Bestuur (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
6 juni 1992

Samenvatting: (toon)

In dit tweede deel van de serie over bestuur gaat John Ritenbaugh eerst door de geschiedenis van Israël, waarin zij stapje voor stapje Gods autoriteit verwerpen en zich onder het juk van Satans politieke systeem plaatsen. Daarna beweert hij dat God een geestelijk koninkrijk opbouwt op basis van de dynastie van David en dat Christus, bij de zevende trompet, tot Hoofd daarvan zal worden aangesteld. Dan zal Hij de kracht van Zijn Koninkrijk tegen de koninkrijken der wereld ontketenen. Zij die het goede nieuws van het Koninkrijk van God horen en erop reageren (een verbond met God aangaan om er deel van uit te gaan maken), worden momenteel opgebouwd tot een geestelijk huis, dat tevens een koninklijk priesterschap is (1 Petrus 2:9). Deze koninklijke dynastie zal over een heilige natie regeren en zal als koningen onder Christus gezag uitoefenen over de gehele aarde.


Vandaag gaan we verder met de serie over BESTUUR. We gaan, zoals ik gewoonlijk doe, beginnen met een kort overzicht, zodat we daarna een vliegende start kunnen maken met het nieuwe materiaal, waar we het vandaag over gaan hebben. We zagen vorige week dat besturen altijd het doel impliceert om op een rechte koers te blijven of een soepel verlopende gang van zaken te hebben.

U zult zich nog wel herinneren dat het Griekse woord, waaraan het Engelse woord govern (besturen) is ontleend, "leiden" of "sturen" betekent. Maar ik voegde eraan toe, dat het niet altijd impliceert ten behoeve van wie, ten gunste van wie, het besturen (of het sturen, of het leiden, of het op een rechte koers houden) plaatsvindt. In al te veel gevallen is het bestuur goed voor degenen die het bestuur uitvoeren, in plaats van voor degenen die worden bestuurd.

Dit woord impliceert ook een inspanning om orde en richting te scheppen of te onderhouden door middel van opvoeding tot een bepaald doel. Daarom impliceert het noodzakelijkerwijs autoriteit en macht om dat te bewerkstelligen.

God wordt in Zijn Woord geïntroduceerd als Iemand Die Zijn schepping bestuurt. We gingen (in een vrij hoog tempo) door de eerste hoofdstukken van het boek Genesis. En ik liet u zien hoe al in het allereerste begin duidelijk wordt dat God Zijn schepping bestuurt. We zagen, dat Hij orde brengt (leidt, stuurt) — orde brengt in de chaos. Daarna zagen we heel snel, middels een serie algemene voorbeelden, in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis, dat Hij de hoofdfuncties van bestuur uitvoert.

Deze dingen zijn daar opgenomen, zodat we daar van kunnen leren — zodat wij door eenvoudige voorbeelden kunnen leren wat bestuur moet inhouden, wat bestuur moet doen en hoe het moet worden uitgevoerd. Moet er enige vorm van delegatie zijn? Hoe krachtig moet de autoriteit zijn?

We zien ook, dat God degenen die bestuurd worden, opvoedt. Denk terug aan Genesis 2, waar Hij de man en vrouw instrueerde met betrekking tot wat ze in de hof moesten doen. Ze moesten die bewerken en bewaren. Hij zei hun ook, dat ze van elke vrucht mochten eten — van alle bomen in de hof — behalve van één. Hij onderwees hen in hun verantwoordelijkheid, zodat ze aan de orde konden bijdragen.

Het was niet iets dat Hij hun moest "opleggen". Dat is een heel belangrijk principe, omdat we begrijpen, dat de grootste mate van vrijheid zich voordoet als mensen zichzelf regeren. Als de regering dwang moet uitoefenen om orde te handhaven (of te zorgen dat mensen in een bepaalde richting blijven bewegen), dan kan er zich tyrannie gaan ontwikkelen. De regering wordt dan ook overheersend en het volk voelt zich dan in slavernij onder die regering.

We zagen ook het begin van delegatie van verantwoordelijkheid binnen wat zich tot de natie Israël aan het ontwikkelen was. Ik heb hier heel wat hoofdstukken overgeslagen en ben nu in het boek Exodus. Maar u zult zich nog wel herinneren, dat God ons eerst het voorbeeld in Exodus 18 liet zien. Mozes werd door zijn werk overbelast. Zijn schoonvader Jetro zag dat en deed een suggestie. Hij zei Mozes: "Als deze suggestie genade vindt in Gods ogen, dan denk ik dat je die moet gaan toepassen." Dus delegeerde hij [Mozes] verantwoordelijkheid aan een groot aantal andere personen.

De verantwoordelijkheid van deze mannen bleek te liggen in het civiele vlak. Ze werden "oversten" genoemd en waren belast met de rechtspraak. Rechters is een term die de Bijbel in het algemeen gebruikt voor overheidsambtenaren die zich een oordeel moeten vormen. Een oordeel in de zin van de richting die het volk dient uit te gaan, daarmee ging ook samen het vormen van oordelen over straffen die moesten worden opgelegd.

Daarna, het boek Deuteronomium combinerend met het boek Numeri, zagen we ook de aanstelling van mensen op een meer religieus vlak. Dat wordt duidelijk door het feit dat God van de Geest nam, die op Mozes was en deze ook gaf aan die zeventig oudsten. We zagen ook dat Mozes zijn functie ten aanzien van deze mensen uitoefende, in de zin dat hij hen onderwees (zowel de oudsten als de oversten [rechters]) aangaande hun verantwoordelijkheden.

Laten we nu naar Exodus 19 gaan om daar een vers te lezen. Ik vind, dat wat daar gebeurde erg belangrijk is voor ons onder het Nieuwe Verbond. Het gaat om vers 9, wat daar gebeurde vond plaats nadat God aan Israël had voorgesteld hun Heerser te zijn. Ik bedoel, nadat dat op een formele manier had plaatsgevonden. Er wordt een verbond voorgesteld en zij stemden ermee in dat God hun Bestuurder zou zijn; zij zouden zich aan de wetten onderwerpen. Als gevolg daarvan zou God bepaalde dingen doen en zij zouden een bijzondere natie voor Hem zijn.

Exodus 19:9 Daarna zeide de HERE tot Mozes: Zie, Ik kom tot u in een donkere wolk, opdat het volk kan horen, wanneer Ik met u spreek, en zij ook voor altoos in u geloven. En Mozes deelde de woorden van het volk aan de HERE mee.

Hoofdstuk 20 begint met de gebeurtenis, dat God de tien geboden uitspreekt en daarna lezen we:

Exodus 20:18-21 En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan. 19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons, opdat wij niet sterven. 20 Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, en opdat er vrees voor Hem over u kome, dat gij niet zondigt. 21 Het volk nu bleef van verre staan, maar Mozes naderde tot de donkerheid waarin God was.

Tot zover kwamen we vorige week. God sprak rechtstreeks tot de verzamelde Israëlieten. Hij communiceerde rechtstreeks met hen, evenals Hij dat — zoals ik u vorige week liet zien — rechtstreeks deed met Abraham ("de vader der gelovigen"). Hiermee werd dus een patroon vastgesteld dat zich in de toekomst zou gaan herhalen. Dat zal belangrijk worden voor ons inzake dit bestuur waaronder wij zijn komen te staan.

God communiceerde ook rechtstreeks met Mozes. Hier in hoofdstuk 20 communiceert Hij dus rechtstreeks met de kinderen Israëls. Maar Hij deed het op zo'n manier, dat Hij hun een gevoel van geweldig ontzag inboezemde voor dit voorrecht, dat Hij ook tot dit volk wilde uitbreiden. Dit voorrecht was het rechtstreeks toegang hebben tot Hem! Niet door middel van tussenpersonen. Hij bood hun de gelegenheid om rechtstreeks toegang tot Hem te hebben. Maar Hij wilde, dat ze ook wisten dat dit een heel grote verantwoordelijkheid was!

We zien hier dat ze dit heel snel verwierpen. Ze vroegen Mozes tussen hen en God te staan. Mozes wordt dan dus officieel "middelaar". Hij voerde deze functie al eerder uit, maar nu is het officieel — hij zal tussen hen en God staan. Zijn verantwoordelijkheid was dus "pleitbezorger voor het volk" (dat betekent dat hij de problemen van het volk voor God bracht), maar hij verklaarde ook de dingen van God aan het volk. Met andere woorden hij was de "tussenpersoon".

We gaan hier dus een "hiërarchie van mensen" zien, die formeel tussen God en Israël wordt ingesteld. God wist dat het op deze manier zou gebeuren. Hij had dit zelfs al van te voren voorbereid in de organisatie van Israël, zowel civiel als religieus.

Exodus 24:1-3 Tot Mozes zeide Hij: Klim op tot de HERE, gij en Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van de oudsten van Israël en buigt u van verre neder. 2 Maar Mozes alleen zal tot de HERE naderen, zij echter zullen niet naderen, en het volk zal niet met hem opklimmen. 3 Toen kwam Mozes en deelde het volk al de woorden des HEREN en al de verordeningen mee, en het gehele volk antwoordde eenstemmig: Al de woorden, die de HERE gesproken heeft, zullen wij doen.

Zij maakten hun instemming kenbaar. Het moet wel op die manier gebeuren, omdat ALS een bestuur effectief wil zijn, DAN moet er de instemming zijn van degenen die worden bestuurd. ALS er geen instemming is van de onderdanen, DAN moet de bestuurder zijn autoriteit en macht toepassen om het volk naar zijn wil te laten buigen. (Zo'n situatie is niet al te aangenaam.)

Exodus 24:4-5 En Mozes schreef al de woorden des HEREN op. Vroeg in de morgen bouwde hij een altaar onder aan de berg, met twaalf opgerichte stenen overeenkomstig de twaalf stammen van Israël. 5 Toen zond hij de jongelingen der Israëlieten heen, en zij brachten brandoffers en offerden stieren als vredeoffers voor de HERE.

Er was tot dit moment nog geen systeem van offeranden ingesteld.

Exodus 24:6-8 Daarop nam Mozes de helft van het bloed en deed het in bekkens, en de andere helft van het bloed sprengde hij op het altaar. 7 Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen. 8 Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de HERE met u sluit, op grond van al deze woorden.

Israël is nu formeel zowel "kerk" als "staat". Kerk en staat waren niet netjes gescheiden (zoals in de Verenigde Staten), maar ze vielen in veel opzichten samen, omdat de wetten van God betrekking hadden op beide gebieden. Maar het is duidelijk ... Niet vanuit waar we nu zijn in het boek Exodus, maar vanuit andere delen [van de Bijbel] — in het bijzonder de eerste vijf boeken — is het duidelijk dat de civiele autoriteit, zoals vertegenwoordigd door Mozes die van Aäron te boven ging. Dat betekent, dat deze het theologische of religieuze gebied te boven ging.

De autoriteit van Mozes was ruimer en algemener. Die van Aäron was specifiek op het gebied van religie. Om deze reden waren mannen zoals Hizkia en Josia en later Ezra (die een gouverneur was), in staat te doen wat ze deden met betrekking tot het Pascha. Zij namen eenvoudigweg de touwtjes in handen in een ernstige situatie en dwongen het houden van het Pascha af op een manier, waarvan zij vonden dat die bij de ernst van de situatie paste. Ze namen een administratieve beslissing die naar hun mening op dat moment nodig was. (Er is echter geen aanduiding in Gods Woord, dat God hiermee instemde als iets dat voor "alle tijden" gold.)

We springen nu naar 1 Samuël 8. Hiermee slaan we de periode van veertig jaar in de woestijn en de periode van Jozua en de andere richteren over. We komen dan bij Samuël, die de laatste der richteren was.

1 Samuël 8:1 Toen Samuël oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël.

Dat was een bestuursmaatregel die niet ongebruikelijk was voor een richter. Dit was in feite heel natuurlijk voor een richter om dat te doen.

1 Samuël 8:4 Daarom kwamen alle oudsten van Israël bijeen; zij gingen naar Samuël in Rama.

Zij deden dit omdat de zonen van Samuël niet wandelden in de voetsporen van hun vader. Zij gedroegen zich niet zoals hij. Zij geloofden niet zoals hij. Zij leidden hun leven zoals de andere bewoners van het land. Zij waren niet het soort leider dat deze mensen wilden hebben. Hun gedrag gaf sterke aanwijzingen, dat ze zich op tirannieke (despotische) manier zouden gaan gedragen, en de mensen wilden niet onder hen leven.

Deze mensen zeggen dan in vers 5:

1 Samuël 8:5-9 Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. 6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuël, en hij bad tot de HERE. 7 De HERE zeide tot Samuel: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. 8 Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zó doen zij nu ook tegen u. 9 Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zal.

We zien dus dat het systeem van richteren — die als Gods vertegenwoordigers over Israël regeerden — voortging tot en met Samuël. Toen liet het volk weten dat ze een koning wilde, net als al de andere volken. Vers 7 maakt duidelijk dat God, ondanks dat ze richteren hadden, nog steeds hun officiële Regeerder was. Hij was nog steeds hun echte Heerser en Zijn wet behoorde de wet van het land te zijn.

Maar in de tijd van de koningen ... Ik wil alweer dat we een grote sprong voorwaarts maken in de tijd en in de buurt komen van het Nieuwe Verbond. Maar in de tijd van de koningen was God nog steeds bij de regering betrokken. We zijn bekend genoeg met de boeken van Samuël, 1 en 2 Koningen en 1 en 2 Kronieken. Het verslag ligt vast en God was nog steeds bij de regering betrokken, in de zin dat Hij Zijn wil via de profeten bekend maakte. Maar op andere manier was er niet veel van Hem 'merkbaar'. Hij kwam meer en meer op de achtergrond te staan.

Samuël waarschuwde het volk, zoals God hem instrueerde. We gaan daar niet doorheen, maar als we de waarschuwing van Samuël zouden lezen, zouden we zien dat hij het volk zei, dat ze met een nog grotere bureaucratie geconfronteerd zouden worden, waarbij God nog verder weg zou komen te staan en het volk steeds minder baas over hun eigen leven zou zijn. Dat staat in het vervolg van 1 Samuël 8.

Laten we nu naar 2 Samuël gaan. In het zevende hoofdstuk lezen we over een heel belangrijk verbond — en belofte — door God aan David gegeven. Als we de draad oppakken in vers 8, zien we dat God tot Natan, de profeet, sprak. God zei hem naar David te gaan en hem het volgende te zeggen:

2 Samuël 7:8-10a Nu dan, zo moet gij spreken tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik heb u gehaald uit de weide van achter de schapen, om vorst te zijn over mijn volk, over Israël, 9 en Ik ben met u geweest overal waar gij gegaan zijt. Al uw vijanden heb Ik vóór u uitgeroeid. Ook zal Ik u een grote naam maken gelijk die van de groten der aarde. 10 Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk, ...

Merk op dat deze belofte, deze profetie, dit verbond, vanuit het heden (Ik bedoel "het heden" van de tijd van Natan en David.) opeens helemaal naar de toekomst springt. God spreekt daar niet over iets dat in die tijd, in Davids tijd, zou gebeuren.

2 Samuël 7:10b ..., voor Israël, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt ...

We weten dat (na David) de Israëlieten in ballingschap werden gevoerd en nooit naar die plaats zijn teruggekeerd. Deze uitspraak wordt dus een profetie. Hij spreekt hier over iets dat nog niet heeft plaatsgevonden. Het is nog steeds "toekomst" — ook voor ons.

2 Samuël 7:10b-11 ..., en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt en boosdoeners het onderdrukken zoals vroeger, 11 sedert de tijd dat Ik richters over mijn volk Israël aangesteld heb. Ik zal u rust geven van al uw vijanden. Ook kondigt de HERE u aan: De HERE zal u een huis bouwen.

Onthoud dat! God zal u [David] een "huis" bouwen. Voeg hier aan toe "familie" of "dynastie". Dat betekent (zoals mensen vandaag de dag zeggen) het huis van David. Hij zegt dat het volgende zal gaan gebeuren: dat er altijd nakomelingen van David zullen zijn die op de troon zullen zitten — en daarmee God uit de hemel zullen vertegenwoordigen. "De koning" wordt beschouwd als de vertegenwoordiger van God, door wie Hij Zijn volk Israël zou regeren. Dat wil zeggen Gods Koninkrijk op aarde, Israël. God zal David bevestigen middels een dynastie.

2 Samuël 7:12 Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.

Nu richt de profetie zich op één persoon.

2 Samuël 7:13a Die zal mijn naam een huis bouwen, ...

Nu wordt "het huis van David" ook "het huis van God". Hier vindt iets heel belangwekkends plaats. Het huis van David wordt "de dynastie van God".

2 Samuël 7:13b ..., en Ik zal zijn koninklijke troon [een symbool van autoriteit, een symbool van bestuur] voor immer bevestigen [Statenvertaling: tot in eeuwigheid].

Hierbij zij opgemerkt dat we moeten beseffen dat het woord "eeuwigheid" in de Bijbel niet betekent wat een hedendaags Nederlands sprekend iemand eronder verstaat. Dit woord betekent "zo lang als de condities of de omstandigheden bestaan". We slaan het niet op (u kunt dit thuis controleren), maar in Psalm 89, waar deze belofte wordt herhaald, zien we dat "in eeuwigheid" inderdaad betekent wat een hedendaags Nederlands sprekend iemand er onder verstaat. Want de condities die God vermeldt zijn, dat zolang de zon en de maan aan de hemel staan, zolang zal David een nakomeling op zijn troon hebben.

2 Samuël 7:16 Uw huis [dynastie] en uw koningschap [Een groep mensen met een bestuur, met wetten en een gebied om in te wonen — waaruit ze nooit meer zullen worden verwijderd.] zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.

Iedereen erkent dit als de belofte dat de Messias uit Davids geslacht zou voortkomen en dat David zelf niet de hier aangeduide positie zou bekleden. Zelfs alhoewel David koning over Israël zal zijn (en voor altijd zal regeren), begrijpt iedereen dat hier gesproken wordt over de Heerser (de Messias, de Gezalfde, de Koning der koningen) die zal voortkomen uit Davids dynastie (Davids geslacht). En Zijn troon zal tot in eeuwigheid bestaan.

Laten we nu teruggaan naar het "heden" van David. (Niet ons heden, maar dat van David.) De status quo die was ingesteld na Samuël, bleef van kracht in de gehele periode van de koningen en ook daarna in de periode van de gouverneurs. We lezen over verschillende van hen: Ezra, Nehemia en Zerubbabel. Er zijn anderen die niet worden vermeld. Maar we zien in het bijbelse verslag, dat het contact met God steeds afstandelijker wordt in vergelijking met het contact dat Hij vroeger met de Israëlieten had. Tegen de tijd dat we komen in wat de geleerden "de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament" noemen, de periode die ruwweg volgt op Ezra, Nehemia en Zerubbabel, verdwijnt God praktisch geheel van het toneel.

Denk hier over na. Die periode begint ruwweg rond de tijd dat Alexander de Grote Palestina binnentrok. Dit gebeurde omstreeks 327 of 330 jaar voor Christus.

Alexander komt dus in het land. Hij verovert Palestina en ontneemt het aan de Perzen, die er tot die tijd heersten. (Daarvoor waren het de Babyloniërs.) Tegen de tijd dat we in de periode komen dat Jezus Christus leefde (dat is na de Griekse overheersing en ten tijde van de Romeinse overheersing over Judea) is Israël gevallen! [Op welke manier?] Van de tijd bij de berg Sinaï en [hun] directe contact met God zijn ze gevallen (van dat directe contact) tot een hoge priesterschap (met hun theologische vertegenwoordiger) dat onderworpen was aan Herodus (Herodus stelde hen aan), die op zijn beurt onderworpen was aan Rome, dat onderworpen was aan Satan.

Waar is God (het bestuur van God) in dit plaatje? De Bijbel vertelt ook dat verhaal, in beknopte vorm. Laten we naar het boek Jeremia gaan, naar hoofdstuk 3. Het onderwerp wordt in vers 1 geïntroduceerd. Daar staat: "Indien een man zijn vrouw verstoot ..." Met andere woorden verstoting [scheiding] is het uitgangspunt van wat hij hier gaat zeggen.

Jeremia 3:8a Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, ...

Bedenk dat het aangaan van een verbond een huwelijksovereenkomst was, waarin de vrouw (Israël) ermee instemde zich te onderwerpen aan het bestuur van haar man (God). Israël werd dus Zijn vrouw.

Jeremia 3:8b ..., verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde.

We moeten begrijpen dat God ook Juda verstootte. Als dat zo is, dan is de vrouw niet langer onder de autoriteit van haar man. Er heeft een scheiding plaatsgevonden. Wie is dan de bestuurder? Ik gaf u daarin enig inzicht, toen ik zei dat ze een hoge priesterschap hadden, dat onder Herodus stond, die onderworpen was aan Rome, dat onderworpen was aan Satan.

Laten we nu naar Daniël 2 gaan. Nebukadnessar had een droom over een groot beeld. Daarna kon hij zich die droom niet meer herinneren. Hij vroeg dus aan zijn tovenaars (en de bezweerders en de geleerden) om niet alleen de droom uit te leggen, maar hem ook te vertellen wat de droom was. Zij konden dat uiteraard niet. We zien dan dat Daniël wordt opgeroepen om uitleg te geven. Hij zegt Nebukadnessar: "Ik kan dat niet, maar er is een God in de hemel die daartoe in staat is." We vinden de uitleg in de verzen 36 en 37.

Daniël 2:36-37 Dit is de droom, en de uitlegging daarvan zullen wij de koning zeggen: 37 Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft.

Ik denk dat we normaal heel snel tot de conclusie zouden komen, dat het koninkrijk dat God aan Nebukadnessar gaf, Babylon was. En dat is inderdaad juist. Maar wat deed Babylon? Babylon veroverde Juda en werd daarmee de "bestuurder" van Juda. God verdween van het toneel. Het koninkrijk dat God aan Nebukadnessar gaf bestond ook uit Zijn volk, Israël.

Haal nu de droom terug in gedachten. Dat is belangrijk voor wat nu volgt. De droom ging over een groot beeld en toonde de opeenvolging van heidense naties die wereldbeheersers werden. Het bestuur van Gods volk (Israël) ging dus opeenvolgend van Babylon, naar de Meden en Perzen, naar Griekenland, naar Rome en zijn herlevingen. Wat we hier zien is, dat het volk Israël gedurende 2520 jaar maar heel zelden onder zelfbestuur stond. Ze stonden praktisch altijd onder andermans bestuur en "andermans" was niet God, maar veeleer heidense naties.

Deze vernederende omstandigheid is van kracht in de tijdsperiode dat de Messias werd geboren, waarin Hij het evangelie van het Koninkrijk van God begon te prediken.

Markus 1:14-15 En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken, 15 [en Hij zeide]: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.

Toen de Messias (de erfgenaam van David) op het toneel verscheen, verkondigde Hij een boodschap over een ander koninkrijk, het Koninkrijk van God.

Bedenk dat Israël een koninkrijk was. Als zodanig had het een aangestelde autoriteit en wetten die de onderdanen bestuurden. Met dat in gedachten en horende dat Jezus een aankondiging deed over een ander "koninkrijk", gaan we ook inzien dat dit impliceert dat dit koninkrijk in sommige opzichten zal gelijken op Israël. Het zal een Koning hebben. Het zal autoriteit hebben, die middels wetten wordt onderwezen en in wetten is vastgelegd. Het zal de macht hebben die wetten te handhaven. Er zal een verzameling mensen zijn waarover het zal heersen. Het zal ook een gebied hebben waarover het zal heersen. Hier komt dus God [Jezus Christus] met de aankondiging van een ander "koninkrijk" (dat Hem toebehoort), waarover Hij zal heersen.

Laten we nu naar het eerste hoofdstuk van Handelingen gaan. Chronologisch bezien is Jezus Christus [hier] reeds gestorven. Hij is opgestaan uit de doden. In dit hoofdstuk zijn we nu veertig dagen na Zijn opstanding. Feitelijk is dat niet helemaal juist. Veertig dagen na het garfoffer, denk ik, is beter en preciezer. Het is vlak voor Pinksteren in het jaar 31 na Christus.

Handelingen 1:6 Zij [de discipelen] dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?

Zij begrepen zeer zeker en duidelijk genoeg, dat de boodschap die Jezus Christus bracht betrekking had op de oprichting van een besturende autoriteit. Hier wordt geïmpliceerd dat dit op aarde zal zijn. Dit wordt niet rechtstreeks gezegd, maar het impliceert het zeer zeker, omdat de naam "Israël" wordt genoemd.

Handelingen 1:7-8 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

Ze begrepen niet wanneer dat zou gebeuren. Hij zei in Zijn antwoord niet wanneer dit zou gebeuren. Maar het antwoord dat Hij gaf (de belofte van kracht), hangt samen met hun vraag, omdat het ontvangen van de Heilige Geest (en kracht) hen in staat zou stellen te functioneren in hun verantwoordelijkheid als vertegenwoordiger van het Koninkrijk totdat het zou worden opgericht. Het is belangrijk om dat te begrijpen. Het ontvangen van de Heilige Geest (en kracht) zou hen in staat stellen te functioneren in hun verantwoordelijkheid als vertegenwoordiger van het Koninkrijk totdat het zou worden opgericht.

 

Ik moet hier wat grondwerk verzetten, zodat we duidelijk vanuit de Schriften kunnen zien wat dit Koninkrijk, dat Jezus aankondigde, nu voor ons is — en ook waar dit onderwerp van BESTUUR nu past. Ik zal meer teksten aanhalen dan ik gewoonlijk doe en daar minder diep op ingaan. Maar we hebben ze nodig, omdat dat heel belangrijk is voor dit onderwerp BESTUUR onder het Nieuwe Verbond.

Haal de vraag van de discipelen opnieuw in gedachten: "Wanneer gaat U het koninkrijk herstellen?" Hij zei: "Dat zeg Ik jullie niet, maar jullie zullen de Heilige Geest ontvangen en jullie zullen kracht krijgen om jullie verantwoordelijkheid uit te kunnen oefenen."

Laten we naar Johannes gaan, hoofdstuk 18. Het onderwerp dat hier wordt behandeld, is Jezus' proces voor Pilatus, in ieder geval een klein gedeelte ervan.

Johannes 18:33 Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?

Neem eens in overweging hoe Jezus er op dit moment uitzag. Bedenk dat Hij de geseling al had ondergaan. Hij zag er niet echt uit als een koning. Ik ben er dus zeker van dat Pilatus' woorden gepaard gingen met een zekere mate van sarcasme. "Kunt u, arm schepsel, werkelijk een koning zijn?"

Johannes 18:34-35 Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?

Hij vraagt Jezus: "Wees specifiek over de aanklacht. Wees specifiek in uw antwoord daarop. Bent u een koning?" Jezus' antwoord zou voor ons heel duidelijk moeten zijn.

Johannes 18:36a Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, ...

Bedenk dat we het onderwerp over de aankondiging van het Koninkrijk van God en het toetreden tot het Nieuwe Verbond onderhanden hebben, alsmede het onderwerp BESTUUR, en hoe dit allemaal op ons — hier in de kerk, in de twintigste eeuw — van toepassing is. "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld." Dit woord "wereld" duidt op een tijdperk, een bepaald systeem. [Het is het Griekse woord "cosmos".] Dit koninkrijk is niet van dit systeem, van Satans systeem!

Johannes 18:36b ..., zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.

Pilatus begreep het. Jezus antwoordde hem specifiek. De manier waarop de vertalers dit ongelukkigerwijs hebben verwoord, doet het erop lijken dat Pilatus nog steeds in twijfel stond. Hij stond niet in twijfel. Hij zei: "U bent dus een koning?" Het was nog steeds een vraag, maar het Grieks duidt op een uitroep van verrassing. Dit schepsel dat daar bloedend voor hem stond: U bent een koning!"

 

Pilatus kon het eigenaardige daarvan niet bevatten. Hij besefte niet wat hij zei. Maar hij begreep de essentie van wat Jezus zei: "Ja, Ik ben een Koning."

Johannes 18:37b Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.

Jezus zei in feite tegen Pilatus: "Mijn Koninkrijk is beter." Hij sprak hier voornamelijk over het karakter van Zijn regering. (Het karakter van Zijn heerschappij.) Niet de plaats of het tijdstip. Bedenk dat Hij zelfs Zijn discipelen weigerde een aanduiding voor het tijdstip te geven. Hij gaf dat zeer zeker niet aan Pilatus. Dat zou echter wel uit het vers opgemaakt kunnen worden, maar dat is niet de hoofdbetekenis. Het gaat Jezus hier om het karakter van het Koninkrijk. Hij zei tot Pilatus: "Pilatus, Mijn Koninkrijk is niet politiek van aard. U hebt niets van Mij te vrezen. Ik ben niet hier om het bestuur omver te werpen en een met u wedijverende macht te zijn." Hij zegt dus: "Ik ben geen rivaal. Ik ben hier niet met politieke doeleinden." (Wat zouden Zijn dienaren hebben gedaan, als Hij dat was geweest? Zij zouden een oorlog hebben ontketend.)

Pilatus begreep het. Hij zei tot het volk (de Joden): "Ik vind geen schuld in deze mens." Hij zag in, dat Jezus geen politieke rivaal was. Jezus was er niet op uit het koninkrijk van Rome omver te werpen.

Als we dit samenvoegen met andere verzen, kunnen we begrijpen dat Jezus ons zegt: "Mijn Koninkrijk is geestelijk! Het gaat inderdaad nu beginnen." Hij zegt: "Ik ben een Koning!" Je bent geen koning over 'niets'. Hij was een Koning over 'iets' en dat Koninkrijk was aan het ontstaan. Maar de oprichting ervan als een macht op aarde was op dat moment nog niet aangebroken. We hebben het over iets dat op dit moment geen rivaal is voor de regerende autoriteiten.

Dit was een aardige uitweiding, maar laten we nu verder gaan met een ander belangrijk aspect van dit Koninkrijk. We gaan daarvoor naar het boek Openbaring, hoofdstuk 11, vers 15. We zien daar een aanduiding van de tijd waarop het Koninkrijk wordt opgericht; dit is nog toekomst voor ons (bijna tweeduizend jaar na het proces van Jezus voor Pilatus).

Openbaring 11:15a En de zevende engel blies de bazuin [trompet] en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, ...

We zien hier dat het Koninkrijk van God zal vechten tegen die koninkrijken en het zal die koninkrijken onderwerpen.

Openbaring 11:15b ..., en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden.

Koppel dat aan 2 Samuël 7 en de belofte aan David — tot in alle eeuwigheden.

Christus werd geboren om Koning te worden. Er komt ook een tijd dat alle koninkrijken van de wereld van Hem zullen worden, maar dat is nog niet het geval. Dat zal niet gaan gebeuren voordat de zevende trompet zal klinken.

Openbaring 19:1, 6, 15 Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen: Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God. ... 6 En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. ... 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen.

Bedenk nogmaals dat het Koninkrijk van God de koninkrijken van deze wereld op een bepaalde tijd in de toekomst zal bevechten.

Openbaring 19:16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: KONING DER KONINGEN EN HERE DER HEREN.

We gaan nu langzamerhand bouwen op de fundering die we hebben gelegd. God is een Koninkrijk aan het oprichten. Het is iets dat gaande is. We weten wie de Koning is — dat zal Jezus Christus zijn. Hij is nog niet aangesteld, maar de profetieën laten zien dat Hij zal worden aangesteld — te beginnen bij de zevende trompet, op welk moment Hij zal beginnen om de kracht van Zijn Koninkrijk los te laten op de koninkrijken van deze wereld.

We zien nog meer, namelijk dat Hij niet alleen een Koning is. Hij is een Koning der koningen. Dit impliceert zeer zeker dat er andere koningen zijn die autoriteit (dat is regeringsmacht) zullen hebben onder Hem. Zij zijn onderworpen aan Hem, maar hebben ook autoriteit binnen het Koninkrijk van God. Wie zijn die andere koningen?

Openbaring 20:4 En ik zag tronen[het symbool van autoriteit in bestuur], en zij zetten zich daarop [vele tronen], en het oordeel werd hun gegeven; en (ik zag) de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang.

Openbaring 20:6a Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding.

Hier vinden we het begin van de vaststelling, dat deze koningen die met Christus zullen regeren, degenen zijn die deelhebben aan de eerste opstanding.

Nu naar Openbaring 5. Daar wordt het nog specifieker omschreven.

Openbaring 5:9-10 En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; 10 en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.

Dat maakt het nog specifieker. De koningen, die onder Christus zullen regeren, worden niet alleen aangeduid als zij die opstaan in de eerste opstanding, maar ook als zij die zijn "gekocht" met het bloed van het Lam (zoals we zojuist lazen) en zij zullen op aarde regeren.

In Lucas 22, waar Jezus tegen Zijn discipelen spreekt, zegt Hij:

Lukas 22:28-29 Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in mijn verzoekingen. 29 En Ik beschik u het Koninkrijk [De conclusie hiervan wordt onontkoombaar.], gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft.

We weten dat dat koninkrijk het Koninkrijk van God is, waarover Hij KONING DER KONINGEN zal zijn.

Lukas 22:30a Opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk.

We weten nu dat het koninkrijk, dat hun tot wie Hij spreekt gegeven zal worden, precies hetzelfde koninkrijk is dat aan Jezus is gegeven.

Lukas 22:30b En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen Israëls te richten.

"De vrijgekochten" zijn dus degenen die in de eerste opstanding zullen zijn. Zij zijn de eerstelingen van God. Zij zullen als koningen heersen. Ze zullen onder Christus staan in Zijn Koninkrijk. Ze zullen op tronen zitten, op aarde.

Laten we naar 1 Petrus gaan, hoofdstuk 2, de verzen 4, 5 en 9.

1 Petrus 2:4-5a En komt tot Hem [Christus], de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u [christenen] ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, ...

We gaan ons richten op dat woord "geestelijk". Bedenk dat Jezus zei: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Mijn Koninkrijk behoort niet tot dit systeem." En toch zullen we zien dat er al elementen van dit Koninkrijk bestaan. Maar het is een geestelijk Koninkrijk. We hebben hier christenen, die levende stenen zijn, die gebruikt worden voor de bouw van "een geestelijk huis".

1 Petrus 2:5b, 9a ..., om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. ... 9 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, ...

"Koninklijk" heeft vandoen met koningschap. Dit is een priesterschap dat uit koningen bestaat — personen die regeren en gezag uitoefenen. Ze zullen in twee functies worden aangesteld die tot één zijn samengesmolten. Er is zowel de civiele functie (vertegenwoordigd door de koning) als de theologische of religieuze functie (vertegenwoordigd door het priesterschap). We zien dus "kerk" en "staat" zo hecht gecombineerd, dat ze niet te scheiden zijn — en dit kan in het geheel niet worden vergeleken met zoals het in het vroegere Israël was.

1 Petrus 2:9b ..., een koninklijk priesterschap, een heilige natie [met de juiste geestelijke eigenschappen], een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.

Zij die zijn gekozen om deel uit te maken van het koninklijke priesterschap zijn degenen die tot een geestelijk huis worden gebouwd. Denk nog eens aan David. Ik besteedde er wat tijd aan dat dat woord [huis], net zo goed vertaald had kunnen worden met familie of dynastie. Wat het woord hier karakteriseert is "geestelijk". WIJ zijn gekozen om deel uit te maken van een geestelijk huis — een geestelijke familie, een geestelijke dynastie — die regeert onder Christus (maar op dit moment nog niet). Hij zei: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld."

Als we al deze informatie die God ons geeft samenvoegen, begint het duidelijk te worden. Zij die het goede nieuws van het Koninkrijk van God horen en erop reageren (en een verbond met God sluiten om er deel van uit te gaan maken), ondergaan momenteel het proces om tot een geestelijk huis, dat tevens een koninklijk priesterschap is, te worden opgebouwd. Dat is eveneens een heilige natie die regeringsverantwoordelijkheid zal gaan dragen op aarde als koningen onder Christus.

De sleutelkarakteristiek in dit alles (binnen het kader van het onderwerp dat we aan het uitdiepen zijn) is het woord geestelijk. We gaan hier nog op een andere, ermee samenhangende, manier naar kijken.

1 Corinthiërs 12:12 Want gelijk het lichaam één is [er is eenheid] en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.

Hier is het voorbeeld. Christus is als een menselijk lichaam dat uit vele delen bestaat. Elk deel functioneert afzonderlijk en toch gezamenlijk. Elk deel van het Lichaam wordt door God in staat gesteld zijn verantwoordelijkheid (of functie) binnen het Lichaam uit te voeren en toch functioneert ieder deel van dit Lichaam voor het welzijn van het Lichaam. Vers 13 is een sleutel tot een goed begrip hiervan.

1 Corinthiërs 12:13 Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.

Paulus had even gemakkelijk kunnen zeggen dat we ondergedompeld zijn. Dat betekent het woord "gedoopt". We zijn ondergedompeld in één huis. Maar die analogie past niet zo goed. Daarom zei ik dat we naar hetzelfde punt gaan kijken, maar vanuit een iets andere hoek.

Een lichaam heeft vele delen, die allemaal voor het welzijn van het lichaam functioneren. Een huis (een letterlijk huis) bestaat ook uit vele delen; alhoewel dit geen levende delen zijn, speelt ieder deel zijn rol voor het welzijn van het huis. We zouden "dynastie" hebben kunnen zeggen. Die term hadden we ook kunnen gebruiken. We hadden ook de term "bestuur" (één bestuur) kunnen gebruiken.

De sleutel tot dit vers, binnen deze gehele serie van verzen in deze preek, is het woord GEEST. Dit is een geestelijke bevestiging in dit Lichaam. Het is een geestelijke onderdompeling in dit Lichaam. Dit wordt gedaan door ÉÉN GEEST — Gods Heilige Geest, die ons in staat stelt om deel van dat Lichaam uit te maken. Deze Geest geeft ons de kracht die nodig is om binnen dat Lichaam te functioneren, onze verantwoordelijkheid uit te voeren.

Romeinen 8:8-9a Zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. 9 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, ...

Ziet u hoe God naar ons kijkt? Omdat wij die Geest hebben ontvangen, zijn we (voor Hem) "in de Geest". We maken deel uit van een geestelijk Lichaam. We maken deel uit van een geestelijk bestuur. We maken deel uit van een geestelijke kerk.

Romeinen 8:9b-11 ..., althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. 10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. 11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.

Nu volgt een punt waarop we ons moeten richten.

Romeinen 8:12 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven.

Dit is de taak van hen die tot het Lichaam behoren. Dit vers laat ons zien waarop ons licht moet zijn gericht. Dat is op de dingen van de Geest!

Romeinen 8:13-14 Want indien gij naar het vlees leeft [naar het natuurlijke denken], zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

De ontvangst van Gods Heilige Geest maakt al deze dingen dus voor ons mogelijk — deel uit te gaan maken, ondergedompeld te worden, in dit éne Lichaam, waarvan Jezus Christus het Hoofd is. Dit maakt ons tot een deel van dit bestuur dat momenteel wordt samengesteld. Dit maakt ons tot een deel van dit Koninkrijk dat momenteel wordt voorbereid. We gaan dus als koning deel uitmaken van een geestelijke Familie, een geestelijk huis, een heilige natie, een koninklijk priesterschap.

We moeten verdergaan om onze relatie met dit Koninkrijk te zien. Deze keer gaan we naar de brief aan de Filippenzen, hoofdstuk 3, vers 17. Paulus is de schrijver.

Filippenzen 3:17 Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet [wees u bewust van, let op] op hen, die evenzo wandelen [hun leven op dezelfde manier leiden als de apostel Paulus], gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.

Beknopt gezegd, zegt hij dus: "Volg mij zoals ik Christus volg." Hij zegt hier: "Ik heb Christus gevolgd en ik ben ervan overtuigd dat ik een goed voorbeeld heb gegeven dat door u kan worden nagevolgd." Hij zegt dus: "Dus wandel zoals ik wandel."

De verzen 18 en 19 hebben het karakter van iets tussen haakjes. (Ze staan er om iets uit te leggen.) De gedachte die Paulus in vers 17 tot uitdrukking bracht, wordt pas in vers 20 vervolgd. Ik lees vers 17 opnieuw en ga dan onmiddellijk door naar vers 20, omdat hij daar de reden geeft, waarom we moeten wandelen zoals hij.

Filippenzen 3:17, 20-21 Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. ... 20 Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen [dit is een woord dat samenhangt met regeren].

De reden die de apostel Paulus ons geeft, om volgens een bepaald voorbeeld te leven (een manier van leven, op bepaalde onderwerpen op een bepaalde manier te reageren) is, omdat wij burgers zijn van: New York? Chicago? Nee, van een rijk in de hemelen! Ziet u, de schrijvers van de Bijbel laten het geestelijke aspect nooit uit het oog verdwijnen, omdat zij ons de manier overbrengen zoals God naar ons kijkt.

De hemel is een geestelijke plaats. Hij is niet op aarde. Hij is niet fysiek. Er is niets wereldlijks aan. Het is het hoofdkwartier van het geestelijke Koninkrijk van God. Een vraag: Strekt een menselijk rechtspersoonlijk lichaam zich uit tot in de hemel? Absoluut niet! Een menselijk rechtspersoonlijk lichaam is een civiele instelling. Zij die tezamen de kerk vormen, zijn zij die de Geest van God hebben en zijn ondergedompeld (gedoopt) in een geestelijk Koninkrijk, en een geestelijke Koning hebben, en een geestelijk hoofdkwartier hebben.

Ik zou hieraan kunnen toevoegen dat zij een geestelijk burgerschap hebben — zodat ongeacht waar we gaan, we nooit mensen zijn zonder een vaderland. Onthoud dat, omdat dat belangrijk zal gaan worden. Het is de reden dat Paulus zei: "Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen." Hij wil niet dat iemand ooit vergeet waar het brandpunt van ons leven ligt en waar onze loyaliteit behoort te liggen.

Hierdoor wordt echter een dichotomie gecreëerd. En wel, dat alhoewel wij burgers zijn van een geestelijk Koninkrijk, we nog steeds hier op aarde zijn; we zijn nog vleselijk. Dit punt creëert interessante dingen in relatie met BESTUUR.

Laten we naar de brief aan de Colossenzen gaan, hoofdstuk 1. We gaan vers 13 lezen, want wat daarin staat, helpt ons ook om te begrijpen op welke manier God naar ons kijkt.

Colossenzen 1:13 Hij heeft ons [U en mij — christenen. Hen die de Geest van God hebben.] verlost uit de macht der duisternis [Van deze wereld. Levend onder het bewind van Satan, de duivel.] en overgebracht [als het ware getransporteerd] in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde.

Het is heel duidelijk dat Gods Koninkrijk niet op aarde aanwezig is, dat het een geestelijk Koninkrijk is. Het is iets dat hier op aarde zal komen, te beginnen bij het blazen van de zevende trompet. Uitgaande van het principe, dat God dingen die niet zijn noemt alsof ze zijn, beschouwt Hij ons reeds als deel uitmakende van dat Koninkrijk.

Indien we deel uitmaken van dat Koninkrijk, dan moeten we ook handelen als deel uitmakend van dat Koninkrijk. We zijn natuurlijk boven alles onderworpen aan de Koning van dat Koninkrijk, alsmede het bestuur en de wetten daarvan. Maar laten we daar nog iets aan toevoegen, vanuit de brief aan de Efeziërs. (Ik zeg u dat de apostel Paulus dit onderwerp niet ontweek.)

Efeziërs 2:4-6 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, (door genade zijt gij behouden), 6 en heeft ons mede opgewekt [Zo duidelijk is die dichotomie. We zijn nog steeds op aarde, maar Hij heeft ons "mede opgewekt".] en ons [christenen] mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.

Alhoewel we daar niet letterlijk aanwezig zijn, worden we daar vertegenwoordigd door Jezus Christus. Onze Vertegenwoordiger is dus daar bij de troon van God — in onze plaats — omdat wij daar nog niet kunnen zijn. Maar God beschouwt ons als deel uitmakend van dat geestelijke koninkrijk. Gaan we het nu heel, heel duidelijk zien? We zijn op zo'n manier levende delen van een geestelijk organisme, dat het erop lijkt dat we in de hemel zijn, omdat we in Christus zijn. We maken deel uit van Zijn Lichaam.

Nogmaals, de andere realiteit is dat we nog steeds in het vlees zijn. Dus zelfs alhoewel deze conditie bestaat, worden we voorbereid om God te verheerlijken in de tijden die komen gaan. Dat kunnen we in vers 7 lezen.

Efeziërs 2:7 ..., om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

De gehele brief aan de Efeziërs gaat over eenheid — eenheid met God en eenheid met mensen. Maar we zullen nooit eenheid met mensen hebben voordat we eenheid hebben met God. Dit onderwerp (van BESTUUR) heeft alles te maken met het bereiken hiervan. Ik bedoel het bereiken van die eenheid.

Ik zeg het niet graag, maar ik ben al een uur en een kwartier aan het praten. Dit punt is evengoed als elk ander punt om te stoppen. Morgen pakken we de draad niet van hier op. Ik zal dan een preek geven over iets anders, dat evenwel rechtstreeks verband houdt met dit onderwerp. Tezelfdertijd heeft het ook met Pinksteren te maken en "op tijd voedsel geven". De preek van morgen kan dus als deel van deze serie worden beschouwd, zelfs al pak ik de draad niet op precies dezelfde plaats op, waar ik er vandaag mee ophoud. Maar ik schakel over naar dat andere onderwerp wegens de Pinksterdag. Het heeft echter met dit onderwerp te maken — alleen een beetje "uit zijn verband".

Dus "tot ziens" allemaal. We komen morgen, in welke tijdzone u ook leeft, weer bij elkaar.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)