Bestuur (Deel 3)

Door John W. Ritenbaugh
13 juni 1992

Samenvatting: (toon)

In dit derde deel van de serie over bestuur leert John Ritenbaugh dat onze geestelijke verandering (bekering) ons het vermogen geeft Christus en andere mensen, het eigen ik, instellingen (zoals kerken of regeringen) in het juiste licht te zien. Dingen die we vroeger belangrijk vonden (geld, plezier en macht) worden minder belangrijk en andere dingen (liefde, plicht en dienen) worden belangrijker. Onze houding jegens bestuur moet er één zijn van onderwerping – inclusief aan menselijk bestuur (Titus 3:1-2 en 1 Timotheüs 2:1-2). We moeten beseffen dat de kerk zijn taak niet kan uitvoeren zonder de medewerking van de niet-bekeerde regeringen van de naties.


In de preek die ik op de laatste wekelijkse sabbat gaf, zagen we dat Israël ermee instemde het verbond te gehoorzamen — waardoor God hun Heerser werd. [De Bijbel spreekt in dit opzicht vaak over een huwelijksverbond; Israël werd dus Gods vrouw.] Hij werd door haar herhaald schenden van de overeenkomst ertoe gebracht van haar te scheiden. We zagen daarna dat het bestuur over Israël aan heidense heersers werd gegeven. Het duurde daarna tot zo'n tweehonderd jaar geleden voordat de nakomelingen van Israël die hier in de Verenigde Staten wonen, weer voldoende macht kregen om zichzelf te besturen.

In het "Onze Vader" (zoals de wereld het noemt) zei Jezus:

Mattheüs 6:9-10 Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.

In de periode waarin het bestuur over Israël van hen was weggenomen en in handen van de heidenen was gegeven, kwam Jezus het evangelie van het Koninkrijk van God prediken. Zoals we heel duidelijk in dit modelgebed — dat Jezus aan Zijn discipelen gaf — kunnen zien, is Gods Koninkrijk nog niet hier op aarde. Ze moesten ervoor bidden dat dit zou komen.

U zult zich nog wel herinneren dat Jezus duidelijk aan Pilatus verkondigde, dat — al was Hij een Koning — Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was; Hij was geen bedreiging (of mededinger) voor de politieke machten van deze wereld. Christus' taak op aarde bestond onder andere uit het leggen van het fundament voor het tot stand komen van een nieuw verbond, dat qua doelstelling zou overeenkomen met het Koninkrijk van God.

Alles in samenhang met dit Koninkrijk is geestelijk gericht. Het is nog niet hier, maar we zijn het onze trouw, onze loyaliteit en onze toewijding verschuldigd. Wegens zijn karakter eist het, verdient het, de onderwerping van onze wil, van ons hart, van ons leven. We worden daarom dus onderwezen het op onze lijst van punten te zetten waarvoor we bidden, voortdurend bidden. (Ik bedoel niet continue, maar het is iets dat nooit uit onze gedachten verdwijnt.) Het is nooit ver van ons. En als we elke dag bidden: "Uw Koninkrijk kome", zal het ons helpen ons leven op dat geestelijke Koninkrijk gericht te houden.

Laten we nu naar Johannes 17 gaan. Hier vinden we het gebed van onze Heer, het gebed dat Jezus Christus uitsprak op die laatste avond voor Zijn kruisiging.

Johannes 17:14 Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.

Hier is een voorbeeld van die dichotomie, die ik noemde in de preek die ik op de vorige wekelijkse sabbat gaf. Er ontstaat een dichotomie in ons leven (iets dat een "breuk" is, bijna alsof er twee dingen tegelijkertijd bestaan). Hierin zijn we net als Jezus. Hij was in de wereld, maar Hij was niet van de wereld. Zijn boodschap werd in de wereld gepredikt, maar het was echter een boodschap over een Koninkrijk dat niet van de wereld is.

We gaan in vers 14 zien waardoor deze dichotomie wordt teweeggebracht. "Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat (er begint zich een scheiding af te tekenen), omdat zij niet uit de wereld zijn."

Johannes 17:15-17 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. 16 Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.17 Heilig [Dat betekent: "toewijden", "apart zetten".] hen in uw waarheid [dat is Gods woord]; uw woord is de waarheid.

We bevinden ons dus in de wereld, terwijl we er geen deel van uitmaken. Deze situatie ontstond, omdat we het evangelie hebben gehoord en er positief op hebben gereageerd. Dit bracht een zich losmaken van de gelijkvormigheid aan de wereld tot stand. En als dit proces zich in iemands leven voortzet, brengt het ook een zich losmaken van het kwaad in de wereld tot stand.

We moeten leren hiermee te leven. Soms is dit een heel moeilijk punt in ons leven. Laten we nu Hebreeën 8 opslaan. Bedenk dat ik nog maar net heb gezegd, dat Jezus het grondwerk verzette voor het tot stand komen van een nieuw verbond, dat qua doelstelling zou overeenkomen met het evangelie van het Koninkrijk van God. Een verbond dat qua doelstelling zou overeenkomen met dit geestelijke Koninkrijk waarover Jezus predikte. (We gaan alle dertien verzen van dit hoofdstuk doornemen. Misschien lezen we ze niet allemaal, maar we stippen in ieder geval wel hun inhoud aan. Let er nu op hoe dit hoofdstuk begint.)

Hebreeën 8:1-2 De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, 2 de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.

Als het wordt samengevoegd met het Nieuwe Verbond, verandert het evangelie iemands relatie met God en dus ook met BESTUUR. Het is duidelijk (op basis van vers 1 en 2), dat dit verbond een geestelijk — dat is een hemels — fundament heeft. Het woord dat hier is gebruikt en vertaald met "hemelen" is gewoon een andere manier van zeggen dat dit verbond (en het priesterschap van Jezus Christus) een geestelijke basis heeft.

De hoofdzaak is, dat de schrijver hier Christus, onze Hogepriester, laat zien, terwijl Hij de functie van Hogepriester vanuit de hemel uitoefent. U zult zien, dat er in dit hoofdstuk tegenstellingen worden geproduceerd door de voorbeelden die worden gegeven. En wat hij hier laat zien is, dat er iets in ons leven is gekomen, dat beter (voortreffelijker) is dan alles wat daaraan vooraf is gegaan. Het verbond is voortreffelijker. Het priesterschap is voortreffelijker. De Hogepriester is eminent, oneindig voortreffelijker dan iets dat ooit op aarde heeft bestaan. (Het beste dat — tot die tijd — in die categorie bestond, was het priesterschap, of het hogepriesterschap, van de religie die God aan Mozes had gegeven.)

Hebreeën 8:10-12 Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 11 En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. 12 Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken.

We hebben een geestelijk verbond. We hebben een geestelijk heiligdom in de hemelen. We hebben een geestelijke Hogepriester. Maar het feit dat er hier wetten worden genoemd, dat er ongerechtigheid wordt genoemd (wetteloze daden en zonden), laat zien dat er bij dit Nieuwe Verbond BESTUUR is betrokken.

Omdat we tot dit Nieuwe Verbond zijn toegetreden, moeten we weten wat nu onze relatie is met BESTUUR. Vers 11 laat duidelijk zien, dat de omgang tussen God en hen die onder het Nieuwe Verbond staan, nu direct is. "En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen." Hij maakt daar duidelijk dat er geen behoefte is aan een bevoorrechte klasse van middelaars.

Dit betekent echter niet, dat er geen behoefte is aan leraars. Dit wordt duidelijk aangetoond in de brief aan de Efeziërs, waar God leraren als gave (of vele gaven) gaf aan de kerk. De apostel bedoelt hier in Hebreeën, dat kennis niet beperkt zal zijn tot een speciale elite (zoals dat in het Judaïsme het geval was in de klasse der schriftgeleerden). U herinnert zich de schriftgeleerden en de Farizeeën toch wel? Het is ook interessant op te merken, dat de vergelijking in dit hoofdstuk wordt gemaakt met Mozes en de tabernakel.

Hebreeën 8:3-5a Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze [doelende op Christus] iets had om te offeren. 4 Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen [Onder het Judaïsme zou Hij niet meer dan een gewoon gemeentelid zijn geweest.], daar er (hier reeds) zijn om volgens de wet de gaven te offeren. 5 Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken.

Daaraan zouden de meesten van ons gewoon voorbijgaan, het lezen en weer verdergaan. Maar wie de auteur ook mag zijn geweest (velen denken dat het de apostel Paulus was), hij maakte heel duidelijk dat de vergelijking hier in Hebreeën 8 niet is tussen de tempel en Judaïsme, maar juist tussen Mozes en de tabernakel. De reden hiervan is, dat Judaïsme niet de religie was die God aan Mozes gaf. Judaïsme was juist een verdraaiing (een afdwaling), net zoals het moderne christendom een afdwaling is van het christendom uit de eerste eeuw.

Het ware patroon dat we moeten volgen (als we kijken naar patronen of modellen of symbolen), is het patroon van de tabernakel, het patroon van Mozes en de religie die middels Mozes door God werd gegeven.

Hebreeën 8:5-6a Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. 6 Nu echter heeft Hij [Christus] een zoveel verhevener dienst verkregen, ...

Nu hebben we iets dat zelfs beter is dan het patroon dat God Mozes op de berg Sinaï gaf. We hebben de Werkelijkheid! Ik wil uw aandacht vestigen op vers 2.

Hebreeën 8:2a de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, ...

Het woord "ware" is niet verkeerd. In het hedendaags Nederlands zouden we toch eerder zeggen dat we te maken hebben met de "echte". Vanuit de Bijbel bezien zijn er twee werelden. Er is de echte wereld, dat is de geestelijke, de eeuwige. Dat is de wereld die altijd zal bestaan en reeds altijd heeft bestaan. Daarnaast is de tijdelijke wereld, dat is de fysieke wereld, de wereld waar we nu deel van uitmaken. Die wereld (al kan die ons heel echt overkomen) is iets dat voorbijgaat. Die wereld is niet iets dat zal blijven bestaan.

Onze geestelijke Hogepriester, werkend vanuit het geestelijke hoofdkwartier, is dus de Beheerder van het heiligdom van de echte (dat is de geestelijke, de eeuwige) tabernakel. We hebben dus een geestelijk verbond gemaakt met God.

Hebreeën 8:7-9, 13 Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. 8 Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, 9 niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. ... 13 Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.

We zagen, in het bijzonder door de geschriften van de apostel Paulus, dat dit Koninkrijk geestelijk in karakter is; dat we door God al worden beschouwd er op zo'n manier deel van uit te maken dat we reeds burgers zijn van dat rijk. Wij zijn in (of door) Christus Jezus in de hemelse gewesten aanwezig.

Als we schriftgedeelten geschreven door Paulus samenvoegen met die van Petrus en ook van Johannes, dan wordt het duidelijk, dat zij die het evangelie horen (en er positief op reageren) een verbond aangaan — een geestelijk verbond — met God. Er wordt vanaf dat moment gewerkt om hen als bouwstenen deel te laten uitmaken van een geestelijk huis.

De schrijvers van die brieven gebruiken niet altijd dezelfde analogie, of dezelfde symboliek. Afhankelijk van de context kan dat "huis" een dynastie worden genoemd. Dat "huis" kan een familie worden genoemd. Dat "huis" kan een lichaam worden genoemd. Maar het doel van die bewoordingen is altijd, ook al wordt het niet direct gezegd, dat we moeten begrijpen dat ze het hebben over een geestelijk organisme dat echter ("eeuwig", "dit gehele tijdperk zal bestaan") is dan wat we met onze ogen kunnen zien.

Deze geestelijke werkelijkheid (die huis, familie, dynastie of lichaam wordt genoemd) is ook een koninklijk priesterschap. Het is ook een heilige natie, die onder Jezus Christus zal heersen over de aarde. Dit begint allemaal tot stand te komen door het ontvangen van Gods Heilige Geest, waardoor we in Zijn kerk (lichaam, huis, familie, dynastie — allemaal geestelijk) worden geplaatst.

Op dit punt aangekomen wil ik naar Efeziërs 2 gaan om de verzen 4 tot 7 door te nemen.

Efeziërs 2:4-7 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, — door genade zijt gij behouden —, 6 en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, 7 om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

Paulus geeft hier een voorbeeld dat sterk gelijkt op andere die hij gaf, waarin hij een ervaring van Jezus Christus neemt en laat zien hoe wij door dingen gaan die daar veel op gelijken. Een ander voorbeeld hiervan is Romeinen 6 met betrekking tot de doop. Hoe we gedoopt zijn in Christus' dood en hoe we tot een nieuw leven zijn opgewekt. Christus stierf ook. Christus werd ook begraven. Christus werd ook opgewekt. Allemaal op een iets andere manier, maar toch gaan wij door een soortgelijk patroon.

Dat doet Paulus op exact dezelfde manier hier in Efeziërs 2. Hij maakt een vergelijking met iets dat Christus reeds in werkelijkheid heeft gedaan. We gaan op een kleinschalige, geestelijke manier door hetzelfde heen. Ten eerste is er de communicatie over een nieuwe manier van leven. (We horen het evangelie.) Daarna komt er door dat evangelie een verandering in onze toestand van doodzijn, die veroorzaakt was door de zonde. (We waren dood door onze overtredingen.) Daarna is er het "weer levend maken", gevolgd door een verhoging tot in hemelse gewesten.

Het is duidelijk dat dit voor ons nog niet letterlijk volledig heeft plaatsgevonden. Maar de ervaring van Christus wordt gedeeld door christenen in hun ervaringen. Let erop dat die woorden in de verleden tijd zijn geschreven. Vers 6 is heel duidelijk: "heeft ons mede opgewekt" en "heeft ons mede een plaats gegeven". Het is reeds gebeurd. Het is een geestelijke verandering die al effectief is. Het is heel belangrijk dat u dit begrijpt! Deze verandering is reeds effectief gemaakt..

Het doel ervan wordt hier ook onder woorden gebracht en dat is "om in de komende eeuwen (Dat is nog toekomst.) de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus." Dus er is reeds een geestelijk verandering geëffectueerd — en we worden momenteel gereed gemaakt om God in de komende eeuwen te verheerlijken.

Ik wil een uitgebreide, maar letterlijker, vertaling geven van die woorden "om in de komende eeuwen". Dat betekent: in eeuwen die zich in een continue opeenvolging op elkaar stapelen. Het is een andere manier om te zeggen: "vanuit het ene tijdperk in het andere tijdperk", of "van eeuwigheid tot eeuwigheid".

Voor wie zullen wij God verheerlijken in de eeuwen die komen gaan? (De bewoordingen geven de indruk dat er veel eeuwen zullen komen.) We worden door God erop voorbereid dat te doen. Ongetwijfeld zal de eerste 'eeuw die komt', het Millennium zijn. De tweede 'eeuw die komt', zal het tijdperk zijn van het oordeel voor de grote witte troon. Ik denk dat het daarna gewoon doorgaat, omdat we God tot in alle eeuwigheden zullen verheerlijken voor de heerscharen der engelen.

Bedenk dat zij [de heerscharen der engelen] er reeds vanaf het begin bij betrokken zijn geweest. Misschien waren er wel enkele engelen die dachten dat het niet zou kunnen. (Ik bedoel deze verandering — want daar gaan we hier op uitkomen.) Deze verandering is een zeer vitaal onderdeel van onze houding ten opzichte van BESTUUR. Als we het gaan begrijpen, domineert deze benadering van de dingen in feite onze houding jegens BESTUUR. (Deze verandering die in ons leven plaatsvindt.)

2 Corinthiërs 5:16-17 Zo kennen wij [Paulus schrijft dit.] dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. 17 Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

We zullen zien dat de context vanaf dit punt overgaat in een bespreking van verzoening. God heeft ons met Zichzelf verzoend, door Jezus Christus; Hij heeft ook ons de bediening van de verzoening gegeven.

2 Corinthiërs 5:19a, 20 welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, ... 20 Wij zijn dus gezanten van Christus, ... in naam van Christus vragen [smeken] wij u: laat u met God verzoenen.

We gaan terug naar de context (van wat we zojuist in Efeziërs 2 hebben gelezen). Het resultaat van dit "heeft ons mede opgewekt" — alsof we feitelijk, letterlijk in hemelse gewesten aanwezig zijn — is dat we deel zijn gaan uitmaken van een proces. Ik noem dit hier een verandering.

In de verzen 16 en 17 van 2 Corinthiërs 5 zegt Paulus dat we, als gevolg hiervan, niet langer naar de dingen kijken zoals we voordien deden. "Van nu aan kennen we niemand naar het vlees." Voordien kenden we iemand altijd naar het vlees. Nu kennen we niemand naar het vlees. Ziet u, bekering betekent dat er een verandering van perspectief heeft plaats gevonden. Er is een verzameling condities aan het verdwijnen.

Herinnert u zich Hebreeën 8:13 nog? We lazen zojuist hoe het Oude Verbond verouderd is verklaard en aan het verdwijnen is. Niet verdwenen, maar geleidelijk aan het verdwijnen. Het is een proces dat gaande is. Het is aan het verdwijnen en een nieuw verbond is aan het ontstaan. Dat is ook een proces dat gaande is. Het oude wordt vervangen.

Zo werkt bekering. Het "oude" is aan het verdwijnen. Het "nieuwe" is komende om de plaats van het "oude" in te nemen. Er is een proces gaande. Er vindt geleidelijk een verandering plaats in ons leven. En, zoals Paulus het hier beschrijft, kijken we niet langer op een wereldse manier naar de dingen. Nu kijken we ernaar vanuit de geest. (Een bekeerd iemand doet dat.) Er vindt dus een verandering plaats — van een werelds standpunt naar een geestelijk. En de eerste stap daarvan — in de context van 2 Corinthiërs 5 — is de verzoening met God.

Laten we daar eens over nadenken. We zijn verzoend met een geestelijke Heerser. God is Geest. (Is 't niet?) We zijn verzoend met een geestelijke Heerser over een geestelijk Koninkrijk; Hij is ook onze geestelijke Vader door onze geestelijke Broer. Daardoor gaan we deel uitmaken van een geestelijke kerk, die ook een geestelijk Koninkrijk is. En dit wordt allemaal gedaan door Gods Heilige Geest.

Het vermogen om Christus en andere mensen, het eigen ik, instituten (zoals kerken of regeringen) en dingen in hun ware betekenis te zien (te begrijpen), is zowel het doel als het resultaat van deze verandering die plaatsvindt. Gemeente, die verandering is radicaal, omdat deze tot in het diepste van ons wezen gaat, het is soms erg pijnlijk de dingen in hun ware betekenis te zien.

Het is een verandering van waarden. De essentiële verandering die wordt voortgebracht is, dat onze gedachten en ambities niet langer zijn gericht op onszelf, maar op de dingen van het Koninkrijk van God. Dingen zoals geld, plezier, macht en positie, hebben niet langer de waarde die ze eens hadden. Aan de andere kant nemen liefde, plicht, gemeenschapszin, dienen en zelfopoffering in waarde toe. Ze worden belangrijker en aantrekkelijker. Lijden wordt niet langer gezien als iets waardoor we alles "zwart en somber" gaan inzien, maar juist als een middel om ons uit te dagen, een middel dat God gebruikt, een middel dat helemaal positief bedoeld is voor onze verandering ten goede.

Deze verandering verandert ook ons perspectief op BESTUUR — zowel met betrekking tot dat we bestuurd worden en het bestuur dat we zelf uitoefenen. Op bepaalde momenten zijn we in het bezit van autoriteit en op andere momenten staan we onder autoriteit. (Maar we staan altijd onder de autoriteit van God.) Ons perspectief op BESTUUR moet dus absoluut veranderen! Paulus zei, dat we de dingen niet langer vanuit het vlees bekijken. In Romeinen 8:7 staat dat de gezindheid van het vlees (de natuurlijke gezindheid) vijandig is tegen Gods wet, omdat het zich er niet aan wil onderwerpen. Dat kan beter maar veranderen!

2 Corinthiërs 3:18a En wij allen [christenen], die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is [omdat de verblindheid en de vijandschap tegen God door deze geweldige, geestelijke verandering, die God ons toestaat te ondergaan, zijn weggenomen], de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, ...

Waar komt dat door? Dat komt door het woord van God. Daarin wordt ons de heerlijkheid des Heren getoond. Verbind dit met Johannes 17. Het is het woord van God dat onze scheiding van de wereld veroorzaakt. Op die manier zien we de heerlijkheid des Heren.

2 Corinthiërs 3:18b ..., [wij] veranderen naar hetzelfde beeld [het beeld van God, zoals dat door Jezus Christus in Gods woord wordt getoond] van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.

De "schepping" dus — als we dat woord willen gebruiken ... (Het woord dat in 2 Corinthiërs 5:17 wordt gebruikt.)

De schepping die in ons plaatsvindt, verandert ons naar het beeld van Christus. Op een andere manier kunnen we zeggen, dat we worden omgevormd van de heerlijkheid van de wereldse, materialistische mens in de heerlijkheid van de hemelse, geestelijke Christus.

Laten we nu naar 1 Corinthiërs 15 gaan (het opstandingshoofdstuk). We gaan daar zien hoe dit daar wordt bevestigd.

1 Corinthiërs 15:45-49 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. 46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. 48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.

Laten we er in de eerste plaats op letten dat Christus hier "de laatste Adam" wordt genoemd. (In vers 45 hebben we "de eerste mens, Adam" en daarna (in de volgende zin) "de laatste Adam.")

"De eerste Adam" doet denken aan het concept van de eerste van een nieuwe soort, geschapen naar het beeld van God. Dat was iets "nieuws" — een schepsel naar het beeld van God.

Nadat Christus "de laatste Adam" werd genoemd, zien we in vers 47 dat Hij "de tweede mens" wordt genoemd. Daarna zien we dat Hij "de hemelse mens" wordt genoemd. Hij wordt "de tweede mens" (of "de tweede Adam") genoemd en "de hemelse mens" om ons denken weg te voeren van "de eerste Adam" — die inderdaad de eerste van een nieuwe soort was. Onze aandacht wordt dan gevestigd op "de tweede Adam" (of "de tweede mens") of "de hemelse mens" — Die ook de Eerste van een nieuwe soort is. Om zo te zeggen een nieuwe schepping.

"De eerste mens" was uit de aarde, "de tweede mens" is de Here uit de hemel.

1 Corinthiërs 15:48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen [christenen].

De nieuwe soort wordt dus gevormd door degenen die naar Christus zijn — en niet naar Adam. De nieuwe soort (of de nieuwe schepping) is hemels, geestelijk georiënteerd. We worden veranderd naar het beeld van "de tweede mens" ("de tweede Adam"), "de hemelse mens". Dat beeld zullen we gaan dragen.

Let nu op het volgende:

1 Corinthiërs 15:45 ..., de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest.

In ons leven is een ontwikkelingsproces (een veranderingsproces) gaande. Dit gaat uit van wat natuurlijk is (Adam, stoffelijk) en verandert naar wat geestelijk is (Christus, hemels). Allereerst zijn we van Adam en zijn oorsprong lag in de aarde. Alhoewel ook Jezus op aarde werd geboren, was Zijn oorsprong vanuit de hemel. Adam is dus als eerste het patroon, voor wat betreft natuur van allen die na hem komen. Dat is wat momenteel belangrijk is voor ons. Adam was het patroon voor de gehele mensheid — voor allen die na hem kwamen — voor wat betreft natuur. En zij die "van Christus" zijn, hebben dezelfde natuur als Hij. (Petrus zegt dat we deel hebben aan "de goddelijke natuur".) Dat is een hemelse natuur — een geestelijke natuur.

Hier hebben we dan weer die dichotomie. Christenen zijn niet alleen aards; ze zijn ook hemels, vanwege hun relatie met God door Jezus Christus! Als we deze schriftgedeelten samenvoegen zien we dus dat door deze verandering het beeld van Christus in ons wordt geschapen.

1 Corinthiërs 15:50-54 Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet. 51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin [trompet], want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.

Eerst worden we inzake onze natuur en ons karakter veranderd. Daarna, volgens de verzen 50 tot 54, verandert onze samenstelling. Dan zal de verandering compleet zijn — bij de opstanding uit de doden, die bij de zevende trompet zal plaatsvinden.

1 Corinthiërs 15:20-23 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. 21 Want, dewijl de dood er is door een mens [door Adam], is ook de opstanding der doden door een mens [door Christus, tot een geestelijk leven]. 22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.

In vers 24 vindt er een opvallende verandering plaats in wat de apostel Paulus schrijft. Ik bedoel dat het opvallend is binnen het kader van deze serie preken over BESTUUR. Let op.

1 Corinthiërs 15:24-28 Daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. 25 Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. 26 De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, 27 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. 28 Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Let erop hoeveel woorden samenhangend met bestuur (regering) er voorkomen in die laatste vijf verzen.

Heerschappij. Macht. Kracht. Aan of onder zijn voeten (komt twee keer voor). Onderworpen (komt vijf maal voor, 3 maal apart en twee maal gecombineerd met Hem).

"Het einde". Het is erg duidelijk. ("Daarna het einde," zegt hij.) Het einde waar God naar toe werkt, is duidelijk het doel om Zijn volledige BESTUUR op deze aarde te herstellen. In Christus is een echte "nieuwe wereldorde" begonnen — en deze gaat verder in ons.

Het resultaat van Zijn roeping is, dat degenen van ons die de Geest hebben, direct 'in het circuit' zijn opgenomen. We zijn 'in het circuit' van dit gebeuren opgenomen, Voordien stonden we erbuiten en waren we zonder hoop. Nu is het onze verantwoordelijkheid om God te laten zien dat we ons aan Hem willen onderwerpen — en daarmee Hem toestaan ons (door Zijn scheppende macht) naar het beeld van Zijn Zoon te veranderen.

Dit deel van de preek eindigt nu. Dit is een afsluitende uitspraak, een conclusie.

Misschien denkt u wel dat dit een nogal lang zijspoor was, losstaand van BESTUUR. In werkelijkheid was het helemaal geen zijspoor, maar een nodige stap om duidelijk onze relatie met — en onze reactie op — BESTUUR onder het Nieuwe Verbond te laten zien.

Bedenk dat Israël onder het Oude Verbond (al was het Gods koninkrijk) een koninkrijk van deze wereld was. Ze waren zowel als "kerk" en als "staat" georganiseerd. Er was zowel een civiel als een religieus bestuur ingesteld — God stond aan het hoofd van beide, maar de mens was duidelijk bij het proces betrokken. Ieder symbolisch religieus voorwerp en ritueel in het Oude Testament laat heel duidelijk zien, dat de mens geen directe toegang had tot God. Integendeel, God werd (door hun verwerping) gedwongen om mensen in dit proces op te nemen.

Zoals ik u reeds eerder zei, God wist dat dit zou gebeuren. Het was in het geheel niet ongewoon. Hij werd er niet door verrast. Ze konden zichzelf niet besturen en ze konden zich in geestelijk opzicht niet aan Hem onderwerpen — in overeenstemming met de vereisten die ons nu onder het Nieuwe Verbond zijn opgelegd. (Zo werden er dus mensen bij het proces betrokken.)

Nu, onder het Nieuwe Verbond, is het Koninkrijk van God niet van deze wereld. Het is een geestelijk organisme en het civiele aspect van bestuur is niet op dezelfde manier aanwezig als dat bij Israël onder het Oude Verbond het geval was. Dat is — op zichzelf al — een groot verschil.

Maakt dat enig verschil uit voor de christen? Wat te denken van "in de kerk"? Is er tussen God en ons een hiërarchie van mensen, die als bestuur fungeren? Als dat zo is, wat is dan hun autoriteit? Hoe uitgebreid is die? Heersen ze echt over ons — ons die directe toegang hebben tot God, zonder tussenkomst van middelaars — ons die nu direct 'in het circuit' van Zijn bestuur zitten? INDIEN dat kerkelijke bestuur bestaat, waar heeft het DAN betrekking op?

Vandaag gaan we eerst kijken naar (en verder zullen we vandaag niet komen) de relatie en de reactie van de christen op civiel bestuur. Ik denk dat we dit middels vijf schriftgedeelten voldoende kunnen behandelen. We zullen daarbij niet op alles ingaan. Ik ga u alleen maar de principes geven, die ons allen duidelijk zullen laten zien wat onze relatie met civiel bestuur is.

Gedurende de eeuwen van het bestuur van de mens op aarde hebben zich vijf verschillende vormen van BESTUUR voorgedaan:

De theocratie, dat is het "bestuur door God".

De democratie. Deze is er in principe in twee vormen. Het betekent "bestuur door het volk". De ene vorm is een pure, een echte democratie — waarin de mensen rechtstreeks in hun eigen bestuur voorzien. De tweede vorm is van het type dat we hier in de Verenigde Staten hebben — die ook wel een republikeinse vorm van bestuur wordt genoemd. Het is een vertegenwoordigend bestuur, waarin het volk degenen kiest die hen zullen besturen. In principe is het dus bestuur van onderaf.

Verder is er de oligarchie. Dat betekent "bestuur door weinigen" of "bestuur door een comité". De duidelijkste vorm hiervan, in ons leven, hebben we kunnen zien in de Sovjet-Unie — waar ze door het Presidium (zo noemden ze het naar ik meen) werden bestuurd.

Dan is er nog de monarchie. Ook deze is er, net als de democratie, in principe in twee vormen. Het betekent "bestuur door de koning" — hetzij absoluut (als een dictator) of op basis van een grondwet. De vorm met een grondwet is de vorm die ze in Engeland hebben. De koning en koningin zijn [daar] in de praktijk grotendeels uitgesloten van rechtstreekse betrokkenheid bij het bestuur, maar ze zijn er nog steeds.

De laatste is in bepaalde zin eigenlijk helemaal geen bestuur; het is anarchie of bestuur door het gepeupel. Ik noem deze vorm erbij, omdat zo af en toe het gepeupel de touwtjes in handen neemt en zij leggen dan hun wil op aan degenen die worden geregeerd.

We hebben deze vijf vormen [van BESTUUR], waar we van tijd tot tijd mee te maken hebben. Wij — u, die mijn stem kunt horen, en ik — wij hebben vandoen met een republikeinse democratie.

Laten we naar Psalm 62 gaan. Deze psalm bestaat uit een serie vergelijkingen met betrekking tot waar iemand in moeilijkheden zich om verlossing kan wenden — of om hulp bij het probleem (moeilijkheid, druk, vervolging of beproeving) waar men doorheen gaat. De vergelijking is tussen God en mens — in termen van wie kan redden. De uitspraak die we hier gaan lezen, past niet rechtstreeks in de context van deze preek, maar het principe past wel.

Psalm 62:12 God heeft eenmaal gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: de sterkte is Godes.

Gemeente, veel van ons geloof is opgehangen aan dit vers. We geloven en we leiden ons leven op de manier zoals we het doen, omdat we die Macht geloven — ondanks alles wat we met onze ogen kunnen zien. Dat is de grote hoeveelheid macht die de naties bezitten — met hun nucleaire wapenen, hun raketten, hun legers van miljoenen mensen, hun tanks en hun vliegtuigen. (Al die dingen waardoor ze in staat zijn oorlog te voeren. Al die dingen waardoor zij volken kunnen onderwerpen om hun plannen, wat die ook maar zijn, tot uitvoering te brengen.)

Ik denk dat u — in termen van religieuze vervolging — begrijpt, dat het altijd "de macht van de religie" is geweest die de overhand kreeg op de macht van het bestuur (het civiele bestuur), waardoor er vervolgingen werden ontketend tegen de ware vereerders van God. Zoals het in het verleden is geweest, zo zal het ook in de toekomst zijn. Zo is er dus de macht van het religieuze bestuur en ook de macht van het civiele bestuur. Maar de psalmist wil, dat wij begrijpen dat de werkelijke macht aan God toebehoort. Het mag dan zijn dat we Hem niet kunnen zien, maar ons vertrouwen is in ons geloof daarin.

Ik denk dat we allemaal de neiging hebben te denken dat hij die de macht heeft, ook bestuurt. Een andere manier van zeggen zou kunnen zijn: Hij die bestuurt, heeft ook de macht. Dit vers laat ons zien dat Gods macht zich uitstrekt over alles wat op aarde is. De consequentie daarvan is, dat er niets gebeurt zonder Hem; en wat tegen Zijn bestuur ingaat moet zich vroeger of later aan Zijn wil onderwerpen.

Regeringen zijn de bezitters van macht. Wij in de USA kennen de uitspraak: "You can't fight city hall." [Zoiets als: Je kunt niet tegen de overheid op.] We zeggen dit omdat de regering over alle posities van macht schijnt te beschikken en het is frustrerend om daarmee om te gaan. Als de regering in actie komt om iets te gaan doen, schijnt het dat wij machteloos staan.

Laten we dit eens vergelijken met Romeinen 13:1-5, waar Paulus schrijft:

Romeinen 13:1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

Waar is macht? Macht is bij God. En vanuit Zijn machtspositie delegeert Hij (aan bepaalde personen) een deel van die macht en verantwoordelijkheid. Degenen aan wie Hij die macht delegeert, zijn verantwoording schuldig, ofwel ze hebben rekenschap af te leggen aan Hem.

Romeinen 13:2-5 Wie zich dus tegen de overheid verzet [dat is de civiele macht], wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. 3 Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen [daar hebben we Gods bedoeling], maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. 4 Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. 5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn [de vrees voor autoriteit], maar ook om des gewetens wil.

In het Nieuwe Testament komen de macht en het bestaan van de naties voort uit God — dit ondanks het feit dat de naties op geen enkele manier een verbond met God hebben gemaakt, zoals Israël (en in veel gevallen waren die regeringen despotisch, chaotisch, omkoopbaar, misbruikend, onrechtvaardig, onverschillig, ongeïnteresseerd en ongevoelig van aard).

God is niet verantwoordelijk voor wat ze doen en Hij zorgt er ook niet voor dat ze de dingen doen die ze doen. Ook zij hebben een vrije wil. Maar wij moeten begrijpen, dat ze alleen maar bestaan omdat God vond dat dat zo moest zijn.

Het doel van de regeringen wordt hier in het Nieuwe Testament in het algemeen als goed gezien. (Het is tenminste beter dan het alternatief — in het geheel geen regering.) De reden is dat het Gods bedoeling is, dat deze regeringen — waaraan Hij Zijn autoriteit heeft gedelegeerd — als doel hebben orde te houden in de samenleving. De christen moet dus de macht ervan — als door God gezonden — respecteren; de macht om te voorkomen dat het leven een sociale chaos wordt, de macht om een afschrikking te zijn voor mensen die kwaad doen en ook een beloner te zijn voor hen die juist en rechtvaardig handelen.

Laten we nu naar Titus gaan en we zullen er nog iets aan toevoegen. De apostel Paulus instrueert Titus als volgt:

Titus 3:1-2 Herinner hen [de mensen in de gemeente] eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn, 2 geen lastertaal uiten [de context duidt op de regerende autoriteiten], niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen.

Laat me dat samenvatten. Ons aandeel bestaat eruit te erkennen dat het onze plicht is mede te werken — te begrijpen dat hun bestuur (Ik bedoel het bestuur buiten de kerk.) hun manier is om politiek voor het algemene belang samen te werken. We moeten hun wetten en gewoonten dus respecteren.

1 Timotheüs 2:1-2 Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, 2 [en dan specifiek ...] voor koningen en alle hooggeplaatsten, [nu komt de reden — het doel van de gebeden] opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid.

Bedenk dat in het woord "besturen" altijd wordt geïmpliceerd dat iemand stuurt (iemand orde houdt) met een bepaald doel in het hoofd.

1 Timotheüs 2:3-4 Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, 4 die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.

Dit voegt naar mijn mening een interessante reden toe om onderdanig te zijn aan het bestuur binnen deze wereld — en wel omdat het onder het Nieuwe Verbond heel duidelijk is dat "de kerk" de kerk is en "de staat" de staat. Niet samengevoegd zoals onder het Oude Verbond, in Israël. De mensen in de kerk (wij dus) zijn onze loyaliteit verschuldigd aan een oneindig veel hogerstaand Koninkrijk (BESTUUR). En toch moeten we erkennen, dat de kerk haar functie niet kan uitvoeren zonder de medewerking van de niet-bekeerde regeringen van de naties. De reden hiervoor is dat, tenzij zij de orde handhaven, het evangelie niet gepredikt kan worden en mensen dus niet behouden zullen worden.

Jacobus doet een eenvoudige uitspraak:

Jacobus 3:18 Maar gerechtigheid is een vrucht [datgene dat door juist handelen wordt voortgebracht], die in vrede [niet in oorlog] wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten.

Regeringen zijn nodig om vrede te handhaven. En het "zaaien" ligt in het evangelie. Denk maar aan de gelijkenis van de zaaier en het zaad. Zaaien moet in vrede worden gedaan. Daarom moet ons beroep in gebed tot God eruit bestaan dat Hij de staat (het civiele bestuur) toestaat orde te scheppen, opdat wij het evangelie kunnen prediken en daardoor mensen behouden kunnen worden. We hebben vrede nodig om Gods werk te doen. Het minste dat we dus kunnen doen, is onderdanig te zijn aan hun heerschappij.

1 Petrus 2:13-17 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, 14 hetzij aan stadhouders, als door Hem [God] gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. 15 Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. 17 Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.

We moeten ons aan elke menselijke instelling onderwerpen — aan de koning en de bestuurder. We moeten alle mensen eren, de broederschap liefhebben, God vrezen en de keizer eren. Dit alles wordt gezien in het licht van twee redenen die in deze context worden gegeven. In vers 16: "maar als dienaren Gods", is reden nummer één — omdat wij de dienaren van God zijn. De tweede reden staat in vers 13: "om des Heren wil."

Ik ga samenvatten. Petrus zegt dat wij (als burgers van een ander Koninkrijk, als pelgrims levend onder een bestuur dat niet van ons is) nooit moeten vergeten wie we zijn! Wij zijn dienaren van de allerhoogste God. Wij zijn betrokken bij een geestelijk proces dat ons verandert naar het beeld van Jezus Christus. En BESTUUR — reacties op bestuur en relaties met bestuur — is erg belangrijk voor dit proces. Ons burgerschap is dus in de hemelen. Hier zijn wij ambassadeurs. We moeten deze verantwoordelijkheid serieus nemen. "Om des Heren wil" betekent uit respect voor Hem.

Neem het volgende in overweging. De scheiding tussen de geestelijke en wereldlijke verantwoordelijkheden van een christen — voor wat betreft BESTUUR — is moeilijk te definiëren, omdat het zeer wel mogelijk is dat er totaal niets te definiëren valt. God is "alles in allen" voor ons. (We hebben dat nog maar net gelezen.) En Hij beveelt ons onderworpen te zijn aan het wereldlijke bestuur. Onderwerping aan wereldlijk bestuur is dus in feite onderwerping aan Hem.

Dat brengt ons terug bij af. Als we de macht van het civiele bestuur respecteren, respecteren we de macht die van God komt — of de macht zoals die door God gegeven is. Als de "staat" een wet uitvaardigt die tegen God is, dan onderwerpen we ons aan de daaraan gekoppelde straf (aangezien onze onderwerping aan bestuur "om des Heren wil" is). En toch, tegelijkertijd, gehoorzamen we God, omdat we aan Caesar geven wat Caesar toebehoort en aan God de dingen die Godes zijn.

Laten we nu Handelingen 4:18-20 opslaan. Hier zien we Petrus en de andere apostelen betrokken in een situatie, waarin zij in botsing kwamen met het wereldlijke bestuur.

Handelingen 4:18-20 En toen zij [de religieuze figuren die hier deel uitmaakten van het wereldlijke bestuur] hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. 19 Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God [bedenk: "om des Heren wil"], meer aan u dan aan God gehoor te geven; 20 want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben [dat zijn de geestelijke dingen].

Het is essentieel op te merken dat Petrus, in 1 Petrus 2, niet zei dat we het civiele bestuur moeten gehoorzamen — maar dat we ons aan hen moeten onderwerpen, ofwel onderdanig aan hen moeten zijn. Dit houdt in onderdanig zijn aan, of onderworpen zijn aan de straffen van de wet, die worden opgelegd als gehoorzaamheid aan God resulteert in het overtreden van de menselijke wetten. Als dus de aangestelde autoriteit in oppositie met God komt te staan, dan wordt het anti-Christus, demonisch. Dan wordt het de verantwoordelijkheid van de christen te laten zien waar zijn prioriteiten liggen — en God te gehoorzamen door onderwerping aan de straffen die het menselijke bestuur oplegt.

Handelingen 5:29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.

Dit vers is eenvoudigweg een kernachtige herhaling van hetzelfde principe dat in Handelingen 4:18-20 werd gegeven. Ik denk dan ook, dat we veilig kunnen concluderen dat — onder het Nieuwe Verbond — een scheiding tussen God en het wereldlijke bestuur (ongeacht de natie waarin dit bestuur wordt uitgeoefend) alleen maar voorkomt als de mens wetten van kracht laat worden die tegen God ingaan. Zelfs dan moeten we echter onderdanig zijn aan het wereldlijke bestuur.

Hier gaan we eindigen, begrijpende dat er een absolute noodzaak bestaat voor orde. (We kunnen dat BESTUUR noemen.) Die orde moet worden vastgelegd in regels (we kunnen dat wetten noemen), omdat orde niet aan het toeval kan worden overgelaten of aan de nukken en grillen van mensen. Ik denk, dat zowel de geschiedenis als onze eigen ervaring laat zien, dat als iedereen zijn eigen gang gaat, het een grote puinhoop wordt.

Het laatste vers in het boek Richteren [Richteren 21:25] bevestigt dat: "Ieder deed wat goed was in zijn ogen." En het leven werd een chaos. Er moet dus de instemming zijn van iedere persoon binnen een groep met de principes (of de regels, of de wetten), anders kan er geen orde zijn. Men moet zich conformeren aan de regels waarmee de groep heeft ingestemd, want anders wordt het een pijnlijke zaak.

Wie stelt de regels vast? Wie voedt op en leidt? Wie oefent de autoriteit uit om te corrigeren (als iemand het niet met de regels eens is en de orde verstoort)? De volgende keer zullen we op die vragen ingaan.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)