Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Numeri 25         Numeri 27 >>

Numeri 26

26:1  Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zeggende:

26:2  Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israel uittrekt.

26:3  Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

26:4  Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren.

26:5  Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;

26:6  Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.

26:7  Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.

26:8  En de zonen van Pallu waren Eliab.

26:9  En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.

26:10  En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.

26:11  Maar de kinderen van Korach stierven niet.

26:12  De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;

26:13  Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

26:14  Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.

26:15  De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.

26:16  Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;

26:17  Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.

26:18  Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.

26:19  De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.

26:20  Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.

26:21  En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.

26:22  Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.

26:23  De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;

26:24  Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.

26:25  Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

26:26  De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.

26:27  Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

26:28  De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.

26:29  De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.

26:30  Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.

26:31  En van Asriel het geslacht der Asrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;

26:32  En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.

26:33  Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

26:34  Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.

26:35  Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.

26:36  En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.

26:37  Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.

26:38  De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahiramieten;

26:39  Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.

26:40  En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.

26:41  Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.

26:42  Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.

26:43  Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.

26:44  De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.

26:45  Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.

26:46  En de naam der dochter van Aser was Serah.

26:47  Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.

26:48  De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;

26:49  Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.

26:50  Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

26:51  Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

26:52  En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

26:53  Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.

26:54  Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.

26:55  Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.

26:56  Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.

26:57  Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.

26:58  Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.

26:59  En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.

26:60  En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

26:61  Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.

26:62  En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.

26:63  Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.

26:64  En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinai.

26:65  Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

<< Numeri 25         Numeri 27 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)