Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Job 28         Job 30 >>

Job 29

29:1  En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

29:2  Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!

29:3  Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

29:4  Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

29:5  Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;

29:6  Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;

29:7  Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.

29:8  De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.

29:9  De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.

29:10  De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

29:11  Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

29:12  Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.

29:13  De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.

29:14  Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. Literatuur:

29:15  Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.

29:16  Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

29:17  En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.

29:18  En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.

29:19  Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.

29:20  Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.

29:21  Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.

29:22  Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.

29:23  Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.

29:24  Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.

29:25  Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.

<< Job 28         Job 30 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)