Bestuur (Deel 5)

Door John W. Ritenbaugh
27 juni 1992

Samenvatting: (toon)

In dit vijfde deel van de serie over bestuur stelt John Ritenbaugh dat alleen zij die geregeerd kunnen worden ooit zullen mogen regeren. Geen enkel bestuur (zelfs Gods bestuur niet) zal werken zonder dat iedereen zich individueel onderwerpt op zijn terrein van verantwoordelijkheid. Onze oudste Broer, Jezus Christus, kwalificeerde om te heersen vanwege Zijn gevoelens van verantwoordelijkheid (1) jegens God, in Zijn onderwerping aan Hem, en (2) jegens de mens, in het gebruik van Zijn macht om te voorzien in behoud voor de gehele mensheid. Terwijl we in Zijn voetstappen volgen, moeten we beseffen dat leiderschap vereist, dat we een slaaf of een dienaar worden. (Mattheüs 20:24-28)


In de preek van vorige week zagen we twee hoofdredenen voor de meeste bestuursproblemen. De ene is het niet kunnen leven binnen de grenzen die door de "bestuurder" worden gesteld. In de meeste gevallen zijn we redelijk op de hoogte van die grenzen, maar we bedenken allerlei rechtvaardigingen om ons er niet aan te onderwerpen. We hebben een heel sterke neiging om onszelf als "een bijzonder geval" te zien.

De tweede reden is zeer nauw verwant aan de eerste: we falen om van de gelegenheid gebruik te maken goed te doen. In plaats daarvan hebben we de neiging zelfgericht en niet Godgericht te handelen. En toch is dat de eigenschap die het leven aantrekkelijk maakt, die er inhoud aan geeft en tevredenheid bevordert. Maar dat vereist dienen en opoffering en daar schrikken we voor terug.

Ik wil deze preek beginnen in Handelingen 10:34-38. Ik wil een punt over Jezus onder de aandacht brengen. Ik heb deze verzen voornamelijk om één woord gekozen; ze geven een goede samenvatting van waar we het over hebben.

Handelingen 10:34-38 En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, 35 maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, 36 naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. Deze is aller Heer. 37 Gij weet van de dingen, die geschied zijn door het gehele Joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop, die Johannes verkondigde, 38 van Jezus van Nazaret, hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.

Let alstublieft op het woord "gerechtigheid" (in vers 35) en de woorden "is rondgegaan, weldoende" (in vers 38). Het draait er niet om dat Jezus Christus "rechtvaardig" was in de zin dat Hij de geboden van God onderhield. Hij beperkte het niet daartoe. Hij beperkte het niet tot het alleen maar een goed iemand zijn. Maar Hij richtte Zich op anderen. Hij offerde Zich op. Hij handelde op een vrijgevige, vriendelijke en goede manier. Hij "ging rond, weldoende." Dat is het patroon!

Misschien geeft het woord "gerechtigheid" beide aspecten weer. Maar aan de ene kant moeten we begrijpen dat er het strikte, legale aspect is — dat we in principe als negatief kunnen beschouwen. De geboden zeggen: Gij zult niet echtbreken; gij zult geen vals getuigenis geven; enz. Maar er is ook een tegenhanger, waarbij iemand bewust uitkijkt naar manieren om "goed" te doen en daar gevoelig voor is. Dat zijn dan handelingen van vriendelijkheid, van vrijgevigheid, van barmhartigheid en zelfs van correctie (als dat in de juiste houding en op de juiste manier wordt gedaan). Heel vaak is het corrigeren van iemand een daad van barmhartigheid, zelfs al kan het ook (voor beide partijen) pijnlijk zijn.

Daarnaast zagen we ook dat onze verantwoordelijkheid rechtstreeks aan God is — er is geen geestelijke hiërarchie tussen Hem en ons. We hebben dezelfde soort toegang tot de Vader als Jezus Christus. En we moeten onze "vermogens" gebruiken in het uitoefenen van Zijn doel.

We zagen dat geen bestuur (zelfs niet Gods bestuur) zal werken zonder dat iedereen op zijn terrein van verantwoordelijkheid zich zal onderwerpen. De kleinste eenheid van BESTUUR is het individu; en God handelt met ons op dit allerlaagste niveau.

We zagen dat als God iemand in een functie aanstelt (of toestaat een functie te vervullen), dat niet betekent dat Hij alles wat ze doen, onderschrijft. In zulke situaties — waar autoriteit onderdrukkend en overheersend is — komt de verantwoordelijkheid van het individu aan God duidelijk naar voren.

Gods gebod is duidelijk. Wij moeten Hem gehoorzamen en niet mensen. Of de autoriteit nu een civiele ambtenaar is of een religieus persoon, een ouder, een chef, onderwijzer of partner — onze directe individuele verantwoordelijkheid is aan God, terwijl we tegelijkertijd onderworpen zijn aan de menselijke autoriteit. Ik gaf u de voorbeelden van Daniël, Sadrak, Mesak en Abednego. Zij zetten hun leven in de waagschaal. We zouden kunnen zeggen dat ze de menselijke autoriteit trotseerden; ze deden dat omwille van hun geweten jegens God.

We gingen door het voorbeeld van Petrus in Handelingen 10 en 11 (maar in het bijzonder in hoofdstuk 11). Hoe er een stem vanuit de hemel kwam en hem schijnbaar gebood "sta op en eet" de dingen die niet rein waren. Petrus weigerde! Tot drie keer toe weigerde hij gehoor te geven aan de stem vanuit de hemel. Daar is God. Hij is daarboven. We zouden dus kunnen denken dat: "Als we een stem vanuit de hemel horen, dan moet die zeer zeker van God komen. En God zou zoiets nooit doen (toelaten dat we op zo'n manier op de proef worden gesteld, dat we Zijn gebod zouden overtreden)." Maar Petrus keek daar doorheen. Zijn verantwoordelijkheid was duidelijk aan God; en hij gehoorzaamde God en niet die stem vanuit de hemel.

We zagen het voorbeeld van Lucifer. Wilde God dat die engelen (een derde deel van alle engelen) zich aan Lucifer onderwierpen? Was Lucifer Gods vertegenwoordiger hier op aarde? Lucifer vertegenwoordigde zeer zeker HET BESTUUR VAN GOD. Dat is absoluut zeker. Hij was degene die de autoriteit bezat. Maar wilde God, dat de engelen zich onderwierpen aan [of: gehoorzaamden aan] iemand die hen aanmoedigde de hogere wetten van de almachtige God te overtreden? Natuurlijk niet!

Het plaatje is duidelijk. Onze individuele verantwoordelijkheid is direct aan de Vader. Ongeacht of die persoon een religieuze autoriteit is (zelfs binnen de ware kerk), we dienen rechtstreeks op God af te gaan inzake onze gehoorzaamheid.

2 Petrus 2:10-13 Vooral hen [de onrechtvaardigen uit vers 9] die, begerig naar onreinheid, het vlees volgen en (hemelse) heerschappij verachten. Zulke vermetelen, vol van zelfbehagen, schromen niet de heerlijkheden te lasteren, 11 terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en macht, bij de Here geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen. 12 Zij [deze mensen] daarentegen, als redeloze wezens, van nature voortgebracht om gevangen en verdelgd te worden, lasteren datgene, waarvan zij geen verstand hebben, en zullen in hun verdelging ook verdelgd worden, 13 onrecht ontmoetende tot loon voor hun onrecht. Zij achten het een genot op klaarlichte dag te zwelgen; schandvlekken en smetten zijn zij, die in hun bedriegerijen zwelgen [Let nu op de volgende woorden.], als zij met u feesten.

Deze mensen maken deel uit van de kerk. Wat ons zorgen moet baren is niet het feit dat ze deel uitmaken "van de kerk"; maar we zagen (in het bijzonder vorige week) het voorbeeld van de apostel Paulus, dat deze mensen zelfs in de hoogste functies kunnen worden aangesteld. De apostel Paulus noemde sommige van die mensen "schijn-apostelen". (Dat is een tamelijk belangrijke functie.)

Mattheüs 23:1-3 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijn discipelen, 2 zeggende: De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Mozes. 3 Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.

Ik denk dat dit voorbeeld vanuit Jezus' leven in het bijzonder interessant is, omdat dit (in het evangelie naar Mattheüs) het laatste openbare onderwijs van Jezus was. Dit ging over autoriteit en ondergeschikt zijn aan autoriteit. Hij heeft het dus over een onderwerp dat — in het licht van deze preken — belangrijk is voor ons.

Ik vind het heel jammer dat we niet de intonatie van Jezus' stem kunnen horen, toen Hij deze woorden sprak. Ik vraag me af of er niet een zweem van ironie lag in wat Hij zei. Of kunnen we zo vrijmoedig zijn om te zeggen dat er enig sarcasme in lag? Ik bedoel: "Zij zitten op de stoel van Mozes!" De reden dat ik dit vraag is, dat er aanwijzingen zijn dat de Joden van Zijn dagen (de dagen van Jezus) de zetel, waarop de leidende rabbi van de synagoge zat — niet de hoofdsynagoge, om zo te zeggen in Jeruzalem, maar elke synagoge — gewoonlijk "de stoel van Mozes" noemde. Op deze manier waren er dus "stoelen van Mozes" over het gehele land.

Wat meer is, de grammatica hier duidt erop dat die woorden ["in Mozes' stoel zitten"] vertaald zouden kunnen worden met, dat zij "zich neerzetten" of (om het nog wat duidelijker te maken) "zich hebben neergezet". Of (nog sterker) "hebben zich aangematigd te zitten" op Mozes' stoel. Dit alles kan ertoe leiden dat men zich gaat afvragen of hun autoriteit wel echt was. Of was het iets dat ze zich hadden toegeëigend toen de mogelijkheid zich voordeed?

Zegt Jezus ons hier, dat we aan alles moeten gehoorzamen wat de religieuze leider ons zegt? Dat kan niet het geval zijn. Bedenk dat Jezus degene was die Zijn discipelen zei: "Pas op voor de zuurdesem der Farizeeën." (Dat staat in hetzelfde evangelie: Mattheüs 16:12.) De context laat duidelijk zien, dat die zuurdesem hun doctrine was. Hij zei, dat ze moesten oppassen met wat zij onderwezen. En toch lijkt er hier te staan, dat wat ze ook maar zeggen, dat we dat behoren te doen. Nee, we moeten niet alles doen wat zij ons zeggen.

Jezus' eigen leven was daar een voorbeeld van. Hij deed dat niet. Hij deed niet alles wat de religieuze leiders van Zijn tijd zeiden te doen — niet in het minst! Hij had vaak aanvaringen met hen. Hij werd door hen beschuldigd van het overtreden van het sabbatsgebod; op Zijn beurt zei Hij hun dat ze van de duivel waren. Bovendien liet Hij hun zien, daar in dezelfde context, dat de vrucht van hun leven er reden toe gaf hun leer te wantrouwen. Hij zegt ons dus niet, dat we alles wat ze zeggen, behoren te gehoorzamen.

Hij zegt ons, dat we alles wat zij ons vertellen, moeten gehoorzamen voor zover dat in overeenstemming is met Gods woord. Dat moeten we gehoorzamen. Echter, zelfs als hetgene wat ze zeggen in hun onderwijs, verkeerd is en we er niet aan kunnen gehoorzamen, zijn we toch onderworpen aan hen, want ze zijn inderdaad de menselijke autoriteit. Jezus Zelf handelde naar die verantwoordelijkheid. Hij leefde ruimschoots binnen de grenzen van Zijn autoriteit.

We gaan nu een aantal voorbeelden onderzoeken, hoe Jezus leefde binnen de grenzen van Zijn autoriteit. Ik wil iets laten zien dat heel interessant is. Dat is dat Jezus' autoriteit niet altijd dezelfde was. Als Jezus' autoriteit niet altijd dezelfde was, is die van ons dat ook niet. Laten we Johannes 17 opslaan. Hier staat Jezus' gebed tot God, kort voordat Hij gevangen werd genomen om te worden gekruisigd.

Johannes 17:2a Gelijk Gij [Vader] Hem [de Zoon] macht hebt gegeven over alle vlees, ...

Dat is nogal een hoge positie. Dat is heel wat macht! En Jezus erkende dat Hij, als de Messias, die macht had. Hij had macht over alle vlees.

Johannes 17:2b ..., om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.

Dat kwalificeert Zijn autoriteit. Zijn macht was Hem in principe gegeven om het werk van behoud uit te voeren, of naar het behoud van alle mensen toe te werken.

Het zou mogelijk zijn geweest dat Jezus de geboden overtrad. Hij zou hebben kunnen doden. Hij zou hebben kunnen liegen. Hij zou hebben kunnen stelen. Maar Hij deed dat niet! Hij zondigde onder geen enkele omstandigheid — ongeacht hoeveel druk er op Hem werd uitgeoefend. Ongeacht hoe aanlokkelijk de verleiding tot zondigen voor Hem ook geweest zou kunnen zijn, Hij weerstond die altijd. Ik ben er zeker van, dat Hij dat deed vanwege Zijn gevoel van verantwoordelijkheid zowel (1) tot God, in onderwerping aan Hem; en ook (2) tot de mens, om Zijn macht te gebruiken om voor de gehele mensheid in behoud te voorzien. Hij ging dus vanuit dat opzicht om met Zijn verantwoordelijkheid en Zijn macht.

Er is een ander voorbeeld in de brief van Judas. (Ik geloof dat het in vers 9 staat, maar we gaan dat niet opslaan.) Het is het voorbeeld van de aartsengel Michaël. Hij is één van de bedekkende cherubs. Hij staat onder de Vader en de Zoon — in de hiërarchie van de engelen. Ik weet niet of er iemand is die hoger is in autoriteit dan Michaël. Ongetwijfeld zijn er minstens twee met gelijke autoriteit. Eén daarvan is Gabriël en de andere is Lucifer, die Satan werd.

Volgens het verhaal dat in Judas staat opgetekend, vond er een confrontatie plaats tussen Satan en Michaël over het lichaam van Mozes. Michaël was erop uitgestuurd om het lichaam van Mozes te begraven, maar Satan vond dat het lichaam hem toebehoorde. Er vond dus een confrontatie plaats — van twee grote, ontzagwekkende, engelachtige machten.

Waar was Michaëls autoriteit? Had hij kunnen zeggen: "Ik ben rechtvaardig. Jij bent een zondaar. Daarom is mijn autoriteit groter dan die van jou."? Nee, hij erkende dat zijn autoriteit beperkt was. Er staat dat hij geen smadelijk oordeel durfde uit te brengen. Dat is een beledigende of vernederende opmerking — dat durfde hij zelfs niet tegen Lucifer (Satan, de aartsdemon, de ergste van alle wezens). Hij wilde hem niet de grond in boren. In plaats daarvan zei hij: "De Here straffe u." Hij liet het aan de almachtige God over.

Dit was een kleine uitweiding — over Michaël — om te laten zien dat deze aartsengel ook binnen de grenzen van zijn autoriteit leefde. Nu weer terug naar Jezus. (Ik ben wat van Hem afgedwaald.) Laten we naar Johannes 8:44 gaan. Ik denk dat we allemaal aardig op de hoogte zijn van de context van dit hoofdstuk. Het beschrijft een confrontatie tussen Jezus en de Joden. De Joden begrepen niet de positie waarin ze — in relatie tot God — verkeerden. Dat is, dat ze berouw moesten hebben. In de loop van Zijn woordentwist met hen zegt Jezus:

Johannes 8:44 Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.

Ik moet eerlijk zeggen, dat is recht voor zijn raap! Ik weet niet of een menselijk wezen op krachtiger wijze kan worden terecht gewezen. Hier staat "God de Schepper" als een menselijk wezen. Ze zagen Hem niet als "God de Schepper." Maar desalniettemin was Hij het!

Johannes 8:58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, BEN IK.

Hij liet hun zien wie Hij was en zij zagen dat in.

Johannes 8:59 (Statenvertaling) Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit den tempel, gaande door het midden van hen; en ging alzo voorbij.

Jezus gebruikte daar Zijn autoriteit als God. Maar ik ben er zeker van, dat Hij binnen de grenzen daarvan bleef. Hij ontnam hun niet het leven! We lazen zojuist (in Johannes 17), dat Hij erkende dat Hem alle macht was gegeven. Maar Hij gebruikte die hier niet volledig, nietwaar? Hij ging rond, "weldoende".

God heeft het "recht" om die dingen te doen. Maar is onze autoriteit dezelfde als die van Jezus — ook al zijn we een deel van Zijn Lichaam? Nee, dat is niet het geval. Nee, dat is niet het geval! Laten we 1 Petrus opslaan, hoofdstuk 2. We blijven kijken naar het voorbeeld van Jezus, dat Hij bleef binnen de macht die Hem gegeven was.

1 Petrus 2:18-23 Gij, huisslaven, weest in alle vreze uw meesters onderdanig, niet alleen de goede en vriendelijke, maar ook de verkeerde. 19 Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. 20 Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.

Jezus had van Zich kunnen afslaan, naar deze mensen die Zijn leven namen. Maar breng de context van dit hoofdstuk in herinnering. We zijn er al eerder doorheen gegaan. We moeten doen wat we in relatie tot deze civiele autoriteiten doen (en andere autoriteiten boven ons) om des Heren wil, en omdat we dienaren van God zijn. We onderwerpen ons — we zijn onderdanig aan hen — uit respect voor God.

We gaan nu zien dat Christus dit deed. Hij koos er opzettelijk voor om die mensen in deze omstandigheid NIET uit te schelden. Hij liet het die mensen in Johannes 8 "wel goed voelen", maar de omstandigheid daar was iets veranderd (zoals ik zal laten zien). Maar Hij koos ervoor om op geen enkele manier naar deze mensen uit te halen.

Voordat we dit gedeelte verlaten, wil ik dat wij (u en ik) begrijpen, dat wat hier — genoemd in vers 19 — aanbevelenswaardig is, NIET het door lijden heengaan is; maar de toewijding aan God, die is aanbevelenswaardig. Als we dat koppelen aan het door lijden heengaan, dan is dat aanbevelenswaardig. Maar Petrus wil in feite, dat we onze aandacht richten op de toewijding aan God. We doen dit (door pijn heengaan, door moeilijkheden heengaan) wegens ons respect voor God.

Denk nog eens terug aan Jezus — dat Hij niet schold. Denk aan het ontzagwekkende onderscheidingsvermogen dat Hij had! Er staat ergens anders in de schriften, dat Hij wist wat er in de harten van de mensen omging. Hij stond ongetwijfeld "ver boven hen" — de mensen die Hem uitscholden. Maar "Hij opende Zijn mond niet." In plaats daarvan bleef Hij binnen de grenzen van Zijn menselijke autoriteit.

Laten we Mattheüs 26 opslaan, waar dit "gebeuren" plaatsvond. (De tijdsperiode die Petrus daar in 1 Petrus 2 beschreef.) Dit is de tijdsperiode pal voorafgaande aan de kruisiging van Christus. We beginnen in vers 52. Hij is daar in Getsemane en Hij wordt gevangengenomen.

Mattheüs 26:52-53 Toen zeide Jezus tot hem [Petrus]: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?

Zien we hoever Zijn autoriteit zich uitstrekte? Hij bleef daar zeer zeker binnen. Riep Hij om die engelen? Nee, dat deed Hij niet. Hij bleef ruimschoots binnen de grenzen van Zijn autoriteit. Wat weerhield Hem? (Dat staat in het volgende vers.)

Mattheüs 26:54 Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?

Zien we wat Hem weerhield? HET WOORD VAN GOD! (In dit geval de profetieën, de profetieën samenhangend met Zijn dood als het Lam van God.) We kunnen dus zien, dat al had Jezus alle macht, er tijden waren dat Hij door de omstandigheden werd weerhouden. Maar Hij bleef altijd ruimschoots binnen de grenzen ervan. Die grenzen varieerden dus afhankelijk van de situatie, maar ze waren altijd onderworpen aan het woord van God.

Laten we ook eens kijken naar een voorbeeld uit het leven van Paulus, toen hij een redelijk ernstige fout beging.

Handelingen 23:1-3 En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag. 2 Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan?

Paulus stond wettelijk in zijn recht, alleen hij wist niet tegen wie hij sprak.

Handelingen 23:4-5 Maar de omstanders zeiden: Scheldt gij de hogepriester Gods uit? [De apostel bekeerde zich snel.] 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken.

"Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken." Denk eens aan wat er zich 'daar buiten' in sommige aspecten van de kerk afspeelt (misschien ook wel onder ons) en neem dan deze woorden in overweging — van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken. Er zijn 'daar buiten' mensen die de heer Tkach "de mens der zonde", "de anti-Christ", noemen en ze vertellen iedereen (die het wil horen) over al zijn zonden waarvan ze willen dat anderen op de hoogte zijn.

Er zijn anderen die hetzelfde doen met Herbert W. Armstrong. Hoe snel vergeten ze dat de heer Armstrong net als Paulus (op dezelfde manier) onze vader in het geloof is. Mensen doen dit met een houding van rechtvaardiging, omdat ze vinden dat hij (ofwel de heer Tkach of de heer Armstrong) hen gekwetst heeft, of hen heeft teleurgesteld. Dat kan inderdaad het geval zijn. Maar ik geloof dat er een heel sterke aanwijzing is, dat we beter ontzettend voorzichtig kunnen zijn met wat we over deze mensen zeggen.

In Prediker 10:20 staat een heel interessant commentaar van Salomo. Hij zegt daar:

Prediker 10:20 Vervloek zelfs in uw gedachten de koning niet, en vervloek in uw slaapkamer de rijke niet, want de vogelen des hemels zouden het geluid overbrengen en het gevogelte zou te kennen geven wat gij gezegd hebt.

Zeker, we kunnen misschien wel zeggen dat Salomo niet hetzelfde in gedachten had [als wat wij bespreken], maar we moeten bedenken, dat dit deel uitmaakt van het woord van God. Het staat daar tot opbouw van ons. Het betekent niet dat we zelfs niet mogen praten over de fouten van een leider (of zelfs zijn zonden). Maar we moeten er dan wel zeker van zijn, dat we over de juiste feiten beschikken — en dat we hen niet lasteren, of over hen roddelen, of gewoon handelen vanuit onze ijdelheid om ons zelf te verheffen.

Op dit punt is het ontzettend goed om Exodus 16:8 in herinnering te brengen, waar Mozes over hen die tegen hem [en Aäron] murmureerden, zei:

Exodus 16:8b Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de HERE [tegen God!].

Het is heel duidelijk dat God die dingen als kritiek op Hem beschouwt. Hij doet Zijn werk dus niet goed. We zeggen in feite: "Als ik God was, dan zou ik deze dingen niet toelaten." Gemeente, dat ligt niet binnen de grenzen van onze verantwoordelijkheid. Als de leider ons kwetst, kunnen we van onder zijn autoriteit weggaan, maar probeer hem niet in het oog van andere mensen te verlagen. Onze verantwoordelijkheid wordt [door Paulus] in Filippenzen 3 weergegeven:

Filippenzen 3:14 Maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.

Daar zien we onze verantwoordelijkheid — gereed te zijn voor Christus als Hij wederkeert. Het afkammen van de leider zal ons in dit opzicht niet helpen.

Laten we nu 1 Samuël 19 opslaan. Hier zien we een serie gebeurtenisen die plaatsvonden in het leven van David. Ik denk dat deze omstandigheid ook op u en mij van toepassing is, in de situatie waarin we ons nu bevinden.

1 Samuël 19:9-11 [Dit schetst het toneel.] Maar de boze geest des HEREN kwam over Saul, toen hij in zijn huis zat, met zijn speer in de hand; en David tokkelde de snaren. 10 Toen trachtte Saul David met de speer aan de wand te spietsen, maar deze ontweek Saul, zodat hij [Saul] met de speer de wand trof. Daarop vluchtte David en ontkwam in die nacht. 11 En Saul zond boden naar het huis van David om het te bewaken en hem des morgens te doden. Maar Mikal, de vrouw van David, deelde hem mee: Indien gij vannacht uw leven niet weet te redden, zult gij morgen ter dood gebracht worden.

Hier is een wel zeer directe druk van de leider — vervolging in de ergst mogelijke vorm. Saul wilde David het leven ontnemen. Werd ons geestelijk leven bedreigd? Ik denk dat dat het geval was. Wij hebben gedaan wat David ook deed. David vluchtte. Wij zijn ook gevlucht — voor de vervolging die we ondergingen.

Er is nog een voorbeeld in hoofdstuk 23. Ook dit voorbeeld heb ik zomaar uitgekozen. We kennen het verhaal. David vluchtte de woestijn in. Daar bleef hij — en de mannen en vrouwen die met hem waren — voortvluchtig. Hij moest dat wel doen, omdat — in dit geval — Saul hem van plaats tot plaats achtervolgde. Saul had zijn medewerkers (zijn CIA, zijn spionnen, zijn FBI, zijn geheime politie) die 'op pad' waren om te ontdekken waar David zich bevond. "Wat doet David nu? Waar is hij? Kan ik hem te pakken krijgen op een moment dat hij zwak is?" Hier is dan het voorbeeld.

1 Samuël 23:26-28, 24:1 Saul ging langs de ene en David met zijn mannen langs de andere zijde van de berg. David trachtte in allerijl aan Saul te ontkomen; en reeds stond Saul met zijn mannen op het punt David en diens mannen te omsingelen en te grijpen, 27 toen er een bode tot Saul kwam met de tijding: Trek haastig weg, want de Filistijnen zijn het land binnengevallen. 28 Daarop keerde Saul terug van de achtervolging van David en trok de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats: Rots der Ontkoming. 24:1 David trok vandaar en hield verblijf in de bergvestingen van Engedi.

Er waren tijden dat David de gelegenheid had Saul kwaad te doen — maar hij deed het niet. Eén van die gelegenheden doet zich voor in hoofdstuk 24. We pakken daar de draad op in vers 6, dat is nadat David de gelegenheid had gehad om het te doen.

1 Samuël 24:6-11 Daarna bonsde Davids hart, omdat hij Sauls slip had afgesneden; 7 hij zeide tot zijn mannen: De HERE beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer, aan de gezalfde des HEREN, dit zou doen, dat ik mijn hand aan hem zou slaan; want hij is de gezalfde des HEREN. 8 En David weerhield zijn mannen door zijn woord; hij liet hun niet toe Saul te overvallen. Saul was inmiddels opgestaan, hij verliet de spelonk en ging zijns weegs. 9 Daarna stond David op, ging de spelonk uit en riep Saul na: Mijn heer de koning! Saul keek om en David knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer. 10 Toen zeide David tot Saul: Waarom luistert gij naar de woorden van mensen, die zeggen: zie, David beraamt kwaad tegen u? 11 Zie, op deze dag aanschouwen uw eigen ogen, dat de HERE u heden in de spelonk in mijn macht gegeven heeft; men sprak ervan u te doden, maar ik spaarde u en zeide: ik zal mijn hand niet slaan aan mijn heer, want hij is de gezalfde des HEREN.

Laten we nog één voorbeeld bij de kop nemen, in hoofdstuk 26. Alweer had David de gelegenheid Saul te schaden.

1 Samuël 26:9-11 Maar David zeide tot Abisai: Breng hem niet om, want wie slaat ongestraft zijn hand aan de gezalfde des HEREN? 10 David zeide: Zo waar de HERE leeft, voorzeker, de HERE zal hem slaan; hetzij, dat zijn sterfdag komt, hetzij, dat hij ten strijde trekt en weggevaagd wordt.11 De HERE beware mij ervoor, dat ik mijn hand zou slaan aan de gezalfde des HEREN. Nu dan, neem de speer aan zijn hoofdeinde en de waterkruik, en laten wij weggaan.

David had de gelegenheid om Saul op allerlei manieren schade toe te brengen (zelfs hem het leven te ontnemen), maar hij deed het niet. Davids groep werd een toevluchtsoord voor hen die onenigheid hadden met het leiderschap. En God ging voort om David en zijn groep te verlossen.

 

Het is Gods recht Zijn schepping te besturen. In de omstandigheid die zich in Davids leven voordeed, maakte hij een wijze keus — en leefde binnen de grenzen van zijn autoriteit. Dit voorbeeld is één van de hoofdredenen dat deze groep [Church of the Great God] op de manier werkt, waarop ze dat doet. Er is geen aanwijzing dat David eropuit was om mensen te werven zich bij hem te voegen. God bracht de mensen tot David. David trok rond op krachtige en tactvolle manier "weldoend" aan Gods volk, Israël. En toen Gods tijd kwam, gaf God aan David wat hem rechtens toekwam.

Onze verantwoordelijkheid — binnen het schema der dingen Gods — is God te laten zien dat we ons aan Zijn bestuur zullen onderwerpen. Ik heb David met opzet aangehaald (de voorbeelden uit zijn leven), omdat ik een brug wil slaan van David naar de volgende stap in deze serie.

David en Saul vormen een interessante tegenstelling. Ongeacht hoe we in het bijzonder de kwaliteiten van de één kunnen evalueren tegen die van de ander, geloof ik dat het verschil neerkomt op één duidelijke eigenschap die David op zo'n manier apart zet, dat hij HET MODEL wordt voor wat een heerser behoort te zijn. Onder alle koningen van Israël is hij het "type" van Christus. Die eigenschap was dat David bestuurbaar was. Saul was dat niet.

Saul was in geen enkel opzicht minder dan David. Ook hij had de Geest van God ontvangen. Maar het verhaal dat hier in 1 Samuël wordt weergegeven, is dat Saul er bewust voor koos in opstand te komen — waar David er bewust voor koos zich te onderwerpen (ongeacht wat het hem persoonlijk zou kosten).

David vreesde God. Dat wordt heel duidelijk vanuit de Psalmen. Dit was een diepe en blijvende verering — die onlosmakelijk samenging met een mate van vrees. David vernederde zich voor God; daarbij bracht hij zijn geloof in die God in praktijk door te doen wat Hij zei.

David was iemand die zowel aan rijkdom als armoede gewend was. En toch is er bijna geen aanwijzing dat hij ooit zijn autoriteit misbruikte. De reden dat hij zijn autoriteit niet misbruikte was, omdat hij binnen de grenzen bleef van zijn "bestuurder" — en zijn "Bestuurder" was God! Die houding (van binnen de grenzen te blijven) was geworteld in zijn eigen persoonlijke onderwerping aan God. Een andere manier van zeggen is, dat hij zelf trouw was in de kleine dingen.

Laten we nu Psalm 72 opslaan. Deze psalm heeft een interessante achtergrond. Deze psalm is een psalm van David, alhoewel moderne commentatoren ons zullen zeggen (en waarschijnlijk terecht) dat hij in feite door Salomo werd geschreven. Hun denken is als volgt. Gelet op het onderwerp moet Salomo een gebed van David hebben opgeschreven — een gebed dat David uitsprak op zijn sterfbed. Dus het gaat in feite om een gebed van David, en Salomo heeft het in po?tische vorm vastgelegd.

Vaders, mannen, moeders en vrouwen — besteedt hier in het bijzonder aandacht aan, omdat David vanuit zijn ervaring als koning de behoeften van een leider opsomt. En hij vraagt hierom aan God voor Salomo. Daarom is deze psalm zo belangrijk. De kwaliteit van leiderschap (of het in een natie is, of in een gezin, of in een bedrijf, een kerk, of wat dan maar ook) zal — voor een heel groot deel — de kwaliteit van leven bepalen voor "degenen die worden bestuurd".

Het enige dat we hebben te doen om daarvoor het bewijs te geven, is het doorlezen van de geschiedenissen van de koningen van Israël. Als er een rechtvaardige koning was, dan ging alles goed en was er welvaart. Dat is het bewijs dat God ons geeft — dat de kwaliteit van leven onder die koningen goed was. Als er een slechte koning was, was het leiderschap slecht en ging de kwaliteit van leven achteruit. (Hetzelfde principe geldt binnen een gezin.)

De kwaliteit van leiderschap wordt bepaald door de relatie van de leider MET GOD. Laat dat goed doordringen! De kwaliteit van leiderschap wordt bepaald door de relatie tussen "de leider" en "God". Dat is de sleutel. Dat is de basis. Dat is het kernpunt. Dat wordt in deze psalm samengevat in het woord "gerechtigheid".

Psalmen 72:1-4 Van Salomo. O God [Bedenk dat David deze dingen voor Salomo vraagt.], verleen de koning uw recht, en uw gerechtigheid de zoon des konings. [De koning was David. De zoon was Salomo.] 2 Hij richte uw volk met gerechtigheid, uw ellendigen met recht [Of: eerlijkheid. Of: onpartijdigheid. Of: billijkheid.]. 3 Mogen voor het volk [Als de heerser rechtspreekt of handelt in gerechtigheid.] de bergen vrede dragen, ook de heuvelen, in gerechtigheid. 4 Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks, Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker.

We hebben zo genoeg voorbeelden gezien om het idee te krijgen (zoals God heel duidelijk laat zien), dat het welzijn van het volk dat onder autoriteit staat, afhangt van de relatie tussen de leider en God. Vóór alle anderen moet de leider leven binnen de grenzen die door zijn "Bestuurder" — God — zijn vastgesteld.

Het is duidelijk, dat we Christus als voorbeeld zouden hebben kunnen kiezen, maar hier, op dit punt in de preek, gebruik ik David. Wat hem een succes deed zijn, wat hem tot HET MODEL maakte voor alle koningen van Israël (zelfs voor de Messias, de Koning der koningen, die komen zal), is het feit dat hijzelf bestuurbaar was en dat hij leefde binnen de grenzen van de autoriteit die door God was ingesteld. Het resultaat hiervan was dat David een bestuur van gerechtigheid voerde. Die gerechtigheid zal goede dingen voortbrengen voor "degenen die worden bestuurd". En natuurlijk zal het ook goede dingen voor de koning voortbrengen.

Laten we nu Deuteronomium 17:18-20 opslaan. In mijn Bijbel heeft dat gedeelte als titel — "Principes die gelden voor koningen."

Deuteronomium 17:18-20 Wanneer hij [een koning] nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten [Volgens het Hebreeuws, zoals ook de Statenvertaling aangeeft, moest hij dit zelf doen.] maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. 19 Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden, 20 opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van Israël.

Het was een wet in Israël, dat iedere koning (als hij werd gekroond) een kopie van de wet moest ontvangen, een kopie die hij zelf gemaakt had. God maakte het heel duidelijk dat de koning verschuldigd was ... (Dat is "de leider". Of het nu de man, de vader of de koning is, doet er niet toe.) De koning was het aan zijn plicht jegens degenen die bestuurd werden verschuldigd, dat zijn eerste prioriteit lag in zijn verplichting aan God — vanwaar de autoriteit van de heerser kwam. God Zelf is HET MODEL dat de leider (man, vader, koning, bestuurder, of wat dan ook) moet volgen. De leider moet Gods handelen uit liefde en Zijn rechtvaardigheid voor ogen houden. Gods eigenschappen moeten het handelen van de leider motiveren tot het leiden van een onberispelijk leven.

Gemeente, dit is het essentiële principe waarop GODS BESTUUR is gebaseerd. We kunnen niet verwachten dat een ander het wel zal doen. Of we nu een positie van autoriteit bekleden of onder autoriteit staan, we zijn individueel verantwoordelijk aan God in de hemel. We zouden kunnen zeggen, dat deze last (of die verantwoordelijkheid) in het bijzonder op de schouders van de leider ligt.

We moeten ook inzien, dat dit het essentiële principe is van het oordeel dat God zal vellen voor wat betreft de functie die we in het Koninkrijk van God zullen bekleden. In de eerste plaats zal dat zijn of wijzelf bestuurd konden worden — of wij trouw konden blijven. Het zijn handelingen van trouw, die laten zien dat we bestuurbaar zijn!

Mattheüs 25:21 Zijn heer zeide tot hem. Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer.

Is dat niet duidelijk? Zij die bestuurbaar zijn zullen besturen. Iemand die bestuurbaar is, is een getrouw persoon. (Dat is gewoon een andere manier van zeggen.) Dit was — in de ogen van God — de sleutel tot het succes van David. Ongeacht zijn hoge positie, ongeacht zijn macht, ongeacht zijn rijkdom — David onderwierp zich aan het woord van God.

We zagen dat ook tot uiting komen in het leven van Jezus. Al was Hem ook "alle macht" gegeven, Hij zou niet buiten Zijn boekje gaan. Hij leefde binnen de grenzen van Zijn autoriteit, omdat de profetie zei, dat Hij als het Lam van God moest sterven. Daarom verzocht Hij Zijn Vader niet om bijstand van engelen. Verder dan dat kan niemand gaan — om te leven binnen de grenzen en trouw te zijn aan het woord van God.

Mattheüs 24:45-47 Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? 46 Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden. 47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen.

Binnen de orde van God is degene in autoriteit in de eerste en de belangrijkste plaats een dienaar van God. Dat zal bepalen of hij zijn autoriteit zal misbruiken — of door (1) een dominerende invloed uit te oefenen, of (2) niet op de hoogte te zijn van de noden van zijn volk en niets voor hen te doen. Op beide manieren is dit een misbruik maken van de functie.

We zijn allemaal bekend met het algemene onderwerp van Mattheüs 20:24-28. Dit was toen Johannes en Jacobus (en hun moeder) erom vroegen dat de ene aan Christus' rechterhand en de andere aan Zijn linkerhand mochten zitten.

Mattheüs 20:24-28 En toen de tien dit hoorden, namen zij het de beide broeders kwalijk. 25 Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. 26 Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, 27 en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; 28 gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

We hebben hier een tegenstelling tussen wat voor de wereld normaal is (Het misbruik maken van een positie.) en wat normaal is voor het Koninkrijk van God. Wat we voor het Koninkrijk van God zien, is een totaal andere houding bij de heerser. De wereldse heerser gebruikt zijn macht, zoveel als mogelijk is, ten gunste van zichzelf. De heerser binnen het Koninkrijk van God gebruikt zijn macht ten eerste om God te dienen; en in het dienen van God wordt hij de dienaar van "degenen die bestuurd worden". Dat wordt niet expliciet gezegd, maar dat ligt wel in deze woorden besloten.

Het is interessant op te merken, dat Jezus hen [Johannes en Jacobus] niet om hun ambitie berispte. Maar Hij had zo Zijn twijfels over hun aanmatiging om te veronderstellen dat zij geschikt waren de opoffering op te brengen die nodig was om te heersen. Hij betwijfelde of ze wel de juiste houding hadden om op rechtvaardige wijze te heersen. Op dat moment begrepen ze het karakter van Gods Koninkrijk nog onvoldoende.

De machtigen der aarde zijn gewoon om — wat we noemen — "hun invloed te doen gelden". Anders zouden ze kunnen zeggen: "Wat is het voordeel om aan de top te staan?" In deze wereld is het de gewone benadering van de heersers om op hun strepen te staan. Dit kan openlijk gebeuren — zoals bij de militairen (met de groet, met balken, strepen en sterren). Het kan op een indirecte manier gebeuren — via een blik of een andere manier, om iemand te kleineren. In deze tijd wordt de mens aangemoedigd iets over zichzelf te zeggen in de manier waarop hij zich kleedt of in een bepaalde stijl van gedrag. Al deze dingen zijn uitingen van ijdelheid met als doel "hogerop te komen". Dat is (minstens) het behalen van een psychologisch voordeel op iemand anders. Waarom? Dat wordt allemaal gedaan om de situatie onder controle te krijgen.

Waarom stel ik nu het punt van controle aan de orde? Omdat dat centraal staat in het verschil tussen de manier waarop Gods systeem werkt en het systeem van de mens (of we zouden ook kunnen zeggen, dat van Satan). Denk eens over de wereld om ons heen. De niet-bekeerde mensheid is een slagveld van elkaar bestrijdende goden. Daar botsen allerlei vormen van egotisme — dat van de ene persoon tegen de ander.

De kerk dient een gemeenschap te zijn van berouwvolle zondaars. De Bijbel zegt ons heel duidelijk dat ons eigen ik moet sterven. Gemeente, dat is de enige vorm van "gemeenschap" die ZAL WERKEN (zonder zelfvernietiging in oorlog en scheiding). We herinneren ons nog wel dat Jezus zei: "Wie achter Mij wil komen, verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij."

Het systeem van de mens functioneert met de nadruk op "het onder controle hebben" — zoals hier in Mattheüs 20 wordt geïllustreerd in overheersende heersers die zelfgericht zijn. Maar let erop dat Christus zei, dat in Zijn systeem iemand eerst een dienaar moet worden — een diaken (het Griekse woord 'diakonos' wordt hier gebruikt). Een dienaar is iemand die plichten vervult op een plaats waar hij in dienst is, huiselijke taken of taken ten behoeve van een persoon of meester. De dienaar "heeft de zaak niet onder controle"; hij voert bevelen uit.

Dit woord "diaken" wordt in de Bijbel af en toe ook vertaald met dienaar [in het Engels: minister]. Het woord "minister" heeft een interessante oorsprong. Dit Engelse woord is ontleend aan het Latijnse woord voor "minder". Een 'minister' is iemand die minder is dan iemand anders. Als dat nog niet genoeg is (om dit punt te begrijpen), versterkte Jezus die uitspraak door te zeggen dat zo iemand een slaaf moet zijn — en dat Hij Zelf HET MODEL is.

Denk hier eens over na. Een dienaar (bijvoorbeeld: een werknemer) kan een zekere mate van vrijheid hebben. Hij heeft tijd voor zichzelf. Hij kan acht (of tien, of twaalf) uur werken bij zijn werkgever; daar voert hij de bevelen uit. Maar hij vertrekt daar en gaat ergens anders heen — waar hij misschien "niet de dienaar" is (zoals bij zijn werkgever). Aldus heeft hij een zekere mate van controle over zijn leven.

Maar een slaaf is (volgens Webster's) iemand die volledig ondergeschikt is aan een hem overheersende invloed. Een slaaf heeft misschien helemaal geen eigen controle! Hem wordt misschien wel gezegd hoe laat op te staan, wanneer en wat te eten, waar en wanneer aan het werk te gaan, waar en wanneer naar het toilet te gaan, met wie hij trouwt, als hij al trouwt. Denk maar aan de slavernij zoals die hier in de Verenigde Staten bestond en we krijgen een beeld van iemand wiens leven absoluut eigendom was van de meester van de slaaf. Zelfs de dood kon voortkomen als gevolg van een besluit van de meester van de slaaf. Een slaaf is iemand die zijn leven leidt zonder daar zelf "controle" over te hebben.

Precies op dit punt komen we een hoofdprobleem tegen om Gods vorm van BESTUUR te laten werken! De menselijke natuur wil de zaak onder controle hebben. Lucifer zei: "Ik wil God zijn. Ik wil de Allerhoogste zijn." Hij wilde de baas zijn en hij bracht dit idee over op Adam en Eva. Hij zei: "Jullie zullen als God zijn." Die drijvende kracht doortrekt nog steeds dit deel van de schepping. Wij willen van nature de baas zijn.

Onszelf vrijwillig dienstbaar opstellen vereist opoffering — de opoffering van het opgeven om "de baas" te willen zijn. Maar, gemeente, dit is precies de benadering die bereid is tot samenwerking in plaats van wedijver. Wedijver resulteert in oorlog, verwoesting en armoede. Samenwerking resulteert in vrede en welvaart.

Om GODS BESTUUR te laten werken, moeten wij opoffering tot een dagelijks onderdeel van ons leven maken!

"Wie tot Mij komt moet zichzelf verloochenen." We moeten bereid zijn iets van ons terrein prijs te geven. Dat terrein is de drijfveer om de situatie "onder controle te hebben".

Deze weg is er volledig op gebaseerd, dat iemand zichzelf eerst tot een slaaf van God maakt. Dat deed Jezus Christus. David streefde daarnaar. Hij deed het niet perfect, maar hij was een voortreffelijk voorbeeld. Hij was bestuurbaar. En als resultaat daarvan werd hij het menselijk type van hoe een heerser dient te zijn.

Deze keus moet welbewust en opzettelijk DOOR GELOOF worden gemaakt. Die keus wordt niet zo maar toevallig gemaakt. Het gaat niet zomaar vanzelf.

We sluiten af met het kijken naar het patroon dat ons door Jezus Christus werd nagelaten. Dat was echt iemand die de controle opgaf en daarna leefde binnen de grenzen van Zijn autoriteit!

Filippenzen 2:5-6 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht.

Hij hing er niet aan! Hij gaf het vrijwillig op.

Filippenzen 2:7-9a Maar Zichzelf [Dat gebeurde doelbewust en opzettelijk.] ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht [Mattheüs 20] heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd [Dat is een keus die iemand maakt.] en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd ...

Omdat Hij aan de voornaamste eigenschappen voldeed om als heerser te fungeren in het Koninkrijk van God, bewees Hij dat Hij bestuurbaar was. Hij leefde binnen de grenzen. Hij gaf de "controle" over Zijn leven, totaal en volledig, in handen van Zijn Vader.

Filippenzen 2:9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken.

De weg die wij (in termen van verantwoordelijkheid) hebben te gaan is heel duidelijk. Onze verantwoordelijkheid jegens God is individueel en persoonlijk. We hebben directe toegang tot de Vader — net als Jezus Christus dat had. De Geest van God stroomt via deze toegang en stelt ons in staat Zijn geboden te onderhouden — te leven binnen de grenzen. Het is onze verantwoordelijkheid om de keuzes die ons dan worden gegeven, te benutten als gelegenheden om onszelf te verloochenen, en ons niet de gelegenheid te geven om controle uit te oefenen, daar waar onze controle door iets in het woord van God wordt beperkt.

Dat is niet gemakkelijk om te doen. Toch is het nodig dat we het doen. En het is nodig, omdat dit ervoor zorgt dat GODS BESTUUR werkt.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)