Pascha (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
4 april 1992

Samenvatting: (toon)

In dit tweede deel van de serie over het Pascha blijft John Ritenbaugh erbij dat men het woord van God moet vertrouwen – niet de geschiedschrijving noch de tradities van een volk dat verondersteld werd de bewaarders van Gods wet te zijn, maar die de verschillen tussen goed en kwaad verruimden en onduidelijker maakten. Het Pascha moest gehouden worden tijdens de avondschemering van de veertiende, terwijl de dagen van Ongezuurde Broden op de vijftiende begonnen. Vertrouwen op Gods woord gaat boven vertrouwen op afkomst.


De laatste keer dat ik sprak, zei ik dat ik vandaag zou ingaan op "tussen de twee avonden". Het kan zijn dat we daar aan toe komen, maar na nog eens over de organisatie van deze serie preken te hebben nagedacht, besloot ik de dingen iets aan te passen. En ik denk, dat er op dit moment iets is dat belangrijker is om uit te diepen. Dit heeft ook betrekking op het PASCHA. Ik heb het onderwerp in het geheel niet veranderd, maar ik vind dat ik wat grondwerk moet verzetten voordat we ingaan op de dingen die samenhangen met "tussen de twee avonden" en andere dingen die met het Pascha te maken hebben.

De vraag is: "Kunnen we de Joden vertrouwen?" Ik bedoel niet of de een of andere individuele Jood met betrekking tot iets kan worden vertrouwd. Ik heb het over: "Kunnen we op de religie van de Joden (de religieuze praktijken van de Joden) vertrouwen als op een getrouwe interpretatie van het Oude Testament?" Dit is een heel belangrijke vraag met betrekking tot het PASCHA, omdat iedere schrijver van ieder artikel dat ik heb gelezen over het houden van het Pascha laat op de veertiende of op de vijftiende, heel sterk moet steunen op Joodse interpretaties en Joodse tradities. De reden dat zij dat moeten doen is, omdat er niets in de bijbel staat waarop zij hun conclusies duidelijk en met autoriteit kunnen baseren.

We gaan beginnen in Romeinen 3:1-4. Dit is een schriftgedeelte dat is gebruikt, om te impliceren dat, omdat het woord van God aan Israël werd gegeven (dat is inclusief de Joden), we naar hen moeten kijken voor de autoriteit betreffende de interpretatie en toepassing van wat er in het Oude Testament staat.

Romeinen 3:1-4 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.

Let op dit punt in het bijzonder op "Als sommigen ontrouw geworden zijn, ..." Naar wie anders kan hij verwijzen dan naar de Joden? Is het mogelijk dat zij de wereld een verkeerd voorbeeld hebben gegeven betreffende dingen die belangrijk zijn voor het doel waartoe we geroepen zijn? Dat zijn de dingen die van doen hebben met de geboden van God — en gehoorzaamheid aan die geboden. (Dingen die van doen kunnen hebben met behoud.)

Maakt dat Gods woord minder waar? Natuurlijk niet! Zoals hij zei: "Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig ..." We moeten naar het woord van God kijken — en niet naar mensen.

De context waarin deze verzen staan, begint al in hoofdstuk 2. We gaan terug naar vers 17 uit hoofdstuk 2. In mijn bijbel staat als titel boven deze paragraaf: "De Joden even schuldig als de heidenen." Dat is een heel interessante gedachte!

Romeinen 2:17-19 Indien gij u dan Jood laat noemen, steunt op de wet, u beroemt op God, 18 zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet geniet, 19 en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn,

Dat is wat de Joden in het algemeen aannemen. U herinnert zich nog wel dat Johannes de Doper (in Mattheüs 3) tot deze mensen zei: "Denk niet omdat Abraham uw vader is ..." Dat zegt mij dat zij een groot vertrouwen stelden in hun fysieke afkomst, omdat er (middels de genen) een directe verbinding bestond helemaal naar Abraham. Maar gehoorzaamden zij? Onderwierpen zij zich aan God? Hielden ze echt Zijn geboden?

Romeinen 2:20-24 een opvoeder van onverstandigen [Zo dachten ze over zichzelf.] en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet de belichaming der kennis en der waarheid bezit, 21 hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? 22 Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? 23 Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? 24 Want [En dit is een aanhaling uit het Oude Testament.] de naam Gods wordt om u gelasterd [omlaaggehaald, kwaad van gesproken] onder de heidenen, gelijk geschreven staat.

We zouden hier verder kunnen gaan, maar ik denk dat dit genoeg is om te laten zien dat de Joden (al hadden ze de wet van God) die niet perfect onderhielden. Het was Gods bedoeling dat ze dat zouden doen, maar ze deden dat niet, zoals ook de uitgever van mijn bijbel dat inzag en in de titel van deze paragraaf tot uiting bracht.

Deze context zegt dus precies het tegendeel van de conclusie waartoe sommigen komen. Ja, de Joden hadden een voordeel; maar ze maakten er geen gebruik van. Ze werden verondersteld de uitleggers van de wet (de weg) van God te zijn, maar, gemeente, ze faalden jammerlijk in hun verantwoordelijkheid.

Laten we Amos 2 opslaan, alwaar een oordeel over Juda wordt uitgesproken.

Amos 2:4a Zo zegt de HERE: Om drie overtredingen van Juda, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de wet des HEREN verworpen en zijn inzettingen niet onderhouden hebben, ...

Ik koos ervoor hier te beginnen, omdat dit vers zo duidelijk is. De Joden hebben geen goede reputatie inzake het houden van de geboden en de weg van God. In welke tijd ook, of het nu in de tijd van het Oude Testament of van het Nieuwe Testament was, ze brachten er niet veel van terecht! Hier vinden we om zo te zeggen Gods eigen zienswijze op hun relatie met Hem. Ze verwierpen de wet van God. We hebben het hier in het bijzonder over de Torah, dat deel van de bijbel waarin de geboden betreffende het houden van het PASCHA en de heilige dagen staan. Hier staat letterlijk dat ze de Torah verwierpen.

Amos 3:1-2a Hoort dit woord, dat de HERE over u spreekt, gij Israëlieten, over het ganse geslacht [duidend op zowel Israël in het noorden als Juda in het zuiden] dat Ik uit het land Egypte heb gevoerd: 2 U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; ...

Israël en Juda hadden de uitleggers van Gods wet moeten zijn. Zij hadden degenen moeten zijn die Gods geboden onderhielden, die hun leven volgens die geboden leidden en het voorbeeld zouden zetten voor de gehele wereld. "U alleen heb ik gekend ..." Hij brengt hiermee een mate van intimiteit tot uitdrukking. "Ik heb Mijzelf aan u geopenbaard," zegt God. "Uit alle geslachten der aarde bent u de enigen aan wie Ik dit heb gedaan."

Amos 3:2b ...; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken.

Datgene wat verondersteld werd hun "voordeel" te zijn ... Het hebben van de openbaring van God, het hebben van de wet van God, het hebben van het woord van God — dat werd verondersteld hun een "voordeel" ten opzichte van de wereld te geven, omdat dit voor hen een relatie met God tot stand bracht. In plaats daarvan werd het het middel en de basis waarop God hun straffen toedeelde. "Ze hadden beter moeten weten," zegt God. Van hen die veel is gegeven, wordt veel verlangd. Hun "bijzonder voorrecht" (het ontvangen hebben van Gods openbaring) kwam als een boemerang bij hen terug — omdat ze faalden in overeenstemming met de voorwaarden van de overeenkomst te leven. Daarom kwam de wraak van God op hen neer.

Laten we naar nog enkele schriftgedeelten kijken. Eerst in Jeremia. Daar staat een heel interessant voorbeeld dat we hier gaan gebruiken. We zullen vrij snel door dit hoofdstuk heengaan. We beginnen met het begin, omdat ik de omstandigheden die toen bestonden, wil schetsen, zodat we kunnen begrijpen wat er gaande is.

Jeremia 35:1-2 Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam ten tijde van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: 2 Ga naar het huis der Rekabieten en spreek met hen, breng hen naar het huis des HEREN in een van de vertrekken, en geef hun wijn te drinken.

Jeremia voerde dit uit zoals hem bevolen was. Hij bracht hen (vers 4) "naar het huis des HEREN". En dan worden er enkele mensen bij naam genoemd.

Jeremia 35:5-9, 12-13a en ik zette de leden van het huis der Rekabieten kannen vol wijn en bekers voor en zeide tot hen: Drinkt wijn! 6 Maar zij zeiden: Wij drinken geen wijn; want onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, heeft ons geboden: Nimmer zult gij of uw kinderen wijn drinken; 7 ook zult gij geen huis bouwen, geen zaad zaaien en geen wijngaard aanleggen of in bezit hebben, maar gij zult uw leven lang in tenten wonen, opdat gij lang leeft in het land waar gij als vreemdeling vertoeft. 8 En wij hebben onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, gehoor gegeven in alles wat hij ons geboden heeft, zodat wij ons leven lang geen wijn drinken, wijzelf, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters, 9 en geen huizen bouwen om in te wonen, en geen wijngaard, akker of bouwland bezitten, ... 12 Toen kwam het woord des HEREN tot Jeremia: 13 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Ga, en zeg tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: ...

Precies de mensen die beter hadden moeten weten. Juist tegen de mensen die zich hadden moeten onderwerpen aan God middels Zijn wet, tegen hen zegt Hij:

Jeremia 35:13b-14 ...: Wilt gij hieruit geen lering ["Lering" vanuit dit voorbeeld van de Rekabieten.] trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord des HEREN. 14 Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rekab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor hebben gegeven aan het gebod van hun vader. En Ik heb tot u gesproken, vroeg en laat, maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven.

Kunnen we de Joden vertrouwen?

Jeremia 35:15-16 Ik zond al mijn knechten, de profeten, tot u, vroeg en laat, met de boodschap: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg [Als ze een boze weg gingen, dan hielden ze niet de geboden van God.], betert uw daden en loopt geen andere goden achterna om die te dienen, dan zult gij blijven in het land dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd en Mij geen gehoor gegeven. 16 Ja, de zonen van Jonadab, de zoon van Rekab, hebben het gebod dat hun vader hun opgelegd had, gehouden, maar dit volk heeft Mij geen gehoor gegeven.

Laten we verder gaan, naar het boek Ezechiël.

Ezechiël 23:1-5 Het woord des HEREN kwam tot mij: 2 Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van één moeder. 3 Zij pleegden ontucht in Egypte; in haar jeugd pleegden zij ontucht; daar werd haar boezem betast en streelde men haar maagdelijke borsten. 4 De naam van de oudste was Ohola en die van haar zuster Oholiba. Zij werden de mijne en baarden zonen en dochters. Wat haar namen betreft, Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem [de Joden]. 5 En Ohola pleegde overspel terwijl zij mijn vrouw was; zij hunkerde naar haar minnaars, naar Assur:

Hij gaat daarna verder met het beschrijven van de relatie. Dan in vers 11:

Ezechiël 23:11 Hoewel haar zuster Oholiba dit zag [Met andere woorden de Joden in Jeruzalem zagen wat er met Samaria gebeurde.], ontbrandde zij toch in nog feller hartstocht dan haar zuster en pleegde nog erger ontucht dan zij.

Gemeente, degenen onder ons die in Israël wonen (en het nodige weten van de geschiedenis van Israël, vanaf heden tot helemaal terug tot de tijd waarover hij het heeft), zijn beslist tot op zekere hoogte vertrouwd met de ontuchtigheden van Israël, maar Juda was erger! Dat zijn dan de "uitleggers" die wij moeten geloven? Dat zijn de "uitleggers" wier handelingen we worden aangemoedigd na te volgen?

Ezechiël 23:12-14 Naar Assurs zonen hunkerde zij: landvoogden en stadhouders, hovelingen, sierlijk uitgedost, ruiters te paard, begeerlijke jonge mannen, hoofd voor hoofd. 13 En Ik zag, dat zij zich verontreinigde; beiden [beide zusters] gingen dezelfde weg. 14 Ja, zij [Juda] pleegde nog meer ontucht; immers, zij zag mannen op de muur getekend, afbeeldingen van Chaldeeën, met menie getekend,

Zo gaat het almaar door. Laten we naar het boek Hosea gaan, hoofdstuk 5. We pakken de draad op in vers 4. In vers 3 gebruikt hij de naam "Efraïm" voor de leider van de tien stammen in het noorden. In feite staat dat dus voor geheel Israël.

Hosea 5:4-5 Hun daden [de daden van de Israëlieten in het noorden] gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet. 5 De hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Israël en Efraïm zullen struikelen door hun ongerechtigheid. Ook Juda struikelt met hen.

Nu springen we naar vers 10. "De vorsten" duidt op de leiders. Dit zijn algemene bewoordingen. Soms kan het op de politieke leiders duiden, zoals de koning of alle ministers die onder hem dienen in het uitoefenen van het bestuur over het land. Het kan ook duiden op de geestelijke leiders. Het kan duiden op de hogepriester en alle priesters onder hem en de Levieten die bij de tempel dienden.

Hosea 5:10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water.

Dat soort beschrijving geeft ons een aanwijzing dat ze in Gods ogen iets heel slechts deden. Als er staat dat ze zijn als die de grenzen verleggen, weet u dan waar hij het over heeft? Als u iets weet over de wetten betreffende het land (die in de Pentateuch staan) dan weet u dat land werd verondersteld altijd in het bezit van een familie te blijven. Als het eenmaal aan een familie was gegeven, moest het binnen die familie blijven. De reden daarvoor, gemeente, is omdat alle rijkdom uit de grond komt.

Als mensen eigendom hebben — waaruit ze mineralen zouden kunnen halen, of dat ze konden bebouwen (bijvoorbeeld met boomgaarden), of waarop ze vee konden laten grazen — dan verzekerde dat hun van enige vorm van rijkdom. Het gaf stabiliteit aan het gehele financiële systeem; daarnaast gaf het de mensen een gevoel van "zijn" — een gevoel van iemand te zijn. Ik ben iemand. Ik bezit land. Ik ben de gelijke van mijn buurman." En als land of eigendom uit handen geraakt van iemand, dan doet het heel wat meer dan die persoon alleen maar arm maken.

Wat hij hier oorspronkelijk beschreef, waren gewetenloze mensen die in het midden van de nacht erop uit gingen om de grensstenen te verplaatsen waardoor hun eigen land groter werd door land van hun buurman af te nemen. De grenzen waren in die tijd niet meer dan stenen (of hopen stenen, of pilaren) die waren neergezet. Ze konden dus in het midden van de nacht erop uit gaan en de grens zo'n meter of tien verschuiven. Daarna konden ze zeggen: "Dat land behoort mij! Kijk maar waar de grensstenen liggen."

Die woorden kregen de betekenis van iemand die zichzelf bevoordeelde door iets bedrieglijks te doen onder bescherming van geheimhouding of duisternis. Maar door de tijd heen begonnen die woorden een idioom te worden, dat duidde op iedereen die snel en gemakkelijk met de wet van God omging.

In plaats van een rechte en nauwe weg die de weg van God definieert, beschrijft God hier de Joden als mensen die het verschil tussen juist en onjuist onduidelijk maken door constant de muren (de zijden, de grenzen, de randen) tussen juist en onjuist te verschuiven. Met andere woorden zij gingen eigenmachtig met de wet van God om en maakten de weg "breed" (en leidend naar vernietiging) in plaats van "smal" (en leidend tot leven).

We zouden door heel het Oude Testament heen kunnen gaan, naar ieder boek, om de reputatie van deze mensen [de Joden] te zien. Maar ik weet dat u daarmee bekend bent en ik zal (in één van de volgende preken) uiteindelijk op dit onderwerp terugkomen om er in meer detail doorheen te gaan. Ik zal u een verslag geven dat u altijd beschikbaar zult hebben om te zien dat deze mensen niet vertrouwd konden worden. Alleen het woord van God kan worden vertrouwd — niet de reputatie of de tradities van mensen. Ik bedoel mensen die verondersteld worden het volk van God te zijn [inclusief de Joden].

Laten we Johannes 1 opslaan.

Johannes 1:11 Hij [Jezus Christus] kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.

De gevolgtrekking die we uit deze tekst kunnen maken, is dat Hij naar Zijn eigen familie — de Joden kwam, en zij "herkenden" Hem niet. Weet u waarom? Minstens een deel van de reden is dat zij niet vertrouwd genoeg waren met de beschrijvingen in het Oude Testament van hoe de Messias zou zijn, om in staat te zijn Hem toen Hij kwam, te herkennen. U kent het verhaal. Zij keken uit naar een overwinnende koning die de Romeinen eruit zou gooien. Zij waren volledig misleid, volledig weggevoerd van de waarheid van Gods woord.

Laten we naar Johannes 8:37 gaan. Dat is een heel interessant gedeelte waar onze Heer en Meester zelf een beschrijving hiervan geeft.

Johannes 8:37a Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, ...

Dit is nu echt verwerping van de Messias! Hij kwam tot de "zijnen" en zij probeerden Hem te doden. Waarom? Let hier heel goed op!

Johannes 8:37b ..., omdat mijn woord [het Oude Testament, de Pentateuch, de geschriften, de profeten] bij u geen plaats vindt.

Hoe kunnen zulke mensen een goed voorbeeld geven dat wij worden verondersteld na te volgen?

Johannes 8:38-42a Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij [De nadruk ligt nu op handelen, niet op horen of aanvaarden.], wat gij van uw vader gehoord hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40 maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb [Het komt op mij over dat ze de waarheid niet aanvaardden.]; dit deed Abraham niet. 41 Gij doet [handelt, gedraagt, leidt uw leven naar] de werken van uw vader. Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben één Vader, God. 42 Jezus zeide tot hen: Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, ...

Trekt Hij niet de conclusie dat ze Hem niet liefhadden? Denkt u niet dat als zij Hem liefhadden, dat ze dan gehoorzaam zouden zijn geweest aan wat er in het Oude Testament staat? Zegt Hij hier niet in heel krachtige bewoordingen dat deze mensen God niet gehoorzaamden?

Johannes 8:42b-43 ..., want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43 Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen.

Ziet u, in werkelijkheid behoorden ze een ander toe. Ze behoorden tot een andere "familie". Jezus vertegenwoordigde heel duidelijk de familie van God. Deze mensen, die geacht werden de familie van God te vertegenwoordigen, vertegenwoordigden de familie van God niet. Zij vertegenwoordigden iemand anders.

Johannes 8:44a Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, ...

Het betekent dat hij er niets mee van doen heeft. Het betekent niet dat hij het niet zal gebruiken, omdat Satan waarheid zal "gebruiken" om te misleiden. En wat gebeurt er gewoonlijk in zo'n geval? We krijgen een mengsel van waarheid en dwaling. U weet wat Jacobus zegt over een mengsel van waarheid en dwaling — dat is helemaal slecht.

Johannes 8:44 Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard [Dan doet hij wat natuurlijk voor hem is.], want hij is een leugenaar en de vader der leugen.

Jezus trekt de gevolgtrekking dat deze mensen ook leugenaars zijn. Moeten we verder gaan? Laten we verdergaan. Dit is nog niet het einde. Laten we het evangelie van Marcus, hoofdstuk 7, opslaan.

Marcus 7:6-8 Maar Hij zeide tot hen: Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. 7 Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. 8 Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen (de Statenvertaling voegt toe: namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele).

Zijn dit de mensen op wier voorbeeld we moeten afgaan? Waarvan men verwacht dat wij hen vertrouwen?

De Joden zaten dus op deze manier in elkaar. Wat dan te denken van de apostel Paulus? Hij was zeer zeker een belangrijk vertegenwoordiger van de Joodse religie en hij moet voor zijn bekering toch zeker bepaalde dingen bij het juiste eind hebben gehad? Hij moet het toch geweten hebben? Hij moet het toch hebben begrepen? Zei hij niet dat hij "voor de wet" onberispelijk was? Als er al iemand een voordeel had, dan moet het zeker wel de apostel Paulus zijn geweest, die een briljant geleerde was. Bovendien, had hij niet aan de voeten van Gamaliël, één van de grootste rabbi's die ooit heeft geleefd, gestudeerd? De apostel Paulus moet zeker dingen bij het rechte eind hebben gehad. Laten we eens naar Paulus' eigen getuigenis kijken.

Galaten 1:11 Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens.

Paulus haalt dit finaal onderuit. Voor het geval iemand mocht denken dat hij anders was, dat hij op een of andere manier door mensen was onderwezen voordat hij deze brief aan de Galaten schreef, dan zou men kunnen veronderstellen dat hij "waarheid" kende zelfs voordat hij bekeerd was. Paulus zegt: "O nee, ik werd niet door mensen onderwezen. Ik kreeg dit niet van Gamaliël. Ik kreeg dit niet van de Joden."

Galaten 1:12 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.

Weet u nog welke tekst we vorige week lazen? 1 Corinthiërs 2:10 — deze dingen worden door de Geest van God geopenbaard. Vers 13 is heel opzienbarend.

Galaten 1:13 Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien,

Gemeente, klinkt dat als iemand die de waarheid van God liefhad? Als deze man de waarheid van God liefhad vóór zijn bekering, waarom vervolgde hij dan de ware kerk, die de ware religie had, die het ware woord van God had, die de ware Messias had?

Galaten 1:14 en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, [Let heel goed op het volgende!] als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen.

Zag u dat? "Voor mijn voorvaderlijke overleveringen" — niet voor de waarheid van God! Daar was Paulus ijverig voor. "Voor mijn voorvaderlijke overleveringen" — wat binnen de context helemaal overeenkomt met het Judaїsme.

Was Judaïsme de religie van Mozes? Was Judaïsme de waarheid van het Oude Testament? Gemeente, deze apostel geeft zelf toe (in Romeinen 7, u kunt dat zelf controleren) dat hij niet eens wist wat zonde was. Romeinen 7:9 — hij zei dat hij dat niet wist totdat de wet kwam (totdat het woord kwam). Daarna zei hij:

Romeinen 7:9b ..., begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,

Voor de eerste keer in zijn leven, na zijn bekering, had hij een duidelijk en echt begrip van "wat zonde is". En toen hij zei: "ik begon te sterven", betekende dat dat hij berouw kreeg en zich bekeerde. En hij werd gedoopt in water, begraven.

Zelfs de grote Paulus had slechts een vluchtige kennis van de waarheid van God. Waar hij ijverig in was, gemeente, was de religie van de Joden! Dat waren de voorvaderlijke overleveringen. Dit is dezelfde man die zei dat hij "de grootste zondaar" was, omdat hij de kerk vervolgd had.

Denkt u echt dat iemand die afgestemd was op de waarheid van God, de kerk zou vervolgen? Of laat me het nog persoonlijker maken. Denkt u dat iemand die afgestemd is op de waarheid van God, de Messias zou vervolgen? Beseft u dat daar in Handelingen 9 waar hij tot bekering kwam, Christus (toen Hij hem verscheen) tegen hem zei: "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?"

Laten we nu 1 Timotheüs 1 opslaan. Paulus zegt daar:

1 Timotheüs 1:12-13a Ik breng dank aan Hem, die mij kracht gegeven heeft, Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft, 13 hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was.

Is dit de man die voor de wet onberispelijk was? Wat Paulus (daar in Filippenzen 3) zegt over "onberispelijk voor de wet" zijn, is de waarheid. Maar het kan niet betekenen wat sommige mensen er van maken, omdat iemand die "een godslasteraar" is, niet onberispelijk is. Iemand die "een vervolger" is, die "een geweldenaar" is, is niet onberispelijk.

1 Timotheüs 1:13b-14 Maar [zegt hij] mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb, 14 en zeer overvloedig is de genade van onze Here geweest, met het geloof en de liefde in Christus Jezus.

We hebben hier van doen met één van de meest opvallende personen in de gehele bijbel. Ja, één van de meest opvallende mensen die ooit op aarde heeft geleefd. Maar er was een tijd in Paulus' leven waarin hij het "verdienstelijk gedrag" vond om de kerk te vervolgen en zelfs, misschien rechtstreeks, verantwoordelijk te zijn voor de moord op onschuldige mensen.

Als hij dus (in Filippenzen 3) zegt dat hij "onberispelijk voor de wet" was, dan was hij onberispelijk voor de farizeïsche wet. Hij was onberispelijk voor de wet van het Judaïsme. Het betekent (als we dit samenvoegen met 1 Timotheüs 3) dat hij wat hij deed, in onwetendheid en met een goed geweten deed; dat hij niet inging tegen zijn overtuigingen. Paulus' ideeën, zijn overtuigingen en zijn gedrag met betrekking tot waarheid waren niet in overeenstemming met Gods woord. Zij waren in overeenstemming met het Judaïsme!

God moest deze man tijdelijk met blindheid slaan om hem werkelijk te laten "zien".

Paulus was een Farizeeër. Zij, samen met de Sadduceeën, onderhielden het Pascha met een offer in de tempel, iets dat God nooit bevolen had. (Zet hier maar een dikke streep onder!) Ik zeg niet dat dat niet in het Oude Testament werd gedaan. Ik zeg dat God dit nooit bevolen had! Daar zit een groot verschil in. Er zijn voorbeelden in het Oude Testament waarin mensen in de tempel offeren. Maar we kunnen geen enkele plaats vinden waar God ooit de geboden betreffende het Pascha veranderde (totdat Jezus het in het Nieuwe Testament hield). Zelfs toen veranderde Hij de tijd niet. Er is nergens in de bijbel een woord te vinden over een verandering van de tijd voor het houden van het Pascha. Er is alleen maar iets te vinden over een verandering van de symbolen.

Dus vragen we ons af: "Hoe heeft dit ooit kunnen gebeuren?" Namelijk dat iemand als de apostel Paulus zo bedrogen kon worden. Gemeente, Paulus was niet anders dan u en ik. Hij was voor zijn bekering niet anders dan iemand anders. Hij was misleid — door Satan, de duivel. Hij groeide op waarbij hij de algemene opvattingen van zijn maatschappij aanvaarde. Groeide u niet op met het aanvaarden van Kerstmis en Pasen? Zo groeiden deze mensen op met het aanvaarden van het laat in de middag van de veertiende offeren van een lam in de tempel — iets dat niet als gebod in Gods woord staat. Er staat echter wel in Zijn woord dat het werd gedaan.

De apostel Paulus was evenzeer een slachtoffer van de misleidingen van Satan als wij. Ook bij hem moesten de "oogkleppen" voor zijn ogen worden weggenomen, zodat hij de waarheid van God kon zien.

Romeinen 10:1-3 Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. 2 Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. [Hij bedoelt "waarheid".] 3 Want onbekend [Niet dom. Ze wisten het gewoon niet. Ze waren niet bekeerd.] met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

Dat vat het, geloof ik, allemaal samen zoals geen andere verzen in de bijbel dat doen. We kunnen de reputatie (de traditie) van de Joden met betrekking tot geestelijke dingen niet vertrouwen, omdat ze net zo onbekeerd waren als wij.

Ik geloof, dat u wel begrijpt dat het altijd de grote meerderheid (degenen die "de reputatie" bepalen, degenen die "de geschiedenis van het volk" bepalen) is geweest, die zoals Jezus' eigen getuigenis zegt, de brede weg naar de vernietiging volgt. Het is altijd "het overblijfsel" (een klein aantal mensen) geweest die het juist doet.

God heeft niet altijd veel informatie over die mensen laten vastleggen, omdat Hij wil dat ook wij uit geloof leven. Ons geloof moet in het woord van God zijn (in de waarheid die daarin is) en niet in de geschiedenisverslagen van de mens. Weet u in wie ons geloof dan zou zijn? Niet in God, maar in de geschiedenis. Dat is geen leven uit geloof. We hebben van doen met iets dat geestelijk wordt onderscheiden.

Hier in Romeinen 10:1-3 zien we dus een samenvatting dat de Joden niet méér vertrouwd kunnen worden met betrekking tot geestelijke dingen dan enig ander volk. Zij hadden een systeem van eredienst ontwikkeld dat Judaïsme wordt genoemd, en dat was erg strikt. Zij waren daar erg ijverig in en het werd gedaan in de naam van God (net zoals het "christendom" heden ten dage). Maar deze religie was in overeenstemming met hun eigen karakter — niet met het denken van God! We hebben zojuist het getuigenis daarvan gezien in Gods woord. Ze handelden niet in overeenstemming met God. Sommigen deden de dingen juist, maar de grote meerderheid niet — net zoals het heden ten dage het geval is.

In de vorige preek legde ik het fundament door het te hebben over het belang van het Pascha voor Gods doel. Laten we Johannes 6 opslaan om dat nog eens door te nemen.

Johannes 6:49-51, 54-58 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. ... 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.

Zo belangrijk is het Pascha!

Als die mensen in Exodus 12 de instructies niet hadden opgevolgd ... Ik wil dat u acht slaat op het volgende: Ze moesten het Pascha eten. De nadruk ligt hier op het "eten". We zouden zover kunnen gaan als te zeggen dat het eten van het Pascha het belangrijkste van alles was. Iedereen kan beginnen met in het woord van God te geloven — te geloven in het offer van Jezus Christus. "Eten" en "drinken" duidt op een levenslang proces! Dat laat zien of iemand werkelijk "een christen" is.

Het volgende dat we vaststelden, is dat het Pascha werd genoemd naar het voorbijgaan van de Israëlieten, die nog in hun huizen waren (en niet Egypte aan het "verlaten" waren) terwijl de doodsengel doortrok. We zagen dat bevestigd door Josephus, die dat duidelijk onder woorden bracht.

Exodus 12:11-13 En aldus zult gij het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand; overhaast zult gij het eten; het is een Pascha voor de HERE. 12 Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de HERE. 13 En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla.

De dag is genoemd naar het voorbijgaan — niet naar het offer. Het offer werd zo genoemd vanwege de dag (Pascha) waarop het werd gebracht.

Exodus 12:23-27 23 En de HERE zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de HERE die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. 24 Gij zult dit voorschrift houden als een altoosdurende inzetting voor u en uw zonen. 25 En wanneer gij komt in het land dat de HERE u geven zal, gelijk Hij gezegd heeft, zult gij deze dienst onderhouden. 26 En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u, 27 dan zult gij zeggen: Het is een Paasoffer [Pascha-offer] voor de HERE [Let wel: het is het Pascha-offer.], die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer.

Het derde punt daarna was dat het Pascha en de dagen der ongezuurde broden twee afzonderlijke herdenkingen zijn — van twee duidelijk gescheiden alhoewel nauw verbonden gebeurtenissen; en ze dienen op twee aparte dagen te worden gehouden.

Leviticus 23:5-6 In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de HERE. 6 En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de HERE, zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.

Dat is heel duidelijk. Het valt niet te ontkennen. (Dat moet ik eigenlijk niet zeggen, want er zijn nog steeds mensen die het willen "ontkennen".) Maar God zegt (Gods woord zegt), HET PASCHA IS OP DE VEERTIENDE en DE EERSTE DAG DER ONGEZUURDE BRODEN IS OP DE VIJFTIENDE.

Nu moeten we duidelijk maken wat het betekent het Pascha te houden. De gebruikelijke Joodse uitleg is, dat het Pascha alleen maar het slachten van de lammeren inhield. Ik ga u een aanhaling voorlezen van Drs. Grabbe en Kuhn. Die is ontleend aan hun boek The Passover And the Church Today. Deze staat op pagina 14 en 15.

Leviticus 23:5 zegt: "In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de HERE." Dit laat zien dat als er een precieze tijd wordt gegeven, de nadruk lag op het slachten van het lam — niet op daarop volgende gebeurtenissen zoals het eten. Het enige deel van de ceremonie dat voor de veertiende wordt gespecificeerd, in de avondschemering, is het slachten van het lam. Het eten en de andere aspecten ervan behoefden niet op die tijd plaats te vinden."

Is dat zo? Wat over het braden van het lam? Wat over het eten van het lam? Wat over het in huis blijven? Wat over het verbranden van wat er van het lam overbleef? Wat over niet het huis uitgaan voor de morgen? Is het slachten van het lam het enige waar God in is geïnteresseerd?

Als we daar een geestelijke parallel aan verbinden, zien we dat het slachten van het lam de dood van onze Zaligmaker voorstelt. Is dat het "einde" van behoud? Is het aanvaarden van het bloed van ons PaschaLam het enige wat we moeten doen, is dat alles? We behoeven God dus in niets anders te gehoorzamen en Zijn instructies op te volgen? Ik geloof dat u beter weet! Dat is nog maar het begin. Moeten we zeggen dat God ons nooit "test" om te zien of we Zijn instructies opvolgen?

Exodus 12:3 Spreekt tot de gehele vergadering van Israël als volgt: op de tiende van deze maand zal ieder voor zich een stuk kleinvee nemen, familiesgewijs, een stuk kleinvee per gezin.

Daar staat het eerste dat ze moesten doen. Wat zou er gebeuren als ze geen lam uitkozen? Dan zouden ze geen lam hebben om op de veertiende te slachten! Als ze die instructie niet opvolgden dan manoeuvreerden ze zichzelf in een onhoudbare positie.

Exodus 12:6 En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering.

Het lam wordt dus op de veertiende in de avondschemering [letterlijk: tussen de twee avonden] geslacht.

Exodus 12:7 Vervolgens zal men van het bloed nemen en dit strijken aan de beide deurposten en de bovendorpel, aan die huizen, waarin men het eet.

Wat als ze het lam hadden geslacht, maar het bloed niet op de deurposten of de dorpel hadden aangebracht? Hadden ze dan echt het Pascha gehouden?

Exodus 12:8 Het vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruiden.

Ze moesten het vlees die nacht eten en natuurlijk het hele lam braden.

Exodus 12:9 Rauw of gaar gekookt in water zult gij het niet eten; slechts op het vuur gebraden met kop, schenkels en ingewanden.

Alweer een instructie. Het mocht niet worden gekookt. Ook dat maakt deel uit van de instructies. Ook mochten ze het niet rauw eten. Het moest op het vuur gebraden worden met "alles erop en eraan". Vers 11 zegt ons dat ze het "overhaast" moesten eten.

Exodus 12:44 Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten, wanneer gij hem besneden hebt.

Dus niemand kon [van het Pascha] eten tenzij hij besneden was.

Exodus 12:46 In één huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen; geen been zult gij ervan breken.

Het lam moest worden gegeten in het huis waar het was geslacht. Deze instructies zijn vrij gedetailleerd. We kunnen begrijpen (als we God kennen) dat er met iedere stap iets samenhangt dat belangrijk is voor Zijn doel. Daar zit lering in.

Tenslotte gold ook nog dat ze het niet voor de morgen naar buiten mochten brengen.

Als we door deze negen afzonderlijke stappen heengaan, waar deze mensen doorheen moesten gaan, dan zien we dat meer dan de helft moest worden uitgevoerd voordat de doodsengel doortrok. Daarna, zelfs nadat de doodsengel was doorgetrokken, moesten er andere dingen worden gedaan — om het houden ervan volledig tot uiting te laten komen.

Numeri 9:1 En de HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte, in de eerste maand:

Daar hebben we het tijdselement. Het eerste Pascha vond plaats vlak voordat zij Egypte verlieten. In dit vers zijn we op het punt aangekomen dat het tweede Pascha zal worden gehouden, maar het is het eerste nadat ze uit het land zijn getrokken.

Numeri 9:2-3 De Israëlieten nu zullen het Pascha vieren op de daarvoor bepaalde tijd [Er is niets veranderd.]; 3 op de veertiende dag dezer maand, in de avondschemering, zult gij het vieren op de daarvoor bepaalde tijd, [Let nu op het laatste deel van deze zin.] naar al de inzettingen en verordeningen, die daarop betrekking hebben, zult gij het vieren.

Is dat duidelijk, gemeente? God veranderde niets, ook al waren ze nu uit het land [Egypte] en trok er niet letterlijk een doodsengel door. We hebben nu alle dingen doorgenomen die zij deden nadat het lam was geslacht — nu worden ze inzettingen en verordeningen genoemd.

In dit hoofdstuk verschijnen ook de instructies betreffende het houden van "het tweede Pascha". Als iemand onrein was door het aanraken van een lijk of op een verre reis was, zodat hij het Pascha niet op de juiste tijd kon houden, dan stond God hem toe het een maand later te houden. Waren ze een maand later vrijgesteld om al die andere dingen te doen? Moesten ze alleen maar een lam slachten? Nee. Laten we zien wat er staat.

Numeri 9:9-12 Toen sprak de HERE tot Mozes: 10 Spreek tot de Israëlieten: wanneer iemand onrein is door aanraking van een lijk of op een verre reis is, (het geldt zowel voor u als voor uw nageslacht) dan zal hij toch des HEREN Pascha vieren. 11 In de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het eten. 12 Men zal niets ervan laten overblijven tot de volgende morgen, en geen been eraan breken; geheel volgens de inzetting van het Pascha zal men het vieren.

Er veranderde niets voor het houden van "het tweede Pascha". Er zijn geen schriftgedeelten in het Oude Testament te vinden die de oorspronkelijke instructies wijzigen; ook in het Nieuwe Testament is er niets gewijzigd, behalve de symbolen. Net als er in het Nieuwe Testament geen gebod is te vinden voor het houden van de sabbat, is er in het Nieuwe Testament ook geen voorbeeld of gebod te vinden waarbij [de tijd van] het Pascha werd veranderd.

In de duidelijkste bewoordingen leggen de apostelen voor ons vast wanneer Jezus dat laatste Pascha hield, toen Hij de symbolen veranderde. Hij deed dat op de tijd waarop God dat altijd had geboden te doen. Ongeacht wat de andere Joden deden, deed Hij het op het tijdstip dat God in Exodus 12 en Numeri 9 had geboden — aan het begin van de veertiende.

Gods gebod is heel duidelijk. Om het Pascha te houden, moet men ervan eten. En het moest worden gegeten in de nacht van de veertiende. Bedenk nogmaals wat er in Johannes 6 staat: "tenzij we van Zijn vlees eten ..." hebben we geen leven in ons.

Ik wil u nu iets heel ernstigs vragen. Stemde God in met Nadab en Abihu (zelfs al waren ze de zonen van Aäron), toen ze besloten een wijziging (slechts een kleine wijziging) aan te brengen in de regels betreffende het reukoffer om daarbij met "vreemd vuur" aan te komen? Stemde God met die "kleine" wijziging in? Hij doodde hen — als een getuigenis voor Aäron en iedere hogepriester dat "ze geen loopje konden nemen met Zijn instructies!" (O, het is maar een kleinigheid. Het is niet van belang.)

Stemde God met David in toen David zei: "Laten we de ark thuis brengen op een nieuwe kar die door koeien wordt getrokken"? Stemde God met Uzza in toen hij zijn hand uitstak om te voorkomen dat de ark van de kar af zou vallen? Gods woord zegt duidelijk dat de ark gedragen moet worden en niet door onreine menselijke handen mag worden aangeraakt. Ik geloof niet dat God ermee instemde.

Stemde God met Saul in toen Saul erop uit ging en de instructies die Samuël hem had gegeven (om alle Amalekieten te doden) aanpaste? Stemde God met Saul in toen Saul het gebod dat Samuël hem had gegeven (om geen offer te brengen totdat Samuël arriveerde) veranderde? Saul wachtte op een gegeven moment niet langer en bracht het offer zelf.

Beide keren kwam Samuël en zei: "Waarom hebt u dit gedaan? God heeft het koninkrijk van u afgenomen en heeft het gegeven aan iemand anders die beter is dan u."

Stemde God in met Ananias en Saffira toen ze besloten hun woord niet gestand te doen en toen ze tegen Gods apostel logen (en zo ook tegen God en de Heilige Geest logen)? Ik denk dat we ons deze lessen ter harte moeten nemen. Zelfs al besluit Gods "uitverkoren volk (de Joden)" het op een andere manier te doen dan God in Zijn woord beval, dan zal God vastleggen wat zij deden; Hij zal ons een eerlijk verslag geven van wat zij deden. Maar dat houdt niet in dat Hij ermee instemde. Hij geeft alleen maar een verslag om te laten zien hoever zij afweken.

Ik geloof dat we hier maar gaan stoppen. We zullen dan volgende keer inderdaad kunnen toekomen aan datgene waar we, naar ik had gezegd, deze week aan zouden toekomen, dat was "tussen de twee avonden". Zo God het wil, zullen we volgende week de draad daar oppakken.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)