Pascha (Deel 5)

Door John W. Ritenbaugh
24 april 1992

Samenvatting: (toon)

In dit vijfde deel van de serie over het Pascha beweert John Ritenbaugh met klem dat de noodzakelijke sleutel tot het vaststellen van bijbelse leerstellingen eruit bestaat de bijbel zijn eigen begrippen te laten defini?ren en zijn eigen bewijs te laten aanvoeren en zich niet te wenden tot wereldlijke geschiedkundigen of protestantse, katholieke of joodse theologen. Sommige voorstanders van een Pascha op de vijftiende gebruiken, net als wanhopige advocaten van criminelen, subtiele afleidingsmanoeuvres en uitvluchten om onderwerpen zoals dag (boqer) en nacht (lailah) die eigenlijk nogal duidelijk zijn, onduidelijk te maken door het stiekem invoeren van modern taalgebruik, waarbij de dag te middernacht begint. Eerlijk bijbels onderzoek leidt tot de conclusie dat er in Exodus 12:12-17 twee aparte gebeurtenissen worden vermeld, die beide moeten worden herdacht: Pascha en Ongezuurde Broden.


Ik wil deze preek beginnen met een kort vooraf — voor het geval dat sommigen onder u zich een beetje somber voelen, doordat we het PASCHA zo grondig doornemen. Maar ik wil deze serie preken op een andere manier gebruiken — omdat dit voor mij een sprekend voorbeeld is van wat er nu in de Kerk van God gebeurt. Ik ga er dus met een grote mate van zorgvuldigheid doorheen, zodat u kunt begrijpen dat we dit doen om u allen te helpen begrijpen dat de waarheid van God aan Gods woord moet worden ontleend.

In de laatste vier of vijf jaar heeft de Kerk van God zich langzamerhand van het woord van God afgekeerd. De Kerk wendt zich tot psychologie, tot wereldlijke historici en tot protestantse, katholieke en joodse theologen (in plaats van tot het woord van God) als basis voor doctrine.

Daarom veranderen deze dingen. Wat ons voorheen is overgeleverd waren dingen die door de heer Armstrong uit Gods woord waren opgegraven. Het wordt heel erg duidelijk dat de Kerk van God zich daar langzaam maar zeker vanaf wendt. Deze doctrine betreffende het PASCHA maakt dat heel duidelijk, omdat we hier sommige dingen leren die als voorbeeld dienen voor waar de waarheid betreffende het PASCHA ligt. En tegen de tijd dat we met deze serie gereed zijn, behoren we geen enkele vraag meer te hebben. (Maar we zijn nog niet zover — er komen minstens nog twee of drie preken. Er is nog heel wat door te nemen.)

We zagen in de vorige preek dat er acht elementen verbonden zijn aan het oorspronkelijke PASCHA. We hebben er vijf van doorgenomen en we waren bezig met het zesde.

Element 1 was dat de lammeren geslacht werden aan het begin van de veertiende. Dit was het element waarmee ba erev en ben ha arbayim samenhingen. En ik geloof dat ik u heel duidelijk (vanuit Leviticus 23) liet zien dat ba erev aan het einde van de dag ligt. Het is zonsondergang. Een vergelijking tussen de verzen 27 en 32 uit Leviticus 23 maakt het heel duidelijk dat de tiende van de maand begint aan het einde van de negende. En het einde van de negende wordt bepaald door ba erev — van "avond" tot "avond". "Avond" is ba erev. Dan eindigt de [vorige] dag — en dan begint de [volgende] dag.

Door dat te vergelijken met Exodus 16:12-13 wordt het heel duidelijk dat ben ha arbayim ("avondschemering", "tussen de twee avonden") NA ba erev ligt — niet ervoor. Het ligt na ba erev.

Ben ha arbayim bestaat uit de periode waarin het licht stapje voor stapje afneemt totdat het geheel duister is. Het begint met een periode van licht (waarin er nog heel wat licht is). Het duurt (in de lente) ongeveer een uur, (tegen dat we bij 21 juni aankomen) zo'n anderhalf uur en dan wordt die periode langzamerhand weer korter als we naar 21 december gaan (dan duurt het iets minder dan een uur).

Dat is de tijdsperiode waarin de Israëlieten het Pascha moesten slachten. Dat gebeurde aan het begin van de veertiende. (Niet aan het einde van de veertiende, maar aan het begin ervan.) Als iemand daarvoor bewijs zoekt, moet hij gewoon in Gods woord kijken! Dit is niet ontleend aan de joodse traditie. Het is niet iets dat we aan de rabbi's ontlenen. Het staat in Gods woord. (Heel duidelijk.)

Element 2 was dat de lammeren geslacht werden bij de huizen van de Israëlieten. Ook dat is duidelijk. Ze moesten bloed strijken aan de deuren van hun huizen — niet aan een tent (op de deuren). Als ze in tenten hadden verbleven, bijeen in Raämses, dan ben ik er zeker van dat God daar iets over had gezegd. Maar ze verbleven in hun huizen.

Het is een belachelijk iets om te denken dat ze het lam bij hun tent slachtten, naar hun huizen terugrenden (misschien wel zo'n vijfentwintig tot dertig kilometer) wat bloed aan de deurposten en de bovendorpel streken en weer terugrenden naar Raämses om dan verder te gaan met het braden van het lam. God verlangt soms iets zwaars van ons, maar Hij is niet gek. (Dat is belachelijk en verwarrend.) De lammeren werden dus bij hun huizen geslacht. Ze waren nog bij hun huis. En tijdens ben ha arbayim slachtten ze het lam en daarna brachten ze het bloed aan op de deurposten en de bovendorpel.

Element 3 was dat hun huizen zich in Gosen bevonden. Ze waren niet in Raämses bijeengekomen. Dat wordt iedere keer weer gezegd in het boek Exodus, dat hun huizen zich in Gosen bevonden.

Element 4 was dat het Pascha de gehele tijd van ongeveer zes uur 's avonds (zonsondergang) tot ongeveer twee of drie uur in de nacht in beslag nam — doden, villen, braden, eten en de ingewanden en wat overbleef verbranden. Pascha bestond niet alleen maar uit het slachten van het lam. Pascha bestond uit AL die stappen. Ze moesten het doden. Ze moesten het bloed op de deurposten en de bovendorpel aanbrengen. Ze moesten het lam villen, het lam reinigen, het lam braden, het lam eten en daarna wat overbleef verbranden.

Ik bekeek hoeveel tijd elk van die dingen in beslag zou nemen en kwam tot de conclusie dat ze het lam juist aan het eten waren op het moment dat de doodsengel doortrok. Het was niet veilig om naar buiten te gaan. Maar daarna, nadat de doodsengel was doorgetrokken, verbrandden ze wat overgebleven was. Dat kostte nog zo'n twee tot drie uur, voordat alle beenderen volledig waren verbrand.

In element 5 bleven zij de nacht van de veertiende in Gosen binnenshuis. Ze vertrokken niet kort na middernacht. Dit element gaat samen met element 6. Maar ik wil dit werkelijk voor ons helder en duidelijk maken dat de vitale sleutel in het vaststellen van bijbelse doctrine erin ligt om de bijbel zijn eigen begrippen te laten definiëren — om het zijn eigen bewijs te laten vaststellen. Dan behoeven we niet te gissen. We behoeven dan niet te zeggen "blijkbaar", "misschien", "er is een aanwijzing". Er zijn voldoende (duidelijke) schriftgedeelten (die God ongeschonden heeft laten bewaren), die de vage schriftgedeelten duidelijk zullen maken.

We moeten begrijpen dat deze mensen (die deze geschriften schrijven over het Pascha aan het einde van de dag en verder op de vijftiende) schriftgedeelten gebruiken. Maar ik wil uw aandacht op het feit vestigen dat ook Satan schriftgedeelten aanhaalt. Mattheüs 4 en Lucas 4 zijn daar een duidelijk bewijs van. Ook Genesis 3 bewijst dat. Satan zei: "Heeft God niet gezegd ...?" Dat is het woord van God. En hij [Satan] gebruikte het — voor zijn eigen doel!

Deze mensen halen schriftgedeelten aan, maar ze gebruiken die NIET op een eerlijke manier. We moeten maar aannemen dat ze misleid zijn in wat ze doen — en het daarbij laten. We zijn niet hier om hun hart (hun bedoelingen, hun motieven) te beoordelen. We kunnen alleen maar zien wat ze voortbrengen; en wat ze in de Kerk van God voortbrengen is verwarring en twijfel. ALS mensen eenmaal verward geraken en gaan twijfelen aan wat juist is, DAN beginnen ze af te glijden naar dingen die niet juist zijn.

Als "zwart" niet "zwart" is en "wit" niet "wit" is (en als het zover komt dat het ons niet langer duidelijk is in welke richting we moeten gaan), dan is het veel gemakkelijker om in een verkeerde richting te gaan. Wegens de menselijke natuur, wegens alles wat we in het verleden hebben geleerd, wegens de ingesleten gewoontes die we hebben — is het veel gemakkelijker om af te glijden naar wat verkeerd is dan vast te blijven houden aan wat juist is, als we er niet helemaal zeker van zijn wat juist is. En zo zien we dus een neveneffect uit deze dingen ontstaan binnen de Kerk van God. De immoraliteit neemt toe en er gebeuren dingen die niet zouden moeten gebeuren.

We waren voor een deel al door element 6 heengegaan. Daarom wil ik dat deel nog eens in het kort doornemen — we kunnen daardoor een vliegende start maken met wat er (in deze preek) volgt.

Genesis 1:3-5 En God zeide: Er zij licht; en er was licht. 4 En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.

Ik wil me hier op vers 5 concentreren, al is het maar erg kort. "En God noemde het licht dag." Dit is het Hebreeuwse woord yom. (U bent er waarschijnlijk mee bekend doordat u in de krant wel eens over Yom Kippur hebt gelezen. Yom betekent dag. De Verzoendag.) "En de duisternis noemde Hij nacht." Dit is lailah. "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest." Avond is daar ba erev en morgen is boqer. Wat we hier zien is, dat de DAG (yom) uit twee delen bestaat: het ene deel is donker en het andere is licht. Het donkere deel wordt lailah genoemd en het lichte deel wordt boqer genoemd.

Ik ga naar dit vers omdat ik wil dat u heel duidelijk inziet dat "duisternis" en "licht" niet hetzelfde zijn. Lailah en boqer zijn NIET hetzelfde! We zien ze hier als tegengestelden, contrasten van elkaar. Yom bestaat uit nacht en dag (lailah en boqer) Dat wordt in het vijfde vers van het boek vastgesteld. Dat is heel duidelijk.

Laten we Exodus 10 opslaan — middenin de activiteiten die voorafgingen aan het Pascha en ongezuurde broden.

Exodus 10:10-13 Hij [Farao] echter zeide tot hen [Mozes en Aäron]: De HERE moge met u zijn, als ik van zins ben u met uw kinderen te laten gaan! Neemt u in acht, want onheil bedreigt u! 11 Niet alzo, gij mannen moogt gaan om de HERE te dienen, want dat was uw verzoek. En men joeg hen van Farao weg. 12 Daarna zeide de HERE tot Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte, om de sprinkhanen, en zij zullen over het land Egypte opkomen en al het kruid des lands afvreten, alles wat de hagel heeft overgelaten. 13 Toen strekte Mozes zijn staf over het land Egypte uit, en de HERE bracht een oostenwind over het land, gedurende [Let nu op.] die gehele dag (yom) en de gehele nacht (lailah), en toen het morgen (boqer) geworden was, voerde de oostenwind de sprinkhanen mee.

Vers 13 laat een gehele dag en een gehele nacht zien met de morgen die daarop volgt. Door dit gebruik wordt duidelijk vastgesteld (juist in de context van Pascha en de dagen der ongezuurde broden) dat er verschil is tussen "nacht" en "morgen" — tussen lailah en boqer. De sprinkhanen arriveerden bij boqer (morgen). Merkte u dat op? Boqer volgt op lailah.

Evenals ben ha arbayim volgt op ba erev, zo volgt boqer op lailah. Als dat gebeurt moeten ze natuurlijk pal op elkaar volgen. Maar het wordt heel duidelijk vastgesteld dat ze NIET hetzelfde zijn. Ze zijn NIET tegelijkertijd "nacht" en "morgen".

Er staat niet dat de sprinkhanen kort na middernacht arriveerden. Dit is het argument van de voorstanders van een Pascha op de vijftiende. Zij zeggen dat boqer pal na middernacht aanbreekt. (We zullen daar straks nog wat meer op ingaan.) Maar het is pal na middernacht nog pikdonker. Het is nog nacht. Het is nog lailah. Lailah en boqer zijn niet hetzelfde — dat wordt vastgesteld door Genesis 1 en Exodus 10 en (zoals we zullen gaan zien) ook door andere schriftgedeelten.

Exodus 12:29-30 En te middernacht sloeg de HERE iedere eerstgeborene in het land Egypte, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de gevangene, die in de kerker was, benevens alle eerstgeborenen van het vee. 30 En Farao stond des nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren; en er was een luid gejammer in Egypte; want er was geen huis, waarin geen dode was.

Dit is een interessant vers. Hier wordt hetzelfde woord "huis" gebruikt als voor de Israëlieten werd gebruikt. ALS we veronderstellen dat de Israëlieten voor het Pascha in tenten verbleven, DAN moeten we ook veronderstellen dat de Egyptenaren in tenten woonden. Heel dom! De Egyptenaren verbleven in huizen en de Israëlieten verbleven in huizen. Ze woonden enkele honderden jaren hier [in Egypte] en ze bouwden in die tijd huizen.

Exodus 12:31 Toen ontbood hij [Farao] des nachts (lailah) Mozes en Aäron en zeide: Maakt u gereed, gaat weg uit het midden van mijn volk, zowel gij als de Israëlieten; gaat, dient de HERE, zoals gij gezegd hebt.

Wat we hieruit kunnen opmaken is dat lailah na middernacht verdergaat. Dat zou duidelijk moeten zijn. De doodsengel trok te middernacht door. En toen Farao ontbood, was dat achter de rug, maar het was nog lailah.

Hoe lang duurde het om van Farao in Gosen te komen? Dat weet ik niet, omdat ik niet weet hoe ver hij vandaar verbleef. Maar we moeten denken dat hij ver genoeg weg verbleef, om het enige tijd te laten kosten — misschien een half uur te paard of per koets. (Of een uur?) Bedenk dat ze over donkere straten moesten gaan. Ze hadden geen straatlantaarns zoals wij en het was in het midden van de nacht. Misschien was er een heldere maan. Misschien waren ze vrij snel ter plaatse, maar na middernacht is het nog steeds lailah. Dat is heel duidelijk.

Exodus 10:28-29 En Farao zeide tot hem [Mozes]: Ga weg van mij; zorg ervoor, dat gij mijn aangezicht niet meer ziet, want ten dage, dat gij mijn aangezicht ziet, zult gij sterven. 29 Hierop zeide Mozes: Gij hebt juist gesproken; ik zal uw aangezicht niet meer zien.

En Mozes zag zijn aangezicht niet meer! De boodschap kwam van Farao naar Mozes in Gosen. Daar verbleef Mozes.

Exodus 11:4-8 En Mozes zeide: Zó zegt de HERE: te middernacht ga Ik door het midden van Egypte. 5 Dan zal iedere eerstgeborene in het land Egypte sterven, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de slavin achter de handmolen, ook alle eerstgeborenen van het vee. 6 En er zal een luid gejammer zijn in het gehele land Egypte, zoals er nooit is geweest en zoals er nooit meer zal zijn. 7 Maar tegen niemand van de Israëlieten zal een hond zijn tong durven roeren, tegen mens noch dier, opdat gij weet, dat de HERE scheiding maakt tussen de Egyptenaren en de Israëlieten. 8 En al uw [Farao's] dienaren hier zullen tot mij [Mozes, in Gosen] komen en zich voor mij nederbuigen en zeggen: Ga heen, gij en al het volk dat u volgt; daarna zal ik heengaan. Toen ging hij in brandende toorn van Farao heen.

Mozes volgde Gods bevel op. Hij verliet het huis niet voor boqer. Farao's dienaren kwamen naar hem toe en ze brachten hun boodschap over. Ik geloof dat ze het zeer zeker met een flinke portie angst deden. Zij wisten niet of de doodsengel nog ergens rondhing en of die hen zou treffen. Zij kenden niet elk detail van de plaag die God over hen bracht. Er waren enkele dappere mannen nodig om die nacht erop uit te trekken. (We zullen daar straks nog wat meer op ingaan.)

Ik weet niet hoe laat het was, maar we weten zeker dat het na middernacht was. En lailah gaat na middernacht gewoon verder. Dat wordt in de Schriften heel duidelijk vastgesteld. Lailah gaat na middernacht verder en het gaat aan boqer (morgen) vooraf.

We gaan nu wat meer naar het woord boqer kijken, omdat het zijn eigen moeilijkheden met zich meebrengt (voor hen die de voorkeur hebben voor een Pascha op de vijftiende). Dit woord moet ook worden verdraaid om het slachten van de lammeren voor het Pascha laat op de veertiende, gevolgd door een Pascha op de vijftiende, te ondersteunen. De uitleg die deze mensen geven, lijkt alleen maar aannemelijk vanwege knap geredeneer — door dingen in je denken op te roepen terwijl zij verder gaan met hun uitleg. ALS iemand echter de Schrift zorgvuldig op waarheid onderzoekt, DAN verpulveren hun argumenten.

En zoals ik al eerder in een preek zei, lijken ze in sterke mate op een advocaat die een verdachte verdedigt. Hij weet dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid schuldig is; vandaar dat hij zijn samenvatting voor de jury zo moet ordenen dat er in het denken van de jury een redelijke twijfel gaat ontstaan. "Misschien is deze kerel werkelijk zo." Of: "Misschien gebeurde het toch niet zo als de aanklager zei." "Misschien vertelt deze getuige niet helemaal de waarheid." "Misschien kunnen we de verklaring van die persoon niet geheel vertrouwen, want per slot van rekening heeft hij ook niet zo netjes gehandeld."

Op die manier waaien ze heel wat "stof" op, of "mist", die niet echt op de waarheid ingaat, maar die de aandacht van de mens afleidt van het kernthema. En het kernthema is het woord van God!

Luister nu naar wat deze mensen die dit in de kerk — destijds in 1976 en 1977 — begonnen, toegeven. Vanuit Kuhn en Grabbe's The Passover in the Bible and the Church Today, pagina 8:

Boqer is echter toch wat moeilijker. In het Engels kunnen we de term "morgen" gebruiken voor ieder moment tussen middernacht en 12 uur 's middags.

Ik wil u hier stap voor stap doorheen leiden — omdat u ziet wat ze reeds hebben gedaan. "In het Engels ..." Ze hebben het denken (de terminologie) van de twintigste eeuw in uw geest geactiveerd. Ze suggereren daarmee dat de terminologie uit de twintigste eeuw op een of andere manier in de bijbelse context zal gaan passen. (Het zal alleen maar "passen" als het waar is!) Maar ze hebben u al aan het denken gezet op de manier die in de Engelse taal gebruikelijk is. Ze zeggen:

In het Engels kunnen we de term "morgen" gebruiken voor ieder moment tussen middernacht en 12 uur 's middags. We hebben geen enkele passage gevonden waarin boqer specifiek in het midden van de nacht begint.

Hier geven ze dus iets toe, maar het wordt voorafgegaan door een afleidingsmanoeuvre. Heel slim! Hierdoor ontstaat twijfel en dat begint ons denken te verwarren. Ze gaan verder met boqer:

Het verwijst vaak naar de lichte periode van de dag vanaf zonsopgang tot ongeveer het midden van de dag, net zoals het Engelse 'morgen' doet.

Dat is een juiste uitspraak en ze geven daar heel wat mee toe — [dat er] geen enkele passage [in de Schrift is te vinden] die laat zien dat boqer meer betekent dan alleen maar zonsopgang, of het licht van het aanbreken van de dag. Dat is ongelofelijk! Ze beginnen u te zeggen dat er geen enkele tekst kan worden gevonden die hun bewering ondersteunt of bewijst en daarna gaan ze gewoon verder en proberen het toch te bewijzen. Verder:

Het zij hier opgemerkt dat Exodus 11 en 12 benadrukken dat de doodsengel om ongeveer middernacht doortrok. De Israëlieten wisten al dat de doodsengel rond die tijd zou komen. Als de engel eenmaal voorbij was, was het gevaar ook voorbij.

Is dat waar? Hoe wisten de Israëlieten dat? Hadden de oudsten hun niet verteld tot de morgen in huis te blijven? Zou u niet aannemen — als u wist dat er iets ontzagwekkends zou gaan gebeuren — dat het niet veilig was om naar buiten te gaan totdat het signaal werd gegeven? Verder met de aanhaling van Kuhn en Grabbe.

Aangezien Israël was gezegd als in haast te eten en alles dat overbleef tot het kennelijk ["Kennelijk", dat is een interessant woord.] 'morgen' (boqer) was te verbranden, is dit dan binnen de context geen goede aanwijzing dat boqer vlak na middernacht begon, net zoals in het moderne taalgebruik?

Dat is knap. Heel knap! Ik wil dat u ziet hoe ze heen en weer blijven zigzaggen. De volgende zin luidt:

Er is hiervoor GEEN ABSOLUUT BEWIJS. [Ze laten uw hoofd tollen. Daarna gaan ze verder ...] Maar het is opvallend dat bepaalde joodse groeperingen (inclusief de Samaritanen) later eisten dat alles tegen middernacht moest zijn gegeten. Wat dan nog niet was opgegeten werd verbrand. Is dit wat God bedoelde toen Hij hun gebood alles dat tot boqer overbleef te verbranden en hun huizen niet voor boqer te verlaten? Hier wordt door de context zeker op geduid. We hebben in ieder geval bewijs [Hier komt de uitspraak. Ze hebben het nu "bewezen".] dat boqer een aanzienlijke tijdsperiode voor zonsopgang kon bestrijken.

Inderdaad, maar hebt u opgemerkt dat het "bewijs" NIET uit de bijbel kwam? Het bewijs kwam voort uit een toepassing van twintigste eeuws taalgebruik op een situatie van 3500 jaar geleden. Dat kunnen we niet doen om bijbelse waarheid te ontdekken. Zo'n redenering komt ergens op uit, maar bijbelse doctrine moet gebaseerd worden op bijbels bewijs!

Luister nu hier naar. Dit is mooi. Verder met de aanhaling van Drs. Kuhn en Grabbe.

Er is dus geen tegenstelling of moeilijkheid met de uitspraken dat Israël vertrok toen het 'morgen' was en toch "s nachts' uittrok.

Helemaal geen moeilijkheid — ALS er definities vanuit de twintigste eeuw worden gebruikt. Dat is een ware uitspraak ALS er modern Engels wordt gebruikt. Verder ...

Een tweede mogelijk uitleg is als volgt: Er kan gezegd worden dat de Israëlieten 's nachts uittrokken, omdat toen Farao's bevel kwam. Dit is de uitleg die gegeven wordt door zulke eminente joodse commentatoren als Rashi en Ibn Ezra. Ook volgens hun uitleg behoefden de Israëlieten niet te wachten tot zonsopgang om op weg te gaan; daar God hun gebood slechts tot de 'morgen' [boqer] in hun huizen te blijven, niet tot 'zonsopgang'. Maar zelfs al wachtten ze tot kort voor zonsopgang om hun huizen te verlaten, dan kon nog gezegd worden dat ze bij nacht weggingen, gewoon omdat het nacht was toen Farao werd gedwongen hun vertrek te bevelen.

We zullen straks zien dat dit door de Schriften wordt teniet gedaan! Er is geen enkele manier waarop de Israëlieten konden weten wanneer Farao's bevel zou komen. Bedenk dat ze over een heel gebied verspreid leefden, dat naar mijn schatting, die ik u vorige week gaf, zo'n 1500 vierkante kilometer groot was. Gosen was geen klein gebied. Het was het beste deel van Egypte — zo wordt het zowel door de bijbel als door Farao beschreven.

Ze hadden geen telefoon, geen televisie, en geen radiocommunicatie. Voor zover wij vanuit de Schriften weten, hadden ze zelfs geen trommels om signalen uit te wisselen. Misschien hadden ze trompetten kunnen gebruiken, zoals we hen in de woestijn zien doen (om het volk bijeen te roepen). Maar in het verslag in Exodus wordt daar totaal niets over gezegd. Waarom staat het er niet? Omdat God hun reeds had gezegd: "Blijf tot boqer in huis." Het was niet nodig. Het was reeds met hen gecommuniceerd.

In hun [dat van Kuhn en Grabbe] geschrift zult u de volgende woorden tegenkomen: "kennelijk", "een goede aanwijzing", "geen absoluut bewijs", "zeer zeker aangeduid", "zou kunnen bevatten", "tweede mogelijke uitleg", "eminente joodse commentatoren" en "we zouden kunnen zeggen". Dit is de terminologie van een advocaat die op een uitspraak uit is op basis van redelijke twijfel. En dat is, wat er is gebeurd.

Creëer "redelijke twijfel" en de mensen zullen verward geraken en gaan twijfelen ten aanzien van wat ze geloven en de waarheid van wat hun is onderwezen. En dat is er gebeurd. De enige reden dat dit niet eerder gebeurde is, omdat de heer Armstrong het de mond snoerde. Deze mensen kwamen niet met duidelijk schriftuurlijk bewijs aan. Ze brachten hen die niet op hun hoede waren in verwarring en ze eindigden met het uitbrengen van een wazig oordeel — [namelijk] dat in de bijbel 'morgen' en 'nacht' op de een of andere manier hetzelfde kunnen betekenen.

Ze gebruiken een tekst uit het boek Ruth. We gaan die opslaan. We moeten die opslaan omdat het één van hun "bewijsteksten" is met betrekking tot hun gebruik van boqer.

Ruth 3:14 Dus bleef zij aan zijn voeteneind liggen tot de morgen; toen stond zij op, voordat de een de ander herkennen kon, want hij zeide: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.

Het woord 'morgen' is hier boqer. De NBG vertaalt het deel van de zin dat op het woord boqer volgt met "toen stond zij op, voordat de een de ander herkennen kon". In de tijd dat zij hun verhandeling schreven, kwam de heer Grabbe met zijn eigen vertaling van dat vers en hij vertaalde dat woord 'herkennen' als 'onderscheiden'. (Dus ze konden elkaar niet "onderscheiden".) Dit is een duidelijk voorbeeld van een tekst uit zijn verband lichten om het erop te doen lijken dat het zegt wat het NIET zegt.

We gaan hier niet veel tijd aan besteden. maar we gaan er naar kijken binnen de context van dat vers, zodat we kunnen zien wat het betekent. Het woord 'onderscheiden' is het sleutelwoord hier. Laat me direct aan het begin het volgende zeggen: "Hoe konden deze twee mensen die elkaar kenden, die met elkaar gegeten hadden, die met elkaar gesproken hadden, en we zien hier dat ze met elkaar gelegen hadden — hoe konden zij niet weten wie de ander was?" Dat is een puzzel!

U kent het verhaal. Ruth was de Moabitische die met haar schoonmoeder als weduwe in Israël kwam. Haar schoonmoeder had het idee dat Boaz haar zou lossen. Haar schoonmoeder speelde dus heel slim als koppelaarster en slaagde erin dat Ruth met Boaz kennismaakte — die blijkbaar een vrijgezel in redelijk goede doen was (of misschien zelfs rijk). Het leek erop dat hij de naaste bloedverwant was, maar het bleek later dat hij dat niet was. Er was iemand die nauwer verwant was dan hij.

In ieder geval ze maakten kennis met elkaar en Boaz was diep onder de indruk. Hij besloot dat hij deze vrouw wilde hebben. Maar Noömi vertoeft op de achtergrond en zij spoort de jonge vrouw aan. Wat zij zei kwam in feite neer op: "Je moet je bedoelingen aan deze man kenbaar maken, zodat hij weet hoe verder te gaan." Daarom stuurde Noömi Ruth erop uit om naar de plaats te gaan waar Boaz zich had neergelegd. Dit speelde zich af tijdens de gersteoogst.

Ruth 3:1-3 Noömi nu, haar schoonmoeder, zeide tot haar: Mijn dochter, zou ik voor u geen rust zoeken, opdat het u welga? 2 Welnu, is Boaz niet onze bloedverwant, bij wiens arbeidsters gij geweest zijt? Zie, hij gaat vannacht op de dorsvloer gerst wannen; 3 baad u dan en zalf u en doe uw opperkleed aan en daal af naar de dorsvloer. Maar laat de man niets van u merken, voordat hij gereed is met eten en drinken.

Ruth deed zoals haar gezegd was. Boaz legde zich neer en toen hij sliep, sloop Ruth naar de dorsvloer en legde zich aan zijn voeten neer. Te middernacht (lailah) werd Boaz wakker en voor de eerste keer werd hij er zich van bewust dat deze jonge vrouw aan zijn voeten lag. Toen gebeurde wat er in die aangehaalde tekst staat.

Ruth 3:10-11 Toen zeide hij: Gezegend moogt gij zijn door de HERE, mijn dochter, gij hebt met uw laatste liefdedaad de eerste nog overtroffen, doordat gij geen jonge mannen nagelopen zijt, hetzij arm of rijk. 11 Nu dan, mijn dochter, wees niet bevreesd; alles wat gij zegt, zal ik voor u doen; want ieder in de poort van mijn volk weet, dat gij een deugdzame vrouw zijt.

Heeft hij het tegen iemand die hij niet kent? Hij wist heel goed wie zij was! Hoe laat in de nacht zou dit kunnen zijn geweest? Het was vrij donker toen dit gebeurde, maar hij wist wie zij was.

Ruth 3:13-14 Blijf vannacht hier; en morgenochtend, indien hij u lossen wil, goed, laat hem lossen; maar is hij niet genegen u te lossen, dan zal ik u lossen, zo waar de HERE leeft. Blijf liggen tot de morgen (boqer). 14 Dus bleef zij aan zijn voeteneind liggen tot de morgen (boqer); toen stond zij op, voordat de een de ander herkennen kon, want hij zeide: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.

We zullen niet op de rest ingaan, maar voordat hij haar weg liet gaan, deed hij het volgende: hij gaf haar een aanzienlijke hoeveelheid voedsel. Hij vulde haar omslagdoek, die zij toen op een of andere wijze droeg en ze ging naar huis.

Hoe vroeg is boqer? Op basis van het Hebreeuwse gebruik in dit verslag is het duidelijk dat boqer begint voor zonsopgang, terwijl het nog vrij donker is — zodat het erg moeilijk is elkaar te herkennen, tenzij men elkaar erg dicht genaderd was.

Ruth nam het gerst [in de omslagdoek] en wierp die over haar schouder. Ze verliet de dorsvloer. Het was voor haar licht genoeg om naar huis te gaan, maar nog donker genoeg dat als iemand uit de deur van zijn huis zou kijken, hij niet in staat zou zijn te herkennen wie het was. Hier hebben we dus een vrij precieze definitie van het gebruik van boqer. Allereerst wordt hiermee vastgesteld dat het een vrij behoorlijke tijd na middernacht is. Het begint echter voor zonsopgang. (Zonsopgang is wanneer de zon boven de horizon verschijnt.)

Boqer lijkt op veel manieren op ben ha arbayim — alleen is het aan het andere einde van de nachtelijke periode. Boqer begint bij het eerste ochtendkrieken, als er aan de oostelijke hemel licht begint te verschijnen. We zullen niet naar Exodus 16 gaan. Maar (alweer het Hebreeuwse gebruik ten tijde dat dat plaatsvond) dat hoofdstuk maakt het heel duidelijk dat boqer voortduurde tijdens de morgen totdat het warm genoeg was om het als heet te ervaren. Dat moest minstens halverwege de morgen zijn geweest en misschien wel laat op de morgen (in hun taalgebruik). Dat wordt daar heel duidlijk gemaakt.

Laten we zeggen DAT zonsopgang om 6 uur plaatsvindt, DAN begint boqer waarschijnlijk al om vijf uur (en misschien nog wel iets vroeger) — maar beslist niet om 'middernacht'. Met boqer is er dus voldoende licht om op korte afstand de ene persoon van de andere te kunnen onderscheiden — maar niet genoeg om iemand te herkennen die zo'n tien tot vijftien meter weg op straat voorbij gaat. De vorm, de gestalte is dan zichtbaar. Maar de persoon zou nog niet herkend kunnen worden.

Het antwoord op element 6 is: Lailah duidt op de duisternis van de nacht. Boqer duidt niet op enig deel van de nacht en beslist niet op een tijdstip kort na middernacht. Het betekent het ochtendkrieken, het eerste licht (als de nacht ten einde loopt). Samenvattend kunnen we dus zeggen dat de Hebreeën "morgen" NIET op dezelfde manier gebruikten zoals wij. En om er een Engels gebruik aan toe te kennen is NIET eerlijk omgaan met de Schriften.

Element nummer 7: Wanneer beroofden de Israëlieten de Egyptenaren? (Voor of na het Pascha?)

Alweer, de voorstanders van [een Pascha op] de vijftiende beweren dat al het beroven gebeurde voordat het Pascha plaatsvond. Sommigen beweren zelfs dat het al weken vooraf aan het Pascha plaatsvond. Maar dat is niet geheel juist. Op basis van de Schriften heb ik het idee dat er al enige beroving voorafgaande aan het Pascha plaatsvond.

Laten we Exodus 3 opslaan. Dit is het hoofdstuk waar God Zich aan Mozes openbaart in het brandende braambos. En Hij zegt Mozes dat Hij hem de opdracht geeft naar Egypte te gaan als het instrument waardoor Gods volk, Israël, uit hun slavernij bevrijd zal worden. Hij zegt Mozes dat hij het volk zal leiden naar een land dat overvloeit van melk en honing.

Exodus 3:20-22 Maar Ik [God] zal mijn hand uitstrekken en de Egyptenaren slaan met alle wondertekenen, die Ik in hun midden zal doen; daarna zal hij u laten gaan. 21 En Ik zal bewerken, dat de Egyptenaren dit volk gunstig gezind zijn, zodat gij, wanneer gij wegtrekt, niet ledig wegtrekt: 22 iedere vrouw moet dan van haar buurvrouw en van haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen en klederen, die gij uw zoons en dochters te dragen geeft; zo zult gij de Egyptenaren beroven.

Op welke manier ["de Egyptenaren beroven"]? Ik bedoel hoe konden ze dat doen? Vreesden de Egyptenaren de God van Israël in die tijd? Vreesden zij ten tijde van de eerste plaag? De tweede plaag? De derde plaag? De vierde plaag? Wanneer werden ze echt bang dat er nooit een einde aan deze plagen zou komen? Misschien zouden ze allemaal wel dood zijn tegen de tijd dat deze man, Mozes, gereed was met het in naam van God handelen. Het kostte heel wat tijd voordat deze vrees tot het Egyptische volk doordrong.

Bedenk dat er tijden waren dat Farao enigszins bevreesd was, maar hij veranderde altijd van gedachten. De vrees duurde niet lang. "Ja, jullie mogen gaan." "Nee, jullie mogen niet gaan." Hij zei dat minstens drie keer voordat hij ze uiteindelijk echt liet gaan. En hierin vertegenwoordigt hij werkelijk zijn volk. Gelooft u niet dat de Egyptenaren zich in principe net zo voelden als hun leider? Ik denk van wel. Ze waren er waarschijnlijk niet echt duidelijk over. De Egyptenaren konden pas laat in deze hele gang van zaken worden beroofd.

Exodus 11:1-2 De HERE nu had tot Mozes gezegd: Nog één plaag zal Ik over Farao en over Egypte brengen, daarna zal hij u in uw geheel vanhier laten gaan; wanneer hij u laat gaan, zal hij u met geweld vanhier wegdrijven. 2 Spreek toch ten aanhoren van het volk, dat ieder van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw zilveren en gouden voorwerpen vrage.

Hier komt een bevel om het te doen! Wanneer vond dit plaats? Kijk in vers 21 van het vorige hoofdstuk. Het was na de negende plaag; pas dan komt er uiteindelijk een bevel van God om de Egyptenaren enigszins te plunderen. Wanneer vond de negende plaag plaats? Ik weet niet hoe dicht deze aan de tiende voorafging. Maar ik geloof dat Exodus 11 en 12 ons laten zien wanneer de opdracht werd gegeven (omdat hoofdstuk 11 rechtstreeks overgaat in hoofdstuk 12).

Exodus 12:1-2 En de HERE zeide tot Mozes en tot Aäron in het land Egypte: 2 Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn.

We zijn [hier] al in Abib. Vond dit plaats op de eerste dag van Abib? De tweede? De derde? De vierde? De vijfde? We weten zeker dat het voor de tiende plaatsvond, omdat ze toen een lam moesten uitzoeken. We hebben deze periode teruggebracht tot negen dagen (dag 1 tot dag 9) — ergens in die periode. Denkt u niet dat we aan de Schrift kunnen ontlenen dat God fair handelde? Zou God tot op die tijd niet zoveel waarschuwingen hebben gegeven als Hij maar kon — en deze opdrachten op de eerste dag van Abib hebben gegeven. Lijkt het er niet op dat Hij dit zei pal aan het begin van de maand? Alles wijst daarop. "Deze maand zal u het begin der maanden zijn." Ik geloof dat we het minstens tot acht dagen kunnen terugbrengen — omdat ze minstens één dag nodig hadden om in enige mate te beroven. We hebben het dus vrij goed teruggebracht.

Nu moeten we het echter nog verder terugbrengen. Kreeg Mozes deze opdrachten van God en blies hij onmiddellijk de zilveren trompetten en verzamelde iedereen zich? Dat is niet de manier waarop het ging, omdat we lezen ...

Exodus 12:21 Toen ontbood Mozes al de oudsten van Israël en zeide tot hen: Trekt heen, haalt kleinvee voor uw geslachten en slacht het Pascha.

God sprak tot Mozes. Mozes ontbood de oudsten. Deze oudsten gingen daarna terug naar hun stammen en spraken tot de mensen. We moeten daar dus enige tijd voor geven: De boodschap moest naar de oudsten worden gebracht, waarna de oudsten zich bij Mozes moesten vervoegen. Daarna moest Mozes de oudsten inlichten. De oudsten moesten daarna terug naar hun stammen en de instructies overbrengen aan alle families binnen de stam. Zo zat hun communicatiesysteem in elkaar. (En ze gebruikten het veelvuldig, door het gehele boek Exodus heen.)

Op zijn best, ALS dit bevel op de eerste dag van de eerste maand werd gegeven ... Als we dan de oudsten een dag de tijd geven om bij Mozes te arriveren, de instructies aan te horen en weer terug te gaan (omdat we met een redelijke afstand hebben te maken, die zij binnen Gosen moesten afleggen) om de boodschap aan het volk over te brengen ... Kunnen we DAN niet zeggen dat de Israëlieten op zijn vroegst laat op de tweede dag van de maand geweten moeten hebben dat ze de Egyptenaren konden beroven? Om aan de veilige kant te blijven: Ze wisten dat het meest waarschijnlijk met het licht worden op de derde dag van de maand. Ze zouden dan dus zeven dagen hebben om de Egyptenaren te beroven, voordat ze het lam moesten uitkiezen — waarna er nog enkele dagen kwamen voordat het feitelijke Pascha aanbrak.

We gaan zien dat het beroven van de Egyptenaren ruwweg in een periode van dertien dagen moet hebben plaatsgevonden — beginnende met de eerste dag van de eerste maand en eindigend met het moment waarop ze voorbereidingen moesten gaan maken tegen ba erev op de dertiende dag.

In Exodus 12:33 heeft het Pascha plaatsgevonden en Farao heeft zijn boodschap gestuurd.

Exodus 12:33 De Egyptenaren drongen eveneens sterk bij het volk aan, om het snel uit het land te laten gaan, want, zeiden zij, wij sterven allen.

Let erop dat ze dit niet zeiden (Zo dringend was het niet. Zo bezorgd waren ze niet.) om de Israëlieten dingen te geven — een betaling voor al de jaren loon waarop ze recht hadden — tot na de dood van de eerstgeborenen. Pas nu wierpen ze hun allerlei dingen toe! "Hier, neem dit. Pak aan. Weg wezen. Ga alstublieft weg. Vertrek!"

We kunnen veilig zeggen dat het beroven van de Egyptenaren na de negende plaag begon — die van de duisternis. Het werd onderbroken voor het Pascha en ging verder na de dood van de eerstgeborenen op de veertiende dag van de eerste maand. Dat wordt ons door de Schriften duidelijk gemaakt. Het gebeurde dus in twee fasen — een beetje ervoor [het Pascha] en het merendeel erna. God moest ze zover krijgen en toen waren ze bereid.

Element nummer 8: Wanneer begon de Exodus?

Begon hij op de veertiende? De vijftiende? Na middernacht? In de morgen? Toen ze hun huizen verlieten? Of 's nachts toen ze uit Raämses vertrokken? De voorstanders van een Pascha op de vijftiende worden hier alweer met een probleem geconfronteerd — als gevolg van het in een periode van negen tot elf uur persen van de gebeurtenissen van het Pascha. Bedenk dat we het hier over een volledige dag van vierentwintig uur hebben. Om achter een Pascha op de vijftiende te kunnen staan, moeten de gebeurtenissen (die God bedoeld had om vierentwintig uur te duren) in negen tot elf uur worden samengepakt. Daarom hebben ze dit absurde idee over lailah en boqer. Daarom moeten ze de Israëlieten al bijeenverzameld hebben in Raämses — om al deze activiteiten in een kortere periode te kunnen persen.

Als gevolg van hun uitgangspunt, hun uitleg, moeten ze (om hen die in een Pascha vroeg op de veertiende geloven, belachelijk te maken) met het idee aankomen van wat zij "een dag uitstel" of "een extra dag" noemen. En zij redeneren ongeveer als volgt: "Zei God hun niet in haast te zijn? Zei God hun niet geheel reisvaardig te zijn? Waarom zou Hij hun dat zeggen als ze niet onmiddellijk nadat de doodsengel was doorgegaan, vertrokken? Waarom zouden ze niet reeds in Raämses zijn, gereed om weg te gaan zodra het signaal werd gegeven?"

Zij zeggen dus tegen de mensen van een Pascha op de veertiende: "Als ze om drie of vier uur in de morgen gereed waren en boqer vond pas plaats bij het ochtendkrieken toen het daglicht begon door te breken, dan hadden ze een hele extra dag die ze nog moesten vullen. (Dat is dan de gehele periode van daglicht op de veertiende.) Wat deden ze in die tijd?Legden ze een kaartje?" Ze hebben dus een houding die de ander probeert belachelijk te maken.

Maar "die extra dag" is een verzinsel van hun verbeelding. Met een Pascha dat vroeg op de veertiende plaatsvindt, is er in het geheel geen extra tijd; en we zullen dat zien. Wat zij hierdoor bereiken is dat ze wat God als achtdaagse periode bedoelde (één dag Pascha en zeven dagen ongezuurde broden), beperken tot zeven dagen en nog wat extra uren; en ze hernoemen die gehele periode tot "Pascha". Het enige probleem hiermee is, dat het niet klopt met wat God in de Schrift zegt — omdat het Pascha één dag is (een hele dag) en ongezuurde broden is zeven dagen (zeven hele dagen).

William Dankenbring zegt op pagina 8 van zijn artikel When Should the Passover be Observed?:

Het Pascha zelf [laat in de middag van de veertiende] introduceert dan het zeven dagen durende Paschafeest ...

Is dat niet interessant? Waar in de Schrift noemt God de zeven dagen "Pascha"? Dankenbring zegt:

Het Pascha zelf [laat op de veertiende] introduceert dan het zeven dagen durende Paschafeest of feest der ongezuurde broden.

De Schrift zegt dat het een feest van acht dagen is — één voor het Pascha en zeven voor ongezuurde broden. Wat is daar zo moeilijk aan? Waar we hier mee te maken hebben is in principe precies hetzelfde als waar we met de najaarsfeesten mee te maken hebben — het loofhuttenfeest en de laatste grote dag. Dat zijn twee verschillende feesten. Het ene duurt zeven dagen en het andere één dag. Daarover raken we niet in verwarring! Waarom zouden we dan in verwarring raken over een feest van acht dagen in het voorjaar — dat begint met een enkele dag en eindigt met zeven dagen?

Het is zo eenvoudig — voor iedereen die de Schriften wil accepteren. Het feest van ongezuurde broden en het Pascha verschillen net zoveel als Kerst en Pasen. Het zijn verschillende feesten. Toevallig volgen ze pal op elkaar. Maar ze hebben twee totaal verschillende betekenissen en het zijn twee aparte middelen tot onderwijs.

Laten we weer teruggaan naar Kuhn en Grabbe (pagina 15). Luister naar deze aanhaling:

Farao ontbood Mozes en Aäron te middernacht.

Dat is niet waar! De Schrift zegt niet dat het middernacht was. Er staat alleen maar dat het nacht was. Als we deze dingen niet zorgvuldig lezen, dan zouden we hier zomaar overheen kunnen lezen. Het is om vier uur in de morgen nog steeds "nacht". Hoe weten we dat Farao Mozes niet om vier uur in de morgen ontbood — nadat hij enkele uren de tijd had gehad om de schok te verwerken van wat de natie overkwam, en zijn adviseurs bijeen te roepen en te beslissen wat ze zouden gaan doen? Verder met de aanhaling.

De Egyptenaren wilden de Israëlieten net zo graag weg hebben als de Israëlieten weg wilden. Een dag uitstel zou ongewoon zijn geweest en het boek Exodus geeft daar geen enkele aanwijzing voor. [Dat is waar. Er was geen uitstel.] Ze gingen blijkbaar op weg in de periode tussen middernacht en de morgenschemering, die zowel 'morgen' als 'nacht' zou kunnen worden genoemd. Zodoende bleven ze tot de 'morgen' in huis, terwijl ze toch in de 'nacht' vertrokken.

Zij beschuldigen God van verwarring. God handelt niet op die manier. Iedereen die eerlijk met Gods woord omgaat, raakt NIET in verwarring. 'Morgen' en 'nacht' zijn niet hetzelfde! Verder met de aanhaling.

We zouden ons kunnen afvragen waarom ze de gehele daglichtperiode van de veertiende zouden wachten om dan uiteindelijk iets na zonsondergang op de vijftiende te vertrekken. Ze waren er al klaar voor. Ze hadden de Egyptenaren al beroofd voor het Pascha. [Niet waar!] Ze hadden een nacht zonder slaap doorgebracht. De Egyptenaren wilden hen snel weghebben. Waarom zouden ze hun vertrek uitstellen, zelfs aannemende dat ze moesten wachten tot zonsopgang voordat ze hun huizen mochten verlaten? Ze konden al een heel eind op weg zijn voor de nacht begon.

Laten we nu eens iets doornemen.

Exodus 12:12-14 Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de HERE. 13 En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla. 14 En deze dag zal u een gedenkdag zijn [Welke dag? De dag dat God voorbijging! De veertiende.], gij zult hem vieren als een feest voor de HERE; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren.

In elk schriftgedeelte in het Oude Testament — dat verwijst naar het Pascha zelf — is de Paschadag een feest ter herdenking. Het herdenkt Gods voorbijgaan — niet de uittocht van Israël uit Egypte! Het zijn twee aparte gebeurtenissen.

Exodus 12:15-17a Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag [de eerste van de zeven] zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid. 16 Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben; generlei arbeid zal daarop verricht worden; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. 17 Onderhoudt dan (het feest der) ongezuurde broden, [Kijk nu eens naar deze instructie.] want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte.

Niet Pascha! Het vertrek uit Egypte wordt op de vijftiende dag gevierd.

Exodus 12:17b-18a Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting. [We willen zeker weten wanneer het begint.] 18 In de eerste (maand), op de veertiende dag der maand, des avonds (ba erev),

Denk aan Leviticus 23, de verzen 27 en 32. Ba erev eindigt en begint een dag. Daarom begint de vijftiende bij ba erev aan het einde van de veertiende. Gemeente, we hebben het over twee verschillende feesten. Voorbijgaan op de veertiende en [uit Egypte] vertrekken op de vijftiende. Dat is zo duidelijk!

Laten we naar nog enkele verschillen kijken die we niet in detail zullen behandelen. Met Pascha is er geen gebod om niet te werken. De reden daarvoor is, dat er heel wat werk met het Pascha samenhangt — een lam slachten, een lam braden, een lam verbranden, en zulk soort dingen. Het Pascha is de voorbereidingsdag voor ongezuurde broden. Er moet heel wat worden voorbereid voordat iemand werkelijk de zonde achter zich laat. Dat is het onderwijs van God. Er moet heel wat grondwerk worden verzet voordat iemand werkelijk de zonde achter zich kan laten. Het Pascha is dus de voorbereiding voor de heilige dag [van ongezuurde broden].

Het Pascha gedenkt de voorbereidingen die nodig zijn om ernst te maken uit de zonde te komen. Ongezuurde broden gedenkt het feitelijk uitkomen! Wat voor voorbereidingen moeten er dan geestelijk worden gedaan? We moeten kennis krijgen van het plan en het doel van God. We moeten kennis krijgen van onze Zaligmaker, Jezus Christus — en een begrip van (kennis van en geloof in) Zijn bloed. En we moeten gaan veranderen. We moeten tot bekering komen. Dit is allemaal voorbereiding voor het feitelijk uit de zonde komen. Pas dan beginnen we eruit te komen en dat is wat ongezuurde broden gedenkt. Dat is het feitelijke uitkomen — het ons rechtstreeks van zonde verwijderen.

Nogmaals, let op het taalgebruik in Exodus 12:17. Sprekende over het feest van ongezuurde broden, staat daar:

Exodus 12:17 Want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte.

Laten we ook nog eens naar vers 41 kijken:

Exodus 12:41 En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte.

Hij heeft het over de vijftiende!

Exodus 12:51 En op deze zelfde dag leidde de HERE de Israëlieten uit het land Egypte, volgens hun legerscharen.

We zien in al deze verzen hetzelfde taalgebruik. Ze gingen uit op de vijftiende. En vers 22 van dit hoofdstuk bewijst dat geen van deze verzen (17, 41 of 51) naar het Pascha kon verwijzen omdat (volgens vers 22) ze tot de morgen in hun huizen moesten blijven. Ze waren nog in hun huis toen het daglicht van de veertiende aanbrak; ze moesten toen ook nog naar Raämses gaan.

Laten we nog een paar andere verzen raadplegen. We moeten deze raadplegen omdat de voorstanders van de vijftiende beweren dat de Exodus — het uittrekken uit Egypte — begon op het moment dat de Israëlieten de deur van hun huis uitgingen. Maar is dat waar? We zullen zien. Vers 37 zegt:

Exodus 12:37a Daarna trokken de Israëlieten op vanuit hun huizen naar Sukkot, ... [Leest u mee in uw bijbel? Dat staat er NIET! Er staat: Daarna trokken de Israëlieten op van Raämses naar Sukkot, ...]

Het beginpunt was Raämsesniet hun huizen. Wilt u daar bewijs van? Laten we dan in Numeri 33 kijken.

Numeri 33:1-3a Dit zijn de pleisterplaatsen der Israëlieten, die uit het land Egypte uitgetrokken waren naar hun legerscharen onder leiding van Mozes en Aäron; 2 Mozes namelijk beschreef hun tochten van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel des HEREN; en dit zijn hun pleisterplaatsen [letterlijk: vertrekpunten] op hun tochten. 3 Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha ...

Gemeente, ik wil niet graag sarcastisch, of cynisch, of wat dan ook, overkomen, maar Gosen wordt niet eens als vertrekpunt genoemd. Niet hun huizen, maar Raämses — naar het bevel van God!

Ze moesten dus tot boqer in hun huizen blijven. Toen ze hun huizen verlieten, was de daglichtperiode van de veertiende aan het aanbreken. De vijftiende zou niet eerder beginnen dan bij [zonsondergang] ba erev. De enige periode waarin ze zich dus in Raämses konden verzamelen was tijdens het dagdeel van de veertiende. Gemeente, wat deden ze dus op de veertiende? Tijdens deze [zogenaamde] "dag van uitstel" gingen ze verder met de voorbereidingen om te vertrekken. En wat waren die voorbereidingen specifiek? Ze liepen van hun huizen naar Raämses! En onderweg beroofden ze de Egyptenaren. Er was GEEN UITSTEL!

Voordat we er vandaag mee ophouden gaan we nog even kijken naar de logistieke kant van de Exodus.

Exodus 12:41-42 En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte. 42 Een nacht van waken was dit voor de HERE, om hen uit het land Egypte te leiden. Dit is de nacht van waken ter ere van de HERE voor alle Israëlieten in hun geslachten.

Exodus 13:18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust [Statenvertaling: bij vijven (met andere woorden in een ordelijke opstelling; een militaire term luidt: in rotten van vijf] trokken de Israëlieten op uit het land Egypte.

Ze trokken uit, maar ze deden dat niet op een ongeorganiseerde manier. Iedereen liep niet zomaar in het wilde weg, onder de voet lopend wat in hun weg kwam. Ze waren ordelijk in een colonne opgesteld. Op basis van dit soort teksten geloof ik niet dat Mozes iedereen in één grote massa ergens op een open terrein bij Raämses verzamelde — zoals een geweldige groot publiek dat een rockconcert bijwoont. Het zou op die manier niet hebben gewerkt. De aanwijzing uit dit soort teksten is dat hij hen liet opstellen als in een parade — naar hun stammen, naar hun families. Het was geen krioelende mensenmassa, die allemaal hun eigen gang gingen. Hij liet hen veeleer ordelijk opstellen — zoals bij een parade.

Met hoeveel mensen hebben we hier van doen? Volgens Exodus 12:37 waren er 600.000 strijdbare mannen (van boven de twintig). Als er 600.000 mannen waren dan moeten er minstens 600.000 vrouwen (van boven de twintig) zijn geweest. Volgens het United States Census Bureau bestaat de bevolking van de Verenigde Staten op dit moment uit 52% vrouwen en 48% mannen. ALS dat hetzelfde was in Israël, DAN zitten we aan de lage kant als we zeggen dat er evenveel mannen als vrouwen waren. Dus 1.200.000 Israëlieten (mannen en vrouwen) van boven de twintig.

Hoeveel kinderen waren er? Exodus 1 zegt dat de Israëlieten een vruchtbaar volkje waren en ze kregen hun babies zo snel dat ze reeds geboren waren voordat de vroedvrouwen ook maar de tijd hadden om te arriveren. Er moet dus zeker minstens één kind per volwassene zijn geweest. (Ik geloof dat ook dat aan de lage kant is.) We zijn dus al bij de 2.400.000 Israëlieten die zich gereedmaken om uit Egypte te trekken.

Ik heb rapporten gezien waarin wiskundigen berekenden, dat uitgaande van dat getal (600.000) het er heel gemakkelijk tussen de vijf en zes miljoen kunnen zijn geweest — ook gelet op de tijd die de Israëlieten in Egypte, het land waarin ze woonden, enzovoort, hadden doorgebracht. Maar wij blijven bij een lage schatting van om en nabij de 2½ miljoen mensen.

Laten we daar een beetje vat op krijgen. Dat is meer dan de bevolking van Orange County. Dat is tweemaal de bevolking van San Diego. Dat is bijna de bevolking van Chicago, Illinois. Dat is tweemaal de stedelijke bevolking van Charlotte, North Carolina. Het is meer dan de gecombineerde bevolking van Alaska, Delaware, Montana en South Dakota (en veel andere staten van de Verenigde Staten die we in groepen van drie of vier zouden kunnen combineren).

Het is viermaal de bevolking van Washington, D.C. In feite is de totale bevolking van D.C. slechts enkele duizenden meer dan het aantal Israëlitische mannen van boven de twintig, dat in staat was in het leger te vechten. Het is groter dan de bevolking van Arizona, of van Arkansas, of van Hawaii, of van Idaho, of van Kansas, of van Maine, of van Nebraska, of van Nevada, of van New Hampshire. En bijna net zo groot, zoals ik al eerder zei, als de bevolking van Chicago. [Noot van de vertaler: Het is meer dan de bevolking van de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht tezamen.]

Een andere manier om ernaar te kijken is de volgende. De meesten van ons zijn enigszins bekend met de Rose Parade. Weet u hoeveel mensen er ieder jaar naar de Rose Parade kijken? Ongeveer één miljoen! Dat is nog niet eens de helft van de Israëlieten (dat is dan een schatting of berekening die aan de lage kant blijft) die Egypte uit marcheerden. De Rose Parade strekt zich uit over een lengte van negen kilometer. We hebben dus één miljoen mensen opgesteld langs een parcours van negen kilometer. Deze mensen zijn natuurlijk verzameld op tribunes. En, ik wil onder uw aandacht brengen, dat ze vrij dicht op elkaar zitten of staan. Is dat niet zo? Het is geen afstand die u kunt lopen, omdat u pal op de hielen of achter de rug van de persoon voor u zit of staat. Dat is dus één miljoen mensen langs negen kilometer.

Hoe lang moet de "parade" van de Israëlieten die uit Egypte trokken wel niet zijn geweest? Zestien kilometer? Gemakkelijk twintig kilometer? Dat komt waarschijnlijk dichter bij de waarheid. Een optocht van mensen die ongeveer twintig kilometer lang is. Ze hadden ook hun kudden bij zich. We hebben het dus niet alleen over mensen. We hebben het ook over schapen en geiten. We hebben het ook over koeien. We hebben het ook over eenden en ganzen. We hebben het over mensen die al hun bezittingen meevoeren — misschien in wagens, misschien achter zich aan slepend. Hoe snel denkt u, gemeente, dat deze mensen zullen lopen?

Een leger marcheert ruwweg bijna vijf kilometer per uur. Dat is inclusief een rustpauze van tien minuten per uur. Ze bewegen zich dus redelijk snel voort. Aan de andere kant lopen vluchtelingen gewoonlijk zo'n 2 kilometer per uur langzamer (ofwel 3 kilometer per uur). Laten we zeggen dat de Israëlieten (die in goede gezondheid verkeerden, een sterk slavenvolk, en de Egyptenaren drongen erbij hen op aan weg te gaan, maar ze moesten ook hun geiten en ganzen en eenden en alles meevoeren) ... misschien trokken ze wel voort met een snelheid van 3,5 kilometer.

Het punt in Gosen dat het verst verwijderd was van Raämses zal op een afstand van ongeveer vijfentwintig tot vijfendertig kilometer hebben gelegen. Wandelend met die snelheid zou het hun — om op de Paschadag in Raämses te komen — zo'n zeven tot tien uur hebben gekost; en dat alleen nog maar om hun positie op de route in te nemen. Als ze dus bij het aanbreken van de Paschadag vertrokken, dan moeten ze daar ergens omstreeks twee of drie uur in de namiddag zijn aangekomen.

Ik denk dat het een veilige aanname is om te veronderstellen dat niet iedereeen naar Raämses moest lopen. Ik ben vrij zeker van de toepassing van het gezegde soort zoekt soort. De meeste Israëlieten zullen zich dus, met hun familie, per stam hebben verzameld. Ze moeten dus van te voren ontmoetingsplaatsen hebben afgesproken, waar ze naar toe zouden gaan. Als ze daar eenmaal aankwamen, dan zouden ze nog tijd hebben gehad om hun kudden van water te voorzien (voor hen te zorgen), hen van voedsel te voorzien, een beetje uit te rusten — en dan nog de voorbereidingen te treffen om 's nachts te vertrekken.

We weten dat ze direct bij het aanbreken van de vijftiende vertrokken, voordat het volledig donker was, omdat Numeri 33 ons zegt dat ze "onderweg zagen" dat de Egyptenaren hun doden begroeven. Het was dus tijdens ben ha arbayim dat ze begonnen te vertrekken. Maar een optocht van twintig kilometer lang die met een snelheid van 3,5 kilometer voorttrekt, heeft wel zo'n zes tot zeven uur nodig om voorbij een bepaald punt in de stad Raämses te trekken.

Dat kan worden uitgerekend. De organisatoren van de Rose Parade kunnen u alle statistieken en dergelijke geven. De Rose Parade is negen kilometer lang. Het duurt zo'n vier uur om langs die negen kilometer te trekken. Het kost hun voor ieder willekeurig punt langs de route vier uur om aan dat punt met toeschouwers voorbij te trekken. Ik geloof niet dat het verkeerd is om op basis daarvan te berekenen dat de Israëlieten zo'n zes à zeven uur nodig hadden om uit Raämses te komen. En zeker tijdens het eerste deel van ben ha arbayim moeten ze hebben kunnen zien dat de Egyptenaren hun doden begroeven.

Er zijn nog meer factoren die we hier in beschouwing zouden kunnen nemen — zoals het verschijnen van de wolkkolom en de vuurkolom. De bijbel zegt ons dat die niet voor de vijftiende verschenen. Als ze op de veertiende waren uitgetrokken dan zouden ze niet de leiding van de vuurkolom en de wolkkolom hebben gehad (om hen het land uit te leiden — en ook hen te beschermen).

Er is één punt waarop ik hier de aandacht wil vestigen. Laten we Numeri 33 opslaan en met dat schriftgedeelte zullen we ook eindigen.

Numeri 33:3-5 Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, 4 terwijl de Egyptenaren bezig waren degenen te begraven, die de HERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; de HERE toch had aan hun goden strafgerichten geoefend. 5 De Israëlieten dan braken op van Rameses en legerden zich te Sukkot.

Ze vertrokken dus op de dag na het Pascha. En ik wil even aan de Egyptenaren denken die hun doden begroeven. ALS Israël na middernacht was uitgetrokken (zoals de voorstanders van de vijftiende beweren), denk DAN aan het volgende. En leg uw hart hierin. Stel u eens voor dat u een Egyptenaar bent en u hebt gezien hoe uw land werd verwoest. En nu treft deze verwoesting ook uw familie en het treft u rechtstreekser dan enige andere plaag tot op dit moment. Het ontneemt u een familielid — hoogstwaarschijnlijk in een aanval van heftige pijn, omdat deze mensen geen 'gelukkige' dood stierven. Dat is heel duidelijk vanuit het boek Exodus. Ze stierven niet in stilte door gewoon met ademhalen op te houden. Er werd hun iets aangedaan waardoor ze de andere mensen in huis wakker maakten. Misschien uitten ze schreeuwen van pijn of grote angst, terwijl hun het leven werd ontnomen.

U hebt nu juist uw man, uw vader of uw kind verloren. En de voorstanders van de vijftiende willen nu beweren dat u uw geliefde familielid gaat begraven nog voordat het helemaal koud is. Als zij het bij het juiste eind hebben en Israël toen uittrok, dan worden de Egyptenaren daardoor uitgebeeld als koude, harteloze mensen die geen snars om iemand anders gaven. Wie denken die mensen wel dat we zijn — om zoiets van hen te aanvaarden?

Die Egyptenaren hadden precies dezelfde gevoelens voor hun geliefden als wij. Ze waren diep bedroefd en ze rouwden over hun doden — minstens één dag, voordat ze hen begroeven. Maar als ze gehandeld hadden volgens het scenario van de voorstanders van de vijftiende dan zouden ze binnen een uur of twee, na middernacht, uit hun huizen zijn gegaan om hun doden in de duisternis van de nacht te begraven. (Ik leg u dit voor als iets dat ondenkbaar is.)

Laten we afsluiten met Psalm 78.

Psalm 78:43-45a, 49-53 hoe Hij [God] in Egypte zijn tekenen deed, en zijn wonderen in het veld van Soan. 44 Hij veranderde hun Nijlwater in bloed, en hun stromen, zodat zij niet konden drinken. 45 Hij zond steekvliegen onder hen, ... 49 Hij zond tegen hen zijn brandende toorn, verbolgenheid en angstwekkende gramschap, een schare van verderfengelen. 50 Hij baande een pad voor zijn toorn, Hij behoedde hun zielen niet voor de dood, maar gaf hun leven prijs aan de pest. 51 Hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, de eerstelingen van hun kracht in de tenten van Cham. 52 Hij liet zijn volk als schapen optrekken, leidde hen als een kudde door de woestijn. 53 Hij voerde hen veilig, zodat zij niet vreesden, want de zee had hun vijanden overdekt.

God deed dat niet op de veertiende, maar op de vijftiende. Het Pascha vond plaats op de veertiende en de uittocht op de vijftiende.

Morgen zullen we met dit onderwerp verdergaan.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)