Bestuur (Deel 7)

Door John W. Ritenbaugh
18 juli 1992

Samenvatting: (toon)

In dit zevende en laatste deel uit de serie over bestuur herhaalt John Ritenbaugh dat het de verantwoordelijkheid van iedereen is zichzelf te regeren. Anders zal zelfs het beste bestuur (het bestuur van ons Hoofd, Jezus Christus) niet werken. Goethe zei: "De beste vorm van elke vorm van bestuur is die vorm die ons leert onszelf te regeren." Vrijwillige instemming en wederzijdse instemming is de weg tot eenheid. Christus verwacht dat de leider geeft, geeft en nog eens geeft. De autoriteit van de dienaren is derhalve een "stafpositie" door God verleend, als een gave aan de kerk, voor het toerusten van de heiligen tot dienstbetoon en tot opbouw van het lichaam van Christus, zodat we allemaal in Christus kunnen opgroeien.


Vandaag gaan we kijken wat de Bijbel te zeggen heeft over de autoriteit van de dienaren. Om een vliegende start te hebben wil ik beginnen met de brief aan de Efeziërs — om te bevestigen wat binnen de kerk de basisrelatie is tussen ons allemaal. Ik deed in de vorige preek de volgende uitspraak; "het bestuur binnen de kerk is gezinsbestuur."

 

Eén van de hoofdthema's in de brief aan de Efeziërs is "eenheid". Het laat zien waarom we eenheid kunnen hebben en hoe deze kan worden bereikt. Laten we dus Efeziërs 1 opslaan. Ik zal daar niet al te veel over uitweiden, omdat ik geloof dat deze verzen heel duidelijk zijn met betrekking tot het doel dat de apostel Paulus ermee heeft. En ik geloof, dat het werkelijk op u en mij — als deel van de Kerk van God, nu in de eindtijd — van toepassing is. Het is iets dat voor ons belangrijk is om te begrijpen.

Efeziërs 1:3-4 Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.

Let erop, dat God dit allemaal aan het uitwerken was — Hij dacht er over, dacht over Zijn doel — voordat de tijd begon. De tijd begon toen God de hemelen en de aarde schiep, waardoor we tijd kunnen afmeten. Misschien moeten we in zekere zin eigenlijk zeggen, dat de tijd niet begon voordat God Adam schiep. Toen werd tijd belangrijk. (Tijd betekent niet hetzelfde voor God.) Maar God was reeds aan het denken over het doel dat Hij in ons leven aan het uitwerken is, voordat de tijd begon.

Efeziërs 1:9-10 Door ons [de kerk] het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden [Let hierop!], al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.

Alles "onder één hoofd". Eén lichaam, één koninkrijk, één gezin en één kerk. Dat bereidt de weg voor voor de rest van de brief. EENHEID — we hebben dat op aarde niet. De mens is nooit "één" geweest op de manier dat God wilde dat de mens één zou zijn. Vandaar Zijn doel, dat reeds voor de tijd begon.

God begreep wat er zou gaan gebeuren toen Hij de mens schiep — met zijn vrije wil en met de aanwezigheid van een duivel die de mens zou verzoeken. De menselijke natuur zou zo zijn — wegens het handelen van Satan — dat mannen en vrouwen, iedereen (nationaliteiten, taalgroepen, ethnische groepen) allemaal tegen elkaar zouden worden opgezet. Het zal erop gaan lijken alsof eenheid onmogelijk is.

Kijk eens wat er in Joegoslavië gebeurt. We hebben het dan niet over een onbeschaafd, derde wereld land. We hebben het dan over een natie, waarvan de geschiedenis waarschijnlijk net zover teruggaat als die van ons. (Ik bedoel de Israëlitische volken.) Zij zijn reeds duizenden jaren in Europa — veel langer dan ons volk hier in deze natie verblijft. En toch zien we broeder vechtend tegen broeder. (Misschien zijn ze wel neven. Ik weet het niet. Misschien zijn ze geen broeders.)

Desalniettemin is er [daar] burgeroorlog en strijd binnen families. Maar Gods doel is om alles "onder één hoofd" te brengen.

Efeziërs 1:22-23 En Hij heeft alles onder zijn [Christus'] voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23 die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.

We zien dat de kerk een dynamisch organisme is. God is degene die de plannen maakte, dat er zo'n lichaam van mensen zou zijn. Het is dus een levend organisme. We zien hier dat het zijn bestaan, zijn leven en zijn BESTUUR te danken heeft aan de levende Jezus Christus — die God is!

Efeziërs 2:14a Want Hij [Jezus Christus] is onze vrede, ...

Hij is "het middel" tot vrede. (Er is heden ten dage geen vrede onder de mensen.)

Efeziërs 2:14a Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt ...

Het grote punt waar het hier om draait, is het tot "één" samenvoegen van de heiden en de Israëliet. We moeten hier dus aan denken in termen van iets dat wereldomvattend plaatsvindt. Maar we moeten er ook aan denken in termen van iets dat in ons leven, individueel, plaatsvindt — als God ons doet opgaan in dit geestelijk organisme dat Hij aan het vormen is.

Efeziërs 2:14b-17 ... en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren.

We zijn een verscheidenheid aan mensen, maar we hebben (wij allemaal) één ding gemeenschappelijk. Dat is Jezus Christus — of onze loyaliteit aan Jezus Christus. Daarom is Hij onze vrede. Hij is "het middel" tot vrede. Houdt deze gedacht vast, omdat deze veel vandoen heeft met BESTUUR. Onze relatie met Jezus Christus zal er voor zorgen, dat BESTUUR BINNEN DE KERK zal gaan werken! Vanwege de relatie die wij met Hem hebben, wordt Hij "het middel" tot vrede. Dit onderwerp gaat verder:

Efeziërs 3:5a Dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, ...

Hij heeft het over dit grote geheimenis. "Geheimenis" heeft in deze brief vandoen met het in eenheid onder "één hoofd" brengen van alle mensen.

Efeziërs 3:5-6 Dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: 6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.

Het onderwerp gaat verder in hoofdstuk 4. Mijn Bijbel heeft een subtitel boven dat hoofdstuk: "Wandel in eenheid".

Efeziërs 4:4-6 Eén lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.

Hij laat dus zien dat er geestelijk eenheid is. De mensen zijn verdeeld. Maar wij moeten ernaar streven deze "eenheid" tot stand te brengen. God, die weet hoe moeilijk dit zal zijn, gaf gaven aan de kerk. Deze gaven die Hij aan de kerk gaf, zijn gegeven in de vorm van mensen — dienaren. (We komen daar later nog op terug.) De dienaren zijn door God aan Zijn lichaam [de kerk] gegeven om ons tot een gemeenschappelijke verzameling van geloofspunten (doctrines) te brengen. We handelen op basis van datgene dat we geloven! Dat bepaalt wat we gaan doen.

Tot aan dit punt heeft Paulus alleen maar het voorbereidende werk gedaan. We zouden kunnen zeggen "de theologie" uiteengezet van het onderwerp waarover hij deze mensen gaat onderwijzen. Te beginnen met vers 17 begint Paulus ons de ethische consequenties op te leggen van de theologie die hij ons in de eerste vierenhalve hoofdstukken gaf. Aan het begin van de brief zien we dus de geestelijke basis en nu, beginnend in hoofdstuk 4:17, zien we dat er ook een juiste morele basis moet zijn.

Zonder die twee ... Dat is zonder de juiste theologie (zonder het juiste onderwijs, zonder het juiste doel) en zonder de juiste activiteiten (de ethische vereisten) zullen we beslist niet zo best "met elkaar omgaan" — ongeacht de intensiteit van het BESTUUR dat over ons is aangesteld.

 

Het is de verantwoordelijkheid van iedereen zichzelf te besturen. Anders zal zelfs HET ALLERBESTE BESTUUR (het bestuur van ons Hoofd, Jezus Christus) niet werken.

Merk op wat Paulus — in samenhang met de "ethische vereisten" die ons worden opgelegd — zegt met betrekking tot onze relaties (ons gedrag) binnen dit Lichaam van mensen. Misschien zouden we kunnen zeggen, dat dit in het bijzonder rechtstreeks van toepassing is "op kerkdiensten". Maar ik geloof, dat we dit in een veel breder kader moeten zien. Onze opdracht is:

Efeziërs 5:21 ... weest elkander onderdanig in de vreze van Christus.

We moeten elkaar onderdanig zijn — niet op basis van "beter" of "slechter" zijn. Het is geen zaak van sociale status. Het is geen zaak van geld, kleding of iets van dien aard. Het is geen zaak van beroep — maar veeleer op basis van onze relatie met God, door Jezus Christus.

Merkte u op wat vers 21 zei? "Weest elkander onderdanig in de vreze van Christus." Dus uit respect, uit eerbied, voor Hem! Dat is de sleutel voor het gedrag dat we in ons leven moeten vertonen — speciaal onder elkaar.

Hier vallen ook de dienaren onder. Het doet er niet toe of u een dienaar bent of een gewoon lid, of u een diaken bent, of dat u niet in een functie bent aangesteld. Dat doet er allemaal niet toe. Dit alles geldt voor iedereen. En als we helemaal teruggaan naar het begin van vers 1, dan zien we wat Paulus als inleiding hierop zei.

Efeziërs 5:1-2 Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad [Daar hebben we het patroon: "Zoals ook Christus u heeft liefgehad."] en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk.

Dat zou ons duidelijke instructies moeten geven. Daarna zegt hij: "geen hoererij, onreinheid, hebzucht" en de ethische (morele) vereisten worden opgesomd. Voordat iemand aan de morele vereisten kan voldoen, moet iemand zichzelf beschouwen als een levend offer — net als Jezus Christus. Verbindt dit met het onderwerp van deze brief, verbindt dit aan hoofdstuk 5 (in het bijzonder het einde van het hoofdstuk) — hij geeft ons de basis voor het waarom (of hoe) we in staat moeten zijn ons te onderwerpen.

Ziet u, opoffering ondersteunt de handeling. Als we geen opofferende houding hebben, dan zullen we hoogstwaarschijnlijk niet in staat zijn met elkaar om te gaan — omdat we niet in staat zullen zijn ons aan elkaar te onderwerpen. Ook in deze context (net als in Filippenzen 2) is dus de relatie van Christus met de kerk het patroon.

Let op het volgende: In Christus' leven, zelfs in de context van dit hoofdstuk, is er geen aanwijzing voor het domineren van de leider (Christus) — of door, zoals we zouden kunnen zeggen, degene in autoriteit (of dat nu een dienaar is, of een echtgenoot, of wat dan ook). De apostel schuift deze allemaal op één hoop. Dat is wat we hier moeten begrijpen. Er is geen aanwijzing voor het domineren van degene in autoriteit, of van blinde en onnadenkende onderworpenheid aan degene in autoriteit.

Wat we hier zien is vrijwillige instemming en onderlinge onderwerping — als een handeling van geloof in Christus. Dit is de weg naar eenheid. Het hangt allemaal af van het individu. Binnen de context van de Bijbel zouden we over de geestelijke toerusting moeten beschikken om dit te doen. We hebben het juiste doel — omdat God dat aan ons heeft geopenbaard. We hebben de juiste Geest. Er zijn "gaven" aan ons gegeven — om tot ons te prediken en ons tot een gemeenschappelijke verzameling van geloofspunten te brengen. En als we de juiste houding hebben, dan behoort eenheid mogelijk te zijn.

Ik wil hier duidelijk maken dat God het niet heeft over handelingen — of bevelen — waarmee zonde gepaard gaat. (Ik heb het over het "aan elkaar onderwerpen" van hoofdstuk 5.) Niemand staat ooit onder bevel van God om zich aan zonde te onderwerpen, onder geen enkele omstandigheid! Iedereen heeft de verantwoordelijkheid God met betrekking tot deze dingen te gehoorzamen.

Maar het leven is niet alleen maar "moreel", in de zin dat iedere handeling op een of andere manier iets heeft te maken met het overtreden van een gebod van God. Ik zou willen zeggen dat in feite heel veel dingen in het leven (misschien wel de overgrote meerderheid van de dingen — misschien moet ik wel zover gaan te zeggen 90% van de beslissingen of keuzes die door ons worden genomen of waarvoor we in het leven komen te staan) niets vandoen hebben met "zonde" op zich. Die hebben vandoen met het maken van keuzes tussen wat "wijs" of "dwaas" is — en het gehele gebied daartussen. (Met andere woorden wat is eenvoudigweg "het beste wat we kunnen doen.")

We hebben hier een voorbeeld in de kerkdiensten. De orde van de dienst, in de kerk, was iets dat door de heer Armstrong werd ingesteld. We zingen drie gezangen. Daarna is er een openingsgebed. Dan krijgen we een korte preek. Dan weer een gezang. Dan mededelingen. Mogelijk is er dan een muzikaal intermezzo. Dan volgt de preek. Daarna nog een gezang. En tenslotte is er het slotgebed.

Als iemand dat wil veranderen, dan staat hem dat, wat God betreft, geheel vrij. Het doet er niet toe of we twee gezangen of één gezang zingen aan het begin. Of dat we nog eens vier gezangen zingen tijdens het verdere van de dienst. Of dat we in plaats van in totaal vijf gezangen, er zeven of negen zingen. Zulke keuzes hebben geen relatie met zonde. Het is iets van wat in de praktijk het beste uitwerkt. Welk patroon is het wijst om te volgen met betrekking tot het regelen van de kerkdiensten, zodat er, laten we zeggen vanuit psychologisch oogpunt, de meest geschikte atmosfeer ontstaat — zodat iedereen geestelijk, met zijn gehele hart, betrokken geraakt met wat er gaande is.

Op basis van zijn ervaring en zijn wijsheid kwam de heer Armstrong tot de conclusie dat dit het beste werkt. We hebben hier vandoen (in dit punt met het aan elkaar onderwerpen in de vreze des Heren) met dingen waarbij een mening en ervaring, wijsheid of dwaasheid betrokken is — geen zonde. Niemand behoeft zich ooit aan zonde te onderwerpen. Iedereen is verantwoordelijk aan God om in zo'n geval zich niet te onderwerpen.

Hetzelfde principe geldt op praktisch elk gebied van het leven. Het geldt binnen het gezin — binnen familierelaties. Het geldt ook binnen onze baan. Het probleem is dat we vaak sterke gevoelens hebben over hoe de dingen behoren te gebeuren, of hoe we behoren te worden behandeld. Als dit wordt gecombineerd met onze neiging tot wedijver en ons verlangen de zaak onder controle te hebben, gaan er "gekwetste gevoelens" ontstaan. Iemand zal zijn hielen in het zand gaan zetten, of gaan vitten, of zijn invloed doen gelden. Er ontstaat verdeeldheid en uiteindelijk zal er op bepaalde schaal "oorlog" ontstaan. (Er vindt een gevecht plaats.)

De overgrote meerderheid van dit soort gebeurtenissen is in Gods ogen niet belangrijk. Alleen dat we geërgerd kunnen raken — daar maakt Hij Zich bezorgd over. Dan moeten we die ergernis overwinnen. Of alleen dat er verdeeldheid ontstaat — daar maakt Hij Zich bezorgd over. En dat begon alleen maar met het hebben van meningen — en niet met zonde. Maar dat kan uitlopen op iets heel ernstigs; daar maakt Hij Zich, op zijn beurt, bezorgd over.

Er zijn diverse betere manieren om de dingen te doen. Een Amerikaans spreekwoord zegt: "Er zijn meer manieren om een kat te villen." Wat God ons duidelijk wil maken is, dat tenzij er zonde bij betrokken is, het er niet veel toe doet op welke manier de dingen gebeuren. Het doel van God is, dat we eerlijk en nederig zoeken naar en ons onderwerpen aan wat de beste manier blijkt te zijn — ongeacht wiens idee het is. Als dit wordt gedaan (dit nederige zoeken naar en onderwerpen aan de beste manier), dan worden beiden — of men nu de leider is of degene die onder autoriteit staat — verhoogd.

Dat is de praktische toepassing van Filippenzen 2:5-11. Dat was hetgene waar Paulus op uit was (alleen op veel grotere schaal), toen hij zei: "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die Zichzelf vernederde." Hij vond het niet belangrijk dat Hij gelijk was aan God! Hij klampte Zich daar niet aan vast. Hij liet het los. Hij vernederde Zichzelf. "Daarom (zegt Paulus) heeft God Hem ook uitermate verhoogd."

Er is een verband tussen dit doen en het soort resultaat dat wordt voortgebracht. Het is de weg naar de juiste vorm van leiderschap. Als we Filippenzen 2:5-11 in verband brengen met de gehele brief aan de Efeziërs — begrijpend dat deze onderwerping aan elkaar gedaan wordt als een handeling van geloof in God — dan brengt het het juiste resultaat voort. God zal ervoor zorgen dat de dingen op de juiste manier uitwerken. Het kan zijn dat het niet op de juiste manier begint en er kunnen heel wat problemem volgen. Maar omdat het met deze houding gebeurt, zal het de juiste vruchten voortbrengen.

Dit onderwerpen aan elkaar wordt deels gemotiveerd door zowel (1) het verlangen met elkaar overweg te kunnen als (2) tevreden zijn met minder dan waar men recht op heeft.

Efeziërs 5:25 Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft,

Dat gaat perfect samen met vers 2 van hetzelfde hoofdstuk. Ik zeg dit omdat Hij [Christus] zeer zeker minder accepteerde dan waar Hij aanspraak op kon maken. Nogmaals, Hij is het patroon. Hij maakte Zichzelf tot slaaf voor de kerk. Zo zien we dus dat God, vanuit Zijn perspectief, verwacht dat de leider ... Dat is — binnen het gezin in het bijzonder de man. Binnen de kerk zijn dat de pastor en de oudsten. Christus verwacht dat de leider geeft, geeft en nog meer geeft. Denk hierbij aan Jezus' aansporing (uit Mattheüs 20): "Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn."

Al deze dingen hangen met elkaar samen: Mattheüs 20:25, de gehele brief aan de Efeziërs en Filippenzen 2. God heeft een weg (als ik het zo mag uitdrukken) naar eenheid, naar verhoging, naar grootheid — de juiste vorm van leiderschap.

Ook hier wil ik weer naar Christus kijken als het patroon. Wat ik heb gezegd zou iemand kunnen doen denken, dat ALS hij geeft en geeft en geeft, dat iedereen DAN over hem heenloopt. In tegendeel, ik beweer dat juist het tegenovergestelde gebeurt! Niemand gaf meer dan Christus [gaf] — en er werd beslist niet over Hem heengelopen. Hij was echter attent en gevoelig — een betrokken Leider — die nederig en wijs de mogelijkheden in beschouwing nam en er de beste voor alle betrokkenen uitkoos. Hij was hiertoe in staat omdat Hij Zich werkelijk aan God had overgegeven. Hij keek niet alleen maar naar Zijn eigen belang. Dit betekent in het geheel geen verlies van autoriteit, maar dit is juist de enige basis van echte AUTORITEIT en LEIDERSCHAP.

Ik wil dit alweer in verband brengen met Filippenzen 2 (in het bijzonder de verzen 8 en 9) — omdat daar staat dat, omdat Hij Zichzelf vernederde, Hij nu uitermate [tot op het allerhoogste niveau] verhoogd is.

Laten we nu Efeziërs 4 opslaan en we gaan dan het aandeel van de dienaar opnieuw in "het geheel" inpassen.

Efeziërs 4:11-13 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus.

De dienaren hebben autoriteit, maar deze is beperkt en specifiek. Het wordt gezien als, wat ik zou willen noemen, "een stafpositie" — gegeven door God, als een gave aan de kerk om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon en tot opbouw van het lichaam van Christus (zodat we allemaal in Christus kunnen opgroeien).

Het sleutelwoord hier met betrekking tot de dienaren is "toerusten". Het corresponderende Griekse woord wordt in de medische wereld gebruikt voor het zetten van een bot. In de politiek voor het bijeenbrengen van twee tegengestelde partijen. In Marcus 1 wordt het gebruikt voor het in orde brengen van visnetten. In Galaten 6 wordt het gebruikt voor het onderwijzen van een lid van de kerk, zodat hij weer geschikt wordt voor het innemen van zijn plaats in de gemeenschap. Het basisidee van dit woord is iets in de conditie te brengen waarin het behoort te zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de dienaren jegens God, ten behoeve van de kerk, om de leden van de kerk in de conditie te brengen waarin ze behoren te zijn. De functie van de dienaren is erop toe te zien dat de leden van de kerk zo worden opgevoed, zo geleid, er zo voor hen wordt gezorgd, ze zo opgezocht worden (als ze afdwalen), dat ze worden wat ze behoren te zijn. Het doel hiervan is, erop toe te zien dat dit dienstwerk voortgaat — ook buiten hen om. "Dienen" duidt op een "praktisch dienstbaar zijn".

Het concept hierachter heeft altijd met bouwen vandoen. Het is positief, hetgeen tot uiting komt in het woord "opbouw". (Dit hier heeft betrekking op het werk van de dienaren.) Het is altijd een verder bouwen aan eenheid. "Totdat wij allen komen tot ... de maat van de wasdom der volheid van Christus."

Het doel van een dienaar moet nooit zijn, dat we alleen maar fatsoenlijke en gerespecteerde mensen worden. Het doel is veeleer de volheid van Christus. Er lopen heel wat fatsoenlijke en gerespecteerde mensen rond die niet zijn bekeerd. (Ik bedoel "daarbuiten", in de wereld.) Het doel van de dienaren is dus, om de mensen tot "de maat van de wasdom der volheid van Christus" te brengen. Dat betekent ons te maken tot voorbeelden van een perfecte christelijke man of perfecte christelijke vrouw. Gemeente, dat is een verheven roeping! (Ik doel hier niet op de dienaren. Ik heb het over de gewone leden van de kerk.)

We kunnen niet echt op de juiste wijze dienen totdat we dit onderwerp van BESTUUR en AUTORITEIT duidelijk hebben — omdat er in elk van ons de zucht tot "controle" aanwezig is. We moeten dus allemaal leren tot hoever onze autoriteit gaat. En zoals ik eerder zei, dat is niet in elke situatie hetzelfde. Dat moet nogal eenvoudig te begrijpen zijn. De Bijbel geeft ons hiervan de principes. Dat zijn de principes van waar onze grenzen liggen.

Wat in de Bijbel met betrekking tot de dienaren zo interessant is, is dat er bijna niets wordt gezegd over de autoriteit van de dienaren. Er is wel iets, maar dat is niet specifiek daarop gericht. In plaats daarvan richt de Bijbel zich erop wat verondersteld wordt de houding van de dienaren te zijn — ten opzichte van autoriteit en ten opzichte van degenen die tot de gemeente behoren.

Als we nog eens terugdenken aan 2 Corinthiërs 10, aan wat Paulus daar aan de Corinthiërs zei, dat zijn "perken" (duidend op de "grenzen van zijn autoriteit") zich uitstrekten tot hen. Dat impliceert toch dat God Paulus een zekere mate van autoriteit over deze mensen gaf? Er is daar sprake van het erkennen van autoriteit. Hij had dus autoriteit in hun leven. Maar in het geval van de apostel Paulus laat het ook op overtuigende wijze zien dat zijn zorg er naar uitging dat hij niet buiten zijn boekje [autoriteit] ging en op het fundament van anderen verder bouwde — dit liet ook zijn houding ten opzichte van de mensen zien.

Zowel 1 Corinthiërs als 2 Corinthiërs handelen over een groot aantal slechte problemen. Iemand zei me eens dat er in deze twee brieven eenentwintig problemen aan de orde komen. Maar alles wat we zien met betrekking tot het werkelijk "uitoefenen van autoriteit" door Paulus, is een beetje sarcasme en een paar dreigementen (dat hij, indien nodig, zijn "macht" zou gebruiken als hij daar zou arriveren). We zien veeleer dat hij zich beroept op de Schrift en op het gezonde verstand.

Laten we 1 Corinthiërs 10 opslaan. We lazen dat vers de vorige keer, maar ik wil dat we zien waar we hier mee te maken hebben.

1 Corinthiërs 10:14-15 Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij! 15 Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg.

"Beoordeelt dan zelf." Hij doet een beroep op hun gezonde verstand. Zijn onderwijs was krachtig en duidelijk, maar niet dictatoriaal. Hij doet een beroep op hen met krachtige, geestelijke argumenten en logica. Hij doet een beroep op hen om na te denken.

2 Corinthiërs 4:2a Maar hebben wij verworpen alle schandelijke praktijken, die het licht niet kunnen zien, daar wij niet met sluwheid omgaan of het woord Gods vervalsen, ...

Let erop dat hij laat zien hoe eerlijk hij was. Hij verdraaide de dingen niet om hun de indruk te geven dat hij meer macht of autoriteit had dan hij had.

2 Corinthiërs 4:2b ..., maar de waarheid aan het licht brengen ...

Ik zou zeggen dat hij het daar heeft over de geschriften van God. (Niets bedrieglijks.) Hij had geen verborgen agenda. Hij bracht de waarheid aan het licht, zowel in zijn onderwijs als in zijn leven.

2 Corinthiërs 4:2c ... en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God.

Op deze manier ging Paulus om met een gemeente met grote, ernstige problemen. Net als Christus liet hij niet zijn invloed gelden. De vorige keer haalden we een tekst aan uit Filemon. Ik wil die tekst opnieuw lezen — alleen maar om ons geheugen op te frissen.

Filemon 8-9a Daarom, al zou ik volle vrijmoedigheid in Christus hebben om u te gelasten wat betaamt, 9 toch geef ik ter wille van de liefde de voorkeur aan een verzoek.

Paulus impliceert (nietwaar?) dat hij, onder de gegeven omstandigheden, de autoriteit had om bevelen te geven. Maar dat is niet de manier waarop hij het benaderde. Hij deed een verzoek. "Filemon, ik doe een beroep op uw liefde." "Filemon, ik doe een beroep op uw gezonde verstand."

Filemon 9-10 Toch geef ik ter wille van de liefde de voorkeur aan een verzoek. Nu het zó met mij is, dat ik, Paulus, een oud man ben, thans bovendien een gevangene van Christus Jezus, 10 kom ik u een verzoek doen voor mijn kind, dat ik in mijn gevangenschap verwekt heb, Onesimus.

1 Thessalonicenzen 2:3-4 Want ons vermanen komt niet voort uit dwaling, noch uit onzuivere bedoeling; het gaat ook niet met list gepaard [dat doet me denken aan 2 Corinthiërs 4:2]. 4 Integendeel, daar God ons waardig heeft gekeurd om ons het evangelie toe te vertrouwen, spreken wij, niet om mensen te behagen, maar Gode, die onze harten keurt.

We zien duidelijk waar het leven van Paulus om draaide. Het ging om zijn relatie met God. En vanwege die relatie — die hij met God had door Jezus Christus — reageerde hij naar deze mensen op de manier waarop hij dat deed.

1 Thessalonicenzen 2:5-8 Want wij hebben ons nooit afgegeven met vleitaal, zoals gij weet, of met (enig) baatzuchtig voorwendsel; God is getuige! 6 Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden; 7 maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. 8 Zo waren wij, in onze grote genegenheid voor u, bereid u niet alleen het evangelie Gods, maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart.

Dat is nogal duidelijk. We zouden helemaal tot vers 12 kunnen doorgaan, maar dat doen we niet. In plaats daarvan slaan we 2 Timotheüs op. Hier is een advies van dezelfde apostel aan Timotheüs, aan wie hij "het stokje overdroeg" om (1) het evangelie van het Koninkrijk van God te verkondigen en (2) als pastor te fungeren voor de kerk in Efeze.

2 Timotheüs 2:24-25a En een dienstknecht des Heren (doelend op de dienaar) moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, geduldig, 25 met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende.

"Met zachtmoedigheid." Daar hebben we het. Verbindt dat met Filippenzen 2. Zachtmoedigheid is de weg naar leiderschap. Zachtmoedigheid is de weg naar verhoging, Gods weg.

2 Timotheüs 2:25 Met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren.

De macht en de autoriteit van de dienaren ligt in de uitoefening van de gaven van God die hun voor het vervullen van hun verantwoordelijkheid zijn gegeven. God geeft gaven aan de dienaren zodat zij kunnen onderwijzen; en daarna geeft Hij de dienaren aan de kerk — opdat de kerk kan worden toegerust en kan komen tot de eenheid van het geloof en de kennis van Jezus Christus, tot een volkomen mens. De macht van de dienaren ligt dus in het gebruik van overtuigende taal (en ik wil hier onderscheid maken, niet met wereldse argumenten). Hun macht ligt in het gebruik van overtuigende taal die in harmonie is met de waarheid van God — welke op hun beurt de Geest van God in de mensen zal opwekken — en hen daardoor aan te moedigen en te motiveren hem na te volgen.

Laten we nu Handelingen 15 opslaan. Ik geloof, dat dit hoofdstuk iets belangrijks laat zien in samenhang hiermee. De meesten van u weten, dat dit hoofdstuk gaat over de vergadering die in Jeruzalem werd gehouden (zo rond 49 of 50 A.D.). Deze mensen overwogen of de besnijdenis en zulk soort wetten van kracht moesten zijn voor de nieuwtestamentische kerk. Er vonden heel wat twistgesprekken plaats binnen de kerk, daar de verschillende groepen zich tegenover elkaar opstelden, en de kerk werd met een scheuring bedreigd.

Handelingen 15:6-9, 12-14 En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen. 7 En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. 8 En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons, 9 zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende. ... 12 En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat dezen [Paulus en Barnabas] uitgesproken waren, nam Jakobus het woord en zeide: Mannen broeders, hoort naar mij! 14 Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen.

Ik koos dit gedeelte, omdat ik geloof dat het belangrijk is om te laten zien waar de autoriteit van de dienaren ligt. De autoriteit van de dienaren is niet van het overheersende soort. Dat is, waarbij de persoon met de autoriteit dicteert en dwingt. Het is veeleer in de vorm van onderwijs en overtuiging op basis van de Schrift.

Viel het u op hoe de beslissing werd bereikt? Viel het u op wie God aanhaalde? Hij haalde Petrus aan. Hij haalde Barnabas aan. Hij haalde Paulus aan. En Hij haalde Jacobus aan. Het doet er niet toe wie de beslissing lijkt te hebben genomen, het waren (1) de argumenten van deze mannen — die in harmonie waren met de Schrift — en (2) hun eigen persoonlijke ervaring die de menigte overtuigde. (We komen hier later in de preek nog op terug.)

God liet dit dus optekenen om te laten zien waar het leiderschap lag. Het lag in dit geval bij de apostelen, omdat zij met de argumenten aankwamen die overtuigden welke beslissing er op dit gebied moest worden genomen. De "argumenten" die deze mannen gaven, kwamen (1) vanuit hun eigen persoonlijke ervaring in het (in dit geval) omgaan met de heidenen en rechtstreeks met (in het geval van Petrus en Jacobus) Jezus Christus (toen Hij Zijn fysieke leven leidde) en (2) vanuit de Schrift. Daarna zei iedereen: "Ja, dat is de enige weg die we kunnen gaan. Dat is het juiste antwoord."

De apostelen "beriepen" zich dus op de Schrift — versterkt door eigen ervaring, die hun de echte toepassing van de Schrift had laten zien. De Heilige Geest in de anderen bewoog hen er daarna toe in te zien dat de voordracht van Petrus (en die van Paulus en Barnabas, en ook die van Jacobus) in harmonie was met de Schrift van God. Dat maakte de beslissing dus duidelijk.

1 Corinthiërs 2:1-5 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. 2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. 3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; 4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, 5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God.

Dit gedeelte laat zien dat Paulus zich ondergeschikt maakte aan de heerlijkheid en de kracht van "de boodschap!" Zijn kracht lag niet in aanmatigende, knappe retoriek. Begrijp dat alstublieft. Als ik het heb over "overtuigende argumenten", heb ik het niet over wereldse retoriek. Het kan zijn dat we gewoon alledaagse, rechttoe-rechtaan woorden gebruiken, maar ze zijn in harmonie met de Schrift van God. Daarin ligt de kracht — gecombineerd met de Geest van God! Bedenk dat Jezus zei: "De woorden die Ik tot u spreek, die zijn geest en leven."

Paulus maakte zich ondergeschikt aan de heerlijkheid en de kracht van de boodschap. Dus bevatte de boodschap die hij gaf, eenvoudige woorden, maar gecombineerd met de Schrift en het werk van de Geest van God in hen die God riep, hadden ze een krachtige invloed op hen. Daar gaat dit hoofdstuk over.

In de Bijbel zien we met betrekking tot autoriteit, dat autoriteit iets is dat we een leider geven, omdat we eigenschappen in hem zien die in harmonie zijn met de waarheid van God. Dat motiveert ons te volgen, omdat we door de Geest van God worden opgewekt dit te doen. Dit heeft zijn prijs; en dat is dat elk van ons individueel verantwoordelijk is. Dat betekent dat we heel voorzichtig moeten zijn om alle dingen te bewijzen en vast te houden aan datgene dat goed is. Dat is onze verantwoordelijkheid.

Herinnert u zich die man [Herbert W. Armstrong] die zei: "Geloof niet mij. Geloof de Bijbel!"

 

Als u wordt geleid door de Geest van God, dan zal die reageren. Daarom staat er in de brief aan de Efeziërs: "Doof de Geest niet uit." Toch doen we dat zo vaak, omdat we gaan zien dat gehoor geven aan de aandrang van de Geest ons kan leiden tot een opoffering in ons leven waar we niet mee te maken willen hebben. Dan doven we de Geest uit. Daarom is Efeziërs 5 zo belangrijk.

Laten we Johannes 21 opslaan. Na Jezus' opstanding zien we dat de plichten en verantwoordelijkheden van de dienaren duidelijk worden gemaakt.

Johannes 21:15 Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijn lammeren.

Wie zijn de "dezen" in deze context? Waren dat de materiële zaken — de boten die ze gebruikten om te vissen, alle spullen die ze gebruikten om te vissen? Waren dat de familieleden die daar in de buurt waren? Waren dat de apostelen die ook met Christus waren meegegaan? Christus wierp deze dienaar de handschoen toe. "Hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Weid Mijn lammeren."

Johannes 21:16-17 Hij zeide ten tweeden male weder tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief? En hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet het, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijn schapen. 17 Hij zeide ten derden male tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijn schapen.

Daar ligt de verantwoordelijkheid van de dienaren. Daar ligt de autoriteit van de dienaren. In het weiden van de schapen!

Johannes 21:18-19 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen gij jonger waart, omgorddet gij uzelf en gij gingt, waar gij wildet, maar wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt. 19 En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij God verheerlijken zou. En dit gezegd hebbende, sprak Hij tot hem: Volg Mij.

Hem volgen, waarin? Hem volgen in de manier van sterven? Of wijst het verder terug, naar het weiden van Mijn lammeren? Dat is: "Zorg op dezelfde manier voor de lammeren als Ik dat deed. Leg uw leven voor hen af." Welk van de twee is het? Ik geloof niet dat het ertoe doet; maar het is voor ons allemaal iets om over na te denken — in het bijzonder voor de dienaren.

1 Petrus 5:1 De oudsten onder u ...

Bedenk wie dit schrijft. Dezelfde persoon tegen wie Jezus zei: "Weid Mijn schapen. Weid Mijn lammeren. Hoed Mijn schapen."

1 Petrus 5:1-4 De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: 2 hoedt de kudde Gods, die bij u is, [de Statenvertaling voegt toe: hebbende opzicht daarover], niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, 3 niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. 4 En wanneer de opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven.

De titel of het woord "oudste" voert helemaal terug tot in Numeri 11 — waar Mozes de zeventig oudsten aanstelt om hem bij te staan in het uitvoeren van Gods wet binnen Israël. "Oudste" is de basisfunctie binnen de kerk. Hieronder valt zowel de "apostel" als de "lokale dienaar". Ze zijn, om kort te gaan, de raadgevers, de leraars en de bestuurders van de kerk. Dit is een erg belangrijke verantwoordelijkheid. De Bijbel beschouwt de oudsten als de meest bevoorrechte mensen — vanwege hun verantwoordelijkheid: hun verantwoordelijkheid om Gods kerk te dienen.

Vanwege deze verantwoordelijkheid staan zij van alle mensen het meest bloot aan Gods oordeel. Denk aan het principe: wie veel is gegeven, van hem wordt veel verlangd. God heeft "gaven" gegeven aan de dienaren — zodat zij op hun beurt in staat zullen zijn de kerk te onderwijzen. Dat is een geweldig voorrecht — maar ook een belangrijke verantwoordelijkheid; geen dienaar kan het zich veroorloven die als van geen betekenis af te doen.

Laat me u hiervan een voorbeeld geven. Houdt uw hand hier in 1 Petrus en sla het boek Ezechiël op, hoofdstuk 9. U herkent die verzen onmiddellijk.

Ezechiël 9:4-6 En de HERE zeide tot hem [de engel met de schrijfkoker]: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden. 5 Tot de anderen [de engelen met de vernietigingswapens in hun hand] zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen deernis. 6 Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen; maar niemand die het teken draagt, moogt gij aanraken; bij mijn heiligdom moet gij beginnen. Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich voor de tempel bevonden.

Gods oordeel begint bij de dienaren. "Wie veel is gegeven, van hem wordt veel verlangd."

Maleachi 3:1-3 Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de HERE der heerscharen. 2 Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. 3 Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi [die een "type" zijn van de huidige dienaren] reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de HERE in gerechtigheid offer brengen.

Weer terug naar 1 Petrus 5. Daar wordt de dienaar aangespoord om de functie niet uit te oefenen vanwege het voordeel dat hij eruit kan halen. Hij moet zijn leven ervoor afleggen. Er zijn mensen (zeker ook onder de dienaren) die meer uit zijn op macht en prestige dan geld. Zij houden zoveel van autoriteit, dat ze bereid zijn het slechts in een beperkt gebied uit te oefenen — zolang ze het maar kunnen uitoefenen.

Wie onder u bekend is met Miltons gedicht "Paradise Lost", weet dat Milton Satan (Lucifer) daarin uitbeeldde als liever over de hel te regeren dan de hemel deelachtig te mogen zijn. Zo sterk hing hij aan het bezit van autoriteit.

De oudste moet een herder zijn. Een herder is het symbool van onzelfzuchtige zorg en opofferende liefde. Hij moet in overweging nemen dat zijn verantwoordelijkheid en zijn functie niet op basis van verdienste zijn verkregen, maar hem zijn toevertrouwd, toegewezen door God. Dat is belangrijk. Het is niet iets dat hij verdient of waardig is. Dit wordt duidelijk gemaakt in Deuteronomium 9:29 (dit zullen we niet opslaan).

De woorden daar zijn interessant, omdat precies hetzelfde woord dat wordt gebruikt in relatie met Israël als Gods erfdeel, in de Septuagint wordt weergegeven met het Griekse woord "kleros". Dat is hetzelfde woord dat hier [in 1 Petrus 5:3] wordt gebruikt met betrekking tot "als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is". De dienaar moet de gemeente beschouwen als het "erfdeel" dat hem gegeven is, dat hem is toevertrouwd, dat hem is toegewezen — op dezelfde manier als Israël Gods erfdeel was. Het idee hierachter is, dat zoals God Israël behandelde (en Hij gaf er Zijn leven voor), de dienaar zijn gemeente moet behandelen. Dat is dus er dezelfde aandacht voor hebben. De gemeente is datgene wat de oudste "is toevertrouwd" en hij doet er goed aan er zorg voor te dragen.

We hebben dus "oudste". We hebben "opziener" [degenen die het opzicht heeft, zie Statenvertaling 1 Petrus 5:2]. En we hebben "herder" — een term om de verantwoordelijkheid van de oudste uit te drukken. Oudste duidt erop "senior" te zijn. Het impliceert het hebben van heel wat ervaring en daarom duidt het ook op het hebben van veel wijsheid. Ook is hij een raadgever. Opziener, of bisschop, duidt op het hebben van een bepaalde mate van heerschappij. Het betekent toezichthouder, iemand die inspecteert of waakt. Herder duidt op iemand die voedsel geeft, of leidt, of beschermt, of hoedt, of zorgt. En de apostel Paulus (in 1 Corinthiërs 4:1-2) beschrijft zichzelf zowel als knecht als beheerder. Een beheerder is iemand die bestuurt of het opzicht heeft.

1 Timotheüs 5:17 De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht.

Ik wil verder ingaan op het woord "opzien", dat in 1 Timotheüs 3:1-2 wordt gebruikt, omdat het duidt op een ander gebied van autoriteit voor de oudste. Hier (in 1 Timotheüs 5:17) betekent "leiden": staan over, voorzitten, toezicht houden, controleren. Datzelfde woord wordt ook in 1 Thessalonicenzen 5:12 gebruikt (we slaan dat niet op) en in 1 Timotheüs 3:4-5. Daar wordt het gebruikt — in de context van iemand met de eigenschappen voor een oudste — als iemand die "die zijn eigen huis goed bestuurt." We zien alweer de vergelijking tussen een gezin en de kerk. Dus kerkelijk bestuur en gezinsbestuur zijn soortgelijk. En het duidt er hier op, dat de dienaar niet meer autoriteit heeft verkregen dan een man in zijn gezin.

De autoriteit om controle uit te oefenen (te besturen) wordt gegeven in het kader van het uitvoeren van het werk van de kerk. Alweer denk ik, dat het Gods bedoeling is dat de autoriteit niet absoluut is. Hij is niet dictatoriaal. Maar ik geloof, dat er wel sommigen zijn die dit er van maken — als zij de schriftgedeelten die wij hebben doorgenomen, vermijden erbij te betrekken.

Ik wil nu voorbeelden uit de Schrift aanhalen die, naar ik meen, bewijzen hoe de apostelen dachten over hun autoriteit over de kerk. Dit is heel interessant. We gaan naar het boek Handelingen. Ik ga vrij snel door deze schriftgedeelten heen, omdat ze naar mijn mening niet veel uitleg nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van Handelingen, was Christus gestorven. Hij was opgestaan en ten hemel opgevaren. En de apostelen komen er één tekort. Ze hebben iemand nodig om het gat op te vullen, zodat ze weer met z'n twaalven zullen zijn. We lezen hier dan in vers 15:

Handelingen 1:15 En in die dagen stond Petrus op onder de broeders (en er was een groep van ongeveer honderdtwintig personen bijeen) en hij sprak:

Dan begint hij uit te leggen dat er iemand nodig is — om weer op twaalf te komen. Maar hij brengt dit onder de aandacht van de hele groep van honderdtwintig.

Handelingen 1:23 En zij stelden er twee voor: Jozef, genaamd Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias.

Het lijkt erop dat de gemeente een stem in het kapittel had, nietwaar? Daarna koos God één van de twee die waren voorgesteld (Mattias).

Handelingen 6:1-5a, 6-7a En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. [Er zijn dus problemen in de kerk.] 2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. 3 Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; 4 maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord. 5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanus, ... [en de anderen]; 6 hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden. 7 En het woord Gods wies ... [enz.]

Ziet u dat? "Zij kozen." Het was niet een zaak, die naar de voorkeur van de apostelen werd afgehandeld.

Handelingen 8:14 Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes,

Wie zijn de mensen achter dit woordje "zij"?

Handelingen 13:1-3 Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus. 2 En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan.

Deze bewoordingen doen mij denken dat de gehele kerk erbij betrokken was.

Handelingen 15:22 Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders.

Alweer was blijkbaar de gehele kerk erbij betrokken. Ik weet niet precies hoe ze dat deden. Maar Gods woord laat zien, dat de gemeente erbij betrokken was en dat de apostelen niet naar hun persoonlijke voorkeur handelden vanuit hun positie als leiders over de kerk.

Handelingen 15 vond plaats zo'n zestien tot achttien jaar na Christus' hemelvaart. Ze hadden dus volop de tijd gehad om te leren, maar we zien dat ze de gemeente betrekken bij de richting die de kerk moet gaan. De dienaren zijn nog steeds verantwoordelijk, maar desalniettemin doen ze de dingen op die manier.

Ik geloof, dat Handelingen 6 in het bijzonder interessant is met betrekking tot iets dat voor ons allemaal belangrijk is. We gaan het niet opnieuw opslaan. Het laat ons zien dat de dienaren op geen enkele manier op paternalistische manier de problemen binnen de gemeente oplossen — dit betekent dat zij bereid waren de noodzakelijke autoriteit over te dragen aan anderen (om een oplossing uit te werken). In feite legden zij de oplossing van het probleem neer bij degenen die er het heftigst en meest hartstochtelijk door werden getroffen. Lees het en u zult het zien.

Laten we nu Mattheüs 18 opslaan.

Mattheüs 18:15-17 Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. 16 Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. [We hebben dus problemen binnen de gemeente.] Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. [Let nu op wat er in vers 17 volgt. Lees het zorgvuldig.] 17 Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de [dienaar?]. Indien hij naar de [dienaar?] niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar.

Gemeente, er staat niet de dienaar! Wij lezen dat erin! Jezus' advies in zo'n situatie was om het voor een jury van uw gelijken in de gemeente te brengen (daar kan de dienaar bij betrokken zijn), omdat "in een veelheid van raadgevers is wijsheid." In een veelheid van raadgevers is veiligheid.

Ik kan u zeggen, dat de dienaren met die verantwoordelijkheid "belast" waren — een last die Jezus nooit op de schouders van de dienaren heeft gelegd! Ik geloof dat dat uitzonderlijk belangrijk is.

In 1 Corinthiërs 6 wordt alweer een probleem behandeld.

1 Corinthiërs 6:1-2 Durft iemand uwer, wanneer hij iets heeft met een ander, recht zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen? 2 Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En indien bij u het oordeel over de wereld berust, zijt gij dan onbevoegd voor de meest onbetekenende rechtspraak?

Denk hier eens over na. Heeft hij het hier over de dienaren? Of heeft hij het over de gehele gemeente? Ik geloof niet, dat er enige aanduiding is dat hij rechtstreeks tot de dienaren spreekt. De dienaren zijn erbij betrokken, omdat zij deel uitmaken van de gemeente.

1 Corinthiërs 6:3-4 Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen? 4 Indien gij alledaagse geschillen te berechten hebt, laat gij dan hen zitting nemen, die in de gemeente niet in tel zijn?

Het is een vraag. Hij roept hen ter verantwoording. Zij deden het verkeerd. Zij deden een beroep om te oordelen op hen, die er het minst toe in staat waren. Wat voor gerechtigheid, wat voor eerlijkheid, wat voor billijkheid kan er uit zo'n situatie voortkomen?

1 Corinthiërs 6:5 Ik zeg het om u te beschamen. Is er dan bij u geen enkel wijs man, die uitspraak zal kunnen doen tussen broeders?

Dit soort geschillen moet aan de kerk worden voorgelegd. En ik durf te zeggen dat er heel wat minder problemen zullen zijn (of meer problemen opgelost zullen worden tussen de betrokken mensen), indien de ene partij weet dat de andere partij het uiteindelijk voor een hele groep mensen zal brengen. Het probleem wordt dan opgelost en geregeld voordat het zover komt.

Laten we dit gaan afronden.

Galaten 6:1-2 Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. 2 Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.

Dit past perfect samen bij Efeziërs (in het bijzonder bij Efeziërs 5) en natuurlijk ook bij Filippenzen 2.

Galaten 6:3-5 Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. 4 Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. 5 Want ieder zal zijn eigen last dragen.

Daar moeten we over nadenken. Ik geloof, dat we op basis van deze serie moeten kunnen zien, dat het sleutelelement om BESTUUR te doen werken ieder van ONS individueel is. Eenieder van ons draagt de verantwoordelijkheid ten opzichte van God: (1) om te studeren; (2) om te weten wat — onder Zijn wet — onze grenzen zijn; en (3) om onszelf in overeenstemming daarmee te besturen. En er is geen ontkomen aan, aan die verantwoordelijkheid! Ieder draagt zijn eigen last.

Dit is in grote lijnen waar het in het "christelijke leven" om draait. Dat is ervoor zorgen dat BESTUUR werkt.

In de cultuur waar we momenteel in leven, zijn we grotendeels opgevoed om "een bijstandsmentaliteit" te hebben — waarin de verantwoordelijkheid van het individu naar de regering wordt geschoven. Inderdaad draagt de regering de nodige verantwoordelijkheid — maar haar verantwoordelijkheid is te onderwijzen en te sturen, zodat er een ordelijke omgeving met een doel kan bestaan. Maar het individu draagt de verantwoordelijkheid om zichzelf te besturen binnen die vastgestelde autoriteit.

Johann Wolfgang Von Goethe, de Duitse filosoof, zei: "De beste regering is die, die ons onderwijst onszelf te regeren." Dat is precies wat God doet.

Het hoofdobstakel voor een goed bestuur onder mensen is eigenbelang. Ongelukkigerwijs vinden we hetzelfde eigenbelang bij zowel "het bestuur" als bij "degenen die bestuurd worden". (En dit is precies de fout waar God aan werkt om die bij ons uit te roeien.)

2 Corinthiërs 5:9-10 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Laten we ons dus tot doel stellen te doen wat goed is. Als we ons overgeven aan Hem — en het ons doel maken Hem te behagen — dan kan het niet anders dan dat we erin slagen om: "Op die dag" voor Hem te staan op een manier die Hem behaagt.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)