De twee getuigen (Deel 2)

Door Richard T. Ritenbaugh
11 mei 2002

Samenvatting: (toon)

Verdergaand met het uitdiepen van Openbaring 10-11 verklaart Richard Ritenbaugh de bitterheid die Ezechiël en Johannes ervoeren door het boekje in zich op te nemen. Gods waarheid kan droefheid, verbazing, boosheid en bitterheid teweegbrengen voor degene die de boodschap overbrengt. Jacobus en Johannes, die een heftige en enigzins vernietigende vurigheid tentoonspreidden, dienen als prototype van de twee getuigen, die een gezuiverde en beheerste vurigheid (Marcus 3:14) ontwikkeld zullen hebben. Een belangrijke taak van de twee getuigen is het meten van de geestelijke tempel, het evalueren van de conditie van de kerk, haar manier van aanbidden te zuiveren en zich ervan te verzekeren dat de mensen rein voor God zullen zijn.


Voor allen van u die mij de laatste keer over mijn preek hebben aangesproken, ik heb heel wat plezierig commentaar gekregen — in het bijzonder over het eerste deel van de preek, die ging over het doel van profetie en dat we ons niet moesten vastpinnen op één bepaald scenario. We moesten veeleer de mogelijkheden kennen. Dat wil zeggen, dat we de profetieën zó goed moeten kennen, dat we wat er gebeurt op het moment dat het gebeurt, of kort daarna, herkennen als vervulling van profetie. Dan kunnen we op één lijn komen met Gods doel en eraan gaan werken om te doen wat God wil dat we doen.

Ik geloof dat profetie voorheen, op bepaalde plaatsen onder bepaalde mensen, een te groot deel van hun studie ging uitmaken — teveel van hun denken, zelfs teveel van hun hoop — zodat ze ongebalanceerd werden in de manier waarop ze het christelijke leven (het totaal aan christelijke ervaringen, hun leven als christen) benaderden. In veel gevallen dreef het mensen tot in het extreme, toen ze bepaalde dingen begonnen te geloven en al hun hoop alleen maar daarop gingen baseren. Toen die dingen niet plaatsvonden, waren ze teleurgesteld. Ze raakten hun geloof kwijt. En uiteindelijk verlieten ze de kerk of ze gingen achter iemand aan die een bepaald idee had en ze verlieten de kerk met hem.

Elk van die wegen leidt tot vernietiging. Welke weg volgt u? Wie volgt u? Dat is de vraag die moet worden gesteld. Loopt u achter profetie aan? Loopt u achter een bepaald iemand aan die denkt dat hij een profeet is? Of gaat u God volgen? Alleen dan geloof ik dat we het doel van profetie echt zullen gaan begrijpen.

De heer Armstrong zei vaak dat dertig procent van de bijbel uit profetie bestaat. Dat is waar. Maar als dat het geval is, dan moet het ook maar dertig procent van ons denken uitmaken. Onze bijbelstudie zou daar niet helemaal aan moeten worden gewijd. Het is zeer zeker interessant. Het is zeer zeker iets dat door God is gebruikt om mensen tot de kerk te roepen. Maar er is zoveel meer verbonden aan het leven van een christen dan alleen maar het kennen van de profetieën en het hebben van mooi uitgewerkte tijdstabellen.

Ik wilde de preek hier opnieuw mee beginnen, om ons het begrip te geven dat wat ik ga zeggen over de twee getuigen — dat is dus over Openbaring 10 en 11 — speculatie is. Zo zie ik het; het is een scenario, dat gebruikmakend van de daar genoemde symbolen en andere delen van de bijbel een mogelijkheid is, dat kan helpen uitleggen wat Openbaring 10 en 11 zeggen — zodat, als het gebeurt, we misschien kunnen herkennen wat er gaande is. Ik zeg niet dat wat ik hier heb uiteengezet de manier zal zijn waarop het zal gaan gebeuren. Ik wil in het geheel niet dat iemand die indruk krijgt.

Ik ben geen profeet. Ik beweer niet dat ik enig profetisch inzicht heb. Ik bestudeer slechts de bijbel en probeer aan u over te dragen wat daarbij in mijn gedachten is opgekomen. Dit is dus mijn speculatie. En ik wil dat u dat begrijpt, omdat ik beslist niet op iets van deze dingen wil worden vastgepind. Het is bekend dat God vaak iets in vervulling heeft doen gaan, zonder dat iemand het zag aankomen. Wat ik vertel is slechts hoe het er vanuit mijn perspectief uitziet, op dit moment, met de kennis die ik heb en het begrip dat God mij gegeven heeft. Dit is dus alweer de uitspraak dat ik geen aanspraak maak op het hebben van enig profetisch inzicht.

De laatste keer dat ik sprak, noemde ik de preek: De twee getuigen, deel 1. Maar ik heb nog nauwelijks over de twee getuigen gesproken. In feite kwam ik zelfs niet toe aan Openbaring 11, waar in de bijbel over de twee getuigen wordt gesproken. De preek ging voornamelijk over het boekje (hier helemaal aan het eind van Openbaring 10) dat zoet als honing naar binnen ging, maar toen het de maag bereikte erg bitter werd. We vergeleken dat met Ezechiël, het laatste deel van hoofdstuk 1 en de hoofdstukken 2 en 3. Hij at een boekrol op. Het is moeilijk om de overeenkomsten tussen de twee verslagen niet te zien. Deze beide mannen, deze profeten, moesten iets eten dat hun door God werd gegeven. Hun werd een opdracht gegeven om uit te voeren.

We zagen dat het eten van het boekje of de boekrol aangenaam was. Het smaakte zoet. Het was, laten we zeggen, erg bevredigend voor de zintuigen. Het maakte zowel Johannes als Ezechiël gelukkig. Het maakte hen tevreden. Het gaf hun voldoening. Toen het echter eenmaal in de maag aankwam, werd het bitter. Er was iets in die boekrol, of in dat boekje, dat zwaar op de maag ligt. Iets dat bij het in de praktijk toepassen niet zoet is.

Dat is ook onze ervaring met Gods weg. We genieten van de studie. We genieten ervan nieuwe dingen te leren. We genieten van de openbaring van God. We genieten ervan dat ons steeds meer dingen duidelijk worden — het vooruitzicht op het Koninkrijk van God, het millennium, de heerschappij en al de dingen die God ons belooft. Maar als ze eenmaal in ons binnenste komen, ontstaat er heel wat intern conflict — heel wat bloed, zweet en tranen — waar we doorheen moeten en wat (wat het ook mag zijn) we moeten overwinnen, voordat we daar aan zullen komen. Er vinden heel wat rampen plaats in iemands leven. Er zijn beproevingen. Er is zonde. Er is iemands menselijke natuur. Satan is er. We kunnen almaar doorgaan met dingen die moeilijk zijn te overwinnen in het leven van een christen; en die dingen zijn bitter.

Voor een profeet (zoals Ezechiël) of een apostel en profeet (zoals Johannes was) was er een bitterheid die zelfs nog acuter was. Ze moesten deze dingen niet alleen in hun eigen leven overwinnen, maar ze moesten deze ook verkondigen aan de mensen om hen zover te krijgen dat ze veranderden. Alleen al van mijn korte ervaring als dienaar weet ik hoe ontwrichtend dat kan zijn — in het bijzonder als je in de verkondiging over iets je uiterste best doet, je voelt het in je gehele wezen, en dan is er iemand die er niets van serieus neemt, of het in het geheel niet toepast, of zich gewoon omdraait en weggaat. Je denkt dan: "Wat heb ik gedaan?" Er is dan een gevoel van bitterheid. Een gevoel dat je je taak niet goed hebt verricht, of dat je niet hebt bereikt wat je had moeten bereiken. Ik kan dus op een beperkte manier begrijpen, waar Ezechiël en Johannes doorheen moesten.

Maar hun gevoelens hadden een veel grotere reikwijdte dan die van mij. Hier zijn we met zo'n 400 mensen. Ik vermoed dat wat ik zeg misschien zo'n duizend mensen bereikt, via het Internet, via de tapes of via de Forerunner. Maar Johannes en Ezechiël hadden een veel groter gehoor. Ezechiël misschien niet, omdat hij tot de ballingen daar sprak. Maar zijn boodschap ging zeer zeker uit naar veel meer mensen dan hij daar in Babylon zag (degenen die daar voor hem stonden). Zijn opdracht was tot geheel Israël, wat letterlijk miljoenen mensen zijn. Maar ja, ik kan die bitterheid op kleine schaal begrijpen.

Maar we zagen, dat toen ze eenmaal het boekje of de boekrol hadden gegeten, ze allebei de opdracht kregen er iets mee te doen. Ze kregen allebei de opdracht te verkondigen, te profeteren. In het geval van Ezechiël was dat tot Israël. Binnen enkele minuten zullen we zien wat Johannes werd gezegd te doen. In het geval van Ezechiël werd hem gezegd dat God hem in staat zou stellen zijn taak uit te voeren. Hij zou hem, als u het zich nog herinnert, net zo koppig maken als de Israëlieten. God bleef hem aldoor zeggen: "Dit is een opstandig huis. Ze zullen NIET naar u luisteren. Ze hebben een heel hard voorhoofd. Ze zijn een hardnekkig volk. Maar," Hij zei ook: "Ezechiël, uw gezicht zal net zo hard zijn als het hunne. U zult even vasthoudend en koppig zijn als zij. En zelfs al luisteren ze niet naar u, u zult hun toch de boodschap overbrengen."

Laten we de draad oppakken in Ezechiël 3, want ik wil een beetje daarvan laten overgaan in het volgende deel van Openbaring 10 en 11. Dit is net nadat God hem had gezegd dat Hij zijn gezicht hard zou maken tegen Israël.

Ezechiël 3:10-14 10 Hij zeide tot mij: Mensenkind, neem al de woorden die Ik tot u spreken zal, in uw hart op en hoor ze aan met uw oren. 11 Ga, begeef u naar de ballingen, uw volksgenoten, spreek tot hen en zeg hun: Zo zegt de Here HERE; of zij horen dan wel het nalaten. 12 Toen hief de Geest mij op, en ik hoorde achter mij het geluid van een geweldig gedruis — geprezen zij de heerlijkheid des HEREN in zijn woonplaats —: 13 het geruis van de vleugels der wezens, die elkander raakten, en het geratel der raderen daarnevens; het geluid van een geweldig gedruis. [Bedenk dat dit de grote draagbare troon van God is.] 14 En de Geest hief mij op en nam mij weg, en ik ging heen, ontdaan door de beroering van mijn geest, met de hand des HEREN zwaar op mij.

Dit zijn in principe de sleutelverzen van dit gehele gedeelte. Praktisch alles wat uitgelegd moet worden van wat er gaande is, gebeurt in deze verzen (tenminste in relatie met de twee getuigen). Ze zeggen ons, dat de boekrol de boodschap is die God Ezechiël gaf uit te spreken. Dat is dus hetzelfde als het woord van God. In vers 10 staat: "Neem al de woorden die Ik tot u spreken zal, in uw hart op." Dat is dus, als we willen, de interpretatie van de boekrol (daar in de laatste paar verzen van hoofdstuk 2). Dit is de betekenis van wat ik u heb gezegd over het zoet zijn, daarna bitter en alles wat te maken heeft met Gods openbaring als die eenmaal aan ons is gegeven en we die in ons beginnen op te nemen. Het is Gods woord. Het is Zijn openbaring. Het is wat Hij heeft gegeven, in dit geval aan Ezechiël, om te begrijpen en vervolgens te verkondigen.

Op een bepaalde manier is "neem in uw hart op" (in vers 10) een soort code voor "bekeer u". Dat is in principe wat er gebeurt als iemand zich bekeert. Het woord van God, de wet, of welk woord u wilt gebruiken, wordt in ons hart geschreven, of in ons hart gelegd. Het gaat deel van ons uitmaken. Als we dus eenmaal bekeerd zijn, dan is ons hart zacht geworden in vergelijking met wat het was toen we nog werelds waren; we kunnen er dan mee beginnen de bedoeling van Gods woord in ons leven toe te passen. Ezechiël krijgt hier de opdracht zich te bekeren. Natuurlijk gaat dit ons gehele leven door. Ons leven is gewoon een doorgaand proces van bekering. God zegt hem die woorden in zich op te nemen en ze voor zijn opdracht te benutten.

Hij moest daarna vanuit deze bron — de bron van zijn hart (waar het hart vol van is loopt de mond van over) — verkondigen. Het woord was in zijn hart geschreven en van daaruit moest hij de kinderen Israëls de dingen verkondigen die zij moesten weten. In principe kwam dit dus neer op: "Zo zegt de HERE God." Wij willen altijd horen: "Zo zegt de HERE God." Dat maakt de dingen zoveel duidelijker. Als puntje bij paaltje komt, is dat in principe de opdracht voor elke dienaar van God — Gods woord uitleggen in de vorm van "Zo zegt de Heer." En dat was precies wat Ezechiël gezegd werd te doen.

Een poosje later (in de verzen 16 tot 21) werd Ezechiël gezegd een wachter te zijn. Het enige wat hij daarvoor moest doen, was de waarschuwing laten horen; als het ware het evangelie verkondigen, de mensen laten weten wat er gaande was en hoe ze daaraan konden ontkomen. Als hij dat deed, was hij natuurlijk vrij van schuld. Dan had hij zijn taak gedaan. Het bloed van deze mensen zou niet op zijn hoofd zijn als zij niet luisterden of niet reageerden.

Let erop dat in vers 12 en ook in vers 14, de Geest hem brengt waar hij de verkondiging moet doen. Ik wil dat u deze activiteit van Gods Geest opmerkt en dat in gedachten houdt. Waarschijnlijk komen we daar vandaag niet meer aan toe. Jammer genoeg wordt dit een langere serie dan ik ooit had gedacht. Maar houdt deze activiteit van de Geest alstublieft in gedachten. De Geest is altijd in de buurt als er dit soort werkzaamheden moet worden uitgevoerd. In dit geval bracht de Geest hem bijna op een fysieke manier naar de plaats waar hij moest zijn. Misschien was het ook wel echt fysiek. Hij had hier een visioen. Maar we zien ook dat de Geest hem oplicht en hem ergens heen brengt en hem dan neerzet op de plaats waar hij verondersteld wordt te verkondigen. De Geest is dus heel actief.

In vers 12 staat ook, dat hij een stem achter zich hoorde — het geluid van een geweldig gedruis. Dit is één van de relaties met Openbaring 10, waar de zeven donderslagen verkondigen. Het woord achter is hier heel interessant. Op dit punt waren de stemmen achter Ezechiël. Of "het geluid van een geweldig gedruis" was al achter hem. En als we hier aan denken in termen van tijd, dan is wat achter ons is reeds gebeurd. Het is iets van het verleden. Als we weer in Openbaring komen, zullen we zien dat dat ook het geval is met de twee getuigen. De donderslagen hebben hun geluid reeds laten horen. Ze liggen in dit geval achter Johannes. Ze hebben reeds geklonken.

En de boodschap [in Openbaring 10 en 11] is in principe wat er hier in Ezechiël 3:12 staat: "Geprezen zij de heerlijkheid des HEREN in zijn woonplaats." Dat is de boodschap van alle kerken — eer brengen aan God, waar ter wereld ze ook zijn. Ze moeten de heerlijkheid van God verkondigen, de wonderlijke weg van God verkondigen; en dit komt als een donderslag voor de wereld, want de wereld weet hier niets van. Wij verkondigen dat nog steeds, op onze eigen beperkte manier, en de andere kerken van God doen dat ook. Dat zijn de donderslagen die zullen klinken totdat de grote verdrukking aanbreekt.

Daarna zagen we (in de laatste preek kwam dat even aan de orde) het idee, dat toen Ezechiël uiteindelijk onder de ballingen aankwam, hij een grote bitterheid voelde. Hij noemde het "de hitte van mijn geest." We gingen daar de laatste keer niet diep op in, maar het is erg belangrijk om dit te begrijpen. Mijn bijbel heeft hierover als kanttekening: "de boosheid van mijn geest."

Deze bitterheid is min of meer interessant. Het staat gelijk aan een mate van vurigheid. Gods openbaring ligt er in feite aan ten grondslag, omdat die naar zijn maag zakte en heel wat waarheid aan hem openbaarde, duidelijk maakte. Het heeft hem een perspectief gegeven dat niemand anders heeft: op de wereld, op de manier waarop de dingen zouden moeten gaan en op de gehele waarheid van God. Het brengt droefheid teweeg, een vorm van rouw, omwille van de manier waarop de mensheid leeft.

Bedenk dat in een ander deel van Ezechiël de engel rondging om te zien wie er zuchtte en weende over de verfoeilijke dingen van de wereld. Dat is droefheid. Dat is een vorm van verdriet over wat er gaande is — en machteloosheid om het te veranderen. Zoveel mensen die de verkeerde kant uitgaan en hun leven op niets laten uitlopen, en niet in staat zijn ook maar iets voor hen te veranderen.

Deze vurigheid gaat ook gepaard met een vorm van verbijstering, zoals we in vers 15 zagen. Hij was zeven dagen lang verbijsterd — een hele week! Alleen maar door te proberen er achter te komen wat er gaande was, was hij met stomheid geslagen. Waarschijnlijk maakte het feit dat hij deze opdracht had gekregen er deel van uit. "Waarom ik, Heer?" Zo'n soort houding. Maar ook het begrip dat hij had gekregen, maakte er deel van uit, gewoon een totale verbijstering over waar God mee bezig was!

We hebben dus Gods waarheid (Zijn openbaring), droefheid, verbijstering, en natuurlijk (het woord hier in vers 14) beroering (mijn bijbel heeft als kanttekening: boosheid). Er is een vorm van boosheid bij betrokken. Iemand als Ezechiël moest wel boos zijn, omdat er niets werd gedaan. Dat is de andere kant van die droefheid: "Kom nou, mensen. Luister! Als je alleen dit maar wilde doen, dan zouden de dingen al voor je veranderen." Dat wordt min of meer weggedrongen door de droefheid dat er niets wordt gedaan. Er is dus een vurigheid om mensen te helpen veranderen, maar een droefheid dat ze dat waarschijnlijk niet willen. Een totaal met stomheid geslagen zijn, dat God dit in feite toch allemaal voor elkaar zal krijgen.

Het is dus nogal een onwerkelijk gevoel en ik kan begrijpen waarom dat met dat ene woord bitterheid wordt aangeduid! Het is moeilijk om er veel geluk en vreugde in te zien. Het is een manier van kijken naar de dingen als: "Man, dat is slecht." Het is bijna pessimistisch. Maar wat dit gevoel wel doet is, dat het de profeet aan het werk zet — omdat hij, naar het schijnt, de enige is die dat kan doen. En dat is ook zo, omdat God hem hiertoe gekozen heeft. Waarschijnlijk had God een ander iemand kunnen uitkiezen, maar deze persoon was voor de taak voorbereid en die bitterheid zet hem ertoe aan de taak uit te voeren.

Het werk van de twee getuigen volgt dit patroon — het geven van het boekje, de dingen die dit teweegbrengt in de profeet, en dan natuurlijk de boodschap die de profeet krijgt om te verkondigen. Hij zal dezelfde boodschap verkondigen die Gods dienaren altijd hebben verkondigd: waarschuwing en berouw. Dit gaat op zijn beurt naar twee gehoren: de wereld en de kerk. (We zullen dat verderop zien.) Gods boodschap is altijd tweeledig geweest: (1) een waarschuwing en (2) een boodschap van berouw, waarin ook (zoals we dat noemen) "het leven als een christen" besloten zit. En diezelfde boodschap gaat naar twee verschillende gehoren: (1) de kerk en (2) de wereld. En het heeft twee verschillende effecten op hen, vanwege wat ze zijn.

Nu terug naar Openbaring 10. Er was één vers dat we nog niet uitgediept hadden: vers 11. In vers 10 at Johannes het boekje. Het was als honing in zijn mond; maar toen het in zijn maag kwam, werd het bitter.

Openbaring 10:11 En er werd tot mij gezegd: Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen.

Ik wil hier opnieuw aangeven, dat er tussen Openbaring 10:11 en Openbaring 11:1 geen hoofdstukovergang behoort te zijn. Dit is één van die plaatsen waar een hoofdstukovergang echt de voortgang van het verslag over wat er gaande is, hindert. Dit is het eerste deel van de opdracht van de twee getuigen, maar Hij spreekt in het bijzonder tot Johannes. Johannes is hier het type van Gods dienaar. Hij vertegenwoordigt dus deze dienaren in de eindtijd — deze twee getuigen.

Denk hier eens over na. Als dit boek inderdaad in de vroege 90-er jaren na Christus werd geschreven, dan begon Johannes aardig in de buurt van de negentig te komen (zo niet ouder). Het is nogal verbazingwekkend dat Christus een man van negentig zegt erop uit te gaan en te verkondigen aan "natiën en volken en talen en koningen". Waarschijnlijk zou hij ter plekke een hartaanval krijgen en neervallen. Ik denk dat Johannes begreep dat dit niet specifiek tot hem was gericht. Hij was slechts de vertegenwoordiger via wie deze ideeën werden gecommuniceerd naar hen die deze dingen werkelijk zouden gaan vervullen — evenals naar ons die dit lezen en bestuderen.

We moeten echter bedenken wie dit is. (Ik bedoel Johannes.) Wie deze vertegenwoordiger is. De vertegenwoordiger is erg belangrijk, omdat Johannes de eigenschappen vertegenwoordigt die in die dienaren in de eindtijd aanwezig zullen zijn. "Het is iemand als u, Johannes, die weer tot vele natiën, volken, talen en koningen moet profeteren." Dit is Johannes, de zoon van Zebedeüs. Weet u nog hoe Jezus hem noemde? Laten we daarvoor Marcus 3 opslaan. Bedenk daarbij wat ik over de bitterheid van Ezechiël 3 heb gezegd.

Marcus 3:13-14 En Hij [Jezus] ging de berg op en riep tot Zich, wie Hij zelf wilde, en zij kwamen tot Hem. 14 En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken,

Dit is de roeping van de twaalf apostelen. Wat zei Jezus [in Openbaring 10] tot Johannes? Hij gaf hem een boodschap die aan natiën en talen en volken en dergelijke verkondigd moest worden. En let erop, hier in vers 14, dat Hij deze twaalf uitkoos om hen erop uit te sturen om te verkondigen. Dat is hetzelfde soort werk.

Marcus 3:15-17 en om macht te hebben (de Statenvertaling voegt toe: de ziekten te genezen en) boze geesten uit te drijven. 16 En Hij stelde de twaalven aan, en aan Simon gaf Hij de bijnaam Petrus, 17 en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broeder van Jakobus, en Hij gaf hun de bijnaam Boanerges, dat is zonen des donders,

Is dat niet interessant? Degene die Hij zei opnieuw te gaan profeteren (tot volken, natiën, talen en koningen) gaf Hij de naam "zoon des donders". Wat was er zojuist in hoofdstuk 10 [van Openbaring] gebeurd? De donderslagen — de zeven donderslagen. Wat moest Johannes gaan verkondigen? Een donderslag! Wat was hij? Hij was een "zoon des donders". Wat betekent dat in relatie met deze andere donderslagen die hadden geklonken?

We zouden de uitdrukking kunnen gebruiken dat "hij een kind was van" deze zeven donderslagen. Of het is misschien beter om te zeggen dat "hij werd voortgebracht door" de zeven donderslagen. Hij is "een directe afstammeling van" de zeven donderslagen. De boodschap die Johannes hier verondersteld wordt te verkondigen is dezelfde als die van de zeven donderslagen (in het bijzonder toegepast op een bepaalde situatie — de grote verdrukking). Dit laat de continuïteit zien tussen de zeven donderslagen en de twee getuigen. Dat wil zeggen, dat zij de zonen des donders zijn.

Het is interessant dat Johannes een broer had met de naam Jakobus, en beiden werden "zonen des donders" genoemd. Jezus duidde hen in het bijzonder aan met "zonen des donders". Het is een heel interessant woord. Als u het woord Boanerges opzoekt, ziet u dat het een Aramees woord is. Het is in feite Ben Regaz. En weet u wat dat betekent? Het betekent zonen der opschudding, zonen van gewelddadige boosheid. Is dat niet interessant? Ezechiël ging in de hitte (boosheid) van zijn geest. En vervolgens roept God in het Nieuwe Testament deze twee apostelen, die Hij "zonen van gewelddadige boosheid" of "zonen der opschudding" noemt. Gaat u dingen zien die elkaar een beetje overlappen? Ik wel!

De bitterheid (boosheid) die Ezechiël had, was nodig voor de verkondiging die moest plaatsvinden. Maar laten we eens kijken. Laten we naar Lucas 9 gaan, omdat deze twee [Jakobus en Johannes] een stel heethoofden waren. Je zou ze niet graag in je groep hebben — tenminste niet "onbekeerd". En Jezus, zelfs al riep Hij hen en wist Hij hoe ze in elkaar zaten, moest hen toch goed in de gaten houden — omdat zolang ze nog niet bekeerd waren, je hen waarschijnlijk niet als je vrienden wilde hebben (tenzij je van allerlei onstuimige gebeurtenissen houdt).

Lucas 9:51-56 En het geschiedde, toen de dagen van zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij zijn aangezicht richtte om naar Jeruzalem te reizen, 52 en Hij zond boden voor Zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp der Samaritanen om alles voor Hem gereed te maken. 53 En zij ontvingen Hem niet, omdat zijn aangezicht gericht was naar Jeruzalem. 54 Toen de discipelen Jakobus en Johannes dit bemerkten, zeiden zij: Here, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel zal nederdalen om hen te verteren? 55 Doch Hij keerde Zich om en bestrafte hen. [De Statenvertaling voegt toe: en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt. Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.] 56 En zij gingen naar een ander dorp.

En ze gingen gewoon verder naar een ander dorp; dat was een betere manier om met de situatie om te gaan. Maar dit was het ruwe materiaal waar Jezus mee moest werken. Deze twee mannen zouden eerder deze mensen onthoofden, of vuur van de hemel over hen afroepen dan hen helpen. Zo van: "Ach, het zijn maar Samaritanen. Laten we doen zoals Elia deed en ze gewoon verbranden. Ze zitten ons dwars. Dat kunnen ze niet maken."

Ze hadden een vurige ijver. Die was misschien goed bedoeld — maar zat vol wraak. Ze zouden niemand een tweede kans geven. "Mensen, als jullie onze Meester niet respecteren, dan is het gebeurd. Jullie gaan er aan!" Ze zouden misschien wel goede Mafia-bazen, of zoiets dergelijks zijn geweest. Dat was het soort werk wat ze wel graag schenen te doen. Het was de eerste gedachte die bij hen opkwam. "Laten we hen doden."

Jezus zei: "Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt, jongens." Zeker, God had hun die geest gegeven. Maar ze konden die op dat moment niet beheersen. Ze hadden behoefte aan die andere Geest om die gewelddadige ijver — die boosheid — die ze hadden, te beheersen en in iets productiefs om te zetten. Jezus zegt hun op een bepaalde manier: "Jongens, het is nu de tijd niet. Ik zal jullie kracht op een ander moment losmaken. Jullie weten niet welke geest achter deze woede van jullie zit. Die moet beter beteugeld worden." Zoals we in het boek Handelingen zien, werd hun "donder" toen ze eenmaal de Heilige Geest hadden, veel beter bestuurd.

Ik wil u erop attent maken (dit is iets anders dat we in gedachten moeten houden), dat ze het hadden over vuur van de hemel doen nederdalen en ze noemden ook de naam van Elia. Dit wordt later belangrijk als we dieper ingaan op de twee getuigen. Hier gebruikten ze de naam van Elia als dekmantel voor wat zij wilden doen, het doden van mensen. Op een bepaalde manier zat Jezus' antwoord vol verwijt, maar er zit ook een aanwijzing in van: "Niet nu."

Hij zei niet: "Doe dit nooit." of "Haal dat nooit in je gedachten." Hij zei: "Jullie weten niet welke geest jullie hiertoe aanzet." Daarna voegt Hij eraan toe dat het hun bedoeling was te vernietigen, MAAR het was Zijn bedoeling te behouden. En als ze dat eenmaal zouden begrijpen, dan zouden ze weten hoe ze deze kracht, deze houding op de juiste manier moesten gebruiken. Ze zouden dat begrip pas na een paar jaar krijgen (in Handelingen 2). Het is dus heel interessant dat hier in het leven van Jezus, in de evangeliën, we een situatie tegenkomen die heel veel lijkt op wat er later in Openbaring 11 aan de orde komt. En de twee "zonen des donders" zitten erin verweven. Wat we hieruit kunnen leren (zoals u waarschijnlijk reeds vermoed), is dat de "zonen des donders" een type worden van de twee getuigen.

De zeven donderslagen zijn, zoals ik reeds zei, de zeven boodschappen van de zeven kerken. Deze twee eindtijdprofeten — de twee getuigen — zijn "kinderen" van die boodschappen (het "product" van die boodschappen). Al de kracht en energie van de inspanning van de kerk in die kritieke tijd in de geschiedenis van de aarde wordt samengebald in en door deze twee mensen. Het is nogal duidelijk dat dit in principe het enige werk is dat in die tijd door God op aarde wordt uitgevoerd. Er zullen kleinere dingen zijn, maar het grootste deel van Gods aandacht zal op die twee zijn gericht en op wat zij doen. Zij zijn de belangrijkste personen die voor God staan tijdens de drieënhalf jaar van de verdrukking.

Dus net als Jakobus en Johannes zullen zij apostelen en profeten zijn met grote vurigheid en grote kracht. Dat moet wel zo zijn om de taak uit te voeren die hun op de schouders is gelegd. We weten niet zo erg veel over Jakobus, omdat hij — al vrij snel — de eerste apostel was die martelaar werd. Ons begrip van wat voor type persoon hij was, is dus vrij vaag. Maar als hij op Johannes leek, wat waarschijnlijk het geval was, dan hebben we een vrij goed idee van hoe hij in elkaar zat — omdat Johannes in de evangeliën, het boek Handelingen en ook in zijn eigen brieven vrij duidelijk wordt beschreven.

Als we naar het boek Handelingen kijken, zien we in de eerste hoofdstukken dat Petrus en Johannes de leiding nemen in wat er wordt gedaan. Petrus is duidelijk degene die het voor het zeggen heeft; maar ze gaan er samen op uit om te genezen, te prediken, en ze worden samen in de gevangenis gezet, en ze spreken dan namens de rest van de kerk. Ze doen enkele wonderlijke, verbazingwekkende wonderen. We zien dat Petrus' schaduw op mensen valt en ze worden genezen, maar wie was er voortdurend pal naast hem? Dat was Johannes. Dus ik denk dat Johannes' voorbeeld ons in voldoende mate een beeld geeft van wat voor soort mensen deze twee getuigen zullen zijn.

Ze zullen mensen zijn met grote vurigheid, grote kracht en grote gerechtigheid. We moeten misschien wel zeggen dat Johannes waarschijnlijk één van de meest rechtvaardige mensen was die ooit heeft geleefd. Dat komt tot uiting in zijn evangelie en in zijn brieven. Maar we weten ook dat Johannes de apostel is van de goddelijke liefde. Tijdens zijn leven leerde hij die vurigheid onder controle te houden en op de juiste wijze toe te passen. Hij was degene die waarschijnlijk meer over liefde sprak dan de andere apostelen. De opvliegendheid van zijn geest werd dus op krachtige wijze in bedwang gehouden en werd aan het eind van zijn leven voor de juiste doeleinden gebruikt. Tegen de tijd dat hij stierf kwam zijn vurigheid dus uit de juiste geest voort; het is dan ook niet verwonderlijk dat God hem zo lang heeft gebruikt — zo'n zeventig jaar in de eerste eeuw.

Hij was een indrukwekkende persoon!

Laten we nu naar Openbaring 11 gaan.

Openbaring 11:1 En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden.

Zoals ik eerder zei, er behoort hier geen hoofdstukovergang te zijn. We moeten dit lezen als onmiddellijk volgend op Openbaring 10:11 — "Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen." Hij zegt dan daarna: "Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden."

Het is een tweeledige opdracht. Ten eerste, ga naar koningen, natiën en talen. Dat is een heel brede en algemene opdracht. De tweede daarna is specifieker — gericht op de tempel, het altaar en degenen die daarin aanbidden. Dit is de tweeledige benadering die we door de gehele Schrift heen zien. Er is (1) een boodschap voor de wereld en dan ook nog (2) een boodschap voor de kerk.

Het tweede deel bestaat uit het opmeten van de tempel, het altaar en degenen die daarin aanbidden. Ik zou dat willen gelijkstellen aan wat wij, in deze tijden, het "voeden van de kudde" noemen. Het andere deel zou ik "het verkondigen van het evangelie" willen noemen. Deze twee aandachtspunten van verkondiging komen nooit los van elkaar voor. De één kan echt niet zonder de ander — omdat ze elkaar altijd gedeeltelijk overlappen. Ze worden gezamenlijk gedaan.

Soms moet de ene vollediger — of met meer nadruk — worden gedaan dan de ander, naarmate God dat aangeeft; maar God wil altijd dat ze — indien mogelijk — gelijktijdig worden gedaan. Er is heel wat dat gedaan moet worden. Er moet een getuigenis worden gegeven. Daarna moeten degenen die God roept (om het werk te doen, om het werk te ondersteunen, om te groeien en te overwinnen om deel te gaan uitmaken van Zijn Koninkrijk) worden gevoed; ze moeten groeien, ze moeten worden geholpen om te overwinnen en naar volmaaktheid te groeien. Dus deze twee dingen moeten worden gedaan. Als we het evangelie tot de wereld gaan verkondigen, zullen we vrij snel mensen hebben die reageren op die boodschap en die verder onderwezen en geleid moeten worden.

Dit gebeurde ook bij de heer Armstrong in de eerste helft van de vorige eeuw. Hij verkondigde het evangelie en richtte kerken op; en die kerken gingen weer op in de wereld omdat er geen dienaren waren om hen verder te onderwijzen. Daarom werd Ambassador College opgericht. Wat ik hier uit leer is, dat je nog zoveel het evangelie kunt verkondigen, maar dat er niets gedaan zal worden met de vrucht van het evangelie, tenzij de kudde ook wordt gevoed. Dat moet hand in hand gaan. Het behoeft niet noodzakelijkerwijs precies elk 50 procent te zijn, maar ze moeten allebei worden gedaan, omdat Gods boodschap dat vereist.

Het zou kunnen zijn (dit is een "misschien", een "mogelijk" of een "wie weet?") dat de twee getuigen deze verdeling in werk vertegenwoordigen tussen het tot de wereld gaan en het voeden van de kudde. Eén van de twee getuigen (waarschijnlijk de leider) zou degene kunnen zijn die de specifieke opdracht heeft om tot de wereld te prediken; terwijl de andere een andere bekwaamheid heeft, namelijk het voeden van de kudde. Maar ze werken samen om de ene taak uit te voeren. Ik weet dit allemaal niet zeker. Daarom zeg ik dat het een mogelijkheid is — dat deze twee de vertegenwoordigers zijn van het werk, de ene doet het deel van het werk tot de wereld, terwijl de andere de kudde voedt. Ik weet het niet precies. Was dit misschien ook zo bij Johannes en Jakobus? Misschien was Johannes beter geschikt om tot de wereld te gaan en was Jakobus beter geschikt om op individuele basis met mensen om te gaan (hen te onderwijzen). Ik weet het niet. Maar het is zeker de moeite waard erover na te denken en dit in het achterhoofd te houden.

Laten we door enkele van de woorden en zinsdelen in dit vers [Openbaring 11:1] gaan. Het eerste woord dat eruit springt is riet. "Mij werd een riet gegeven." Dat betekent gewoon een stok, een stuk [stevig] riet. Suikerriet, papyrus, of wat voor soort riet er gewoonlijk groeit in moerassig water, of langs de oever van een rivier, of een vijver, of een stroom, een meer, of wat dan ook. Tussen twee haakjes, het Engelse woord "cane" komt van het Hebreeuwse woord qanah; en dat betekent gewoon riet. Laten we snel Ezechiël 29 opslaan, waar dat woord voorkomt. Dit is een profetie over Egypte, en God zegt:

Ezechiël 29:6-7 En alle inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de HERE ben, want zij zijn voor het huis Israëls een rietstaf: 7 grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open; leunen zij op u [Bedenk dat Hij het hier heeft over deze rietstaf.], dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelen.

Qanah is hier een staf — rietstaf. In dit geval was het een rietstaf die niet erg sterk was. Deze knakte als ze erop steunden; hij boog reeds in hun hand als ze er in lichte mate op steunden. Hij was niet erg stevig.

Er is nog een woord dat van dit woord qanah is afgeleid en dat is het woord canon (niet kanon, maar canon). Dit soort canon is als de canon van de Schrift, omdat wetten of codes gewoonlijk in een boek worden opgeschreven. Een boek werd gemaakt van riet, papyrus. Door de tijd heen werden de wetten zelf vereenzelvigd met het woord voor boek. Dus het waren niet alleen maar wetten, ze werden de canon. In onze tijd is een canon van geloof, een regel of de autoriteit van wat ons geloof is. De canon van de Schrift wordt dus gevormd door de geautoriseerde boeken die we gebruiken om onze manier van leven op te baseren.

We kunnen dus inzien dat we vanuit dit woord riet een aantal interessante gevolgtrekkingen kunnen opmaken. Het kan een of andere staf zijn, of een riet om iets op te meten; maar het kan ook een wetboek vertegenwoordigen — een canon om dingen aan te toetsen. Laten we Mattheüs 27 opslaan. Hier vinden we in het Nieuwe Testament, in het Grieks, hetzelfde woord. Dit wordt gebruikt als Jezus wordt geslagen en bespot.

Mattheüs 27:27-30 Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mede naar het gerechtsgebouw en riepen de gehele afdeling bij Hem samen. 28 En zij trokken Hem zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; 29 ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in zijn rechterhand. Toen vielen zij voor Hem op de knieën en spotten, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden! 30 En zij spuwden naar Hem en namen het riet en sloegen Hem ermede op het hoofd.

Let erop hoe ze hier het woord riet gebruikten. Het riet was een symbool van autoriteit, zoals een scepter. Het was iets dat een koning zou gebruiken om te laten zien dat hij de autoriteit had om te heersen. Het zou ook aan een rechter gegeven kunnen worden, laten we zeggen iemand die een bepaalde wet van kracht laat worden.

Het volgende woord dat naar voren springt [in Openbaring 11:1] is staf. Dit woord verandert de betekenis van het woord riet. Als we alleen maar een zwak stukje riet hadden om mee te meten, zou dit veel weg hebben van een meetband, die ook niet erg stevig is. Die band buigt en heeft weinig vastigheid in zich. Hij wordt alleen maar gebruikt om te meten. Maar staf voegt er iets aan toe. Het duidt erop dat het riet dat hij kreeg een stuk steviger was dan alleen maar een simpel rietje om te meten.

Staf heeft het idee van een knots of een of andere stok. Iets dat gebruikt werd om mensen te slaan of voort te drijven. Het duidt op een bepaalde mate van kracht en autoriteit. Dit geeft stevigheid aan het riet. Dit middel om te meten is dus GEEN riet dat wuift in de wind. Bedenk dat Jezus iets zei in de trant van: "Kwam u om een riet bewogen door de wind te zien, rokend vlas, of zoiets?" De persoon waar Hij het over had was beslist NIET wat ze verwachtten. Die was van een stevige substantie gemaakt! Die had de kracht van een staf. En Christus Zelf was van soortgelijke substantie gemaakt, misschien nog wel steviger.

Openbaring 2:27a en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf, als aardewerk worden zij verbrijzeld, ...

Openbaring 12:5 En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon.

Openbaring 19:15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen.

Ieder gebruik van het woord staf in het boek Openbaring duidt op kracht. Dus dit "riet, een staf gelijk" werd niet alleen gebruikt om op te meten; het kon daarnaast als een heel zware stok worden gebruikt, een scepter, iets waarmee iemand kon heersen of iets kon afdwingen. Bedenk dat we dit in ons achterhoofd moeten houden voor wat betreft de twee getuigen. Het riet dat hun wordt gegeven is NIET slechts een middel om op te meten. Tegen deze tijd binnen het doel van God heeft Hij Zijn profeten in zekere zin de macht van politieagenten gegeven.

Bedenk dat in algemene zin het tijdperk van de kerk dan tot een einde is gekomen. De zeven donderslagen zijn verklonken en er is een nieuw type profeet opgestaan — zonen des donders, die een mate van boosheid in zich meedragen (ze hebben een scherpe kant). Hun is macht gegeven om te meten en macht om af te dwingen. We zullen dat in de volgende verzen zien. (Dat zal vermoedelijk in de volgende preek zijn, die ik pas na Pinksteren geef.) Maar de macht van deze twee is ontzagwekkend! Die stelt heel wat voor. En wat ik uit deze verzen opmaak is, dat ze niet bang zijn om die te gebruiken — omdat ze door God zijn gevormd om die op de juiste manier te gebruiken. En ze zullen die gebruiken wanneer het nodig is.

Nu gaan we het hebben over het woord meten, omdat "meten" in dit vers voorkomt. Daar zit zeer zeker het idee van "meten" in. Het is hier het beoordelen op basis van de standaard. Dat doen we als we meten. We nemen iets dat een vaste hoeveelheid is — zoals een lengte, of een gewicht, of iets dat bekend is — en we leggen het naast datgene wat we proberen te kwalificeren, of te kwantificeren, of te meten, en we bekijken of het eraan voldoet. Hoe lang is het, hoe breed is het, hoe hoog is het. We bekijken of het aan het patroon voldoet. We bekijken of het voldoet aan het model dat nodig is voor, laten we (in ons geval) zeggen, om geschikt te zijn voor het Koninkrijk van God.

1 Petrus 4:17a Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; ...

We worden gemeten tegen de standaard. En het "huis Gods" is een andere manier van zeggen voor "de tempel van God" en dat zijn de woorden die hier in dit vers [in Openbaring 11] worden gebruikt. Het oordeel begint bij het huis Gods, en de twee getuigen is de verantwoordelijkheid gegeven om de tempel Gods te meten. Dat betekent in principe hetzelfde. Zij voeren NIET het feitelijke oordelen uit. Christus voert het oordelen uit. Maar het is de taak van de twee getuigen om in feite de metingen te doen. Het is hun aardse taak om te laten zien wat de standaard is. Zij laten de mensen dus weten waartegen ze worden afgemeten.

Dit komt in sterke mate overeen met Amos, die in Amos 7:7 het paslood gebruikt. Het paslood is enigzins anders, omdat het gebruikt wordt de loodrechtheid te meten — om te zien of iets wel loodrecht staat. Of om iets "religieuzer" te zijn, om te zien of het oprecht is. Daarvoor gebruiken we dus het paslood. Het gewicht aan de lijn houdt de lijn strak. Als het ophoudt met slingeren, zoals de slinger van een klok, dan laat het zien wat perfect verticaal is. Daarna houden we er iets vlak tegenaan, of we brengen het naar iets toe dat verticaal moet zijn, en dan kunnen we zien of het uit het lood staat of niet.

Dat is het idee dat hier achter zit. Hoe dicht kunnen we de standaard benaderen? Hoe oprecht zijn we? Hoe geschikt zijn we voor het Koninkrijk van God? Dat maakt deel uit van hun taak. Bedenk (ik heb dit al eerder gezegd) dat het werk van de kerk tegen die tijd is gedaan. Dat was iets dat de dienaren van de kerk in alle tijden hebben moeten doen, maar misschien niet in deze mate. Maar dit maakt deel uit van de taak van de twee getuigen. En zij zijn in principe de enigen die er nog zijn om dat te doen — tenminste op enige schaal van betekenis.

Het is echter mogelijk dat dit deel van hun werk in feite begint nog voor de donderslagen zijn weggestorven. Ik kan waarschijnlijk wel zeggen dat daar een grote kans op bestaat. Dat ze reeds met hun werk bezig zijn voordat de verdrukking begint. Dan zal God zeggen: "Mannen, nu is de tijd aangebroken om uw werkelijke taak te gaan uitvoeren." Ze zullen dan hun werk tijdens de verdrukking gaan uitvoeren; dat zal heel intensief zijn.

De volgende woorden waar we naar moeten kijken [in Openbaring 11:1] zijn de tempel Gods. Dat is heel eenvoudig een algemeen symbool voor de kerk. Maar het is heel interessant dat het NIET de tempel in algemene zin is. Christus gebruikt een heel interessant woord. Dat is naon. Dat is NIET de gehele tempel! Dat is het heilige, het heiligdom. Dat is waar de priesters toegang hadden om reukwerk op het reukofferaltaar te offeren, waar zij de toonbroden op de tafel legden, waar de menora stond die voor Gods aangezicht werd aangestoken. Ik kan me niet herinneren of er nog meer in dat heilige stond. Maar Jezus verwijst specifiek naar die plaats om op te meten — de tempel, het heiligdom. Daarmee worden de hoven die daarbuiten zijn, uitgesloten. We krijgen iets daarvan te zien in vers 2, waar staat dat die erbuiten moeten worden gelaten.

Het gaat dus om het binnenste van het heiligdom. Niet het heilige der heiligen, waar Gods troon staat, maar de ruimte net buiten het voorhangsel — waar de priesters mochten komen om hun werk te doen. We zouden dit de ware kerk kunnen noemen, het graan, de uitverkorenen. Dit heeft niets van doen met meelopers, een samenraapsel, het onkruid of wie dan ook toevallig onder de leden van de kerk aanwezig zijn. Het gaat om de echte kern — zij die echt geroepen en bekeerd zijn. Maar het is algemeen. Het is NIET individueel. Het is algemener, zoals in "het lichaam van Christus".

Efeziërs 2:19-22 [Paulus schrijft:] Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. 21 In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here [Dit is de gehele kerk.], 22 in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

Paulus gebruikt hetzelfde woord. Hij noemt het "de tempel heilig in de Here" in plaats van "de tempel Gods", maar het is in principe hetzelfde.

2 Corinthiërs 6:16 [Paulus schrijft aan deze mensen:] Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Hier in Openbaring 11 wordt hem gezegd de kerk in het algemeen (de geroepenen, de uitverkorenen) op te meten — de kerk, het lichaam van Christus. Laten we verder gaan naar het altaar. Commentatoren zeggen dat dit of het brandofferaltaar of het reukofferaltaar zou kunnen zijn. Maar ik zeg: "Het kan maar één ding zijn. Het MOET het reukofferaltaar zijn. Het kan niet het brandofferaltaar zijn." Ik zeg dit omdat we het hier over de tempel hebben. Hem werd gezegd de tempel te meten. Het zou misschien toch het brandofferaltaar kunnen zijn, maar ik vind dat het reukofferaltaar het meest waarschijnlijk is. Dat altaar stond in het heilige.

Het brandofferaltaar stond buiten, in wat "de hof der priesters werd genoemd". Ze brachten de offeranden niet achter de gordijnen, waar niemand het kon zien. Het werd buiten gedaan, in het openbaar. Maar voor het reukofferaltaar moesten de priesters naar binnen om het reukwerk erop te plaatsen en het voor het voorhangsel te verbranden. De rook symboliseerde dan de gebeden der heiligen die opstegen naar God. Dat staat in Openbaring 5:8, waar ronduit wordt gezegd dat het de gebeden der heiligen zijn.

Wat we hier zien (dit is mijn interpretatie) is dat dit altaar handelingen van eredienst vertegenwoordigt, of onze manier van God vereren, of laten we zeggen: onze eredienst in het algemeen — hoe we God eren. Dat was één van de hoofdactiviteiten die er in het heilige plaatsvonden. Eén van de hoofdtaken van de priesters was reukwerk op het altaar leggen en voor God in rook doen opgaan. Dat is ook één van onze hoofdtaken, specifiek toegepast op gebed. Maar in zijn meer algemene betekenis is (zoals we in de recente serie over Het nieuwtestamentische priesterschap hebben gezien) onze eredienst heel belangrijk! Die is heel belangrijk in onze relatie met God. En het heeft zijn algemenere betekenis zowel nu als in de toekomst — in termen van waar we op worden voorbereid en wat we onder elkaar doen.

In zekere zin zegt Jezus deze twee mannen niet alleen de kerk te evalueren, maar ook de eredienst van de kerk en deze eredienst aan te passen als ze niet het juiste niveau heeft. Hij zegt hun zich ervan te verzekeren dat ze voldoet aan de standaard, omdat God geen genoegen zal nemen met een slordige vorm van gewoontegetrouw eren van God.

Bedenk wat één van de hoofdthema's van Maleachi is. Hij zegt: "U dient Mij op onwaardige wijze. U brengt dingen op Mijn altaar die uw landvoogd niet zou accepteren." En waar eindigt dat boek mee? "Gedenkt de wet van Mozes, Mijn knecht." En "Voordat de dag des HEREN komt, zal Elia komen; en als hij niet komt, dan is deze gehele aarde vervloekt." Houdt dat in uw achterhoofd, omdat we ook dat nog zullen behandelen. Maleachi is een boodschap voor de eindtijdkerk, precies over dit onderwerp — het meten van het altaar, het meten van de priesters en het meten van de kerk. Maar Maleachi heeft het specifiek over de priesters en de eredienst, meer dan over de kerk in het algemeen. Het is een heel interessante manier om ernaar te kijken.

Dit deel van de boodschap bevat onderwijs aangaande wat juiste eredienst van God inhoudt. De boodschapper moet dus evalueren hoe de kerk haar taak om God te vereren uitvoert. Dat is heel interessant. Nu volgt een punt dat ik onder uw aandacht wil brengen. Lucas 1 gaat over één van die andere dingen die we ook in ons achterhoofd moeten houden. Ons achterhoofd raakt aardig vol, maar door heel dit Boek heen staan kleine aanwijzingen over deze bepaalde tijd. Het is een heel belangrijke tijd voor God. Hij liet ons dus niet zonder punten waar we over na kunnen denken. Dit gaat over Zacharias en Elisabet — in het bijzonder Zacharias; hun wordt gezegd dat ze een zoon zullen hebben.

Lucas 1:5-13 Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester [Let daarop.], genaamd Zacharias [Let erop dat dit zijn naam is.], behorende tot de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron [Let ook hierop.] en haar naam was Elisabet. 6 Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk. 7 En zij waren kinderloos, omdat Elisabet onvruchtbaar was, en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen. 8 En het geschiedde, toen hij de priesterdienst voor God verrichtte in de beurt zijner afdeling, 9 dat hij door het lot werd aangewezen, volgens de regel van de priesterdienst, om de tempel des Heren binnen te gaan en het reukoffer te brengen. 10 En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer. 11 En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar. [Krijgen we hier wat aanwijzingen?] 12 En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. 13 Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven.

Lucas 1:15-17 Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden [Bedenk dat ik u zei het werk van de Heilige Geest in gedachten te houden.], reeds van de schoot zijner moeder aan, 16 en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God. [Denk aan de woorden van Maleachi 4:6.] 17 En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden.

Lucas 1:76-79 [Dit is de profetie van Zacharias, toen zijn tong eenmaal weer functioneerde.] En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, 77 om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang [Dit moet eigenlijk "de Spruit" zijn.] uit de hoogte naar ons zal omzien, 79 om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.

Het is heel interessant dat deze man, met de naam Johannes, in de geest en de kracht van Elia kwam. Zijn werk bestond eruit een volk voor te bereiden op de komst van Jezus Christus. En dit werd — naast andere dingen — naast het reukofferaltaar aangekondigd, door een engel, aan een priester. Hier kunnen heel wat dingen uit worden geleerd; maar ze hebben allemaal van doen met de boodschap van de twee getuigen, en hier zijn dat specifiek het altaar en het voorbereiden van het volk op het op juiste wijze vereren van God.

Ik dacht dat dat interessant was en bracht het daarom in — slechts als toegevoegde waarde om zo te zeggen, en om wat het zou kunnen betekenen — omdat deze persoon aan het eind (één van de twee getuigen) in dezelfde geest zal komen. Tenminste één van hen, zo niet beiden, zullen komen in de geest van Elia en dat zal hun taak zijn. Bereid een volk voor, verkondig berouw en bekering, zorg ervoor dat de mensen weer op de juiste wijze God gaan vereren, en wees gereed voor de dingen die Christus zal gaan doen als Hij wederkomt — Hij zal dan vrede brengen, eerst aan Israël en daarna aan de rest van de wereld.

Voordat we ermee ophouden, wil ik dit vers 1 [van Openbaring 11] afronden. Hij zegt: "meet ook hen die daarin aanbidden." Dit lijkt bijna de symboliek van de tempel te herhalen (duidend op de kerk), maar dat is toch niet zo. Dit richt zich specifiek op de individuele christen. Dit is niet gewoon de gehele kerk die verondersteld wordt te worden gemeten. Dit slaat op de individuele christen — de individuele aanbidder — die moet worden gemeten. We kunnen niet op de rug van een ander mee naar binnen glippen. Iedereen moet dus door deze verkondiging, door deze boodschap worden gemeten. Ik weet dat er mensen zijn die niet houden van dit woord, maar elk van ons moet dan individueel voor zijn plaats kwalificeren.

De tempel symboliseert dus het gehele lichaam van Christus. De aanbidders zijn de individuele christenen. Bedenk dat onder het Oude Verbond alleen de priesters het heiligdom konden binnengaan — niet de doorsnee Israëliet. God zegt hier dus, dat Hij niet alleen bezorgd is over de kerk als geheel, maar ook over het individu. Wij kunnen nu niet alleen "het heilige" binnengaan, maar ook "het heilige der heiligen". Maar we kunnen er beter voor zorgen — net als de mensen in het Oude Testament — dat wij, die toegang hebben, op de juiste manier gereinigd zijn om dat te doen. Zij moesten dus in zekere zin gemeten worden, aleer ze daar mochten komen om hun eredienst, hun taak uit te voeren.

We kunnen dus niet zomaar de gehele kerk reinigen. We kunnen niet zomaar de eredienst reinigen. We moeten ook de individuele persoon reinigen. We moeten zeker stellen dat alles volmaakt zuiver is voor God. God heeft dus Zijn algehele doel en Hij heeft Zijn individuele doel. Beide zullen op de juiste manier gemeten worden en op de juiste manier worden toegepast om ze op de juiste manier te laten functioneren.

Samenvattend: Dit deel van hun werk dient er toe om de toestand te evalueren van (1) de gehele kerk, (2) de individuele christen en (3) hoe de kerk en de individuele christen hun verantwoordelijkheden vervullen in het op de juiste manier vereren van God. De twee getuigen hebben ook de kracht van de staf tot hun beschikking om waar nodig correcties aan te brengen — niet alleen te meten. Hun werk dient er in zekere zin ook toe om af te dwingen. Dit is — volgens een aanwijzing die we in Lucas 1 zagen — een werk van zuivering tot heiligheid ter voorbereiding op het Koninkrijk van God.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)