Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Hooglied 6         Hooglied 8 >>

Hooglied 7

7:1  Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.

7:2  Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met lelien.

7:3  Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.

7:4  Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.

7:5  Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.

7:6  Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!

7:7  Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druif trossen.

7:8  Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druif trossen aan den wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.

7:9  En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.

7:10  Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.

7:11  Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.

7:12  Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.

7:13  De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.

<< Hooglied 6         Hooglied 8 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)