Satan (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
12 september 1992

Samenvatting: (toon)

In deze inleidende preek op de serie over Satan legt John Ritenbaugh de oorsprong uit van onze voornaamste tegenstander, Satan de duivel, en die van zijn leger van gevallen engelen (Openbaring 12:3-12; Jesaja 14:12-15; Ezechi?l 28:12-19). In onze onzekere situatie waarin we een gevangeniscel delen met deze formidabele, boosaardige geesten, moeten we moed putten uit: 1) het reusachtige numerieke voordeel van de goede over de kwade engelen; 2) de hopeloze verdeeldheid in de wereld der demonen, die hen ervan weerhoudt de zaken op een georganiseerde manier aan te pakken; 3) evenals bij Job heeft God grenzen gesteld aan Satans vermogen ons het leven lastig te maken (Job 2:6); en 4) God heeft ons voorzien van een toereikende geestelijke wapenrusting om de listen van Satan te weerstaan (Efezi?rs 6:10-12). Zelfs al zouden we op basis van onze eigen beperkte kracht, gemakkelijk vernietigd kunnen worden, heeft God ons bescherming beloofd indien we ons aan Hem overgeven en Zijn geboden onderhouden.


We gaan het vandaag hebben over een onderwerp waar we aan de ene kant erg vertrouwd mee zijn, maar waar we aan de andere kant vaak beklagenswaardig onwetend over zijn. De oorspronkelijke aanleiding tot deze preek was een artikel van de heer Armstrong dat in The Good News Magazine van augustus 1978 verscheen. Het had als titel: "Wat u misschien niet weet."

De preek gaat over enkele principes die we van tijd tot tijd opnieuw moeten doornemen, of waaraan we in sommige gevallen voor de eerste keer aandacht schenken. Het artikel ging over Satan en zijn misleidingen. Menselijk gezien hebben we de neiging ten aanzien van hem in uitersten te vervallen. Of we geven hem de schuld van alles (Flip Wilson en "De duivel zette me ertoe aan") en pleiten onszelf daarmee vrij, of we schenken — het andere uiterste — totaal geen aandacht aan hem, waardoor we dan een gemakkelijke prooi voor hem worden.

Het schijnt wel, dat hoe wereldser men is opgeleid, hoe minder aandacht men aan Satan schenkt. Het schijnt ook wel, dat hoe minder men is opgeleid, hoe bijgeloviger men is en hoe meer men Satan van alles de schuld geeft.

Het antwoord ligt er ergens tussen in, waarbij Satan zeer zeker als ongeziene invloed verantwoordelijk is voor een groot deel van de problemen van de mens, niet omdat hij de mens ertoe aanzette, maar omdat de mens onwetend of onzorgvuldig is met betrekking tot hem en daardoor precies doet wat hij wil.

Voor ons is het van groot belang te weten, dat de doop en het ontvangen van Gods Heilige Geest ons niet vrijwaren voor de invloed van Satan. Deze kan zelfs intensiever worden (en wordt dat waarschijnlijk ook), omdat hij dan veel meer aandacht aan ons gaat schenken. Nu, bij het leggen van het fundament voor deze preek, wil ik ookdat u begrijpt, dat als ik het over Satan heb, ik meestal ook doel op zijn geweldig groot leger demonen.

Eén van Satans meesterzetten in misleiding is wel, dat hij erin is geslaagd om de meesten van de goed opgeleiden in de wereld te laten geloven dat hij zelfs niet bestaat — dat hij in de bijbel alleen maar wordt gebruikt als een symbool of een figuurlijke illustratie om de aanwezigheid van het kwaad te verklaren. Maar aan de andere kant laat de bijbel niet alleen zien dat hij bestaat, maar ook de leider is van een geweldig leger, dat erop uit is Gods plan te laten mislukken.

In deze eerste preek in deze serie gaan we dus vanuit de schriften een fundament leggen, zodat we beter zullen begrijpen waar we op onze pelgrimsreis naar het Koninkrijk van God mee te maken hebben.

Laten we om te beginnen Openbaring 12 opslaan.

Openbaring 12:3-4, 9 En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. 4 En zijn staart sleepte een derde van de sterren [let op: sterren] des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. ... 9 En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan [hier wordt hij geïdentificeerd], die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.

In vers 4 wordt het woord sterren gebruikt — een symbool voor engelen — en we zien dat er engelen met hem werden buiten geworpen, en de duivel en zijn engelen werden ter aarde geworpen. We zien hier iets van een geweldige strijd die in de hemel plaatsvond, en dat Satan en zijn engelen die verloren; zij werden ter aarde geworpen. Ongelukkigerwijs leven wij daar.

Openbaring 12:12-13 Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft. 13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had.

Openbaring 1:20 Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten.

Deze verzen maken de symboliek van een engel en een ster heel duidelijk. De ster is een symbool voor een engel.

Openbaring 9:1-2 En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven. 2 En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put.

We zien hier een ster die uit de hemel was gevallen, en die ster duidde, in de algemene symboliek in hoofdstuk 1, op een engel. Die engel opent vervolgens de put des afgronds.

2 Petrus 2:4 Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren;

Hier gaan we verder met onze uitleg van wat er lang voor ons op aarde heeft plaatsgevonden. Hier wordt nog een stap duidelijk gemaakt met betrekking tot de positie die de engelen (of demonen, als we ze zo willen noemen) in die tijd bekleedden.

Het woord afgrond is afkomstig van het Griekse "Tartarus", dat "een plaats van beperking in bewegingsvrijheid" betekent. God spaarde de engelen niet, maar Hij wierp hen neer in een plaats van beperking in bewegingsvrijheid. We zouden dat een gevangenis kunnen noemen.

Het is interessant dat in de Griekse mythologie, Tartarus de laagste hel was. Hij wordt beschreven als zijnde zover beneden Hades, dat hij net zover beneden Hades lag als de hemel boven de aarde is. In de Griekse mythologie kunnen we dus begrijpen dat deze engelen zover naar beneden werden geworpen, dat we zouden kunnen zeggen dat ze uit het zicht verdwenen waren. Ze zouden in een plaats van beperking in bewegingsvrijheid zijn, waaruit ze naar verwachting nooit meer te voorschijn konden komen. Tartarus was — alweer in de mythologie — de plaats waar de Titanen (die in opstand tegen Zeus kwamen) in hun bewegingen werden beperkt.

God wil hier (2 Petrus 2:4) de boodschap overbrengen, dat de engelen zijn neergeworpen, vanuit de hemel neergeworpen op aarde, zoals Openbaring 12 heel duidelijk laat zien. We zien dat de aarde voor hen een plaats van beperking in bewegingsvrijheid is — dat is een gevangenis. Om nog meer aan dat beeld toe te voegen, zien we in de Statenvertaling de woorden "ketenen der duisternis". Dit alleen maar om de gedachte die Petrus wil overbrengen, te benadrukken of te verduidelijken. De demonen bevinden zich in een plaats van beperking in bewegingsvrijheid.

Onder geleerden is er enige onenigheid of Petrus wel het woord dat met "ketenen" of "silo" kan worden vertaald, gebruikte. We begrijpen bijna allemaal wel wat een silo is. Dat is een lang, cylindervormig voorwerp waarin graan wordt opgeslagen. Voor de Grieken was een silo een ondergrondse put — iets dat in de grond was ingegraven om (na het oogstseizoen) graan in op te slaan. Of het nu een keten is of een silo doet niet terzake. God probeert op ons over te brengen, dat de demonen in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt.

Het idee is, dat ze in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt, omdat ze in afwachting zijn van een oordeel. Ongelukkigerwijs voor u en mij (misschien zou ik dat woord ongelukkigerwijs niet moeten gebruiken) is hun bewegingsvrijheid beperkt tot de plaats waar wij leven! De aarde is de silo. De aarde is de opslagplaats. Wij delen deze plaats met hen. En, zoals zij ernaar kijken, wij zijn de binnendringers in hun leefruimte. Is dat niet interessant? Wij zijn de binnendringers.

Laten we de brief van Judas opslaan. Delen van deze brief zijn bijna gelijk aan delen uit 2 Petrus.

Judas 6 en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden;

Dit maakt iets duidelijk waarvan we in Openbaring 12 en 2 Petrus 2 maar een deel zagen. Hier wordt nog een stukje aan het plaatje toegevoegd en we zien dat de engelen hun oorsprong ontrouw werden, hun eigen woning verlieten. Dat kan ook worden vertaald met: "Ze beperkten zich niet tot de autoriteit die hun gegeven was." Het laat zien dat God hun een bepaalde verantwoordelijkheid had gegeven, een positie, maar dat ze zich daartoe niet beperkten, dat ze die verlieten.

Nu gaan de stukjes in elkaar vallen en dat is dat hun positie, de hun toegewezen autoriteit, hier op aarde lag. Zij verlieten die. Ze zetten een aanval op tegen God in de hemel. Ze werden verslagen; ze werden neergeworpen en de plaats die hun oorspronkelijk was gegeven, de plaats van hun woning, werd veranderd in hun gevangenis, een plaats van beperking in bewegingsvrijheid.

Laten we nu naar Ezechiël gaan. Ik geloof, dat de meesten van u er genoeg bekend mee zijn om te begrijpen dat Ezechiël 28 in zijn context zich tussen de koning van Tyrus en een andere persoonlijkheid heen en weer beweegt, een persoonlijkheid die hierna in de preek geïntroduceerd zal worden als de bedekkende cherub, de gezalfde cherub.

Ezechiël 28:12-13 Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt de Here HERE: Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. 13 In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht; toen gij geschapen werdt, waren zij gereed.

We hebben hier te maken met een zeer bijzonder wezen van grote schoonheid, die in de hof van Eden was. Hij had allerhande edelgesteente als bedekking. Ik leg dit uit als deel uitmakende van de kleding die hij droeg. Hij was een geschapen wezen, niet iemand die werd geboren. Bovendien was hij vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid. Het is duidelijk dat God het niet over een menselijk wezen heeft. Dit individu was het toppunt van alles dat God zo zonder meer kon scheppen in een levend wezen. In vers 14 identificeert Hij hem nog duidelijker.

Ezechiël 28:14-15 Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. 15 Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt, totdat er onrecht in u werd gevonden.

Ik ben er zeker van dat God het hier over Satan heeft, die de leider was van de aanval die tegen God werd opgezet, lang voordat de mens werd geschapen.

Jesaja 14:12-15 Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! 13 En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; 14 ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen. 15 Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve.

Is het niet duidelijk hoe dit nu allemaal bij elkaar past, in het bijzonder bij die verzen die we zojuist lazen in Petrus en Judas? Hoe duidelijk wordt het niet, als we dit samenvoegen met Openbaring 12, dat God de aarde aan de engelen toewees en dat Hij hun Lucifer als leider gaf, die het toppunt was van alles dat God zo zonder meer kon scheppen en kon samenpakken in een geschapen wezen. Dit wezen was onberispelijk in zijn wandel totdat er onrecht in hem werd gevonden. We zien een plaatje van een wezen van ontzagwekkende schoonheid, van ontzagwekkende macht, een geweldige intelligentie, maar ook een wezen met een vrije wil.

Er gebeurde iets in dat geweldige wezen en hij startte een campagne van misleiding en bedrog. Hij begon een aantal engelen af te scheiden van God, ongetwijfeld redenerend dat ze recht hadden op meer, dat God hen beter zou moeten behandelen, dat God niet fair was, dat ze geen vrijheid hadden — de vrijheid of de macht die hun toekwam — omdat hij zei: "Ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste."

Er zijn commentatoren die zeggen dat het Hebreeuws in werkelijkheid zegt: "Ik zal God zijn." Niet gelijk aan God, maar ik zal God zijn. We kunnen zien waar hij op uit was. Hij wilde alle macht, autoriteit en heerschappij hebben. Hij wilde niet onder een ander staan. Hij wilde niet ondergeschikt zijn. Hij wilde niet dat een ander aan de touwtjes trok en heerschappij over hem had.

Hij wilde, om zo te zeggen, zitten op de berg der samenkomst. Hij zei dus: "Ik zal oorlog voeren. Ik zal ten hemel stijgen." Ze verlieten dus hun oorsprong, hun woning. Ze verlieten het terrein van hun autoriteit en ze begonnen een oorlog en vielen God aan, maar ze werden verslagen en neergeworpen. Hun oorsprong, hun woning werd een plaats van beperking in bewegingsvrijheid, een silo, een put, een afgrond. Ze zaten daar nu geketend, erop duidend dat ze, tengevolge van hun rebellie, niet langer de vrijheid hadden die ze voorheen hadden, hun bewegingsvrijheid was nu beperkt. Er was hun een groot deel van hun vrije wil ontnomen.

Laten we Lucas 10 opslaan, waar Jezus spreekt tegen de zeventig die Hij had uitgezonden. Ze waren met grote vreugde teruggekomen en zeiden tot Hem:

Lucas 10:17b-18 Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam. 18 En Hij zeide tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.

Deze briljante engel, schitterend in al zijn heerlijkheid (heerlijkheid die hem door God was gegeven), werd als een grote bliksemflits die uit de hemel schiet, ter aarde neergeworpen. Waar viel hij neer? Precies daar waar wij zijn en wij hebben nu met hem te maken.

Tegen wie hebben we op te boksen? Ik hoop dat als ik met het volgende gedeelte van deze preek, met het leggen van het fundament klaar ben, dat u dan niet depressief of angstig zult zijn geworden. Maar ik geloof, dat het voor ons nodig is om met de werkelijkheid van één aspect van de situatie om te gaan. Ik geloof niet, dat God wil dat we ons voor die dingen verschuilen. Als we eenmaal gaan zien wat er allemaal tegen ons staat opgesteld, dan gaan we beseffen dat we slechts door genade behouden worden. Als wij tegen Satan en zijn demonen moesten vechten zonder dat God aan onze kant stond, dan zouden we op het moment zelf al verliezen. Zo eenzijdig liggen de krachtsverhoudingen.

Laten we nu naar het boek Daniël gaan. Nadat Daniël dat indrukwekkende visioen over de vier dieren had gezien, moet hij wel aardig getraumatiseerd zijn geweest. God gaf hem dus een kijkje in iets om hem, daar ben ik zeker van, te bemoedigen, hem te steunen, hem te helpen begrijpen welke krachten er voor hem aan het werk waren en (we zouden kunnen zeggen) aan zijn kant stonden.

Daniël 7:9-10 Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur [Daniël keek via een visioen rechtstreeks in de troonruimte van het universum, waar God Zelf was gezeten en heerste over alles dat Hij geschapen had.]; 10 en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend.

Ik haal deze verzen aan, omdat ik wil dat we een idee krijgen van het aantal demonen dat er zou kunnen zijn. U zult zich nog wel herinneren dat er in Openbaring 12 staat, dat de draak een derde van de sterren des hemels meesleepte; dat duidt erop dat hij die aan zijn kant wist te krijgen, hij won hun loyaliteit, een derde van de engelen.

Of dit een derde was van de engelen die tussen hemel en aarde verspreid waren, of dat het een derde was van hen die God hem had toegewezen om hem te helpen de aarde te besturen, te ontwikkelen en te gebruiken op de manier die God voor ogen stond, dat weet ik niet. Ik weet alleen dat Openbaring 12 erop duidt, dat een derde van de engelen met hem mee ging.

We hebben hier in Daniël 7 een beeld van de wezens die rondom de troon van God staan. Van hieruit kunnen we extrapoleren en misschien wat getallen afleiden, die ons helpen om met het aantal engelen of demonen dat er zou kunnen zijn, om te gaan.

We kunnen hier op twee manieren mee uit de voeten: Nummer één is wat er hier in vers 10 staat: "Duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend." Ik geloof, dat we moeten begrijpen dat God deze getallen niet als exacte getallen bedoelde. Het zijn getallen om ons te helpen begrijpen, dat er een groep was die nauw verbonden was met de troon van God, en Daniël vermeldt een getal (geïnspireerd door God) van duizendmaal duizenden.

Dat betekent minstens duizend maal duizend. Als we zeggen duizend maal duizenden (meervoud) dan is het misschien duizend maal tweeduizend of duizend maal drieduizend. Maar laten we het aan de behoudende kant houden — duizend maal duizend. Dat is een miljoen engelen die heel nauw verbonden zijn met de troon van God.

Dat is niet zo moeilijk te begrijpen. We hebben steden op aarde waar miljoenen mensen leven. De bevolking van Los Angeles is ongeveer zes miljoen mensen; met randsteden en al is het ongeveer twaalf miljoen. Dat zijn heel wat mensen. Waarom zou God niet zoveel wezens rondom Hem heen kunnen hebben, die Zijn bevelen in het gehele universum uitvoeren?

Er is nog een andere groep: "Duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem." Dit roept een vraag op. Waar kijken we nu naar? Waarom vermeldde Hij de ene groep apart van de andere? Er zijn drie manieren waarop we dit kunnen uitleggen.

Ten eerste, de tweede groep bestaat ook uit geestelijke wezens, engelen. Als dat zo is en we werken die vermenigvuldiging uit, dan zien we dat tienduizend maal tienduizend honderd miljoen is. Dat is een reusachtig aantal. Maar laten we ons weer afvragen, is dat te veel? Er leven ruwweg tweehonderdenzestig miljoen mensen in de Verenigde Staten. Er leven zo'n tweehonderdentachtig miljoen mensen in Rusland; honderdentwintig miljoen in Japan; meer dan vijf miljard op aarde. Is het dan verbazingwekkend dat God honderd miljoen geestelijke wezens om Zich heen heeft? Dat is voor mij geen enkel probleem.

De tweede mogelijkheid is, dat we hier in vers 10 in feite kijken naar een voorafschaduwing van het oordeel voor de grote witte troon. Let erop hoe gelijkluidend de bewoordingen zijn: "Tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend." Misschien is dat een mogelijkheid en als dat juist is, dan hebben we hier twee groepen — één bestaande uit ruwweg één miljoen geestelijke wezens die dienende geesten zijn; de andere groep een voorafschaduwing van het oordeel voor de grote witte troon dat komende is. Deze mensen staan, omdat de boeken worden geopend en het oordeel over hen gaat beginnen.

De derde mogelijkheid is, dat het allemaal geestelijke wezens zijn. Dan moeten we nog wat rekenwerk doen. Als de ene groep waarin slechts de één miljoen zijn die Hem dienden, een echt getal is en Satan in staat was een derde van de engelen met hem mee te nemen, dan is dat derde deel niet hier aanwezig. Dan moet Satan de beschikking hebben over (nogmaals dit is slechts giswerk) zo'n vijfhonderdduizend demonen. Hoe groot is de kerk? Hoeveel demonen zijn er voor elk van ons?

Als dat andere getal van honderd miljoen ook van toepassing is op engelen, dan moeten we beseffen dat God in het begin zo'n honderdenvijftig miljoen geestelijke wezens moet hebben geschapen en heeft Satan zo'n vijftig miljoen demonen voor hem klaar staan.

Ik geloof, dat we — ongeacht wat nu juist is — het volgende kunnen zeggen: ze zijn onzichtbaar; ze kennen en begrijpen de toepassing van Gods wetten veel beter dan wij; ze hebben al heel wat meer tijd hier op aarde doorgebracht dan wij; ze zijn geduchte vijanden en we moeten hen niet onderschatten.

Bedenk alstublieft dat ik zei, dat we hierdoor niet angstig moeten worden. We behoeven geen demonen achter iedere boom of struik te verwachten.

Laten we naar Daniël 10 gaan, waar we de eerste dertien verzen gaan lezen, zodat we een gevoel krijgen voor de context. We zullen er niet in detail op ingaan. In het eerste vers geeft hij de tijd waarin deze boodschap tot hem kwam.

Daniël 10:2-3, 5-6 In die dagen bracht ik, Daniël, drie volle weken door met rouw bedrijven; 3 smakelijke spijze at ik niet, vlees noch wijn kwamen in mijn mond en ik zalfde mij in het geheel niet, tot er drie volle weken verlopen waren. [Toen nadat de drie weken voorbij waren ...] 5 sloeg ik mijn ogen op en zie, daar zag ik een man in linnen klederen gekleed en de lendenen omgord met goud van Ufaz; 6 zijn lichaam was als turkoois, zijn gelaat schitterde gelijk de bliksem, zijn ogen waren als vurige fakkels, zijn armen en voeten glanzend van gepolijst koper, en het geluid van zijn woorden als het gedruis van een menigte.

Gemeente, dit was duidelijk geen mens. Hij zag eruit als een mens. De bijbel geeft geen naam van hem, maar het was ongetwijfeld een engel. We zouden kunnen veronderstellen, dat het dezelfde engel was waar Daniël eerder mee te maken had gehad, die Gabriël heette.

Daniël 10:7 Alleen ik, Daniël, zag dat gezicht, maar de mannen die bij mij waren, zagen het niet [maar ze waren zich ervan bewust dat er iets was]; doch een grote schrik overviel hen, zodat zij vluchtten en zich verborgen;

Ze zagen het niet, maar de haren in hun nek gingen overeind staan, ze voelden zich totaal niet meer op hun gemak en ze gingen er als een haas vandoor. Ze wisten niet waarom, maar er was iets met een ontzagwekkende macht in hun buurt en ze waren zich daarvan op een of andere manier bewust — misschien was de geest van de mens in hen zich bewust dat er iets om hen heen was en ze vluchtten.

Daniël 10:8-13 zo bleef ik alleen over. Toen ik dat grote gezicht zag, bleef er in mij geen kracht meer; alle kleur week van mijn gelaat, en ik had geen kracht meer over. 9 Toen hoorde ik het geluid zijner woorden, en toen ik het geluid zijner woorden hoorde, viel ik bezwijmd op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.10 En zie, een hand raakte mij aan en deed mij op knieën en handen sidderend oprijzen. [Kunt u zich de vernedering voorstellen? Hier stond hij dan op handen en voeten als een hond, bevend als een blad.] 11 En hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer beminde man, let op de woorden die ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben ik tot u gezonden. Toen hij dit tot mij sprak, stond ik bevende op. 12 En hij zeide tot mij: Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden. 13 Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield;

Ik wil dat we het plaatje voor ogen krijgen. Dit was een wezen met ontzagwekkende macht, het maakte zo'n indruk dat mannen (en ik denk dat dit gewone sterke, dappere mannen waren) zo bang werden voor iets dat ze niet konden zien, dat ze opstonden en er vandoor gingen. En toch was er iets dat dit geweldige wezen weerstond en drie weken lang verhinderde om naar Daniël te gaan.

Kunnen we ons ook maar het begin van een voorstelling maken van de titanenstrijd die er gaande was tussen (laten we maar zeggen) Gabriël en dit andere wezen, wie dit dan ook maar was? Het moet een ontzagwekkende worsteling zijn geweest, zoals u en ik nooit hebben gezien.

Ik gebruikte de term worsteling, omdat ik niet weet wat het was. Maar wat het dan ook was, dat Gabriël ervan weerhield om daar te komen, het moet een ontzagwekkende macht zijn geweest. Ik wil dat we ook begrijpen, dat deze grote worsteling gaande was zonder dat Daniël er zelfs iets van wist. Op de een of andere manier probeerde een kwaadaardige demon te verhinderen dat Daniëls gebed werd beantwoord. Maar het werd beantwoord en het werd beantwoord omdat, zoals vers 13 zegt: "Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield."

Pas toen er twee van hen samen die ene andere bestreden — twee geweldige, machtige aartsengelen om die ander, wat dat ook maar was, te onderwerpen. Ik geloof, dat de logische conclusie bijna moet zijn dat de koning der Perzen die hier genoemd wordt, niemand anders was dan Satan.

Dit gedeelte van Daniël 10 geeft werkelijk heel wat bemoediging. We kunnen dan ook begrijpen, dat de apostel Paulus en ook de psalmist zeiden, dat de engelen dienende geesten zijn. Zij dienen de erfgenamen van het behoud.

Gemeente, zij beschermen ons! Zij beschermen ons tegen volledige vernietiging! We weten niet hoe vaak een engel in ons leven tussenbeide is gekomen om ons het leven te redden, ons te beschermen tegen de macht van die kwaadaardige wezens. Ik ben er zeker van, dat het in sommige gevallen keer op keer is gebeurd, niet alleen daar waar er dramatische interventies plaatsvonden, maar ook daar waar er een interventie plaatsvond, waarvan we ons niet eens bewust waren.

Openbaring 9:11 Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon.

Dat is de grote draak van hoofdstuk 12, Satan of Azazel. Hij heeft diverse namen, maar in elk geval is hij de koning van alle demonen, hij is Lucifer die Satan werd.

Laten we nu naar Jacobus 2 gaan. We zullen hier wat bemoediging aan gaan toevoegen. We zagen in Daniël 7 dat er een mogelijkheid bestaat dat er een groot aantal demonen is. Zij zijn erop uit de erfgenamen van het behoud te vernietigen. Zij willen hun positie van autoriteit en heerschappij op aarde behouden. Zij beseffen dat wij de erfgenamen van het behoud zijn en dat de aarde iets is dat aan Abraham en zijn kinderen is beloofd. Zij weten heel goed dat wij de heerschappij over deze aarde van hen zullen overnemen. Zij proberen daar wanhopig aan vast te houden. Er zijn er heel veel van hen en ze gebruiken ieder middel dat hun ter beschikking staat, om de dingen die er gaan gebeuren te verijdelen.

Ik denk dat we genoeg inzicht hebben in Jacobus 2 om te beseffen, dat zelfs al zijn we de erfgenamen van het behoud, God toch de demonen een grote vrijheid geeft om met ons om te gaan. Maar Hij heeft ook engelen aangesteld om voor ons de strijd aan te gaan; om aan onze kant te staat; om ons te dienen en te helpen. Al zijn we er ons misschien niet van bewust, ze zijn er en ze doen hun werk.

Jacobus 2:19 Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen.

Zij kennen Gods ontzagwekkende macht en zij, in tegenstelling tot de mens, sidderen! Zij erkennen Zijn macht. Zij zijn doodsbang bij de gedachte aan God. Zij zijn er hartgrondig van overtuigd dat God bestaat!

Dit vers helpt ons in sterke mate te begrijpen, dat een geloof dat behoud voortbrengt, niet het intellectueel aanvaarden is van een theologische stelling, dat is, dat God bestaat, maar veeleer een geloof dat zich tot uitdrukking brengt in een veranderd leven.

Begrijpt u wat ik zei? De demonen geloven. Zij sidderen van angst, maar ze zullen God niet gehoorzamen. Ook wij kunnen geloven dat God bestaat. We stemmen intellectueel in met een theologische stelling. "Ja, ik geloof dat God bestaat." Maar mogelijk sidderen we zelfs niet en het grootste deel van de mensheid zal zich zeer zeker niet onderwerpen.

Het geloof dat behoudt, is het geloof dat niet alleen gelooft dat God bestaat, maar dat iemands leven in overeenstemming met dat geloof verandert. Dat is een geloof dat behoud voortbrengt. Als we geloven dat God bestaat, dan staan we daarmee minstens op hetzelfde niveau als de demonen. Ik weet niet of dat erg comfortabel is — misschien niet al te comfortabel, maar het is in ieder geval een begin.

Mattheüs 12:25-26 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. 26 En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?

Gemeente, ik ben hier om u te vertellen, dat de demonen een koninkrijk zijn dat tegen zichzelf verdeeld is. Waar Jezus het hier over heeft was een uitdaging, dat de demon die Hij zojuist had uitgeworpen, door Satan was uitgeworpen. Jezus' bewering was: "Nee, Satan zou nooit Satan uitwerpen." Dat zou nogal stom zijn als Satan Satan zou uitwerpen. Maar Hij zegt niet, dat Satan of andere demonen onder geen enkele voorwaarde andere demonen zullen uitwerpen. Zij doen dat af en toe wel.

Ze zijn heel goed in staat tot het geven van tekenen en het verrichten van leugenachtige wonderen. Ze kunnen het er doen uitzien alsof iemand is genezen, terwijl God de genezing helemaal niet heeft verricht, maar dat gebeurde gewoon door het verwijderen van de ene demon door een demon met grotere macht.

Ik ga hier doorheen, omdat ik wil dat we begrijpen dat één van de dingen die ons behouden (als ik het zo mag zeggen), het feit is dat de demonen onder elkaar verdeeld zijn. Omdat zij een verdeeld koninkrijk zijn, kunnen ze geen stand houden — als ik het op een andere manier mag zeggen: ze kunnen hun zaakjes niet voor elkaar krijgen, omdat ze wegens hun karakter altijd onderling met elkaar in de clinch liggen.

We kunnen dit begrijpen, als we inzien dat regeringen en het grootste deel van de mensheid onderworpen is geweest aan en misleid is door demonen. De menselijke natuur is een weerspiegeling van de natuur van Satan en zijn demonen.

Wat brengt dat onder mensen teweeg? Kunnen mensen met elkaar overweg? Ze kunnen niet met elkaar overweg. De andere kant van de medaille is dat de wezens die de mens inspireren (of aansturen en motiveren) om niet met elkaar overweg te kunnen, ook niet met elkaar overweg kunnen. Het enige dat hen nog enigszins bij elkaar houdt is, dat er aan het hoofd van deze organisatie een demon staat met zo'n ontzagwekkende macht dat hij in staat is hen van tijd tot tijd weer op één lijn te krijgen, zodat ze zijn opdrachten uitvoeren. Hij doet dit puur met geweld. Het wordt niet uit liefde voor hem gedaan.

Ze vormen een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is. Ze zullen uit elkaar vallen en dat, gemeente, is iets in ons voordeel. Ze zijn opstandig en daarom ongeorganiseerd. Ze kunnen hun zaakjes niet echt voor elkaar krijgen. Veel belangrijker is, dat ze weten dat God bestaat en dat ze voor Hem sidderen. Daarom zijn ze in hun bewegingsvrijheid beperkt.

Al deze factoren gaan nu min of meer samenvallen. Ten eerste, er zijn veel meer goede engelen dan dat er demonen zijn, minstens twee tegen één. Deze engelen behoeven in zekere zin niet voor zoveel mensen te zorgen, omdat de kerk van God nooit erg groot is geweest. Ze zijn dienende geesten voor de erfgenamen van het behoud.

Gemeente, we hebben een geweldig numeriek overwicht aan onze kant. Weet u nog wat Elisa tegen zijn knecht zei? Hij zei: "God, laat hem zien dat er meer aan onze kant zijn dan aan hun kant." Weet u dat nog? Zo staan de zaken ervoor. Er werkt veel meer ten gunste van ons, omdat er niet alleen dat geweldige aantal engelen is, maar ook God staat aan onze kant!

Misschien zijn deze demonen niet echt bang voor de andere goede engelen, maar ze zijn doodsbang voor God. Ze weten dat Hij over alle macht beschikt. Ze worden dus aanzienlijk in hun bewegingsvrijheid beperkt, zoals we nu gaan zien.

Job 1:6-12 Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan. 7 En de HERE zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de HERE: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb. 8 Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. 9 En de satan antwoordde de HERE: Is het om niet, dat Job God vreest? 10 Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land. 11 Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit; of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! 12 En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen.

Laten we dit een beetje analyseren. Ten eerste, let erop hoe ontwijkend zijn eerste antwoord aan God was. "Wat heb je de laatste tijd gedaan, Satan? Waar kwam je vandaan?" Ik geloof, dat we er goed aan doen te denken dat hij op een spottende manier sprak — honend, in de vorm van: "Waarom wilt U dat weten?", omdat wat hij hier zegt, de suggestie geeft van een zwerver: "Och, ik heb wat rondgezworven." Het suggereert een rondtrekkende, rusteloze zwerver zonder vaste verblijfplaats, die (waar hij ook gaat) een buitenstaander is. En dat is hij. Hij werd ter aarde nedergeworpen, maar hij heeft duidelijk nog toegang tot God, tenminste op een bepaalde manier, omdat hij voor God verscheen tezamen met de andere zonen van God.

Maar wat voelde hij toen hij daar was? Hij voelde zich niet echt geaccepteerd. Hij voelde zich een buitenstaander en dat was hij inderdaad ook. Denk hier over na, omdat dit iets van doen heeft met de manier waarop hij zichzelf op anderen projecteert. We kunnen hier heel veel uit leren over hoe de mens in elkaar zit, omdat de menselijke natuur voornamelijk van dit wezen afkomstig is. Hij voelde zich een buitenstaander, als iemand die (in zekere zin) alleen wil zijn.

Het volgende waar we op moeten letten is, hoe cynisch zijn volgende antwoord is. "Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job?" God geeft hier in zekere zin hoog op van Job. "Kijk eens naar die man, hoe rechtvaardig hij is." God had ongetwijfeld iets in gedachten. Hij begreep het denken van Satan en Hij begreep ook Job. Hij was in feite bezig om een situatie tot stand te brengen, waar Satan direct intrapte, maar God stond op het punt Job de test van zijn leven te geven.

We weten wat er in 1 Corinthiërs 10:13 staat, dat God iemand nooit een zwaardere test zal geven dan die hij volgens Hem kan doorstaan. Daarom had God absoluut vertrouwen in Job, dat hij Satan kon verslaan, zelfs al wist Job niet dat Satan degene was die hier achter zat! Na het tweede hoofdstuk wordt Satan nooit meer genoemd. Hij komt nooit meer terug in het verhaal, maar hij wordt aan het begin gebruikt om de situatie tot stand te brengen.

Let erop, dat Satans houding cynisch is. "Denkt u, dat Job geen reden heeft om God te vrezen? Kom nou God, hij gehoorzaamt alleen maar omdat hij iets van u kan krijgen." Cynisme, scepticisme, twijfel. Satan dacht niet dat er iemand kon zijn, die echt goed was. Satan denkt dat iedereen op dezelfde manier in elkaar zit als hij — cynisch.

Dit is precies het tegenovergestelde van een kinderlijke houding. Bedenk dat Jezus zei: "Tenzij u zich bekeert en wordt als een klein kind, zult u het Koninkrijk van God voorzeker niet binnengaan." Cynisme is het bewijs van twijfel, van ongeloof. Het is geen goede houding.

Satan gelooft, dat iedereen uit is op eigen voordeel, om het beste voor zichzelf te krijgen. Bedenk wat Paulus aan Titus schreef in Titus 1:15. "Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein."

Gemeente, we moeten hieraan denken, omdat geloof in Gods goedheid de essentiële reden is voor liefde, voor hoop en voor vreugde. Cynisme is het tegengestelde daarvan. Het is een bestudeerd — iets waarover goed is nagedacht — ongeloof. Als dat openbaar wordt in een menselijk wezen, dan is dat een duidelijk bewijs dat Satan een hele grote invloed op zijn denken heeft gekregen.

Iemand die cynisch is, heeft een sterk vernietigende invloed op goede relaties, omdat mensen die door Satan beinvloed zijn tot cynisme, dingen zullen zien in wat andere mensen zeggen en doen, die er niet inzitten. Iemand die zo denkt, wordt door zijn denken vernietigd.

Let op wat Satan — in deze episode met Job — achter Jobs denken en doen zag: dat Job uit zelfzuchtige motieven aan God gehoorzaam was. Dat zag hij erin. Satan is uit op eigen voordeel. Hij is listig en bedrieglijk, zoals geen enkel mens die we ooit zijn tegengekomen. Hij kan vleien als geen ander. Hij kan een charmante persoonlijkheid zijn. Maar hij gebruikt het altijd om te zien wat hij er voor zichzelf uit kan halen, omdat hij in anderen altijd zichzelf denkt terug te zien! Dat is een vreselijke vloek en het vernietigt relaties.

Hij impliceert in zijn spreken tot God, dat Jobs godvruchtigheid kunstmatig is. Hij suggereerde dat die nog nooit was getest. Hij zegt: "God, U hebt het hem veel te gemakkelijk gemaakt." Hij zegt: "God, U koopt hem om met al die goede dingen waarin U voorziet."

De basisvraag voor het gehele boek is nu gesteld. Die is: Is God zo goed dat we Hem kunnen liefhebben omwille van wat Hij is en niet voor Zijn gaven en wat Hij voor ons kan doen? Dat is de vraag waar het hier om draait.

Kan iemand geloof hebben in God als er geen voordelen zijn te behalen? Kan iemand geloof hebben in God als de dingen niet goed gaan? Kan iemand geloof hebben in God als de dingen anders lopen dan we dachten dat ze moesten lopen? Kan iemand geloof hebben in God als God toestaat dat het kleed onder zijn voeten wordt weggetrokken? We zullen allemaal op die manier worden getest — sommigen wat meer, anderen wat minder, maar we zullen allemaal getest worden en ik hoop dat we het allemaal net zo goed doen als Job.

Gods vertrouwen in Job werd gerechtvaardigd. Jobs loyaliteit hield stand. Hij liet zien dat hij God niet alleen maar gehoorzaamde omwille van wat God voor hem kon doen. Hij hield echt van God om wat Hij is.

Satan kan dan wel de top-onheilmaker van het universum zijn, maar we moeten begrijpen dat hij in vergelijking met God nog maar steeds heel nietig is. God stelt grenzen en Satan kan alleen maar doen wat God hem toestaat te doen.

We lazen in vers 12: "Zie, hij is in uw hand, alleen doe hemzelf niets aan."

Job 2:6 En de HERE zeide tot de satan: Zie, hij zij in uw macht; alleen, spaar zijn leven.

We zien hier een principe onder woorden gebracht, waaruit we allemaal heel veel troost kunnen putten. Zoals God met Job handelde, zo doet Hij ook met ons. God heeft grenzen gesteld aan wat Satan of de demonen met ons kunnen doen. God handelt met ons naar de mate van ons geloof, onze liefde, de mate van Zijn Geest in ons. We moeten met geloof omgaan met de dingen die Hij toestaat te gebeuren, en begrijpen dat we God liefhebben (Hij is vrijgevig en goed), maar dat we Hem liefhebben om wat Hij is en niet omdat Hij ons goede dingen heeft gegeven. Die goede dingen vormen een extra zegen.

We zien dan dat wij verantwoordelijk zijn en dat we van tijd tot tijd ervoor komen te staan de demonen te overwinnen, aan wie God toestaat ons te testen.

Efeziërs 6:10-12 Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. 11 Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; 12 want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Hij zegt in vers 10 krachtig te zijn. Dat betekent in feite ons met kracht te bekleden zoals met een kledingstuk. Hij zegt dat wat wij moeten doen, iets is dat deel uitmaakt van een proces. Het is niet iets dat we snel worden, net zo min als we in één ogenblik zijn aangekleed. Veeleer doen we het ene kledingstuk na het andere aan. Krachtig worden in de Here maakt deel uit van een proces, dat plaatsvindt in onze ervaringen binnen de relatie met God.

We moeten voortdurend versterkt worden met de kracht van Christus — gekleed worden, krachtig worden in de Here.

Hij zegt ons dan in vers 11 "doet aan". Dat is heel interessant, omdat het letterlijk betekent "verberg in", alsof het een plaats van veiligheid is. Hij zegt ons dat we ons daarin moeten verbergen. De betekenis ligt dicht bij die van het woord "omhullen".

De wapenrusting van God, het krachtig zijn in de Here, zal ons omhullen. Het betekent dat elk deel van ons lichaam, van onze voetzolen tot de kruin van ons hoofd, bedekt moet zijn met de wapenrusting van God, die hier panoplie wordt genoemd. Dit woord staat niet in het Nederlands, maar het is in de Statenvertaling vertaald met "de gehele wapenrusting Gods". Het is niet slechts goddelijke wapenrusting, maar de gehele goddelijke wapenrusting waar we ons mee moeten bedekken.

Als we dit in moderner Nederlands zouden moeten zeggen en we de apostel Paulus zouden zijn, zouden we zeggen: "Gemeente, als u met Satan gaat vechten, met de overheden en de machten, dan kunt u beter tot de tanden gewapend zijn!" We moeten dit doen, omdat we moeten begrijpen dat Satan vanuit elke richting op ons zal afkomen. Hij heeft de macht, de mogelijkheden om dit te doen. Wij moeten in staat zijn al zijn sluwe streken, zijn bedrog, zijn listen, die hij op ons loslaat, langs ons heen te laten gaan — Paulus heeft het over al zijn brandende pijlen.

Hij zegt ons in vers 12, dat we betrokken zijn in een worstelwedstrijd en dat is heel interessant. Het kost niet veel moeite dat uit te leggen, maar een beetje achtergrondinformatie zal ons daarbij helpen. Wat hij zegt is gebaseerd op wat er tijdens de Griekse worstelwedstrijden plaatsvond; de verliezer werd vaak blind gemaakt. Hij werd niet ter dood gebracht, maar hem werden de ogen uitgestoken.

We begrijpen hoe dat iemand in fysieke zin ongeschikt maakte. Laten we dat eens in geestelijke zin bekijken. Een goed begrip hebben zij die Zijn geboden doen, nietwaar? Met andere woorden iemand die de geboden van God onderhoudt, zal in staat zijn geestelijk te zien. Als we de worstelwedstrijd met Satan verliezen, bestaat het verlies uit het niet langer in staat zijn geestelijke dingen te zien. We beginnen het zicht daarop te verliezen. Is dat geen kleurige beschrijving? Wat een metafoor! Hij zegt niet dat we onmiddellijk worden gedood. We beginnen eenvoudigweg het zicht te verliezen.

Om onszelf te beschermen moeten we de gehele wapenrusting van God aandoen. We hebben met een formidabele tegenstander van doen.

Paulus probeert ons niet bang te maken en ik probeer u ook niet bang te maken. Maar we moeten dit gevecht met begrip voeren. Mensen zijn niet onze echte vijanden! De overheden en de machten zullen mensen gebruiken. Hij wil dat we begrijpen, dat de werkelijke vijanden deze bovennatuurlijke wezens zijn, die deze mensen ertoe aanzetten te doen wat zij willen en de erfgenamen van het behoud proberen te doen struikelen.

Weet nu dit: we kunnen zeker zijn van de overwinning, omdat onze David, Jezus Christus, hun Goliat, Satan, reeds heeft verslagen. Hij deed dit en Hij leeft in ons! Maar we zullen hen nooit verslaan, tenzij we erkennen dat ze echt zijn en dat we erop vertrouwen dat God hen zal verslaan als we God de kans geven dit te doen door aan Hem gehoorzaam te zijn.

Deze passage is een oproep tot de strijd. Merk op dat hij zegt: "Houd stand!" Weet u wat er in het Grieks staat? "Blijf op uw post. Trek niet terug. Blijf op uw post. Geef niet toe aan zijn bedrieglijke overredingskracht door een leven van trots, jaloezie en begeerte te gaan leiden — die houdingen en gevoelens zullen ertoe leiden dat u Gods geboden gaat overtreden."


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)