Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Job 20         Job 22 >>

Job 21

21:1  Maar Job antwoordde en zeide:

21:2  Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

21:3  Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

21:4  Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

21:5  Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

21:6  Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.

21:7  Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

21:8  Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

21:9  Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.

21:10  Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

21:11  Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

21:12  Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

21:13  In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

21:14  Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

21:15  Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

21:16  Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

21:17  Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

21:18  Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

21:19  Dat God Zijn geweld weglegt voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;

21:20  Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!

21:21  Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

21:22  Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

21:23  Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;

21:24  Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.

21:25  De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

21:26  Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.

21:27  Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.

21:28  Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?

21:29  Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?

21:30  Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.

21:31  Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?

21:32  Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.

21:33  De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.

21:34  Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?

<< Job 20         Job 22 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)