het eindigt met een wereldomvattend werk. Het eerste werk heeft van doen met het voltooien van de tempel en het latere werk heeft van doen met de getuigenis voor God voor de gehele wereld. We zien dat al een beetje in vers 10. Laten we echter in vers 8 beginnen en dan verder lezen tot vers 10.

Zacharia 4:8-9 En het woord des HEREN kwam tot mij: 9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.

Klinkt dat bekend? We zullen niet in staat zijn om alle dingen die dit mogelijk maakten, te zien totdat alles is geschied.

Zacharia 4:10 Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen.

Dit is een tweede uitleg — geen afwijkende, alleen maar een tweede uitleg van de eerste vijf verzen. We hebben een voorlopige uitleg in de verzen 6 en 7. In de verzen 8 tot 10 hebben we extra informatie en de uitleg van de zeven lampen. De uitleg in de verzen 6 en 7 concentreerde zich op "door mijn Geest" — om er zeker van te zijn dat we de eerste dingen ook op de eerste plaats zetten. God zal, door Zijn Geest, achter alles zitten wat er gebeurt; en het zal door genade geschieden. We moeten die eerste prioriteit in gedachten houden als we het werk van de twee getuigen begrijpen. Zij zijn dienaren. Zij volgen de Geest. Op die manier zal het gebeuren. En zo zullen zij ook denken. Zij zullen geen enkele eer voor zichzelf opeisen. Zij zullen weten dat het allemaal door Gods Geest gebeurt.

En dan komen de verzen 8 tot 10. Hierin zien we echt dat God Christus in gedachten had (meer dan Zerubbabel, die alleen maar een type was). We moeten altijd naar deze dingen kijken met het besef dat er typen van Christus in tot uiting komen. Zerubbabel is — al is hij een type van één van de twee getuigen — werkelijk een type van de echte Zaligmaker, Jezus Christus. Hij is de echte Koning en we kunnen Hem nooit ver buiten deze dingen houden.

Christus is bezig met de bouw van een geestelijke tempel en Hij voltooit waaraan Hij begint. We kunnen daar de naam Zerubbabel gewoon vervangen door Jezus Christus. "De handen van Jezus Christus hebben dit huis gegrondvest; Zijn handen zullen het ook voltooien."

Jezus begon er aan. Als we zelfs naar de schepping willen teruggaan, dan zien we dat Hij degene was die alle dingen schiep. En Hij zal het voleindigen en Gods doel tot stand brengen. We kunnen het grondvesten ook een beetje anders zien — als het werk dat in oudtestamentische tijden werd gedaan, of het Zichzelf als slachtoffer geven voor onze zonden en het tot stand brengen van onze communicatie met God de Vader. Er zijn vele plaatsen waar we dat grondvesten van de tempel kunnen terugzien, maar Hij zal het voleindigen. Waar we dus in de geschiedenis ook het startpunt zien en het eindpunt, Hij zal de tempel voltooien.

Als u daarvoor een tekst uit het Nieuwe Testament wilt, Filippenzen 1:6 zegt, dat Hij die in u een goed werk begon, dit ten einde toe zal voortzetten. Dat is een extra garantie. Dus het voltooien van de fysieke tempel in 515 voor Christus door Zerubbabel is gewoon een teken, als u dat woord wil gebruiken, dat Christus de geestelijke tempel zal voltooien.

Laten we het nu gaan hebben over kleine dingen. [Zacharia 4:10] "Want wie veracht de dag der kleine dingen?" De gedachte hier is dat niemand die God begrijpt en wat Hij aan het doen is, de tijden veracht waarin slechts kleine dingen lijken te worden verwezenlijkt. Zij die begrijpen wat God doet, weten dat deze dagen der kleine dingen moeten voorafgaan aan de grote dingen.

Ik geloof dat dit voornamelijk een bemoediging is voor de twee getuigen. Hun werk lijkt aan het begin niets voor te stellen. Maar zij zullen het niet verachten, omdat ze weten dat de kleine dingen aan de grote — de grote zaak, of de big bang aan het einde — moeten voorafgaan. Die dingen zullen echt de aandacht op hen vestigen gedurende de laatste 3½ jaar. Maar de kleine dingen die daaraan voorafgaan — het meten van het altaar, de tempel en de aanbidders — zullen de weg voorbereiden voor de rest van dat werk. We zullen dat binnen enkele minuten zien. Het is heel belangrijk.

Het is ook heel belangrijk om te zien — vanuit een historisch gezichtspunt — dat zelfs toen deze tempel voltooid was, zij erover jammerden. "Dit lijkt helemaal niet op de tempel van Salomo!" Het leek maar een klein ding en dat was het ook. Het was gewoon een simpele afbeelding van de oorspronkelijk tempel die David middels Salomo bouwde. Maar het was nodig. De kleine dingen die toen gebeurden — de Joden die uit ballingschap terugkeerden met veel van de Levieten en priesters, het bouwen van de tempel, het plaatsen van een muur rondom de tempel, en uiteindelijk het in ontwikkeling brengen van het grootste deel van het oude land Israël (in het bijzonder het gebied tot aan en rondom het meer van Galilea) — maakte mogelijk dat Jezus Christus werd geboren om Zijn werk te doen. Hij moest een tempel hebben waar Hij naar toe kon gaan.

Al deze dingen die dus gebeurden — deze "kleine dingen" die plaatsvonden bij dit kleine aantal mensen die uit Babylon terugkeerden, al het werk dat zij in ongeveer honderd jaar deden — bereidden de weg voor voor het heel "grote ding" van de eerste komst van Jezus Christus (en Zijn werk op aarde, Zijn dood en Zijn opstanding). Zonder de kleine dingen zou dat GROTE DING nooit hebben plaatsgevonden.

God bereidde de komst van het grote ding dus voor via de kleine dingen; zo werkt Hij altijd. Dus iedereen die getrouw is, zal de tijden waarin alleen maar kleine dingen plaatsvinden, niet verachten, omdat zij betekenen dat er grote dingen aankomen en dat zij zich erop moeten voorbereiden.

Als we naar de huidige tijd kijken, zien we de kerken die schijnbaar niet zoveel doen. De grootste onder ons bestaat misschien uit 10.000 mensen, en dat lijkt niet zo heel veel in vergelijking met de 140.000 of zo die we vijftien tot twintig jaar geleden hadden. Maar dat is in orde, omdat God iets voorbereidt voor de eindtijd. En deze kleine dingen zullen op termijn grote dividenden uitkeren, wat dat ook mag zijn.

Misschien is het moeilijkste deel van het gehele hoofdstuk wel te vinden in de volgende twee zinnen [in Zacharia 4:10]: "Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen." "De ogen des HEREN" zijn zo aan de oppervlakte een raadsel.

Laten we teruggaan naar Zacharia 3:9. Dat maakt deel uit van het visioen van Jozua, de hogepriester, en Gods commentaar op Jozua dat daarop volgt. Maar we lezen alleen vers 9.

Zacharia 3:9 voorwaar zie, van de steen die Ik vóór Jozua neerleg — op die ene steen zijn zeven ogen — zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de HERE der heerscharen, en Ik zal op één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen.

Dat ziet er nogal raadselachtig uit, is het niet? wat zijn deze zeven ogen? Het is echt vreemd — zeven ogen op een steen. We kunnen daar op verschillende manieren naar kijken. Maar voor we dat doen, gaan we naar Openbaring 1 — omdat er meer met deze "ogen" samenhangt dan we op het eerste gezicht zien.

Openbaring 1:4 Johannes aan de zeven gemeenten in Asia: genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn,

Hier hebben we dus zeven geesten die voor de troon van God zijn. Laten we verder gaan met vers 16.

Openbaring 1:16a En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; ...

Openbaring 1:20-2:1 20 Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten. 2:1 Schrijf aan de engel der gemeente te Efeze: Dit zegt Hij, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt:

Openbaring 3:1a En schrijf aan de engel der gemeente te Sardes: Dit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods en de zeven sterren heeft: ...

Dat is nogal interessant — zeven Geesten en de zeven sterren.

Openbaring 4:5 En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven Geesten Gods.

De zeven Geesten Gods zijn zeven fakkels (andere vertalingen zeggen lampen).

Openbaring 5:6 En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde.

Openbaring 11:4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan.

Nu worden de twee getuigen kandelaren genoemd.

Openbaring 12:1 En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd;

De reden dat ik ook dit laatste vers las, is omdat ik wilde laten zien dat de twaalf sterren mensen waren — afhankelijk van verdere interpretatie. Ik geloof dat de meest gebruikelijke interpretatie is dat de twaalf sterren de twaalf stammen van Israël zijn, die het nageslacht waren van twaalf mannen. Daar duidt de symboliek hier op, op de twaalf patriarchen.

We hebben dit allemaal wel gelezen en het schijnt dat de zeven Geesten van God de zeven ogen zijn, de zeven kandelaars, de zeven sterren. Ik ben echter niet zo zeker van de twaalf sterren, omdat dat niet specifiek wordt gezegd. Maar als we in Openbaring 1:20 kijken, staat daar dat de zeven sterren de zeven engelen zijn. Engelen worden in de bijbel ook sterren genoemd. In deze uitleg zijn de zeven sterren ook de zeven boodschappers van de zeven gemeenten — die waarschijnlijk, zoals we altijd hebben gedacht, mensen zijn.

En zo lijkt het er wel op dat we in een grote cirkel ronddraaien, als we het hebben over sterren, Geesten, ogen en kandelaars. Hoe komen we hier uit? De reden dat ik naar Openbaring 11:4 ging was, omdat de twee getuigen daar kandelaren worden genoemd. Dat zou je kunnen doen denken dat ze gehele gemeenten zijn. Maar dat zijn ze niet. Ze zijn twee mensen. Zou het kunnen zijn dat sterren en kandelaars in bepaalde zin uitwisselbaar zijn, afhankelijk van de context? In de meeste gevallen vertegenwoordigen de kandelaars gehele gemeenten — groepen van gemeenten. Maar soms stellen zij bepaalde personen voor, die mogelijk die gemeenten vertegenwoordigen.

We weten dat sterren zelf boodschappers zijn, of engelen, of de leiders van deze gemeenten. Het wordt dus echt verwarrend. Daarom zei ik dat het heel moeilijk is om precies te zeggen wat deze "ogen", deze zeven ogen, voorstellen. We moeten daarvoor terug naar Zacharia om naar dat woord te kijken — ogen. Dit is het Hebreeuwse woord 'ayin. "Ogen" in het Hebreeuws betekent heel wat anders dan waar wij in het Nederlands aan denken. Wij beschouwen ogen als het orgaan om informatie te verzamelen. Door de ogen zien wij de wereld en we lezen middels onze ogen.

Maar het Hebreeuws keek er op een andere manier naar. De Hebreeërs legden de eigenschap van het verzamelen van informatie bij het oor. Ze waren waarschijnlijk meer ingesteld op gesproken dingen en die hoor je middels je oren. We horen niet door onze ogen. Wat hen betreft werd het verzamelen van informatie dus door de oren gedaan.

Wat deden de ogen dan? Hier volgt een aanhaling uit The Theological Word Book of the Old Testament, volume 2, pagina 662:

"Het oog wordt gebruikt om kennis, karakter, houding, geneigdheid, opinie, passie en reactie tot uiting te brengen. Het oog is een goede barometer voor de innerlijke gedachten van de mens."

Dus in plaats van het orgaan om informatie te verzamelen is het een orgaan om informatie uit te drukken of te communiceren. Wij denken hiervoor in het bijzonder aan de mond, maar de Hebreeërs — op hun vreemde manier (een manier die wij gewoon niet begrijpen) — denken dat de ogen in staat zijn om deze dingen te communiceren.

Wij begrijpen dit in zekere zin wel. Als één van onze kleine kinderen over iets liegt en we kijken in zijn ogen, dan zien we daarin geschreven dat hij ons niet de waarheid zegt. Dat is één van de manieren waarop we dit op dezelfde manier benaderen. We kunnen liefde in onze ogen tot uitdrukking brengen. We kunnen veel dingen — veel emoties en veel kennis — door de ogen tot uitdrukking brengen. Zo keken de Hebreeërs ernaar. Het was NIET iets dat dingen opnam. Het was iets dat dingen tot uiting bracht.

Nog iets waaraan we moeten denken (iets dat nog wat toevoegt aan dit idee van "tot uitdrukking brengen") is dat dit woord 'ayin ook bron of fontein kan betekenen. Wat doet een fontein? Die brengt water 'tot uitdrukking'; er stroomt water uit. Dat komt naar boven borrelen — op de manier zoals Christus de "stromen van levend water" in Johannes 7:37-39 gebruikte om op de Laatste Grote Dag over de Geest te spreken. Ik geloof dus dat "de ogen des HEREN" Zijn dienaren zijn — uit wier hart of denken de vrucht van de Heilige Geest voor de zeven gemeenten voortvloeit, meestal in de vorm van woorden (spraak of prediking).

En op deze manier bekeken staat er hier in vers 10, dat deze zeven zich erop verheugen het paslood in de hand van Zerubbabel te zien. Wie zijn degenen die zich het meest zouden verheugen om dit type hier te zien, met het paslood in de hand om de kerk te meten? Dat zijn natuurlijk de dienaren die hetzelfde proberen te doen. Zij verheugen zich erin om — in dit type van Christus — te zien dat de kerk wordt gemeten om er zeker van te zijn dat ze oprecht is.

Ik wil hier niet dogmatisch over zijn. Maar zoals ik reeds zei, zijn de ogen waarschijnlijk het meest raadselachtig van alle symbolen hier. Ik behandelde niet Zacharia 3:9 en de uitleg over de ogen als facetten op een juweel. Er bestaat ook hierover het idee dat deze ogen niet op de steen zitten, maar dat zij naar de steen kijken. Dat is interessant, omdat de steen (als u zich Daniël 2:35, 44-45 herinnert) Gods Koninkrijk voorstelt, dat op aarde komt om alle andere koninkrijken te vernietigen. En deze ogen, die naar de steen kijken, zijn gelukkig om dat te zien plaatsvinden, en zij willen zich eraan ten dienste stellen.

Er zijn dus allerlei aspecten aan die ogen. Misschien zijn die ogen ook wel één van de dingen waarvan we pas echt gaan begrijpen wat ze voorstellen, als de dingen gebeuren of gebeurd zijn. Mijn beste interpretatie ervan is dat de zeven ogen de zeven Geesten van God zijn; en dat de zeven Geesten van God de zeven kandelaars zijn; en dat de zeven ogen dan die zeven kandelaars vertegenwoordigen. En zij verheugen zich als ze zien dat de tempel wordt voltooid, omdat ze Zerubbabel aan het werk zien.

Ik denk dat ik hier maar stop. Ik wilde eigenlijk aan de verzen 11 tot 14 toekomen. Daar staat zoveel informatie in die verzen. We moeten echt weten wie deze twee olijfbomen zijn. Ik spreek over twee weken weer, op 13 juli. Hopelijk komen we er dan aan toe. We komen dan ook toe aan enkele volgende verzen in Openbaring 11, zodat we het werk van de twee getuigen kunnen zien. Daarna kost het niet veel tijd meer om de zaak af te ronden, omdat het merendeel daarvan een verslag is van wat hun overkomt als ze eenmaal met de verkondiging beginnen. Sorry dat ik daar vandaag niet aan toe ben gekomen. Over twee weken zal dat wel het geval zijn.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)