Ziet U God?

Door John W. Ritenbaugh
11 januari 1992

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh onderzoekt in deze preek, waarin hij op krachtige wijze duidelijk maakt waar hij voor staat, de levensbelangrijke ontbrekende geestelijke schakel in ons geloof, waarbij hij benadrukt dat zien niet persé tot geloof leidt, tenzij er een actief, productief en vertrouwend geloof aan wordt toegevoegd. De tijdgenoten van Mozes en Jezus Christus maakten een overvloed aan ontzagwekkende wonderen mee, maar geloofden en begrepen niet. We zien wat we willen zien, wat we verwachten of wat we geleerd hebben te zien. Ware wijsheid (geestelijke visie) ontstaat door de menselijke rede te koppelen aan openbaring die versterkt wordt door te geloven en toe te passen wat God zegt of beveelt. Tenzij we Gods soevereine autoriteit over ons leven bevestigen, door de dingen die we vanuit de schrift leren in ons leven toe te passen, zullen we als feitelijke atheïsten God niet zien.


Het lijkt er bijna op alsof Iemand ervoor heeft gezorgd dat de korte preek bij de preek paste. In feite werd de titel van mijn preek in de korte preek genoemd en die titel luidt: "Ziet U God?" Ik garandeer u, op basis van de autoriteit van Gods Woord, dat wanneer u God niet ziet, u het dan geweldig moeilijk zult hebben met elke hechte verbintenis — hetzij uw huwelijk of (bovenal) het werk van God.

In de Verenigde Staten hebben we een oud gezegde dat luidt: "zien is geloven". We hebben zelfs een staat, namelijk Missouri, die als motto voert: "The Show-Me [Eerst zien] State". Daarmee wil men aangeven dat men niet gelooft, tenzij men aantoont dat datgene wat verteld wordt, waar is. Het lijkt er op, dat wij Amerikanen in veel opzichten nogal cynisch en sceptisch zijn geworden. We worden constant bedolven onder datgene wat de televisie, film- en vermaaksindustrie brengen. We weten dat veel van hetgeen wij zien, ofwel geënsceneerd, onecht of helemaal uit zijn verband is gerukt. We staan vandaag aan de dag dan ook zeer sceptisch tegenover het leven. Als wij iets horen, betekent dat nog niet onmiddellijk, dat wij het geloven.

Ik weet dat u weet — maar ik weet niet hoe intens u dit weet of begrijpt — dat uitsluitend omdat iemand "ziet", het in de context van de bijbel nog niet betekent, dat iemand dan zal "begrijpen" of "geloven" wat hem wordt verteld.

Zien is NIET geloven

Laten we deze preek beginnen in Johannes 1:14, waar de apostel Johannes het volgende schrijft:

Johannes 1:14 - Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.

Dit geeft aan wat het onderwerp van deze preek zal zijn. Jezus Christus werd gezien — Hij werd "gezien in het vlees". Dit was geen gewoon menselijk wezen! Het was God, Die de mensen "aanschouwden". We gaan naar vers 10, dat iets zegt over het Woord:

Johannes 1:10 - Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.

De mensen in Zijn tijd zagen Hem. Maar geloofden zij? Zagen zij God in het vlees met hen wandelen? Zagen zij Hem onderwijzen? Zagen zij, dat Hij hun de eeuwige waarheden des levens gaf? Liet Hij hun zien hoe te leven? Liet Hij hun de weg ten leven zien door woord en daad? Waren zij geweldig onder "de indruk" van het besef, dat dit God was? Daar gaf Hij Zich wel voor uit! Waren zij zo geweldig onder de indruk, dat zij zeiden: "Ja, ik zie; ik geloof; ik ga Hem volgen." Nee. De Bijbel zelf laat duidelijk zien, dat zij Hem niet kenden, ofschoon zij Hem zagen.

Johannes 1:11-13 - Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, maar uit God geboren zijn.

Uitsluitend vanwege het feit dat iemand ziet, betekent nog niet dat men zal gaan geloven. En dat is, omdat er in bijbels opzicht een geestelijk aspect aan zien en geloven vastzit. De bijbel geeft hier heel duidelijk te kennen, dat er zelfs geen enkel teken van herkenning van Zijn ware identiteit aanwezig was.

Denk eens aan de ongerijmdheid hiervan. Diegenen onder ons die dicht bij het middelpunt van vermaak (Los Angeles) leven, zijn zich er van bewust, dat personen, die in het middelpunt van de belangstelling staan, bij voorkeur een bepaalde kledingstijl of een bepaalde levensstijl hanteren, die hen apart zet en hen voor het publiek ogenblikkelijk herkenbaar maakt. Denk hierbij aan Elton John met zijn brede scala aan brillen. Liberace en zijn wilde, flamboyante levensstijl en manier van kleden. Weer anderen bezigen andere methoden, om er zeker van te zijn, dat zij door het publiek herkend worden.

Kijk nu eens voor een enkel ogenblik via uw geestesoog naar Jezus Christus. De meest unieke Persoonlijkheid die ooit heeft geleefd in de menselijke geschiedenis! "Enig in zijn soort." Het enige menselijke wezen dat ooit een zondeloos leven heeft geleid. En toch kon Hij niet worden geïdentificeerd, zelfs niet door degenen die Hem zagen. Hij werd niet herkend door de mensen van Zijn generatie als God in het vlees, Die het leven met hen deelde. Dit alles schijnt erop te duiden, dat men voorbestemd moet zijn om dit geloof te kunnen ontvangen — de mogelijkheid om te zien. Specifiek in de context van de verzen 12 en 13, is het interessant te zien, dat diegenen, die dit geloof uitoefenen ...

Johannes 1:12 - ... Hij hun macht [het recht, de autoriteit, de mogelijkheid] heeft gegeven om kinderen Gods te worden.

Dat wil zeggen, het aangaan van een relatie met God, met als resultaat niets minder dan de schepping van een nieuw wezen.

Een niet in staat zijn om Christus te zien

Laten we dit thema in Johannes 7:1 vervolgen. We zien daar een gebeurtenis in het leven van Jezus Christus, die bevestigt wat ik zei, namelijk dat zien niet hetzelfde is als geloven.

Johannes 7:1 - En daarna trok Jezus rond in Galilea; want Hij wilde Zich in Judea niet ophouden, omdat de Joden Hem trachtten te doden.

Kunt u zich de ongerijmdheid hiervan voorstellen? God in het vlees, Die zij niet herkenden, Die zij niet identificeerden en Die zij zochten te doden!

In vers 4 geven Zijn broers Hem te kennen wat Hij naar hun mening zou moeten doen met Zijn leven, namelijk dat Hij Zichzelf niet terug moest trekken.

Johannes 7:5 - Want zelfs zijn broeders geloofden niet in Hem.

Zijn eigen familie, die dag in dag uit met Hem samenleefde, geloofde niet in Hem! Dat is nauwelijks te bevatten! Iemand die met God samenleeft, herkent Hem — ziet Hem — niet als God!

Uiteindelijk trok Hij toch op naar het Loofhuttenfeest, maar dan in het geheim.

Johannes 7:12 - En er was veel gemompel over Hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het volk.

Zou God in het vlees verleiden? Laat dat niet duidelijk zien, dat er geen herkenning was?

Johannes 7:20 - De schare antwoordde: Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?

Dat komt heel dichtbij godslastering! God beschuldigen bezeten te zijn, een destructieve demon te zijn!

Johannes 7:40-44 - Sommigen dan uit de schare, die naar deze woorden geluisterd hadden spraken: Deze is waarlijk de profeet. [Aha, een sprankje hoop, een lichtpuntje. Sommigen begonnen hier enig begrip te krijgen]. Anderen zeiden: Deze is de Christus; weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was? Er ontstond dan verdeeldheid bij de schare om Hem en sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem.

Kijk eens naar al de verschillende opinies die de mensen er over Hem op nahielden. In Mattheüs hoofdstuk 16 vraagt Jezus aan Petrus: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben?" Het antwoord van Petrus is dan: "Sommigen zeggen: U bent Johannes de Doper. Anderen zeggen: U bent Jeremia of een van de profeten." Er bestond met betrekking tot Zijn identiteit veel verwarring!

Als Hij niet duidelijk kan worden geïdentificeerd, hoe is het dan mogelijk Hem te vereren? Hoe is het dan mogelijk, dat mensen zeggen dat ze Hem zien — dat wil zeggen, in het kader van het doorgronden of het begrijpen van het feit, dat Hij een absoluut essentieel onderdeel uitmaakt van ons leven? Voor u en mij is Hij van wezenlijk belang! Hij bevindt Zich in ons en Hij is geïnteresseerd in elk onderdeel van ons leven.

We gaan naar Mattheüs 13:53-57. Dit volgt onmiddellijk op de indrukwekkende onderwijzing in gelijkenissen.

Mattheüs 13:53-57 - En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen ten einde gebracht had, dat Hij vandaar wegging. En in zijn vaderstad gekomen [in Galilea, waar Hij opgroeide], leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten? Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons? Vanwaar heeft Hij dan dit alles? En zij namen aanstoot aan Hem.

Gemeente, Hij veranderde mensen niet in positieve zin. Overtuigend bewijs vanuit de Schrift maakt duidelijk, dat de mensheid Hem niet zag. Zij stonden versteld, werden onrustig, er ontstond verdeeldheid, sommigen voelden zich zelfs beledigd.

Mattheüs 13:57-58 - Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en in zijn huis ongeëerd. En Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof.

We gaan iets zien dat van toepassing is op u en mij. Zal Hij in ons leven werkzaam zijn als wij Hem niet zien? Als wij Hem niet herkennen? Als wij Zijn doel niet begrijpen, dat Hij in ons aan het uitwerken is? Ik denk het niet! Gemeente, wij zijn uit een maatschappij gekomen, waarin er net zoveel, zo niet meer, verwarring bestaat met betrekking tot Hem, met betrekking tot Zijn identiteit, als er aanwezig was toen Hij hier op aarde wandelde. Mijn zorg is niet of wij Hem kunnen identificeren, omdat ik denk dat wij Hem wel degelijk als de Christus geïdentificeerd hebben. Wij zien de echte Jezus. Mijn zorg is, of wij Hem wel als essentieel onderdeel van ons leven zien.

Fysiek tegenover eeuwig

Deze preek is het bijproduct van een studie van Hebreeën. In het herlezen van Hebreeën ter voorbereiding van deze boodschap, ben ik opnieuw onder de indruk geraakt van het feit hoe fysiek georiënteerd ik nog ben. Het betreft deze oriëntatie, deze fysieke instelling, deze betrokkenheid bij het materiële, die wij allemaal in meer of mindere mate hebben, die een grote rol speelt in het feit of wij Christus ooit werkelijk zullen zien als essentieel onderdeel van ons leven.

We gaan naar Hebreeën 1:10-12. Daar staat iets opgetekend, dat wij hierbij in overweging dienen te nemen.

Hebreeën 1:10-12 - En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen; die zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verslijten, en als een mantel zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook verwisseld worden; maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden.

Nu schijnt het fysieke voor u en mij zo solide. Het is vrijwel onverwoestbaar. Het lijkt een permanent iets, tenminste in termen van ons eigen korte bestaan op aarde. Maar dit boek (voor deze preek specifiek het boek Hebreeën) maakt ons duidelijk, onze aandacht niet te richten op het nabije, op datgene wat zich om ons heen bevindt, op datgene waar we fysiek zo op georiënteerd zijn. Wij dienen ons leven, ons denken, onze aandacht niet daarop te richten, maar wel op de eeuwigheid van de heerschappij van Christus.

Een van de vaststaande feiten van God en Zijn Woord is, dat zij onveranderbaar zijn. "Gij blijft", staat er in vers 11, maar wij worden ouder en sterven. De eeuwige waarden veranderen nooit. En wat zelfs nog meer tot de verbeelding spreekt, zij kunnen over het graf heen worden getild.

Wat is derhalve in het leven belangrijk voor u? Zijn het de onmiddellijk vervulde verlangens die de wereld u biedt? Is het datgene wat zich rondom u bevindt? Als dat zo is, dan is het niet erg waarschijnlijk, dat u God veelvuldig zult zien. Laten we deze vraag eens op een andere manier stellen. Wat in ons leven vereist dat er beslissingen en keuzes worden gemaakt? Gemeente, wij kunnen ons niet identificeren met een vergankelijk iets, wij kunnen dat niet vereren. Er moet iets zijn dat "blijvend" is. Dat wordt ons duidelijk gemaakt in de verzen 10-12. Iets onveranderbaars is blijvend. Er moet iets onveranderbaars zijn, waar wij ons aan vastklemmen en waarin wij ons leven hier, op basis van geloof, leven.

Een test

Ik ga u een kleine inktvlektest afnemen. [John laat een afbeelding zien.] Ik ga u psychoanalytisch behandelen. Het is mogelijk dat u niet in staat bent de vlek heel duidelijk te zien, maar het is ook niet van het allergrootste belang dat u de inktvlek "ziet" of tracht vast te stellen wat het is. Misschien zou u graag een poging ondernemen om het uit te zoeken. Ik heb geprobeerd uit te zoeken wat het is. Soms zie ik er een oude kabouter in. Het lijkt ook wel op een vrouw. Dit hier is haar rechteroog. Dit is haar mond en kin. Zij heeft een grote hoed op.

Maar als ik deze afbeelding nu wegleg en u vraag: "Wat zag u?" De meesten onder ons hebben de neiging zich te concentreren op de inkt of op het effect dat het geeft. Wij zien de vlek en wij zien niet bewust het papier. Het is er wel, maar wij denken daar niet aan. Wij denken aan de inkt of wij denken: "Wat zie ik in de inkt?" Wij "zien" het papier niet.

Wat dat mij nu laat zien is: Wij zien wat wij willen zien. Wij zien wat wij verwachten te zien. Wij zien wat we geleerd hebben te zien.

Zo gaat het in het algemeen ook met betrekking tot het fysieke en het geestelijke. De bekeerde persoon is voorbeschikt om het geestelijke aspect van iets waar te nemen. We zijn hiertoe voorbestemd door de roeping van God en de gave van Zijn Geest, maar wij moeten daarbij nog steeds de keuze maken om het geestelijke te zien. Wij moeten de keuzes maken op de geestelijke weg door te gaan, ongeacht wat het ons gaat kosten.

In Hebreeën 4:1-2, zien we een voorbeeld van datgene wat ik zojuist heb gezegd.

Hebreeën 4:1-2 - Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.

Denk nu eens aan deze mensen. Zij zagen een groot scala aan wonderen, door God via Mozes en soms via Aäron verricht. Zij maakten mee dat het water in Egypte in bloed veranderde. Zij zagen overal springende kikvorsen. Zij maakten die lugubere, doordringende duisternis mee, die over het gehele land lag. Zij ervoeren vervolgens het verschil tussen Gosen en Egypte; zij werden gevrijwaard van de plagen die over Egypte kwamen. Zij wisten dat er iets "gaande" was in hun leven? Zagen zij niet dat de steekvliegen zich over geheel Egypte verbreidden, maar niet over de streek Gosen? Hebben zij niet ervaren, dat er hagel en vuur neerdaalden waardoor al het hout in Egypte verbrandde, behalve in de streek Gosen? Hebben zij niet ervaren, dat tijdens de Pascha-nacht de eerstgeborenen in Egypte werden gedood, maar niet de eerstgeborenen van Israël, omdat het bloed aan de deurposten en de bovendorpel was gestreken? Zagen zij dit alles niet?

Beroofden zij de Egyptenaren niet? Trokken zij niet uit? Spleet God het water van de Rode Zee niet voor hun eigen ogen en zagen zij niet het totale Egyptische leger verdrinken? Ontvingen zij niet gedurende 40 jaar dagelijks manna vanuit de hemel? Zagen zij niet het water als een rivier uit de rots komen? Zagen zij niet de kwartels naar hen toekomen, zodat zij meer dan voldoende vlees te eten hadden?

Zij zagen de heerlijkheid van God op de berg Sinaï verschijnen. Zij voelden de aarde onder hun voeten schudden. Zij zagen de berg in vuur en vlam staan. Zij zagen Gods heerlijkheid op de tabernakel verschijnen, nadat die was opgezet. En toch kwamen zij allemaal om, behalve twee mannen en hun gezinnen.

Is zien geloven?

Hoe staat het met u? U bent hier aanwezig. U gaat om met Gods ware kerk. Maakt u er deel van uit? "Ziet" u het werkelijk? Ziet u wat er met dit Werk gebeurt? Kunt u dingen uit het verleden onderzoeken en dat op onze toekomst projecteren?

Is zien geloven? Deze mensen zagen nooit God in die werken. Wat zij fysiek zagen, produceerde geen geestelijk geloof, dat iemand in staat stelt God te zien, omdat (zoals deze twee verzen laten zien) er een vrijwillige reactie dient te komen van degene, die in staat is gesteld te "zien".

De Christen heeft de verantwoordelijkheid met handelingen van geloof op Gods roeping te reageren. De apostel herinnert deze mensen aan hun uiterst serieuze situatie in deze. Gods roeping is geen algemeen verspreid drukwerk dat u toevallig onder ogen komt. Uw roeping is een persoonlijke uitnodiging. Hij is aan u gericht! De waarschuwing is, dat aangezien het oude Israël Gods rust niet binnenging, iemand anders dit zal doen, omdat God doorgaat met Zijn plan. De Christen moet daarom niet denken dat er een automatische aanneming aan ten grondslag ligt.

Leven op basis van geloof

We dienen de geschiedenis van Israël in de woestijn heel serieus in overweging te nemen. Zij hoorden de boodschap, maar zij reageerden niet. Als u de vorige hoofdstukken in Hebreeën leest, zult u ontdekken, dat hun gebrek aan reageren weergegeven wordt als "hardheid des harten", "ongeloof" of "ongehoorzaamheid". Ofschoon in principe verschillend, zijn deze begrippen in deze context synoniemen van elkaar.

Waarom gebeurde dit nu? Omdat Israël voortdurend wenste terug te keren naar Egypte. Zij bekeken al deze gebeurtenissen vanuit hun achtergrond in Egypte.

We zien wat wij willen zien. We zien wat wij verwachten te zien. We zien wat we hebben geleerd te zien.

Gemeente, wij dienen te leven op basis van de "woorden der belofte". Hebreeën 11:13 zegt: "In geloof zijn deze allen gestorven." De helden des geloofs stierven allen in geloof "zonder de beloften verkregen te hebben, maar zij hebben ze uit de verte gezien." En zij verheugden zich daarop. Ziet u, zij geloofden wat zij zagen. Zij identificeerden zichzelf en God daarmee. Deze mogelijkheid om te zien gaf hun richting in hun leven en zette hen apart van de rest van de mensheid.

Hoe belangrijk is het, dat wij ons voordeel doen met deze gelegenheid om bewust God in al ons denken te betrekken? We gaan naar Johannes 6:29. We zullen Jezus zelf op deze vraag het antwoord laten geven.

Johannes 6:29 - Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft.

Hij zegt daar, dat het doel van de verkondiging (de openbaring die sommigen de mogelijkheid geeft om God te zien) van de werken Gods in Christus, dient om geloof te bewerkstelligen.

Johannes 6:39 - En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage.

Een duidelijke uitspraak over Gods wil betreffende diegenen, die Hij geroepen heeft en aan Christus heeft gegeven.

Johannes 6:40a - Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt ...

Bedoelt Hij dat in fysiek opzicht? Ik denk dat u wel weet, dat het antwoord daarop "Nee" is. Hij bedoelt "aanschouwen" in de vorm van "begrijpen", "bevatten", "inzicht".

Johannes 6:40 - Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

Het voorbeeld van Paulus

Wij dienen er bij stil te staan, dat de vleselijke gezindheid "springlevend en krachtig" in ons aanwezig is. Ook al zijn wij gedoopt en hebben wij Gods Geest, dan is deze nog steeds in ons aanwezig. Hij oefent wel degelijk zijn invloed uit. Romeinen 8:7 zegt, dat deze "vijandschap is tegen God".

Misschien herinnert u zich de apostel Paulus, die ongetwijfeld heel goed onderlegd was in de Schriften voor zover het Hebreeuwse volk hiertoe in staat was. Hij studeerde aan de voeten van Gamaliël. Hij was ongetwijfeld een zeer intelligent persoon, scherp van geest, iemand met overtuiging en vastberadenheid. En toch moest diezelfde man fysiek blind en grondig vernederd worden, alvorens hij God kon zien. Ofschoon hij de Schriften perfect beheerste en wel op een manier die weinig mensen ooit in hun leven ten tijde van hun roeping hebben, kon hij toch God niet zien werken in de opkomende Christelijke kerk van die tijd.

Christus zei op een verwijtende, maar milde toon tegen Paulus toen Hij hem op weg naar Damascus bekeerde: "Saul, waarom vervolgt gij Mij?" Dat is een vraag, die wij ook aan onszelf dienen te stellen. Het maakt ons duidelijk, dat de menselijke geest de getuigenis die God geeft, verwerpt, zelfs als die gepaard gaat met pijn. Onze geest zal die getuigenis weigeren aan te nemen. Derhalve zijn de roeping door God, Gods Woord en de voorbestemming door God zodat wij kunnen zien, zodat wij de mogelijkheid hebben ons te identificeren met Zijn Zoon, van geen enkel nut, tenzij Zijn Woord deel van ons gaat uitmaken.

Goed. Hoe luistert u? Niet geïnteresseerd? Sceptisch? Cynisch? Kritisch? Onverschillig? Heftig verlangend? Onthoud: geloof ontstaat door horen en horen door het woord van God. Dat "horen" is een begin en moet verder gaan, moet bewust worden gebruikt. Als ik u nu vraag: "Hoe hoort u?" Ik bedoel niet alleen nu op dit moment, maar ook: "Hoe hebt u gedurende de laatste 6 maanden gehoord, het afgelopen jaar of jaren? Hoe luistert u?" Ik bedoel dit, als de dienst achter de rug is, gebeurt er dan nog iets met de dingen, die u gehoord hebt? Tenzij u dat doet, hoort u niet! En ik garandeer u, dat u dan God niet zult zien, of misschien zeer vaag.

Bent u een dwaas?

We gaan naar een paar andere, ontnuchterende verzen in Psalm 14.

Psalm 14:1 - De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij bedrijven gruwelijke en afschuwelijke misdaden, niemand is er, die goed doet.

Psalm 14:4 - Hebben zij dan geen kennis, al de bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De Here roepen zij niet aan.

Ik hoop dat niemand van ons zo "blind" is. Maar ik wil hiermede zeggen, vanuit mijn ervaring als dienaar, dat het mogelijk is, dat wij datgene kunnen zijn wat David hier omschrijft als "dwaas". Misschien zegt u: "Sinds ik bekeerd ben, heb ik nooit beweerd dat er geen God is." Misschien hebt u dat wèl gezegd, maar hebt u zich dat niet eens gerealiseerd!

Laat mij dat verklaren. "Dwaas" hier is nabal. Herinnert u zich David en Abigail? De naam van de echtgenoot van Abigail was "Nabal". Hij was een dwaas. Het betekent, iemand die verachtelijk is, iemand die een leeghoofd is. Het betekent niet, dat hij een "atheïst" is. Het betekent ook niet, dat de desbetreffende persoon helemaal geen contact met God heeft. Het betekent ook niet, dat deze persoon God niet ziet in Zijn schepping. De dwaas die hier wordt omschreven, kan heel gemakkelijk en snel toegeven dat er een Schepper God is, Die onderdeel van zijn leven uitmaakt. Hij kan dat heel duidelijk erkennen.

Deze persoon, deze "dwaas" is geen atheïst, maar hij leeft alsof hij er van overtuigd is dat er geen God is, Die zowel zegent met een beloning of vervloekt met een straf. Een nabal is niet dom. Hij is niet een persoon die niet nadenkt, maar wel iemand die verkeerd redeneert. Een nabal is iemand die er voor kiest (let op het woord "kiest") of misschien moet ik zeggen "aanneemt" (en "aannemen" is een keuze) dat God geen autoriteit over zijn leven heeft. In feite ziet hij God als een "afwezige landheer" die rustig kan worden genegeerd, omdat de dwaas aanneemt dat God niet werkelijk actief is in Zijn Schepping. En dat is dwaasheid!

Dwaasheid kan bijbels gezien zonde zijn! Het probleem van de dwaas is niet zijn verstand, maar zijn hart. De dwaas is in staat de dingen van God te begrijpen, maar hij heeft geen werkelijk respect voor God en de dingen van God. Met als resultaat, dat het niets minder is dan "praktisch atheïsme". Ofschoon hij heel snel toegeeft, dat God Schepper is, leeft hij alsof God niet aanwezig is. Hij creëert daarmede een dichotomie (tweedeling). Een dichotomie tussen dat wat hij intellectueel weet en de manier waarop hij leeft. God bestempelt zo iemand als "dwaas". En in werkelijkheid zegt deze persoon in zijn hart: "Er is geen God".

Dat stemt tot nadenken, omdat ieder van ons onder dat gebruik van het woord geschaard kan worden. Ik kan u zeggen, op basis van Psalm 14:5, dat wat ik zojuist zei, waar is. De dwaas is zich van God bewust. Als de straf, de vloek, komt, als God Zichzelf begint te openbaren, dan ontstaat er grote vrees. Als hij niet dacht: "er is een God", zou er geen vrees zijn. Hij weet dat er een God is, maar hij leeft alsof er geen God is.

Zien wij God in Zijn activiteiten? Zien wij God in Zijn werken? In de verkondiging die Jezus deed in Johannes 6:29? Zien wij God in Zijn Werk? Zien wij God in de fysieke schepping? Romeinen 1 maakt ons heel duidelijk dat Gods kracht en autoriteit, Zijn goddelijkheid, geopenbaard worden in Zijn schepping. En dat alles is niets anders dan een type om ons te helpen begrijpen, dat wij door de fysieke werken ons kunnen identificeren met deze God en beseffen dat Hij eveneens werkt in Zijn geestelijke schepping.

Gemeente, een Christen gaat door een educatief proces, ontworpen om hem te helpen zien wat belangrijk en wat minder belangrijk is - wat werkelijkheid en wat verbeelding is. Maar wij zijn verantwoordelijk om dat bewijs in ons verstand op te nemen en ons daar nederig aan te onderwerpen, of als we het verwerpen, maken we ons schuldig aan het verloochenen van God, zelfs al zien wij heel duidelijk het bewijs.

De weg naar Emmaüs

Lucas hoofdstuk 24 bevat een zeer interessante gebeurtenis direct na de opstanding. Het is zeer interessant daarover na te denken in het licht van dat u en ik, leven na de opstanding. Van ons wordt verwacht de "loop te lopen". Van ons wordt verwacht "met God te wandelen" en met Jezus Christus. Dat is wat er met deze twee mannen gebeurde, enkele uren na de opstanding.

Lucas 24:13-15 - En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf [de opgestane Christus] bij hen kwam en met hen medeging.

We zullen hier niet tot in detail op ingaan, maar het is een zeer interessant gegeven, dat Lucas hier benadrukt, dat er een voortgaande beweging was. U en ik, die dit vele eeuwen later lezen, zijn in staat dit op ons leven te betrekken, namelijk dat ons leven geen statisch proces is. Er is "voortgang", "beweging" in ons leven, vanaf het moment van geboorte tot het moment van roeping en bekering en vervolgens tot het moment van sterven. Dat is het moment waarop wij stoppen met "wandelen". Maar vanaf het moment van onze roeping is God met ons. Hij leidt en begeleidt ons door Zijn Geest. Hij overtuigt ons van dingen die belangrijk zijn voor Zijn geestelijke schepping, voor ons behoud. Wij hebben berouw. Wij bekeren ons. God gaat in ons leven door middel van Zijn Geest en dan wandelen wij werkelijk met Christus. Wij hebben Christus in ons.

Maar wandelen wij met Hem? Of doen we dat niet? In dit geval hier in Lucas 24, was Hij letterlijk bij hen, wandelde Hij naast hen. En gemeente, zij herkenden Hem niet!

Nu zou u kunnen denken, dat God hen had verblind. Let eens op wat hier staat:

Lucas 24:17-19 - Hij zeide tot hen: Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan. Eén dan van hen, genaamd Kleopas, antwoordde en zeide tot Hem: Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is? En Hij zeide tot hen: Wat dan?

Waren zij "verblind"? Dat mag u denken, maar ik niet. Ik denk van niet op basis van wat Jezus Zelf hier in de context duidelijk maakt. Wat ik graag wil voor we verder gaan is, dat u ziet, dat zelfs iemand die gedurende langere tijd met Christus heeft omgegaan, kan falen te zien. Zij verwachtten niet te zien. Herinnert u zich? Wij zien wat wij verwachten te zien. We zien wat wij willen zien. Wij zien wat we hebben geleerd te zien.

Als wij ons niet inspannen om te onderscheiden en bewust na te denken over andere aspecten van datgene waar wij naar kijken, is het zeer waarschijnlijk, dat wij niet zullen zien. Gemeente, wij dienen heel bewust de waarheden die wij van God ontvangen, in ons tot ontwikkeling te laten komen, al wandelend met Christus. Want anders is het mogelijk, dat wij met Christus wandelen, dat Hij aanwezig is, maar dat wij Hem niet zien. Dat kan gebeuren, als wij de omstandigheden waar we doorheen gaan in ons leven met Hem, niet onderkennen. Als er geen besef is van het geestelijke aspect, dan wordt het over het hoofd gezien!

Kijk eens naar vers 25. Daar staat waarom ik denk, dat zij niet door God "verblind" waren, omdat Jezus tot hen zei:

Lucas 24:25a - "O onverstandigen ..."

Dat woord in het Grieks betekent "onnadenkend". Zij dachten niet na! Zij overwogen niet. Het betekent, dat zij niet op een juiste manier redeneerden. Dat komt heel dicht bij het woord nabal uit het Oude Testament. "O onverstandigen". Zij gebruikten hun denkvermogen niet op de juiste manier. Dit woord draagt een moreel verwijt in zich en duidt op iemand die "zijn verstand niet bestuurt ".

Gemeente, zij geloofden niet! Ofschoon zij waren onderwezen, geloofden zij niet datgene wat in het Oude Testament over de Messias en Zijn opstanding was opgetekend. En daarom zagen zij de Christus niet Die met hen was, omdat zij niet verwachtten Hem te zien! Christus noemde hen "dwazen". Hij noemde hen niet alleen "dwazen" (hetgeen voor mij een aanwijzing is, dat Hij van hen verwachtte dat zij in staat waren Hem te identificeren), maar noemde hen ook nog eens "tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten gesproken hebben"!

Lucas 24:26-27 - Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.

Let ook op vers 21. Zij gaven daar hun uitleg aan Christus.

Lucas 24:21 - Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou.

Ik denk dat hun "hoop" niets anders was dan een wens. Maar ik denk dat het opmerkelijk is, dat hier, gezien hun antwoord, niet staat dat zij Hem vertrouwden. Ziet u, ze gebruikten hun geloof niet. Er is een groot verschil tussen "hopen" en "vertrouwen". Vertrouwen vereist het maken van keuzes en het hebben van geduldige volharding.

Tot slot, toen zij uiteindelijk Jezus zagen, toen zij door hadden Wie het was, Die daar met hen ging, toen pas viel alles wat zij hadden meegemaakt, inclusief de kruisiging en de opstanding, op zijn plaats. Zien we het punt waar het om draait? Als u God kunt zien werken in uw leven, dan valt alles op zijn plaats. Misschien gebeurt dit niet alles in een keer, zoals met deze mensen het geval was, voor wie het een plotselinge herkenning betrof. Alle stukjes vielen toen op hun plaats en zij zagen de belevenissen, waar zij kort daarvoor doorheen waren gegaan, helder en in het juiste perspectief. Maar als u God betrokken kunt zien bij de gebeurtenissen in uw leven, als u de weg met Jezus Christus wandelt, dan zal dat handen en voeten geven aan uw leven op een manier die u nooit hebt kunnen bevroeden! Dan wordt het plaatje compleet. Dan ziet u alles in het juiste perspectief.

Door God gegeven begrip

Laten we 1 Corinthiërs 2:6-15 opslaan.

1 Corinthiërs 2:6-15 - Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.

Als de mensheid Christus had gezien, als zij zich heel duidelijk met Hem hadden geïdentificeerd, dan zou de wereld er totaal anders hebben uitgezien. Maar zij zagen niet omdat, zoals Paulus hier schrijft, zij er niet rijp voor waren. "Rijp" betekent hier, in deze context, "bekeerd". Niet dat het altijd die betekenis heeft, maar wel in deze context. Er is een contrast tussen degenen die in staat zijn te zien en degenen die niet in staat zijn te zien. Degenen, die in staat zijn te zien, althans vanuit deze context gezien, zijn degenen die rijp zijn.

Ofschoon Christus de schriftgedeelten waarmee velen in Zijn gehoor bekend waren, citeerde en door Zijn leven vervulde, konden zij niet zien dat God door Hem werkzaam was. Zo is het ook altijd met de dienaren van God gegaan. Christus was niet de enige. Christus Zelf getuigde van het feit, dat deze mensen "de profeten doodden". Ik denk dat zij de profeten niet zouden hebben gedood, als zij hen duidelijk hadden gezien als boodschappers van God. Als zij werkelijk in God hadden geloofd en respect hadden gehad voor Zijn autoriteit over en Zijn bestuur van Zijn schepping, dan zouden zij dat beslist niet hebben gedurfd! Zo is het altijd geweest, er zijn mensen die zien en er zijn mensen die niet zien.

Paulus getuigt hier van het feit dat mensen naar een geheimenis kijken. Dit "geheimenis" is geen moeilijk op te lossen puzzel, maar "een geheim waarin men onmogelijk kan doordringen". Met als resultaat, dat de wereld niet goed bij "haar hoofd" is. De wereld volgt derhalve haar eigen ideeën en verwerpt Gods waarheden.

God zien is absoluut noodzakelijk

1 Corinthiërs 2:9 - Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben

Over het algemeen leeft bij mensen het idee, dat alles met betrekking tot God voor u en mij "te groot" is om te begrijpen. We kunnen het niet werkelijk "vatten". We kunnen het niet "zien". Maar in feite is het voor hem wie de ogen geopend zijn, zo simpel dat een kind het kan begrijpen. Maar gemeente, om nog eens terug te komen op onze menselijke geest, ons natuurlijk denken, wij zijn zo verblind door onze tradities en denkpatronen, dat wij een zeer sterke neiging hebben om dat wat van God komt te weigeren aan te nemen, ofschoon God ons tot bekering heeft gebracht.

Het effect daarvan is zoiets als het geval met die drie blinde mannen in India, die naar een olifant werden geleid. Elk van deze drie werd bij een verschillend deel van de olifant geplaatst. De ene hield de olifant bij de slurf. En toen hem werd gevraagd wat hij vasthield, zei hij: "Dit is een slang." De tweede man hield de olifant bij de staart en hij zei: "Dit is een touw." De derde man had een poot van de olifant vast en hij zei: "Dit is een boom."

Dat gebeurt er in de wereld om ons heen. De wereld is in staat stukjes en beetjes te onderscheiden, maar niet het totale plaatje, en ziet derhalve de heerlijkheid van God niet in zijn totaliteit. De wereld is niet in staat God als een toepasselijk onderdeel van het leven van een mens te zien. Niet alleen "toepasselijk", maar absoluut noodzakelijk! En te zien dat het geestelijke noodzakelijk is! Dat is de ontbrekende dimensie in het leven van de mens.

Als dat gezien wordt en als dat begrepen wordt, dan begint het leven zinvol te worden. Dan beginnen we onszelf te zien, dit unieke individu, ons, ik, mij, als deel van HET GEHEEL, het ontzagwekkende plan en doel dat God aan het uitwerken is! Dan kunnen we zien dat God richting geeft aan ons leven. Dan heeft uw oog gezien, uw oor gehoord en is in uw hart opgekomen "al wat God heeft bereid voor diegenen die Hem liefhebben".

1 Corinthiërs 2:10-12 - Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.

Deze drie verzen bewijzen dat wij door Gods roeping zijn voorbestemd om Hem te zien. Niet alleen om Zijn waarheid te kennen, maar ook om te weten wie Zijn dienaren zijn. Zo kunnen wij weten. Dit weten mag dan nog niet perfect zijn, maar wat wij weten is een grote bron van troost, zekerheid, hoop en richtinggevend.

Zien vanuit Gods perspectief

1 Corinthiërs 2:13-15 - Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Maar een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.

Ware wijsheid, gemeente, is het resultaat van menselijk redeneren gekoppeld aan openbaring. Maar zelfs ware wijsheid zal alleen resultaat hebben als iemand gelooft wat God zegt. Dan pas heeft die persoon de gelegenheid God te zien. Het is verborgen voor degenen die hun vertrouwen op menselijke wijsheid hebben gesteld.

"Ongeestelijk" (vers 14) betekent in deze context niet "kwaad". Het refereert eenvoudig aan iemand wiens blikveld door de natuurlijke dingen in het leven beperkt is, door het hier en het nu. Zo iemand is niet toegerust om de activiteiten van God te onderscheiden. Maar iemand met de Geest van God kan die activiteiten aan een onderzoek onderwerpen en wel dusdanig nauwkeurig, dat hij die kan beoordelen. Daarom komt in zijn beoordelen God in beeld. En als Gods Geest in iemands leven komt, dan dient de basis van zijn beoordelen te veranderen! Niet dat die persoon dan "belangrijker" of "beter" is, maar omdat de Geest van God die persoon in staat stelt te zien en de wijsheid van God te gebruiken, omdat hij dan alles kan beoordelen vanuit Gods gezichtspunt. Dat is onze verantwoordelijkheid!

Gemeente, omdat ons deze roeping is gegeven, zouden we God zo duidelijk moeten zien en Zijn grootheid zo diepgaand moeten kennen, dat wij in de verwachting kunnen leven, dat er op ieder moment iets groots kan gebeuren met diegenen, die daarvoor ontvankelijk zijn. Gemeente, voor de God die Jezus deed opstaan is niets onmogelijk! Is er iets dat te groot voor Hem is? Niets! Met die uitdaging richt hij zich tot mensen, tot diegenen die Hem zien.

Sadrak, Mesak en Abednego

Laten we eens naar een gebeurtenis kijken waarvan ik weet, dat u daarmee bekend bent, maar dan wel vanuit het volgende gezichtspunt. Daniël 3:16. Dat gaat over Sadrak, Mesak en Abednego, drie Joodse jonge mannen, gevangenen, die naar Babylon waren overgebracht. Zij werden opgeleid en door de Babylonische regering gebruikt, omdat zij veelbelovend waren qua capaciteiten. Maar die uitverkiezing door de Babylonische regering bracht hen in grote moeilijkheden, omdat Nebukadnessar in zijn ijdelheid een beeld van zijn god had gemaakt. Hij stelde dit beeld op in de vlakte van Dura. Vervolgens gaf hij opdracht dat iedereen daarvoor moest buigen. Zodra men het geluid van de muziekinstrumenten hoorde, diende iedereen zich ter aarde neer te werpen voor de god van Nebukadnessar.

En iedereen deed dat, behalve Sadrak, Mesak en Abednego. Zij bleven staan, zichtbaar voor iedereen! Iedereen was op zijn knieën neergevallen of lag op zijn buik in het zand. Maar zij bleven staan. Zij konden zich niet verbergen. Waar moesten zij naar toe?

Misschien heeft Nebukadnessar het de eerste keer dat dit gebeurde, niet gezien - althans hij zag het niet zelf. Maar er waren voldoende getuigen aanwezig die hem wezen op dat wat Sadrak, Mesak en Abednego hadden gedaan of anders gezegd, niet hadden gedaan. Derhalve gaf Nebukadnessar opdracht dit te herhalen om het met eigen ogen te kunnen zien. "Sadrak, Mesak en Abednego, laat nu maar eens zien hoe dapper en moedig jullie zijn, nu jullie het hier voor mijn aangezicht moeten doen". Deze grote oosterse potentaat werd omringd door zijn politiemacht en al de aanklagers van Sadrak, Mesak en Abednego, met daarbij een bulderend vuur op de achtergrond of misschien wel op de voorgrond.

Ik wil u een vraag stellen. Zagen zij, ondanks alles wat zij rondom zich zagen (Nebukadnessar, zijn politiemacht, de aanklagers, het bulderende vuur), toch God? Ja, zij zagen God, ofschoon niet met hun fysieke ogen.

Daniël 3:16-19 - Sadrak, Mesak en Abednego antwoordden de koning Nebukadnessar: Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. [zij wilden daar niet al te lang en al te gedetailleerd op in gaan]. Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht , o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet — het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden. Toen werd Nebukadnessar vervuld met gramschap ...

Zij konden zijn gezicht zien, maar zij zagen ook God. Waar kwam nu die krachtige overtuiging vandaan? Gemeente, een dergelijke overtuiging komt niet "op bevel", komt niet in een opwelling. Die overtuiging was de vrucht van Gods aantoonbare werken in een vroegere periode in het leven van de drie jonge mannen, een periode waarin hun leven ook op het spel stond. Hun geloof was gegroeid en dat had tijd gekost.

God is de God Die altijd Dezelfde is. 1 Corinthiërs 10:13 was op hen van toepassing, net zoals het van toepassing is op u en mij. Hij wist wat zij konden doorstaan. En zij wisten dat Hij voor "uitkomst" (letterlijk: een weg eruit) zou zorgen. Daarom zeiden zij: "Zelfs als Hij er niet voor kiest om dat te doen, dan nog gaan we niet voor uw beeld neerknielen".

Gemeente, waarom gebeuren er ten aanzien van ons niet meer "geweldige uitreddingen"? Ik denk dat het komt omdat wij zo weinig tijd besteden in de omgang met God, dat wij Hem niet zien als een direct en essentieel belangrijk deel van ons leven. Met als resultaat, dat we overstelpt worden door het fysieke, door het hier en het nu.

God zien in onmogelijke situaties

We zouden verder kunnen gaan met Jeremia 25:15, waar Jeremia een zware test moest ondergaan. Dat moet een zeer zware test voor hem zijn geweest. Hem werd gezegd de beker van God met de wijn van Zijn gramschap aan te nemen. We begrijpen, dat die wijn alleen maar symbolisch was, maar de taak die Jeremia ten uitvoer werd gegeven, was niet symbolisch. Deze kan symbolisch zijn geweest, maar ook een parallel met het Werk van de kerk in de eindtijd.

Jeremia werd door God opgedragen van natie naar natie te gaan, naar al de vijanden van Juda. De een na de ander moest hij de beker met wijn brengen. Vervolgens moest hij de koningen van die naties die wijn te drinken geven. Voor het geval zij weigerden te drinken, had Jeremia de opdracht: "Gij zult hen dwingen te drinken"! God moet hem een krachtige persoonlijkheid hebben gegeven, zodat deze mannen die beker aannamen en van de wijn dronken. Als laatste van allen diende hij de beker te overhandigen aan Sesak. Weet u wie of wat "Sesak" is? Het is een codenaam voor Babylon.

Bestaat er een parallel in dit Werk (van Herbert W. Armstrong)? Ziet u God in dit Werk? Gaat dit Werk van natie naar natie? Neemt dit Werk in zekere zin niet de beker met de wijn der gramschap van God, om aan deze naties te verkondigen: wat hun zal overkomen, wat er op aarde zal gaan gebeuren? Zullen wij tot slot naar Babylon gaan, om ook hun die beker te laten drinken?

Er zijn zoveel voorbeelden in de Bijbel, in Gods Woord, van mensen die in schijnbaar onmogelijke situaties God zagen. Toch geloof ik, om de een of andere reden, dat net als Sadrak, Mesak en Abednego, ook u en ik geroepen zijn om Gods denken, Zijn perspectief in ons op te nemen, om Hem in elk aspect van ons leven te zien. Dan bouwen we vanaf de roeping door God in ons verdere leven, langzaam maar zeker, kracht, vertrouwen en geloof op in God. Wij zien Hem in alles!

Wij kunnen God zien net als David. Blijkbaar een gewone jongen en toch was hij de enige in geheel Israël, uit alle krijgslieden, die God zag. Alle anderen zagen het leger van de Filistijnen en Goliath. Kwam dat soort geloof, dat inzicht door de vele uren die David met zijn schapen in het veld, besteedde aan het mediteren over Gods schepping, waarin hij Gods kracht zag en Gods aanwezigheid opmerkte? Kwam dat voort uit het feit, dat David de Schrift kende en wist wat er in het verleden gebeurd was, wetende dat God met het volk Israël had gewerkt, wetende, dat God Zijn interesse, Zijn zorg, Zijn doel met Israël had gedemonstreerd? David geloofde deze dingen en toen puntje bij paaltje kwam, zag David God!

"Nu zien mijn ogen U"

Job 42:1-6 - Toen antwoordde Job de Here: Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen uwer plannen wordt verijdeld. "Wie is het toch, die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?" Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. "Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht." Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as.

Gemeente, dit is de conclusie, de climax van deze lange, gedetailleerde geschiedenis. Nu kan Job God zien. Vanuit de context wordt duidelijk, dat om God op de juiste manier te kunnen zien, "het eigen ik" uit de weg geruimd dient te worden! Zolang zijn "eigen ik" nog in tact was, beoordeelde Job God vanuit zijn eigen perspectief. We zien wat we willen zien. We zien wat we geleerd hebben te zien. Dus Job zag zijn eigen wijsheid, zijn eigen werk, voordat hij God kon zien in Zijn grootheid. Dat komt, omdat de menselijke geest op die manier is getraind. Gemeente, het vereist vastberadenheid, het vereist discipline in studie, in gebed en in meditatie, om onze natuurlijke wijze van denken te doorbreken. En zelfs als wij daarin slagen, dan nog dienen wij te begrijpen, dat onze visie van God constant, zoals Paulus zegt "dag aan dag", moet worden aangevuld met de waarheid, om deze in praktijk te kunnen brengen.

Dit is vooral interessant gezien in het licht van Job. Job was iemand die dacht God goed te kennen, maar er was nog heel veel wat hij niet wist. Gedurende zijn lijden richtte hij zich met ontzettend veel uitdagende vragen tot God, in een poging zichzelf te rechtvaardigen of om te begrijpen, waarom hij door deze dingen heenging. Wist u, dat God nooit ook maar één van Jobs uitdagende vragen direct beantwoordde? In plaats daarvan liet God, beginnend in hoofdstuk 38, op een indirecte manier Job zijn eigen nietigheid zien. Weet u, dat Job zich in deze geschiedenis nooit bekeerde van zonde? Dat was niet aan de orde. Waar het om ging was, dat ondanks Jobs kennis van God, hij God niet werkelijk zag als de Almachtige! Dat wil zeggen, dat alleen God een einde aan het kwaad kan maken en geheel Zijn heilige wil tot stand kan brengen.

We kunnen weten wat het werkelijke onderwerp is in het boek Job, door wat God zegt, beginnend in hoofdstuk 38. God geeft daar een tweetal toespraken. Het ging niet om de zelfrechtvaardiging van Job, maar het probleem van Job was, dat hij Gods rechtvaardigheid in het bestuur van Zijn schepping in twijfel trok.

Toen Job zijn mond hier in hoofdstuk 42 open deed, vertelde hij God, dat hij uiteindelijk begreep waar het om ging. Waar het om draait is, dat het Gods doel is waar het allemaal om gaat! En aangezien Hij God is, kan Hij het tot stand brengen. God heeft het recht, de wil en de liefhebbende natuur om alles te doen wat Hem behaagt, met iedereen, op elk moment — en al het goede komt daar dan uit voort.

Gelooft u dat? Laat mij u waarschuwen. Hoe geestelijk volwassen hij ook was, Job deed dat niet ..., tot aan het einde van het boek.

Gods raad staat vast

Laten we eindigen met:

Jesaje 46:8-10 - Denkt hieraan [Bedenk] en vermant u; gij overtreders, neemt het ter harte. Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; Ik, die van den beginnen de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.

Gemeente, wat wij in deze drie verzen zien, is een algemeen principe waarin God ons uitdaagt in overweging te nemen om al de materiële afgoden die zo heel gemakkelijk te zien zijn, met Hem te vergelijken.

Jozua zei aan het einde van zijn leven:

Jozua 23:14 - Zie, ik ga thans de weg van al het aardse; erkent nu met geheel uw hart en geheel uw ziel, dat niet één van alle goede beloften die de Here, uw God, u gegeven heeft, onvervuld gebleven is. Alles is voor u uitgekomen. Zijnerzijds is niets onvervuld gebleven.

"Bedenk" is een zeer belangrijk woord binnen ware, geestelijke religie. Bedenk, dat de raad van God vast staat. Als Hij iets zegt, dan is het zo. Het gebeurt. God geeft volop bewijzen, waarin Hij laat zien, dat Hij kan worden vertrouwd. In staat zijn God te zien en te geloven, komt voort uit het zien van het bewijs, dat God Zichzelf en Zijn doel demonstreert in "de vroegere dingen".

Jesaja 46:9 zegt: "Bedenk hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde." Dat is wat David deed. Dat is wat Sadrak, Mesak en Abednego deden. Zij dachten aan "hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde". God demonstreerde Zichzelf in "hetgeen vroeger, vanouds gebeurde" - niet alleen Zichzelf, maar ook Zijn doel. Wij dienen te bedenken. Maar gemeente, het wordt duidelijk versterkt en opgebouwd door in deze tijd aan Zijn raad gehoorzaam te zijn en daardoor vanuit eigen ervaringen te zien, dat het werkelijk zo is. En dan kan iemand God zien!


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)