Bestuur (Deel 4)

Door John W. Ritenbaugh
20 juni 1992

Samenvatting: (toon)

In dit vierde deel van de serie over bestuur beweert John Ritenbaugh dat de kleinste eenheid van bestuur het individu is. God handelt met elk van ons op dit allerlaagste niveau van bestuur. Onder het Nieuwe Verbond worden individuele personen door de Geest van God in Zijn kerk ondergedompeld of geplaatst; dit gebeurt slechts met hen die er vrijwillig mee instemmen Hem te gehoorzamen. In deze specifieke, met zorg gekozen toestand verwacht God van ons dat we leren onszelf te besturen. Omdat de kerk een koninklijk priesterschap van gelovigen is met Christus als Hogepriester, is er geen religieuze hi?rarchie tussen God en ons (Hebree?n 10:21-22). Om van de heerlijkheid van de mens tot de heerlijkheid van God over te gaan, moeten we dezelfde soort van toegang tot de Vader hebben als Christus had en daarbij de ontzagwekkende verantwoordelijkheid op ons nemen ons als zonen van God te gaan gedragen.


We hebben het de laatste tijd over het onderwerp BESTUUR en daar ga ik vandaag weer mee verder. Ik dacht deze week, dat er heel wat onderwerpen zijn die eenvoudig in korte tijd kunnen worden uitgelegd, waarvoor slechts een korte periode van instructie, gecombineerd met wat onderzoek (of misschien ook wat praktische ervaring) nodig is. En dan, een knip met de vingers en we begrijpen het! Maar BESTUUR is niet één van deze onderwerpen.

Voor iedereen die oprecht antwoorden zoekt, neemt het aantal vragen over BESTUUR almaar toe. Er zijn zoveel nuances, dat het bijna ongelooflijk is. In zijn laatste jaren zei de heer Herbert W. Armstrong tegen Dr. Hoeh (die dit op zijn beurt weer in het Ministerial Refreshment Program doorgaf — waaraan ik destijds deelnam): "Het onderwerp van BESTUUR is het moeilijkste van alle bijbelse doctrines geweest."

Sommige dingen over BESTUUR worden heel gemakkelijk ingezien en we zullen daar vlotweg mee instemmen en zeggen: "Ja, dat klopt." Maar tezelfdertijd zijn deze dingen (die we zo gemakkelijk inzien) niet eenvoudig toe te passen. Bijvoorbeeld, vorige week zagen we heel duidelijk in de preek, dat wij onder het Nieuwe Verbond onderdanig aan het civiele bestuur van de mens dienen te zijn. Al zijn ze niet het bestuur waar we rechtstreeks verantwoordelijk aan zijn, en al kunnen ze corrupt en onderdrukkend zijn — hun autoriteit is (volgens Romeinen 13) direct verkregen van God. Dus gehoorzaamheid aan hen is gehoorzaamheid aan God. Ik kan dat beter iets anders zeggen. Onderworpen zijn aan hen is gehoorzaam zijn aan God.

Petrus voegde er echter nog iets aan toe. Hij zei dat we ons aan alle menselijke instellingen moeten onderwerpen — en wel omdat (1) wij dienaren van God zijn en (2) we dit moeten doen "om des Heren wil." (Dat betekent: uit respect voor Hem.)

Hier hebben we één van die dingen die gemakkelijk zijn te begrijpen, maar moeilijk om uit te voeren. (Eén van de instellingen van de mens.) Wat te denken van snelheidsbeperkingen? Dat is er één waar we meestal grote moeite mee hebben om mee om te gaan — afgaande op wat er in de "praktijk" gebeurt. We zullen allerlei rechtvaardigingen bedenken om te verdedigen wat we doen (het overtreden van de snelheidslimiet). We zullen redeneren: "Die snelheidslimiet is vastgesteld voor slecht weer condities en nu is het goed weer." Of: "Die snelheidslimiet is vastgesteld voor de piek van de spits en nu is het drie uur 's nachts en is er geen kip te zien. Ik ben de enige op de weg." Of: "Als ik niet met dezelfde snelheid rijd als al de anderen, ben ik een gevaar op de weg en mogelijk de oorzaak van ongelukken."

Er zijn inderdaad omstandigheden, waaronder het overschrijden van de snelheidsbeperking volledig gerechtvaardigd is. Maar wat laat dat onder normale omstandigheden aan God zien over onze houding ten opzichte van de wet? Over onze houding en praktijken betreffende wet en bestuur? Zijn we dan trouw in zelfs de kleine dingen? Zeggen we God openlijk dat we niet trouw zullen zijn in de belangrijke dingen (als we ons zelfs niet aan zo'n klein ding kunnen onderwerpen)?

Ik denk, dat we precies op dit punt in aanraking komen met de hoofdfactoren die in werkelijkheid de meeste bestuursproblemen veroorzaken. Er zijn twee van die oorzaken. Eén daarvan is niet de structuur van het bestuur! Ik denk dat God in Zijn woord duidelijk de structuur laat zien die het beste werkt. Maar ik denk dat de geschiedenis ook laat zien dat bijna elke structuur van bestuur zal werken. Sommige werken echter beter dan andere. De hoofdproblemen liggen ergens anders dan in de structuur.

Of we in autoriteit zijn of onder autoriteit (we zijn altijd onder autoriteit), elk van ons — zowel man als vrouw — heeft een bijna onoverkomelijke onwilligheid te leven binnen de beperkingen die door de "bestuurder" zijn opgelegd. Bedenk dat! Wat ik heb gedaan, is het eenvoudig op andere manier verwoorden van Romeinen 8:7. "De gezindheid van het vlees (de natuurlijke gezindheid) is vijandschap tegen God." En zoals we in de preek van vorige week zagen, is Hij de uiteindelijke bron van alle BESTUUR. Het civiele bestuur van de mens ontleent zijn autoriteit aan God — evenals de autoriteit binnen het gezin zijn autoriteit aan God ontleent.

We zien dus, dat er in de mens een bijna onoverkomelijke onwilligheid is binnen de beperkingen te leven die door de "bestuurder" zijn opgelegd. Als we extrapoleren vanuit God, dan zullen we dezelfde onwilligheid zich zien manifesteren tegen het civiele bestuur, tegen het hoofd van het gezin, of tegen wie dan ook maar de autoriteit mag zijn. Dit is iets waar we ons bewust van dienen te zijn om onszelf onder discipline te kunnen houden, zodat we deze aandrang (deze aantrekkingskracht, deze onwilligheid die in ons zit) niet de overhand over ons laten krijgen.

We willen vrij zijn om onze eigen grenzen te stellen. Als een of ander gebod in conflict komt met wat we onszelf hebben toegelaten, dan gaan we eromheen draaien en zeggen: "Het heeft allemaal niet zoveel te betekenen." En als we er echt problemen mee hebben, zullen we dat gebod openlijk overtreden. In dat geval gebruiken we woorden als: "Ik bepaal zelf wat ik doe." Of: "Op deze manier doe ik het, of anders doe ik het in het geheel niet." Of: "Ik heb de touwtjes in handen." Of: "Het is niet zo erg. Het is maar een kleinigheid. Het doet niemand kwaad." Of: "Ik heb recht op dit soort respect."

Deze houding heeft heel wat pijn veroorzaakt. God heeft ons de geschiedenis daarvan in de Bijbel gegeven. Daarnaast hebben we zesduizend jaar menselijke geschiedenis om ons te laten zien dat dit niet werkt. Ja, het werkt wel in de zin dat het ellendige, van vrees vervulde, gefrustreerde levens vol pijn en zonder hoop voortbrengt voor allen die erbij betrokken zijn. We hebben onszelf ons gehele leven proberen te overtuigen dat wat we doen er niet toe doet. Maar we hebben geen vrijbrief te doen wat we maar willen. Dat kunnen we in de Bijbel lezen. We kunnen niet onze eigen gang gaan (met betrekking tot BESTUUR); wat we doen heeft gevolgen — in het bijzonder als Gods geestelijke wet erbij betrokken is. Als we bijna zesmiljard mensen hebben die zeggen: "Het doet er in feite niet toe", dan bevinden we ons bijna in de situatie dat we onszelf uitroeien.

Als iemand niet binnen de grenzen wil leven, van bijvoorbeeld de voedselwetten (het voedsel dat zijn lichaam in staat is te verteren en te benutten), dan zal zo iemand aankomen. Als iemand niet wil leven binnen de grenzen van matig alcoholgebruik, dan wordt zo iemand dronken. Als iemand niet wil leven binnen de grenzen van seks, dan zal zo iemand overspel en echtbreuk plegen. Hetzelfde principe geldt voor ieder gebod en principe van Gods natuurlijke en geestelijke wet. Er zal niets veranderen, tenzij iedereen verandert naar Gods weg, ongeacht wat anderen doen.

Dit is het punt waar de preek die ik op de Pinksterdag gaf, past in deze hele serie preken over BESTUUR. Ik gaf die preek de titel: "We zijn hier om het juiste gebruik van macht te leren." We gaan deze preek nu even kort samenvatten.

God schiep ons. Hij gaf ons heerschappij (autoriteit) over Zijn schepping. Hij gaf ons de "gaven" die we nodig hebben om deze heerschappij uit te oefenen. In dit geval was dat voornamelijk de geest in de mens — waardoor we over intellect beschikken (hetgeen de andere schepselen die God schiep, niet hebben).

God gaf ons daarna een doel, waarop we ons leven en onze gaven moesten richten. We hebben (volgens het verslag in de Bijbel en in de geschiedenis van de mens) hopeloos gefaald om gebruik te maken van de dingen die Hij ons gaf.

In Genesis 6 laat Hij ons de uiteindelijke conclusie zien — alleen maar als "type", als "symbool" — toen de zondvloed kwam en alle leven op aarde uitwiste. Ze gingen allemaal de verkeerde kant uit. Iedereen had gefaald te leven binnen de grenzen die God had vastgesteld. God liet dit zijn gang gaan. Maar Hij moest opeens snel tussenbeide komen om te voorkomen dat hun denken zo verdorven zou worden, dat berouw en bekering (en aanvaarding van Zijn heerschappij) nooit meer mogelijk zou zijn geweest.

Het wordt hier allemaal zo simpel onder woorden gebracht. In den beginne, een man en een vrouw, een prachtige hof, een plaats om te wonen, een omgeving die ons waarschijnlijk met open mond zou doen staan van bewondering. God stelde — voor zover wij kunnen zien — één grens vast: "Jullie kunnnen eten van alle bomen in de hof (hier komt de grens ...) behalve van één boom." Ze konden niet binnen die ene grens leven.

Deze onwilligheid (die ons allemaal eigen is) is heel sterk en we moeten ermee leven. We moeten deze kracht overwinnen, of we zullen gewoonweg niet leven.

Begrijp het volgende, luister heel aandachtig. Onder het Nieuwe Verbond heeft God ieder beletsel tussen Hem en ons weggenomen. Geestelijk staan we van aangezicht tot aangezicht met God, net als Adam en Eva in de hof fysiek van aangezicht tot aangezicht stonden met God. De kleinste eenheid van BESTUUR is het individu. God handelt met elk van ons op dit allerlaagste niveau. In Gods vorm van BESTUUR is het individu heel belangrijk — omdat het individu zich door geloof moet blijven onderwerpen aan God.

Ik denk, dat dit heel duidelijk wordt geïllustreerd door het feit dat het Nieuwe Verbond is gemaakt met individuele personen — dit in tegenstelling tot het Oude Verbond, dat met de gehele natie Israël werd gemaakt, met allemaal tegelijk. Onder het Nieuwe Verbond worden individuele personen door de Geest van God (die hun gegeven wordt die Hem gehoorzamen) ondergedompeld of een plaats gegeven in Zijn kerk — dit alweer in tegenstelling tot wat er onder het Oude Verbond gebeurde, waar de mensen geboren werden binnen die relatie met God.

Gemeente, zelfs Gods BESTUUR kan niet werken (behalve door brute kracht) tenzij "degenen die worden bestuurd" ermee instemmen en zich daarna uit vrije wil in gehoorzaamheid aan Hem onderwerpen. Dat is iets dat vrijwillig moet gebeuren! God wil geen brute kracht gebruiken en wij willen ook niet dat Hij die gebruikt. Waarom? Omdat zowel God als wij begrijpen dat dat geen vrijheid voortbrengt.

Mahatma Gandhi (de Indiër wiens civiele activiteiten een zekere mate van onafhankelijkheid voor India teweegbrachten) had hierin een wijs inzicht. Luister naar deze aanhaling van hem: "Goed bestuur ..." (Hij bedoelde daarmee goed civiel bestuur, zowel landelijk als lokaal.) "Goed bestuur is geen vervanging voor zelfbestuur."

God verwacht van ons dat we onszelf leren besturen!

We gaan nu een aantal schriftgedeelten aan elkaar koppelen. Ik zal er niet veel commentaar op geven, maar ik hoop dat wij (door deze serie schriftgedeelten) zien hoe God met ons als individuele personen omgaat.

Johannes 6:44 Niemand [En Hij bedoelt dat ook — Niemand! Geen enkele persoon ...] kan tot Mij [Christus is de Spreker.] komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

Kunt u dat begrijpen? Het is zo duidelijk. Voor God bent u geen nummer. Hij kent u. Hij riep u uit de bijna zesmiljard mensen die er op aarde zijn. Hij koos u, om hier te zijn.

Mattheüs 22:1-3 En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. [Het huwelijk van het Lam, uiteindelijk, met de kerk.] 3 En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen [Denk aan de roeping uit Johannes 6:44], doch zij wilden niet komen.

Er is hier sprake van een uitnodiging! Wij doen hetzelfde. Als onze kinderen trouwen, wordt er een lijst van genodigden opgesteld en de mensen die daar op staan, worden uitgenodigd. Dat zijn de vrienden, en dergelijke, die we er graag bij willen hebben. God laat zien dat de uitnodiging aan Zijn Familie (de uitnodiging om onder ZIJN BESTUUR te leven) op dezelfde persoonlijke manier wordt behandeld.

Laten we naar een andere context gaan, in het boek Handelingen, hoofdstuk 9, vers 15. Dit was de roeping en uitverkiezing van de apostel Paulus, het moment van zijn bekering. Dit wordt tegen Ananias gezegd, omdat Ananias van Paulus had gehoord (zijn reputatie kende) en niet naar hem wilde toegaan (omdat hij de bron was van al die dreigingen in zijn vervolging van de kerk).

Handelingen 9:15 Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls.

De apostel Paulus werd door God persoonlijk gekozen — en dat is voor ons in het geheel niet anders. Ook wij werden door God persoonlijk gekozen. Paulus werd gekozen om een apostel te zijn. Wij vervullen andere functies (dan die van apostel) binnen dat lichaam, maar desondanks zijn we door God persoonlijk gekozen om er deel van uit te maken.

Romeinen 14 is nog een context, een beetje verschillend, maar desondanks komt er hetzelfde principe aan de orde.

Romeinen 14:10-12 Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods. 11 Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. 12 Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God].

Onze roeping (uitnodiging, uitverkiezing) en ons oordeel, worden allemaal op persoonlijke basis gedaan.

Nog een schriftgedeelte in deze zin. Deze keer vanuit het Oude Testament, het boek Ezechiël. We gaan daar wat verder in op het onderwerp oordeel. We voeren dat helemaal door tot behoud.

Ezechiël 14:14 ... en er zouden daar [Dat is binnen de context van het probleem dat daar beschreven wordt.] deze drie mannen zijn: Noach, Daniël en Job [Drie van de meest rechtvaardige mannen die ooit op aarde heben geleefd. Al zouden die drie mannen ...], dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden, luidt het woord van de Here HERE.

Dat is heel duidelijk. Het punt waarom het gaat is, dat God met ons op persoonlijke basis handelt. We zijn geen gezichten die in de massa opgaan. Wat we doen, goed of slecht, wordt opgemerkt, en heeft het nodige effect. Van het moment van roeping tot het uiteindelijke behoud wordt er tijdens dit gehele proces met ons omgegaan op persoonlijke basis.

Het kan zijn dat we dat niet leuk vinden. Veelal geven we er de voorkeur aan dat we één zijn van de velen, dat we niet opvallen. Maar God is het type Vader dat Zich bewust is van al Zijn kinderen. Hij heeft het vermogen om met hen in contact te blijven — met elk van hen persoonlijk.

Het is heel goed mogelijk, dat iemand (op basis van deze schriftgedeelten) tot de conclusie zou komen, dat al deze persoonlijke aandacht in essentie negatief is, omdat de nadruk op oordeel schijnt te liggen. Maar er zit een andere kant aan deze medaille en die is zo positief als maar mogelijk is. We gaan weer naar het Nieuwe Testament, naar Mattheüs 27. Aan het einde van het verslag over de kruisiging van Christus, staat er:

Mattheüs 27:51 En zie [Hij was net gestorven.], het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden.

Dit was geen onbelangrijke gebeurtenis. Al beslaat het (in het verslag) maar één zin in Mattheüs, één in Marcus en één in Lucas, het heeft enorm ver doorwerkende gevolgen voor zowel u als mij, gevolgen die ontzagwekkend zijn. Wat daar gebeurde, was natuurlijk symbolisch. De werkelijkheid die hierin wordt uitgebeeld, is ontzagwekkend.

In Hebreeën 9:1-3 beschrijft de apostel de tabernakel (niet de tempel, maar de tabernakel) en de voorwerpen die daarin stonden. Hij wil iets duidelijk maken en vond het nodig om de symbolische betekenis van elk van die dingen te benutten om duidelijk te maken wat hij wil.

Hebreeën 9:1 Nu had ook wel het eerste (verbond) bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld.

Het onderwerp is dus de dienst (het ritueel dat er plaatsvond), maar de aandacht is echter op het heiligdom gericht. Hij maakt duidelijk dat het aards was. Het bestond uit materie, het was werelds — in tegenstelling tot iets anders.

Hebreeën 9:2 Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; ...

Hij zegt dat deze tabernakel uit twee ruimten bestond. De voorste ruimte bevatte de volgende voorwerpen: een kandelaar, een tafel en de toonbroden.

Hebreeën 9:2-3 ...; deze werd het heilige genoemd; 3 en achter het tweede voorhangsel [Het voorhangsel waarover we in Mattheüs 27:51 lazen — het tweede voorhangsel.] was een tent, genaamd het heilige der heiligen, ...

We hebben dus het heilige en het heilige der heiligen. Dat zijn twee ruimten, gescheiden door een gordijn.

Hebreeën 9:6-7 Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, 7 maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven.

Nu wordt het nog wat verder uitgewerkt.

Hebreeën 9:8-9 Daarmede gaf de Heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond. 9 Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd [Voor de tijd dat die situatie zo was.], in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken.

Het voorhangsel belemmerde de toegang tot het heilige der heiligen, de plaats die Gods aanwezigheid symboliseerde. Het scheuren van het gordijn (Mattheüs 27:51) duidde op het einde — of de vernietiging — van de toegang tot God op de manier van het Oude Verbond. De tabernakel, het priesterschap en het ritueel onderwezen dat God ontoegankelijk was — dat Hij ver weg was.

Het ritueel onderwees in feite dat de toegang tot God werd beperkt tot slechts één man, eens per jaar. Er was niemand anders die toegang had tot God. De enige die feitelijk toegang had, in overeenstemming met het ritueel, was de hogepriester en hij ging het heilige der heiligen met de nodige vrees binnen, op die ene dag in het jaar, op de Grote Verzoendag.

Weet u WAAROM hij met vrees binnenging? Herinnert u zich nog wat Nadab en Abihu overkwam, toen zij op onwaardige wijze voor God verschenen? De bliksem sloeg in en zij werden gedood! Iedere hogepriester herinnerde zich dat daarna. Het is vastgelegd in de Joodse geschiedenis, dat de hogepriester het heilige der heiligen binnenging (symbolisch voor God verscheen), heel snel het bloed sprenkelde en zich zo snel mogelijk weer uit de voeten maakte, naar buiten.

God deed dat met opzet om u en mij duidelijk te maken wat voor ONTZAGWEKKENDE ZEGENING het is (wat voor ontzagwekkend voorrecht het is) die ons is verleend. Wij zijn werkelijk in staat voor God te verschijnen. Laten we daarmee nog enkele andere schriftgedeelten in verband brengen, ook uit de brief aan de Hebreeën..

Hebreeën 4:14-16 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid [Met vertrouwen. Dit betekent letterlijk: "met vrijheid van gedachtenuiting".] toegaan tot de troon der genade, ...

Wij zouden op populaire manier zeggen: Gooi het allemaal maar neer voor God. Je bent vrij om dat te doen. We hebben dit recht, dit privilege, om vrijmoedig door het gordijn te gaan en voor de troon der genade te verschijnen.

Hebreeën 4:16 ..., opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Hebreeën 6:19 Haar hebben wij als een anker der ziel [Iets dat stevig is vastgezet, waar geen beweging in komt.], dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, ...

Wij zijn daaraan verankerd. Dat is het beeld. Er wordt gebruik gemaakt van een beeldspraak uit de zeevaart. Het beeld is, dat er een ankertouw van elk van ons symbolisch naar achter het voorhangsel gaat, pal voor de plaats waar God zetelt. Daar is het vastgemaakt aan een Rots en die Rots is Christus.

Hebreeën 6:20 ..., waarheen Jezus voor ons als voorloper [Het Grieks is "prodromos" — wat verkenner betekent.]...

Waarom gaat een verkenner aan de hoofdgroep vooraf? Een verkenner gaat eropuit om er zeker van te zijn dat het veilig is, omdat hij absoluut zeker weet dat anderen hem zullen volgen. Waarheen voerde (in de symboliek) Zijn verkenningstocht? Hij verkende het heilige der heiligen. Hij verblijft daar nu, zodat wij er ook binnen kunnen gaan, omdat Hij het reeds verkend heeft.

Hebreeën 6:20 ..., waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.

We gaan nu naar hoofdstuk 9.

Hebreeën 9:11-12, 24 Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, 12 en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom [het heilige der heiligen], waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf. ... 24 Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen;

Nu nog een schriftgedeelte uit de brief aan de Hebreeën, deze keer uit hoofdstuk 10, de verzen 19 tot 22.

Hebreeën 10:19-20 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid [vertrouwen] bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, ...

We herinneren ons nog wel, dat het voorhangsel in tweeën scheurde. De apostel maakt, als hij dit schrijft, een vergelijking met wat het voor ons mogelijk maakte om binnen te gaan. Het vlees van Christus werd aan stukken gescheurd. We zien dat het [de toegang] door Zijn vlees is.

Hebreeën 10:21-22 ..., en wij een grote priester over het huis Gods hebben, 22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.

Laten we deze verzen, waar we zojuist doorheen gingen, samenvatten — tenminste in zoverre ze betrekking hebben op dit onderwerp [BESTUUR]. Onze Hogepriester is reeds de echte (de hemelse) tabernakel binnengegaan. Hij is God. Als gevolg daarvan worden we uitgenodigd (inderdaad bemoedigd) om ook toe te treden met volle verzekerdheid en vertrouwen, dat wij ook in Gods aanwezigheid worden geaccepteerd. Het scheuren van het voorhangsel maakt niet alleen duidelijk, dat er voor het verschijnen voor God geen obstakels meer zijn voor hen die met het bloed van Christus zijn bedekt, het maakt ook duidelijk (Laat dit goed doordringen!) dat er een einde is gekomen aan de scheiding tussen de priesters en het volk.

We kunnen ons het ritueel van de dienst in de tabernakel nog wel voor de geest halen. De hogepriester mocht eens per jaar het heilige der heilige binnengaan. Alleen hij mocht daar binnengaan. De gewone priester mocht alleen maar in de eerste ruimte komen om zijn verantwoordelijkheden uit te voeren. Geen enkele andere Israëliet (ook al had hij het verbond met God gesloten) mocht ook maar in de tabernakel komen.

Zien we het plaatje? Wij zijn — krachtens Gods roeping, onze bekering, het aangaan van het verbond en het ontvangen van Gods Geest — nu geestelijke Israëlieten. Maar we zijn meer dan dat! Bedenk nogmaals wat ik zojuist over de hogepriester zei [dat hij eens per jaar het heilige der heiligen mocht binnengaan] en over de gewone priester [die het heilige mocht binnengaan om zijn verantwoordelijkheden uit te voeren]. Maar wat is de kerk? De kerk is een koninklijk priesterschap van gelovigen; de kerk mag in beide ruimtes binnengaan.

Bezie dat eens vanuit "bestuurlijk oogpunt". Er zit geen religieuze hiërarchie tussen God en ons. We hebben niet alleen directe toegang tot voor het aangezicht van God, maar er is ook geen hiërarchie — geen priesterschap dat tussen ons en God staat — omdat wij het priesterschap zijn. Er staat geen mens tussen u en God. (Geen John Ritenbaugh, tussen u en God.) We kunnen vrijmoedig voor God verschijnen, ervan verzekerd zijnde dat wij die vrijheid hebben, vanwege het bloed van Christus.

Laten we dat nu eens in verband brengen met de laatste preek. De kerk wordt gezien als een nieuwe schepping (een nieuwe mensheid, als u het zo zou willen zeggen), waarin Jezus Christus "de laatste Adam" is; en het is de bedoeling dat we allemaal Zijn beeld zullen gaan dragen.

In "de eerste Adam" (de Adam die in de hof vertoefde) delen we allemaal het feit dat we sterfelijke schepselen zijn. We zondigen en sterven allemaal. In Jezus Christus ... Ook Hij ging deel uitmaken van de mensheid, omdat Hij uit een vrouw werd geboren. Hij ging dus deel uitmaken van de mensheid. Hij zondigde echter niet. Als gevolg daarvan werd Hij het middel tot behoud van de mensheid (bevrijding van de slavernij aan de zonde en dood).

Door de opstanding werd Hij een levendmakende geest. Het meeste hiervan staat in één hoofdstuk (1 Corinthiërs 15). Door de opstanding werd "de tweede Adam" een levendmakende geest. Hij was de eersteling — de eerstgeborene uit de doden. Hij is daarom het beeld van "de hemelse mens" (we zouden ook kunnen zeggen "de geestelijke Mens"). God wil dat iedereen dit beeld zal dragen! Zij die Hem (Christus) toebehoren, worden dus naar Zijn beeld veranderd — van de heerlijkheid van de mens tot de heerlijkheid van God.

Nu komt het belang van al deze verzen in de brief aan de Hebreeën. Opdat dit bewerkstelligd kan worden ... Opdat wij veranderd kunnen worden van de heerlijkheid van de mens tot de heerlijkheid van God, moeten we op dezelfde manier toegang hebben tot de Vader als Christus dat had. Dit moet zo zijn, opdat wij dezelfde soort relatie kunnen hebben en dus ook dezelfde vorm van onderwerping aan de Vader.

Wat betekent dit nu in de praktijk? Dit betekent, dat we over het christen-zijn niet moeten denken als het lid zijn van een kerk, maar als het hebben van een intieme relatie met God. Ons wordt toegestaan middels gebed en bijbelstudie voor Zijn aangezicht te verschijnen, zodat wij (door middel van Zijn Geest) steun kunnen ontlenen aan en kracht kunnen ontvangen en in ons opnemen uit WAT HIJ IS!

Dit voorrecht gaat gepaard met een verantwoordelijkheid — de verantwoordelijkheid om als kinderen van God te handelen, te handelen als een koninklijk priesterschap. (Ik bedoel niet "handelen" in de zin van een huichelaar zijn.) Ik bedoel handelen in de zin van het op een bepaalde manier leven. Het doel van Hem om ons voor Zijn aangezicht toe te laten is, dat we steun kunnen ontlenen aan Hem, dat we van Hem kracht ontvangen om naar dat doel toe te leven.

Het is heel goed mogelijk dat het net binnen de grenzen blijven van de "wet", een starre, inflexibele, kleurloze en strenge persoon en maatschappij zou voortbrengen, waarin mensen op starre wijze de wet houden, maar waarin hun leven niet overvloedig en vreugdevol is. Herinnert u zich nog? Ik zei dat er twee redenen zijn waarom BESTUUR op aarde niet werkt. De eerste is die overweldigende onwilligheid om binnen de grenzen van dat bestuur te leven. (De tweede is zo nauw verbonden aan de eerste dat ze onmogelijk gescheiden kunnen worden.) De tweede is de onwilligheid daden van liefde te doen.

Liefde begint met het houden van de geboden, maar dat is niet het einde. Laten we Jesaja opslaan, hoofdstuk 42, vers 21.

Jesaja 42:21 (Statenvertaling) De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; ...

Het woordje "Zijner" verwijst hier naar "de knecht des Heren." (Deze hoofdstukken hebben als onderwerp "de knecht des Heren.") En de knecht des Heren werd in Jezus Christus de meest volmaakte gestalte gegeven.

Jesaja 42:21 (Statenvertaling) De HEERE [duidend op de Vader] had lust aan hem, om Zijner [die van de Knecht] gerechtigheid wil; [Nu volgt wat die Knecht zal doen] Hij maakte hem groot [verheerlijkte hem] door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.

Dat deed Jezus Christus tijdens Zijn leven op aarde. Met betrekking tot het zich houden aan de wet, tot trouw zijn, richtte Zijn prediking zich op het verheerlijken van de wet, het vervullen van de wet (niet het "een einde" maken aan de wet). Hij maakte elk detail van de wet voor ons duidelijk. Toen Jezus predikte, liet Hij de bedoeling (of zoals we zouden kunnen zeggen: "de geest", of "de essentie", of "het belangrijkste deel") van de wet van God zien.

Er is geen plaats waar Hij dat op kernachtiger en scherpere manier deed dan in de bergrede. We gaan daar heen (Mattheüs 5), alleen maar om snel naar een aantal voorbeelden te kijken, hoe Hij de wet verheerlijkte. Hij bracht de wet tot een veel dieper begrip. (Deze teksten hebben nauwelijks verdere uitleg nodig.)

Mattheüs 5:27-28 [Christus spreekt:] Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. 28 Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.

Dit is een verheerlijking door de bedoeling van de wet duidelijk te maken. De bedoeling van de wet is het ophouden met het in de geest overtreden van de wet voordat dit naar buiten komt in de vorm van lust.

Mattheüs 5:40-41 en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; 41 en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem.

Hij onderwijst hier een vrijgevigheid van geest! Doe niet alleen maar wat er verlangd wordt! Offer jezelf vrijgevig op en geef, zelfs indien dat oneerlijk is. Het schijnt dat iedereen ermee instemt dat, waarover Hij sprak, de praktijk was van alledag. De post werd in de Romeinse tijd meestal door het leger vervoerd. De soldaat werd moe van het dragen van die post. Hij preste dus een burger en zei: "Kom, draag jij dit." En die burger moest dan de post dragen, terwijl de soldaat naast hem liep, zonder de last van de post. Jezus zei dus: "Loop twee mijl met hem mee." Dat is dus, doe meer dan er gevraagd is. Het punt is: vrijgevigheid van geest — zelfs in termen van zelfopoffering.

Laten we nog wat verder kijken. [Christus is nog steeds aan het woord.]

Mattheüs 5:43-44 (Statenvertaling) Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.

We kennen allemaal wel het gevoel van: "Ik zal hem wel krijgen. Ik zal hem zijn verdiende loon geven." Maar Jezus zegt: "Nee, wees zo vrijgevig en zelfopofferend, dat u zegent wie u vervloeken, dat u goeddoet aan hen die u haten en bidt voor hen die u geweld aandoen en u vervolgen." Kijk nu naar het doel van dit alles.

Mattheüs 5:45 Opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want [Hij geeft dit voorbeeld.] Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

We hebben reeds een voorbeeld. God geeft vrijgevig aan hen die Hem haten. We zullen er niet in detail doorheen gaan, maar het is goed om op te merken dat Jezus tot een conclusie komt die nogal opzienbarend is. Waarom moeten we zo worden? Het antwoord is eenvoudig. Omdat God zo is! Zo eenvoudig is dat. ALS we zonen van God willen zijn, DAN zullen we Hem moeten nabootsen.

Waar komen dan toch (daar we die overheersende onwilligheid om ons te onderwerpen hebben) — waar komen dan toch de wil en de visie en het doel om deze dingen te doen vandaan? Deze komen voort vanuit onze mogelijkheid om voor het aangezicht van God te verschijnen. Daar komen ze vandaan.

Laten we nu naar een soort samenvatting kijken in hoofdstuk 7.

Mattheüs 7:12 Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.

"Dit is de wet en de profeten." Laten we dit nog wat verder uitdiepen. Daarvoor gaan we naar Mattheüs 23.

Mattheüs 23:23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd [Interessant. Wat is dan het gewichtigste van de wet?]: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.

We kunnen nog wel inzien, dat oordeel tot het gewichtigste van de wet behoort. Maar wat te denken van barmhartigheid? Hebben we ooit aan barmhartigheid gedacht als onderdeel van de wet? Toch is het dat! (Op basis van wat God Zelf heeft vastgelegd.) Het gaat ver uit boven wat de wet specifiek mag stellen. Zo is ook trouw een zaak van de wet.

Mattheüs 23:24 Dit moest men doen en het andere niet nalaten.

Het is nogal interessant — in het licht van hen die zeggen dat de wet heeft afgedaan, dat we niet langer verplicht zijn hem te gehoorzamen ... Dat is ongeveer hetzelfde als het kind met het badwater weggooien — omdat liefde, volgens de definitie van de Bijbel, het houden van de wet is. Daar begint het mee. Maar slechts "het houden van de wet" kan koud en streng zijn.

Pas als het houden van de wet wordt gecombineerd met houdingen en daden van welwillendheid, van goede wil, van vriendelijkheid, van vrijgevigheid, van dienen en zelfopoffering ... (Dat zijn handelingen die NIET specifiek in de vorm van geboden in Gods woord zijn vastgelegd. Zij vereisen een volwassener oordeel en onderscheidingsvermogen en "een verder gaan" tot in de bedoeling van wat er specifiek staat geschreven. [Als het houden van de wet hiermee wordt gecombineerd ...]) Daarmee begint het leven overvloedig te worden, aantrekkelijk, voldoening gevend (zelfs al kost dat vaak dienen en zelfopoffering.)

Beide aspecten zijn nodig! Het ene heeft behoefte aan de leiding van de wet om het werkelijk oprecht te doen zijn en niet zomaar een sentimentele, zoetsappige manier van "goeddoen", die geen aandacht schenkt aan werkelijke rechtvaardigheid, misschien de ontvanger zelfs wel afhankelijker maakt en minder verantwoordelijk dan hij daarvoor was. Dat is meestal het resultaat van hulpprogramma's. Die scheppen een afhankelijkheid zonder het creëren van verantwoordelijkheid. Aan de andere kant heeft het andere aspect behoefte aan de verfraaiing van "de bedoeling" (of "de geest") om het aantrekkelijk en overvloedig te maken.

Hoe ver reikt onze verantwoordelijkheid voor God? (Nu kunnen we spijkers met koppen gaan slaan.) Hoe ver reikt onze verantwoordelijkheid voor God?

Er zijn mensen die ons zeggen, dat we HOE DAN OOK het kerkelijke bestuur moeten gehoorzamen, omdat het Gods bestuur is. Er was iemand die zei, dat als Gods bestuur (en hij bedoelde "de dienaren") u zegt iets te doen, u uw geweten het zwijgen moet opleggen. Dat was iemand die vrij hoog in de organisatie zat. En dat argument — dat we HOE DAN OOK het kerkelijke bestuur moeten gehoorzamen, omdat het Gods bestuur is — is door alle tijden heen door allerlei mensen gebruikt.

Het centrale probleem hier is, dat iedere vorm van bestuur zijn macht en autoriteit op een verkeerde manier heeft gebruikt, soms misschien wel misbruikt. Het idee, de gedachte, dat alleen de kerk geschikt was om over de mens te regeren, was gebaseerd op de veronderstelling dat religieuze mensen vanzelfsprekend goede mensen waren. Daarom kon hun de macht worden toevertrouwd en zouden zij ontsnappen aan het bederf van corruptie. Dat soort van onvoorzichtige veronderstellingen leidde ertoe dat de Katholieke Kerk over Europa heerste en één van de donkerste perioden over Europa tot stand bracht die er in de geschiedenis van de mens zijn geweest.

Dit bracht ook de opstellers van de Amerikaanse Constitutie ertoe het soort bestuur te vormen dat we nu hier in de Verenigde Staten hebben — waar er allerlei soorten voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het ene deel van het bestuur de macht krijgt over het andere deel. Ze wilden niet dat het bestuur in de Verenigde Staten in dezelfde problemen zou terechtkomen als die in Europa gebruikelijk waren, waar de kerk de macht verwierf en in feite een bestuur voerde dat niet beter was, maar precies hetzelfde als de civiele besturen bestaande uit despotische tirannen.

Ik denk dat we om te beginnen, ervan uit moeten gaan dat "Gods bestuur" en "kerkelijk bestuur" NIET noodzakelijkerwijs synoniem zijn. (Jammer, maar het is nu eenmaal zo.)

Laten we nu Romeinen 13 opslaan.

Romeinen 13:1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

Alleen maar omdat God iemand aanstelt of toestaat een overheidsfunctie te bekleden, betekent niet dat Hij iedere handeling van die persoon onderschrijft of ermee instemt. Laten we daarvoor Daniël 4, vers 17, opslaan. Dit is een principe dat we allemaal moeten kennen en begrijpen.

Daniël 4:17 Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op het woord der heiligen, opdat de levenden [u en ik] mogen weten, dat de Allerhoogste [God de Vader] macht heeft over het koningschap der mensen [alle autoriteit wordt aan Hem ontleend] en dat geeft aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste [Statenvertaling: de laagste] onder de mensen daarin aanstelt.

Niet altijd stelt God de laagste [laag kan worden opgevat als gemeen] onder de mensen aan in posities van autoriteit. Niemand zal me vertellen dat David een laag [gemeen] mens was. Ook Hizkia was dat niet, noch Josia, noch Mozes of Aäron. Ze maakten allemaal fouten, maar ze waren geen "lage" mensen. Jozua was dat ook niet, evenmin als vele anderen. Er zijn ook hoogstaande heidense heersers geweest. Niet iedereen is "laag".

Maar God wil dat wij begrijpen — wat Zijn doel ook mag zijn — dat er tijden zullen zijn waarin de zetels der macht bezet zullen zijn door "lage" [gemene] mensen. Hij wil dat we ook begrijpen, dat Hij niet onderschrijft wat ze doen, of ermee instemt; maar Hij zegt ons dat Hij wil dat wij de ervaring opdoen onder zulk soort mensen te leven. Begrijp dat dus.

Wat is dan onze reactie (als er zoiets gebeurt)? We zijn in het boek Daniël. Gehoorzaamde Daniël Nebukadnessar? Niet altijd! Wat deed Daniël? Hij gehoorzaamde een hogere Macht! Maar hij onderwierp zich wel aan elke verordening van Nebukadnessar. En als dat Daniëls leven zou kosten (ik ben er zeker van dat dat vooruitzicht hem niet aantrok), dan zou Daniël zich er toch aan onderwerpen. (God laat zien dat Hij in deze gevallen tussenbeide kwam.)

Hetzelfde overkwam Sadrak, Mesak en Abednego. Zij trokken een lijn in het zand en zeiden: (Ik ben er zeker van dat ze het geheel hadden doordacht.) "We gaan zo ver en niet verder, omdat God op de eerste plaats komt."

Maakt het enig verschil of zo iemand "in de kerk" is, of erbuiten staat? Absoluut niet! Het is misschien ondenkbaar dat iemand binnen de kerk een verordening zou uitvaardigen die tegen Gods woord zou ingaan. Maar het is gebeurd, zoals ik u zal laten zien.

Laten we naar het Nieuwe Testament gaan. In het boek Handelingen, hoofdstuk 11, staat een uitstekend voorbeeld!

Handelingen 11:1-4 De apostelen nu en de broeders in Judea hoorden, dat ook de heidenen het woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus naar Jeruzalem gegaan was, verschilden zij, die uit de besnijdenis waren, met hem van mening, 3 en zij zeiden: Gij zijt binnengegaan bij onbesnedenen en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petrus begon ...

En hij vertelde hun over het visioen dat hij had gehad. Laten we verder gaan in vers 6.

Handelingen 11:6-10 Toen ik er scherp naar keek, bemerkte ik en zag ik de viervoetige dieren der aarde, de wilde en de kruipende dieren en de vogelen des hemels. 7 En ik hoorde ook een stem tot mij zeggen: Sta op, Petrus, slacht en eet! [Maar let op wat Petrus zei.] 8 Maar ik zeide: Geenszins, Here, want nog nooit is iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond gekomen. [Let nu op wat er in vers 9 volgt.] 9 Doch ten tweeden male antwoordde mij een stem uit de hemel [We hebben hier toch echt wel met autoriteit te maken.]: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. 10 En dit geschiedde tot driemaal toe; en alles werd weer opgetrokken in de hemel.

Petrus gehoorzaamde die stem NIET — zelfs al kwam die uit de hemel. Tussen twee haakjes — ik weet zeker dat wij in zo'n geval doodsbang zouden worden. Het is heel waarschijnlijk dat als wij zo'n donderende stem zoiets tegen ons zouden horen zeggen: "Sta op en doe (iets waarmee een gebod van God zou worden overtreden)" — ik durf te zeggen dat de meesten van ons de neiging zouden hebben die stem te gehoorzamen. In het bijzonder als het ogenschijnlijk in het geheel niet om één der tien geboden ging. (Een onbelangrijk punt — rein en onrein voedsel.) "Het is maar een kleinigheid. Het gaat om mijn lichaam. Niemand anders wordt er door geschaad."

Maar Petrus zei: "Nee!" (Zelfs voor zoiets als "rein en onrein".) Ik denk dat dat [Petrus' antwoord] voortreffelijk was, omdat het hier niet ging om iets dat alleen maar "onrein" was. Petrus zei dat er ook "onheilige" dingen aanwezig waren. Weet u welke dingen onheilig waren? Iets dat onheilig was, zou een rein stuk vlees kunnen zijn, dat verontreinigd was door in aanraking te komen met iets dat vuil was. Het zou iets kunnen zijn dat alleen maar op de grond was gevallen.

Laten we dit principe iets verder uitbreiden. Lucifer voerde GODS BESTUUR op aarde uit. Wilde God, dat de engelen die onder Lucifers autoriteit stonden, Lucifer zouden gehoorzamen [toen hij in opstand kwam]? Het antwoord daarop spreekt vanzelf. Absoluut niet! "Gods bestuur" kan ons zeggen de verkeerde dingen te doen. Wiens verantwoordelijkheid is het om een beslissing te nemen? Het is de verantwoordelijkheid van het individu. Die ligt bij u. Die ligt bij mij. We moeten alle dingen onderzoeken en vasthouden aan wat goed is.

Laten we het nog wat verder uitbreiden, omdat we nog niet echt bij de kerk zijn aangekomen, nietwaar? In Handelingen 20 neemt de apostel Paulus afscheid van de mededienaren daar in Klein-Azië.

Handelingen 20:28-29 Ziet dan toe op uzelf [dienaren] en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. 29 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u [in de kerk, onder de dienaren] zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen.

Echt binnen de kerk! Dat is nogal duidelijk. Laten we dit nog wat verder uitdiepen. We zouden kunnen denken: "Ja, hij heeft het over de lokale dienaren binnen de kerk." (Mannen die niet in zo'n hoog aanzien staan.) Misschien ook een pastor. Maar dit kan zeker niet met een evangelist gebeuren. En zeer zeker niet met een apostel. Laten we eens in 2 Corinthiërs kijken.

2 Corinthiërs 11:13-14 Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.14 Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts.

Hij noemde deze mensen "apostelen". Dat is nogal een hoge rang, volgens de manier waarop wij daar tegenaan kijken. Om dit nog wat verder uit te diepen kunt u thuis Galaten 1:6-10 lezen, waar Paulus zegt dat zelfs een engel uit de hemel zo zou kunnen optreden. Hij zegt niet dat dit echt is gebeurd. Hij maakt ons alleen maar duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt. Het past ons dit in te zien en erop voorbereid te zijn.

Begrijp dat God u en mij individueel verantwoordelijk houdt. En als wij dicht bij God blijven (voordeel trekkend uit de toegang tot Hem), dan kunnen we op Gods bescherming rekenen. We kunnen erop rekenen onderscheidingsvermogen te hebben om op te merken dat ergens een luchtje aan zit. Het ziet er niet goed uit. Het klinkt niet goed. Het schijnt niet juist te zijn. Iets lijkt niet naar het doel te leiden. Iets past niet in de maat. (Ik weet niet op hoeveel verschillende manieren ik dit kan zeggen.)

Op de een of andere manier zal God — door de Geest van God — ons denken in beweging brengen om ons van iets terug te trekken dat ons in moeilijkheden zou kunnen brengen. Het zal ons op onze hoede doen zijn, zodat we de tijd hebben er eens goed over na te denken, het te onderzoeken en advies in te winnen.

Als er geen tijd is, dan kunnen we er absoluut zeker van zijn (omdat God ons liefheeft en omdat wij contact met Hem blijven houden — voordeel trekken uit die gelegenheid) dat Hij op een of andere manier tussenbeide zal komen om ons te redden. Bedenk dat Hij belooft ons geen beproeving te geven die boven ons vermogen uitgaat.

Maar Hij wil dat wij begrijpen, dat dat de enige manier is waarop het kan worden gedaan! Het is nodig dat er op individuele basis met ons wordt omgegaan. De verantwoordelijkheid in GODS BESTUUR ligt bij het individu. Dat is de manier waarop alles op zijn pootjes zal terecht komen. (Als iedereen voor zichzelf verandert, zouden we in de maatschappij al die problemen niet hebben.)

Laten we dit nog wat verder uitdiepen.

1 Corinthiërs 11:17-18 Nu ik dit voorschrijf, moet ik er (tevens mijn) afkeuring over uitspreken, dat uw samenkomsten niet tot zegen, maar tot schade zijn. 18 Want vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als gemeente samenkomt, verdeeldheid onder u, en ten dele geloof ik dit.

We weten, dat er valse leraren in die gemeente waren binnengedrongen.

1 Corinthiërs 11:19 Want scheuringen moeten [Let op dat woord: Want er moeten ...] er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan.

Dit kan ons enige aanwijzing geven, waarom God toestaat dat Zijn kerk wordt geïnfiltreerd. Hij wil weten hoe sterk we Hem liefhebben. Hij wil weten hoe goed wij — individueel — nadenken, onderscheiden, voordeel trekken uit onze toegang tot Hem, studeren, bidden, begrijpen en onderscheiden. En dat zal duidelijk worden, omdat er EEN TEST wordt gecreëerd die ons dwingt een keuze te maken. (Het is een moeilijke test — dat verzeker ik u. Een heel moeilijke!)

Wij allemaal dragen die verantwoordelijkheid, maar sommigen dragen die verantwoordelijkheid in zwaardere mate dan anderen, omdat God zegt: "Aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist." Ik voel, dat mijn verantwoordelijkheid veel groter is dan die van de meesten van u — dit wegens de positie die ik inneem. Maar u hebt ook een verantwoordelijkheid. Niemand van ons zal tegen God kunnen zeggen: "Moet u eens horen, het was de schuld van de dienaar dat ik het deed."

Laten we afsluiten met 2 Corinthiërs 5.

2 Corinthiërs 5:9-11 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.11 Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar.

We zijn rekenschap schuldig aan Christus — niet aan een dienaar, zelfs niet aan een apostel. Als iemand niet navolgt wat de kerk in een doctrine heeft vastgelegd en daardoor buiten de kerk wordt geplaatst, dan kan dat een moeilijke omstandigheid zijn om mee te leven. Misschien zullen we binnenkort zo'n situatie eens onder de loep nemen. (Alhoewel niet al te langdurig, volgende week even.)

Ik denk dat we allemaal moeten streven naar de gehoorzaamheid die Petrus tentoonstelde toen hij weigerde "de stem uit de hemel" te gehoorzamen, die hem beval een uitzonderlijk klein puntje van Gods wet te overtreden. Ik geloof dat God dat werkelijk waardeert, in het bijzonder als dat gedaan kan worden met een gracieuze onderwerping met respect (zonder eigengerechtigheid of vingerwijzende beschuldigingen).

Hier zullen we stoppen en ik geloof dat ik volgende week deze serie preken over BESTUUR zal kunnen afsluiten.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)