Gebed (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
12 juni 1993

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh benadrukt dat het mogelijk is dat vurig, oprecht, menselijk, religieus geloof niet goddelijk is, maar dat het ironisch genoeg vanwege zijn vurigheid ons geloof vaak beschaamd maakt. Ons geloof moet een dynamische persoonlijke kwaliteit als doel hebben met regelmatige omgang met God in gebed, meditatie en bijbelstudie. Kwaliteitsomgang met onze medebroeders biedt vaak de gelegenheid tot aansporing en functioneert als bescherming tegen verlies van geloof. Als we omgang hebben binnen een kleine, intieme groep nemen de kansen op zo'n productieve aansporing (Hebreeën 10:23-25) drastisch toe, waardoor ons geloof wordt versterkt. Levend geloof heeft zijn wortels in het door regelmatig gebed vurig, ijverig en met intens verlangen (zoals een vurig minnaar) zoeken van God en Zijn gerechtigheid.


U herinnert zich nog wel, dat de preek van vorige week zowel over gebed als over geloof ging. Het ging me in die preek meer om de relatie van geloof met gebed dan om iets anders. We moeten allemaal begrijpen, dat dit "geloof" waar we het over hebben, niet een abstract geloof is in het woord van God. Het is niet een eenvoudigweg instemmen met het begrijpen van het woord van God. Het is niet een passieve aanvaarding van feiten over God.

Over de gehele wereld zijn er mensen met zo'n geloof — mensen die totaal geen weet hebben van het christendom. Zeker, ze denken over God, eigenlijk moet ik zeggen een god, omdat dat is waarin ze geloven. Ze hebben dus een geloof. Maar waar ik het hier over heb, is een echt geloof, waar we dieper op zullen ingaan. Deze mensen hebben helemaal geen relatie met het christendom, maar ze hebben een religieus geloof, een geestelijk geloof, en in veel gevallen is het heel vurig. Toch is er geen kennis of erkenning van de ware God.

Aan het begin van deze preek wil ik enige verzen doornemen vanuit 1 Corinthiërs 8. Daar gaan we beginnen. Ik wil u het soort geloof laten zien dat deze mensen hebben. Zelfs al is het heel sterk en zelfs al zijn die mensen heel vurig en enthousiast in het vereren van deze god (het is een geestelijk geloof) — het is geen echt geloof, het is geen waar geloof. Het is niet het geloof dat wij hebben — dat wij willen hebben — in de grote God.

In 1 Corinthiërs 8, vers 1, schrijft Paulus:

1 Corinthiërs 8:1 Wat het offervlees aangaat [Statenvertaling: Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn], wij weten, dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.

We kunnen zien dat het onderwerp hier afgodendienst betreft. Dit soort geloof, waarover ik hier begon te spreken — een religieus geloof — is een geestelijk geloof. Het kan een heel vurig geloof zijn. Maar het kan ook een afgod zijn. Laten we verder lezen in vers 4.

1 Corinthiërs 8:4-7 Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat en dat er geen God is dan Eén. 5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte) 6 voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem. 7 Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen, in hun geweten nog niet los van de afgod, eten (dit vlees) als afgodenoffer en hun geweten, dat zwak is, wordt erdoor besmet.

In feite heeft Paulus het hier over twee verschillende groepen mensen. De groep waarover ik het heb, is echter de groep mensen die oprecht, getrouw en met een echte ijver vereert. Zij hebben geloof in hun god. Er is een geestelijk geloof aanwezig, maar het is niet in de ware God. Kunnen we dan zeggen dat het een waar geloof is? Ik geloof van niet. In hoofdstuk 10 (we slaan de tussenliggende verzen over), de verzen 19 tot 21, komt Paulus tot een conclusie. Hij zegt:

1 Corinthiërs 10:19-21 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? 20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten [Het is een religieus geloof. Het is een geestelijk geloof — omdat hun geloof in een demon is, een geestelijk wezen. "Zij offeren aan demonen ..."] en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten. [Dat is nogal duidelijk.] 21 Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten.

Waar we hier naar kijken is een geloof dat mensen soms motiveert tot een heel vurige onderwerping aan hun god. Maar het is een geloof waartoe ieder mens in staat is, zoals we kunnen zien, omdat duidelijk de ware God niet betrokken is bij dit geloof dat zij hebben. Als de ware God erbij betrokken was, zouden deze mensen geen boze geesten vereren. Maar zij vereren boze geesten. Ze doen dit in onwetendheid. Desondanks geloven ze heel oprecht en vroom. In sommige gevallen zijn ze bereid tot grote offers om zich te onderwerpen aan wat zij geloven de eisen van hun god te zijn. Maar dit is een menselijk geloof, waartoe de menselijke geest los van de openbaring van God in staat is.

We moeten hierover gaan nadenken, over waartoe deze mensen menselijk in staat zijn in relatie met hun god — de offers die zij brengen in relatie met die god. En is ons geloof in de verste verte even ijverig en vurig als het valse geloof (menselijk geloof) dat deze mensen hun god kunnen bieden?

Ik weet dat u de verhalen uit de oudheid kent, toen mensen in alle oprechtheid hun levende kinderen aan een afgod offerden. Het kind werd verbrand. Een verachtelijk iets in Gods ogen, een verfoeilijk iets voor u en mij; en toch deden deze mensen het in alle oprechtheid; ze geloofden dat ze het juiste deden.

Misschien hebt u via het nieuws op de televisie gehoord dat sommige mensen, zowel mannen als vrouwen, zich in het voorjaar, zo rond Pasen, aan kruisen lieten nagelen. U en ik weten dat dat niet iets is waar de ware God Zijn mensen in relatie met Hem wil laten doorheen gaan. Maar deze mensen deden dit in geloof, met een grote mate van vurigheid en ijver.

Het geloof waarover ik het heb, is een werking van God. "We hebben wat we hebben", volgens 1 Corinthiërs 2 en andere schriftgedeelten, "alleen maar omdat God ons verstand heeft verlicht." Hij heeft deze dingen door Zijn Geest geopenbaard. En we weten echt wel dat de dingen waarin wij geloven heel anders zijn dan wat deze heidenen geloven. Ik stel weer de vraag: Is ons geloof even vurig als het geloof van hen? Hun geloof is in iets dat leugenachtig is, iets dat buiten de ware God om tot stand kan komen.

God heeft door Zijn Geest bij ons een "energie" (zoals ik dat noemde) ingeplant — een kracht die ons in staat stelt in geloof op Zijn woord te reageren. Echt geloof stelt ons in staat te "zien" (Dit is het woord dat ik in het verleden heb gebruikt.) — om God te zien als Schepper, Vader, Instandhouder, Zoon, Verlosser, Hogepriester, oudste Broer. En dit dan niet alleen maar op een academische manier, maar werkelijk in de praktijk — op zo'n manier dat ze deel uitmaken van ons leven, een manier dat ze werkelijker zijn dan de wereld om ons heen. Dit is niet iets dat we krijgen door het alleen maar aannemen van een feit. Het is iets waarin we hebben moeten groeien. We moeten hierin nog heel wat meer groeien.

Dit geloof reageert op het woord van God door het met ons gehele hart — als waarheid — te aanvaarden. Het is interessant. Ik geloof dat het in Genesis 17 is, ergens in vers 1 of 8. (Dat zijn de verzen die zo gauw bij me opkomen. Ze staan niet in mijn notities. Het kwam zomaar opeens bij me op.) God zei tot Abraham (de vader der gelovigen): "Wandel voor Mijn aangezicht en wees ONBERISPELIJK [een alternative vertaling is: doe dit met uw gehele hart]." Met uw gehele hart. Het geloof dat God ons geeft, is zo krachtig dat het ons in staat stelt met ons gehele hart voor Zijn aangezicht te wandelen en daarbij met ons gehele wezen ons vurig aan Hem te onderwerpen.

Dit geloof onderhoudt Gods woord met dezelfde ijver en met dezelfde zorg en dezelfde vurigheid als waarmee iemand in een woestijn op zoek is naar water. In feite is dit geloof volledig gebaseerd op de geloofwaardigheid van Gods woord. We kunnen Hem niet zien. Ik denk dat in de meeste gevallen van geloof, waarover we het aan het begin van de preek hadden — waarbij mensen zo'n ijver hadden dat ze zelfs een levend kind in het vuur zouden werpen als offerande aan een god — er iets was dat ze konden zien. Maar wij moeten geloof hebben in een God die we niet kunnen zien, maar wiens woord we kunnen zien. We aanvaarden dat met ons gehele hart als waarheid.

Als we dit geloof hebben, zal dit andere dingen voortbrengen. Eén van die andere dingen, of elementen, of toevoegselen, die zal worden voortgebracht is gebed. Ik geloof, dat we zelfs zover kunnen gaan, dat we kunnen zeggen dat gebed buiten het geloof om niet bestaat. Gebed is heel belangrijk voor onze relatie met deze God. God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus zijn het doel van dit geloof.

U herinnert zich nog wel dat Petrus op het water liep (op het meer van Galilea); hij liep naar Christus toe. Dit voorbeeld maakt het heel duidelijk. Zolang als hij zijn denken op het doel van zijn geloof — Jezus Christus, de Zoon van God — gericht hield, zolang liep Petrus echt op het water! Maar toen hij werd afgeleid, naar het water en de golven begon te kijken, en het bulderen van de wind begon te horen, toen begon hij onmiddellijk te zinken — omdat zijn denken gericht werd op al hetgeen er rondom hem heen was en gebeurde — en zijn geloof begon kleiner te worden. Hij zei tegen zichzelf: "Ik ben kwetsbaar. Ik ga zinken." En dat gebeurde toen ook.

Dit voorval bevat een belangrijke les. Ons geloof moet een doel hebben, een persoon, een machtige persoon — een levende, machtige persoon. Laten we nu Hebreeën 3 opslaan, de verzen 12 tot 14.

Hebreeën 3:12-14 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, 13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; 14 want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.

We moeten allemaal op onze hoede zijn voor ongeloof — alsof het een vijand is, die we moeten aanpakken, waarmee we worstelen, tegen wie we vechten en overwinnen. Vorige week zei ik in de preek, dat dit geen hart is waarin ongeloof alleen maar aanwezig is — want dat is bij iedereen het geval. Op sommige gebieden zal er twijfel ons denken binnenkruipen. God verwacht dat ook. Hij weet dat dat zal gebeuren. Daar heeft Paulus het hier niet over. Hij heeft het veeleer over een hart dat volledig door ongeloof wordt beheerst. Zo'n hart zal iemand omlaaghalen (net zoals bij Petrus die in het water van het meer van Galilea omlaag werd getrokken).

Het gevaar van ongeloof is, dat het het vertrouwen kapot maakt waarop onze relatie met God is gebaseerd. Paulus zegt hier: "een boos, ongelovig hart door af te vallen van de levende God." "Afvallen" betekent "een loskomen van, gepaard gaande met een verwijdering". En "ongeloof" leidt tot loskomen en verwijdering — is tegengesteld aan naderbij komen. Bedenk nogmaals dat ik in de preek van vorige week zei, dat dit het hoofdthema is van de brief aan de Hebreeën — dat we nader tot God moeten komen. We moeten ons daartoe inspannen — om nader tot Hem te komen.

In feite laat de brief aan de Hebreeën heel duidelijk zien dat Jezus Christus als Hogepriester naar de hemel is gegaan, met juist als doel ons in staat te stellen nader tot God te komen. Hij is daar dus om ons te helpen dichter bij God te komen. Maar ongeloof (zoals we hier zien) of gebrek aan geloof (als ik het op die manier mag zeggen) is er de oorzaak van dat we afvallen van — ons verwijderen van — de levende God.

Onthoudt dit. Het is essentieel voor ons. Ik denk dat als ons geloof zal gaan groeien ... We moeten begrijpen dat als Paulus het heeft over afvallen, dat hij het dan heeft over het afvallen van een Persoon. Niet slechts het afvallen van, laten we zeggen "een woord, of een verzameling doctrines, of een doctrine", maar we verwijderen ons van — vallen af van — een levende, dynamische Persoon. Dit nu zal heel veel van doen krijgen met het onderwerp van deze preek.

De allergrootste ramp in het leven, het toppunt van een nederlaag, is het afvallen van deze Persoon. Waarom? Omdat het Gods doel volkomen verijdelt. Hij wil dat we Hem zo nabij komen dat we precies op Hem gaan gelijken! En de manier waarop we op Hem gaan gelijken, is ons met Hem te associëren — in Zijn buurt te zijn. Ik wil straks een vers aanhalen, dat dit naar mijn mening heel duidelijk illustreert.

Dit geloof moet worden ontwikkeld. Het groeit, zoals we zullen ontdekken, door het lezen en horen van het woord van God — het mediteren over Gods woord. Het groeit in een atmosfeer van beproeving, omdat het in het gebruik wordt toegepast. Er is een Engels gezegde: "The proof of the pudding is in the eating." [Nederlands equivalent: In de praktijk zal blijken of het goed is.] Dus als we resultaten zien door het gebruik van het geloof dat God ons geeft, dan geeft dat ons nieuwe kracht en heeft dat ook de neiging ons sterker te maken. Het groeit ook in een atmosfeer van vermaning. Daar gaat het in deze drie verzen over — de verzen 12 tot 14. Want hij zegt daar:

Hebreeën 3:12-13 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, 13 MAAR [Hier komt de voorzorgsmaatregel.] vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde.

Hebt u ooit gedacht dat vermaning een voorzorgsmaatregel tegen afvallen was? Hebt u ooit aan vermaning gedacht als iets dat uw geloof zou versterken? Ja, dat doet het — zelfs heel erg. Eén van de grotere beproevingen, die wij binnen de Church of the Great God het hoofd hebben te bieden, is dat we zo verstrooid zijn. En broederlijke omgang is niet zo gemakkelijk als het vroeger was. Dat is dus iets — zo voel ik dat — dat God over ons heeft gebracht om ons te beproeven.

Ik geloof, dat één van de eerste dingen die Hij wil vaststellen is, dat ons kind-blijven van Hem in de eerste plaats afhangt van de relatie die we met Hem hebben — de omgang die we met Hem hebben — en dan ten tweede, de omgang die we met elkaar hebben. We kunnen dat heden ten dage veel gemakkelijker doen dan die mensen aan wie de brief aan de Hebreeën was geschreven, dat konden. Wij kunnen via de telefoon alle kanten uit communiceren. We kunnen middels brieven communiceren. En we hebben allemaal wel een beetje omgang met elkaar — sommigen van ons wat meer dan de anderen.

Maar ik hoop, dat we de omgang die we met elkaar hebben, op prijs stellen. Ik hoop, dat we ons voordeel doen met de omgang die we hebben. En Paulus zegt hier (Dit is een brief van God!), dat als we omgang met elkaar hebben, dat we er goed aan doen elkaar te VERMANEN, omdat we daarmee elkaars geloof versterken. Het stelt ons in staat door te gaan. We doen er dus goed aan ons voordeel te doen met wat we hebben.

Vermaning is dus een voorzorgsmaatregel tegen afval. Dit is één van de hoofdredenen waarom broederlijke omgang nodig is. Zonder deze omgang kunnen we misschien op ons zelf stand houden en niet noemenswaardig achteruit gaan, maar ik ben er vrijwel zeker van dat de meeste mensen die worden afgesneden, zelden groeien, omdat ze niet de gelegenheid benutten om hun omgang met God te versterken.

Er is een zeer duidelijk verband tussen de kwaliteit van geloof en de kwaliteit van broederlijke omgang. Omgang en het elkaar vermanen is geen absolute medicijn, maar het is een voorzorgsmaatregel. Maar de omgang moet van de juiste soort zijn. Daarom waarschuwt God ons in 1 Corinthiërs 15:33 dat "slechte omgang goede zeden bederft", of zoals de Statenvertaling zegt: "kwade samensprekingen verderven goede zeden."

Volgt hier niet uit, dat als we omgang hebben met het beste Gezelschap in het gehele universum, dat dat een geweldig pluspunt is? U doet er goed aan dat te geloven. En die omgang is de omgang met de Vader en de Zoon. Die omgang vindt plaats in gebed. (Ik wil het woord veranderen in "broederlijke omgang".) Die broederlijke omgang — die communicatie met God — vindt plaats in gebed; die vindt plaats in het bestuderen van Zijn woord. Als we broederlijke omgang met Hem hebben, praten we met Hem en Hij praat met ons.

Dat is nu Iemand waarvoor we ons best moeten doen om omgang mee te hebben. En bedenk, we hebben dan omgang met een Persoon. We hebben het niet over woorden uit een boek. We hebben het over heel echte Personen. We moeten op die manier naar Hen gaan kijken als we willen dat onze omgang met Hen wordt versterkt. Op die manier zullen onze gebeden een extra kwaliteit krijgen, die we volgens mij allemaal nodig hebben.

Hier in Hebreeën 3 en 4 heeft Paulus het feitelijk over een algemene volgorde in het afvallen. Het is zo'n beetje als volgt: Eerst is er zonde. Dat is iets wat iedereen van tijd tot tijd doet. Maar als we de zonde laten doorgaan, komt de tweede stap in beeld. Dat is een misleide geest — waarin we onszelf om diverse redenen rechtvaardigen en daarmee de zonde acceptabel maken. Onze rechtvaardiging zou kunnen zijn: "Ja, ik ben nu eenmaal zwak." Of de rechtvaardiging zou kunnen zijn: "God is toch genadig en Hij zal me gewoon op deze manier moeten aanvaarden." Ziet u, ons denken komt bij de tweede stap aan, waar de zonde aanvaardbaar is en we meer en meer bereid zijn ermee te leven.

Ten derde, op subtiele wijze geraken we langzamerhand verhard ten opzichte van die zonde. En de apathie (zal ik Laodiceanisme zeggen?) en het ongeloof in Gods heiligheid en doel neemt toe. De derde stap is dus, dat we langzamerhand verharden ten opzichte van zonde en er apathisch voor worden en het ongeloof betreffende Gods heiligheid en doel neemt toe. En dan ten vierde: uiteindelijk vindt de afval plaats. Dat betekent verwijdering, afscheiding van, een volledig afval veroorzaken.

Wat Paulus hier zegt, is dat met de juiste vorm van broederlijke omgang — die veel vermaning bevat — die cyclus kan worden doorbroken. Vermaning door liefhebbende broeders kan iemand bemoedigen om die cyclus te doorbreken. Dat werkt het best in kleine groepen mensen, waar ieder lid de ander goed genoeg kent en men elkaar genoeg vertrouwt om moeilijkheden en beproevingen te delen.

Het schijnt bijna wel axiomatisch dat als een groep in aantallen groeit, de omgang oppervlakkiger wordt, afstandelijk beleefd en niet diepgaand. Ik geloof dat bijna iedereen dat met me eens is. Als men deel heeft uitgemaakt van een kleine gemeente, dan zal men het ermee eens zijn dat zo'n gemeente in het algemeen erg warm, liefdevol en vriendelijk is. De mensen helpen elkaar. Ze kennen elkaars moelijkheden en problemen. Ze delen erin door erover te bidden. Ze praten over elkaars hoop en dromen. Als die gemeente echter groter en groter begint te worden, verdwijnt dat langzamerhand totdat we niets meer zijn dan een gezicht in de massa.

Ik heb de resultaten gezien van een studie, gedaan onder kinderen op de middelbare school. Het team van psychologen of sociologen, of wat het dan ook maar waren, evalueerde kinderen die een middelbare school bezochten in een kleine plaats in vergelijking met kinderen die een middelbare school bezochten in een grote stad. Op de middelbare school in die kleine plaats zaten zo'n honderd tot honderdvijftig leerlingen op de gehele school, misschien waren het er twee- of driehonderd. Op die andere school zaten er wel meer dan tweeduizend.

Eén van de tests die ze deze kinderen gaven, was de namen te noemen van alle medeleerlingen die ze kenden. Wist u dat de kinderen op die kleine school bijna ieder kind op die school bij naam kenden? De kinderen die naar die grote school gingen, hadden al moeite om twintig tot dertig namen te noemen. Wat was de conclusie? De conclusie was, dat op een kleine school iedereen zijn best deed om iedereen te kennen. Op de grote school raakten de kinderen zo onder de indruk van de omvang, dat ze een kleine groep medeleerlingen uitzochten — een groepje waarbinnen ze zich op hun gemak voelden — en daar bleven ze bij hangen en leerden bijna niemand anders kennen. Heel interessant.

Ik geloof dat het in de kerk op dezelfde manier werkt. Als een groep klein is, dan wordt er meer geprobeerd elkaar te helpen en op de juiste manier met elkaar om te gaan. Als die gemeente groeit, dan raken we geïntimideerd. En langzaam maar zeker scheiden we ons af — onopzettelijk — gewoon omdat we dan bij de mensen blijven hangen waarbij we ons op ons gemak voelen, en onze kennis van de anderen in de gemeente wordt feitelijk steeds minder.

Aan deze vorm van omgang, waar ik het over heb, moet worden gewerkt. Er moet niet alleen aan worden gewerkt door mensen uit te zoeken, maar er moet ook aan worden gewerkt met de bereidheid open en zonder belemmering te praten. Ik bedoel niet over ieder detail van zonde of zo iets. Daar heb ik het niet over. Maar bereid zijn open en zonder belemmering te praten over uw hoop, dromen, problemen en moeilijkheden, in algemene zin, zodat die kunnen worden gedeeld. Op die manier kunt u worden vermaand. Zo af en toe komt u dan iemand tegen die door hetzelfde is gegaan en heel wat advies kan geven.

Hoop, geloof en liefde nemen toe in een atmosfeer van bemoediging, van bedachtzaamheid, waar genoeg vertrouwen is in elkaar dat we bereid zijn ons zelf wat open te stellen. Let er eens op wat hier in Hebreeën 10, de verzen 23 tot 25 staat. Paulus zegt:

Hebreeën 10:23-25 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. 25 Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

Dit "aan te vuren tot liefde" betekent "opwekken" — "op te wekken tot liefde". We hebben de verplichting dit te doen. Zowel vanwege liefde als geloof ... We hebben het nu in twee verschillende contexten gezien. In Hebreeën 3 is het onderwerp geloof. In Hebreeën 10 is het onderwerp liefde. In beide gevallen kan vermaning binnen een gemeenschap aanvuren om één van hen of beide te versterken.

Hij zegt dat we "de belijdenis van onze hoop moeten vasthouden." Weet u wat belijden betekent? Het betekent: "bekendmaken, openbaren" — onze hoop bekendmaken. Ongetwijfeld bedoelt hij daarmee de grote hoop die we hebben — op de opstanding uit de doden. Maar ik geloof niet dat het alleen maar tot die hoop beperkt is. Het omvat ook de verschillende soorten andere hoop die we hebben, zoals het kwijtraken van de lasten die we met ons meeslepen.

We moeten de mensen vermanen te volharden in deze hoop. "Houd vol!" "Houd stand!" "Misschien moet je dat eens proberen." "Heb je daarover al gebeden?" "Heb je advies ingewonnen bij die persoon?" "Denk je dat het zal helpen als ik dit of dat voor je doe?" "Ik heb een soortgelijk probleem gehad." Ziet u, u gaat dan hulpmiddelen en ervaringen tezamen brengen. En God zegt, dat er wijsheid besloten ligt in een veelheid van raadgevers. Dat moet mensen wel opbouwen. En de gemeenschap wordt sterker — als we elkaars hoop en dromen delen.

Paulus zegt in 1 Corinthiërs 13:1:

1 Corinthiërs 13:1 Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal.

De reden dat ik dit vers aanhaal, is dat het zo vaak voorkomt dat als we samenkomen, iemand zijn stokpaardje wil berijden. Het kan een doctrine zijn — een doctrine die hij graag veranderd zou zien — een doctrine waarover — volgens hem — de heer Armstrong het bij het verkeerde eind had. Dat wordt dan het onderwerp. Maar ik wil u eraan herinneren, dat dat niet echt is waar het christen-zijn om draait. Het kernpunt van het christen-zijn is worden als de Vader. Het kernpunt van het christen-zijn (dat noemde de apostel Paulus zonet) is heel praktisch. Het kernpunt van het christen-zijn, de hele reden om christen te zijn, is dat we net zo liefhebbend worden als de Vader liefheeft en net zo liefhebbend worden als de Zoon liefheeft.

Ik zeg niet dat we doctrine niet moeten onderzoeken en daar juist in zijn. Begrijp me alstublieft niet verkeerd. Ik wil alleen niet, dat we in het diepe duiken en de volledige nadruk op een of andere doctrine leggen.

De Farizeeën handelden heel vaak op die manier. Jezus zei hun [geparafraseerd]: "U geeft tienden van de munt, de ruit en alle kruiden." Hij zei: "Dit moest men doen." (Lucas 11:42) Hij zei dus, dat het goed was het bij het juiste eind te hebben. Er was niets verkeerds aan om het bij het juiste eind te hebben. Maar ze lieten de belangrijkere dingen van de wet na: het oordeel (een andere manier om liefde uit te drukken), de barmhartigheid en de trouw. Jezus legde de vinger precies op de zere plek van het probleem der Farizeeën. Ze lieten het belangrijkste na. Ze waren huichelaars. Ze waren "gewitte graven". Hij plakte hen allerlei namen op — ook al kenden ze de schrift van binnen en van buiten.

We moeten dus voorzichtig zijn in onze omgang met elkaar en de richting waar die uitgaat. We moeten begrijpen, dat God ons verantwoordelijk houdt mensen te bemoedigen, te vermanen om "vol te houden", lief te hebben en anderen te dienen. Het doel van het christen-zijn is dus dat bekeerde mensen op God gaan gelijken en gaan liefhebben zoals God liefheeft. Liefde is in dit geval gewoon een andere manier om te zeggen: onderwerpen om de dingen te doen op de manier waarop God dat zou doen. Het geloof van mensen wordt opgebouwd door hen te bemoedigen, te vermanen, te inspireren zich aan God te onderwerpen of te blijven volharden in het zich aan God onderwerpen.

Er wordt gezegd dat toen Augustus als Caesar in Rome kwam, hij "een stad van hout" aantrof, maar dat het aan het einde van zijn regering "een stad van marmer" was. Zijn invloed op die stad was voldoende om die te veranderen, of tenminste het begin van een verandering tot stand te brengen, tot een plaats van schoonheid.

Ik wil u bekennen, dat ik het mijn verantwoordelijkheid voor God acht om ons allen te helpen in het bereiken van de schoonheid van heiligheid. Omdat we mensen zijn die God nogal gauw vergeten, omdat Hij niet in al onze gedachten is, moet ik in het algemeen zeggen dat we mensen zijn die zwak zijn in geloof, omdat deze materiële wereld voor ons veel reëler is dan God. En tenminste in het verleden zijn we mensen geweest die in essentie niet baden vanwege ons gebrek aan geloof. Het is mijn taak om gebruikt te worden ons te helpen om mensen te worden die bidden tot God als gewoonte hebben (bijna net zo gemakkelijk als het praten tegen elkaar). Het is mijn taak om gebruikt te worden ons te helpen om mensen te worden die God geloven — omdat Hij echt voor ons is geworden en omdat we Hem zien — en om mensen te worden die Hem in gedachten houden om Zijn wil te doen.

Misschien kan het relatieve belang van geloof het beste worden gezien in die uitspraak in Efeziërs 2, vers 8, waar Paulus zegt: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof." Geloof is samen met berouw één van de twee onmisbare condities voor behoud. Weet u waarom? Omdat ze allebei tot LIEFDE leiden. Door genade, door het geloof, worden we behouden. En het is door geloof dat we behouden blijven. Omdat de schrift ook zegt: "Want we wandelen in geloof ..." — ziet u, dit doen we terwijl we in ons leven voortgaan — "... en niet bij wat we zien en de rechtvaardigen zullen door geloof leven." Dit is heel belangrijk met betrekking tot gebed, omdat gebed ons contact is met God; gebed speelt een hoofdrol in de ontwikkeling van onze relatie met Hem.

Laten we nu Hebreeën 4, de verzen 14 tot 16 opslaan:

Hebreeën 4:14-16 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, ...

Dit is gesteld als een vaststaand feit. Hoe kunnen we dat als een vaststaand feit "zien"? Dat doet GELOOF. Geloof zet iemand op het juiste spoor. En dat juiste spoor brengt die persoon bij Degene die hem de hulp kan geven die hij nodig heeft. Die hulp is in de hemel — die hulp is in en komt door Jezus Christus die onze Hogepriester is.

Hebreeën 4:14-16 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Geloof maakt de weg vrij naar de troon der genade. Het is geloof dat — in de allereerste plaats — de verzekering geeft dat er een troon van genade is en een Hogepriester die erop wacht om onze smekingen te horen en onze belijdenis, de belijdenis van onze broeders en zusters. Het is interessant dat in vers 16 het woord "vrijmoedigheid" wordt gebruikt. Dit woord heeft in zich de gevoelswaarde van vrijuit te spreken. Laten we dus "vrijuit spreken" als we naar die troon toegaan. Wat doen we dan? We hebben dan omgang met God. We zijn in Zijn gezelschap. We communiceren met Hem. En geloof maakt voor ons de weg vrij — omdat gebed uit geloof voortkomt! We zouden beslist niet bidden, als we geen geloof hadden.

De mensen waarover ik het aan het begin van de preek had, baden tot een afgod. Dat is een geestelijk wezen, maar het is een demon. Geloof motiveert hen om tot die demon te spreken. In ons geval maakt het geloof, een werking van God, ons gegeven doordat Hij Zichzelf aan ons openbaarde, de weg van te voren voor ons vrij. Deze kracht, deze energie, die Hij ons heeft gegeven, dient ertoe om ons in staat te stellen te geloven wat Zijn woord zegt. Het maakt dus de weg vrij, zodat we met God kunnen communiceren, zodat we met Hem kunnen praten en dat we het vrijuit kunnen doen, we kunnen ons geheel voor Hem openen, omdat onze Hogepriester net zo is als wij! Onze Hogepriester werd in alle dingen verzocht, maar zondigde niet. Hij kan dus met onze zwakheden meevoelen, maar Hij kan ook bemoedigen en vermanen en inspireren en ons op ons gemak stellen en ons het gevoel geven dat we op het juiste spoor zitten — en ons het gevoel geven dat we door moeten gaan.

Geloof is dus op onze levensweg de metgezel van gebed. Omdat, zoals we in de vorige preek in Mattheüs 9:29 zagen, "u geschiede naar uw geloof." Geloof maakt het antwoord mogelijk. Geloof verandert een simpel verzoek in iets dat ontvangen wordt. Geloof maakt gebed dus krachtig en het geeft geduld aan degene die bidt.

Laten we nu Hebreeën 11:6 opslaan:

Hebreeën 11:6 Maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Omdat geloof onmisbaar is voor een goede relatie met God, geloof ik niet dat we het belang ervan teveel kunnen benadrukken. Maar ik wil wel, dat we ons allemaal bewust zijn van de conditie die er in dit vers staat. Er staat niet dat God de beloner is van iedereen. Er staat dat Hij "een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken." Levend geloof wordt direct duidelijk; ik bedoel dat het zijn basis heeft in het ernstig, actief, voortdurend, ijverig zoeken van Hem in studie, gebed en het zich voegen naar Zijn wil. En het zijn die mensen, die dit doen, die de bemoediging krijgen dat ze beloond zullen worden. Die beloning is het vinden van Hem. Wat heeft dat op zijn beurt weer tot gevolg? Het doet ons geloof toenemen.

Ik heb vaak gezegd, dat het bijbelse woord "geloof" voor mij het meest synoniem is met het woord "vertrouwen". Voor mij kan het woord "geloof" zich beperken tot het louter accepteren van een koud, hard feit. Dat is goed voorzover het van toepassing is. Maar het verliest veel van zijn waarde als we bedenken, dat Degene waarmee we te maken hebben een warme, dynamische en krachtige, liefhebbende Persoon is. Voor mij is het bijbelse geloof, vertrouwen, een standvastig geloof. Het is een volgroeid geloof, dat gewetensvol handelt gepaard gaand met een aangenaam gevoel — dat we overtuiging zouden kunnen noemen.

Dit geloof handelt niet koel en berekenend — alleen maar omdat iets juist is. Het handelt niet met een "misschien", maar met VREUGDE en met standvastige overtuiging, in het besef dat men in overeenstemming handelt met deze dynamische en liefhebbende Persoon. Net zoals we ons bewust zijn van onze tastzin — dat tussen twee haakjes het sterkste zintuig is dat we hebben in termen van het opwekken van emoties — vergelijk maar eens een stomp op de neus met een kus. Geen van onze zintuigen roept zoveel emoties op als de tastzin. Geloof en vertrouwen zijn even gevoelig. Het zit op de lijn van God. Het ziet God. En het roept niet alleen de koude, harde feiten op (we zouden kunnen zeggen "een herinnering van de waarheid"), maar ook een emotionele reactie op een wonderlijke, dynamische, barmhartige en krachtige Persoon die onze Vriend is.

Laten we nu Johannes 11 opslaan. Ik wil u hier iets laten zien, in een schriftgedeelte dat we vorige week gebruikten en wat ik deze keer wil benadrukken. Johannes 11 handelt voornamelijk over de opwekking van Lazarus, maar ondergeschikt daaraan speelde zich het een en ander af tussen Christus en Marta, iets dat heel interessant is met betrekking tot hetgeen waar ik nu over spreek. We hebben van doen met een Persoon. Het gaat niet alleen over harde, koude feiten waarvan we weten dat ze waar zijn. We dienen het soort overtuiging te hebben waardoor God reageert, dat moet wel zo zijn omdat er bewustzijn in ons is. Ik bedoel een STERK bewustzijn van de persoonlijkheid van God. Luister nu naar dit gesprek dat in Johannes 11:17 begint.

Johannes 11:17-23 Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. 18 Betanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. 19 Vele uit de Joden waren tot Marta en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. 20 Toen nu Marta hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten. 21 Marta dan zeide tot Jezus: Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. [Daar zien we het vertrouwen in een feit.] 22 Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert. 23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal opstaan.

Dit vers laat zien waar Marta over dacht. Ze dacht nog steeds over harde, koude feiten — een waarheid — vanuit het woord van God.

Johannes 11:24-25a Marta zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage. [Dat weten we allemaal. Dat is een feit vanuit de schrift dat WAAR is. Het is absoluut waar. Dat zal nooit onwaar zijn.] 25 Jezus zeide tot haar: ...

"Ik ben de Weg!" Ziet u, Hij voerde haar aandacht weg van het alleen maar aanvaarden van een waarheid van God en richtte die op het feit dat ze te maken had met een Persoon, en dat deze Persoon God WAS. "Ik ben de Opstanding!" Hij vestigde haar aandacht rechtstreeks op Hem.

Johannes 11:25b-27 Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 26 en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot Hem: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou.

Ik denk niet dat ze het al begreep. Maar ze was op weg, omdat haar aandacht in ieder geval niet langer gericht was op het alleen maar aanhalen van woorden, maar op een Persoon — die dynamische en liefhebbende Persoon die kracht geeft aan die woorden en zorgt dat ze werkelijkheid worden.

Het soort vertrouwen waar we het hier over hebben, groeit in een atmosfeer waarin er een open gesprek kan zijn — wonderlijke omgang met elkaar die niet gepaard gaat met vrees om zichzelf bloot te geven, maar veeleer een omgang waarin nederigheid de boventoon voert. Men verbergt zich daarin niet achter een façade van trots en ijdelheid. Let op wat er in de verzen 3 en 5 van hetzelfde hoofdstuk wordt gezegd.

Johannes 11:3, 5 De zusters dan zonden Hem bericht: Here, zie, die Gij liefhebt, is ziek. ... 5 Jezus nu had Marta en haar zuster en Lazarus lief.

Het betrof hier een relatie die anders was dan de relatie die Hij met anderen had. Waarom? Eén van de redenen hiervoor is, zoals we elders kunnen lezen, dat dit de familie was waar Hij logeerde als Hij in de buurt van Jeruzalem was.

Hij had ongetwijfeld heel wat keren bij hen thuis gegeten. Ze hadden ongetwijfeld gesproken over het plan van God; ongetwijfeld gesproken over de hoop en dromen van Maria, Marta en Lazarus, maar ook over hun problemen, hun beproevingen, hun moeilijkheden. En Jezus adviseerde hen hierin. En er ontstond in die familieatmosfeer, als gevolg van die omgang, een intimiteit in denken die Hij niet met heel veel andere mensen had. Omdat het niet vaak in de bijbel wordt gezegd dat Hij iemand liefhad op de manier waarop Hij deze mensen liefhad. (Ongetwijfeld had hij ook een speciale relatie met de apostel Johannes. Die was anders dan de relatie die Hij met de andere apostelen had. Hij was de discipel die Hij liefhad.) We hebben hier dus een relatie. En Jezus richtte haar aandacht op Hem als Persoon.

Vertrouwen in een historisch feit kan in essentie passief zijn. "O ja, ik geloof dat. Dat is waar." Maar wat dan nog? Het hoeft niet belangrijk te zijn voor ons leven. Maar we kunnen niet de overtuiging hebben die nodig is, de overtuiging die wij nodig hebben, tenzij we erkennen dat we omgang hebben met een heel wonderlijke, levende, dynamische en barmhartige Persoon. En Hij wil dat wij nadenken over die relatie, en nadenken over Hem en Zijn macht en Zijn bereidheid en Zijn doel en alles dat met Hem verbonden is (in die relatie met ons) als we tot God bidden.

Ziet u, vertrouwen in een Persoon geeft kracht aan de kwaliteit van het gebed. En in dit geval vervult het het vertrouwen met kennis uit de eerste hand van de Persoon op wie we een beroep doen. Dus het belangrijkste resultaat van gebed kan zeer zeker wel het begrip zijn, dat we verkrijgen van deze Persoon, wat Hij is en waar Hij op gelijkt.

Laten we nu naar Mattheüs 17 gaan. We komen daar alweer terecht in het midden van een gedeelte waarin Hij onderwijst over geloof. Wat daar gebeurde was, dat een man zijn zoon tot de discipelen bracht om een boze geest uit te werpen en ze konden die niet uitwerpen.

Mattheüs 17:17, 20-21 Jezus antwoordde en zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? [Dat ongelovige en verkeerde geslacht waren zijn discipelen.] Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier. [Toen bestrafte Jezus de boze geest. Daarna kwamen de discipelen en vroegen waarom zij hem niet konden uitwerpen.] ... 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof. Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn. 21 [Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.]

De implicatie van Jezus' opmerking is duidelijk — geloof wordt ontwikkeld door gebed. Gebed tot God is een hoofdbestanddeel van onze omgang met Christus. Deze mannen waren geestelijk zwak en hun vertrouwen bereikte totaal niets. Waarom is dit zo belangrijk? Omdat God ons zo gemaakt heeft, dat we emotioneel reageren, in veel gevallen op iedereen. Maar om het iets minder algemeen te maken, iets in te perken, we reageren in ieder geval emotioneel op bijna iedereen die meer is dan een oppervlakkige kennis. Die reactie kan uiteenlopen van een absoluut koud, ongeïnteresseerd gevoel, waarbij men de relatie niet verder wil uitbouwen, tot een gevoel dat beladen is met het verlangen in de nabijheid van die ander te zijn, die ander meer te behagen dan iemand anders in de wereld. Die emotionele reactie schept een behoefte.

Begin eens na te denken. Wat heeft dit van doen met onze relatie met Christus? Het heeft er veel mee van doen. En we moeten ons gaan afvragen: "Is er een emotionele verbondenheid met Hem?" En als die er is, hoe intens is die? Is die intens genoeg om ons te motiveren dichter naar Hem toe te gaan, omdat we de relatie willen uitbouwen? Of is die zo zwak dat we niet meer doen dan stilstaan en vanuit de verte naar Hem kijken. De laatste emotionele reactie die ik beschreef was er één, waarbij er zo'n dwingend verlangen is, dat we bij die persoon in de buurt willen zijn, dichtbij hem willen zijn, een relatie willen ontwikkelen, en in het geval van alleenstaanden uiteindelijk in het huwelijk te treden. Zo'n reactie vindt snel plaats, zodat er interesse wordt opgewekt en we een behoefte gaan voelen die vervuld moet worden.

Verlangen is niet alleen maar een wens. Het is een diepgeworteld verlangen, een intens uitzien naar de vervulling van een behoefte. Op het terrein van gebed is het waarschijnlijk één van de belangrijkere onderdelen van gebed. Het is zo belangrijk dat ik zou kunnen zeggen dat het absoluut essentieel is voor gebed.

Wat is het effect van verlangen op gebed? Samen met geloof brengt het het gebed tot stand. Volg me hier in mijn denken. Verlangen brengt samen met geloof een gebed tot stand. Ik geloof niet dat ik te ver ga, als ik zeg dat verlangen een aandeel levert in het ontstaan van elk gebed. Dat niet alleen, maar verlangen maakt een gebed intenser. Denk hierover: "Verlangen iets van God te ontvangen, dat God iets doet, of dat we zien dat God iets zal doen, is betrokken bij elk gebed." Is dat juist? Zeer zeker. Gebed is de mondelinge uitdrukking van een verlangen. Het verlangen zelf wordt niet gehoord. Niemand anders kan er zelfs van weten dat u dat verlangen hebt. Maar in het gebed wordt het verlangen openbaar, omdat gebed zich moet uitdrukken.

Wat vragen we dus aan God? Wat we verlangen, dat wat we willen, datgene dat we als behoefte voelen. Of we vragen wat we denken een behoefte van anderen te zijn; omdat we dus verlangen dat hun gebed wordt beantwoord, dat in hun behoeften wordt voorzien, motiveert dat verlangen ons tot bidden. We willen zien dat er door God iets wordt gedaan. We willen zien dat Zijn koninkrijk komt. We willen Jezus terugzien op aarde. We willen heel wat dingen zien gebeuren. Dat verlangen zet ons dus aan. Het zet ons aan om dat verzoek aan God te doen.

Hoe intens is uw verlangen? Dat is direct gekoppeld aan de omgang. Het is direct gekoppeld aan ons begrip van de Persoon tot wie wij bidden. Des te meer we van die wonderlijke Persoon begrijpen, des te meer — garandeer ik u — zal ons verlangen zijn om te bidden. Dat niet alleen, maar ook des te intenser de gebeden zullen zijn. Jezus bad zo intens dat Hij bloed zweette. Zo echt was de Vader voor Hem. Ik verwacht niet dat iemand van ons zover zal komen, maar het verlangen om met Zijn Vader te communiceren, het verlangen om de wil van Zijn Vader te zien gebeuren, was zo intens voor Hem. Er was zo'n kennis — die twee gingen zo met elkaar om, dat het zo'n reactie in Zijn lichaam opriep. Een groot deel van het probleem dat gebed niet effectief is, kan worden gelegd in het feit dat er niet veel gevoel in onze gebeden zit. Zelfs als er niet zoveel verlangen is, moeten we toch bidden. Maar, gemeente, misschien moeten we beginnen God te vragen om het verlangen om te bidden.

Niet veel verlangen om te bidden en niet veel verlangen in gebed duidt, denk ik, op een heel ernstige, geestelijke tekortkoming. En één van de hoofdredenen dat we niet veel verlangen hebben in onze gebeden, is dat we ons er niet bewust van zijn hoe erg we dat nodig hebben. Ziet u, er is een bepaalde progressie. Het zich bewust zijn van een behoefte schept een verlangen. Verlangen schept niet slechts een gebed, maar een oprecht en vurig gebed.

Honger maakt ons bewust van een fysieke behoefte. En waar leidt dat toe? Het schept het verlangen om te eten. Hoe sterker de behoefte, hoe sterker het verlangen te eten en hoe vuriger we naar voedsel uit gaan zien en voedsel gaan zoeken. Ik ontmoette eens iemand die in zijn leven niet veel maaltijden had overgeslagen. Ik weet niet of hij in zijn gehele leven ooit had gevast, al was het ook maar één keer. Hij was iemand met heel wat ervaring. Hij had een goede leeftijd bereikt en genoot een goede gezondheid. Evelyn en ik waren eens op een sabbat bij hem te gast. Hij en ik kwamen later thuis van de sabbatdienst dan we hadden verwacht; en deze man verlangde er zo naar om te eten dat hij over zijn hele lichaam beefde.

Laten we Psalm 42:2-4 opslaan. Let op Davids gevoelens.

Psalm 42:2-4a Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen? 4 Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, ...

Had David gevoelens ten opzichte van God? Denkt u dat hij God werkelijk liefhad? Denkt u dat hij graag met God omging? Begint u te zien waarom God van deze man zei — zelfs toen hij nog maar een tiener was — "hier is iemand naar Mijn hart"? David was verliefd op God! Gaat dat te ver? Klinkt dat vreemd? Laten we naar 1 Petrus 2:1-2 gaan. Petrus adviseert ons daar:

1 Petrus 2:1-2 Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, 2 en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid.

Laten baby's in alle ernst horen dat ze honger hebben? Ze huilen. Ze schreeuwen. Ze lopen rood aan in hun gezicht. Ze laten het zonder enige twijfel duidelijk merken. ZE WILLEN U en ze willen iets van u. Hun honger heeft een verlangen opgewekt. Laten we weer Mattheüs opslaan, deze keer hoofdstuk 5.

Mattheüs 5:6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Gemeente, verlangen is een inwendig sterk zoeken naar iets dat we niet hebben, maar waaraan we denken behoefte te hebben. Honger en dorst zijn begeerten die God ons gegeven heeft om ons bewust te doen worden van een behoefte. Honger naar Gods woord en Zijn karaktereigenschappen vormen de geestelijke begeerte die God ons gegeven heeft om ons bewust te doen worden van geestelijke behoeften. Ik heb nooit gehoord dat er heidenen tot hun afgoden baden en hen vroegen om liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Zij vragen om andere dingen — materiële dingen, materiële zegeningen.

Het geloof dat God ons heeft gegeven, heeft Hij ons gegeven om ons bewust te doen worden van geestelijke behoeften. Van nature worden we ons bewust van fysieke behoeften. We zouden ons nooit bewust worden van deze geestelijke behoeften, tenzij God, door Zijn Geest, ons daarvan bewust zou maken. Dat is een liefdevolle gave van Hem. Hij verwacht dat we over deze behoeften nadenken en Hem erom zullen gaan vragen. Het feit dat we ons bewust worden van zo'n behoefte, is het bewijs dat God in ons aan het werken is.

We moeten hier nog een stap toevoegen aan het proces van verhoord gebed. Ten eerste moeten we ons bewust zijn van een behoefte. Daarna ontstaat het verlangen te hebben waaraan we behoefte hebben. Het verlangen zet ons ertoe aan onze behoefte bij God bekend te maken. Verlangen doet dan nog meer (als het echt oprecht en vurig is) — het vestigt ons denken op het voorwerp van ons verlangen, wat dat ook maar mag zijn, en het jaagt ernaar om het te krijgen. Met andere woorden verlangen brengt de wil in actie.

Wat God in werkelijkheid wil, is dat wij Hem zoeken, zoeken wat Hij is. Het is interessant dat er in Mattheüs 5:3 staat:

Mattheüs 5:3 Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Mensen die arm zijn — ik heb het hier over arm in financiële, economische zin — zijn zich heel goed bewust van hun behoefte. En het is heel waarschijnlijk, dat als ze al bidden, ze om geld bidden. Ze bidden om welvaart. We hebben echt geen openbaring van God nodig om die behoefte te zien. Weet u waar de armen voor zouden moeten bidden? Ze zouden moeten bidden om het verlangen te werken. Ze zouden moeten bidden om begrip van de verantwoordelijkheid die ze hebben voor hun gezin. Ze zouden moeten bidden om de juiste ambitie die hen in beweging brengt. Ze zouden moeten bidden om de liefde die hen ertoe brengt hun leven te gebruiken om hun gezin te ondersteunen en voor hun gezin te zorgen. Ze zouden moeten bidden om het verlangen dat hun energie geeft om erop uit te gaan, een baan te zoeken en werk te vinden. Dat zijn de dingen die we volgens God zouden moeten vragen. Dat zijn karaktereigenschappen die deel van Hem uitmaken. Ziet u, van nature willen we graag een veel kortere weg volgen en zeggen: "God, geef me geld. God, geef me een baan." Hij heeft veel liever dat we om die andere dingen vragen. En het is veel waarschijnlijker dat Hij op die andere vragen zal reageren.

Ik noemde de armen van geest. Weet u, dat zij die arm van geest zijn, degenen zijn die op de beste manier bidden? Let op de gebruikte benaming: "arm van geest", "arm in geest". Dit zijn mensen die zichzelf op de juiste manier evalueren ten opzichte van God. Zij zien hoe rijk God is in liefde, edelmoedigheid, vriendelijkheid, barmhartigheid, wijsheid, allemaal goede karaktereigenschappen; en ze zien hoe arm zij in vergelijking zijn. Zij willen zijn als God, dus vragen ze Hem om de karaktereigenschappen die Hij heeft. Dat is het soort gebed waarop God reageert. De trotsen zullen dus niet goed zijn in bidden, omdat zij zeker van zichzelf zijn in hun gebed.

In Openbaring 3:15 hebben we van doen met de kerk te Laodicea. God zegt daar:

Openbaring 3:15-17 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. [Er is daar geen vurigheid, geen verlangen om bij God te zijn. Ze kramen gewoon nonsens uit. Ze zijn 'cool', zouden we vandaag de dag zeggen.] Waart gij maar koud of heet! 16 Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. 17 Omdat gij zegt: [Let op de trots hier.] Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte, ...

Ze zagen zelfs hun behoefte niet — omdat ze, in hun trots, niet arm van geest waren. Ze voelden zich geborgen in wat ze waren. Vroegen zij God hen te vullen met liefde, goedheid, edelmoedigheid, vriendelijkheid, Zijn wijsheid en Zijn geloof? Hij zegt verder:

Openbaring 3:18-20 ..., raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. [Zij zagen hun behoefte niet.] 19 Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.

Gemeente, wij zijn slachtoffer van een tijd die apathisch is ten opzichte van een echte relatie met God. Kent u iemand die u in alle eerlijkheid zou zeggen, dat het hem een zorg zou zijn om met Jezus Christus te kunnen eten of omgang te hebben? Toch zegt Hij dat er in Zijn eigen kerk mensen zijn, die weten dat Hij aan de deur staat en die niet de moeite nemen naar buiten te gaan om omgang met Hem te hebben. Houd dat woord vast — "omgang". Dat is precies wat ze doen. Ze weigeren omgang met Hem. Ze zijn zover van Hem verwijderd dat ze niet eens hun behoefte zien. Het zich niet bewust zijn van behoefte — geen verlangen. Geen verlangen — geen gebed. Geen gebed — geen relatie. Het zich niet bewust zijn van behoefte. Het is een vicieuze cirkel.

God hoopt erop, dat Hij ons voldoende in beweging kan brengen om berouw te hebben en uit die cirkel te breken — door ons opnieuw bewust te laten worden van behoefte. Er is een zich bewust zijn van behoefte in ons, omdat we dicht genoeg bij Hem zijn om duidelijk te kunnen zien hoe heilig, genadig, vriendelijk, barmhartig en goed Hij is; en wij willen dan net als Hij zijn. Met andere woorden we bewonderen en respecteren de Persoon en Zijn karaktereigenschappen ZODANIG dat we DICHTBIJ HEM willen zijn, dat we dat zullen najagen — Hem ijverig zoeken, zoals de ene verliefde de andere zoekt. We willen Hem verhogen, zoeken Hem te eren, door te zijn als Hij. Dat gebeurt er als twee mensen verliefd zijn. Daarom gebruikt God de analogie van Bruidegom, Bruid en huwelijk. Het is onze verantwoordelijkheid Hem met al onze kracht te zoeken — met alles dat in ons is.

Laten we tot slot Psalm 27:4 opslaan. Beantwoordt u daarna deze vraag: "Was David verliefd op God?" Psalm 27 is die prachtige psalm met het schitterende lied: "De HERE is mijn licht." Maar laten we nu in vers 4 gaan lezen.

Psalm 27:4 Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, [Had David een behoefte?] dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel.

Had David een verlangen bij Hem te zijn? Bad David? Werden Davids gebeden beantwoord? Ziet u, hij had een relatie met God die hem ertoe aanzette naar God te gaan.

Een ander voortreffelijk voorbeeld hiervan is Jakob in hoofdstuk 32, vers 1, van het boek Genesis, waar Jakob uit alle macht worstelde met God. Hij wilde God niet laten gaan voordat God hem zegende. Zocht hij vurig een zegen? Zeer zeker. Zocht hij vurig een relatie? Zeer zeker. En hij kreeg antwoord.

Het is interessant (gewoon nog een kleinigheidje toevoegen), dat toen God in Handelingen 2, vers 3, Zijn Geest gaf, dat een deel van de zichtbare manifestatie uit vuurvlammen bestond. We denken vaak aan de wind. We denken er niet vaak aan dat Hij Zijn Geest als vuurvlammen uitbeeldde. Hij deed dit, omdat Hij ons de vurigheid wil laten zien van de relatie die Hij met ons verlangt te hebben. Hij verlangt een vurige relatie, een warme relatie, één die Hem ijverig zoekt, één die er uit alle macht naar zoekt zoveel mogelijk dichtbij Hem te zijn. Hij wil een relatie die erop uit is te zijn als Hij, Hem na te volgen, Hem te eren, Hem te verhogen.

Ons wordt in 2 Timotheüs 1:6-7 gezegd "de Geest Gods die in ons is aan te wakkeren." Dat betekent deze aan te blazen totdat de vlam goed brandt. God wil een relatie met Zijn kinderen die hartelijk is, omdat we er helemaal in opgaan Hem oprecht te zoeken. Het ligt menselijk niet in ons vermogen deze vurigheid tot stand te brengen. MAAR het ligt in ons vermogen te vragen dat Hij ons deze vurigheid geeft. Dan is het aan ons deze te koesteren, te voeden en tegen uitdoven te beschermen. Net zoals Paulus over ongeloof zei — het als een vijand te bevechten — willen we ook waken tegen het uitdoven van vurigheid, [in het bijzonder] als we zien dat het iets is dat de Laodiceërs niet deden. Het is dus altijd gepast om God te bidden dat er in ons een vurigheid van Geest ontstaat en in leven blijft die zich uit in "roodgloeiend gebed."


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)